📄 Wettekst
GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD
24 DECEMBER 2021. - Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan
Memorie van toelichting De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad is krachtens artikel 5, § 1, I, 8° van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen bevoegd voor de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals alle initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg. De strijd tegen doping is een van die preventieve activiteiten.
Deze bevoegdheid wordt momenteel uitgevoerd door de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan die het voorwerp is van deze wijziging (hierna `de ordonnantie') en door het daarbij horende uitvoeringsbesluit van 10 maart 2016. Meerdere ministeriële besluiten vervolledigen het juridische arsenaal.
De strijd tegen doping kan door de aard ervan niet worden uitgevoerd door een overheid, onafhankelijk van de andere bevoegde Belgische overheden. Daarom, en om de coördinatie tussen de vier overheden optimaal te omkaderen, werd een samenwerkingsakkoord gesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende dopingpreventie en -bestrijding in de sport.
Op 7 mei 2021 werd een nieuw samenwerkingsakkoord ondertekend.
Die teksten vertalen de principes en procedures die beschreven staan in de Wereldantidopingcode (hierna "de Code") die is aangenomen door het Wereldantidopingagentschap (hierna "het WADA").
De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie verbond zich ertoe de principes van die Code na te leven door op 21 februari 2008 in te stemmen met de Internationale Conventie tegen het dopinggebruik in de sport die op 19 oktober 2005 werd aangenomen in Parijs onder auspiciën van UNESCO. Het WADA keurde op 7 november 2019 een nieuwe versie van zijn Code goed tijdens de Wereldconferentie in Katowice.
Voor deze nieuwe tekst werden de overheidsinstanties en de sportwereld uitgebreid geraadpleegd. De Code treedt in werking op 1 januari 2021.
Naast de Code wijzigde het WADA ook de Internationale Standaarden. Dit zijn teksten die specifieke thema's van de Code verduidelijken, zoals educatie of controles en onderzoeken. Die Internationale Standaarden moeten worden gezien als het verlengstuk van de Code zelf.
De wijzigingen in de Code en de Internationale Standaarden liggen in de lijn van de continuïteit en de evolutie van de wereldwijde strijd tegen doping. Deze wijzigingen bieden ook een antwoord op de vele uitdagingen waarmee de antidopinggemeenschap te kampen kreeg na de onthulling van enkele gevallen van georganiseerde doping en de gevolgen ervan (zoals de invoering van beschermingsmaatregelen voor personen die informatie willen onthullen).
Het doel van dit ontwerp is tweeledig: de in november 2019 goedgekeurde wijzigingen opnemen in de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 en de ordonnantie aanpassen aan de werkelijkheid op het terrein. Sinds de inwerkingtreding van voornoemde ordonnantie in 2016 heeft de administratie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, hierna "NADO", zich volop ontwikkeld. De sedertdien verrichte activiteiten maakten het mogelijk om te zien waar de ordonnantie moest aangepast worden voor een betere afstemming op de dagelijkse praktijk.
Overeenkomstig artikel 3, § 1, derde lid, 4°, van het bovengenoemde samenwerkingsakkoord van 9 december 2011 werd het ontwerp ook aan de vertegenwoordigers van de andere bevoegde deelentiteiten meegedeeld.
Dit zijn de voornaamste wijzigingen die dit ontwerp aanbrengt in de ordonnantie van 21 juni 2012: 1. De Code wijzigt een reeks eerdere definities en voegt er nieuwe in die in de ordonnantie moeten worden omgezet, zoals het begrip "beschermde persoon" of "recreatiesporter". Bovendien werden de definities van de categorieën van elitesporters gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen aangebracht in het voornoemde samenwerkingsakkoord van 9 december 2011. 2. De Code legt de opmaak en publicatie van een educatieplan op.Dit ontwerp vertrouwt deze taak toe aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, die reeds bevoegd is voor het educatie- en preventiebeleid ter zake. 3. De definitie van doping wordt verduidelijkt, maar ook uitgebreid.4. Er worden aanpassingen aangebracht in de bepaling die betrekking heeft op de bewijslast.5. De ordonnantie werd herzien in het licht van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de
wet van 30 juli 2018Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/2018
pub.
05/09/2018
numac
2018040581
bron
federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst binnenlandse zaken en ministerie van landsverdediging
30 JULI 2018 - Wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens
sluiten betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.6. Overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 7 mei 2021 tot wijziging van het voornoemde samenwerkingsakkoord van 9 december 2011 worden de categorieën van elitesporters en bepaalde opnemingscriteria gewijzigd.7. Tot slot werden verschillende elementen uit de tuchtprocedure in de ordonnantie ingevoegd.Dit behelst onder meer de oprichting van een tuchtinstantie voor sporters en andere personen die niet bij een Belgische federatie zijn aangesloten. De sancties en de eventuele verschonings- en verzwaringsgronden werden ook verduidelijkt.
In sommige opzichten breidt het ontwerp van ordonnantie de verplichtingen van de elitesporters uit, met name door de categorieën van elitesporters te wijzigen, maar in andere opzichten genieten de sporters meer bescherming. Daarbij denken we met name aan de invoeging in de Code van het begrip "beschermde persoon" en de uitbreiding van het begrip "dopingfeit", door in de Code een sanctie in te voeren tegen iedereen die de onthulling van informatie belemmert of probeert te belemmeren.
Commentaar bij de artikelen Artikel 1.
Dit artikel behoeft geen commentaar.
Art.2 Overeenkomstig de Code in zijn herziene versie van 2021 werden bepaalde definities verfijnd of gewijzigd.
Dat is met name het geval voor de definitie van "binnen wedstrijdverband" (41° van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012). De behoefte aan een universeel aanvaarde definitie ligt aan de basis van deze wijziging om: -te komen tot een grotere harmonisatie tussen de sporters in alle sportdisciplines; - de verwarring bij de sporters rond het toegepaste tijdsinterval bij de controles binnen wedstrijdverband weg te nemen of te verminderen; - onbedoeld verkregen afwijkende analyseresultaten te vermijden tussen verschillende wedstrijden tijdens eenzelfde evenement; - potentiële prestatiebevorderende voordelen verkregen dankzij de uitbreiding van de periode binnen wedstrijdverband van verboden stoffen die gebruikt werden buiten wedstrijdverband, te helpen voorkomen.
Dat is ook het geval voor de definitie van "specifieke stof of methode" die niet kan worden beschouwd als betrekking hebbende op minder belangrijke of gevaarlijke stoffen of methodes, maar als stoffen of methodes waarvan het waarschijnlijker is dat ze door sporters zijn geconsumeerd of gebruikt voor andere doeleinden dan het bevorderen van de sportprestaties.
Andere definities werden nieuw ingevoegd, namelijk de begrippen recreatiesporter (7° ), minderjarige (20° ), beschermde persoon (21° ), beslissingsgrens (22° ), minimaal rapporteringsniveau (23° ), misbruikstoffen (24° ) en antidopingactiviteiten (25° ).
De begrippen recreatiesporter, minderjarige en beschermde persoon werden in de Code 2021 opgenomen met het oog op meer soepelheid, met name met betrekking tot het sanctie- en bewijslastsysteem, als ze de antidopingregels overtreden. Deze maatregelen zijn dwingender en bieden de sporters een betere bescherming.
Naast de wijzigingen die voortvloeien uit de Code werden er ook wijzigingen aangebracht in de definities van elitesporters van categorie B en C, overeenkomstig de in het voornoemde samenwerkingsakkoord van 9 december 2011 aangebrachte wijzigingen. Op grond van deze wijzigingen werden de categorieën van elitesporters vereenvoudigd en herleid tot drie in plaats van vier categorieën.
Overeenkomstig advies 70.010/1/V van 21 september 2021 van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd artikel 2, 6° gewijzigd om het statische karakter van de verwijzingen naar de Code en zijn Internationale Standaarden van 2021 duidelijker te maken (overwegingen 5.1 tot 5.4).
In datzelfde advies is de afdeling wetgeving van oordeel dat de delegaties aan het Wereldantidopingagentschap waarin de ordonnantie voorziet, moeten worden weggelaten omdat zij niet beperkt zijn en een politiek karakter lijken te hebben (overweging 6).
Het advies wordt niet gevolgd op dat punt: enerzijds zijn de delegaties aan het WADA limitatief opgesomd en zijn zij in overeenstemming met de Code en zijn Standaarden; het is niet mogelijk ervan af te wijken. Anderzijds is er geen sprake van een politiek karakter bij het WADA, noch bij de bedoelde delegaties.
Ten slotte werd de definitie van "specifieke stof of methode" gewijzigd overeenkomstig het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Dat voorstel wijzigt de inhoud van de definitie niet, maar maakt ze wel duidelijker (overweging 8).
Art.3 Dit artikel integreert in artikel 4 van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 een bijkomende verplichting voor de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Ze moet een educatieplan opmaken dat, indien wenselijk, gepubliceerd moet worden overeenkomstig artikel 18.2 van de Code en de Internationale Standaard voor educatie.
Educatieprogramma's zijn essentieel om de harmonisatie, coördinatie en doeltreffendheid van antidopingprogramma's te waarborgen op nationaal en internationaal niveau. Ze zijn bedoeld om de sportiviteit te handhaven en de gezondheid van de sporters en hun recht om te wedijveren op voet van gelijkheid te beschermen, zoals beschreven in de inleiding van de Code.
Deze programma's moeten sensibiliseren, nauwkeurige informatie verschaffen en het beslissingsvermogen ontwikkelen zodat opzettelijke of onopzettelijke overtredingen van de antidopingregels en de andere regels van de Code kunnen worden vermeden.
Art.4 In deze bepaling werden twee wijzigingen aangebracht. Ten eerste werden de woorden "worden met name onderworpen" ingevoegd. Deze bepaling kon immers worden gelezen als een beperking van het in artikel 3 van de ordonnantie bedoelde toepassingsgebied ratione personae. Dit maakt het ook mogelijk het door de Code 2021 uitgebreide toepassingsgebied te bestrijken.
Ten tweede, uit de ordonnantie en haar besluit kan wel worden afgeleid dat ze van toepassing zijn op controleartsen en chaperons, maar op verzoek van het Wereldantidopingagentschap werden die twee categorieën van personen toegevoegd.
Hoewel niet specifiek vermeld in artikel 4 is ook het personeel van de Diensten van het Verenigd College dat voor de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie werkt aan deze ordonnantie onderworpen, op basis van artikel 24 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Dat bepaalt: "De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen. Zij dienen daartoe: 1° de van kracht zijnde wetten, ordonnanties en reglementeringen alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe zij behoren na te leven;2° nauwgezet en correct hun adviezen te formuleren en hun verslagen op te stellen; 3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren." Op grond van artikel 6, 2°, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 tot vaststelling van de administratieve toestand en de individuele geldelijke rechten van de contractuele personeelsleden van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, is bovengenoemd artikel 24 ook van toepassing op contractuele personeelsleden.
In haar advies nr. 96/2021 van 14 juni 2021 verwijst de Gegevensbeschermingsautoriteit naar haar advies nr. 186/2019 (punt 11 tot en met 15) en advies nr. 94/2020 (punt 7 tot en met 11) over het statuut van recreatiesporters.
De Gegevensbeschermingsautoriteit is van oordeel dat de omzetting van de bepalingen van de Wereldantidopingcode niet vereist dat NADO's de sporters die niet aan competities deelnemen, in het bevoegdheidsgebied rationae personae opnemen. Volgens haar lijkt een dergelijke opneming momenteel disproportioneel. Zij verduidelijkt dat het hier gaat om een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven. Ze is eveneens van mening dat in de definitie van "recreatiesporter" expliciet moet worden verwezen naar breedtesporters die deelnemen aan wedstrijden.
Een breedtesporter wordt gedefinieerd als "elke sporter die geen elitesporter is". Een recreatiesporter wordt gedefinieerd als "elke breedtesporter die in de in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan een overtreding van de antidopingregels, geen elitesporter van internationaal of nationaal niveau was, geen land vertegenwoordigd heeft bij een internationaal evenement zonder categoriebeperking of niet toegevoegd was aan een geregistreerde doelgroep, een nationale doelgroep of elke andere geregistreerde doelgroep onderworpen aan verplichtingen op het vlak van verblijfsgegevens opgelegd door een internationale federatie of een NADO." In tegenstelling tot wat de Gegevensbeschermingsautoriteit lijkt te besluiten, houdt de organisatie van dopingcontroles bij recreatie- of breedtesporters niet in dat deze sporters vooraf in de doelgroep van de NADO moeten zijn opgenomen.
Deze controles worden met name bij kleinere evenementen of in sportzalen georganiseerd. Uit de praktijk, maar ook uit talrijke studies blijkt immers dat dopinggebruik niet beperkt is tot de hoogste niveaus. Zo is gebleken dat ook breedtesporters of recreatiesporters doping kunnen gebruiken, of het nu gaat om leden van sportzalen of deelnemers van amateurwedstrijden.
Deze vaststellingen werden ook gedaan door de leden van de Verenigde Vergadering bij de vorige wijziging van de ordonnantie van 21 juni 2012 .
Het testen van breedtesporters of recreatiesporters is ongetwijfeld een belangrijk onderdeel van de strijd tegen doping dat de volksgezondheid in het algemeen bevordert.
Gelet op wat voorafgaat, zal het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet gevolgd worden en zullen breedte- en recreatiesporters binnen het toepassingsgebied rationae personae van de ordonnantie blijven, zowel wat de controlebevoegdheid als de educatieve bevoegdheid van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft.
Art. 5 Artikel 5, § 1 Dit artikel integreert in artikel 8 verschillende wijzigingen die werden aangebracht in artikel 2 van de Wereldantidopingcode en verband houden met feiten die een dopingfeit kunnen uitmaken.
Zo wordt verduidelijkt dat feiten die een dopingfeit uitmaken niet enkel door een sporter, maar ook door elke andere persoon kunnen worden gepleegd.
Daarnaast werden de voorwaarden voor een verboden samenwerking verfijnd (art. 5, 8°, van deze ordonnantie). Kan met name worden beschouwd als een verboden samenwerking: - trainings-, strategisch, technisch en voedingsadvies inwinnen; - op medisch vlak een therapie, behandeling of voorschrift krijgen; - monsters van het lichaam verstrekken voor analyse; - toestaan dat een begeleider van de sporter optreedt als agent of vertegenwoordiger.
De verboden samenwerking houdt niet noodzakelijk enige vorm van vergoeding in.
Tot slot voegt artikel 5, 9° van deze ordonnantie een 11° toe aan artikel 8, § 1, van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012. Dit punt heeft betrekking op de handelingen die worden gesteld om wat men doorgaans "klokkenluiders" noemt te ontmoedigen en op de handelingen die worden gesteld als represaille voor die meldingen.
Deze bepaling wil iedereen beschermen die te goeder trouw dopinghandelingen aan de kaak stelt. Het is dus niet de bedoeling mensen te beschermen die bewust valse meldingen doen.
Volgens deze bepaling handelt een persoon niet te goeder trouw wanneer hij een feit meldt waarvan hij weet dat het fout is. Het melden van een feit dat gevolgen zou hebben voor een concurrent is nog steeds te goeder trouw als het feit bewezen is.
Onder represailles wordt met name verstaan de acties die een bedreiging vormen voor het fysieke of mentale welzijn en de economische belangen van de personen die tot de melding overgaan, hun familie of partners.
Artikel 5, § 2 De toepassingsvoorwaarden van artikel 8, § 2, van de ordonnantie die betrekking hebben op de samenwerking werden versoepeld. Sinds die bepaling in de Code 2015 werd opgenomen, werden op deze basis immers weinig overtredingen van de antidopingregels vastgesteld. Volgens verschillende antidopingorganisaties die het WADA voor de wijziging van de Code 2021 raadpleegde, is dit toe te schrijven aan de toepassingsvoorwaarden van de bepaling en meer in het bijzonder aan de verplichte kennisgeving aan de atleet van de mogelijke verboden samenwerking. Naar aanleiding hiervan heeft het WADA in de Code 2021 de verplichting van voorafgaande kennisgeving afgeschaft en in de plaats een verplichting ingevoegd voor de antidopingorganisaties om vast te stellen dat de atleet de diskwalificerende status kende van de persoon waarmee hij interageerde. Hoewel niet langer vereist zou deze kennisgeving een belangrijk bewijs vormen om vast te stellen dat de sporter of de andere persoon de diskwalificerende status van de begeleider kende.
Art. 6 Dit artikel brengt verschillende wijzigingen in de regels inzake de bewijslast in tuchtprocedures. Zo wordt een verschuiving van de bewijslast ingevoegd van de sporter naar de antidopingorganisatie wanneer die laatste op bepaalde punten afweek van de regels van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken en de Internationale Standaard voor resultatenbeheer.
Er wordt ook een wijziging aangebracht in artikel 8/1, § 3, eerste lid, 3°, in die zin dat het voortaan toegestaan is het door de sporter verstrekte monster op te delen in twee monsters, monster A en monster B. Deze opdeling van de monsters wordt gebruikt voor de oorspronkelijke analyse, maar ook voor de bevestigingsanalyse. Nadere informatie over de opdeling van de monsters vindt men terug in de Internationale Standaard voor laboratoria.
Art. 7 Op grond van artikel 4.4 van de Code opent de weigering van een NADO om toestemming voor gebruik wegens therapeutische doeleinden te verlenen een recht voor de sporter om beroep aan te tekenen bij de beroepsinstantie bedoeld in artikel 13.2.2 van de Code, dat bepaalt: "In de gevallen waarin artikel 13.2.1 niet van toepassing is, kan tegen de beslissing beroep worden aangetekend bij een beroepsinstantie in overeenstemming met de door de nationale antidopingorganisatie vastgelegde regels. Bij dergelijke beroepsprocedures worden de volgende principes in acht genomen: ? hoorzitting binnen een redelijke termijn; ? een hoorinstantie die billijk, onpartijdig en onafhankelijk is op operationeel vlak en onafhankelijk op het institutionele vlak; ? de persoon heeft het recht om vertegenwoordigd of bijgestaan te worden door een rechtskundige adviseur op zijn of haar eigen kosten; en ? heeft recht op een gemotiveerde en schriftelijke beslissing binnen een redelijke termijn.
Als geen enkele zoals hierboven beschreven instantie voorhanden of beschikbaar is op het moment waarop het beroep wordt ingesteld, heeft de sporter of de andere persoon het recht om beroep aan te tekenen bij het CAS." In het systeem dat van kracht is op het moment van de wijziging van de tekst kan de sporter bij dezelfde Commissie voor de toestemming wegens therapeutische noodzaak een beroep instellen tegen de beslissing van weigering, maar dan bij een volledig opnieuw samengestelde kamer (art. 12, § 5, van het besluit van het Verenigd College van 10 maart 2016 houdende uitvoering van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de spotbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan).
Het WADA was echter van oordeel dat die procedure niet in overeenstemming was met het tweede principe, met name een hoorinstantie die onafhankelijk is op operationeel en institutioneel vlak, waarbij de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie als secretariaat van deze commissie optreedt.
Daarom werd besloten om, overeenkomstig artikel 13 van de Code, de zaak door te verwijzen naar het CAS. Art. 8 Dit artikel verduidelijkt het huidige artikel 11 van de ordonnantie.
Ten eerste wordt verduidelijkt dat de in 1° van artikel 11 bedoelde "samenwerking tussen antidopingorganisaties" met name inhoudt dat het Verenigd College antidopingcontroles uitvoert op het Brussels grondgebied namens en voor rekening van andere antidopingorganisaties.
Dit kunnen zowel andere nationale antidopingorganisaties als federaties zijn. Wederzijdse dopingcontroles zijn ook mogelijk, met name wanneer een elitesporter die deel uitmaakt van een doelgroep van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tijdelijk in het buitenland traint of verblijft voor een bepaalde periode.
Ten tweede wordt verduidelijkt dat de wederzijdse dopingcontroles tussen nationale of internationale antidopingorganisaties worden aangemoedigd en dus niet enkel tussen nationale organisaties. Deze verduidelijking is van praktisch belang omdat ze bevestigt dat deze bevoegdheid aan het Verenigd College is toevertrouwd. Tot op heden moest die bevoegdheid worden afgeleid.
Ten derde wordt er verwezen naar de nieuwe Internationale Standaard voor educatie.
Tot slot bevestig deze bepaling, overeenkomstig het bovengenoemde samenwerkingsakkoord van 9 december 2011 zoals gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 7 mei 2021, de autonomie van de NADO ten opzichte van de sportwereld en de uitvoerende macht in haar beslissingen en operationele activiteiten.
Art. 9 Deze bepaling vult artikel 12 van de ordonnantie van 21 juni 2012 aan overeenkomstig de opmerkingen van de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar advies nr. 96/2021.
Ten eerste verwijst de Gegevensbeschermingsautoriteit mutatis mutandis naar haar advies nr. 26/2021 over het decreet van de Franse Gemeenschap, dat een artikel 13 bevat dat vrijwel identiek is aan artikel 12 van de ordonnantie van 21 juni 2012, zoals gewijzigd door artikel 9 van het ontwerp van ordonnantie.
Het ontwerp werd dienovereenkomstig aangepast, hetzij door artikel 12 van de ordonnantie te preciseren, hetzij door een nieuw artikel 12/1 in te voegen.
De Gegevensbeschermingsautoriteit is bovendien van oordeel dat de formulering "relevant, niet buitensporig en strikt noodzakelijk [...] voor de bepaalde doelen [...]" geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van artikel 5, lid 1, c) van de AVG en zelfs een dubbelzinnigheid kan creëren, over zowel de juridische aard van de toepasselijke bepalingen als het tijdstip van hun inwerkingtreding (punt 29 van advies nr. 26/2021).
Gelet op wat voorafgaat, worden de door de Gegevensbeschermingsautoriteit onderstreepte woorden geschrapt.
Het WADA is verantwoordelijk voor de verwerking van de informatie in de ADAMS-databank, maar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is verantwoordelijk voor de administratieve omgeving, zoals bijvoorbeeld voor de keuze van de gedelegeerden, de gebruikers en de toestemmingen die aan deze profielen worden verleend.
Volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit is het vijfde lid van artikel 12 van de ordonnantie een verboden herhaling van de AVG. Zij beveelt dan ook aan dit te vervangen. Deze aanbeveling werd gevolgd (punt 37 en 38 van advies nr. 26/2021), maar in artikel 12/1 ingevoegd bij artikel 10 van dit ontwerp.
Art. 10 In overeenstemming met de opmerkingen van de Gegevensbeschermingsautoriteit worden de ontvangers van eventuele mededelingen van persoonsgegevens, alsook de redenen voor deze mededeling vermeld in een nieuw artikel 12/1. Deze bepaling zal dus worden opgeheven in het besluit van het Verenigd College van 10 maart 2016.
Daarnaast worden de bewaartermijnen van de gegevens vermeld in bijlage 2, die wordt ingevoegd bij artikel 28 van dit ontwerp. De aard van de betrokken gegevens en hun bewaartermijn worden vastgelegd in overeenstemming met de Wereldantidopingcode en de Internationale Standaarden, met name bijlage A van de Internationale Standaard voor de bescherming van persoonsgegevens.
De verwerking van de in deze bepaling bedoelde gegevens berust op gewichtige redenen van algemeen belang, zoals erkend door overweging 112 van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Deze verwerking is tevens noodzakelijk voor de vervulling van taken van algemeen belang of van taken in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is opgedragen en heeft als algemeen doel de bestrijding van dopinggebruik met het oog op de bevordering van een sportuitoefening die de gezondheid, de billijkheid, de gelijkheid en de sportieve geest eerbiedigt.
In haar advies nr. 70.010/1/V is de afdeling wetgeving van de Raad van State van oordeel dat het ontwerp van artikel 12/1, 6°, derde lid, niet vermeldt of de informatie kan worden doorgegeven wanneer de verwerkingsverantwoordelijke vaststelt dat er geen passende waarborgen zijn voor de bescherming van de betrokken gegevens (overweging 15.1).
Dat lid werd echter op vraag van de Gegevensbeschermingsautoriteit opgenomen in het ontwerp en werd identiek overgenomen.
Art. 11 Het woord "sportverenigingen" werd vervangen door "de andere antidopingorganisaties" omdat de nationale federaties op zich geen controlerende overheden zijn. Zij kunnen immers enkel antidopingcontroles uitvoeren door middel van een specifieke delegatie van een internationale federatie of een NADO. Wat de mogelijkheid betreft die het Verenigd College kreeg om de kandidaten te verzoeken een uittreksel uit het strafregister model 2 voor te leggen, is de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar advies nr. 96/2021 van oordeel dat de motivering in de memorie van toelichting niet verenigbaar was met artikel 6.3 van de AVG en dat de uitleg in de bepaling zelf moet worden opgenomen. De Gegevensbeschermingsautoriteit is ook van mening dat in de bepaling moet worden verduidelijkt of het uittreksel al dan niet systematisch moet worden voorgelegd. Tot slot is ze van oordeel dat het Verenigd College alleen de overlegging zou kunnen eisen indien de kandidaat voor de functie van controlearts effectief dopingcontroles moet verrichten.
In dit geval is het niet altijd mogelijk te voorspellen of de geteste sporters minderjarig zullen zijn of niet. De opdrachten aan de controleartsen worden toegewezen naargelang van hun beschikbaarheid, is het bovendien niet mogelijk om een enkele controlearts aan te duiden voor de controles van eventuele minderjarigen.
Echter, overeenkomstig artikel 596, lid 2, van het wetboek van strafvordering wordt dit model vereist voor elke persoon die een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt, uitoefent. Het uitvoeren van dopingcontroles op minderjarige sporters houdt echter nauw contact met hen in en kan derhalve met dit soort activiteiten worden gelijkgesteld. Het is derhalve noodzakelijk over eventueel misbruik of oneigenlijk gebruik te waken en hiervoor de voorlegging van een dergelijk document te eisen.
Gelet op het voorgaande zal het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet gevolgd worden.
In haar advies nr. 70.010/1/V is de afdeling wetgeving van de Raad van State van oordeel dat de bepaling moet worden aangevuld om ervoor te zorgen dat een gelijkwaardig document, afgegeven door de autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, in aanmerking kan worden genomen. Bijgevolg werd het artikel gewijzigd.
Art. 12 De nieuwe begrippen "beschermde persoon" en "minderjarige" in artikel 2 van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 worden ingevoegd door artikel 12 van deze ordonnantie.
Een nieuwe paragraaf 4/1 wordt ingevoegd over de termijn waarbinnen de processen-verbaal van de controle in ADAMS moeten worden ingevoerd. De paragraaf verwijst meer in het bijzonder naar de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken.
De Gegevensbeschermingsautoriteit eist in punt 19 en 20 van haar advies nr. 96/2021 dat het doel van de invoer in de ADAMS-databank duidelijk wordt beschreven in de ordonnantie.
De invoer van de dopingcontroleformulieren in ADAMS voor alle afgenomen monsters binnen 21 dagen na de monsterafname, overeenkomstig artikel 4.9.1.b) van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken wordt gerechtvaardigd door de noodzaak voor de antidopingorganisaties om hun testactiviteiten te coördineren met die van andere organisaties teneinde de doeltreffendheid van de gecombineerde inspanningen te maximaliseren, onnodige dubbele tests van individuele sporters te voorkomen en ervoor te zorgen dat sporters die aan evenementen deelnemen, vooraf naar behoren worden getest. Met andere woorden, de invoer van het proces-verbaal van de dopingcontrole vereenvoudigt de gecoördineerde planning van de verdeling van tests, voorkomt onnodige dubbele tests door de antidopingorganisaties en zorgt ervoor dat de profielen van het biologische paspoort van de sporter up-to-date worden gehouden.
Het doel werd ook opgenomen in de bepaling.
Daarnaast wordt een tweede lid ingevoegd in paragraaf 6. Dit lid is een omzetting van artikel 7.7 van de Code, dat zonder belangrijke wijzigingen moet worden omgezet.
Art. 13 Artikel 18 werd gewijzigd overeenkomstig artikel 6.1 en 6.2 van de Code.
Bovendien wees het WADA in zijn commentaar erop dat artikel 13 in zijn huidige lezing de monsters, die op verzoek van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie door een andere antidopingorganisatie worden afgenomen en door een ander laboratorium dan dat erkend door de leden van het Verenigd College zouden worden geanalyseerd, kon aantasten.
Om een einde te maken aan deze rechtsonzekerheid werd een vierde paragraaf ingevoegd.
Art. 14 Dit artikel behoeft geen commentaar.
Art. 15 Dit artikel wijzigt artikel 23/1 van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 overeenkomstig de nieuwe Code 2021 en meer in het bijzonder met artikel 20.5.12 van de Code.
Art. 16 Dit artikel brengt de wijzigingen aan overeenkomstig de huidige geldende wetgeving wat betreft de verwijzing naar de wet inzake de bescherming van gegevens.
Bovendien heft dit artikel het tweede lid van paragraaf 1 van artikel 23/2 van de ordonnantie op. Dit lid werd ingevoegd in 2015. In de praktijk brengt het sluiten van een overeenkomst voor elke sporter met de federaties veel administratief werk met zich mee voor een partnerschap dat, in dit stadium, weinig of geen ondersteuning biedt aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft in dit kader inderdaad verschillende malen contact opgenomen met de internationale federaties en hun gevraagd een overeenkomst te sluiten.
De NADO kreeg echter weinig feedback en vermoedt dat de internationale federaties slechts weinig of geen belang hebben bij een overeenkomst per sporter. Deze overeenkomst heeft weinig nut onder andere doordat: - de sporters waarvoor een biologisch paspoort werd opgemaakt per aangetekende brief op de hoogte worden gebracht van de procedure, de doelstellingen ervan en hun rechten ter zake; - het al dan niet bestaan van een biologisch paspoort wordt vermeld in het profiel van de sporters op het ADAMS-platform. de bevoegde NADO, de nationale federatie en de internationale federatie van de sporter toegang hebben tot deze informatie.
Gelet op het voorgaande werd beslist de verplichting voor het Verenigd College om voor elke betrokken sporter een overeenkomst te sluiten met zijn internationale federatie, te schrappen.
Art. 17 Artikel 25 van de ordonnantie werd gedeeltelijk gewijzigd zodat de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de planning van die controles beter kan organiseren.
Vroeger moesten organisatoren van sportevenementen de NADO verwittigen ten minste veertien dagen voor de dag van het evenement. In de praktijk is een termijn van veertien dagen uiterst kort om een dopingcontrole te plannen en de nodige maatregelen te nemen voor het goede verloop ervan.
Art. 18 Categorieën van elitesporters Dit artikel brengt verschillende wijzingen aan in artikel 26 van de ordonnantie, overeenkomstig het bovengenoemde samenwerkingsakkoord van 7 mei 2021, met de bedoeling de categorieën van elitesporters te vereenvoudigen en te verduidelijken.
Tot op heden waren er vier categorieën van elitesporters (A, B, C en D). De rangschikking werd bepaald op basis van een voorafgaande analyse van de risico's per sportdiscipline, van het belang van de sport op nationaal niveau en van de middelen (of het gebrek eraan) om de sporters te traceren buiten wedstrijdverband.
Op basis van deze criteria werden drie lijsten met sportdisciplines opgemaakt (lijst A, B en C). Categorie D was dan weer een restcategorie en had betrekking op alle niet in lijst A, B en C opgenomen disciplines.
Niet alleen de categorieën verschilden, maar ook de ermee gepaard gaande verplichtingen. Zo moesten de sporters van categorie A zich het meest houden aan verplichtingen op het vlak van verblijfsgegevens, terwijl de elitesporters van categorie D geen enkele verplichting hadden op dit vlak. De doelstelling van dit systeem was en blijft te streven naar een billijk evenwicht tussen de rechten van de elitesporters en hun verplichtingen, met name met betrekking tot het doorgeven van verblijfsgegevens.
De essentie en de principes van dit piramidaal en degressief systeem worden niet ter discussie gesteld. In de praktijk lijkt de indeling van de doelgroep van de NADO in vier categorieën echter ingewikkeld en moeilijk uitvoerbaar geworden, in het bijzonder op het vlak van de controles buiten wedstrijdverband, en moeilijk te begrijpen voor de sporters zelf.
Daarnaast rechtvaardigen vooral de bovenvermelde criteria die de indeling van categorie A en B mogelijk maakten vandaag niet langer het behoud van die twee aparte categorieën.
Dat is de betekenis van de in artikel 18 van het ontwerp bedoelde vereenvoudiging van de categorieën. Concreet: - gaat men van vier naar drie categorieën (A tot C); - categorie A omvat voortaan in één en dezelfde categorie de elitesporters die een individuele sportdiscipline beoefenen; - categorie B (ploegsporten) stemt overeen met de oude categorie C; - categorie C (olympische sporten of sporten die op de Wereldspelen worden beoefend, maar niet opgenomen zijn in lijst A en B) stemt overeen met de oude categorie D. De verplichtingen op het vlak van verblijfsgegevens blijven degressief van categorie A (dagelijkse beschikbaarheid van zestig minuten, plaats van trainingen, sportwedstrijden en van de gewoonlijke verblijfplaats) tot categorie C (helemaal geen verplichting).
Dit heeft echter meerdere gevolgen voor de elitesporters die vroeger tot categorie B behoorden en verplaatst werden naar categorie A (het betreft ongeveer 125 elitesporters in België, waaronder een twintigtal voor de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie).
Ten eerste moeten deze elitesporters niet alleen informatie verstrekken over de plaats, de dag en het tijdstip van hun trainingen en sportwedstrijden en over hun gewoonlijke verblijfplaats, maar ook dagelijks zestig minuten beschikbaarheid inplannen. Tal van sporters van categorie B planden deze beschikbaarheid reeds in. Voortaan wordt die echter verplicht en zal elk verzuim dan ook worden vastgesteld.
Ten tweede werden de elitesporters van categorie B die hun verplichtingen op het vlak van verblijfsgegevens niet naleefden in kennis gesteld van hun verzuim. De combinatie van drie gemiste controles en/of de niet-naleving van de verplichtingen inzake verblijfsgegevens binnen een tijdsspanne van twaalf maanden leidde ertoe dat de sporter voor een periode van zes maanden in categorie A werd gerangschikt. Deze sanctie hield in dat de elitesporter van categorie B zich aan strengere regels moest houden. Voor de elitesporters van categorie A stemt de combinatie van drie gemiste controles en/of de niet-naleving van de verplichtingen inzake verblijfsgegevens overeen met een overtreding van de antidopingregels in de zin van artikel 8, § 1, 4°, van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 en bijgevolg met een schorsing.
De door dit artikel aangebrachte wijziging zal leiden tot een verstrenging van de regels inzake verblijfsgegevens voor de elitesporters die voordien tot categorie B behoorden.
Op basis van de ervaring op het terrein en van een evaluatie door de vier Belgische NADO's van het vorige systeem oordeelde men echter dat het onderscheid tussen de oude categorieën A en B niet langer gerechtvaardigd was.
De dopingbestrijding streeft immers legitieme doelstellingen van openbaar nut na, met name op het vlak van volksgezondheid, billijkheid en sportethiek. Die doelstellingen houden bepaalde beperkingen in van de individuele vrijheden van de sporters en in het bijzonder van elitesporters.
Deze beperkingen die vervat zijn in en opgelegd zijn door de Code moeten echter evenredig zijn. Hiertoe wordt rekening gehouden met twee elementen: het niveau van de sporters en de analyse van de dopingrisico's.
Die analyse steunt op verschillende criteria (statistische risico's, risico's verbonden aan de behoefte aan lichamelijke of fysiologische prestaties, risico's verbonden aan de behoefte aan financiële of mediatieke uitdagingen enz.) en werd uitgevoerd door de vier Belgische NADO's. Zij concludeerden dat de respectievelijk in categorie A en B opgenomen sportdisciplines dezelfde graad van dopingrisico's vertoonden of op zijn minst vrij identieke graden.
Bovendien concludeerden de NADO's dat het subcriterium met betrekking tot de middelen (of het gebrek eraan) om de elitesporters te kunnen traceren tijdens hun trainingen niet langer relevant noch doeltreffend was op het vlak van dopingbestrijding en dat er, in een geest van gelijkheid tussen de sporters en sporten, enkel met het al dan niet gevoelige karakter van een discipline voor doping buiten wedstrijdverband moest rekening worden gehouden.
Om de elitesporters zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden, zullen de sporters alle informatie krijgen over de verschillende wijzigingen en de gevolgen ervan. De nationale federaties zullen een sleutelrol spelen bij het doorgeven van die informatie.
Gepreselecteerde sporters Dankzij deze nieuwe paragraaf kan een sporter die in een preselectielijst voor de Olympische Spelen, Paralympische Spelen, Wereld- of Europese kampioenschappen is opgenomen, verplicht worden zijn verblijfsgegevens door te geven overeenkomstig categorie A. Deze bepaling is bedoeld om het voor de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie mogelijk te maken haar verplichtingen als ondertekenaar van de Code na te komen in het kader van de antidopingprogramma's die aan de Spelen of grote kampioenschappen voorafgaan.
Sinds de Olympische Spelen van Londen organiseert het WADA samen met het Internationaal Olympisch Comité (IOC), het Internationaal Paralympisch Comité (IPC), de Internationale Federaties (IF) en de nationale antidopingorganisaties voor elke editie van de Olympische Spelen een antidopingprogramma. Het doel is eenvoudig: zoveel mogelijk en in een geest van gelijke kansen tussen alle wedijverende sporters ervoor zorgen dat elke aan de Spelen deelnemende atleet vooraf wordt gecontroleerd, idealiter ten minste drie keer, en dat deze controles negatief zijn.
Op grond van de criteria bedoeld in artikel 2, 19°, van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 slaagt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie er momenteel echter niet altijd in om aan die verplichtingen te voldoen.
Om dit op te lossen, maken de in paragraaf 4 van artikel 26 toegevoegde artikelen het mogelijk om een sporter die op een preselectielijst voor de Spelen, Wereld- of Europese kampioenschappen is opgenomen, te verplichten zijn verblijfsgegevens door te geven overeenkomstig categorie A. Om de naleving van die verplichtingen te verenigen met het evenredigheidsbeginsel moet evenwel worden opgemerkt dat deze mogelijkheid enkel geldt voor de sporters die nog niet zijn opgenomen in een doelgroep en dat deze mogelijkheid beperkt is in de tijd. Een sporter kan immers maar voor een periode van in totaal maximaal twaalf maanden aan deze verplichting worden onderworpen, waarvan negen maanden voor de wedstrijd en drie maanden na afloop van die wedstrijd.
Terugtrekking uit de sport Paragraaf 9 van artikel 26 van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 wordt aangevuld met leden die betrekking hebben op de terugtrekking van elitesporters uit de sport en meer bepaald op de hypothese waarin een elitesporter die zich heeft teruggetrokken wenst opnieuw aan wedstrijden deel te nemen. Deze wijzigingen werden aangebracht overeenkomstig artikel 5.6.1, 5.6.1.1 en 5.6.2 van de Code 2021.
Art. 19 De verjaringstermijn van acht jaar was niet conform de Code, die in zijn artikel 17 voorziet in een termijn van tien jaar. Dit artikel brengt dan ook de nodige wijzigingen aan.
Art. 20 Artikel 30 vertrouwt sportverenigingen de taak toe om tuchtdossiers te regelen. In haar huidige vorm is deze bepaling niet toereikend om aan de nieuwe Code te voldoen. Daarom werden de volgende wijzigingen aangebracht: - een nieuw lid herinnert eraan dat de sportverenigingen billijke, onafhankelijke en onpartijdige procedures moeten organiseren. Voorts bepaalt ze dat de beslissingen gemotiveerd moeten zijn en binnen een redelijke termijn moeten worden genomen.
Die principes zijn eigen aan administratieve procedures in het Belgische recht en zitten al verankerd in verschillende rechtsgrondslagen. Het WADA wilde echter dat deze waarborgen werden herhaald in de ordonnantie. - artikel 30 van de ordonnantie wordt aangevuld met een nieuw lid dat bepaalt dat de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de verantwoordelijke overheid blijft voor het beheer van de resultaten.
Deze verduidelijking vloeit voort uit de Code 2021 die voortaan uitdrukkelijk bepaalt dat de nationale federaties de Code niet hebben ondertekend en daarom niet als overheden die de resultaten beheren, kunnen worden beschouwd zonder een specifiek verzoek van een antidopingorganisatie.
Art. 21 § 1.
De voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 vertrouwt de sportverenigingen het beheer toe van tuchtdossiers in de sportsector en des te meer van andere personen die onder hun gezag vallen.
Er blijven echter nog een hele reeks categorieën van personen, zoals de controleartsen, chaperons of sporters die niet zijn aangesloten bij een sportvereniging. Voor hen is er een afzonderlijke tuchtprocedure of, in het geval van de sporters die bij geen enkele sportvereniging zijn aangesloten, helemaal geen tuchtprocedure.
Voor geen enkele van deze categorieën staat de Code een opeenstapeling van procedures of een juridisch vacuüm toe.
Daarom krijgt het Verenigd College de taak toegewezen om een tuchtinstantie op te richten die voldoet aan de in artikel 8 van de Code vastgelegde waarborgen. Deze instantie moet de tuchtdossiers behandelen die niet naar de sportverenigingen worden gestuurd, maar ook de dossiers waar de bevoegde sportvereniging in de fout ging.
In haar advies nr. 70.010/1/V verduidelijkt de afdeling wetgeving van de Raad van State dat er omwille van de transparantie en rechtszekerheid geen enkele dubbelzinnigheid mag bestaan omtrent de hoedanigheid waarin de bij de beschreven procedures betrokken instanties optreden. Volgens haar moet daarom een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de uitoefening van de functies.
Het doel van deze bepaling is het principe van een tuchtrechtelijke instantie in te voeren voor alle dossiers die niet naar een federatie kunnen worden doorgestuurd. Dat principe wordt geconcretiseerd in het uitvoeringsbesluit, dat momenteel eveneens wordt herzien.
Deze tuchtrechtelijke en niet-gerechtelijke instantie zal beslissingen nemen waartegen beroep kan worden aangetekend bij de Raad van State of bij de hoven en rechtbanken. Daarnaast wordt verduidelijkt dat de leden van dat orgaan zullen worden aangesteld door de leden van het Verenigd College.
Gelet op wat voorafgaat, zal het ontwerp van ordonnantie in de toelichting bij het artikel aangevuld worden, maar de betrokken bepaling zal niet gewijzigd worden. § 2.
Bij lezing van de voornoemde ordonnantie van 21 juni 2012 blijkt dat het Verenigd College enkel bevoegd is voor (kennisgevings-)procedures met betrekking tot overtredingen van de antidopingregels die te maken hebben met het gebruik van verboden stoffen. Artikel 8 vermeldt echter verschillende feiten die een overtreding van de antidopingregels vormen. Deze paragraaf bevestigt dat het Verenigd College moet voorzien in een procedure voor alle overtredingen van de antidopingregels.
Art. 22 De door artikel 22 aangebrachte wijzigingen zijn een rechtzetting om te voldoen aan artikel 14 van de Code.
Op grond van artikel 14.3.2 tot 14.3.7 van de Code moeten de antidopingorganisaties het resultaat van de dopingprocedure openbaar bekendmaken en meer het bijzonder: de sport, de geschonden antidopingregel, de naam van de sporter of de andere persoon die de overtreding beging, de verboden stof of methode in kwestie en de opgelegde sancties.
Die informatie moet gedurende een maand of tijdens de volledige duur van de schorsingsperiode (als die langer is dan een maand) verspreid worden op de website van de betrokken antidopingorganisatie.
De Code 2021 bevat echter een afzwakking van het principe. Artikel 14.3.7 bepaalt namelijk dat die publieke verspreiding niet vereist is wanneer de persoon tegen wie een sanctie wordt uitgesproken minderjarig, een beschermde persoon of een recreatiesporter is.
In dat verband vormt de systematische publicatie van de definitieve beslissingen in antidopingprocedures op een voor het publiek toegankelijke website volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit een ernstige inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens.
Elke inmenging is echter alleen toegestaan indien dit noodzakelijk is en in verhouding staat tot het nagestreefde doel (punt 31).
Voorts stelt zij dat "de werkelijke naleving van de sancties die zijn opgelegd aan de sporters of andere betrokken personen" niet beantwoordt aan de bovengenoemde voorwaarden (punt 34 en volgende).
Hoewel zij erkent dat het legitiem en in het algemeen belang is ervoor te zorgen dat de sancties worden uitgevoerd, gaat de verspreiding op de website van het Verenigd College, die voor iedereen toegankelijk is, echter verder dan wat dit doel van algemeen belang vereist (punt 35).
Volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit zou een dergelijke publicatie iedereen in staat stellen kennis te nemen van deze gevoelige gegevens, zelfs indien deze geen nut hebben, en het tevens mogelijk maken deze gegevens opnieuw te gebruiken voor andere doeleinden, zelfs nadat de schorsingsperiode is verstreken en de gegevens van de website zijn verdwenen. Zij is van mening dat er minder ingrijpende maatregelen zouden kunnen worden gevonden, zoals de publicatie op een beveiligde site met beperkte toegang (punt 36).
De vermindering van de inmenging wanneer de persoon een minderjarige, een beschermde persoon of een recreatiesporter is, verandert niets aan deze conclusie.
In haar advies 70.010/1/V herinnert de afdeling wetgeving van de Raad van State aan het arrest 16/2005 van 19 januari 2005, waarin het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de in deze bepaling bedoelde publicatie onverenigbaar is met het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat gewaarborgd wordt door artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM (overweging 20.2).
De Raad van State erkent dat het toepassingsgebied van deze publicatie beperkt is, met name door de uitsluiting van breedtesporters, minderjarigen, beschermde personen en recreatiesporters. Hij is echter van oordeel dat de motivering niet aantoont dat ten aanzien van elitesporters die de antidopingregels hebben overtreden, een dergelijke publicatie noodzakelijk zou zijn om het nagestreefde doel te bereiken.
Gelet op wat voorafgaat, werd de bepaling gewijzigd om het beginsel van beveiligde communicatie te handhaven voor beslissingen die betrekking hebben op breedtesporters, recreatiesporters, minderjarigen en beschermde personen.
De publicatie van bepaalde informatie - niet de beslissing - wordt bijgevolg beperkt tot elitesporters en andere personen. Het betreft de volgende informatie: de naam van de sporter of andere persoon die wegens doping is geschorst, de sport die hij of zij beoefent, de geschonden antidopingregel, de eventueel daarbij betrokken verboden stof of methode, alsook de opgelegde gevolgen.
Art. 23 Op grond van artikel 23.2.2 van de Code moeten artikel 9 en 10 door de ondertekenaars worden uitgevoerd zonder inhoudelijke wijzigingen. De in artikel 32 aangebrachte wijzigingen zijn bedoeld om het artikel te doen overeenstemmen met de nieuwe artikelen 9 en 10 van de Code.
Art. 24 Overeenkomstig artikel 23.2.2 van de Code moet artikel 11 van de Code worden omgezet zonder inhoudelijke wijzigingen.
Art. 25 Overeenkomstig artikel 23.2.2 van de Code moet artikel 15.1 omgezet worden zonder inhoudelijke wijzigingen. Daarom werd het bijna identiek overgenomen in artikel 34 van de ordonnantie. In de toelichting bij de Code wordt verduidelijkt dat bijvoorbeeld, als de regels van de organisatie die verantwoordelijk is voor grote evenementen de sporter of andere persoon de mogelijkheid bieden om te kiezen tussen een versneld beroep bij het CAS of een beroep volgens de normale procedure van het CAS, de uiteindelijke beslissing van de organisatie die verantwoordelijk is voor grote evenementen bindend is voor de andere ondertekenaars, ongeacht of de sporter of andere persoon voor de versnelde beroepsmogelijkheid kiest.
Art. 26 Overeenkomstig artikel 23.2.2 van de Code moet artikel 13 worden omgezet zonder inhoudelijke wijzigingen. Tijdens de herziening van de tekst oordeelde het WADA bovendien dat de beroepsmogelijkheden waarover de sporters en andere personen beschikken niet voldeden aan de in de Code verankerde waarborgen.
Daarom voegt artikel 26 in de ordonnantie een nieuwe bepaling in waardoor, naast de gebruikelijke beroepsprocedures voor de Raad van State en de eventuele aanhangigmaking bij hoven en rechtbanken, het CAS de beroepsinstantie wordt voor alle disciplinaire uitspraken ten aanzien van sporters en andere personen.
Art. 27 Dit artikel behoeft geen commentaar.
Art. 28 De bewaartermijnen zijn beperkt tot twee categorieën: 12 maanden en 10 jaar. De periode van 10 jaar is de periode gedurende welke een vordering kan worden ingesteld voor overtreding van de antidopingregels op grond van de Code. De periode van 12 maanden is de relevante periode voor de registratie van drie aangifteverzuimen van verblijfsgegevens die samen een overtreding van de antidopingregels kunnen vormen en geldt ook voor bepaalde onvolledige of TTN-gerelateerde documentatie en informatie.
De in punt 1 van bijlage 2 genoemde gegevens zijn noodzakelijk voor de uitvoering van het antidopingbeleid. De bewaring van deze gegevens is noodzakelijk omdat overtredingen van de antidopingregels moeten worden gemeld. Daarnaast moet een dossier bijgehouden worden van de sporters die tot de doelgroep behoorden van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
De verblijfsgegevens zijn relevante gegevens voor de registratie van mogelijke aangifteverzuimen van verblijfsgegevens. De aangifteverzuimen van verblijfsgegevens zijn relevant voor het toezicht op de naleving van de verplichting of bij andere overtredingen van de antidopingregels. Bij overtreding worden de gegevens ook bewaard in het in punt 6 van bijlage 2 bedoelde dossier voor resultatenbeheer. In dit geval werd de bewaartermijn ingekort van 18 naar 12 maanden.
Beslissingen tot goedkeuring of afkeuring van een TTN kunnen relevant zijn bij nieuwe dopingcontroles of bij andere onderzoeken. Voor gegevens van aanvraagformulieren (met inbegrip van alle daarin vervatte medische en niet-medische informatie) is de bewaartermijn beperkt tot de duur van de TTN. Onvolledige aanvragen worden echter 12 maanden bewaard, aangezien zij relevant kunnen zijn bij een nieuwe aanvraag. De bewaartermijn werd ingekort van 18 naar 12 maanden.
In punt 4 zijn de bewaartermijnen voor gegevens van controles hetzelfde als of langer dan voorheen. Dat komt doordat de processen-verbaal van de controles, de opdrachten en de documenten van de veiligheidsketen relevant zijn voor het biologisch paspoort en voor nieuwe analyses van monsters, rekening houdend met de lange bewaartermijn ervan bij de laboratoria. Bij overtreding van de antidopingregels worden deze gegevens ook bewaard in het in punt 6 bedoelde dossier voor resultatenbeheer. Onvolledige controledocumentatie of documenten zonder monster zijn meestal het gevolg van een fout bij de gegevensinvoer en worden verondersteld op korte termijn vernietigd te worden.
Analyseresultaten van controles (met inbegrip van afwijkende en atypische analyseresultaten), verslagen van laboratoria en andere gerelateerde documenten moeten tien jaar bewaard worden voor retrospectieve analyse en wegens de mogelijkheid van meervoudige overtredingen. Bij overtreding van de antidopingregels worden deze gegevens ook bewaard in het in punt 6 bedoelde dossier voor resultatenbeheer. Met inachtneming van de criteria en voorschriften van de Code en de Internationale Standaarden mogen analytische gegevens die voortvloeien uit de analyse van monsters en andere informatie over dopingcontroles in bepaalde omstandigheden echter langer dan de geldende bewaartermijn bewaard worden voor onderzoek en andere doeleinden die op grond van artikel 6.3 van de Code zijn toegestaan. In dat geval worden de monsters en de gegevens zodanig verwerkt dat de betrokken sporter niet meer geïdentificeerd kan worden.
Sancties en beslissingen die op grond van de Code genomen worden en alle bijbehorende documentatie, moeten maximaal 10 jaar bewaard worden. Als de sanctie langer duurt dan 10 jaar stemt de bewaartermijn overeen met de duur van de sanctie. Dat wordt verklaard door het risico van meervoudige overtredingen van de antidopingregels.
Tot slot is de bewaartermijn voor de gegevens van het biologisch paspoort van de sporter noodzakelijk omdat meervoudige overtredingen mogelijk zijn, en om de biologische variabelen, de verslagen van de instantie die de biologische paspoorten beheert en de onderzoeken van deskundigen in de loop der tijd te kunnen analyseren en onderzoeken.
In sommige gevallen zijn de desbetreffende verblijfsgegevens nodig om atypische of afwijkende resultaten te staven of om de beweringen van sporters te weerleggen.
Art. 29 Dit artikel behoeft geen commentaar.
Art. 30 Dit artikel behoeft geen commentaar.
24 DECEMBER 2021. - Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Op de voordracht van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, Na beraadslaging, Besluit : De leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezondheidsbeleid worden belast met het voorleggen aan de Verenigde Vergadering van het ontwerp van ordonnantie, waarvan de inhoud volgt: Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 135 van de Grondwet. Art. 2.In het eerste lid van artikel 2 van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in 6° : - er wordt een "," ingevoegd tussen de woorden "de Wereldantidopingcode" en "aangenomen door het WADA"; - de woorden "en de latere wijzigingen ervan" worden vervangen door "in de herziene versie van 2021 die op 1 januari 2021 in werking trad"; 2° in 7° : - de woorden "en zijn latere wijzigingen" worden opgeheven; - in de Franse versie worden de woorden "en question" geschrapt; 3° in 11° : - worden de woorden "het WADA of" ingevoegd voor de woorden "ondertekenaar van de Code"; - de woorden "het WADA" vermeld tussen de woorden "die evenementen" en "internationale federaties" worden opgeheven; 4° in 12° worden de woorden "en hoorzittingen te houden" opgeheven;5° in 19° worden de woorden "SportAccord" vervangen door het woord "GAISF";6° de 21° wordt vervangen als volgt: "Elitesporters van categorie B": elitesporters van nationaal niveau die een ploegsport beoefenen in een olympische discipline van categorie B, zoals opgenomen in de lijst als bijlage bij deze ordonnantie";7° de 22° wordt vervangen als volgt: "Elitesporters van categorie C: de elitesporters die een sportdiscipline beoefenen die niet is opgenomen in de lijst als bijlage bij deze ordonnantie";8° de 23° wordt vervangen als volgt: "Recreatiesporter: elke breedtesporter die in de in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan een overtreding van de antidopingregels, geen elitesporter van internationaal of nationaal niveau was, geen land vertegenwoordigd heeft bij een internationaal evenement zonder categoriebeperking of niet toegevoegd was aan een geregistreerde doelgroep, een nationale doelgroep of elke andere geregistreerde doelgroep onderworpen aan verplichtingen op het vlak van verblijfsgegevens opgelegd door een internationale federatie of een NADO"; 9° de 37° wordt vervangen als volgt: "Dopingcontrole: alle stappen en procedures vanaf het plannen van de spreiding van dopingtests tot de laatste beslissing in beroep en het afdwingen van de gevolgen, via alle tussenstappen en tussenprocedures, met name de controles, de onderzoeken, het doorgeven van verblijfsgegevens, het beheer van de toestemmingen voor gebruik wegens therapeutische doeleinden, het afnemen en verwerken van monsters, de laboratoriumanalyse, het beheer van de resultaten en de onderzoeken en procedures die verband houden met de overtredingen van artikel 10.14 van de Code"; 10° in 38° worden de woorden in de Franse versie "la collecte" vervangen door de woorden "le prélèvement"; 11° de 41° wordt vervangen als volgt: "Binnen wedstrijdverband: de periode die begint om 23.59 uur op de dag voor een wedstrijd waaraan de sporter moet deelnemen en die eindigt op het einde van deze wedstrijd en van het proces van monsterneming die ermee in verband staat. Tenzij anders bepaald, kan het WADA voor een specifieke sport een alternatieve definitie goedkeuren als een internationale federatie een geldige reden aanvoert waarom een andere …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.