📄 Wettekst
28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek VI - Chemische, kankerverwekkende en mutagene agentia van de codex over het welzijn op het werk
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de
wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
08/06/2005
numac
2005015073
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
21/10/1999
numac
1999015088
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993
sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014, en artikel 6bis, derde lid, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 december 1993 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan kankerverwekkende en mutagene agentia op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 11 maart 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/03/2002
pub.
14/03/2002
numac
2002012471
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van chemische agentia op het werk
sluiten betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van chemische agentia op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 16 maart 2006Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
16/03/2006
pub.
23/03/2006
numac
2006200251
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest
type
koninklijk besluit
prom.
16/03/2006
pub.
18/07/2008
numac
2008000569
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest. - Duitse vertaling
sluiten betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest;
Gelet op het
koninklijk besluit van 28 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
28/03/2007
pub.
26/04/2007
numac
2007200912
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de erkenning van ondernemingen en werkgevers die sloop- of verwijderingswerkzaamheden uitvoeren waarbij belangrijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen
sluiten betreffende de erkenning van ondernemingen en werkgevers die sloop- of verwijderingswerkzaamheden uitvoeren waarbij belangrijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen;
Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 11 december 2015;
Gelet op het advies nr. 60.018/1 van de Raad van State, gegeven op 6 oktober 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Boek VI.- Chemische, kankerverwekkende en mutagene agentia van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt : "BOEK VI. - CHEMISCHE, KANKERVERWEKKENDE EN MUTAGENE AGENTIA TITEL 1. - CHEMISCHE AGENTIA HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Artikel VI.1-1.- Deze titel is van toepassing wanneer chemische agentia, die risico's opleveren die het gevolg zijn of vermoedelijk zullen zijn van de effecten van die agentia, op de arbeidsplaats aanwezig zijn of aanwezig kunnen zijn of wanneer een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend waarbij chemische agentia betrokken zijn.
Art. VI.1-2.- Deze titel doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende chemische agentia waarop maatregelen voor stralingsbescherming van toepassing zijn uit hoofde van het algemeen reglement ioniserende stralingen.
Art. VI.1-3.- Deze titel is van toepassing op kankerverwekkende en mutagene agentia, onverminderd strengere of specifiekere bepalingen voorzien in titel 2 van dit boek.
Art. VI.1-4.- Deze titel is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke chemische agentia onverminderd strengere of specifiekere bepalingen in : 1° de besluiten die genomen zijn in toepassing van richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en van Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor;2° de internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee (IMGD-code);3° de internationale IMO-code voor de bouw en de uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (IBC-code);4° de internationale IMO-code voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gas in bulk vervoeren (IGC-code);5° de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren en het reglement voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen over de Rijn zoals opgenomen in de Gemeenschapswetgeving;6° de technische instructies inzake veilig vervoer van gevaarlijke stoffen die zijn uitgevaardigd door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Art. VI.1-5.- Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° gevaarlijk chemisch agens : a) elk chemisch agens dat voldoet aan de criteria om te worden ingedeeld als gevaarlijk in enige fysische gevarenklasse en/of gezondheidsgevarenklasse als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008, ongeacht of dat chemisch agens krachtens die verordening is ingedeeld; b) elk chemisch agens dat, hoewel het niet voldoet aan de criteria om overeenkomstig punt 1°, a) van dit artikel als gevaarlijk te worden ingedeeld, een risico voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers kan opleveren door zijn fysisch-chemische, chemische of toxicologische eigenschappen en door de wijze waarop het op de arbeidsplaats wordt gebruikt of aanwezig is, met inbegrip van elk chemisch agens waarvoor in toepassing van hoofdstuk X van deze titel een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is bepaald;2° stoffen : chemische elementen en hun verbindingen, zoals ze voorkomen in natuurlijke toestand of bij het productieproces ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het product en alle onzuiverheden ten gevolge van het productieproces, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;3° mengsels : mengsels of oplossingen die bestaan uit twee of meer stoffen;4° werkzaamheid waarbij chemische agentia zijn betrokken : elk werk waarbij chemische agentia gebruikt worden of de bedoeling bestaat die te gebruiken in een proces, waaronder productie, behandeling, opslag, vervoer of verwijdering en verwerking, of waarbij chemische agentia worden geproduceerd;5° grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling : tenzij anders omschreven, de grenswaarde van de tijdgewogen gemiddelde concentratie van een chemisch agens in de lucht in de ademzone van een werknemer in verhouding tot een bepaalde referentieperiode;6° referentieperiode : de vooraf vastgestelde tijdsduur gebruikt voor de bepaling van de grenswaarde van een agens;7° biologische grenswaarde : de grenswaarde van de concentratie in het passende biologische medium van het agens in kwestie, de metabolieten daarvan of een indicator van het effect; 8° ademzone : de ruimte rond het aangezicht van de werknemer waarin hij ademhaalt en die is vastgesteld aan de hand van de criteria bedoeld in artikel VI.1-46, tweede lid; 9° blootstelling : de mate waarin er contact is van het lichaam met het chemisch agens via volgende toegangswegen : ademhalingsstelsel, de huid en de slijmvliezen of het spijsverteringsstelsel;10° meting : de monsterneming, de analyse en de berekening van het resultaat. HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse Art. VI.1-6.- Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in de artikelen I.2-6 en I.2-7, gaat de werkgever eerst na of er gevaarlijke chemische agentia op de arbeidsplaats aanwezig zijn of kunnen zijn.
Is dat het geval, dan beoordeelt hij elk risico voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers die het gevolg zijn van de aanwezigheid op de arbeidsplaats van die chemische agentia.
Hij houdt daarbij rekening met het volgende : 1° hun gevaarlijke eigenschappen;2° de door de leverancier verschafte informatie betreffende veiligheid en gezondheid, zoals het desbetreffende veiligheidsinformatieblad overeenkomstig Verordening (EG) nr.1907/2006, het
koninklijk besluit van 7 september 2012Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/09/2012
pub.
14/12/2012
numac
2012024402
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de taal op het etiket en op het veiligheidsinformatieblad van stoffen en mengsels, en tot aanwijzing van het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties als orgaan bedoeld in artikel 45 van Verordening nr. 1272/2008
sluiten tot vaststelling van de taal op het etiket en op het veiligheidsinformatieblad van stoffen en mengsels, en tot aanwijzing van het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties als orgaan bedoeld in artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, evenals de informatie bedoeld in artikel 7 van de
wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers; 3° het niveau, de aard en de duur van de blootstelling via het ademhalingsstelsel, de huid en andere blootstellingswijzen;4° de omstandigheden waarin en de belasting waaronder de werkzaamheden waarbij deze agentia betrokken zijn worden uitgevoerd, met inbegrip van hun hoeveelheid; 5° eventuele grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling, bedoeld in bijlage VI.1-1 of biologische grenswaarden; 6° de uitwerking van de genomen of te nemen preventiemaatregelen;7° indien beschikbaar, de conclusies die uit reeds uitgeoefend gezondheidstoezicht moeten worden getrokken. De werkgever zorgt ervoor dat hij van de leverancier of uit andere makkelijk toegankelijke bronnen de aanvullende informatie verkrijgt die noodzakelijk is voor de risicoanalyse. Indien de risicoanalyse dit vereist, behelst deze informatie ook de specifieke evaluatie van de risico's voor de gebruikers, die op basis van de Europese wetgeving inzake chemische agentia is uitgevoerd.
Art. VI.1-7.- De werkgever is in het bezit van een risicoanalyse vastgesteld in een geschreven document, zoals bepaald in artikel I.2-8, § 1, tweede lid, 1° en 2° en vermeldt hierin bovendien welke preventiemaatregelen zijn getroffen met toepassing van de artikelen VI.1-11 tot VI.1-20.
De risicoanalyse moet naar behoren gedocumenteerd zijn. Indien een verdere uitvoerige risicoanalyse niet wordt uitgevoerd, geeft de werkgever hiervoor een schriftelijke verantwoording, waarin hij aantoont dat de aard en de omvang van de met chemische agentia verbonden risico's dit overbodig maken. Deze verantwoording wordt voorgelegd aan het voorafgaand advies van het Comité.
De risicoanalyse wordt bijgewerkt, met name indien veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is.
Art. VI.1-8.- Bepaalde bijzondere werkzaamheden binnen de onderneming of inrichting, zoals onderhoud, waarvan kan worden voorzien dat er een risico voor significante blootstelling bestaat of die om andere redenen schadelijke gevolgen voor de veiligheid en gezondheid kunnen hebben, zelfs nadat alle technische maatregelen zijn genomen, worden opgenomen in de risicoanalyse.
Art. VI.1-9.- In het geval van werkzaamheden waarbij er blootstelling is aan verscheidene gevaarlijke chemische agentia, wordt het risico beoordeeld op grond van het risico dat al die chemische agentia in combinatie opleveren.
In dit geval wordt de inwerking van de agentia als cumulatief beschouwd en moet de volgende formule worden toegepast :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarin : Ci de concentratie in de lucht is van agens "i", GWi de grenswaarde is voor agens "i".
Deze formule wordt niet toegepast indien de wetenschappelijke gegevens een betere beoordeling van de blootstelling mogelijk maken.
Art. VI.1-10.- Alvorens begonnen wordt met nieuwe werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia zijn betrokken, wordt een risicoanalyse uitgevoerd en worden de nodige preventiemaatregelen genomen. HOOFDSTUK III. - Algemene preventiemaatregelen Art. VI.1-11.- Om te voldoen aan zijn verplichting om, bij alle werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia zijn betrokken de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te waarborgen, neemt de werkgever de preventiemaatregelen bedoeld in artikel I.2-7 en past hij de algemene preventiebeginselen toe bedoeld in artikel 5, § 1 van de wet, alsmede de maatregelen bedoeld in deze titel.
Art. VI.1-12.- De risico's voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers bij werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia betrokken zijn, moeten worden opgeheven of tot een minimum verkleind : 1° door het ontwerp en de organisatie van de arbeidsmethodes op de arbeidsplaats;2° door te voorzien in de passende uitrusting voor werkzaamheden met chemische agentia en in onderhoudsmethodes die de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op het werk verzekeren;3° door het aantal werknemers die (kunnen) worden blootgesteld tot een minimum te beperken;4° door de duur en intensiteit van de blootstelling tot een minimum te beperken;5° door passende maatregelen op het gebied van hygiëne;6° door de hoeveelheid chemische agentia op de arbeidsplaats te beperken tot het minimum dat voor de aard van het werk noodzakelijk is;7° door passende werkmethoden met inbegrip van regelingen voor de veilige behandeling, de opslag en het vervoer op de arbeidsplaats van gevaarlijke chemische agentia en van afvalstoffen die dergelijke chemische agentia bevatten;8° door geen verpakkingen voor gevaarlijke stoffen en mengsels te gebruiken met een aanbiedingsvorm of benaming gebruikt voor levensmiddelen, diervoeders, geneesmiddelen en cosmetische producten. Art. VI.1-13.- Wanneer uit de resultaten van de in artikel VI.1-6 bedoelde risicoanalyse blijkt dat er een risico voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers bestaat, worden de in de hoofdstukken IV, V en IX van deze titel vastgestelde specifieke beschermings-, preventie- en bewakingsmaatregelen toegepast.
Deze specifieke maatregelen worden ingeschreven in het globaal preventieplan, bedoeld in artikel I.2-8.
Art. VI.1-14.- Wanneer uit de resultaten van de in artikel VI.1-6 bedoelde risicoanalyse blijkt dat er, gelet op de hoeveelheden van een gevaarlijk chemisch agens die op de arbeidsplaats aanwezig zijn, slechts een gering risico voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers bestaat en dat de overeenkomstig de artikelen VI.1-11 en VI.1-12 genomen maatregelen voldoende zijn om dit risico terug te dringen, zijn de maatregelen, opgesomd in de hoofdstukken IV, V en IX van deze titel niet van toepassing.
In geval de resultaten van deze risicoanalyse door de werknemersvertegenwoordigers in het Comité worden betwist, dan worden de bepalingen bedoeld in artikel VI.1-18, derde en vierde lid toegepast. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere preventiemaatregelen Art. VI.1-15.- De werkgever zorgt ervoor dat het risico van een gevaarlijk chemisch agens voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk wordt weggenomen of tot een minimum wordt verkleind.
Art. VI.1-16.- Voor de toepassing van artikel VI.1-15 wordt substitutie toegepast, waarbij de werkgever het gebruik vermijdt van een gevaarlijk chemisch agens door het te vervangen door een chemisch agens of proces dat in de gegeven gebruiksomstandigheden al naargelang het geval niet of minder gevaarlijk is voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.
Wanneer het wegens de aard van de activiteit niet mogelijk is het risico door vervanging van het chemisch agens weg te nemen, rekening houdend met de werkzaamheid en de in artikel VI.1-6 tot VI.1-10 bedoelde risicoanalyse, zorgt de werkgever ervoor dat het risico tot een minimum wordt verkleind door de toepassing van beschermings- en preventiemaatregelen, in overeenstemming met de risicoanalyse die krachtens de artikelen VI.1-6 tot VI.1-10 is gemaakt.
Deze maatregelen omvatten in orde van voorrang : 1° het ontwerpen van passende werkprocessen en technische maatregelen en het gebruiken van passende uitrusting en passend materiaal om het vrijkomen van gevaarlijke chemische agentia die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op de arbeidsplaats, te voorkomen of te beperken;2° het toepassen van collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron van het risico, zoals adequate ventilatie en passende organisatorische maatregelen;3° wanneer blootstelling niet met andere middelen kan worden voorkomen, de toepassing van individuele beschermingsmaatregelen, met inbegrip van PBM. Art. VI.1-17.- De in artikel VI.1-16 bedoelde maatregelen gaan, rekening houdend met de aard van het risico, vergezeld van gezondheidstoezicht overeenkomstig hoofdstuk IX van deze titel.
Art. VI.1-18.- De werkgever voert regelmatig en steeds wanneer in de omstandigheden een wijziging optreedt die gevolgen kan hebben voor de blootstelling van de werknemers aan chemische agentia, de nodige metingen uit van de chemische agentia welke een risico kunnen opleveren voor de gezondheid van de werknemers op de arbeidsplaats, in het bijzonder in verband met de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling, tenzij hij middels andere evaluatiemethoden duidelijk kan aantonen dat een optimale preventie en bescherming van de werknemers zijn gewaarborgd overeenkomstig artikel VI.1-16.
Rekening houdend met de aard en de graad van de blootstelling bepaalt de werkgever de periodiciteit voor het uitvoeren van de metingen, bedoeld in het eerste lid. Hiertoe past hij de regels toe vermeld in de laatste editie van de norm NBN EN 689 "Werkplaatsatmosferen - Leidraad voor het evalueren van de blootstelling bij inademing aan chemische stoffen voor vergelijking met grenswaarden en meetstrategie"* Tevens laat de werkgever, op vraag van de bevoegde preventieadviseur of van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, metingen van de blootstelling of analyses van de gebruikte stoffen en mengsels verrichten.
In geval van betwisting of twijfel over de betrouwbaarheid van de verrichte metingen of de resultaten van de analyses, of op vraag van de met het toezicht belaste ambtenaar of wanneer de werkgever geen beschikking heeft over betrouwbare meet- en analytische faciliteiten is hij gehouden deze metingen of analyse te laten verrichten door een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op de specifieke verrichting.
Art. VI.1-19.- Bij het voldoen aan de verplichtingen die neergelegd zijn in of voortvloeien uit de artikelen VI.1-6 tot VI.1-10, dient de werkgever rekening te houden met de resultaten van de in artikel VI.1-18 genoemde procedures.
Indien de grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling, zoals vastgesteld is in bijlage VI.1-1 is overschreden, dient de werkgever in elk geval onmiddellijk stappen te ondernemen om de situatie te verhelpen door preventie- en beschermingsmaatregelen te nemen.
Art. VI.1-20.- Op basis van de algemene risicoanalyse in de artikelen VI.1-6 tot VI.1-10 en de algemene preventiemaatregelen in de artikelen VI.1-11 tot VI.1-14, neemt de werkgever technische of organisatorische maatregelen die zijn afgestemd op de aard van de activiteiten, waaronder begrepen opslag, behandeling en scheiding van onverenigbare chemische agentia die de werknemers beschermen tegen de gevaren van de fysisch-chemische eigenschappen van chemische agentia.
Met name neemt hij maatregelen om, in orde van voorrang : 1° de aanwezigheid van gevaarlijke concentraties van ontvlambare stoffen of gevaarlijke hoeveelheden chemisch onstabiele stoffen op de arbeidsplaats te voorkomen of, wanneer dat gezien de aard van de werkzaamheden niet mogelijk is;2° ervoor te zorgen dat er geen ontbrandingsbronnen aanwezig zijn die brand en explosies kunnen veroorzaken, of om ongunstige omstandigheden te vermijden die ertoe kunnen leiden dat chemisch onstabiele stoffen of mengsels van stoffen ongelukken met ernstige fysieke gevolgen veroorzaken en 3° de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers als gevolg van brand en explosies ten gevolge van het ontbranden van ontvlambare stoffen, of ernstige fysieke gevolgen ten gevolge van ongelukken veroorzaakt door chemisch onstabiele stoffen of mengsels van stoffen te verminderen. Door de werkgever voor de bescherming van de werknemers verstrekte werkuitrusting en beschermingssystemen moeten voldoen aan de relevante bepalingen betreffende ontwerp, vervaardiging en levering met betrekking tot gezondheid en veiligheid, bepaald in het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende het op de markt brengen van persoonlijke beschermingsmiddelen en in boek IX, titel 2.
Door de werkgever genomen technische of organisatorische maatregelen moeten rekening houden met de indeling van de groepen apparaten in categorieën, vermeld in het
koninklijk besluit van 22 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/06/1999
pub.
25/09/1999
numac
1999011253
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke apparaten en beveiligingssystemen, bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen, moeten bieden
sluiten betreffende het op de markt brengen van apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen en moeten verenigbaar zijn met deze indeling.
De werkgever neemt maatregelen om een doeltreffende controle van de installatie, de uitrusting en de machines te waarborgen of voorziet in een inrichting voor het onderdrukken van explosies, dan wel in voorzieningen voor het afvoeren van de explosiedruk. HOOFDSTUK V Maatregelen bij ongevallen, incidenten en noodsituaties Art. VI.1-21.- De werkgever stelt, na hieromtrent het voorafgaand advies van het Comité te hebben ingewonnen en teneinde de veiligheid en gezondheid van de werknemers te beschermen bij ongevallen, incidenten of noodsituaties die verband houden met de aanwezigheid van gevaarlijke chemische agentia op de arbeidsplaats, noodplannen op die procedures vaststellen die in werking kunnen treden wanneer dergelijke situaties zich voordoen, zodat er passende maatregelen worden getroffen.
Deze noodplannen houden rekening met de principes vermeld in artikel I.2-23 en omvatten alle terzake dienende, op gezette tijden uit te voeren, veiligheidsoefeningen en het ter beschikking stellen van passende eerste hulp-voorzieningen.
Art. VI.1-22.- Indien één van de in artikel VI.1-21 bedoelde situaties zich voordoet, neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de effecten daarvan te verminderen en de werknemers hiervan in kennis te stellen.
Teneinde de normale situatie te herstellen : 1° voert de werkgever onmiddellijk passende maatregelen uit om de situatie zo spoedig mogelijk te verhelpen;2° mogen alleen de werknemers die onmisbaar zijn voor het uitvoeren van herstellingen en andere noodzakelijke werkzaamheden, in de getroffen zone werken. Art. VI.1-23.- De werknemers die toestemming hebben om in de getroffen zone te werken, worden uitgerust met geschikte beschermende kleding, PBM en speciale veiligheidsuitrusting en -apparaten, die zij moeten gebruiken zolang de abnormale situatie voortduurt; deze situatie mag niet permanent zijn.
Onbeschermde personen mogen niet in de getroffen zone verblijven.
Art. VI.1-24.- De werkgever neemt de nodige maatregelen om de waarschuwings- en andere communicatiesystemen ter beschikking te stellen die nodig zijn om een toegenomen risico voor de veiligheid en gezondheid te signaleren, zodat passend kan worden gereageerd en zo nodig onmiddellijk een aanvang kan worden gemaakt met herstelmaatregelen, hulpacties en evacuatie- en reddingsoperaties.
Art. VI.1-25.- De werkgever voorziet in het nodige, zoals nooddouches, oogspoelfonteinen, neutraliseringsmiddelen en adsorbentia, om de gevolgen van het ongewenst vrijkomen van chemische agentia zoveel mogelijk te beperken.
De ongewenst vrijgekomen producten en de materialen die bij het opruimen werden gebruikt, dienen zo snel mogelijk van de arbeidsplaatsen te worden verwijderd, zodanig dat zij geen gevaar kunnen opleveren voor mens en milieu binnen of buiten de onderneming.
Art. VI.1-26.- De werkgever draagt er zorg voor dat informatie over noodmaatregelen terzake van gevaarlijke chemische agentia beschikbaar is.
De interne en externe diensten die bij ongevallen en noodsituaties optreden ontvangen een afschrift van deze informatie, die is vastgesteld in een document, dat deel uitmaakt van het noodplan.
Deze informatie omvat : 1° voorafgaande melding van relevante gevaren van de werkzaamheid, maatregelen voor het vaststellen van gevaren, voorzorgsmaatregelen en ter zake doende procedures, zodat de nooddiensten hun eigen procedures om in te grijpen en voorzorgsmaatregelen kunnen voorbereiden en 2° alle beschikbare informatie over specifieke gevaren die ontstaan of vermoedelijk zullen ontstaan bij een ongeval of noodsituatie, met inbegrip van informatie over procedures die overeenkomstig de artikelen VI.1-21 tot VI.1-26 zijn vastgesteld. HOOFDSTUK VI Informatie en opleiding van de werknemers Art. VI.1-27.- De werkgever draagt er zorg voor dat het Comité en de betrokken werknemers worden voorzien van : 1° de overeenkomstig artikel VI.1-6 tot VI.1-10 verkregen gegevens, en dat ze opnieuw op de hoogte worden gebracht telkens wanneer een verandering op de arbeidsplaats een wijziging van die gegevens ten gevolge heeft; 2° informatie over gevaarlijke chemische agentia op de arbeidsplaats, zoals hun identiteit en de plaats waar ze zich bevinden, de risico's voor de veiligheid en de gezondheid, desbetreffende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en andere wettelijke bepalingen;3° opleiding en informatie over passende voorzorgsmaatregelen en over maatregelen om zichzelf en de andere werknemers op de arbeidsplaats te beschermen;4° toegang tot elk veiligheidsinformatieblad bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr.1907/2006, in het
koninklijk besluit van 7 september 2012Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/09/2012
pub.
14/12/2012
numac
2012024402
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de taal op het etiket en op het veiligheidsinformatieblad van stoffen en mengsels, en tot aanwijzing van het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties als orgaan bedoeld in artikel 45 van Verordening nr. 1272/2008
sluiten tot vaststelling van de taal op het etiket en op het veiligheidsinformatieblad van stoffen en mengsels, en tot aanwijzing van het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties als orgaan bedoeld in artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, en tot de informatie bedoeld in artikel 7 van de
wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers, en verkregen van de leverancier. Op eenvoudig verzoek van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité wordt hen hiervan een afschrift bezorgd; 5° het verslag van de metingen bedoeld in artikel VI.1-57.
Deze voorlichting : 1° wordt verstrekt op een wijze die past bij de uitslag van de in de artikelen VI.1-6 tot VI.1-10 bedoelde risicoanalyse : van mondelinge communicatie tot individueel onderricht en opleiding, ondersteund met schriftelijke informatie, afhankelijk van de aard en de omvang van het risico dat is gebleken bij de in voornoemde bepalingen voorgeschreven risicoanalyse; 2° wordt steeds aangepast aan gewijzigde omstandigheden. Art. VI.1-28.- Wanneer recipiënten en leidingen voor op de arbeidsplaats gebruikte gevaarlijke chemische agentia niet zijn voorzien van veiligheidsaanduidingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, dan zorgt de werkgever ervoor dat onverminderd de afwijkingen die in bovengenoemde wetgeving zijn voorzien, de inhoud van deze recipiënten en leidingen, samen met de aard van die inhoud en daarmee verband houdende gevaren, duidelijk aangeduid worden door middel van een eensluidende veiligheidsaanduiding als deze voorzien in de voornoemde verordening.
Voor vaste tanks met een inhoud van meer dan 500 liter wordt hieraan voldaan wanneer aan iedere aftapinrichting een etiket aangebracht is met de naam van de stof of het mengsel, het gevarenpictogram, de gevarenaanduidingen (H-zinnen) en de veiligheidsaanbevelingen (P-zinnen).
Voor laboratoriumglaswerk wordt hieraan voldaan wanneer het gemarkeerd wordt op een zodanige manier dat informatie over de inhoud en de eventuele gevaren ervan onmiddellijk beschikbaar is voor de werknemers. HOOFDSTUK VII. - Verbodsbepalingen Art. VI.1-29.- Om te voorkomen dat werknemers door bepaalde chemische agentia of bepaalde werkzaamheden waarbij chemische agentia worden gebruikt, worden blootgesteld aan risico's voor hun gezondheid, zijn het produceren, vervaardigen of gebruiken op het werk van de in bijlage VI.1-3 vermelde chemische agentia, alsmede de aldaar vermelde werkzaamheden, verboden voor zover aangegeven in genoemde bijlage.
Art. VI.1-30.- De Minister kan afwijkingen van het in artikel VI.1-29 bedoelde verbod toestaan.
De vergunning wordt slechts toegestaan in de volgende gevallen en mits de werkgever de in het derde lid bedoelde maatregelen treft : 1° wanneer het gaat om louter wetenschappelijk onderzoek en beproeving, met inbegrip van analyse;2° voor werkzaamheden die gericht zijn op de verwijdering van de chemische agentia die aanwezig zijn in de vorm van bijproducten of afvalproducten; 3° voor de productie van de in artikel VI.1-29 bedoelde chemische agentia voor gebruik als tussenproducten, en voor zodanig gebruik.
De blootstelling van werknemers aan de in artikel VI.1-29 bedoelde chemische agentia moet worden voorkomen, met name door de productie en het vroegst mogelijke gebruik van deze chemische agentia als tussenproducten in één gesloten systeem te laten plaatsvinden, waar deze chemische agentia slechts uitgenomen mogen worden voor zover dat nodig is voor de controle op het proces of voor het onderhoud van het systeem.
De vergunningen tot afwijkingen van het verbod worden individueel verleend en zijn slechts overdraagbaar onder volgende voorwaarden : 1° de gebruiksomstandigheden blijven onveranderd;2° de overdracht wordt gemeld aan de Minister en gaat vergezeld van een afschrift van de notulen van de vergadering van het Comité waarin het advies omtrent deze overdracht werd ingewonnen en van een geschreven advies van de bevoegde preventieadviseur;3° het gunstig advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Art. VI.1-31.- Wanneer overeenkomstig artikel VI.1-30 afwijkingen worden gevraagd, dient de werkgever de volgende gegevens aan de algemene directie HUA te bezorgen : 1° de reden voor het verzoek om afwijking;2° de per jaar te gebruiken hoeveelheden van het chemische agens;3° de betrokken werkzaamheden of reacties of processen;4° het aantal werknemers dat waarschijnlijk betrokken is;5° de geplande voorzorgsmaatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werknemers;6° de technische en organisatorische maatregelen die zijn genomen om blootstelling van de werknemers te voorkomen;7° het advies van het Comité en van de bevoegde preventieadviseur. Art. VI.1-32.- Het is verboden wittefosforhoudende lucifers te vervaardigen, te gebruiken en in voorraad te houden.
Art. VI.1-33.- Het is verboden in lijm oplosmiddelen te gebruiken die meer dan 1 volumeprocent koolstofdisulfide bevatten.
Art. VI.1-34.- Het is verboden berylliumverbindingen te gebruiken bij de fabricage van verlichtingslampen, buislampen en fluorescerende schermen, alsmede bij elektronische buizen.
Art. VI.1-35.- § 1. Het is verboden bij straalbewerkings- en ontzandingswerkzaamheden zand of andere korrels te gebruiken die meer dan 1% vrij siliciumdioxide bevatten.
Voor de toepassing van deze bepalingen wordt verstaan onder : 1° stralen : het met grote snelheid spuiten van korrels van één of andere stof op voorwerpen, met het doel het oppervlak ervan te reinigen of te bewerken, met uitzondering van bewerkingen die tot doel hebben er een laag materie op aan te brengen;2° ontzanden : van aanhangend zand ontdoen door het stralen van voorwerpen. § 2. De straalbewerkings- en ontzandingswerkzaamheden waarbij zand of andere korrels worden gebruikt die meer dan 1% vrij siliciumdioxide bevatten, zijn evenwel niet verboden wanneer ze plaatsvinden in hermetisch gesloten lokalen, cabines of toestellen die bestemd zijn voor dit gebruik, voor zover : 1° ze zodanig zijn vervaardigd dat er gedurende de werking geen werknemer dient binnen te gaan of te verblijven;2° ze enkel geopend worden na verwijdering van de stofdeeltjes die er in de lucht zweven;3° de gebruikte ontstoffingssystemen voldoende doeltreffend zijn om verontreiniging van de werkplaatsatmosfeer te voorkomen;dit wordt nagegaan door aangepaste metingen van het stofgehalte. § 3. De Minister kan, na advies van de algemene directie TWW aan een werkgever toestaan straalbewerkings- en ontzandingswerkzaamheden in de open lucht uit te voeren, wanneer de behandeling aanzienlijke oppervlakten of vaste constructies betreft, zoals gevels, scheepsrompen, metalen geraamten of masten, en indien het technisch onmogelijk blijkt het product dat vrij siliciumdioxide bevat te vervangen door een minder schadelijk product.
De betreffende werkzaamheden moeten plaatshebben onder leiding van de werkgever zelf of van een aangestelde die hij bij naam aangewezen heeft.
De aanvraag voor de vergunning wordt ingediend bij de algemene directie HUA. De vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur.
De Minister kan deze vergunning afhankelijk stellen van de naleving van alle bijzondere voorwaarden die nodig geacht worden om de gezondheid van de werknemers te beschermen.
De vergunning wordt ingetrokken wanneer de werkgever de opgelegde voorwaarden niet naleeft. HOOFDSTUK VIII Productie en gebruik met verplichte kennisgeving Art. VI.1-36.- Mogen slechts gebruikt worden nadat de plaatselijke directie TWW hiervan schriftelijk in kennis werd gesteld : waterstofcyanide, zijn organische en anorganische cyaanverbindingen en de mengsels die deze stoffen bevatten, voor zover deze stoffen en mengsels aan de voorwaarden voldoen om te worden ingedeeld in één of meerdere van de volgende gevarenklassen en -categorieën met één of meer van de volgende gevarenaanduidingen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008 : - acute toxiciteit categorie 1, 2 of 3 (H300, H301, H310, H311, H330, H331); - kankerverwekkendheid categorie 1A of 1B (H350); - mutageniteit in geslachtscellen categorie 1A of 1B (H340); - voortplantingstoxiciteit categorie 1A of 1B (H360); - specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling categorie 1 (H370); - specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling categorie 1 (H372).
Deze kennisgeving bevat de volgende gegevens : 1° de naam van de stof;2° de activiteit waarbij de stof wordt gebruikt, het adres waar de activiteit wordt verricht, en de naam van de werkgever;3° het aantal werknemers dat bij deze activiteit is betrokken; 4° een beschrijving van de in artikel VI.1-21 bedoelde maatregelen bij ongevallen, incidenten en noodsituaties; 5° het resultaat van de risicoanalyse bedoeld in de artikelen VI.1-6 tot VI.1-10; 6° de genomen preventiemaatregelen bedoeld in de artikelen VI.1-11 tot VI.1-20. HOOFDSTUK IX. - Gezondheidstoezicht Art. VI.1-37.- De werkgever neemt de nodige maatregelen om de werknemers die blootgesteld worden aan gevaarlijke chemische agentia te onderwerpen aan een passend gezondheidstoezicht.
Het gezondheidstoezicht is niet verplicht indien uit de resultaten van de risicoanalyse, die werd uitgevoerd in samenwerking met de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en die werd voorgelegd aan het voorafgaand advies van het Comité, blijkt dat dit zonder enig nut is.
Wanneer een bindende biologische grenswaarde is vastgesteld zoals bepaald in bijlage VI.1-2, is het gezondheidstoezicht verplicht voor het werken met het betrokken chemisch agens, overeenkomstig de in diezelfde bijlage bepaalde procedures.
Werknemers moeten van die verplichting op de hoogte worden gebracht, alvorens hun de taak wordt opgedragen die een risico op blootstelling aan het vermelde gevaarlijke chemisch agens inhoudt.
Art. VI.1-38.- Het gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van boek I, titel 4.
Dit toezicht wordt aangevuld met de meest geschikte technieken voor het opsporen van aanwijzingen voor de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid. De bijlage VI.1-4 bevat een exemplatieve lijst van deze technieken evenals hun minimale uitvoeringstermijn.
De Minister kan deze bijlage aanpassen aan de stand van de wetenschap.
Art. VI.1-39.- Gezondheidstoezicht, waarvan de resultaten in aanmerking zullen worden genomen bij de toepassing van preventieve maatregelen op de specifieke arbeidsplaats, is passend wanneer : 1° het mogelijk is een verband te leggen tussen de blootstelling van de werknemer aan een gevaarlijk chemisch agens op het werk en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid;en 2° de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid zich vermoedelijk zouden voordoen in de specifieke werkomstandigheden van de werknemer;en 3° de onderzoeksmethode voor de werknemers slechts een verwaarloosbaar risico oplevert, dat niet opweegt tegen het gezondheidsrisico dat men loopt wanneer men de onderzoeksmethode niet zou toepassen;4° er deugdelijke technieken voor het opsporen van de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid bestaan. Art. VI.1-40.- Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel VI.1-37 gezondheidstoezicht ondergaat, wordt een gezondheidsdossier, bedoeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VII, aangelegd en bijgehouden.
Art. VI.1-41.- Deze gezondheidsdossiers bevatten naast de uitslagen van het uitgeoefende gezondheidstoezicht eveneens alle bewakingsgegevens die representatief zijn voor de blootstelling van de individuele werknemer.
Het uitgevoerde biologisch toezicht en daarmee verband houdende voorschriften maken deel uit van het gezondheidstoezicht.
De blootstellingsgegevens zijn een onderdeel van het gezondheidsdossier en worden, met inachtneming van het medisch geheim, bewaard door het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht.
Indien, rekening houdend met het aantal blootgestelde werknemers, het medisch beroepsgeheim kan worden verzekerd, stelt de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer de anoniem gemaakte blootstellingsgegevens ter beschikking van het Comité.
De gezondheidsdossiers worden bewaard volgens de bepalingen van de artikelen I.4-88 tot I.4-91.
De geneesheren sociaal inspecteurs van de algemene directie TWW hebben toegang tot de gezondheidsdossiers en ontvangen er desgevraagd een afschrift van.
Elke werknemer heeft op zijn verzoek toegang tot zijn gezondheidsdossier.
Indien een onderneming haar werkzaamheden staakt, worden de gezondheidsdossiers door de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht verder bewaard of behandeld volgens de bepalingen van de artikelen I.4-88 tot I.4-91.
Art. VI.1-42.- De werknemer wordt door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer op de hoogte gesteld van de uitslag die op hem persoonlijk betrekking heeft, en krijgt informatie en advies over het gezondheidstoezicht dat hij na beëindiging van de blootstelling zou moeten ondergaan, indien uit het gezondheidstoezicht blijkt : 1° dat de blootstelling van de werknemer aan een gevaarlijk chemisch agens op het werk van die aard is dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer een verband kan leggen tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid ofwel 2° dat een bindende biologische grenswaarde is overschreden. Art. VI.1-43.- In de gevallen bedoeld in artikel VI.1-42 treft de werkgever de volgende maatregelen : 1° hij herziet onverwijld de risicoanalyse die overeenkomstig artikel VI.1-6 is uitgevoerd; 2° hij herziet onverwijld de maatregelen die overeenkomstig de artikelen VI.1-11 tot VI.1-20 genomen zijn om het risico op te heffen of te verkleinen; 3° hij houdt rekening met het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en desgevallend van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van maatregelen die nodig zijn om het risico op te heffen of te verkleinen in overeenstemming met de artikelen VI.1-15 tot VI.1-20, met inbegrip van het eventueel geven van ander werk aan de werknemer waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat; en 4° hij zorgt voor voortgezet gezondheidstoezicht en treft maatregelen voor een heronderzoek van de gezondheidstoestand van elke andere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld.In dergelijke gevallen kunnen de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, dan wel de met het toezicht belaste ambtenaar voorstellen de blootgestelde personen een medisch onderzoek te laten ondergaan. HOOFDSTUK X Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling Art. VI.1-44.- De werkgever is ertoe gehouden de blootstelling zo laag mogelijk te houden. In elk geval is het verboden de grenswaarden opgenomen in bijlage VI.1-1 te overschrijden.
Art. VI.1-45.- De vaststelling van de grenswaarden gebeurt in verhouding tot een bepaalde referentieperiode.
Deze bedraagt 8 uur tenzij anders is bepaald. Als de arbeidsduur minder dan acht uur bedraagt, wordt dit de referentieperiode.
Voor bepaalde agentia kan, bij kortstondige blootstelling, een referentieperiode van 15 minuten worden vastgesteld. In dit geval wordt de grenswaarde "kortetijdswaarde" genoemd.
Als er een kortetijdswaarde is vastgesteld, mogen blootstellingen boven de getalwaarde van de over acht uur gemeten grenswaarde slechts viermaal per dag voorkomen, telkens gedurende een periode van maximaal vijftien minuten. Tussen deze perioden met verhoogde blootstelling moeten minstens zestig minuten verlopen.
Voor sommige agentia kunnen grenswaarden worden vastgesteld met een referentieperiode waarvan de duur verschilt van de hierboven vermelde.
Deze referentieperiodes zijn dan expliciet vermeld in bijlage VI.1-1.
Voor controlemetingen wordt in dat geval verwezen naar de over die referentieperiode gewogen concentratie.
Wanneer werknemers worden blootgesteld volgens een patroon dat duidelijk afwijkt van het normale (zoals een werkdag van meer dan 8 uur, een werkweek van meer dan 40 uur of een arbeidsweek van meer dan 5 dagen), formuleert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer een gemotiveerd voorstel voor de in dat geval te hanteren grenswaarde. Dit voorstel wordt om advies voorgelegd aan het Comité van de betrokken onderneming en gemeld aan de plaatselijke directie TWW. Art. VI.1-46.- De blootstelling via de ademhaling kan worden beoordeeld door de concentratie van het chemisch agens in de ademzone te meten.
Om technische redenen wordt deze ruimte gedefinieerd als een halve bol met een straal van 30 cm die zich bevindt voor het aangezicht. Het centrum van deze bol ligt op het middelpunt van een lijn die de oren verbindt. De basis van deze halve bol ligt in het vlak van deze lijn, het hoogste punt van het hoofd en het strottenhoofd.
Deze definitie is niet van toepassing wanneer ademhalingsbescherming gebruikt wordt.
Art. VI.1-47.- Indien de aanwezigheid van één of meer agentia in de vorm van gas, damp of deeltjes in suspensie in de lucht op de arbeidsplaats niet kan worden uitgesloten, moet er een beoordeling van de situatie worden uitgevoerd om vast te stellen of de grenswaarden worden nageleefd.
Bij deze beoordeling moeten er zorgvuldig gegevens worden verzameld over alle factoren die van invloed kunnen zijn op de blootstelling, bijvoorbeeld : 1° de gebruikte of voortgebrachte agentia;2° de activiteiten, de technische uitrustingen en de fabricageprocédés;3° de verdeling in de tijd en in de ruimte van de concentraties van de agentia. Art. VI.1-48.- § 1. Een grenswaarde wordt nageleefd indien uit de beoordeling blijkt dat de blootstelling de grenswaarde niet overschrijdt.
Indien de verzamelde gegevens niet volstaan om op betrouwbare wijze vast te stellen of de grenswaarden worden nageleefd, moeten zij worden aangevuld met metingen op de arbeidsplaats. § 2. Blijkt uit de beoordeling dat een grenswaarde niet wordt nageleefd, dan : 1° moeten de oorzaken van de overschrijding onverwijld worden vastgesteld en dienen er onmiddellijk maatregelen te worden uitgevoerd om verbetering te brengen in de situatie;2° moet de situatie vervolgens opnieuw worden beoordeeld. § 3. Indien uit de beoordeling blijkt dat de grenswaarden worden nageleefd, moeten daarna met passende tussenpozen, bepaald in overleg met het Comité en met de interne of externe dienst, controlemetingen worden verricht.
Hoe dichter de gemeten concentratie bij de grenswaarde ligt, hoe vaker deze controlemetingen plaats moeten hebben. § 4. Indien uit de beoordeling blijkt dat de grenswaarden, gezien het soort arbeidsproces, op langere termijn worden nageleefd en een ingrijpende wijziging van de omstandigheden op de arbeidsplaats die tot een verandering van de blootstelling van de werknemers zou kunnen leiden, niet werd aangebracht, dan kan de frequentie van de controlemetingen om na te gaan of de grenswaarden worden nageleefd, worden verminderd.
In dit geval dient regelmatig te worden nagegaan of de resultaten van deze beoordeling nog steeds gelden.
De vermindering van de frequentie van de controlemetingen gebeurt volgens de regels vastgesteld in artikel VI.1-18, tweede lid.
Art. VI.1-49.- De metingen die verricht worden in het kader van de beoordeling van de blootstelling aan chemische agentia op het werk moeten, voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen VI.1-50 tot VI.1-58.
Art. VI.1-50.- Bij de keuze van een meetmethode worden de technische regels bedoeld in bijlage VI.1-1, B, 1 nageleefd.
Art. VI.1-51.- De monsterneming wordt verricht door : 1° de werkgever;of 2° de bevoegde preventieadviseur;of 3° de afgevaardigde(n) van het erkend laboratorium, indien voor de meting een beroep wordt gedaan op een erkend laboratorium. De werknemers en het Comité worden actief betrokken en geraadpleegd bij de organisatie en de uitvoering van de monsterneming, onder meer om de mogelijkheid te bieden de representativiteit van de metingen voor normale werkomstandigheden na te gaan.
In geval van betwisting betreffende de monsterneming wordt deze toevertrouwd aan een erkend laboratorium.
Art. VI.1-52.- Bij het plannen van metingen dient ervoor gewaakt dat aan de metingen een goede representativiteit wordt verzekerd.
Dit houdt in dat : 1° de productieniveaus, omgevingsfactoren en werkzaamheden niet gemanipuleerd of geoptimaliseerd worden;2° de monsternemingen willekeurig worden gespreid over een voldoende aantal dagen om rekening te houden met de fluctuaties volgens de verschillende productiecycli en seizoenen. Indien om praktische redenen de bepalingen van bovenvermelde twee punten niet kunnen worden nageleefd, dient er rekening mee gehouden te worden dat de reële situatie op significante wijze kan afwijken van het verkregen resultaat.
Art. VI.1-53.- De persoon die de monsterneming verricht, heeft hiertoe een specifieke opleiding gekregen en beschikt over de vereiste kwalificaties om deze te verrichten. Daarenboven beschikt hij over schriftelijke instructies met betrekking tot de wijze waarop de ingezette apparatuur moet worden gebruikt. Hij is tevens op de hoogte van de mogelijkheden en beperkingen van de gebruikte techniek.
Bij een actieve monsterneming die het gebruik van pompen inhoudt, gelden de voorschriften opgenomen in bijlage VI.1-1, C. De nodige maatregelen worden genomen om de monsters veilig en zonder risico voor contaminatie te vervoeren en te bewaren.
De gegevens die nodig zijn voor een correcte uitvoering van de analyse worden genoteerd door de persoon die instaat voor de monsterneming en worden aan het laboratorium overgemaakt.
Over deze aangelegenheid vindt vooraf overleg plaats met het laboratorium. Deze gegevens worden opgenomen in de instructies voor de persoon die de monsters neemt.
Art. VI.1-54.- Tijdens de monsterneming worden de gegevens genoteerd, die nodig zijn voor de verslaggeving over de meting en voor de beoordeling van de representativiteit van de monsterneming. Deze gegevens worden gedurende minstens vijf jaar bewaard.
Art. VI.1-55.- De analyse van de monsters wordt verricht door : 1° het laboratorium van de werkgever;of 2° een laboratorium dat erkend of geaccrediteerd is voor de meting van het beschouwde agens. In het geval van betwisting betreffende de resultaten van deze analyses, worden deze toevertrouwd aan een dienst of laboratorium, met dat doel erkend door de Minister in toepassing van boek II, titel 6.
Art. VI.1-56.- Wanneer blijkt dat de monsterneming niet correct werd uitgevoerd, bijvoorbeeld bij gebruik van een niet geschikt monsternemingsmedium of een ongeschikt debiet, weigert het laboratorium de analyse uit te voeren.
Het laboratorium ontvangt alle ter zake doende gegevens om een correcte analyse uit te voeren.
Het laboratorium bewaart alle basisgegevens van de analyse gedurende minstens vijf jaar.
Wanneer blijkt dat het laboratorium niet voldaan heeft aan de algemene kwaliteitseisen, herhaalt het de analyse van de monsters of van soortgelijke monsters zonder kosten voor de klant.
De kwaliteitseisen worden vooraf schriftelijk vastgelegd door de klant en het laboratorium op basis van beoordelingsmethodes, werkwijzen en metingen die beantwoorden aan de algemene performantievereisten en die het mogelijk maken betrouwbare en bruikbare resultaten te bekomen.
Art. VI.1-57.- De werkgever stelt een verslag op over de metingen die tot doel hebben de blootstelling te vergelijken met de grenswaarde.
Wanneer van het agens geen grenswaarde is vastgesteld, wordt als referentie een grenswaarde gebruikt van een agens waarvan de fysicochemische en toxicologische eigenschappen volgens de huidige stand van de wetenschappelijke kennis dermate gelijkaardig zijn dat de grenswaarde ervan als een referentie kan worden gebruikt.
Wanneer voor de metingen een beroep wordt gedaan op een erkend laboratorium, maakt het verslag van het laboratorium integraal deel uit van het verslag van de werkgever.
De inhoud van het verslag over de meting moet voldoen aan de eisen van de gebruikte metingsmethode en van de norm NBN EN 689. Het verslag bevat onder meer de elementen opgenomen in bijlage VI.1-1, D. Ingeval de analyse wordt uitbesteed draagt het externe laboratorium de verantwoordelijkheid voor het verslag van de analyse.
De werkgever draagt de verantwoordelijkheid voor het volledige verslag van de meting, tenzij hij de meting heeft uitbesteed aan een erkend laboratorium.
Art. VI.1-58.- De laboratoria die analyses verrichten van dergelijke monsters, nemen deel aan interlaboratoriumvergelijkingen of vakbekwaamheidsprogramma's, of verrichten analyses van proefmonsters wanneer de algemene directie TWW erom verzoekt.
Wanneer de resultaten van een laboratorium dat deelneemt aan deze proeven of programma's onvoldoende zijn, kunnen de verslagen van het laboratorium ongeldig worden verklaard en in dat geval dienen de hierop betrekking hebbende metingen te worden overgedaan, zonder kosten voor de klant. De herhaling van de metingen gebeurt slechts nadat het laboratorium heeft aangetoond dat het de analysetechniek beheerst. De criteria die voor de beoordeling van de resultaten van de proeven worden gebruikt, worden vóór de proef vastgelegd.
TITEL 2 KANKERVERWEKKENDE EN MUTAGENE AGENTIA Artikel VI.2-1.- Deze titel is van toepassing op werkzaamheden waarbij werknemers ten gevolge van het werk worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene agentia.
Deze titel is niet van toepassing wanneer de werknemers uitsluitend aan ioniserende stralingen worden blootgesteld.
Deze titel is evenwel slechts van toepassing op de agentia bedoeld in bijlage VI.2-3, voor zover uit de risicoanalyse blijkt dat er een carcinogeen effect is voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.
Art. VI.2-2.- § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt onder kankerverwekkend agens verstaan : 1° een stof die of een mengsel dat voldoet aan de criteria om als kankerverwekkend te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr.1272/2008; 2° een stof of mengsel bedoeld in bijlage VI.2-1 "Lijst met carcinogene stoffen en mengsels"; 3° een stof, mengsel of procédé bedoeld in bijlage VI.2-2 "Lijst van de procédés tijdens welke een stof of mengsel vrijkomt", alsmede een stof of mengsel die (dat) vrijkomt bij een in dezelfde bijlage bedoeld procédé. § 2. Voor de toepassing van deze titel wordt onder mutageen agens verstaan : een stof die of een mengsel dat voldoet aan de criteria om als mutageen in geslachtscellen te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008. § 3. Voor de toepassing van deze titel wordt onder grenswaarde de limiet verstaan van het tijdgewogen gemiddelde van de concentratie voor een kankerverwekkend of mutageen agens in de lucht in de ademhalingszone van een werknemer gedurende een gespecificeerde referentieperiode als bepaald in bijlage VI.1-1.
Art. VI.2-3.- De werkgever is ertoe gehouden voor alle werkzaamheden waarbij zich een blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene agentia kan voordoen, een risicoanalyse uit te voeren.
In dat geval bepaalt hij eveneens de aard, de mate en de duur van de blootstelling van de werknemers teneinde alle risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers te kunnen beoordelen en te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen.
Voorts moet bij de risicoanalyse rekening worden gehouden met alle manieren van blootstelling, zoals absorptie in of via de huid.
Tijdens de risicoanalyse besteedt de werkgever eveneens bijzondere aandacht aan de eventuele gevolgen voor de veiligheid of de gezondheid van bijzonder kwetsbare risicogroepen en houdt hij onder andere rekening met de wenselijkheid de betrokken werknemers niet te werk te stellen in zones waar zij in contact kunnen komen met kankerverwekkende of mutagene agentia.
Deze risicoanalyse moet op gezette tijden worden herhaald en minstens eenmaal per jaar. In ieder geval dient de analyse opnieuw te worden uitgevoerd bij iedere wijziging van de omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de blootstelling van de werknemers aan kankerverwekkende of mutagene agentia.
De verslagen en de elementen die voor deze risicoanalyse hebben gediend, worden door de werkgever ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.
Art. VI.2-4.- Indien uit de resultaten van de in artikel VI.2-3 bedoelde risicoanalyse blijkt dat er een risico voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, moet de blootstelling van de werknemers worden voorkomen.
Te dien einde neemt de werkgever de volgende maatregelen : 1° De werkgever vervangt, voor zover dat technisch uitvoerbaar is, het kankerverwekkend of mutageen agens op het werk, inzonderheid door een stof, een mengsel of een procédé die in de omstandigheden waaronder zij worden gebruikt, niet of minder gevaarlijk zijn voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de veiligheid van de werknemers;2° Indien het technisch niet mogelijk is het kankerverwekkend of mutageen agens te vervangen door een stof, een mengsel of een procédé die, in de omstandigheden waaronder zij worden gebruikt, niet of minder gevaarlijk zijn voor de veiligheid of de gezondheid, dient de productie en het gebruik van het kankerverwekkend of mutageen agens plaats te vinden in een gesloten systeem, voor zover dat technisch uitvoerbaar is;3° Indien de toepassing van een gesloten systeem niet technisch uitvoerbaar is, wordt de blootstelling van de werknemers beperkt tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is;4° De blootstelling mag de grenswaarde van een kankerverwekkend of mutageen agens niet overschrijden.Kankerverwekkende of mutagene agentia met een overeenkomstige grenswaarde zijn aangeduid door de bijkomende indeling "C" in bijlage VI.1-1.
Art. VI.2-5.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen VI.1-11 tot VI.1-26, neemt de werkgever in alle gevallen waarin een kankerverwekkend of mutageen agens wordt gebruikt de volgende maatregelen : 1° beperking van de hoeveelheden van een kankerverwekkend of mutageen agens op de arbeidsplaats;2° beperking van het aantal werknemers dat wordt of kan worden blootgesteld tot het laagste mogelijke niveau;3° een zodanige opzet van de arbeidsprocédés en de technische maatregelen, dat het vrijkomen van kankerverwekkende of mutagene agentia op de arbeidsplaats wordt vermeden of tot een minimum beperkt;4° passende verwijdering van de kankerverwekkende of mutagene agentia aan de bron, passende plaatselijke afzuiging of passende algemene ventilatie die stroken met de noodzaak van bescherming van de volksgezondheid en het milieu;5° gebruik van bestaande geschikte meetmethoden voor kankerverwekkende of mutagene agentia, in het bijzonder voor de vroegtijdige opsporing van abnormale blootstellingen ten gevolge v …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.