📄 Wettekst
2 JUNI 1998. - Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (1)
De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° de Regering : de Regering van de Franse Gemeenschap;2° het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan : het onderwijs verstrekt door de inrichtingen gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;3° de inrichting : de vestiging of het geheel van de vestigingen die een pedagogisch geheel uitmaken voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan waarvan de zetel op een welbepaalde plaats is gevestigd en onder het gezag van eenzelfde directeur staat;4° de afdeling : de administratieve onderafdeling bekend onder de benaming gebied van het onderwijs waarin al de leergangen van een welbepaalde kunstoriëntatie van de studies is begrepen;5° de filière : de administratieve onderverdeling van een gebied van het onderwijs waarin de structuur van de leergangen van elke tussenfase van het onderwijs wordt bepaald;6° het bekwaamheidsniveau : het referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de basiscompetenties uiteenzet die uitgeoefend moeten worden tot aan het einde van de kunstopleiding en die beheerst moeten worden aan het einde van elk van hun fasen. Art. 2.In het kader van artikel 3, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, kent de Franse Gemeenschap toelagen toe aan het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan. HOOFDSTUK II. - Doelstellingen en organisatie van het Kunstonderwijs met beperkt leerplan Afdeling 1. - Doelstellingen
Art. 3.De hoofddoelstellingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zijn : 1° ervoor zorgen dat de leerlingen tot ontplooiing komen door het bevorderen van een cultuur van de kunst dank zij het aanleren van verscheidene uitingsmiddelen en -praktijken inzake kunst;2° aan de leerlingen de middelen en de opleiding geven die hen toelaten zelfstandig op te treden op kunstgebied waardoor een persoonlijke scheppingskracht ontstaat;3° een onderwijs bezorgen waardoor de leerlingen voorbereid worden om aan de vereisten te beantwoorden die nodig zijn om tot het kunstonderwijs van het hoger niveau te geraken. Afdeling 2. - Algemene organisatie
Art. 4.§ 1. Om aan de in artikel 3 bedoelde doelstellingen te beantwoorden, kunnen de Inrichtende Machten inrichtingen organiseren bestaande uit een of verschillende volgende afdelingen : 1° gebied van de « beeldende, visuele kunsten en kunsten in de ruimte »;2° gebied van de « muziek »;3° gebied van de « spreek- en toneelkunst »;4° gebied van de « danskunst »; § 2. In elk gebied bedoeld bij § 1 worden er filières georganiseerd met als doel : 1° de capaciteiten te doen verwerven waardoor het mogelijk is de leerling in het leerproces van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan te behouden en hem vorderingen te laten maken : a) in de voorbereidende filière die de leergangen bevat voor inleiding in de kunstpraktijken;b) in de opleidingsfilière die de eerste jaren van de in § 3, 1°, bedoelde basisleergangen omvat;c) in de kwalificatiefilière die de laatste jaren van de in § 3, 1°, bedoelde basisleergangen omvat, in een minimale vorm van organisatie van de studies;d) in de overgangsfilière die de laatste jaren van de in § 3, 1°, bedoelde basisleergangen omvat, in een versterkte vorm van organisatie van de studies;2° de uitoefening van een kunstactiviteit toe te laten. § 3. In ieder in § 1 bedoeld gebied en op basis van het bewijs van de overeenstemmende ambten die in artikel 51, § 2, zijn vermeld, worden de volgende activiteiten georganiseerd : 1° de artistieke basisleergangen in filières gestructureerd en bepaald op grond van : a) de doelstellingen inzake opvoeding en artistieke opleiding die specifiek zijn voor elke leergang;b) de bekwaamheidsniveaus die bepaald zijn voor elke filière inzake opleiding, kwalificatie en overgang en die rekening houden met : - de kunstintelligentie van de leerling, dit is zijn capaciteit om de samenhang aan te voelen van een kunstuitdrukking; - de technische beheersing van de leerling, dit is zijn capaciteit om het aanwenden van de technische elementen eigen aan elke specialiteit te beheersen; - de autonomie van de leerling, dit is zijn capaciteit om alleen een kunstactiviteit te ontdekken, te ontwikkelen en te verwezenlijken die van dezelfde kwaliteit is als deze die de opleiding hem heeft toegelaten te bereiken; - de scheppingskracht van de leerling, dit is zijn capaciteit vrijuit gebruik te maken van een kunstuitingsmiddel waarmee hij vertrouwd is of dat hij heeft uitgevonden met het oog op een originele verwezenlijking. c) het minimum en maximum aantal studiejaren die in elke onderwijsfilière kunnen georganiseerd worden;d) het minimum en maximum aantal wekelijkse lestijden die in elk in c) bedoelde studiejaren kunnen georganiseerd worden;2° de aanvullende leergangen kunst die worden bepaald op grond van : a) de doelstellingen inzake opvoeding en artistieke opleiding;b) het minimum en maximum aantal studiejaren die kunnen worden georganiseerd;c) het minimum en maximum aantal wekelijkse lestijden die kunnen georganiseerd worden in elk in b) bedoeld studiejaar.3° de begeleiding van de in 1° en 2° bedoelde leergangen. De Regering geeft nadere inlichting over de criteria die voor elke betrokken artistieke leergang in 1° en 2° zijn vermeld en duidt de leergangen aan waarvoor de in 3° bedoelde begeleiding kan bekomen worden.
Op advies van de in artikel 20 bedoelde Studieraad, maakt de Inrichtende Macht haar keuze inzake artistieke basisleergangen, aanvullende artistieke leergangen en de begeleiding die zij organiseert. § 4. Volgens de in § 3 bepaalde criteria, stelt de Inrichtende Macht het programma van elke leergang op dat zij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt. Elke wijziging van het programma moet ter goedkeuring aan de Regering worden voorgelegd. § 5. De Inrichtende Macht stelt tegen uiterlijk 31 oktober van elk schooljaar de lijst en het uurrooster van de leergangen op die zij in elk onderwijsgebied organiseert. Art. 5.Ingeval de in artikel 4, § 3, bedoelde schoolklassen of studiejaren in tweeën worden gedeeld of in eenzelfde leergang worden gegroepeerd, bepaalt het schoolhoofd, na raadpleging van de in artikel 20 bedoelde Studieraad, de samenstelling van de groepen leerlingen, met inachtneming van het aantal lestijden die aan zijn inrichting werden toegekend. Art. 6.Kunnen enkel in aanmerking worden genomen voor het bekomen van toelagen, de artistieke basisleergangen, de aanvullende artistieke leergangen en de begeleiding bedoeld bij artikel 4, § 3, georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. Art. 7.Kunnen enkel in aanmerking worden genomen voor het bekomen van toelagen, de gebieden van het onderwijs waarin te vinden zijn : 1° ten hoogste, de maximale structuur van de artistieke basisleergangen omschreven in artikel 4, § 2;2° ten minste, de minimale structuur van de artistieke basisleergangen waarin de volgende filières worden georganiseerd : a) voor het gebied van de beeldende, visuele kunsten en kunsten in de ruimte, de voorbereidende filières, de filières voor opleiding en voor kwalificatie;b) voor de andere in artikel 4, § 1 bedoelde gebieden, de filières voor opleiding en voor kwalificatie. Afdeling 3. - Toelatingsvoorwaarden en regelmatigheid van de
leerlingen. Art. 8.§ 1. Geen leerling mag toelating krijgen om als regelmatig ingeschreven leerling een studiejaar van een artistieke basisleergang te volgen indien hij niet beantwoordt aan de volgende voorwaarden : 1° de vereiste minimumleeftijd bereikt hebben;2° zo nodig de bijzondere capaciteiten en geschiktheid hebben die door de in artikel 21 bedoelde Klas- en Toelatingsraad bepaald zijn;3° een of meer andere aanvullende leergangen of basisleergangen gevolgd hebben of, in voorkomend geval, ervoor geslaagd zijn of er door de Klas- en de Toelatingsraad van vrijgesteld zijn overeenkomstig artikel 21, 1°;4° een maximum aantal jaren niet overschreden hebben tijdens welke de leergang werd gevolgd, beperkt tot : a) twee jaar voor hetzelfde studiejaar;b) het totaal aantal studiejaren georganiseerd in andere filières dan de voorbereidende filière, vermeerderd met drie schooljaren.Wanneer de leerling zijn studies aanvangt in een ander jaar dan het aanvangsjaar, wordt het maximum aantal jaren evenwel verminderd met het aantal niet gevolgde studiejaren. 5° zich ertoe verbinden alle wekelijkse lestijden te volgen die georganiseerd worden voor de betrokken leergang. De sub 1° en 3° bedoelde voorwaarden worden bepaald door de Regering voor elke betrokken basisleergang. § 2. Buiten de in § 1 bepaalde voorwaarden om tot een ander studiejaar dan het eerste jaar toegang te hebben, moet de leerling : 1° ofwel ambtshalve door de Klas- en Toelatingsraad tot dit studiejaar toegelaten worden overeenkomstig artikel 21, 1°;2° ofwel beantwoorden aan de voorwaarden inzake overgang bepaald door de Klas- en Toelatingsraad overeenkomstig artikel 21, 3°. Art. 9.Geen leerling mag toelating krijgen om als regelmatig ingeschreven leerling een studiejaar van een aanvullende artistieke leergang te volgen indien hij niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald bij artikel 8, § 1, 1° en 3° en § 2, 1°.
De in lid 1 bedoelde voorwaarden worden door de Regering voor elke betrokken aanvullende leergang bepaald. Art. 10.De vereiste leeftijd bedoeld bij artikel 8 moet bereikt zijn op 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar. Art. 11.In elk gebied van het onderwijs wordt als regelmatige leerling beschouwd, hij die op 31 januari van het lopende schooljaar : 1° de toelatingsvoorwaarden bedoeld bij de artikelen 8 en 9 vervult en die sedert 1 oktober regelmatig de leergangen volgt van het studiejaar waartoe hij behoort;2° werkelijk op een minimum aantal lestijden van de basis- of aanvullende leergangen bepaald bij artikel 12 aanwezig is;3° in voorkomend geval, het inschrijvingsrecht heeft betaald, bepaald door de Regering bij toepassing van artikel 26 van het programmadecreet van 25 juli 1996 houdende verschillende maatregelen in verband met de begrotingsfondsen, de schoolgebouwen, het onderwijs en de audiovisuele sector. Art. 12.§ 1. Voor de regelmatig ingeschreven leerlingen is het bij artikel 11, 2°, bepaald minimum aantal lestijden van de wekelijks te volgen leergangen vastgesteld op : 1° op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten in de ruimte : a) voor de voorbereidende filière, 2 lestijden voor de leerlingen van minder dan 12 jaar en 3 lestijden voor de leerlingen van ten minste 12 jaar;b) voor de opleidingsfilière, 3 lestijden;c) voor de kwalificatiefilière, 4 lestijden;d) voor de overgangsfilière, 8 lestijden;2° op het gebied van de muziek : a) voor de voorbereidende filière, 1 lestijd;b) voor de opleidingsfilière, 2 lestijden;c) voor de kwalificatiefilière, 2 lestijden;d) voor de overgangsfilière, 3 lestijden. Dit aantal lestijden kan evenwel tot twee herleid worden vanaf het vierde studiejaar wanneer de leerling voldaan heeft aan de aanvullende opleiding die bij toepassing van artikel 8, § 1, 3° werd opgelegd; 4° op het gebied van de danskunst : a) voor de voorbereidende filière, 1 lestijd;b) voor de opleidingsfilière, 1 lestijd gedurende de eerste vier studiejaren en 2 lestijden vanaf het vijfde jaar;c) voor de kwalificatiefilière, 2 lestijden;d) voor de overgangsfilière, 5 lestijden in het 1e en het 2e jaar en 7 lestijden vanaf het 3e tot het 8e jaar. § 2. De verschillende leergangen die op hetzelfde gebied gevolgd worden in een andere inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan mogen aangerekend worden om tot het minimum aantal lestijden te komen bedoeld bij artikel 11, 2°.
In dit geval wordt de leerling wat de toepassing van artikel 11 betreft, als regelmatig ingeschreven leerling beschouwd in elke inrichting waar hij een basisleergang volgt. § 3. Voor de toepassing van § 1, wanneer de leerling enkel een of verschillende aanvullende leergangen volgt, wordt de minimale wekelijkse duur van de gevolgde leergangen bepaald bij verwijzing naar het minimum voorgeschreven voor de opleidingsfilière van het gebied waarmee de betrokken aanvullende leergang(en) verband houdt (houden). § 4. De vrijstellingen inzake volgen van de leergangen die door de Studieraad worden toegestaan overeenkomstig artikel 21 mogen niet in aanmerking worden genomen om tot het minimum in § 1 bepaald aantal lestijden te komen. Art. 13.In afwijking van artikel 12, voor iedere leerling die voor een basisleergang van een opleidingsfilière ingeschreven is, kan de minimale wekelijkse duur van de gevolgde leergangen bereikt worden door het aanrekenen van alle andere lestijd(en) die gelijktijdig regelmatig is (zijn) gevolgd in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
In dit geval wordt de leerling, wat de toepassing van artikel 11 betreft, als regelmatig ingeschreven leerling beschouwd voor elk gebied waarvoor hij een van de bij artikel 4, § 3, 1°, bedoelde basisleergangen volgt. Art. 14.§ 1. Niemand mag als regelmatig ingeschreven leerling eenzelfde leergang volgen in een andere inrichting voor kunstonderwijs die gesubsidieerd of georganiseerd wordt door de Franse Gemeenschap. § 2. Voor de toepassing van artikel 11 kan de leerling niet als regelmatig ingeschreven beschouwd worden indien hij over het geheel van de leergangen, verstrekt tussen 1 oktober en 31 januari van het betrokken schooljaar, meer dan 20% ongewettigde afwezigheidstijd telt.
De minister bepaalt de regels volgens welke de aanwezigheden en de afwezigheden van de leerlingen berekend en verantwoord worden. Art. 15.Voor iedere leerling wordt een individuele fiche opgemaakt waarop ten minste de volgende gegevens worden vermeld : 1° naam, voornaam en adres;2° geboortedatum;3° reeds gevolgde studies in een inrichting voor kunstonderwijs en bekomen resultaten;4° studies die aan de gang zijn. Afdeling 4. - Bekrachtiging van de studies
Art. 16.Er worden getuigschriften en diploma's uitgereikt voor elke artistieke basisleergang bedoeld bij artikel 4, § 3, 1°.
Er wordt een getuigschrift uitgereikt aan de regelmatig ingeschreven leerling die voor elke betrokken opleidings-, kwalificatie- en overgangsfilière : 1° aan de in artikel 4, § 3, van dit decreet bepaalde vereisten inzake bekwaamheidsniveaus voldoet op basis van de evaluatiecriteria bepaald door de Studieraad bedoeld bij artikel 21, 3°;2° aan de minimale opleiding beantwoordt bepaald bij artikel 4, § 3, 1°. Er wordt een einddiploma uitgereikt aan de regelmatig ingeschreven leerling die voor elke overgangsfilière, buiten de bij lid 2, 1° bepaalde voorwaarden, voldaan heeft voor een opleiding die het bij artikel 4, § 3, 1° bepaald maximum aantal studiejaren omvat die kunnen georganiseerd worden. Art. 17.Voor de toepassing van artikel 16 worden de studiejaren waarvoor een vrijstelling door de Klas- en Toelatingsraad werd verleend overeenkomstig artikel 21, 1°, beschouwd als met succes gevolgd geweest door de betrokken leerling. Art. 18.Op het getuigschrift en het diploma staan onder andere vermeld : 1° de benaming van de basisleergang en van de gevolgde aanvullende leergang(en);2° de betrokken filière van het onderwijs;3° het betrokken gebied;4° de benaming van de inrichting. Het getuigschrift en het diploma zijn erkend door alle inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan. Afdeling 5. - De Studieraad
Art. 19.De Inrichtende Macht stelt in elke inrichting die zij organiseert een Studieraad in, bestaande uit een algemene vergadering en klas- en toelatingsraden. Art. 20.De algemene vergadering verzamelt al de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de inrichting en brengt advies uit aan de Inrichtende Macht over : 1° het in tweeën delen of het groeperen van klassen of studiejaren van een zelfde leergang;2° het oprichten of het afschaffen van studiejaren, leergangen of filières van het onderwijs;3° de modaliteiten voor de organisatie van de evaluaties van de leerlingen;4° de keuze van het bij artikel 34 bepaald gebruik van de lestijden. De algemene vergadering kan slechts geldig advies uitbrengen indien ten minste twee derden van de personeelsleden aanwezig zijn.
Indien het vereiste quorum niet bereikt is, wordt er een vergadering binnen veertien werkdagen gehouden met dezelfde agenda als die van de vorige vergadering; ongeacht het aantal aanwezige personeelsleden, wordt er geldig advies uitgebracht. Art. 21.In de Klas- en de Toelatingsraden zetelen er ten minste een lid van het bestuurspersoneel of zijn gemachtigde die deze raden voorzit samen met al de leerkrachten belast met de opleiding van een welbepaalde groep leerlingen.
In naleving van het specifiek karakter van het educatief projekt van de Inrichtende Macht, kunnen zij optreden als afgevaardigde leden van deze Inrichtende Macht : 1° inzake toelating van de leerlingen tot de overgangsfilière of tot een ander studiejaar dan het aanvangsjaar en inzake vrijstelling van het volgen van leergangen, gelet op de volgende criteria : a) de reeds gevolgde studies bekrachtigd door een attest, een getuigschrift of een diploma;b) de uitslagen van proeven of tests ingericht door de Studieraad;c) andere gelijktijdig gevolgde studies;d) behaalde onderscheiding of prijzen;e) voortgezette en geattesteerde uitoefening van een activiteit die verband houdt met de gevolgde opleiding;2° inzake pedagogische begeleiding van de leerlingen : a) ofwel door de leerlingen die een vooraf vereiste kennis niet beheersen of die moeilijkheden kennen in het begin of tijdens de opleiding, te verplichten aanvullende leergangen te volgen waarvan de aard en de duur bepaald worden binnen de perken bedoeld bij dit decreet en volgens de vrijgekomen lestijden waarvoor toelagen kunnen bekomen worden;b) ofwel door, zo nodig, de leerlingen die studies hebben aangevangen een andere studierichting te laten volgen;c) ofwel door gelijk welke schikking te treffen om de geschillen over het verloop van de studies te regelen;3° inzake evaluatiecriteria van de leerlingen, door de aard en de periodiciteit van de controleproeven te bepalen alsook de evaluatiegegevens of, zo nodig, de elementen betreffende de persoonlijke opleiding of de verworven beroepskennis, door de leerling bezorgd en degelijk nagezien;4° inzake voorwaarden voor de overgang naar het volgende studiejaar;5° inzake bekrachtiging van de studies, met een beoordeling van de bekwaamheid van de leerlingen op basis van de bekwaamheidsniveaus bepaald bij artikel 4, § 3, 1°, b, en met de uitreiking, na beraadslaging van de getuigschriften en diploma's bedoeld bij artikel 16. Art. 22.De Inrichtende Macht stelt het huishoudelijk reglement van de Studieraad vast waarin nader bepaald worden : 1° de modaliteiten volgens welke de evaluaties die in de loop van de opleiding werden gemaakt in aanmerking zullen komen voor de berekening van het eindresultaat;2° de eventuele coëfficiënt en de proportionele waarde van de controleproeven;3° de regels voor de beraadslaging;4° de regels om beslissingen te nemen inzake toelating van de leerlingen;5° de procedureregels inzake tucht. Afdeling 6. - Organisatie van de Kunsthumaniora
Art. 23.Inzake spreekkunst en toneelkunst, muziek en danskunst mogen de lestijden in de kunsthumaniora bedoeld bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs georganiseerd worden in de hierna vermelde inrichtingen : 1° Conservatoire de Musique Arthur Grumiaux van Charleroi;2° Académie intercommunale de Musique de danse et des arts de la parole de Court-Saint-Etienne et Ottignies-Louvain-la-Neuve;3° Académie de Musique Gretry de Liège;4° Conservatoire de Musique de Huy;5° Académie de Musique d'Ixelles;6° Académie de Musique de Mons;7° Conservatoire de Musique de Namur;8° Académie de Musique de Saint-Hubert. Art. 24.De organisatie, de structuur, de uurrooster van de leergangen en de bekrachtiging van de studies Kunsthumaniora worden op basis van de algemene regeling voor het secundair onderwijs met beperkt leerplan geregeld. Afdeling 7. - Afzonderlijke organisaties
Art. 25.Kunnen door de Regering als afzonderlijk erkend worden, de onderwijsorganisaties die in de onderwijsgebieden bedoeld bij artikel 4, § 1 niet kunnen ondergebracht worden of die een specifieke lessenstructuur organiseren die verantwoord is met het oog op de realisatie van een origineel educatief projekt.
Worden als afzonderlijk erkend op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, de artistieke onderwijsorganisaties die in de hierna vernoemde inrichtingen in toepassing zijn gebracht : 1° specifiek onderwijs van de ritmiek en de lichamelijke expressie in het « Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique », te Brussel;2° specifiek onderwijs voor instrumentale en vocale opleiding voor zangers- organisten en koorleiders in de « Académie de Musique Saint-Grégoire », te Doornik. Wat de in lid 1 bedoelde onderwijsafdelingen betreft, geeft de Regering nadere inlichtingen over de criteria die voor elke kunstleergang die mag georganiseerd worden in de artikelen 4, § 3; 8, § 1, 1° en 3°; 9 en 11, § 2, zijn vermeld. Art. 26.In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en op de voordracht van de Inrichtende Macht of van het hoofd van de inrichting die door zijn Inrichtende Macht werd gemandateerd, kunnen in de vorm van lesopdrachten toegewezen aan bij artikel 59 bedoelde lesgelastigden, specifieke opleidingslessen en activiteiten worden georganiseerd die niet in het kader van de kunstleergangen bedoeld bij artikel 4, § 3, kunnen opgenomen worden. Art. 27.In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en op de voordracht van de Inrichtende Macht of van het hoofd van de inrichting die door zijn Inrichtende Macht werd gemandateerd, kunnen specifieke lessen voor inleiding in de kunstpraktijk worden georganiseerd om de sociaal benadeelde bevolkingen toe te laten toegang te hebben tot het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
De inleidingslessen bedoeld bij lid 1 kunnen georganiseerd worden ofwel in de vorm van in artikel 4, § 3, bedoelde leergangen, verstrekt door de leden van het onderwijzend personeel, ofwel in de vorm van afzonderlijke opleidingslessen en activiteiten bedoeld bij artikel 26, die door de in artikel 59, § 2, bedoelde lesgelastigden worden gegeven.
De in lid 1 bedoelde specifieke leergangen kunnen verstrekt worden ofwel : 1° in inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan;2° in inrichtingen voor basisonderwijs;3° in elke andere vestiging bepaald door de Inrichtende Macht. De leerlingen ingeschreven voor de inleidingslessen bedoeld bij lid 1 worden niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 11 en mogen niet als regelmatig ingeschreven leerlingen worden opgenomen.
Worden beschouwd als toebehorend tot de sociaal benadeelde bevolkingsgroepen bedoeld bij lid 1, de leerlingen die ingeschreven zijn in de inrichtingen of vestigingen voor gewoon basis- en secundair onderwijs met positieve discriminatie alsook de leerlingen die in sociaal benadeelde wijken wonen.
De Regering bepaalt de lijsten van de inrichtingen of de vestigingen en van de bij lid 5 bedoelde wijken. Art. 28.Voor de toepassing van de artikelen 26 en 27, legt de Inrichtende Macht of het hoofd van de inrichting die daartoe werd gemandateerd zijn projekt voor in de door de Regering vastgestelde vormen en termijnen, die op advies van de Inspectie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en binnen een termijn van zestig dagen die begint te lopen vanaf de datum waarop het dossier werd ontvangen, een gemotiveerde beslissing mededeelt wat de subsidiëring van de betrokken lesopdracht betreft. HOOFDSTUK III. - Lestijdendotaties en werkingstoelagen Art. 29.Vanaf het schooljaar 1999- 2000 is het totaal bedrag van de dotaties toegekend bij toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gelijk aan het totaal van de lestijden toegekend voor het schooljaar 1998-1999.
Het bij lid 1 bedoeld totaal bedrag van de dotaties wordt jaarlijks ingekort met het aantal lestijden die werden gebruikt voor de betoelaging van de betrekkingen van de personeelsleden die in disponibiliteit werden gesteld wegens gebrek aan tewerkstelling of aan gedeeltelijk verlies van opdrachten die niet aangerekend worden ten laste van de dotaties van de inrichtingen volgens de bij artikel 56 bepaalde modaliteiten. Afdeling 1. - Jaarlijkse dotaties
Art. 30.Elke Inrichtende Macht beschikt per schooljaar en per inrichting voor secundair kunstonderwijs over een dotatie, berekend in lestijden/jaar van 50 minuten en die overeenstemmen met het totaal van de lestijden die voor elk in artikel 4, § 1, bedoeld gebied werden toegekend. Art. 31.§ 1. Voor de duur van het schooljaar 1998-1999, bestaat de jaarlijkse dotatie met lestijden van elke inrichting uit het totaal aantal lestijden die in de loop van het vorig schooljaar werden gesubsidieerd, zo nodig aangepast aan de toepassing van het nieuw geldelijk statuut bepaald bij artikel 98. § 2. Vanaf het schooljaar 1999-2000 wordt de jaarlijkse dotatie met lestijden voor een schooljaar bepaald volgens het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen voor het vorig schooljaar in de zin van artikel 11 en per gebied.
Voor de toepassing van lid 1 worden de leerlingen die ingeschreven zijn voor de voorbereidende filière afzonderlijk aangeboekt.
Per volledige schijf van 10 regelmatig ingeschreven leerlingen wordt de bij lid 1 bedoelde dotatie : 1° op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten van de ruimte vastgesteld op : a) 60 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;b) 190 lestijden/jaar voor de andere filières.2° op het gebied van de spreekkunst en toneelkunst vastgesteld op : a) 40 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;b) 130 lestijden/jaar voor de andere filières.3° op het gebied van de muziek vastgesteld op : a) 60 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;b) 240 lestijden/jaar voor de andere filières.4° op het gebied van de danskunst : vastgesteld op : a) 25 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;b) 80 lestijden/jaar voor de andere filières. § 3. Tijdens de overgangsperiode die zich over vier schooljaren spreidt en die aanvangt op 1 september 1999, worden de verhogingen en de inkortingen van lestijden waarvoor toelagen kunnen bekomen worden ten gevolge van de toepassing van § 2, jaarlijks tot 25 % van hun waarde beperkt. § 4. Tijdens de in § 3 bedoelde overgangsperiode, mogen de Inrichtende Machten lestijden, van het ene naar het andere gebied van het onderwijs en naar andere inrichtingen die zij organiseren, overhevelen, op voorwaarde dat zij de rechten van het personeel waarborgen binnen de perken van de decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het vrij onderwijs en het officieel gesubsidieerd onderwijs en voor zover deze overhevelingen geen indisponibiliteitsstellingen tot gevolg hebben wegens gebrek aan tewerkstelling of gedeeltelijk wegvallen van opdrachten. Art. 32.De lestijden bepaald overeenkomstig artikel 31 zijn opgesplitst in een aantal lestijden/weken berekend door het aantal lestijden/jaar te delen door het aantal openingsweken van de inrichting of de afdeling van de betrokken inrichting.
Het aantal openingsweken van de inrichting of van de afdeling van de betrokken inrichting wordt door de Inrichtende Macht vastgesteld op 32, 36 of 40. Art. 33.Voor de toepassing van artikel 29 en volgens de jaarlijkse schommelingen van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in elk bij artikel 4, § 1, bedoeld onderwijsgebied, bepaalt de Regering de coëfficiënten voor de aanpassing van de bij artikel 31, § 2, bedoelde dotaties. Art. 34.Onverminderd de bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs en het bepaalde in artikel 31, § 4, valt de keuze van de besteding van de dotaties per inrichting en per gebied onder de bevoegdheid van elke inrichtende macht.
In afwijking van de bepalingen van artikel 31, § 2, wanneer de Inrichtende Macht geen kennis geeft binnen een termijn van zestig kalenderdagen die aanvangen op 1 februari, van de inlichtingen waarmee het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen die in rekening moeten genomen worden voor de vaststelling van de jaarlijkse dotatie kan bepaald worden, wordt deze dotatie voorlopig vastgesteld bij hernieuwing op het bedrag van de dotatie die het jaar tevoren werd toegekend.
In dat geval kan er geen sprake zijn, wanneer de definitieve jaarlijkse dotatie later wordt bepaald, van een verhoging van het aantal lestijden die voorlopig worden toegekend. Afdeling 2. - Dotaties voor Kunsthumaniora
Art. 35.Wat de organisatie van de bij artikel 23 bedoelde lestijden in het onderwijs betreft, beschikt elke Inrichtende Macht over een jaarlijkse dotatie van lestijden waarvoor toelagen kunnen bekomen worden, berekend per onderwijsgebied volgens het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar regelmatig ingeschreven was om de Kunsthumaniora te volgen.
De jaarlijkse dotatie met lestijden wordt als volgt bepaald : 1° op het gebied van de muziek : 60 lestijden/leerling tot de 6e leerling en 40 lestijden/leerling vanaf de 7e leerling;2° op het gebied van de spreekkunst en de toneelkunst : 100 lestijden/leerling tot de 12e leerling en 80 lestijden/leerling vanaf de 13e leerling;3° op het gebied van de danskunst : 200 lestijden/leerling tot de 12e leerling en 120 lestijden/leerling vanaf de 13e leerling. Art. 36.De bij artikel 35 bedoelde jaarlijkse dotaties worden uitsluitend voorbehouden voor de organisatie van de in artikel 23 bedoelde lestijden in de Kunsthumaniora. Afdeling 3. - Dotaties aan de afzonderlijke organisaties
Art. 37.Voor de duur van het schooljaar 1998-1999, wordt de jaarlijkse dotatie met lestijden voor elke bij artikel 25 bedoelde inrichting vastgesteld overeenkomstig artikel 31, § 1.
Vanaf het schooljaar 1999-2000 wordt de jaarlijkse dotatie met lestijden voor elke bij artikel 25 bedoelde inrichting als volgt vastgesteld overeenkomstig artikel 31, § 2, lid 1 : 1° voor het « Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique », te Brussel : a) 9.200 lestijden voor de eerste 200 regelmatig ingeschreven leerlingen; b) 200 bijkomende lestijden per volledige schijf van 10 bijkomende regelmatig ingeschreven leerlingen. 2° voor de « Académie de Musique Saint-Grégoire » : a) 1.800 lestijden voor de eerste 100 regelmatig ingeschreven leerlingen; b) 100 bijkomende lestijden per volledige schijf van 5 bijkomende regelmatig ingeschreven leerlingen. De jaarlijkse dotaties met lestijden bedoeld bij lid 2 mogen niet groter zijn dan de dotaties berekend voor de duur van het schooljaar 1998-1999 overeenkomstig lid 1. Art. 38.Voor de organisatie van de bij artikel 27 bedoelde inleiding in de kunstpraktijken kunnen jaarlijkse dotaties met bijkomende lestijden door de Regering worden toegekend voor het organiseren van projekten die zij goedkeurt overeenkomstig artikel 28.
Het aantal lestijden toebedeeld aan de bij lid 1 bedoelde jaarlijkse dotaties is beperkt tot een percent van het totaal van de bij artikel 29 bedoelde lestijden en berekend naar rata van 60 lestijden/jaar per volledige schijf van 10 ingeschreven leerlingen. Afdeling 4. - Werkingstoelagen
Art. 39.De werkingstoelage bedoeld bij artikel 32, § 2, lid 2, van voornoemde wet van 29 mei 1959 wordt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet per regelmatig ingeschreven leerling in de zin van artikel 11 berekend op basis van een welbepaald jaarlijks bedrag : 1° voor de afdelingen op het gebied van de muziek, de spreekkunst en de toneelkunst en de danskunst : a) 360 frank voor de leerling ingeschreven voor de voorbereidende filière;b) 870 frank voor de leerling ingeschreven voor de opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière.2° voor de afdelingen op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten in de ruimte : a) 1 020 frank voor de leerling ingeschreven voor de voorbereidende filière;b) 2 450 frank voor de leerling ingeschreven voor de opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière.3° voor de leerling regelmatig ingeschreven voor verschillende onderwijsgebieden, wordt de werkingstoelage afzonderlijk berekend voor elk betrokken gebied. HOOFDSTUK IV. - Rationalisatie en programmatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan Art. 40.Er wordt een norm, uitgedrukt in een minimum aantal regelmatig ingeschreven leerlingen, vastgesteld voor : 1° de rationalisatie, m.a.w. het behoud en de subsidiëring van de inrichtingen en de gebieden en de afdelingen bedoeld bij artikel 4, § 1; 2° de programmatie, d.w.z. de oprichting en de toelating tot de subsidies van nieuwe inrichtingen en gebieden bedoeld bij artikel 4, § 1.
De norm voor rationalisatie bedoeld bij lid 1 wordt vastgesteld op : 1° 350 regelmatig ingeschreven leerlingen voor al de gebieden georganiseerd door de inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan;2° 120 regelmatig ingeschreven leerlingen op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten in de ruimte;3° 40 regelmatig ingeschreven leerlingen op het gebied van de spreekkunst en toneelkunst;4° 200 regelmatig ingeschreven leerlingen op het gebied van de muziek;5° 40 regelmatig ingeschreven leerlingen op het gebied van de danskunst. De bij lid 1, 2°, bedoelde programmatienorm wordt op 250 % van de rationalisatienorm vastgesteld.
De bij lid 2, 1°, bedoelde programmatienorm wordt vastgesteld op 80 % van zijn waarde voor de inrichting die de enige van haar net is die zich in een straal van 50 kilometers bevindt of die vestigingen in diezelfde straal onderhoudt. Art. 41.In afwijking van artikel 40 wordt de rationalisatienorm voor het behoud van bij artikel 25 bedoelde inrichtingen vastgesteld op : 1° 200 regelmatig ingeschreven leerlingen voor het « Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique »;2° 100 regelmatig ingeschreven leerlingen voor de « Académie de Musique Saint-Grégoire ». Art. 42.De rationalisatie en de programmatie worden per onderwijsnet toegepast.
De in lid 1 bedoelde onderwijsnetten zijn : 1° het net van het officieel gesubsidieerd onderwijs waarin de bij artikel 1, 2° bedoelde inrichtingen begrepen zijn die georganiseerd worden door de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten of gelijk welke andere publiekrechtelijke rechtspersoon;3° het net van het vrij gesubsidieerd onderwijs waarin de bij artikel 1, 3° bedoelde inrichtingen begrepen zijn die door privé-personen georganiseerd worden. Art. 43.Elke inrichting die de bij de artikelen 40 en 41 bedoelde norm voor rationalisatie niet bereikt, wordt aangegeven als bedreigd met sluiting.
Elke inrichting die vanaf het schooljaar 1997-1998 en gedurende twee opeenvolgende schooljaren de bij de artikelen 40 en 41 bedoelde norm voor rationalisatie niet bereikt, verliest haar autonomie vanaf de eerste dag van het volgend schooljaar.
Zij kan met een andere inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan een fusie aangaan waarvan zij een vestiging wordt, zoals bepaald bij voornoemde wet van 29 mei 1959.
Komt er geen fusie, dan beslist de Inrichtende Macht de sluiting van alle gebieden die zij organiseert in de bij lid 1 bedoelde inrichting. Art. 44.De Inrichtende Machten kunnen beslissen op het einde van een schooljaar een fusie aan te gaan met de inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan die zij organiseren ten einde een nieuwe inrichting op te richten voor zover deze inrichting op de datum van de fusie de bij artikel 40 bedoelde norm voor rationalisatie bereikt.
Een van de oorspronkelijke zetels wordt de zetel van de nieuwe inrichting; de andere oorspronkelijke zetel(s) worden vestigingen van de nieuwe inrichting. Art. 45.In afwijking van artikel 24, § 2, 8°, van voornoemde wet van 29 mei 1959 is de verplichting voor een inrichting haar leergangen in te richten op het grondgebied van dezelfde gemeenten niet opgelegd voor de inrichtingen die bestaan ten gevolge van de bij de artikelen 43 en 44 bedoelde fusies. In dat geval is een afwijking niet nodig. Art. 46.Elk onderwijsgebied van een inrichting die vanaf het schooljaar 1998-1999 de bij artikel 40 bedoelde norm voor rationalisatie op 31 januari van het lopende schooljaar niet bereikt, wordt aangegeven als bedreigd met sluiting en verliest vanaf de eerste dag van het volgend schooljaar haar dotatie van lestijden waarvoor zij toelagen kan krijgen en die zou berekend zijn op basis van het aantal leerlingen ingeschreven voor de leergangen van het betrokken gebied.
Wanneer het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen ten minste 80 % van de bij artikel 40 bedoelde norm voor rationalisatie bereikt, blijft de inrichting evenwel gedurende maximum een schooljaar de dotatie met leergangen ontvangen waarvoor toelagen kunnen gekregen worden, berekend volgens de bepalingen van artikel 31, § 2. Art. 47.Een Inrichtende Macht bedreigd met stopzetting van haar activiteiten in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan door de definitieve sluiting van een of verschillende van haar onderwijsgebieden, kan op 31 augustus de dotaties van lestijden waarop zij bij toepassing van artikel 31, § 2 aanspraak had kunnen maken, aan een andere Inrichtende Macht van hetzelfde net overdragen, op voorwaarde dat de rechten van het personeel worden gewaarborgd binnen de perken van voornoemde decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994. Art. 48.In afwijking van de bepalingen van artikel 44 wordt er een specifieke norm voor rationalisatie en programmatie per onderwijsgebied vastgelegd voor het behoud en de oprichting van de in artikel 23 bedoelde Kunsthumaniora.
De in lid 1 bedoelde norm wordt bepaald op een minimum aantal van vijf leerlingen die op 1 oktober van het lopende schooljaar regelmatig ingeschreven waren voor de Kunsthumaniora voor het betrokken onderwijsgebied.
Wanneer het bij lid 2 bedoelde onderwijsgebied ten minste vijf leerlingen telt die regelmatig ingeschreven zijn voor de Kunsthumaniora, weigert de betrokken Inrichtende Macht elke nieuwe inschrijving en blijft zij de lestijden organiseren om de leerlingen die ingeschreven blijven, toe te laten de ondernomen cyclus van secundaire studies te beëindigen. HOOFDSTUK V. - De ambten, de gesubsidieerde betrekkingen en het geldelijk statuut van de personeelsleden Afdeling 1. - De ambten
Art. 49.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel van de inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan mogen uitoefenen, omvatten wervings-, selectie- of bevorderingsambten onderverdeeld in twee categorieën : 1° de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel;2° de categorie van het opvoedend hulppersoneel. Art. 50.De ambten die de leden van het bestuurspersoneel mogen uitoefenen worden gerangschikt in selectie- en bevorderingsambten : 1° selectieambten : onderdirecteur 2° bevorderingsambten : directeur. Art. 51.§ 1. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel mogen uitoefenen, worden gerangschikt in de categorie van de wervingsambten.
Wanneer een ambt uit verschillende specialiteiten bestaat, vormt elke specialiteit een afzonderlijk ambt.
Worden als « zelfde ambten » beschouwd, die waarvoor de reglementering eenzelfde bekwaamheidsbewijs bepaalt, zowel voor wat het vereiste bekwaamheidsbewijs of het als voldoende geachte bekwaamheidsbewijs betreft als wat het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het in artikel 100, § 1, bedoelde onderwijs betreft. § 2. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten in de ruimte mogen uitoefenen, zijn de volgende : 1° leraar multidisciplinaire opleiding;2° leraar kunstgeschiedenis en esthetiek;3° leraar kunstambachten voor elk van de volgende specialiteiten : a) kunstsmeedwerk;b) schrijnwerk;c) boekkunst : inbinding- vergulden/typografie en studie van het letterteken;d) juwelierskunst- juwelenmakerij;e) brandschilderkunst;f) instandhouding en restauratie van kunstwerken en kunstvoorwerpen.4° leraar grafisch en picturaal onderzoek voor elk van de volgende specialiteiten : a) tekenen;b) schilderen;c) illustratie en tekenverhalen;d) reclame en visuele communicatie;e) infografie.5° leraar gedrukte beelden voor elk van de volgende specialiteiten : a) etskunst;b) lithografie;c) serigrafie;d) fotografie;e) animatiefilm;f) cinegrafie, videografie en klanktechniek;g) infografie.6° leraar inrichting voor elk van de volgende specialiteiten : a) sierkunst;b) binnenhuisarchitect- decorateur;c) scenografie;7° leraar textielontwerper voor elk van de volgende specialiteiten : a) tapijtkunst;b) weverij;c) bedrukte stof;d) ontwerp van theaterkostuums, decors, maskers;e) kantwerk.8° leraar monumentale kunsten voor elk van de volgende specialiteiten : a) monumentale schilderij;b) monumentaal beeldhouwwerk;9° leraar ruimten voor elk van de volgende specialiteiten : a) beeldhouwwerk;b) beeldhouwceramiek;10° leraar vuurkunsten voor elk van de volgende specialiteiten : a) aardewerk.b) ceramiek;c) beeldhouwceramiek;d) metaal;e) glaskunst.11° leraar kunsttechnieken voor elk van de volgende specialiteiten : a) architectuurtekening en maquettenmakerij;b) technisch tekenen;c) technologie van de fotografie;d) technologie van het glaswerk;e) technologie van de metalen;f) technologie van de aarde en het brandschilderwerk. § 3. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de muziek mogen uitoefenen, zijn de volgende : 1° leraar muziekopleiding;2° leraar samenzang;3° leraar muziekgeschiedenis en ontleding;4° leraar muziekschrijven en ontleding;5° leraar algemene opleiding jazz;6° leraar instrumentale opleiding, klassieke instrumenten voor elk van de volgende specialiteiten : a) accordeon;b) fagot;c) klarinet en saxofoon;d) klavecimbel en klavieren;e) contrabas;f) hoorn en jachthoorn;g) dwarsfluit en piccolo;h) gitaar en begeleidingsgitaar;i) harp (diatonische, chromatische of celtische);j) hobo en Engelse hoorn;k) orgel en klavieren;l) slaginstrumenten;m) piano en klavieren;n) trombone, tuba (alto, bas, baryton, bombardon);o) trompet ( bugel, kornet);p) viool en alto;q) cello.7° leraar instrumentale opleiding, oude instrumenten voor elke volgende specialiteit : a) klavecimbel;b) doedelzak en musette;c) blokfluit;d) hobo;e) luit en mandoline;f) traverso g) viola da gamba;h) barokviool.8° leraar instrumentale opleiding en jazz-ensemble;9° leraar instrumentaal ensemble;10° leraar instrumentale kamermuziek;11° leraar van het blad lezen - transpositie;12° leraar vocale opleiding - zang en vocale kamermuziek;13° leraar lyrische kunst;14° leraar belast met de begeleiding op het klavecimbel (continuo en specifieke begeleiding);15° leraar belast met de begeleiding op het orgel;16° leraar belast met de begeleiding op de piano;17° leraar ritmiek;18° leraar lichamelijke expressie. § 4. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de spreekkunt en de toeelkunst mogen uitoefenen, zijn de volgende : 1° leraar dictie - voordrachtkunst;2° leraar toneelkunst;3° leraar litteratuurgeschiedenis en toneelgeschiedenis;4° leraar lichamelijke expressie;5° leraar belast met de begeleiding op het klavecimbel;6° leraar belast met de begeleiding op het orgel;7° leraar belast met de begeleiding op de piano. § 5. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de danskunst mogen uitoefenen, zijn de volgende : 1° leraar klassieke dans;2° leraar hedendaagse dans;3° leraar jazzdans;4° leraar belast met de begeleiding op de piano.5° leraar belast met de begeleiding van de leergangen hedendaagse dans en jazzdans. Art. 52.Het ambt van studiemeester-opvoeder die de leden van het opvoedend hulppersoneel mogen uitoefenen, wordt gerangschikt onder de wervingsambten. Afdeling 2. - Gesubsidieerde betrekkingen
Art. 53.Worden enkel gesubsidieerd de betrekkingen van directeur, onderdirecteur, leraar, studiemeester-opvoeder en lesgelastigde die opgericht en behouden blijven onder de voorwaarden bepaald door dit decreet voor al de gebieden van een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan. Art. 54.In elke inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt er een bij artikel 69, lid 2, bedoelde betrekking van directeur met volledige dagtaak opgericht die behouden blijft.
Deze betrekking mag niet opgedeeld worden onder verschillende personeelsleden.
De activiteiten van directeur van een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zijn beperkt tot het aantal lestijden die de volledige prestaties vormen, afgezien van de openingsuren van de inrichting die onder zijn leiding staat. Art. 55.§ 1. In een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, kan een betrekking van onderdirecteur met volledige dagtaak worden opgericht, wanneer het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen gedurende twee opeenvolgende schooljaren hoger is dan 1 100 onder wie ten minste 500 leerlingen ingeschreven in een andere filière dan de voorbereidende.
De in lid 1 bedoelde betrekking wordt behouden zolang de inrichting 800 regelmatig ingeschreven leerlingen telt. § 2. In afwijking van § 1 wordt een betrekking van onderdirecteur opgericht in elke nieuwe inrichting die ontstaan is uit de fusie bedoeld bij de artikelen 43 en 44 ten einde de directeur die het hoofdambt bekleedt, die in disponibiliteit is gesteld bij gebrek aan een betrekking en niet in een betrekking terug kan aangesteld worden, voorlopig terug te kunnen roepen om zijn activiteiten in de aldus opgerichte betrekking voorlopig uit te oefenen of om terug in dienstverband te treden.
Onverminderd § 1, wordt de in lid 1 bedoelde betrekking van onderdirecteur afgeschaft wanneer een einde gesteld wordt aan de voorlopige terugroeping tot de activiteit of in dienstverband van de in disponibiliteit gestelde directeur. Art. 56.Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de betrekkingen met volledige of onvolledige dagtaak van de leraars bepaald door de betrokken Inrichtende Macht binnen de perken van de in de artikelen 30, 31 en 37 bepaalde jaarlijkse dotaties.
Elke betrekking met onvolledige dagtaak bedoeld bij lid 1 mag slechts opgericht worden indien zij ten minste drie wekelijkse lestijden omvat waarvoor toelagen kunnen bekomen worden en die worden uitgeoefend in eenzelfde ambt in de zin van artikel 51, § 1.
De in lid 2 vermelde bepalingen hebben geen toepassing op de betrekking met onvolledige dagtaak die aan een in dienst genomen of in vast verband benoemd personeelslid kan toegewezen worden dat een uitbreiding van deze indienstneming of van deze benoeming kan krijgen, in toepassing van artikel 14bis van voornoemd decreet van 1 februari 1993 of van artikel 34, § 2, van voornoemd decreet van 6 juni 1994.
Indien het aantal lestijden die een bij lid 1 bedoelde betrekking met volledige of onvolledige dagtaak vormen en die toegewezen zijn aan een in dienst genomen of in vast verband benoemd personeelslid vermindert, wordt die betrekking : 1° ofwel volledig afgeschaft, wanneer de vermindering van het aantal lestijden slaat op heel de opdracht van de betrekking in kwestie;2° ofwel gedeeltelijk afgeschaft, wanneer de vermindering van het aantal lestijden slaat op ten minste drie lestijden van wekelijkse leergangen zonder daarom heel de opdracht van de betrekking in kwestie te evenaren;3° ofwel behouden blijven, wanneer de vermindering van het aantal lestijden minder dan drie lestijden van wekelijkse leergangen bedraagt zonder daarom heel de opdracht van de betrekking in kwestie te evenaren.In dat geval en ten belope van de vermindering van lestijden waarvan sprake, wordt het personeelslid belast met onderwijsactiviteiten die verband houden met het ambt (de ambten) dat (die) hij uitoefent.
De betrekkingen bekleed door de personeelsleden die hun opdracht gedeeltelijk verloren hebben of die in disponibiliteit werden gesteld omdat er geen betrekking meer vrij staat en die een nieuwe aanwijzing kregen, voorlopig teruggeroepen werden om hun activiteiten uit te oefenen of die opnieuw tewerkgesteld werden in een of verschillende betrekkingen opgericht binnen de perken van de in lid 1 bedoelde jaarlijkse dotaties, worden aangerekend ten laste van deze dotaties.
De betrekkingen van de personeelsleden die hun opdracht gedeeltelijk verloren hebben of die in disponibiliteit werden gesteld omdat er geen betrekking meer vrij staat en die geen nieuwe aanwijzing kregen, niet voorlopig teruggeroepen zijn om hun activiteiten uit te oefenen of die niet opnieuw werden tewerkgesteld en aan wie wachtgeld toegekend is, worden niet aangerekend ten laste van de in lid 1 bedoelde jaarlijkse dotaties gedurende het schooljaar waarin het gedeeltelijk verlies van een opdracht of de indisponibilitieitsstelling voorvalt omdat er geen betrekking vrij staat.
Behoudens in het geval dat de betrekking volledig of gedeeltelijk wordt afgeschaft ten gevolge van een vermindering van de in lid 1 bedoelde dotatie worden de in lid 6 bedoelde betrekkingen vanaf het tweede schooljaar opnieuw aangerekend ten laste van de dotaties van de betrokken inrichting. Art. 57.§ 1. Elke bij artikel 56 bedoelde betrekking omvat een opdracht van wekelijkse leergang gepresteerd door het personeelslid volgens een uurrooster opgemaakt door het hoofd van deze inrichting of zijn gemachtigde.
Elke wijziging aan het in lid 1 bedoeld uurrooster valt onder de bevoegdheid van het hoofd van de inrichting of van zijn gemachtigde. § 2. Voor de toepassing van lid 1, worden in de opdracht van wekelijkse leergang aangeboekt, de prestaties gelijktijdig uitgeoefend in een of verschillende lestijden : 1° voor de bij artikel 19 bedoelde Studieraad of tijdens de zittingen besteed aan de evaluatie of de examens die in een van de inrichtingen waar de leraar zijn prestaties levert, georganiseerd worden;2° tijdens het deelnemen aan pedagogische of opleidingsactiviteiten die de goedkeuring van de Regering hebben gekregen;3° tijdens het bijwonen, als lid van de examencommissies, van de bij artikel 110 bedoelde Commissies voor het onderzoek van de pedagogische bekwaamheid om onderwijs te verstrekken. Art. 58.Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de betrekkingen van leraar door elke betrokken Inrichtende Macht bepaald binnen de perken van de in de artikelen 35 en 38 bedoelde jaarlijkse dotaties.
De bij lid 1 bedoelde betrekkingen mogen door de Inrichtende Macht niet aangeboden worden voor een indienstneming of een benoeming in vast verband. Art. 59.§ 1. Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de lesopdrachten van de lesgelastigden door elke betrokken Inrichtende Macht bepaald binnen de perken van de in de artikelen 30, 31, 35, 37 en 38 bedoelde dotaties met lestijden.
Het aantal lestijden die jaarlijks worden toegewezen aan de lesopdrachten van de lesgelastigden in een inrichting mag niet meer dan 4 % bedragen van al de dotaties samen, bedoeld bij lid 1 en toegekend aan die inrichting. § 2. Een lesgelastigde in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan is een personeelslid dat niet onderworpen is aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de categorieën van het onderwijspersoneel en aan wie een of meer lesopdrachten zijn toegewezen op basis van zijn bijzondere bekwaamheden.
Het totaal van de prestaties van de lesgelastigde mag de 320 lestijden niet overschrijden over heel het schooljaar met inbegrip van de lestijden die eventueel gepresteerd worden als bijbetrekking of als een betrekking die niet wordt uitgesloten in geval van cumulatie met een hoofdbetrekking. § 3. Weigert men de toelating tot de subsidies voor de lesopdrachten bedoeld bij § 1, dan blijven de lestijden in kwestie ter beschikking van de betrokken Inrichtende Macht. Art. 60.Voor de inrichting(en) voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan georganiseerd door eenzelfde Inrichtende Macht, mogen de betrekkingen van studiemeester-opvoeder opgericht worden en behouden blijven naargelang van het hierna vermeld aantal regelmatig ingeschreven leerlingen : 1° minder dan 375 regelmatig ingeschreven leerlingen : een betrekking van een vierde werktijd (9 lestijden);2° van 376 tot 749 regelmatig ingeschreven leerlingen : twee betrekkingen van een vierde werktijd of een betrekking met halftijdse dagtaak (18 lestijden); 3° van 750 tot 1.049 regelmatig ingeschreven leerlingen : drie betrekkingen van een vierde werktijd of een betrekking met halftijdse dagtaak en een betrekking van een vierde werktijd of een betrekking van drie vierden werktijd (27 lestijden); 4° van 1.050 tot 1.399 regelmatig ingeschreven leerlingen : vier betrekkingen van drie vierden werktijd of twee betrekkingen met halftijdse dagtaak of een betrekking met halftijdse dagtaak en twee betrekkingen van drie vierden werktijd en een betrekking van een vierde werktijd of een betrekking met volledige dagtaak (36 lestijden); 5° boven dit aantal, voor elke schijf van 350 bijkomende regelmatig ingeschreven leerlingen : een bijkomende betrekking van een vierde werktijd.Voor elke aangevangen schijf wordt een bijkomende betrekking van een vierde werktijd toegekend.
Elk van de bij lid 1 bedoeld gedeelte van betrekking mag niet verdeeld worden onder verschillende personeelsleden.
De bij lid 1 bedoelde prestaties waarvoor toelagen kunnen worden bekomen, worden door de Inrichtende Macht naargelang van de werkingsbehoeften van de inrichtingen verdeeld over de verschillende autonome inrichtingen die zij organiseert. Art. 61.De bij de artikelen 55 en 60 bedoelde betrekkingen waarvoor toelagen kunnen worden bekomen, worden bepaald voor de duur van het schooljaar naargelang van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen voor het vorige schooljaar in de zin van artikel 11. Art. 62.Wanneer de toepassing van artikel 60 tot gevolg heeft dat men tot een aantal betrekkingen of gedeelten van betrekkingen van studiemeester-opvoeder, waarvoor toelagen kunnen bekomen worden, komt dat lager is dan het aantal betrekkingen of gedeelten van betrekkingen waarvoor op 31 januari 1998 toelagen werden bekomen, dan kunnen de betrekkingen of gedeelten van gesubsidieerde betrekkingen in overtal, die aan sommige in vast verband benoemde personeelsleden werden toegewezen, behouden blijven zolang die personeelsleden titularis van deze betrekkingen blijven. Art. 63.Voor de duur van het schooljaar 1998-1999 zijn de betrekkingen van studiemeester-opvoeder waarvoor toelagen kunnen worden bekomen deze die op 31 augustus 1998 vastgesteld en betoelaagd werden, aangepast, zo nodig, aan de toepassing van het nieuw geldelijk statuut bepaald bij artikel 98. Afdeling 3. - Het geldelijk statuut
Onderafdeling 1. - De terminologie en de algemene regels voor het vaststellen van de schalen Art. 64.De jaarlijkse wedden van de personeelsleden onderworpen aan dit decreet worden vastgesteld in schalen die bestaan uit : 1° een minimum wedde; 2° wedden, « trappen » genoemd, die het gevolg zijn van de periodieke verhogingen, d.w.z. jaarlijkse en tweejaarlijkse verhogingen; 3° een maximum wedde. De wedden en de periodieke verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden die overeenstemmen met hun jaarlijks bedrag.
De schaal van elk ambt is gerangschikt ofwel in klasse « 20 jaar » genoemd, ofwel in klasse « 21 jaar » genoemd, ofwel in klasse « 22 jaar » genoemd, ofwel in klasse « 24 jaar » genoemd.
De weddeschalen worden aangeduid met nummers die ze identificeren alsook met aanduidingen die de minimum wedde, de maximum wedde, de klasse alsook het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen aangeven. Art. 65.Voor elk bij artikel 53 bedoeld ambt, bepaalt de Regering de weddeschalen overeenkomstig artikel 64. Art. 66.Artikel 64 is niet van toepassing op de personeelsleden in dienst genomen of in vast verband benoemd en die de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet aan een overgangsstelsel onderworpen waren dat op hen tot het einde van hun loopbaan van toepassing blijft. Art. 67.In afwijking van artikel 64, wordt de in artikel 72, lid 3 bedoelde wedde berekend op basis van de weddeschalen die sedert 31 januari 1996 toegepast worden.
Onderafdeling 2. - Hoofdambten Art. 68.Het lid van het bestuurs-, het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel tewerkgesteld in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt beschouwd als een lid dat een hoofdambt met volledige of onvolledige dagtaak bekleedt wanneer het zich in geen enkele bij artikel 71 bedoelde situatie bevindt. Art. 69.Het lid van het bestuurs-, het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel tewerkgesteld in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt beschouwd als titularis van een hoofdambt met volledige dagtaak in dat onderwijs wanneer het daar ten minste het minimaal aantal lestijden presteert die vereist zijn voor zijn ambt in een of meer inrichtingen.
Het aantal bij lid 1 bedoelde lestijden wordt vastgesteld op zesendertig per week voor de ambten van directeur, onderdirecteur en studiemeester-opvoeder.
Voor de bij lid 2 bedoelde ambten, stemt een lestijd overeen met een activiteitsduur van zestig minuten.
Het aantal bij lid 1 bedoelde ambten wordt vastgesteld op vierentwintig per week voor de functie van leraar kunstvakken.
Voor het bij lid 4 bedoelde ambt, stemt een lestijd overeen met een onderwijsactiviteit van vijftig minuten. Art. 70.Het lid van het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel dat ofwel in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, ofwel in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en in andere types onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap hoofdambten met onvolledige dagtaak uitoefent, wordt beschouwd als titularis van een hoofdambt met volledige dagtaak wanneer het totaal van de relatieve waarden van de uurfracties van zijn verschillende ambten de eenheid bereikt.
Het personeelslid dat de functie van directeur uitoefent is altijd titularis van een functie met volledige dagtaak in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Onderafdeling 3. - Bijambten Art. 71.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder « bijambt » het ambt met volledige of onvolledige dagtaak uitgeoefend in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan door een personeelslid : 1° dat reeds in het onderwijs met volledig leerplan, met inbegrip het secundair onderwijs met beperkte werktijd, een ander dan niet-exclusief ambt uitoefent met volledige dagtaak in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend-, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs;2° dat reeds in het onderwijs voor sociale promotie een hoofdambt met volledige dagtaak uitoefent in de zin van de artikelen 8 tot 10 van het besluit van 25 oktober 1993 van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs-, en het onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van het Onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap;3° dat reeds een hoofd met volledige dagtaak uitoefent in de zin van artikel 4, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 15 april 1958, die bestaat uit verschillende hoofdambten met onvolledige dagtaak met uitsluiting van het in 6° bedoelde geval in de onderwijstypes vermeld onder 1° en 2°;4° dat met uitsluiting van het in 6° bedoelde gevallen, reeds een zelfstandig beroep uitoefent waarvan de activiteit overeenstemt met 60 % van de wekelijkse prestaties geleverd door het lid dat exclusief dezelfde activiteit uitoefent;5° dat uit hoofde van een betrekking uitgeoefend in de privé- of de open …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.