📄 Wettekst
6 MAART 2019. - Ordonnantie betreffende de Brusselse Codex Fiscale Procedure
Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen, het geen volgt : TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. Art. 2.Deze Codex wordt aangehaald als : Brusselse Codex Fiscale Procedure. Art. 3.De bepalingen die deze Codex inhouden zijn van toepassing : 1° op de onroerende voorheffing zoals voorzien in afdeling II van het eerste hoofdstuk van titel VI van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° op de belasting op niet-residentiële oppervlakten voorzien in de ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen;3° op de belasting op de bankinstellingen bedoeld in hoofdstuk I van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de overname van de provinciale fiscaliteit;4° op de belasting op de agentschappen voor weddenschappen bedoeld in hoofdstuk II van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de overname van de provinciale fiscaliteit;5° de belasting op aanplakborden bedoeld in hoofdstuk III van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de provinciale fiscaliteit;6° de belasting op verdeelapparaten van motorbrandstoffen bedoeld in hoofdstuk IV van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de provinciale fiscaliteit;7° de belasting op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen bedoeld in hoofdstuk V van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de provinciale fiscaliteit;8° de belasting op stapelplaatsen van schroot bedoeld in hoofdstuk VII van de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de provinciale fiscaliteit. Art. 4.Voor de toepassing van deze Codex wordt verstaan onder : 1° het WIB 92 : het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 1992;2° de belastingplichtige : elke natuurlijke of rechtspersoon die, overeenkomstig deze Codex of het gemeen recht, een belasting dient te betalen;3° de belasting en haar toebehoren : de belasting in hoofdzaak op dewelke deze Codex van toepassing is, met inbegrip van de aanvullende opcentiemen, de interesten, de administratieve boetes, de kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, de rechtsplegingsvergoeding, de gerechtelijke kosten en de kosten van betekening;4° de elektronisch aangetekende zending : de elektronisch aangetekende zending zoals gedefinieerd in de Verordening (EU) nr.910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG; 5° de elektronische handtekening : de elektronische handtekening zoals gedefinieerd in de Verordening (EU) nr.910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG; 6° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;7° de gewestelijke fiscale administratie : de dienst aangeduid door de Regering;8° de bevoegde agent : elke persoon, met inbegrip van de contractuele agenten, die werkzaam is binnen of voor rekening van de gewestelijke fiscale administratie en die aangeduid is door de Regering of elke andere persoon aan wie hij of zij de machten zal delegeren die hem of haar toegewezen zijn door de Regering;9° het aanslagjaar : het jaar waarvoor de belasting verschuldigd is aan het Gewest;10° het Gewest : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. TITEL 2. - Fiscale procedure HOOFDSTUK 1. - Aangiftes Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 5.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de belastingen op aangifte. Art. 6.§ 1. Het Gewest stelt jaarlijks een aangifteformulier ter beschikking aan de belastingplichtigen en aan elke persoon waarvan het meent dat hij belastingplichtige is op basis van de informatie in zijn bezit.
De Regering bepaalt bij besluit de wijze van ter beschikkingstelling van dit formulier. § 2. De belastingplichtige, of de persoon gehouden tot indiening van de aangifte, die geen aangifteformulier ontvangen heeft op 1 oktober van het aanslagjaar, is gehouden om een exemplaar van het aangifteformulier op te vragen vóór 31 december van dat aanslagjaar. Art. 7.§ 1. Elke belastingplichtige van een belasting op aangifte is gehouden om, voor elk aanslagjaar, een aangifte in te dienen bij de gewestelijke fiscale administratie in de vormen en de termijnen aangegeven in artikel 8.
Als de belastingplichtige overleden is of in een staat van wettelijke handelingsonbekwaamheid verkeert, komt de aangifteverplichting in eerste instantie toe aan de erfgenamen ofwel de algemene legatarissen ofwel de begiftigden en in tweede instantie, aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de zonder vereffening ontbonden vennootschappen in het kader van een fusie, aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing, in de zin van de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, rust de verplichting tot aangifte naargelang het geval op de overnemende vennootschap of op de verkrijgende vennootschappen. Bij de andere ontbonden vennootschappen rust deze verplichting op de vereffenaars. § 2. Belastingplichtigen die niet kunnen lezen, noch ondertekenen of die niet voldoende juridische kennis hebben, mogen hun aangifte laten invullen door de agenten van de dienst bij dewelke zij de aangifte moeten indienen, mits zij de vereiste inlichtingen verstrekken. In dat geval wordt van deze omstandigheid melding gemaakt in de aangifte en wordt deze ondertekend door het personeelslid die ze ingevuld heeft.
De aangiften mogen ook worden overgelegd door een lasthebber, die alsdan van de lastgeving krachtens welke hij optreedt, moet doen blijken. Art. 8.§ 1. De persoon gehouden tot het indienen van een aangifte bij de gewestelijke fiscale administratie vult het aangifteformulier in, dagtekent en ondertekent het.
De documenten, inlichtingen of informatie, waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, maken integraal deel uit van de aangifte en moeten worden bijgevoegd.
Het aangifteformulier, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, moet binnen de 62 dagen na het ter beschikking stellen van het formulier worden verzonden naar de gewestelijke fiscale administratie.
Als de aangifte ter beschikking werd gesteld per post, is de eerste dag van deze termijn de dag volgend op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis heeft kunnen nemen van het naar hem toegezonden aangifteformulier, dit wil zeggen de zevende dag volgend op de datum van verzending van het aangifteformulier, zoals deze vermeld is op het verzonden stuk, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. § 2. De elektronische aangifte, door de gewestelijke fiscale administratie ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en verzonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte. De ondertekening van de aangifte mag elektronisch gebeuren.
De bepalingen van deze Codex betreffende de aangifte zijn van toepassing op de elektronische aangifte voor zover deze bepalingen omwille van hun aard of hun modaliteiten er niet strijdig mee zijn. § 3. De Regering bepaalt de wijze van verzending van de aangifte aan de gewestelijke fiscale administratie. Afdeling 2. - Rechtzetting van de aangifte
Art. 9.§ 1. Indien de bevoegde agent meent de aangifte te moeten rechtzetten, stelt hij de aangever in kennis van de gegevens die hij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven.
Deze kennisgeving gebeurt bij ter post aangetekende brief of elektronisch indien de belastingplichtige heeft ingestemd met de procedure voor elektronische briefwisseling. § 2. De belastingplichtige kan zijn schriftelijke opmerkingen overmaken aan de gewestelijke fiscale administratie binnen de éénendertig dagen, welke termijn om gegronde redenen kan worden verlengd. Deze termijn begint op de dag volgend op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis heeft kunnen nemen van de kennisgeving, dit wil zeggen de zevende dag volgend op de datum van verzending van de kennisgeving, zoals deze vermeld is op het verzonden stuk, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.
De belastingheffing kan in geen geval worden gevestigd vóór het verstrijken van deze termijn, behalve indien de belastingsaangever uitdrukkelijk zijn akkoord verleent of indien de rechten van het Gewest in het gedrang komen. § 3. De belastingheffing wordt opgelegd door de gewestelijke fiscale administratie op basis van de rechtgezette aangifte en van de andere elementen waarvan ze kennis had vanaf de verzending van de kennisgeving tot rechtzetting. Afdeling 3. - Ambtshalve heffing
Art. 10.§ 1. De bevoegde agent kan ambtshalve overgaan tot de heffing wanneer de belastingplichtige : 1) nagelaten heeft een ingevulde en ondertekende aangifte te doen binnen de termijnen voorzien in artikel 6 tot 8 van deze Codex;2) nagelaten heeft de op grond van artikel 54 gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken;3) nagelaten heeft binnen de in artikel 9 vastgestelde termijn te antwoorden op de kennisgeving van rechtzetting;4) de verplichtingen hem opgelegd door deze Codex, of in uitvoering ervan, niet heeft nageleefd;5) de verplichtingen hem opgelegd door ordonnantie die de betrokken belasting regelt, of in uitvoering ervan, niet heeft nageleefd. De ambtshalve heffing wordt opgelegd op het bedrag dat de bevoegde agent kan vermoeden op grond van de gegevens waarover hij beschikt. § 2. Alvorens over te gaan tot de ambtshalve heffing, stelt de bevoegde agent de belastingplichtige in kennis van de motieven van de ambtshalve heffing en de elementen op basis waarvan de belasting zal worden geheven. Deze kennisgeving gebeurt bij ter post aangetekende brief.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van éénendertig dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de dag van verzending van de aangetekende brief, om al zijn opmerkingen schriftelijk over te maken. De heffing kan slechts worden gevestigd voor het verstrijken van deze termijn als de rechten van het Gewest in het gedrang zijn.
Als de belastingplichtige ambtshalve belast wordt, komt het hem toe, in het geval van betwisting, het bewijs aan te brengen van het onjuiste karakter van de ambtshalve heffing.
Deze bewijslast komt echter toe aan de administratie wanneer : - de belastingplichtige aantoont dat hij verhinderd werd om ofwel tijdig de krachtens artikel 54 gevraagde inlichtingen te verstrekken ofwel binnen de in artikel 9 gestelde termijn te antwoorden op de kennisgeving van rechtzetting; - de belasting werd gevestigd op de grondslag vermeld in de in artikel 9 bedoelde kennisgeving vóór het verstrijken van de in dat artikel vermelde termijn omdat de rechten van het Gewest in gevaar verkeerden. § 3. Ten laatste op de dag van de vestiging van de heffing, maakt de administratie aan de belastingplichtige, per schrijven, de opmerkingen over, die deze heeft geformuleerd overeenkomstig paragraaf 2 en waarmee ze geen rekening hield, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen. HOOFDSTUK 2. - Vestiging van de belasting Afdeling 1. - Algemene bepaling
Art. 11.De belastingen bedoeld in artikel 3 zijn verschuldigd op basis van de toestand op 1 januari van het aanslagjaar. Afdeling 2. - Aanslagtermijn
Art. 12.De aanslagtermijn bedraagt vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar. Art. 13.De aanslagtermijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze Codex, van de gewestelijke fiscale wetgeving of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Art. 14.§ 1. Als een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel over de verjaring, moet de gewestelijke fiscale administratie, zelfs als de termijn om de aanslag te vestigen al verlopen is, op naam van dezelfde belastingplichtige maar enkel op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, die worden vermeld in de motivatie die heeft geleid tot de nietig verklaarde aanslag een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de bevoegde agent niet meer voor de rechter kan worden gebracht, maar niet na een termijn van 10 jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar. § 2. Wanneer tegen een beslissing van de bevoegde agent een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol.
Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingplichtige en enkel op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag.
Als de gewestelijke fiscale administratie een subsidiaire aanslag binnen de voornoemde termijn van zes maanden voorlegt aan de rechter, beginnen, in afwijking van het vorige lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing betreffende de subsidiaire aanslag.
De subsidiaire aanslag is alleen invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing.
Als de subsidiaire aanslag gevestigd wordt in hoofde van een overeenkomstig paragraaf 3 gelijkgestelde belastingplichtige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingplichtige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen. § 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 worden met dezelfde belastingplichtige gelijkgesteld : 1° de erfgenamen van de belastingplichtige die de erfenis aanvaard hebben en in verhouding tot hun universele rechten of onder algemene titel in de erfenis;2° de overnemende of de verkrijgende vennootschappen, naar gelang het geval. Art. 15.Wanneer de belastingplichtige, of de persoon op wiens goederen de verschuldigde bedragen werden ingevorderd, een bezwaarschrift of prejudiciair beroep, overeenkomstig titel 2, hoofdstuk 7, afdeling 1 van deze Codex, wordt die termijn verlengd met een periode die gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift of prejudiciair beroep en die van de beslissing van de bevoegde agent, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. Art. 16.De onroerende voorheffing en de bijhorende opcentiemen mogen worden geheven, zelfs na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 12, als bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat de belastingplichtige nagelaten heeft aangifte te doen met toepassing van artikel 473 WIB 92 zonder de termijn van 7 jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar te mogen overschrijden.
In het geval, vermeld in het eerste lid, moeten de belasting en de opcentiemen worden geheven binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de nalatigheid, vermeld in het eerste lid, werd vastgesteld door de gewestelijke fiscale administratie. Afdeling 3. - Kohieren
Art. 17.§ 1. De belastingen worden geheven via kohier. De kohieren worden opgesteld en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde agent.
De Regering regelt de wijze waarop men dient te handelen voor het opmaken en de kennisgeving van de kohieren. § 2. De kohieren vermelden minstens het volgende : 1° de naam van het Gewest;2° de naam, voornamen en het adres van de belastingplichtige of van één van de hoofdelijk gehouden belastingplichtigen indien er meerdere zijn;3° een verwijzing naar de ordonnantie waarop de belasting gebaseerd is;4° een verwijzing naar onderhavige Codex;5° het bedrag van de belasting en het feit dat de opeisbaarheid rechtvaardigt;6° het aanslagjaar;7° het nummer van het kohierartikel;8° de datum van uitvoerbaarverklaring;9° het postadres, alsook het elektronische adres waarop de belastingplichtige terecht kan om de heffing aan te vechten. Afdeling 4. - Aanslagbiljet
Art. 18.Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingplichtigen een aanslagbiljet gezonden. Het aanslagbiljet is gedagtekend en draagt de vermeldingen bedoeld in artikel 17, § 2, van deze Codex. Art. 19.Al de mededelingen betreffende de aanslagbiljetten, moeten in gesloten omslag aan de belastingplichtigen gezonden worden.
Echter, als de belastingplichtige hiermee instemt, kan de verzending van het aanslagbiljet en van de eventuele herinneringen worden vervangen door een elektronische kennisgeving of een elektronische verzending van deze documenten. Deze elektronische kennisgeving of verzending staat gelijk aan een verzending in de zin van het eerste lid.
De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in vorige leden bedoelde procedure. Art. 20.Het volledig verschuldigde bedrag, per aanslagbiljet, met inbegrip van de opcentiemen waarvan de dienst toekomt aan de gewestelijke fiscale administratie, wordt afgerond tot de bovenste cent of tot de lagere cent naargelang het duizendste van een euro het getal vijf al dan niet bereikt. Afdeling 5. - Aanvullende heffing
Art. 21.Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 54 tot en met 65 van deze Codex zijn toegekend, kan de gewestelijke fiscale administratie eventueel belastingen of aanvullende aanslagen vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Afdeling 6. - Onverdeeldheden en hoofdelijkheden
Art. 22.De Regering kan de regels bepalen voor de inkohiering ten laste van overledenen en onverdeeldheden. Art. 23.In het geval van onverdeeldheid is elkeen van de personen betrokken bij de onverdeeldheid hoofdelijk gehouden om de belasting en haar toebehoren te betalen.
De belasting ingekohierd op naam van meerdere personen is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat het bedrag te hunnen laste kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze Codex.
Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen als ze gehouden zijn tot het betalen van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of van de bepalingen van deze Codex. Art. 24.Zolang een eigendom niet is overgeschreven in de stukken van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie, zijn de vroegere houder van het recht op de onroerende goederen of zijn erfgenamen aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, tenzij ze bewijzen dat de houder van het recht veranderd is en dat ze de identiteit en het volledige adres van de nieuwe houder van het recht laten kennen, behoudens hun verhaal op de nieuwe houder van het recht.
In geval van overlegging van het in het eerste lid bedoelde bewijs, of van de vaststelling van de overschrijving van de eigendom door iedere agent van de gewestelijke fiscale administratie, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vorige houder van het recht, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. Deze schuldenaar ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling werd uitgereikt. Art. 25.Onder voorbehoud van artikel 24, wanneer een natuurlijk of rechtspersoon het belastbare feit overdraagt, behalve bij de onroerende voorheffing, dan dient deze de bevoegde agent hiervan binnen de maand, te rekenen vanaf de dag na de dag van de overdracht, kennis te geven. In deze kennisgeving moeten alle gegevens zijn opgenomen die voor de vestiging van de betrokken belasting zijn vereist.
Indien deze persoon deze verplichting niet naleeft, dan kan deze worden aangesproken ter betaling van de op dit belastbare feit verschuldigde belasting voor het aanslagjaar dat volgt op het jaar waarin de overdracht plaatsvond.
De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. Art. 26.Iedere rechtspersoon of natuurlijke persoon die - al dan niet tezamen met zijn echgeno(o)t(e) of zijn wettelijk samenwonende partner en/of zijn descendenten, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad - rechtstreeks of onrechtstreeks minstens 33 procent bezit van de aandelen in een binnenlandse vennootschap en deze aandelen, of een gedeelte daarvan ten belope van minstens 75 procent overdraagt uiterlijk in een tijdsspanne van één jaar, is van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting en haar toebehoren indien het actief van de vennootschap uiterlijk op de dag van de betaling van de prijs van de aandelen voor ten minste 75 procent bestaat uit vorderingen, financiële vaste activa, geldbeleggingen en/of liquide middelen. Art. 27.De in artikel 26 bedoelde aansprakelijkheid geldt enkel voor de belastingen en hun toebehoren die betrekking hebben op : 1° het aanslagjaar waarin de overdracht van de aandelen plaatsheeft;2° de drie aanslagjaren voorafgaand aan deze waarin de overdracht van aandelen plaatsheeft. Artikel 26 is niet van toepassing op de overgedragen aandelen van een genoteerde vennootschap of van een onderneming die onder het toezicht staat van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten. Art. 28.De erfgenamen van een overleden belastingplichtige die de erfenis aanvaard hebben, zijn hoofdelijk en evenredig met hun universele rechten of rechten onder algemene titel in de erfenis gehouden tot de betaling van de door de erflater ontdoken rechten. Art. 29.De invordering van de belasting van een met toepassing van artikel 673 tot en met 675 van het Wetboek van vennootschappen of van een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht gesplitste vennootschap die gevestigd is op naam van de verkrijgende vennootschappen, kan, behoudens afwijkende vermeldingen in de akte die de verrichting vaststelt, worden verricht op naam van iedere verkrijgende vennootschap.
Elke verkrijgende vennootschap is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting. Art. 30.De administratie of de instelling belast met het beheer van een goed van de Staat, van een Gemeenschap of van een Gewest is verantwoordelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing die op dat goed betrekking heeft. HOOFDSTUK 3. - Betaling van de belasting Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 31.De Regering kan bepalen : 1° aan wie de belastingen moeten worden betaald;2° de wijze van betaling van de belastingen, met inbegrip van de elektronische betaling;3° de vermeldingen op het betaalformulier;4° de modaliteiten van het bewijs van betaling;5° de datum waarop de betaling uitwerking heeft. Afdeling 2. - Betalingstermijn
Art. 32.De betaaltermijn bedraagt tweeënzestig dagen. Hij vangt aan op de dag volgend op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis heeft kunnen nemen van het aanslagbiljet, dit wil zeggen, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst, de zevende dag volgend op : 1° de datum van verzending van het aanslagbiljet, zoals ze voorkomt op het genoemde aanslagbiljet;of 2° de datum van de ter beschikking stelling van het aanslagbiljet aan de belastingplichtige door middel van een procedure die gebruik maakt van informaticatechnieken. Art. 33.De belastingen moeten over hun geheel onverwijld worden vereffend wanneer de rechten van het Gewest in het gedrang komen.
Wanneer de belastingplichtige betwist dat de rechten van het Gewest in het gedrang komen, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan zoals in kort geding, door de beslagrechter van de plaats van het kantoor waar de belasting moet worden geïnd. Art. 34.Het indienen van een bezwaar, een prejudiciair beroep, een vordering in rechte of een verzoek om spreiding van betaling schort de verplichting tot betaling van de belastingen en hun toebehoren niet op. Afdeling 3.. - Betalingsmodaliteiten
Art. 35.De belastingen zijn te betalen bij de bevoegde agent. Deze agent mag slechts de betaling eisen van belastingen die verschuldigd zijn blijkens een aangifte of blijkens een uitvoerbaar verklaard kohier.
De belastingen waarvoor een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de bevoegde agent vervolgingen instelt, kunnen worden betaald in handen van die gerechtsdeurwaarder. Art. 36.De belastingplichtige die verschillende belastingen te betalen heeft, mag bij elke betaling vermelden wat hij wil vereffenen.
Bij gebreke van dergelijke vermelding worden de betalingen aangerekend naar de keuze van de in artikel 35 bedoelde agent, onverminderd de toepassing van het tweede lid. Zulks geldt eveneens wanneer de aan te rekenen som voortkomt van een terugbetaling van de belasting en haar toebehoren, of van een toekenning van moratoire intresten.
De betalingen, terugbetalingen en moratoire interesten bedoeld in het eerste lid worden eerst aangerekend : 1° op de kosten van alle aard, ongeacht de belastingen waarop zij betrekking hebben;2° op de nalatigheidsinteresten betreffende de belastingen en hun toebehoren die de belastingplichtige wil vereffenen of die de in artikel 35 bedoelde agent wil aanzuiveren;3° op de administratieve boetes. Afdeling 4. - Interesten
Art. 37.Bij gebrek aan betaling van de belasting en haar toebehoren binnen de termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest op.
Die interest wordt berekend per kalendermaand tegen het tarief van één twaalfde van 4 %. Deze wordt berekend op de nog verschuldigde som van belasting en haar toebehoren, met uitzondering echter van de interesten berekend voor de voorbije maanden.
De interesten beginnen te lopen vanaf : 1) hetzij vanaf de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de vervaldag;2) hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld. De interesten worden berekend tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt. Ieder gedeelte van de maand wordt voor een volledige maand gerekend.
De som van de geëiste interesten wordt afgerond op de bovenste of op de onderste cent naargelang het duizendste van de euro al dan niet vijf bereikt. De interesten zijn niet verschuldigd als de afgeronde som lager is dan 5 euro. Art. 38.Bij terugbetaling van de belasting en haar toebehoren, worden moratoire interesten toegekend op de verschuldigde sommen. Geen moratoire interesten worden echter toegekend wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete toegekend als genademaatregel.
De interest wordt berekend per kalendermaand, op een twaalfde van 4 %; hij wordt berekend op het terug te betalen bedrag, met inbegrip van de kosten en boetes, met uitsluiting van telkens de berekende interesten van voorgaande maanden.
De interest begint te lopen : 1) ofwel vanaf de eerste dag van de maand waarin de betaling van de teveel betaalde bedragen door de persoon plaatsvond;2) ofwel vanaf de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de voorgaande betaling van het Gewest in het kader van de terugbetaling. Hij wordt gerekend tot de laatste dag van de kalendermaand waarin de betaling heeft plaatsgevonden van het Gewest. Ieder gedeelte van de maand wordt voor een volledige maand gerekend.
De som van de geëiste interesten wordt afgerond op de bovenste cent of op de onderste naargelang het duizendste van de euro al dan niet 5 bereikt. De interesten worden enkel teruggestort indien ze minimum 5 euro bedragen. HOOFDSTUK 4. - Invordering Afdeling 1. - Termijn
Art. 39.§ 1. De vordering tot inning van de belasting en haar toebehoren verjaart na verloop na vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop ze ontstaat.
De vordering tot inning ontstaat op de dag waarop de verschuldigde bedragen opeisbaar worden. § 2. De vordering tot terugbetaling van de teveel betaalde bedragen in het kader van de belasting en haar toebehoren verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van de betaling van het te veel betaalde bedrag. Art. 40.§ 1. Het bezwaarschrift schorst de verjaring. De schorsing begint de dag van indiening van het bezwaarschrift.
Ze eindigt : 1° als de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag waarop de verjaring is gestuit overeenkomstig de regel voorzien hieronder betreffende de stuiting van de inningstermijn bij rechtsgeding;2° wanneer de belastingplichtige een prejudiciair beroep heeft ingesteld, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing;3° in de andere gevallen, bij het verstrijken van de openstaande termijn voor het instellen van een prejudiciair beroep. § 2. Het prejudiciair beroep schorst, op basis van dezelfde voorwaarden, de verjaringstermijn voor boetes; in dit geval vangt de schorsing aan met de dag van inleiding van het prejudiciair beroep. Art. 41.§ 1. De termijn, bedoeld in artikel 39, kan worden gestuit op de wijze voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. § 2. De betekening of kennisgeving van het uitgevaardigde dwangbevel door de bevoegde agent stuit de verjaringstermijn voor de inning van het geheel van verschuldigde bedragen, met inbegrip van de boetes, interesten en toebehoren. § 3. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van vijf jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, indien geen geding voor het gerecht aanhangig is. § 4. Onder voorbehoud van de stuitingen voorzien door het gemeen recht of door de voorgaande paragrafen betreffende de stuiting van de inningstermijn en niettegenstaande de hierboven voorziene schorsingen, stuit elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de inning van de belasting en haar toebehoren de verjaring voor het rechtstreeks betrokken aanslagjaar.
De stuiting heeft plaats vanaf het gedinginleidende stuk. De nieuwe termijn geopend door de stuiting begint te lopen vanaf de dag na de dag waarop een gerechtelijke beslissing, gegeven in het kader van dit geding en betreffende het aanslagjaar in kwestie, definitief wordt. Afdeling 2. - Zekerheden
Onderafdeling 1. - Waarborg Art. 42.§ 1. De bevoegde agent kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling eisen van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die onderworpen is aan de belasting en haar toebehoren, als de venale waarde van zijn in België gelegen goederen die het pand van het Gewest vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor één jaar verschuldigd zal zijn krachtens deze Codex of de regelgeving van toepassing op de betrokken belasting.
De Regering bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de modaliteiten van vaststelling. § 2. Binnen de maand na de kennisgeving van de in paragraaf 1 bedoelde beslissing kan de belastingplichtige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar de gewestelijke fiscale administratie is gevestigd.
De rechtspleging geschiedt zoals in kort geding. Art. 43.Het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg bedoeld in artikel 42 moet gebeuren binnen de twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van de bevoegde agent of na de datum waarop de rechterlijke beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen.
Onderafdeling 2. - Voorrecht Art. 44.§ 1. Voor de invordering van de belasting en haar toebehoren, beschikt het Gewest over een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingplichtige, met uitzondering van schepen en vaartuigen.
Het voorrecht bezwaart ook de inkomsten en de roerende goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende en van de kinderen van de belastingplichtige in de mate dat de invordering van de aanslagen kan worden vervolgd op de bewuste inkomsten en goederen. § 2. Het voorrecht bedoeld in paragraaf 1, neemt rang onmiddellijk na dat vermeld in artikel 19, 5°, van de wet van 16 december 1851.
De aanwending bij voorrang, bedoeld in artikel 19 in fine van de wet van 16 december 1851, is van toepassing op de belasting en haar toebehoren.
Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek Art. 45.§ 1. Voor de invordering van de belasting en haar toebehoren, beschikt het Gewest over een wettelijke hypotheek op alle goederen toebehorend aan de belastingplichtige en gelegen op het grondgebied van België en waarop hypotheek kan worden gevestigd.
De hypotheek bezwaart ook de goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen op de vermelde goederen vervolgd mag worden. § 2. De wettelijke hypotheek neemt pas rang in vanaf haar inschrijving die gebeurde op basis van het toegekende dwangmiddel en betekend aan de belastingplichtige overeenkomstig artikel 51.
De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vorige voorrechten en hypotheken. Art. 46.§ 1. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de bevoegde agent, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep. Zij wordt gedaan op vertoon van een door dezelfde agent voor echt verklaard afschrift van het dwangbevel, waarop de betekeningsdatum is vermeld. § 2. Behalve als de rechten van het Gewest in het gedrang komen en onverminderd artikelen 69 tot 77, mag de inschrijving van de hypotheek slechts gevorderd worden vanaf de vervaldag van de gewaarborgde belastingen.
Artikel XX.113 van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek wat betreft de belastingen opgenomen in kohieren die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar werden verklaard. Art. 47.Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 kan de inschrijving worden gevorderd voor een door de bevoegde agent in het borderel te bepalen bedrag dat al de toebehoren vertegenwoordigt die voor de vereffening van de belasting verschuldigd zouden kunnen zijn. Art. 48.De bevoegde agent verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken. Art. 49.Als de betrokkenen, vóór ze de bedragen betaald hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, alle bezwaarde goederen of een deel ervan willen vrijmaken van de hypotheek, dienen ze daarvoor een verzoek in bij de bevoegde agent. Dat verzoek wordt ingewilligd als het Gewest al voldoende zekerheid bezit, of als die eraan wordt gegeven, voor het bedrag dat aan het Gewest verschuldigd is. Art. 50.De kosten van de formaliteiten voor de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de belastingplichtige. Afdeling 3. - Vervolgingen
Art. 51.§ 1. De invordering van de belasting en haar toebehoren die niet binnen de wettelijke termijnen voldaan zijn, mag overeenkomstig de regels bepaald door de Regering worden vervolgd.
De vervolgingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks : de eerste zijn gericht tegen de belastingplichtigen die bij name in het kohier vermeld zijn of hun vertegenwoordiger; de tweede worden krachtens het bij de wet toegestane verhaal tegen derden ingesteld. Beide worden ingesteld ingevolge persoonlijke of gemeenschappelijke dwangbevelen.
De dwangbevelen worden uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde agent. § 2. De bevoegde agent moet een herinneringsbrief sturen ten minste een maand voordat de belasting en haar toebehoren kunnen worden ingevorderd door een eerste middel van tenuitvoerlegging, behalve als de rechten van het Gewest in het gedrang komen.
Vormen een middel van tenuitvoerlegging in de zin van het eerste lid, de middelen van tenuitvoerlegging bedoeld in het vijfde deel, titel III van het Gerechtelijk Wetboek en het uitvoerend beslag onder derden ingevoegd in uitvoering van dit artikel.
De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden geschorst door een gemotiveerd verzet vanwege de belastingplichtige, die een vordering instelt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. § 3. De Regering bepaalt de modaliteiten van : 1° de rechtstreekse vervolging;2° de onrechtstreekse vervolging;3° de vervolgingskosten. De Regering kan bepalen welke personen belast zijn met vervolging en welke regels ze moeten naleven. HOOFDSTUK 5. - Bewijsmiddelen en onderzoeksbevoegdheden Afdeling 1. - Bewijsmiddelen en anti-misbruik bepaling
Art. 52.Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de gewestelijke fiscale administratie door vermoedens of andere in deze Codex bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Voor de toepassing van deze Codex, is er sprake van fiscaal misbruik wanneer de uitgevoerde rechtshandelingen als resultaat het verwerven van een fiscaal voordeel hebben dat in strijd is met de doelstelling dat nagestreefd wordt door een bepaling van deze Codex, zijn uitvoeringsbesluiten en de andere instrumenten die de gewestelijke belastingen regelen, en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van belastingen.
Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Art. 53.Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belasting en hun toebehoren alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van deze Codex of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, kan de gewestelijke fiscale administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren met inbegrip van de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën of van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Afdeling 2. - Onderzoeken
Art. 54.Elke belastingplichtige is verplicht aan de gewestelijke fiscale administratie op haar verzoek schriftelijk, binnen een termijn van éénendertig dagen alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.
De eerste dag van deze termijn is de dag volgend op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis heeft kunnen nemen van de brief die deze vraag bevat, dit wil zeggen de zevende dag volgend op de datum van verzending van deze brief, zoals deze vermeld is op het verzonden stuk, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Art. 55.Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, ontdekt of bekomen door de bevoegde agent in de uitoefening van zijn functies, kan ingeroepen worden door het Gewest voor het onderzoek van elk feit waarop een belasting of samenloop van elk feit dat belastingen of de samenloop waarvan belastingen of boetes verschuldigd zijn. Art. 56.Natuurlijke personen of rechtspersonen zijn gehouden aan de agenten voorzien van hun aanstellingsbewijs, getekend door de bevoegde agent, en gelast met het uitvoeren van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de belastingen, gedurende alle uren dat er een activiteit wordt uitgeoefend, de vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen welke als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dient, ten einde de agenten enerzijds de mogelijkheid te verschaffen aan de aard en de belangrijkheid van de bedoelde werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen van alle aard welke die personen er bezitten of er uit enig hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de instanties en het rollend materieel en anderzijds alle boeken en documenten die zich in deze lokalen bevinden.
De voormelde agenten, voorzien van hun aanstellingsbewijs, mogen, wanneer zij met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid. In ieder geval kunnen ze enkel gebouwen of bewoonde lokalen betreden tussen acht uur 's ochtends en zes uur 's avonds en alleen met machtiging van de rechter in de politierechtbank.
De voormelde agenten, voorzien van hun aanstellingsbewijs, mogen door middel van de gebruikte uitrusting, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door namelijk de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm zoals voorzien in artikel 121 van deze Codex. Art. 57.Elke agent van de gewestelijke fiscale administratie, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, relevante en niet-excessieve inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van de belasting en haar toebehoren alsook van elk ander bedrag verschuldigd aan het Gewest. Art. 58.De gewestelijke fiscale administratie kan overgaan tot onderzoeken voorzien in deze Codex zelfs als de aangifte van de belastingplichtige of de persoon gehouden tot het indienen van de aangifte reeds ontvangen werd en de belasting en haar toebehoren werden betaald.
De onderzoeken, vermeld in het eerste lid, mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht tot uiterlijk het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 12.
De onderzoeken, vermeld in het eerste lid, mogen bovendien voor de onroerende voorheffing worden verricht gedurende de aanvullende termijn van vier jaar, vermeld in artikel 13, op voorwaarde dat de gewestelijke fiscale administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk.
Die voorafgaande kennisgeving, voorzien in het derde lid, is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Art. 59.De gewestelijke fiscale administratie mag geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing, controle, inning en invordering van de belasting en haar toebehoren alsook van elk ander bedrag verschuldigd aan het Gewest, te verzekeren.
Als de gewestelijke fiscale administratie over aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, met inbegrip van de ontduiking gericht op de ontsnapping aan de invordering van aan het Gewest verschuldigde bedragen, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn.
Als de bevoegde agent heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek, bedoeld in het eerste lid, de aanwijzingen van belastingontduiking niet heeft ontkend, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij het centraal aanspreekpunt, zoals ingesteld door artikel 322 WIB 92.
De inlichtingen, bedoeld in dit artikel, moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze zijn gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door de bevoegde agent. Art. 60.De gewestelijke fiscale administratie mag eveneens van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, welke termijn in geval van overmacht kan worden verlengd, voor alle of een deel van hun verrichtingen of activiteiten, de overlegging vorderen van inlichtingen slaande op elke persoon of groep van personen, zelfs niet nominatief aangeduid, met wie zij rechtstreeks of onrechtstreeks in betrekking zijn geweest uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten. Art. 61.De gewestelijke fiscale administratie mag de juistheid nagaan van de in deze afdeling bedoelde inlichtingen. Art. 62.§ 1. Na hiertoe te zijn opgeroepen, zijn de betrokken personen verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten die nuttig zijn voor de toepassing van de belastingwetten. § 2. Van de verklaringen van de getuigen, wordt proces-verbaal opgemaakt.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingplichtige en, in voorkomend geval, aan de betrokken getuigen overgemaakt. Art. 63.§ 1. Bij de toepassing van deze Codex dient onder staatsorganen te worden verstaan : 1° de federale Staat;2° de Gewesten;3° de Gemeenschappen;4° de ondergeschikte besturen, bedoeld in artikel 6, § 1, VIII van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen. § 2. De bestuursdiensten van de staatsorganen, alsook de openbare instellingen en inrichtingen hiervan, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een bevoegde agent, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bevoegde agent nodig acht voor de vestiging of invordering van de belasting en haar toebehoren.
Onder openbare instellingen of inrichtingen van de staatsorganen wordt verstaan : de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de staatsorganen mede beheren, waaraan de staatsorganen een waarborg verstrekken, op de werkzaamheden waarvan de staatsorganen toezicht uitoefenen of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de staatsorganen, op hun voordracht of met hun goedkeuring. § 3. In geen geval mogen de akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden of elke andere informatie betreffende de gerechtelijke procedures worden overlegd of gekopieerd dan met uitdrukkelijke toestemming van het openbaar ministerie.
De ontvangen originelen en de attesten van verstrekte hulp, uitgekeerd door geneesheren, tandartsen en paramedische medewerkers, kunnen niet worden overlegd dan in het geval de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren of provinciale medische commissie de mogelijkheid hebben gekregen om te verzekeren dat de gewestelijke fiscale administratie geen informatie verwerft over de identiteit van de zieken en andere verzekerde personen. § 4. De Kansspelcommissie, vermeld in artikel 9 van de
wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/05/1999
pub.
20/05/1999
numac
1999021236
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet tot wijziging van artikel 32 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, betreffende de voorkoming en de regeling van belangenconflicten
type
wet
prom.
07/05/1999
pub.
30/12/1999
numac
1999010222
bron
ministerie van justitie
Wet op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
sluiten op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de Regering er onverwijld van op de hoogte brengen dat ze bij een orgaan dat ze controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude. Art. 64.Ten opzichte van de in artikel 63 bedoelde diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, die zouden nalaten aan de verplichtingen ingevolge de artikelen van deze afdeling te voldoen, kan de bevoegde agent, al naar het geval, vorderen dat een afgevaardigde van de Regering optreedt of een commissaris aanwijzen om de nodig geachte inlichtingen in te winnen. Art. 65.De verzamelde inlichtingen bekomen met toepassing van dit hoofdstuk kunnen ook ingeroepen worden in het licht van het belasten van derden. Afdeling 3. - Informatieverplichtingen van derden
Art. 66.Openbare ambtenaren of ministeriële officieren, belast met de openbare verkoop van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 250 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting en haar toebehoren die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is, als ze niet ten minste acht werkdagen vooraf de bevoegde agent hiervan verwittigen, bij aangetekende brief.
Als de verkoop heeft plaatsgevonden, geldt de kennisgeving van de verschuldigde bedragen door de bevoegde agent bij ter post aangetekende brief, uiterlijk daags vóór de verkoop gedaan, als beslag onder derden in handen van de in het eerste lid vermelde openbare ambtenaren of ministeriële officieren.
De Regering regelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. Art. 67.Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de gewestelijke fiscale administratie ten bedrage van de belastingen en hun toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van artikel 66 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en hun toebehoren niet betwist worden. Art. 68.Wanneer kredietinstellingen of -inrichtingen kredieten, leningen of voorschotten toekennen waarvoor een voordeel is verleend in het kader van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake economische expansie of waarvoor een dergelijk voordeel is aangevraagd aan de bevoegde overheid, mogen zij de fondsen noch geheel noch gedeeltelijk vrijgeven, tenzij nadat de begunstigde of aanvrager hen een attest heeft overgemaakt dat is uitgereikt door de bevoegde agent en waaruit een van de volgende feiten blijkt : 1° dat geen belasting of toebehoren in zijn hoofde opeisbaar is;2° dat een bepaald bedrag aan belastingen of toebehoren in zijn hoofde opeisbaar is, in welk geval de betaling van de verschuldigde bedragen, in de vorm en binnen de termijnen voorzien in het attest, het voorwerp moet uitmaken van een bijzonder beding in de beslissing tot toekenning van het voordeel. Hetzelfde geldt voor elke administratie en elke openbare instelling of organisatie die subsidies toekent voor een bedrag hoger dan 2.000 euro, voor wat betreft de toekenning van alle subsidies.
De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. Art. 69.§ 1. De notarissen die een akte moeten opmaken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, van een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting en haar toebehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, als ze de volgende persoon of instantie er niet van kennisgeven : 1° de gewestelijke fiscale administratie, door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;2° de bevoegde agent indien de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn domicilie of hoofdinrichting heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, of als het een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onroerend goed betreft, als de kennisgeving niet meegedeeld kan worden op de in 1° vermelde wijze.In dat geval moet de kennisgeving bij aangetekende brief met ontvangstmelding worden verzonden. § 2. Als de akte niet wordt verleden binnen de vier maanden na verzending van de kennisgeving, wordt deze als niet bestaande en onontvankelijk beschouwd. Als de kennisgeving meegedeeld is op de in paragraaf 1, 1° vermelde wijze, wordt onder de datum van verzending van de kennisgeving verstaan de datum van ontvangstmelding, zoals meegedeeld door de gewestelijke fiscale administratie.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijze, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld overeenkomstig de eerste paragraaf, 2°, alleen primeren als de datum van verzending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld overeenkomstig de eerste paragraaf, 1°. § 3. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. Art. 70.Vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van de in artikel 69 bedoelde kennisgeving, geeft de bevoegde agent kennis van het bedrag van de belasting en haar toebehoren die aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van het Gewest op de goederen die het voorwerp van de akte zijn, op een van de volgende wijzen : 1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;2° bij aangetekende brief met ontvangstmelding. Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van verzending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°. Art. 71.§ 1. Wanneer de in artikel 69 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 70 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingplichtige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. § 2. Daarenboven, indien de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de bevoegde agent, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte daarover, inlichtingen verstrekken aan : 1° de gewestelijke fiscale administratie, en dit door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;2° de bovengenoemde agent bij ter post aangetekende brief, wanneer de inlichtingen niet werden verstrekt overeenkomstig 1° of wanneer de notaris de in artikel 69 bedoelde kennisgeving voorafgaandelijk bij aangetekende brief heeft verstuurd. De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de gewestelijke fiscale administratie, of de datum van neerlegging ter post van de aangetekende brief.
Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures voorzien respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°. § 3. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 69 bedoelde akte verleden is, behoudens toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingplichtige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde agent te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren die hem ter uitvoering van artikel 70 ter kennis werden gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren, een zekere en vaststaande schuld vormen. Art. 72.§ 1. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte, niet tegen het Gewest ingeroepen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in artikel 71.
Zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en hun toebehoren, welke in uitvoering van artikel 70 werden ter kennis gegeven, alle niet ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in artikel 71 voorziene termijn beslag wordt gelegd of verzet aangetekend. § 2. De inschrijvingen genomen na de termijn voorzien in paragraaf 1, of voor zekerstelling van de belastingen die niet gekend zijn overeenkomstig artikel 70, zijn niet tegenstelbaar aan de hypothecaire schuldeiser, noch aan de verwerver die de opheffing kan eisen. § 3. De Regering bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel. Art. 73.De aansprakelijkheid door de notarissen, openbare ambtenaren en ministeriële officieren opgelopen met toepassing van de artikelen van deze afdeling, gaat, naargelang het geval, de waarde van de verkochte goederen, na aftrek van de sommen en waarden waarop in hun handen beslag onder derden werd gelegd of die bij bijzonder voorrecht werden aangewend, niet te boven. Art. 74.§ 1. De Regering stelt de modellen vast voor de in de artikelen 69 tot en met 71 bedoelde kennisgevingen en inlichtingen. § 2. De inhoud van de in de artikelen 69 tot en met 72 vermelde kennisgevingen en inlichtingen, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of ter post bij aangetekende brief met ontvangstmelding.
Bij de verzending van de kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van de bevoegde agent of de gewestelijke fiscale administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon, en aan de hand van het identificatienummer, bedoeld in artikel 8 van de
wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/01/1990
pub.
08/07/2010
numac
2010000396
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. § 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in de artikelen 69 tot en met 72, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden beveiligd met aangepaste beveiligingstechnieken. § 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 70, op geldige w …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.