📄 Wettekst
10 NOVEMBER 2005. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de bedrijven die een activiteit met COainfera2bendinferb-emissies uitoefenen
De Waalse Regering, Gelet op het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op de artikelen 4, 5, 7, 8 en 9;
Gelet op het advies van de Raad van State nr 38.642/4, gegeven op 13 juli 2005, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme;
Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Artikel 1.§ 1. Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op elk bedrijf bedoeld in bijlage I bij het
besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
besluit van de waalse regering
prom.
04/07/2002
pub.
21/09/2002
numac
2002027817
bron
ministerie van het waalse gewest
Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
type
besluit van de waalse regering
prom.
04/07/2002
pub.
21/09/2002
numac
2002027818
bron
ministerie van het waalse gewest
Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten
sluiten tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, dat een activiteit met CO2-emissies uitoefent en over één of meer van de volgende installaties beschikt : 1° activiteiten in de energiesector : a) verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen hoger dan 20 MW, met uitzondering van de gevaarlijke of gemeentelijke afval;b) olieraffinaderijen;c) cokesfabrieken;2° productie en verwerking van ferrometalen : a) installaties voor het roosten of sinteren van metaalhoudend mineraal, met inbegrip van zwavelhoudend erts;b) installaties voor de productie van gietijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van uitrustingen voor continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur;3° minerale industrie : a) installaties voor de productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag, of van kalk in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag, of in andere soorten ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag;b) installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag;c) installaties voor het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit per kilo van meer dan 75 ton per dag, en/of een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3;4° overige activiteiten : industriële installaties voor : a) de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;b) de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag. Indien dezelfde exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde locatie verschillende activiteiten uitoefent die ressorteren onder eenzelfde punt als bedoeld in het eerste lid, worden de capaciteiten van die activiteiten bij elkaar opgeteld. § 2. Dit besluit is niet van toepassing op installaties of gedeelten van installaties die gebruikt worden voor het uitzoeken, ontwikkelen en uitproberen van nieuwe producten en processen. HOOFDSTUK II. - Definities Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 1° activiteiten : de activiteiten bedoeld in artikel 1;2° bron : een afzonderlijk aanwijsbaar punt of proces in een installatie van waaruit CO2 vrijkomt;3° vergunning : de milieuvergunning of de enige vergunning;4° emissies : de uitstoot van CO2 in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen;5° procesemissies : de uitstoot van CO2, maar niet de verbrandingsemissies, die optreden ten gevolge van bedoelde of onbedoelde reacties tussen stoffen of de transformatie daarvan, waaronder de chemische of elektrolytische reductie van metaalertsen, de thermische ontbinding van stoffen en de vorming van stoffen bedoeld om te worden gebruikt als product of als grondstof;6° verbrandingsemissies : de uitstoot van CO2 die plaatsvindt bij de exotherme reactie van een brandstof met zuurstof;7° bewakingsmethodiek : het geheel van methoden dat door een exploitant wordt gebruikt om de emissies van CO2 te bepalen;8° relevantie : de door de verificateur bepaalde mate waarin geoordeeld kan worden of de omissies, onjuiste voorstellingen van zaken of fouten die van invloed zijn op de informatie die over een installatie is verstrekt, afzonderlijk of in combinatie de beslissingen van toekomstige gebruikers in belangrijke mate zullen beïnvloeden;9° verslagperiode : de periode gedurende welke de bewaking van en rapportage over emissies moeten plaatsvinden, met name het kalenderjaar;10° niveau : een specifieke methodiek ter bepaling van activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren.De niveaus vormen een hiërarchisch opgezette reeks methodieken waaruit volgens deze richtsnoeren moet worden gekozen; 11° partij : een hoeveelheid brandstof of materiaal die hetzij in één keer, hetzij continu gedurende een bepaald tijdsverloop wordt overgebracht.Een partij dient op representatieve wijze te worden bemonsterd en gekarakteriseerd wat betreft haar gemiddelde energie- en koolstofinhoud en andere relevante aspecten van haar chemische samenstelling; 12° biomassa : niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal dat afkomstig is van planten, dieren en micro-organismen. Hieronder vallen onder andere ook producten, bijproducten, reststoffen en afvalstoffen afkomstig van landbouw, bosbouw en verwante bedrijfstakken alsmede de niet-gefossiliseerde en biologisch afbreekbare organische fracties van industriële en huishoudelijke afvalstoffen. Onder biomassa vallen ook gassen en vloeistoffen die zijn gewonnen bij de ontbinding van niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal. Bij verbranding ten behoeve van energieopwekking wordt biomassa aangeduid als biobrandstof; 13° verificateur : het verificatieorgaan bedoeld in artikel 9, § 2, van het
decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
10/11/2004
pub.
02/12/2004
numac
2004203609
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1)
sluiten tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een "Fonds wallon Kyoto" (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto;14° administratie : het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu. HOOFDSTUK III. - Algemene beginselen betreffende de bewaking en de rapportage Art. 3.De exploitant bewaakt en rapporteert de emissies van CO2 afkomstig van de bronnen vermeld in zijn vergunning met inachtneming van de volgende beginselen : 1° volledigheid : de bewaking van en rapportage over een bedrijf moeten alle proces- en verbrandingsemissies omvatten die afkomstig zijn van alle bronnen die samenhangen met de activiteiten genoemd in artikel 1;2° consistentie : bewaakte en gerapporteerde emissies moeten over een zeker tijdsverloop vergelijkbaar zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde bewakingsmethodieken en gegevensbestanden;3° transparantie : bewakingsgegevens, met inbegrip van aannamen, verwijzingen, berekeningsvariabelen, activiteitsgegevens, emissiefactoren, oxidatiefactoren en conversiefactoren, moeten worden verzameld en zodanig geregistreerd, samengevoegd, geanalyseerd en gedocumenteerd dat de verificateur de bepaling van de emissies kan reproduceren;4° nauwkeurigheid : er moet op worden toegezien dat de bepaling van de emissiewaarden niet systematisch op hogere of lagere waarden uitkomt dan de werkelijke waarden van de emissies, voorzover dat kan worden beoordeeld, en dat onzekerheden zo klein mogelijk worden gehouden en worden gekwantificeerd wanneer dat in het kader van deze sectorale voorwaarden is vereist.Bovendien moeten de berekeningen en metingen van emissies met de maximaal haalbare nauwkeurigheid worden uitgevoerd. De exploitant moet een redelijke garantie geven dat emissies volledig worden gerapporteerd. Emissies moeten worden bepaald met behulp van de passende bewakingsmethodieken die in deze richtsnoeren worden beschreven. Alle meet- of andere beproevingsapparatuur die voor de rapportage van bewakingsgegevens wordt gebruikt, moet naar behoren worden toegepast, onderhouden, geijkt en gecontroleerd. Spreadsheets en andere hulpmiddelen die voor de opslag en bewerking van bewakingsgegevens worden gebruikt, mogen geen fouten bevatten; 5° kosteneffectiviteit : bij het kiezen van een bewakingsmethodiek moeten de verbeteringen welke een grotere nauwkeurigheid oplevert, tegen de extra kosten worden afgewogen.De bewaking van en rapportage over emissies moeten daarom zijn gericht op het behalen van de grootst mogelijke nauwkeurigheid, tenzij dit technisch niet haalbaar is of tot buitensporig hoge kosten zou leiden; 6° relevantie : emissieverslagen en daarmee samenhangende bekendmakingen mogen geen beduidende onjuiste opgaven bevatten, moeten er qua selectie en presentatie van informatie op gericht zijn een onvertekend beeld op te leveren, en moeten een geloofwaardige en evenwichtige beschrijving geven van emissies uit een installatie;7° betrouwbaarheid : een geverifieerd emissieverslag precies moet weergeven wat het geacht wordt weer te geven of naar redelijke verwachting kan weergeven. HOOFDSTUK IV. - Vereisten inzake bewaking en rapportage Art. 4.§ 1. Voor de bepaling van de emissies van zijn bedrijf stelt de exploitant de bevoegde overheid een bewakingsmethode voor op basis hetzij van berekening, namelijk "rekenmethode", hetzij op basis van meten, namelijk "meetmethode".
De exploitant mag voorstellen om de emissies te meten indien hij kan aantonen dat hiermee, met toepassing van een combinatie van de hoogste niveaus, met zekerheid een grotere nauwkeurigheid wordt bereikt dan met de relevante berekeningen, en de vergelijking tussen meten en berekenen is gebaseerd op een identieke lijst van bronnen en emissies.
Voor elke verslagperiode moet de exploitant de gemeten emissies bevestigen door berekening in overeenstemming met de richtsnoeren omschreven in bijlage I. Bij het kiezen van niveaus voor de berekening die ter bevestiging wordt uitgevoerd, moeten dezelfde regels gelden als voor de rekenmethode Mits dit door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, mag de exploitant meting en berekening combineren voor verschillende bronnen die tot één installatie behoren. Hij moet erop toezien en aantonen dat er geen hiaten en dubbeltelling ten aanzien van emissies optreden. § 2. Emissies van verbrandingsmotoren voor vervoersdoeleinden vallen niet onder de emissieramingen. § 3. Indien de productiecapaciteit of het productievermogen van één of een aantal activiteiten die vallen onder eenzelfde categorie bedoeld in artikel 1, afzonderlijk of gezamenlijk de desbetreffende drempelwaarde volgens artikel 1 in één installatie of op één locatie overschrijdt, moeten alle emissies uit alle bronnen van alle in artikel 1 genoemde activiteiten in die installatie of op die locatie worden bewaakt of worden gerapporteerd. § 4. Of een aanvullende verbrandingsinstallatie moet worden gezien als onderdeel van een installatie waarin een andere in artikel 1 bedoelde activiteit plaatsvindt, of als afzonderlijke installatie, is afhankelijk van lokale omstandigheden en moet zijn vastgelegd in de vergunning van de installatie. § 5. Alle emissies uit een installatie moeten worden toegewezen aan die installatie, ook als er warmte of elektriciteit naar andere installaties wordt afgevoerd. Emissies die samenhangen met de opwekking van warmte of elektriciteit die uit andere installaties wordt aangevoerd, mogen niet worden toegewezen aan de installatie waarin deze worden aangevoerd. Art. 5.De bewakingsmethode wordt bepaald en uitgevoerd met inachtneming van de algemene en specifieke richtsnoeren omschreven in bijlage I. De specifieke richtsnoeren bevatten verschillende methodieken om de volgende variabelen te bepalen : activiteitsgegevens, emissiefactoren, oxidatie- of conversiefactoren. Deze methodieken zijn in niveaus ingedeeld. Met de oplopende nummering van niveaus, die vanaf 1 begint, wordt een oplopende mate van nauwkeurigheid aangegeven, waarbij het niveau met het hoogste nummer de voorkeur heeft. Gelijkwaardige niveaus worden aangeduid met hetzelfde niveaunummer en een toegevoegde letter. Voor activiteiten waarvoor deze richtlijnen alternatieve rekenmethoden aanreiken mag een exploitant alleen van de ene methode naar de andere omschakelen, wanneer hij de bevoegde autoriteit kan aantonen dat deze omschakeling leidt tot een grotere nauwkeurigheid in de bewaking van en rapportage over de emissies van de betreffende activiteit.
De exploitanten moeten de methode van het hoogste niveau gebruiken om voor alle bronnen in een installatie alle variabelen voor bewaking en rapportage te bepalen, onder voorbehoud van de volgende afwijkingen die de bevoegde overheid toestaat : 1° alleen wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat de methode van het hoogste niveau technisch niet haalbaar is of zou leiden tot buitensporig hoge kosten, mag voor die variabele binnen een bewakingsmethodiek het eerstvolgende lagere niveau worden aangehouden.Daarom moet het gekozen niveau de hoogste graad van nauwkeurigheid weergeven die technisch haalbaar is en niet leidt tot buitensporig hoge kosten; 2° de exploitant mag lagere niveaus toepassen voor de variabelen die worden gebruikt om emissies uit kleinere bronnen - inclusief kleinere brandstof- of materiaalstromen - te berekenen dan de niveaus die worden toegepast voor de variabelen die worden gebruikt om emissies uit grote bronnen - inclusief grote brandstof- of materiaalstromen - in een installatie te berekenen.Onder grote bronnen en grote brandstof- en materiaalstromen worden bronnen of stromen verstaan die, indien geordend volgens afnemende omvang, cumulatief ten minste 95 % bijdragen aan de totale jaarlijkse emissies van de installatie.
Kleinere bronnen zijn bronnen die per jaar 2,5 kton of minder uitstoten of die 5 % of minder bijdragen aan de totale emissies van een installatie, afhankelijk van welke de grootste is in termen van absolute emissies. 3° voor kleine bronnen die per jaar gezamenlijk 0,5 kton of minder uitstoten of minder dan 1 % aan de totale jaarlijkse emissies van die installatie bijdragen, afhankelijk van welke de grootste is in termen van absolute emissies, mag de exploitant van een installatie voor de bewaking en rapportage een "de minimis"-aanpak toepassen, daarbij gebruikmakend van zijn eigen niet onder een "niveau" vallende ramingsmethode;4° voor zuivere biobrandstoffen mag de exploitant methoden van een lager niveau toepassen, tenzij de desbetreffende berekende emissies moeten worden gebruikt voor het in mindering brengen van biomassakoolstof van CO2-emissies, die door middel van continue emissiemeting is bepaald. De exploitant mag, met de goedkeuring van de bevoegde autoriteit, voor de variabelen verschillende goedgekeurde niveaus toepassen, die binnen één enkele berekening worden toegepast (activiteitsgegevens, emissiefactoren, oxidatie- of conversiefactoren). Art. 6.De bewakingsmethodiek moet worden gewijzigd indien daarmee de nauwkeurigheid van de verstrekte gegevens wordt verbeterd, tenzij dit technisch niet haalbaar is of zou leiden tot buitensporig hoge kosten. Art. 7.De exploitant mag wijzigingen van de bewakingsmethodiek zonder onnodige vertraging voorstellen wanneer : 1° er wijzigingen zijn opgetreden in de beschikbare gegevens waardoor emissies nauwkeuriger kunnen worden bepaald;2° een nieuw type emissie zich heeft voorgedaan;3° er fouten zijn vastgesteld in gegevens die voortvloeien uit de bewakingsmethodiek. Art. 8.Wanneer het hoogste niveau of het overeengekomen aan variabelen gekoppelde niveau tijdelijk om technische redenen niet haalbaar is, mag een exploitant het hoogste haalbare niveau toepassen totdat de omstandigheden voor toepassing van het vroegere niveau zijn hersteld. De exploitant moet zonder onnodige vertraging aan de bevoegde autoriteit aantonen waarom een niveauwijziging noodzakelijk is en gedetailleerde informatie over de voorlopige bewakingsmethodiek verstrekken. De exploitant moet alle noodzakelijke maatregelen nemen om een vlot herstel van het oorspronkelijke niveau voor bewaking en rapportage mogelijk te maken. Art. 9.Wijzigingen van niveaus moeten in alle gevallen volledig zijn gedocumenteerd. Kleine hiaten in gegevensbestanden ten gevolge van storingen van meetapparatuur moeten worden behandeld volgens een goede professionele praktijk, voor zover ze door de bevoegde autoriteit aangenomen zijn na advies van de administratie, en in overeenstemming met de bepalingen van de IPPC-publicatie "Reference Document on the General Principles of Monitoring", zoals uitgewerkt door de Europese Commissie (juli 2003).
Wanneer er binnen een verslagperiode een niveauwijziging plaatsvindt, moeten de resultaten voor de betreffende activiteit gedurende de desbetreffende delen van de verslagperiode worden berekend en gerapporteerd als afzonderlijke onderdelen van het jaarlijkse verslag aan de bevoegde autoriteit. Art. 10.De exploitant bezorgt de verificateur het verslag over de CO2-emissies overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het
decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
10/11/2004
pub.
02/12/2004
numac
2004203609
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1)
sluiten tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een "Fonds wallon Kyoto" en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto en de uitvoeringsbesluiten ervan. HOOFDSTUK V. - Opslag van informatie Art. 11.De exploitant documenteert en bewaart de gegevens inzake de bewaking van CO2-emissies afkomstig van de bronnen van de installaties en activiteiten vermeld in zijn vergunning.
Deze bewakingsgegevens moeten voldoende zijn om te zorgen dat het jaarlijkse emissieverslag dat de exploitant overlegt, kan worden geverifieerd.
Gegevens die niet tot het jaarlijkse emissieverslag behoren, behoeven niet te worden gerapporteerd of openbaar te worden gemaakt.
Om te zorgen dat de bepaling van emissies door de verificateur of een andere derde kan worden gereproduceerd, moet een exploitant die de methode van berekening toepast tot ten minste tien jaar na overlegging van het verslag voor elk verslagjaar de volgende documentatie bewaren : 1° de lijst van alle bewaakte bronnen;2° de activiteitsgegevens die zijn gebruikt voor alle berekeningen van emissies uit elke CO2- bron, ingedeeld naar proces en brandstoftype;3° documentatie die de juistheid aantoont van de keuze van de bewakingsmethodiek, en de bescheiden waarin de redenen van alle door de bevoegde autoriteit goedgekeurde tijdelijke en permanente wijzigingen van bewakingsmethodieken en niveaus worden gegeven;4° documentatie over de bewakingsmethodiek en over de resultaten van de ontwikkeling van specifieke emissiefactoren en biomassafracties van specifieke brandstoffen, alsmede oxidatie- of conversiefactoren, en de respectieve bewijzen van de vergunning;5° documentatie over het proces van de verzameling van activiteitsgegevens voor de installatie;6° de activiteitsgegevens, emissie-, oxidatie- of conversiefactoren die zijn overgelegd aan de bevoegde autoriteit voor het nationale toewijzingsplan, over de jaren voorafgaand aan de handelsregeling;7° documentatie over de verantwoordelijkheden in verband met de emissiebewaking;8° het jaarlijkse emissieverslag;9° alle overige informatie die de bevoegde overheid of de verificateur nuttig acht om het jaarlijkse emissieverslag te verifiëren. De volgende aanvullende informatie moet eveneens worden bewaard wanneer de methode van meting wordt toegepast : 1° documentatie die de juistheid van de keuze voor meting als bewakingsmethodiek aantoont;2° de gegevens die zijn gebruikt voor de onzekerheidsanalyse van CO2-emissies uit elke bron, ingedeeld naar procestype en brandstofsoort;3° een uitgebreide technische beschrijving van het systeem voor continue meting, met inbegrip van documenten inzake de goedkeuring door de bevoegde autoriteit;4° onbewerkte en gecombineerde gegevens van het systeem voor continue meting, met inbegrip van documentatie over wijzigingen die in de loop der tijd plaatsvinden en het logboek met vermeldingen over proeven, storingen, ijking, controlebeurten en onderhoud;5° documentatie over alle wijzigingen van het meetsysteem. HOOFDSTUK VI. - Kwaliteitsborging en kwaliteitsbeheersing Art. 12.§ 1. De exploitant moet een effectief gegevensbeheerssysteem opzetten, documenteren, uitvoeren en onderhouden om CO2-gasemissies te bewaken en daarover te rapporteren. Hij moet dit gegevensbeheerssysteem voor aanvang van de verslagperiode in bedrijf nemen, zodat alle gegevens worden geregistreerd en beheerd als voorbereiding op de verificatie. In het gegevensbeheerssysteem moet de informatie zoals genoemd in artikel 11 zijn opgenomen.
De vereiste procedures voor kwaliteitsborging en -beheersing mogen worden uitgevoerd in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) of van andere systemen voor milieubeheer, waaronder ISO 14001 : 1996 ("Milieuzorgsystemen - Eisen en richtlijnen voor gebruik").
Ze moeten zijn gericht op de procedures die nodig zijn voor de bewaking van en rapportage CO2 en op de toepassing van deze procedures in de installatie, en moeten onder andere de volgende aspecten omvatten : 1° identificatie van CO2-bronnen afkomstig van de installaties en activiteiten vermeld in zijn vergunning;2° de volgorde en wisselwerking van bewakings- en rapportageprocessen;3° verantwoordelijkheden en bevoegdheden;4° de gebruikte reken- of meetmethoden;5° de toegepaste meetapparatuur (indien van toepassing);6° rapportage en registers;7° interne evaluaties van zowel geregistreerde gegevens als het kwaliteitssysteem;8° correctieve en preventieve maatregelen. Wanneer een exploitant een proces wil uitbesteden en deze uitbesteding effect heeft op de procedures voor kwaliteitsborging en -beheersing, moet hij zorgen voor het beheer en de transparantie van die processen.
De maatregelen voor beheer en transparantie van uitbestede processen moeten in de procedures voor kwaliteitsborging en -beheersing zijn aangegeven.
De exploitant moet er zorg voor dragen dat desbetreffende meetapparatuur regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt geijkt, bijgesteld en gecontroleerd op grond van meetnormen die zijn afgeleid van internationale meetnormen. Bovendien moet de exploitant de geldigheid van de eerdere meetresultaten beoordelen en de uitkomst daarvan registreren wanneer is vastgesteld dat de apparatuur niet aan de eisen voldoet. Wanneer wordt vastgesteld dat de apparatuur niet aan de eisen voldoet, moet de exploitant onmiddellijk correctieve maatregelen nemen. De registratie van de uitkomsten van ijking en waarmerking moet worden bewaard.
Indien de exploitant werkt met een systeem voor continue emissiemeting, moet hij voldoen aan de voorschriften van EN 14181 ("Emissies van stationaire bronnen - Kwaliteitsborging van automatische meetsystemen") en van EN ISO 14956 : 2002 ("Luchtkwaliteit - Evaluatie van de geschiktheid van een meetmethode door vergelijking met een vereiste meetonzekerheid").
Ook is het toegestaan om metingen, evaluaties van gegevens, bewaking en rapportage toe te vertrouwen aan onafhankelijke erkende keuringslaboratoria. De keuringslaboratoria moeten dan zijn erkend op basis van EN ISO 17025 : 2000 ("Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria"). § 3. De exploitant moet zijn gegevensbeheer onderwerpen aan kwaliteitsborging en -beheer om omissies, onjuiste voorstellingen van zaken en fouten te voorkomen. Deze processen moeten worden ontwikkeld door de exploitant, uitgaande van de complexiteit van het gegevensbestand. Van deze kwaliteitsborgings- en kwaliteitsbeheersprocessen voor gegevensbeheer wordt een registratie aangelegd die aan de verificateur ter beschikking moet worden gesteld. HOOFDSTUK VII. - Slot- en overgangsbepalingen Art. 13.In de loop van de periode 2005-2007 moeten de exploitanten minstens de in bijlage II vermelde niveaus toepassen, tenzij dit technisch niet haalbaar is. Na de periode 2005-2007 moet de exploitant zijn bewakingsmethodiek wijzigen voor de volgende verslagperiodes, om permanent de hoogste methodeniveaus toe te passen met het oog op de bepaling van de variabelen die het voorwerp zijn van de afwijkingen bedoeld in bijlage II, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 5, derde lid. Art. 14.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 10 november 2005.
De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN
Bijlage I. - Algemene en specifieke richtsnoeren voor de bewaking van de emissies Hoofdstuk I. - Algemene richtsnoeren 1. Grenzen De bewaking van emissies omvat ook emissies die het gevolg zijn van regelmatige handelingen en afwijkende gebeurtenissen, inclusief opstarten, uitschakelen en noodsituaties, gedurende de verslagperiode. Alle emissies uit een installatie moeten worden toegewezen aan die installatie, ook als er warmte of elektriciteit naar andere installaties wordt afgevoerd. Emissies die samenhangen met de opwekking van warmte of elektriciteit die uit andere installaties wordt aangevoerd, mogen niet worden toegewezen aan de installatie waarin deze worden aangevoerd. 2. Bepaling van emissies 2.1. Berekening 2.1.1. Berekeningsformules De berekening van CO2-emissies moet zijn gebaseerd op de volgende formule : CO2-emissies = activiteitengegevens x emissiefactor x oxidatiefactor of op een alternatieve methode indien deze is gedefinieerd in de specifieke richtsnoeren.
De uitdrukkingen in deze formule worden als volgt voor verbrandingsemissies en procesemissies gespecificeerd.
Verbrandingsemissies : De activiteitsgegevens moeten op het brandstofverbruik zijn gebaseerd.
De gebruikte hoeveelheid brandstof wordt uitgedrukt in termen van energie-inhoud als TJ. De emissiefactor wordt uitgedrukt als tCO2/TJ. Bij benutting van energie oxideert niet alle in de brandstof aanwezige koolstof tot CO2. Deze onvolledige oxidatie wordt veroorzaakt door ondoelmatigheden in het verbrandingsproces waardoor een deel van de koolstof niet verbrandt of gedeeltelijk tot roet of as oxideert.
Koolstof die niet is geoxideerd, wordt weergegeven door middel van de oxidatiefactor, die als fractie moet worden uitgedrukt. Wanneer de oxidatiefactor in de emissiefactor wordt meegenomen, mag er geen afzonderlijke oxidatiefactor worden toegepast. De oxidatiefactor moet als percentage worden uitgedrukt. Dit resulteert in de volgende berekeningsformule : CO2 = emissies = brandstofverbruik [TJ] x emissiefactor [tCO2/TJ] x oxidatiefactor De berekening van verbrandingsemissies wordt nader gespecificeerd in de specifieke richtsnoeren Procesemissies : De activiteitsgegevens moeten zijn gebaseerd op materiaalverbruik, doorvoercapaciteit of productiecapaciteit en worden uitgedrukt als t of m3. De emissiefactor wordt uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/m3.
Koolstof in uitgangsmaterialen die tijdens het proces niet in CO2 wordt omgezet, wordt meegenomen in de conversiefactor die als fractie moet worden uitgedrukt. Wanneer een conversiefactor in de emissiefactor wordt meegenomen, mag er geen afzonderlijke conversiefactor worden toegepast. De gebruikte hoeveelheid uitgangsmateriaal wordt uitgedrukt in termen van massa of volume [t of m3]. Dit resulteert in de volgende berekeningsformule : CO2-emissie = activiteitsgegevens [t ou m3] x emissiefactor [tCO2/TJ] x oxidatiefactor De berekening van procesemissies wordt nader gespecificeerd in de specifieke richtsnoeren, waarbij soms specifieke referentiewaarden voor de factoren worden gegeven. 2.1.2. Overgedragen CO2 CO2 dat niet uit de installatie wordt uitgestoten maar uit de installatie wordt overgedragen als zuivere stof, als bestanddeel van brandstoffen of rechtstreeks wordt gebruikt als grondstof in de chemische industrie of voor de papierfabricage, moet in mindering worden gebracht op de berekende emissies. De desbetreffende hoeveelheid CO2 moet als post "PM" worden vermeld.
Uit de installatie overgedragen CO2 kan onder andere zijn : - uiver CO2 dat wordt gebruikt voor het carboneren van dranken; - uiver CO2 dat wordt gebruikt als droog ijs ten behoeve van koeling; - uiver CO2 dat wordt gebruikt als brandblusmiddel, koelmiddel of laboratoriumgas; - uiver CO2 dat wordt gebruikt voor het ontsmetten van granen; - uiver CO2 dat wordt gebruikt als oplosmiddel voor de voedselverwerkende of chemische industrie; - CO2 dat wordt gebruikt als grondstof in de chemische industrie of voor de fabricage van papierpulp (bv. voor ureum of carbonaten); - CO2 dat deel uitmaakt van een brandstof die uit die installatie wordt afgevoerd.
CO2 dat wordt overgebracht naar een installatie als bestanddeel van een gemengde brandstof (zoals hoogovengas of cokesovengas), moet worden meegeteld in de emissiefactor voor die brandstof. Daarbij moet het worden opgeteld bij de emissies van de installatie waarin de brandstof wordt verbrand, en in mindering worden gebracht voor de oorspronkelijke installatie. 2.1.3. Activiteitsgegevens Activiteitengegevens geven informatie over de materiaalstroom, het verbruik van brandstoffen en uitgangsmaterialen of de geproduceerde hoeveelheden uitgedrukt in termen van energie-inhoud [TJ] die is bepaald als calorische onderwaarde voor brandstoffen en in termen van massa of volume voor uitgangs- of eindmateriaal [t of m3].
Wanneer de activiteitsgegevens voor de berekening van procesemissies niet onmiddellijk voor het begin van het proces door meting kunnen worden bepaald en er in geen van de niveaus van de desbetreffende specifieke richtsnoeren specifieke eisen zijn genoemd, moeten de activiteitsgegevens worden bepaald door middel van een beoordeling van voorraadswijzigingen : Materiaal C = Materiaal P + (Materiaal S - Materiaal E) - Materiaal O Waarin : Materiaal C = materiaal verwerkt in de verslagperiode Materiaal P = materiaal aangekocht in de verslagperiode Materiaal S = materiaalvoorraad aan het begin van de verslagperiode Materiaal E = materiaalvoorraad aan het einde van de verslagperiode Materiaal O = materiaal gebruikt voor andere doeleinden (vervoer of wederverkoop).
In gevallen waarin het technisch niet haalbaar is of waarin het zou leiden tot buitensporig hoge kosten om de posten "materiaal S" en "materiaal E" te bepalen, bv. door meting, mag de exploitant deze twee hoeveelheden schatten op basis van gegevens van voorgaande jaren en door deze te correleren aan de geproduceerde hoeveelheden gedurende de verslagperiode. Vervolgens moet de exploitant deze schattingen bevestigen met behulp van gedocumenteerde berekeningen en bijbehorende jaarrekeningen. Geen der overige eisen ten aanzien van de niveaukeuze mag door deze bepaling worden aangetast. Zo moeten de posten "materiaal P" en "materiaal O" en de desbetreffende emissie- of oxidatiefactoren worden bepaald in overeenstemming met de specifieke richtsnoeren. 2.1.4. Emissiefactoren : Emissiefactoren zijn gebaseerd op het koolstofgehalte van brandstoffen van uitgangsmaterialen en worden uitgedrukt als tCO2/TJ (verbrandingsemissies), of als tCO2/t of tCO2/m3 (procesemissies).
Emissiefactoren en voorzieningen voor de ontwikkeling van specifieke emissiefactoren worden gegeven in de punten 4 en 6. Een exploitant mag een emissiefactor voor een brandstof gebruiken die is uitgedrukt als koolstofgehalte (tCO2/t) in plaats van als tCO2/TJ voor verbrandingsemissies mits hij de bevoegde autoriteit aantoont dat dit permanent een grotere nauwkeurigheid tot gevolg heeft. Desondanks moet de exploitant in dit geval periodiek de energie-inhoud bepalen om te voldoen aan de rapportageverplichting.
Voor de conversie van koolstof in de desbetreffende waarde voor CO2 moet de factor 3,667 [tCO2/t C] worden gebruikt.
Voor de meer nauwkeurige niveaus moeten specifieke factoren worden ontwikkeld, en wel in overeenstemming met punt 6. Voor de emissiefactoren van niveau 1 moeten er referentiewaarden worden toegepast, zoals genoemd in punt 4.
Biomassa wordt beschouwd als CO2-neutraal. Op biomassa moet een emissiefactor 0 [tCO2/TJ of t of m3] worden toegepast. Punt 5 bevat een lijst met voorbeelden van verschillende typen materialen die als biomassa zijn geaccepteerd.
Voor de emissiefactoren van fossiele afvalbrandstoffen (niet afkomstig uit de biomassa) worden in deze richtsnoeren geen referentiewaarden gegeven; daarom moeten specifieke emissiefactoren worden bepaald volgens de bepalingen van punt 6.
Voor brandstoffen of materialen die zowel fossiele koolstof als biomassakoolstof bevatten, moet een gewogen emissiefactor worden toegepast, die is gebaseerd op het aandeel van de fossiele koolstof in het totale koolstofgehalte van de brandstof. Deze berekening moet doorzichtig zijn en gedocumenteerd in overeenstemming met de regels en procedures van punt 6.
Alle relevante informatie inzake de toegepaste emissiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangs- en eindmaterialen, moet duidelijk worden geregistreerd. Meer gedetailleerde eisen worden gegeven in de richtsnoeren die aan specifieke activiteiten zijn gekoppeld. 2.1.5. Oxidatie-/conversiefactoren Wanneer het gedeelte van de koolstof dat niet oxideert, niet wordt weergegeven met een emissiefactor, moet er een aanvullende oxidatie-/conversiefactor worden toegepast.
Voor de meer nauwkeurige niveaus moeten specifieke factoren en bijbehorende regels en procedures worden ontwikkeld; daarom bevat punt 6 voorzieningen om deze factoren te kunnen bepalen.
Indien er in een installatie verschillende brandstoffen of materialen worden gebruikt en er specifieke oxidatiefactoren worden berekend, mag de exploitant één omvattende oxidatiefactor voor de activiteit bepalen en deze op alle brandstoffen of materialen toepassen, of aan één grote brandstof- of materiaalstroom onvolledige oxidatie toekennen en op de overige stromen een waarde 1 toepassen.
Alle relevante informatie inzake de toegepaste oxidatie-/conversiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangs- en eindmaterialen, moet duidelijk worden geregistreerd. 2.2. Meting Meetprocedures voor CO2-concentraties alsmede voor de massa- of volumestroom van rookgassen moeten worden uitgevoerd met behulp van relevante CEN-normen, zodra deze beschikbaar zijn. Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, gelden ISO-normen of nationale normen.
Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met ontwerp-normen of industriële richtsnoeren op grond van goede praktijken, voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie.
Wanneer het systeem voor continue emissiemeting is geïnstalleerd, moet het periodiek op goede werking en goede resultaten worden gecontroleerd volgens de frequentie opgelegd door de bevoegde overheid, met inbegrip van : 1° aanspreektijd, 2° lineariteit, 3° storingen, 4° nulpuntsverloop en meetbereikverloop, 5° nauwkeurigheid in vergelijking met een referentiemethode. De biomassafractie van gemeten CO2-emissies moet in mindering worden gebracht op basis van de rekenmethode en als post "PM" worden gerapporteerd. 3. Beoordeling van de onzekerheid De "toelaatbare onzekerheid" zoals bedoeld in deze richtsnoeren, moet worden uitgedrukt als 95 % betrouwbaarheidsgordel rondom de gemeten waarde. 3.1. Berekening De exploitant moet inzicht hebben in de effecten van onzekerheid op de algehele nauwkeurigheid van de door hem gerapporteerde emissiegegevens.
Wanneer de op berekening gebaseerde methode wordt toegepast zal de bevoegde autoriteit de combinatie van niveaus voor elke bron in een installatie hebben goedgekeurd evenals alle overige details van de bewakingsmethodiek voor die installatie zoals die in de vergunning voor de installatie zijn opgenomen. Daarbij heeft de bevoegde autoriteit de onzekerheid goedgekeurd die het rechtstreekse gevolg is van een correcte toepassing van de goedgekeurde bewakingsmethodiek.
De exploitant moet voor elke bron in een installatie en voor elke activiteit en relevante brandstof- of materiaalstroom de goedgekeurde combinatie van niveaus vermelden in zijn jaarlijkse emissieverslag aan de bevoegde autoriteit. Vermelding van de combinatie van niveaus in het emissieverslag geldt als rapportage van de onzekerheid. Daarom bestaat er, wanneer de op berekening gebaseerde methodiek wordt toegepast, geen verdere eis om de onzekerheid te rapporteren.
De toelaatbare onzekerheid die voor meetapparatuur binnen het niveausysteem is bepaald, moet bestaan uit de gespecificeerde onzekerheid van meetapparatuur, de met de ijking samenhangende onzekerheid en een eventuele extra onzekerheid door de wijze waarop de meetapparatuur in de praktijk wordt gebruikt. De gegeven drempelwaarden betreffen de onzekerheid over de waarde gedurende één verslagperiode.
De exploitant moet met behulp van de kwaliteitsborging en kwaliteitsbeheersing de resterende onzekerheden van de emissiegegevens in zijn emissieverslag beheersen en verminderen. 3.2. Meting Als de meting gebruikt wordt moet de exploitant de kwantitatieve uitkomsten van een meer omvattende onzekerheidsanalyse rapporteren, waarbij de volgende bronnen van onzekerheid in ogenschouw worden genomen : 1° Bij concentratiemetingen in het kader van de continue emissiemeting : a) de gespecificeerde onzekerheid van apparatuur voor continue meting;b) onzekerheden die met de ijking samenhangen;c) extra onzekerheid door de wijze waarop de bewakingsapparatuur in de praktijk wordt gebruikt.2° Bij massa- en volumemeting ter bepaling van de afgasstroom in het kader van de continue emissiebewaking en de bevestigende berekening : a) de gespecificeerde onzekerheid van meetapparatuur;b) onzekerheden die met de ijking samenhangen;c) extra onzekerheid door de wijze waarop de meetapparatuur in de praktijk wordt gebruikt.3° Bij de bepaling van de calorische waarden, emissie- en oxidatiefactoren of samenstellingsgegevens ten behoeve van de bevestigende berekening : a) de gespecificeerde onzekerheid door de methode die of het systeem dat voor de berekening wordt gebruikt;b) extra onzekerheid door de wijze waarop de meetapparatuur in de praktijk wordt gebruikt. Op basis van door de exploitant aangevoerde redenen kan de bevoegde autoriteit goedkeuren dat de exploitant voor bepaalde bronnen in een installatie een systeem voor continue emissiemeting toepast, evenals alle overige details van de bewakingsmethodiek voor die bronnen die in de vergunning voor de installatie zijn opgenomen. Daarbij heeft de bevoegde autoriteit de onzekerheid goedgekeurd die het rechtstreekse gevolg is van een correcte toepassing van de goedgekeurde bewakingsmethodiek.
De exploitant moet in zijn jaarlijkse emissieverslag aan de bevoegde autoriteit voor de relevante bronnen de onzekerheidswaarde vermelden die het resultaat is van deze initiële omvattende onzekerheidsanalyse tot het moment dat de bevoegde autoriteit de keuze voor meting boven berekening opnieuw beziet en verlangt dat de onzekerheidswaarde wordt herberekend. Vermelding van deze onzekerheidswaarde in het emissieverslag geldt als rapportage van de onzekerheid.
De exploitant moet met behulp van de kwaliteitsborging en kwaliteitsbeheersing de resterende onzekerheden van de emissiegegevens in zijn emissieverslag beheersen en verminderen. 4. Emissiefactoren : Dit punt bevat referentiewaarden van de emissiefactor voor niveau 1 die het gebruik van niet specifieke emissiefactoren voor de verbranding van brandstoffen toelaten.Wanneer een brandstof niet valt in een bestaande categorie brandstoffen, moet de exploitant de gebruikte brandstof op basis van eigen deskundigheid bij een verwante brandstofcategorie indelen, mits de bevoegde autoriteit hieraan de goedkeuring verleent.
Emissiefactoren voor fossiele brandstoffen - gerelateerd aan de calorische onderwaarde, zonder oxidatiefactoren Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 5. Lijst van CO2-neutrale biomassa Deze lijst met voorbeelden, die niet volledig is, bevat een aantal stoffen die voor de toepassing van deze richtsnoeren als biomassa worden beschouwd en moeten worden gewogen met een emissiefactor 0 [tCO2/TJ of t of m3].Turf en fossiele fracties van de hieronder genoemde materialen mogen niet als biomassa worden beschouwd. a) Planten en delen van planten, onder andere : - stro; - hooi en gras; - bladeren, hout, wortels, boomstronken, bast; - gewassen, bv. maïs en triticale. b) Biomassa-afval, producten en bijproducten, onder andere : - industrieel afvalhout (afval van houtbewerking en van de houtverwerkende industrie); - gebruikt hout (gebruikte producten van hout, houten bouwmaterialen) alsmede producten en bijproducten van de houtverwerking; - afvalstoffen op houtbasis uit de cellulose- en papierindustrie, bv. zwart afvalloog; - bosbouwafval; - diermeel, vismeel en meel van levensmiddelenresten, vet, olie en talg; - primaire reststoffen uit de levensmiddelen- en drankenindustrie; - dierlijke meststoffen; - plantenresten uit de landbouw; - zuiveringsslib; - biogas dat is ontstaan door vertering, vergisting of vergassing van biomassa; - havenslib en andere baggersoorten en sedimenten van waterbodems; - stortgas. c) Biomassafracties van gemengde materialen, onder andere : - de biomassafractie van wrakgoed uit het beheer van oppervlaktewater; - de biomassafractie van gemengde reststoffen van de levensmiddelen- en drankenindustrie; - de biomassafractie van samengestelde producten die hout bevatten; - de biomassafractie van textiele afvalstoffen; - de biomassafractie van papier, karton en bordpapier; - de biomassafractie van huishoudelijke en industriële afvalstoffen; - de biomassafractie van verwerkte huishoudelijke en industriële afvalstoffen. d) Brandstoffen waarvan de bestanddelen en tussenproducten geheel uit biomassa zijn bereid, onder andere : - bio-ethanol; - biodiesel; - veretherde bioethanol; - biomethanol; - biodimethylether; - bio-olie (brandstof uit pyrolyseolie) en biogas. 6. Bepaling van specifieke gegevens en factoren 6.1 Bepaling van calorische onderwaarde en emissiefactoren van brandstoffen De procedure om de emissiefactor voor een bepaald brandstoftype te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringprocedure, moet met de bevoegde autoriteit worden overeengekomen voor aanvang van de verslagperiode waarin die procedure zal worden toegepast.
De bemonstering van de brandstof en bepaling van de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte en de emissiefactor ervan, moeten zijn gebaseerd op relevante CEN-normen (zoals frequentie en procedure van bemonstering alsmede de bepaling van de calorische boven- en onderwaarde en van de koolstofgehaltes van de verschillende brandstoftypen) moeten worden uitgevoerd met behulp van relevante CEN-normen, zodra deze beschikbaar zijn. Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, gelden ISO-normen of nationale normen. Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met ontwerp-normen of industriële richtsnoeren op grond van goede praktijken voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie..
De exploitant moet op elk ogenblik de geldigheid van de analyses kunnen tonen die de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde bepalen. Desgevallend kunnen vergelijkende studies bij een laboratorium erkend volgens EN ISO 17025 (Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria) worden vereist op kosten van de exploitant als het laboratorium dat gewoonlijk belast is met het bepalen van deze variabelen niet over een dergelijke erkenning beschikt.
De exploitant moet op elk ogenblik de geldigheid van de analyses kunnen tonen die de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde bepalen. Desgevallend kunnen vergelijkende studies bij een laboratorium erkend volgens EN ISO 17025 (Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria) worden vereist op kosten van de exploitant als het laboratorium dat gewoonlijk belast is met het bepalen van deze variabelen niet over een dergelijke erkenning beschikt.
De frequentie van bemonstering en de bereiding van het monster hangen grotendeels af van de toestand en de homogeniteit van de brandstof en/of het materiaal. Zo zal voor zeer heterogene materialen, zoals huishoudelijke vaste afvalstoffen, het benodigde aantal monsters groter moeten zijn, terwijl er minder monsters nodig zijn voor de meeste commerciële gasvormige of vloeibare brandstoffen.
De bepaling van het koolstofgehalte, de calorische onderwaarde en de emissiefactoren voor partijen brandstof moet plaatsvinden volgens algemeen geaccepteerde praktijken voor representatieve monsterneming en voor zover ze door de bevoegde overheid aanvaard worden na advies van de administratie. De exploitant moet aantonen dat het koolstofgehalte, de calorische waarde en de emissiefactoren die zijn verkregen, representatief en onvertekend zijn.
De gevonden emissiefactor geldt alleen als representatief voor die partij brandstof waarvoor deze was bepaald en mag alleen voor die partij worden gebruikt.
De volledige documentatie over de procedures die het desbetreffende laboratorium voor de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde heeft gevolgd en de volledige uitkomsten moeten worden bewaard en beschikbaar worden gesteld aan de verificateur van het emissieverslag. 6.2. Bepaling van specifieke oxidatiefactoren De procedure om de oxidatiefactor voor een bepaald brandstoftype en een bepaalde installatie te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringprocedure, moet met de bevoegde autoriteit worden overeengekomen voor aanvang van de verslagperiode waarin die procedure zal worden toegepast.
De gevolgde procedures om oxidatiefactoren te bepalen die voor een specifieke activiteit representatief zijn (bv. via het koolstofgehalte van roet, as, afvalwater en andere afvalstoffen of bijproducten), moeten zijn gebaseerd op relevante CEN-normen, zodra deze beschikbaar zijn. Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, gelden ISO-normen of nationale normen. Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met ontwerp-normen of industriële richtsnoeren op grond van goede praktijken voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie.
De exploitant moet op elk ogenblik de geldigheid van de analyses kunnen tonen die de oxidatiefactor of de basisgegevens bepalen.
Desgevallend kunnen vergelijkende studies bij een laboratorium erkend volgens EN ISO 17025 (Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria) worden vereist op kosten van de exploitant als het laboratorium dat gewoonlijk belast is met het bepalen van deze variabelen niet over een dergelijke erkenning beschikt.
De bepaling van specifieke oxidatiefactoren voor partijen materiaal moet plaatsvinden volgens algemeen geaccepteerde praktijken voor representatieve monsterneming, en voor zover zij door de bevoegde overheid aanvaard worden na advies van de administratie. De exploitant moet aantonen dat de verkregen oxidatiefactoren representatief en onvertekend zijn.
De volledige documentatie over de procedures die het desbetreffende laboratorium voor de bepaling van de oxidatiefactor heeft gevolgd en de volledige reeks uikomsten moeten worden bewaard en ter beschikking worden gesteld van de verificateur van het emissieverslag. 6.3. Bepaling van procesemissiefactoren en samenstellingsgegevens De procedure om de emissiefactor voor een bepaald materiaaltype te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringprocedure, moet met de bevoegde autoriteit worden overeengekomen voor aanvang van de verslagperiode waarin die procedure zal worden toegepast.
De procedures die worden toegepast voor bemonstering en ter bepaling van de samenstelling van het desbetreffende materiaal of van een procesemissiefactor, moeten zijn gebaseerd op relevante CEN-normen, zodra deze beschikbaar zijn. Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, gelden ISO-normen of nationale normen. Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met ontwerp-normen of industriële richtsnoeren op grond van goede praktijken voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie.
De exploitant moet op elk ogenblik de geldigheid van de analyses kunnen tonen die de emissiefactor of de samenstelling bepalen.
Desgevallend kunnen vergelijkende studies bij een laboratorium erkend volgens EN ISO 17025 (Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria) worden vereist op kosten van de exploitant als het laboratorium dat gewoonlijk belast is met het bepalen van deze variabelen niet over een dergelijke erkenning beschikt.
De bepaling van de procesemissiefactoren en samenstellingsgegevens voor partijen materiaal moet plaatsvinden volgens algemeen geaccepteerde praktijken voor representatieve bemonstering en voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie. De exploitant moet aantonen dat de verkregen procesemissiefactor of samenstellingsgegevens representatief en onvertekend zijn.
De gevonden waarde geldt alleen als representatief voor die partij materiaal waarvoor deze was bepaald en mag alleen voor die partij worden gebruikt.
De volledige documentatie over de procedure die het laboratorium voor de bepaling van de emissiefactor of samenstellingsgegevens heeft gevolgd en de volledige reeks uitkomsten moeten worden bewaard en beschikbaar worden gesteld aan de verificateur van het emissieverslag. 6.4. Bepaling van de biomassafractie De term "biomassafractie" zoals gebruikt in deze richtsnoeren, heeft betrekking op het percentage brandbaar biomassakoolstof volgens de definitie van biomassa in de totale massa koolstof in een brandstofmengsel.
De procedure om de biomassafractie van een bepaald brandstoftype te bepalen, met inbegrip van de bemonsteringsprocedure, moet met de bevoegde autoriteit worden overeengekomen voor aanvang van de verslagperiode waarin die procedure zal worden toegepast.
De procedures die worden toegepast voor bemonstering van de brandstof en ter bepaling van de biomassafractie moeten zijn gebaseerd op relevante CEN-normen, zodra deze beschikbaar zijn. Indien er geen CEN-normen beschikbaar zijn, gelden ISO-normen of nationale normen.
Indien er geen toepasbare normen bestaan, kunnen procedures worden uitgevoerd die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met ontwerp-normen of industriële richtsnoeren, op grond van goede praktijken en voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie.
De methoden die kunnen worden toegepast om de biomassafractie in een brandstof te bepalen, kunnen uiteenlopen van het met de hand sorteren van de bestanddelen van gemengde materialen, tot differentiemethoden om de calorische waarde van een binair mengsel en de twee zuivere componenten ervan te bepalen, tot een isotopenanalyse met behulp van de C-14-methode, afhankelijk van de aard van het desbetreffende brandstofmengsel.
De exploitant moet op elk ogenblik de geldigheid van de analyses kunnen tonen die de biomassafractie bepalen. Desgevallend kunnen vergelijkende studies bij een laboratorium erkend volgens EN ISO 17025 (Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria) worden vereist op kosten van de exploitant als het laboratorium dat gewoonlijk belast is met het bepalen van deze variabel niet over een dergelijke erkenning beschikt.
De bepaling van de biomassafractie voor partijen materiaal moet plaatsvinden volgens algemeen geaccepteerde praktijken voor representatieve bemonstering en voor zover zij door de bevoegde overheid worden aanvaard na advies van de administratie. De exploitant moet aantonen dat de verkregen waarden representatief en onvertekend zijn.
De gevonden waarde geldt alleen als representatief voor die partij materiaal waarvoor deze was bepaald en mag alleen voor die partij worden gebruikt.
De volledige documentatie over de procedures die het desbetreffende laboratorium voor de bepaling van de biomassafractie heeft gevolgd en de volledige reeks uitkomsten moeten worden bewaard en beschikbaar worden gesteld aan de verificateur van het emissieverslag.
Wanneer de bepaling van de biomassafractie in een gemengde brandstof technisch niet haalbaar is of tot buitensporig hoge kosten zou leiden, moet de exploitant uitgaan van een aandeel van de biomassa van 0 % (waarbij alle koolstof in die bewuste brandstof geheel van fossiele oorsprong is) of een ramingsmethode voorstellen die aan de bevoegde autoriteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Hoofdstuk II. - Specifieke richtsnoeren 1. Richtsnoeren betreffende de emissies van verbrandingsactiviteiten 1.1. Inleiding De hiernavermelde specifieke richtsnoeren moeten worden toegepast voor het bewaken van CO2-emissies uit verbrandingsinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke stoffen of stadsafval), zoals genoemd in artikel I van dit besluit, en voor het bewaken van verbrandingsemissies van andere activiteiten zoals genoemd in ditzelfde artikel en in de hiernavermelde punten.
De bewaking van CO2 emissies van een verbrandingsproces omvat de emissies vanuit de verbranding van alle brandstoffen in de installatie alsmede de emissies vanuit gasreinigingsprocessen, zoals voor de verwijdering van CO2- emissies uit verbrandingsmotoren voor vervoersdoeleinden worden niet bewaakt en gerapporteerd. Alle broeikasgasemissies uit de verbranding van brandstoffen in de installatie moeten worden toegewezen aan de installatie, zonder rekening te houden met de afvoer van warmte of elektriciteit naar andere installaties. Emissies die samenhangen met de opwekking van warmte of elektriciteit die afkomstig is van andere installaties, mogen niet aan de ontvangende installatie worden toegewezen. 1.2. Bepaling vanCO2-emissies Bronnen van CO2-emissies van verbrandingsinstallaties en -processen zijn onder andere : - verwarmingsketels - branders - turbines - bakovens - verwarmingstoestellen - smeltovens - verbrandingsovens - keramiekovens - drogers - motoren - fakkels - gasreinigers (procesemissies) - alle andere toestellen of machines die brandstof verbruiken, met uitzondering van toestellen of machines met verbrandingsmotor voor vervoersdoeleinden. 1.2.1. Berekening van CO2-emissies 1.2.1.1. Verbrandingsemissies 1.2.1.1.1. Algemene verbrandingsactiviteiten CO2-emissies vanuit verbrandingsprocessen moeten worden berekend door de energie-inhoud van elke gebruikte brandstof te vermenigvuldigen met een emissiefactor en een oxidatiefactor. Voor elke brandstof en voor elke activiteit moet de volgende berekening worden uitgevoerd : CO2 = emissies = activiteitengegevens x emissiefactor x oxidatiefactor Waarin : a) Activiteitsgegevens : De activiteitsgegevens worden uitgedrukt als de netto-energie-inhoud van de in de verslagperiode verbruikte brandstof [TJ].De energie-inhoud van het brandstofverbruik moet worden berekend met behulp van de volgende formule : Energie-inhoud van het brandstofverbruik [TJ] = verbruikte brandstof [t of m3] x calorische onderwaarde van de brandstof [TJ/t ou TJ/m3] waarin : a1) Verbruikte brandstof : Niveau 1 Het brandstofverbruik wordt zonder tussenopslag voor de verbranding in de installatie gemeten, wat een maximale toelaatbare meetonzekerheid oplevert van minder dan + 7,5 %. Niveau 2a Het brandstofverbruik wordt zonder tussenopslag voor de verbranding in de installatie gemeten waarbij meetinrichtingen worden toegepast met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 5,0 %.
Niveau 2b Aangekochte brandstoffen worden gemeten met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 4,5 %. Het brandstofverbruik wordt berekend met behulp van de massabalansmethode op basis van de hoeveelheid aangekochte brandstoffen en het verschil met de hoeveelheid die gedurende een periode in voorraad is, met behulp van de volgende formule : Brandstof C = brandstof P + (brandstof S - brandstof E) - brandstof O Waarin : Brandstof C = Brandstof verbruikt in de verslagperiode Brandstof P = Brandstof aangekocht in de verslagperiode Brandstof S = Brandstofvoorraad aan het begin van de verslagperiode Brandstof E = Brandstofvoorraad aan het einde van de verslagperiode Brandstof O = Brandstof gebruikt voor andere doeleinden (vervoer of wederverkoop).
Niveau 3a Het brandstofverbruik wordt zonder tussenopslag voor de verbranding in de installatie gemeten met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %.
Niveau 3b Aangekochte brandstoffen worden gemeten met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,0 %. Het brandstofverbruik wordt berekend met behulp van de massabalansmethode op basis van de hoeveelheid aangekochte brandstoffen en het verschil met de hoeveelheid die gedurende een periode in voorraad is, met behulp van de volgende formule : Brandstof C = brandstof P + (brandstof S - brandstof E) - brandstof O waarin : Brandstof C = Brandstof verbruikt in de verslagperiode Brandstof P = Brandstof aangekocht in de verslagperiode Brandstof S = Brandstofvoorraad aan het begin van de verslagperiode Brandstof E = Brandstofvoorraad aan het einde van de verslagperiode Brandstof O = Brandstof gebruikt voor andere doeleinden (vervoer of wederverkoop).
Niveau 4a Het brandstofverbruik wordt zonder tussenopslag voor de verbranding in de installatie gemeten met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 1,5 %.
Niveau 4b Aangekochte brandstoffen worden gemeten met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 1 %. Het brandstofverbruik wordt berekend met behulp van de massabalansmethode op basis van de hoeveelheid aangekochte brandstoffen en het verschil met de hoeveelheid die gedurende een periode in voorraad is, met behulp van de volgende formule : Brandstof C = brandstof P + (brandstof S - brandstof E) - brandstof O waarin : Brandstof C = Brandstof verbruikt in de verslagperiode Brandstof P = Brandstof aangekocht in de verslagperiode Brandstof S = Brandstofvoorraad aan het begin van de verslagperiode Brandstof E = Brandstofvoorra …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.