📄 Wettekst
5 DECEMBER 2008. - Decreet betreffende het bodembeheer (1)
Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Doelstellingen
Artikel 1.Dit decreet beoogt het voorkomen van bodemverarming, van bodemverontreiniging, de identificatie van potentiële verontreinigingsbronnen, de organisatie van de onderzoeken tot vaststelling van het bestaan van een verontreiniging en de bepaling van de modaliteiten voor de sanering van de verontreinigde bodems. Afdeling 2. - Definities
Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° "bodem" : de oppervlakkige laag van de aardkorst, met inbegrip van de grondwateren in de zin van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de andere elementen en lichamen die daar aanwezig zijn;2° "polluent" : product, bereiding, stof, afvalstof, chemische verbinding, lichaam of micro-organisme verantwoordelijk voor een verontreiniging en gegenereerd door de activiteit van de mens;3° "bodemverontreiniging" : de aanwezigheid op of in de bodem van polluenten die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zijn of kunnen zijn voor de bodemkwaliteit;4° "nieuwe bodemverontreiniging" : bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf 30 april 2007 door een emissie, een evenement of een incident;5° "historische bodemverontreiniging" : bodemverontreiniging veroorzaakt vóór 30 april 2007 door een emissie, een evenement of een incident;6° "bodemverontreiniging die een ernstige dreiging vormt" : a) bodemverontreiniging die, rekening houdend met de kenmerken van de bodem en met de functies die hij vervult, met de aard, de concentratie en het risico van verspreiding van de aanwezige polluenten, een bron van polluenten vormt of zou kunnen vormen die overdraagbaar zijn aan mensen, dieren en planten, die zeker of vermoedelijk schade berokkenen aan de veiligheid of de gezondheid van de mens of aan de kwaliteit van het leefmilieu;b) bodemverontreiniging die schade kan toebrengen aan de voorraden water dat tot drinkwater verwerkt kan worden;7° "terrein" : de grond, met inbegrip van de constructies en installaties die in of op de grond gebouwd zijn;8° "verontreinigd terrein" : terrein waar bodemverontreiniging vastgesteld is; 9° "potentieel verontreinigd terrein" : terrein waar een bodemverontreiniging wordt vermoed, o.a. wegens het bestaan of de aanwezigheid, in het verleden, van een activiteit of installatie waarvan vermoed wordt dat ze de bodem kan verontreinigen of van de wetenschap van een bijzonder ongeval of van de aanwezigheid van afval, nog niet bevestigd door analyses; 10° "sanering van het terrein" : plaatselijke behandeling, wegwerking, neutralisering, immobilisering en afzondering van de bodemverontreiniging;11° "veiligheidsmaatregelen" : maatregelen, met inbegrip van de toegangs- en gebruiksbeperkingen, behalve de saneringshandelingen en -werken, om de effecten van een bodemverontreiniging te beheersen of om te voorkomen dat ze zich voordoen;12° "opvolgingsmaatregelen" : maatregelen om zich te vergewissen van de beheersing van de risico's en van de doeltreffendheid van de veiligheidsmaatregelen of van de handelingen en werken inzake de bodemsanering;13° "beste beschikbare technieken" : de meest doeltreffende en gevorderde fase van de ontwikkeling van de installaties en activiteiten en van de wijzen waarop ze ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden worden in de sector van de bodemsanering, waarbij aangetoond wordt dat bijzondere technieken in de praktijk geschikt zijn om, in principe, de basis te vormen van de waarden vastgelegd ter uitvoering van dit decreet en ter voorkoming en, indien zulks onmogelijk blijkt, ter beperking op algemene wijze van de nadelen voor de menselijke gezondheid en de kwaliteit van het leefmilieu, op voorwaarde dat die technieken op punt gesteld worden op een schaal waarop ze in betrokken sector aangewend kunnen worden onder economisch en technisch haalbare voorwaarden en dat ze onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;14° "administratie" : de door de Regering aangewezen administratieve dienst;15° "toezichthoudend ambtenaar" : de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaar;16° "SPAQuE" : de "Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement" (Openbare Maatschappij voor Hulpverlening aan de Kwaliteit van het Leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;17° "deskundige" : deskundige inzake het beheer van verontreinigde bodems erkend om de bij dit decreet bepaalde opdrachten te vervullen;18° "controle-instantie" : zelfstandige instantie die geen activiteit inzake ontwerp, studie of laboratorium uitoefent en die belast is met de validering van het ontwerp en de uitvoering van de saneringshandelingen en -werken;19° "bodemconcentratie" : omgevingsconcentratie van een polluent in de bodem;de omgevingsconcentraties kunnen wijzen op natuurlijke geologische variaties of op de invloed van een veralgemeende landbouw-, industriële of stedelijke activiteit; 20° "referentiewaarde" : indicatieve waarde van de bodemconcentraties van polluenten verwacht in de grond bij gebrek aan natuurlijke geologische variaties en bij gebrek aan weerslag van een veralgemeende landbouw-, industriële of stedelijke activiteit;die waarde stemt in principe overeen met de door de sanering te halen doelstelling; 21° "drempelwaarde" : polluentenconcentratie in de bodem overeenstemmend met een niveau waarboven een karakteriseringsonderzoek uitgevoerd moet worden, alsook in geval van ernstige dreiging of van nieuwe verontreiniging, een sanering en, in voorkomend geval, veiligheids- of opvolgingsmaatregelen;22° "interventiewaarde" : polluentenconcentratie in de grond overeenstemmend met een niveau waarboven systematisch een karakteriseringsonderzoek uitgevoerd wordt, dat de vorm kan aannemen, desgevallend tegelijkertijd, van : a) een sanering;b) veiligheidsmaatregelen;c) opvolgingsmaatregelen;23° "bijzondere waarde" : waarde vastgesteld na een oriënteringsonderzoek, een karakteriseringsonderzoek of bereikt na een sanering en vastgelegd in het bodemcontrolecertificaat;24° "bodemcontrolecertificaat" : certificaat waarvan de Regering de minimuminhoud vastlegt en dat de beslissing inhoudt waarbij is vastgesteld dat een terrein het voorwerp heeft uitgemaakt van een oriënteringsonderzoek, een karakteriseringsonderzoek, een sanering of een tusssenkomst ambtshalve van de SPAQuE overeenkomstig dit decreet en dat de gemeten polluentenconcentraties voldoen aan de voorschriften van dit decreet en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;25° "CWATUPE : Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie;26° "overdracht" : elke translatieve, constitutieve, declaratieve of abdicatieve handeling betreffende een zakelijk recht, de verlenging ervan alsook de opbouw, overdracht of verlenging van persoonlijke rechten van meer dan negen jaar, met inbegrip van de onroerende leasing en de vermogensinbrengen en -overdrachten in de vennootschap, met uitsluiting van de door de Regering opgesomde handelingen met een familiaal karakter;27° "ISSeP" : het "Institut scientifique de Service public" (Openbaar Wetenschappelijk Instituut), opgericht bij het decreet van 7 juni 1990, inzonderheid op artikel 4, § 3, gewijzigd bij het decreet van 9 april 1998. Afdeling 3. - Preventie en informatie
Art. 3.Elke persoon is ertoe gehouden de geschikte maatregelen te nemen om de bodem te beschermen en om elke nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen. Art. 4.Met het oog op de bescherming van de bodem en op een duurzaam en milieuvriendelijk gebruik, op het behoud en het herstel van de kwaliteit ervan en op het voorkomen van de beschadigings- en veranderingsprocessen die hem treffen kan de Regering bepaalde maatregelen nemen die nodig zijn voor de reglementering van : - de grondbewegingen en het beheer van de uitgegraven gronden; - het gebruik van de organische stoffen of de meststoffen die bestemd zijn om verspreid te worden in het kader van landbouwactiviteien of van de materies of stoffen die voor de samenstelling ervan gebruikt worden.
Daartoe kan zij de volgende maatregelen nemen : 1° de methodes bepalen voor de monsterneming en de analyse van die materies of stoffen, alsook van de bodems;2° laboratoria, dienstenverstrekkers en interveniënten erkennen volgens de regels die zij bepaalt;3° verplichtingen tot rapportage en gegevensoverdracht opleggen en een bank van authentieke data aanleggen;4° de verspreiding verbieden of beperken van organische stoffen of van meststoffen die bestemd zijn om in het kader van landbouwactiviteiten op bepaalde percelen verspreid te worden volgens een procedure die zij bepaalt; 5° onder de haar gestelde voorwaarden bepaalde bodemgebruiken regelen, alsook het gebruik van de organische stoffen of de meststoffen die bestemd zijn voor verspreiding in het kader van landbouwactiviteiten, volgens bepaalde bodemgebruiks- en aanwendingswijzen, incluis d.m.v. een gebruikscertificaat, een registratie of een administratieve machtiging; 6° onder de haar gestelde voorwaarden en volgens de door haar bepaalde procedureregels de invoering in het Waalse Gewest verbieden, modaliseren of beperken van organische stoffen of van meststoffen die voor verspreiding in het kader van landbouwactiviteiten bestemd zijn en die van andere Staten of gewesten afkomstig zijn, wanneer zij vaststelt dat het absorptievermogen van de bodems van een gedeelte of van het geheel van het Waalse Gewest overschreden is;7° het beheer van de organische stoffen, incluis door het al naar gelang van hun kenmerken en van de kenmerken van de ontvangende milieus gedifferentieerde gebruik ervan;8° het beheer van de uitgegraven gronden organiseren, incluis door het al naar gelang van hun kenmerken en van de kenmerken van de ontvangende milieus gedifferentieerde gebruik ervan;9° de erkenning organiseren van de instellingen belast met het beheer van de uitgegraven gronden. Al wie een bodem wijzigt of exploiteert zorgt ervoor dat erosie, waardoor de bodemkwaliteit op lange termijn aangetast kan worden, voorkomen wordt door geschikte methodes inzake landbouwtechniek en exploitatie, zoals een erosiebestendige inrichting van de percelen, erosiebestendige teelttechnieken, teeltrotatie. Art. 5.De exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van boek I van het Milieuwetboek en de bewaker van een terrein waar hetzij verontreinigingen zijn vastgesteld waarvan de concentratie hoger is dan de criteria vastgelegd in de artikelen 47 tot 49, hetzij afval is achtergelaten, zijn ertoe gehouden zo spoedig mogelijk de toezichthoudend ambtenaar en het gemeentecollege van betrokken gemeente(n) te verwittigen zodra ze weet hebben van de aanwezigheid van die polluenten.
Ze moeten de toezichthoudend ambtenaar, de eigenaar en betrokken gemeente(n) ook kennis geven van elk risico van verspreiding van de verontreiniging buiten het terrein zodra ze daar weet van hebben. Afdeling 4. - Onteigening en lasten
Art. 6.Op eigen initiatief of op verzoek van de drager van één van de plichten bedoeld in artikel 18 kan de Regering, met het oog op de uitvoering van de handelingen en werken tot sanering van het terrein, wegens openbaar nut laten overgaan tot de onteigening van de onroerende goederen. In voorkomend geval geschiedt de onteigening namens en voor rekening van de drager. Art. 7.De terreinen die het voorwerp zijn van onderzoeksmaatregelen, veiligheidsmaatregelen of van een sanering, alsook de naburige goederen, worden onderworpen aan de lasten die nodig zijn om ze tot een goed eind te brengen, incluis de toegang, de gebruiksbeperkingen, de uitvoering of de instandhouding van werken, handelingen en werkzaamheden.
De eigenaars en bezetters van die goederen worden vóór de uitvoering van die maatregelen verwittigd.
Er is geen vergoeding verschuldigd aan de houders van zakelijke of persoonlijke rechten op die goederen, behalve hun beroep tegen de verantwoordelijke. HOOFDSTUK II. - Waarden, register van de bodemconcentraties en databank Afdeling 1. - Waarden
Art. 8.Onverminderd de bijzondere waarden die in het bodemcontrolecertificaat vastliggen, bevat bijlage 1 bij dit decreet : - de referentiewaarden die toegepast moeten worden, ongeacht het gebruik van het terrein; - de drempelwaarden, de interventiewaarden en het toepassingsgebied ervan al naar gelang van de huidige of toekomstige feitelijke en rechtstoestand, o.a. het type gebruik van het terrein - natuurlijk, landbouwkundig, residentieel, recreatief of commercieel en industrieel -, zoals bepaald in bijlage 2 bij dit decreet.
De Regering is bevoegd om de bijlagen 1 en 2 bij besluit aan te vullen en te wijzigen, mits motivering. Die wijzigingen of aanvullingen worden binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van genoemd besluit bij decreet bekrachigd.
De Regering kan de regels vastleggen voor de weging van de referentie- en de drempelwaarden door de bodemconcentraties.
In afwijking van het eerste lid is het type natuurlijk gebruik van toepassing op de terreinen gelegen in een site Natura 2000 en op de terreinen die in aanmerking komen voor een beschermingsstatuut in de zin van de
wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1973
pub.
24/08/2010
numac
2010000473
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie
sluiten op het natuurbehoud en is het type landbouwkundig gebruik van toepassing op de terreinen gelegen in een preventiegebied van een grondwaterwinning.
Indien noch dit decreet noch de Regering de referentiewaarde, de drempelwaarde en de interventiewaarde betreffende een polluent overeenkomstig het eerste lid hebben vastgelegd, kan de administratie ze in haar in artikel 61 bedoelde beslissing vastleggen na advies van de door de Waalse Regering aangewezen instanties. Afdeling 2. - Bodemconcentraties
Art. 9.De gewestelijke kaart van de bodemconcentraties wordt door de administratie opgemaakt en bijgewerkt op basis van de beste beschikbare gegevens, incluis de gegevens die door de deskundigen verstrekt worden in het kader van de oriënterings- of karakteriseringsonderzoeken.
Die kaart wordt ter inzage van het publiek gelegd. Afdeling 3 - Databank betreffende de toestand van de bodems
Art. 10.De databank betreffende de toestand van de bodems bevat o.a. : 1° inventarissen van verontreinigde en potentieel verontreinigde terreinen; 2° bodemgegevens waarover de administratie beschikt, o.a. op grond van de gevoerde oriënterings- en karakteriseringsonderzoeken of, na afloop van de saneringshandelingen en -werken, op basis van de eindevaluaties bedoeld in artikel 67, § 3, of ingevolge de uitvoering van aanvullende werken bedoeld in dezelfde bepaling; 3° de bodemcontrolecertificaten betreffende de krachtens dit decreet onderzochte of gesaneerde terreinen, alsook de stukken waaruit blijkt dat een sanering goed is uitgevoerd overeenkomstig : - een saneringsplan zoals bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest of in artikel 35, § 2, van het fiscaal
decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
28/04/2008
numac
2008031206
bron
vlaamse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord gesloten op 23 oktober 2006 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie tot wijziging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 inzake bevordering van het toerisme en tot opheffing van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 1 oktober 1991 met het oog op het toevertrouwen van zekere opdrachten aan het « Office de Promotion du Tourisme » en op het delegeren van zekere bevoegdheden voor de toepassing van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de promotie van het toerisme
sluiten tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest; - een saneringsplan zoals bedoeld in artikel 681bis /67 van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming; - een herstelplan genomen bij toepassing van artikel 71 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning of van boek I van het Milieuwetboek. Art. 11.De administratie beheert de databank, alsook de verplichting tot verstrekking van gegevens aan de overheid en aan het publiek. Art. 12.De administratie wordt bijgestaan door een beheerscomité, dat haar voorstellen overlegt i.v.m. : - de modaliteiten voor de bevoorrading en het beheer van de databank betreffende de toestand van de bodems, alsook voor de mededeling van die gegevens; - de gegevens vervat in elke inventaris bedoeld in artikel 10, met voor elk geïnventariseerd terrein op zijn minst : 1° de kadastrale referenties;2° de identiteit van de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de lessee, de vruchtgebruiker of de uitbater van de inrichting die de installatie of de activiteit inhoudt;3° de gegevens betreffende de bodemkwaliteit waarover de overheid, de administratieve diensten of publieke actoren die onder de bevoegdheid van het Gewest vallen; - de termijnen waarbinnen de inventarissen opgemaakt en aan de gemeenten meegedeeld worden. Art. 13.Het beheerscomité bestaat uit : - twee vertegenwoordigers van de administratie Leefmilieu, van wie één het voorzitterschap van het comité waarneemt; - twee vertegenwoordigers van de administratie Ruimtelijke ordening; - twee vertegenwoordigers van de "SPAQuE"; - één vertegenwoordiger van het "ISSeP".
De Regering benoemt de gewone en plaatsvervangende leden van het beheerscomité. Zij bepaalt de modaliteiten voor de werking van het beheerscomité.
Het beheerscomité legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring aan de Regering over.
Het beheerscomité legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring aan de Regering over. Het maakt het ook aan het Parlement over. Art. 14.De overheden, de administratieve diensten of de publieke actoren die onder de bevoegdheid van het Gewest vallen, bezorgen de administratie op haar eerste verzoek en volgens de door haar vastgelegde modaliteiten de gegevens waarover ze beschikken en op grond waarvan inventarissen opgemaakt kunnen worden. Art. 15.De administratie richt de relevante gegevens aan de betrokken gemeenten en laat hen weten dat ze van plan is de geïnventariseerde terreinen op te nemen in de databank betreffende de toestand van de bodems, bedoeld in artikel 10, 1°.
Binnen dertig dagen na ontvangst verstrekt het gemeentecollege van elke betrokken gemeente de gegevens die hen betreffen : 1° aan de eigenaars, erfpachters, dragers van een recht van opstal, lessees en vruchtgebruikers;2° aan de exploitanten van de inrichtingen van installaties of activiteiten opgenomen in bijlage 3. De personen bedoeld in het tweede lid richten hun opmerkingen aan de gemeente binnen dertig dagen na de kennisgeving bedoeld in het tweede lid. Zoniet wordt geacht dat ze geen bezwaar te formuleren hebben.
Binnen honderdtwintig dagen na ontvangst van de gegevens van de administratie bezorgt het gemeentecollege de administratie de opmerkingen van de personen bedoeld in het tweede lid, aangevuld met de opmerkingen die het nuttig acht en met de gegevens waarvan het kennis heeft en waarmee de inventarissen aangevuld kunnen worden.
De termijnen bedoeld in de vorige leden worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus, alsook tussen 24 december en 1 januari.
Na onderzoek van de opmerkingen brengt de administratie desgevallend wijzigingen aan in de geïnventariseerde gegevens en vult ze de databank aan. Tegelijkertijd geeft ze de personen bedoeld in het tweede lid kennis van de wijzigingen die in de gegevens zijn aangebracht of van de redenen waarom ze geoordeeld heeft dat ze niet gewijzigd moesten worden. Art. 16.De overheden, de administratieve diensten of de publieke actoren die onder de bevoegdheid van het Gewest vallen bevoorraden rechtstreeks en actualiseren de databank betreffende de toestand van de bodems aan de hand van de lijst van de verontreinigde en potentieel verontreinigde terreinen waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden. Art. 17.De administratie organiseert de toegang tot de databank betreffende de toestand van de bodems onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bedoeld in de wetgeving betreffende het recht van toegang voor het publiek tot informatie over het leefmilieu.
In afwijking van het eerste lid hebben de drager van verplichtingen, de overheden, de administratieve diensten of de publieke actoren die onder de bevoegdheid van het Gewest vallen, de aankoopcomités, de notarissen, alsook de deskundigen en de controle-instanties rechtstreeks toegang tot de gegevens over de terreinen die hen betreffen en die opgenomen zijn in de databank betreffende de toestand van de bodems, mits inachtneming van de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
De gegevens opgenomen in de databank gelden tot het tegendeel wordt bewezen.
Binnen dertig dagen na de handeling geeft de instrumenterende notaris de administratie kennis van elke overdracht i.v.m. een terrein opgenomen in de databank betreffende de toestand van de bodems. Die informatie wordt verstrekt volgens de modaliteiten die door de Regering vastgelegd worden. HOOFDSTUK III. - Genererende elementen en dragers Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 18.Dit hoofdstuk identificeert de genererende elementen en de dragers van de volgende plichten : 1° overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen II en III van hoofdstuk IV van dit decreet : a) een oriënteringsonderzoek voeren;b) desgevallend een karakteriseringsonderzoek voeren;c) desgevallend een sanering uitvoeren; 2° overeenkomstig de artikelen 39, tweede lid, 4°, a., en vierde lid, 44, vierde en vijfde lid, en 67, § 3, tweede lid, veiligheidsmaatregelen nemen; 3° overeenkomstig artikel 67, § 3, eerste lid, 3°, opvolgingsmaatregelen nemen. Afdeling 2. - Genererende elementen
Art. 19.Iedereen die het wenst kan zich via een aan de administratie gerichte kennisgeving individueel onderwerpen aan de bepalingen van hoofdstuk IV. Bij gebrek aan kennisgeving wordt de vrijwillige onderwerping geacht te hebben plaatsgevonden door de toezending van een oriënteringsonderzoek volgens de vormen en de modaliteiten voorgeschreven in artikel 39.
Indien de wens om zich aan de bepalingen van hoofdstuk IV te onderwerpen betrekking heeft op verschillende terreinen waarvan de grond verontreinigd is of op verschillende zones waar afvalstoffen werden achtergelaten, onderwerpt de natuurlijke of rechtspersoon aan de goedkeuring van de administratie een onderzoeks- en saneringsprogramma met de lijst, de prioriteit en de data van de tenuitvoerlegging van de onderzoeken en saneringen die hij belooft in acht te nemen.
De toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV kan ook het voorwerp uitmaken van een milieuovereenkomst overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek. In dat geval bevat de milieuovereenkomst een onderzoeks- en saneringsprogramma met de lijst, de prioriteit en de data van de tenuitvoerlegging van de onderzoeken en saneringen die het representatief orgaan van ondernemingen belooft in acht te nemen.
In afwijking van de artikelen 39, tweede lid 2, 4°, b., en 62, § 1, 2°, c., wordt in beide gevallen geen zekerheid gesteld. Art. 20.De verplichtingen bedoeld in artikel 18 ontstaan op elk tijdstip, na beslissing van de administratie waarbij gewag wordt gemaakt van achtergelaten afval of gewezen wordt op serieuze tekens dat een bodemverontreiniging de drempelwaarden overschrijdt of dreigt te overschrijden. Daarnaast identificeert die beslissing het potentieel verontreinigde terrein en vermeldt ze in welke hoedanigheid de drager aangewezen wordt.
Behalve in geval van latere verontreiniging, neemt de administratie de in het eerste lid bedoelde beslissing niet in de volgende gevallen : 1° wanneer een saneringsproject is goedgekeurd of een controlecertificaat is afgegeven krachtens dit decreet;2° wanneer een saneringsplan in de zin van artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest of van artikel 35, § 2, van het fiscaal
decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
28/04/2008
numac
2008031206
bron
vlaamse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord gesloten op 23 oktober 2006 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie tot wijziging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 inzake bevordering van het toerisme en tot opheffing van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 1 oktober 1991 met het oog op het toevertrouwen van zekere opdrachten aan het « Office de Promotion du Tourisme » en op het delegeren van zekere bevoegdheden voor de toepassing van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de promotie van het toerisme
sluiten tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en in de zin van artikel 42 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen ontvankelijk is verklaard;3° wanneer een indicatief onderzoek van de site in de zin van artikel 681bis /63 van titel III van het ARAB is goedgekeurd;4° wanneer een herstelplan genomen overeenkomstig artikel 71 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning of boek I van het Milieuwetboek is goedgekeurd;5° wanneer de overschrijding van de drempelwaarden te wijten is aan een inbreng van stoffen conform het gebruikscertificaat afgegeven overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;6° in geval van vrijwillige onderwerping aan de bepalingen van hoofdstuk IV. Art. 21.§ 1. De verplichtingen bedoeld in artikel 18 ontstaan ambtshalve uit : - de overdracht van een terrein waarop een installatie of een activiteit gevestigd is of was die de grond kan verontreinigen en die opgenomen is op de lijst in bijlage 3 bij dit decreet, behalve indien ze uitsluitend de verwezenlijking beoogt van een netwerk voor de distributie of de sanering van water, elektriciteit, gas, telecommunicatie, tele-informatica of teledistributie; - de aanvraag tot milieuvergunning betreffende een installatie of een activiteit gelegen op een terrein opgenomen op de lijst in bijlage 3 bij dit decreet; - het faillissement of de opheffing van een activiteit opgenomen op de lijst in bijlage 3 bij dit decreet; in dit geval worden de plichten van de faillietverklaarde voor zijn rekening ten laste genomen door de curator; - elke onderbroken exploitatie van een activiteit of installatie opgenomen op de lijst in bijlage 3 bij dit decreet; - milieuschade die de bodems treft in de zin van artikel D.94, 1, c), van Boek I van het Milieuwetboek.
In dit geval wordt de administratie onmiddellijk verwittigd door de drager.
De Regering is bevoegd om bijlage 3 bij besluit aan te vullen en te wijzigen, mits motivering. Die wijzigingen en aanvullingen worden binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van genoemd besluit bij decreet bekrachtigd. § 2. Bij wijze van afwijking, ontstaan die verplichtingen, behalve in geval van latere verontreiniging, niet ambtshalve in de volgende gevallen : 1° wanneer een saneringsproject is goedgekeurd of een controlecertificaat is afgegeven krachtens dit decreet;2° wanneer een saneringsplan in de zin van artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest of van artikel 35, § 2, van het fiscaal
decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
28/04/2008
numac
2008031206
bron
vlaamse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord gesloten op 23 oktober 2006 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie tot wijziging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 inzake bevordering van het toerisme en tot opheffing van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 1 oktober 1991 met het oog op het toevertrouwen van zekere opdrachten aan het « Office de Promotion du Tourisme » en op het delegeren van zekere bevoegdheden voor de toepassing van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de promotie van het toerisme
sluiten tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en in de zin van artikel 42 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen ontvankelijk is verklaard;3° wanneer een indicatief onderzoek van de site in de zin van artikel 681bis /63 van titel III van het ARAB is goedgekeurd;4° wanneer een herstelplan genomen overeenkomstig artikel 71 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning of boek I van het Milieuwetboek is goedgekeurd;5° wanneer de overschrijding van de drempelwaarden te wijten is aan een inbreng van stoffen die het voorwerp heeft uitgemaakt van een gebruikscertificaat overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;6° in geval van vrijwillige onderwerping aan de bepalingen van hoofdstuk IV. § 3. Om na te gaan of de overdracht aanleiding heeft gegeven tot het ambtshalve ontstaan van de verplichtingen bedoeld in artikel 18, raadpleegt de notaris de databank betreffende de toestand van de bodems. § 4. Elke overdracht die aanleiding geeft tot het ambtshalve ontstaan van de verplichtingen bedoeld in artikel 18 wordt onweersprekelijk geacht te zijn gesloten onder de volgende opschortende voorwaarden : - de uitvoering van een oriënteringsonderzoek door een erkend bureau, o.a. om een eventuele verontreiniging van het terrein te kunnen vaststellen; - in voorkomend geval, de verplichting tot uitvoering van een karakteriseringsonderzoek; - indien de sanering nodig is, is de prijs ervan, gecumuleerd met de veiligheids- of opvolgingsmaatregelen, niet hoger dan een bedrag vastgelegd door de medecontractanten en, bij gebreke daarvan, dan een bedrag dat minstens gelijk is aan vijf twaalfde van de prijs van de overdracht of van de tegenwaarde ervan of, bij gebreke daarvan, van de handelswaarde van bedoeld terrein zoals vastgelegd in de fiscale aangiften van de handeling. § 5. Behalve andersluidende bepaling, wordt de duur van die opschortende voorwaarde geacht te zijn gesloten voor twee jaar, te rekenen van de datum van ondertekening van de overeenkomst, en, bij gebrek aan bewijs hiervan, van de datum van ondertekening door de eerste instrumentum; na afloop van de termijn die onder deze voorwaarde valt, is de overdracht nietig verklaarbaar op verzoek van de cessionaris of van de Regering indien één van de verplichtingen vermeld in de artikelen 18, 1°, a en b, alsook in § 1 van dit artikel, niet werd nagekomen, onder voorbehoud van de toepassing van § 6. § 6. Na de uitvoering van het karakteriseringsonderzoek kan de Regering, op verzoek van alle partijen, de overdracht bevestigen en, desgevallend, haar een definitief karakter verlenen, voor zover de cedent het in § 7 bedoelde pand stelt in de handen van de instrumenterende notaris. § 7. In het geval bedoeld in § 6, mag de administratie toelaten dat een pand op effecten of bedragen, zoals geregeld bij de
wet van 15 december 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/12/2004
pub.
01/02/2005
numac
2005003036
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten
sluiten betreffende financiële zekerheden, of een hypotheek ter dekking van de prijs van de sanering, in voorkomend geval gecumuleerd met de veiligheids- of opvolgingsmaatregelen, incluis de kosten voor het stellen van die zekerheden, gesteld wordt in de handen van de instrumenterende notaris, die er het bedrag van vastlegt.
Het pand bedoeld in het vorige lid wordt gesteld door het storten van een borgsom op een rekening gerubriceerd op naam van de cedent, op het kantoor van de instrumenterende notaris. De notaris stort bedoelde effecten of sommen op het eerste verzoek van de Regering zonder dat de cedent een motief van verzet tegen het storten van het pand kan laten gelden.
De inschrijving, hernieuwing, vermindering en gehele of gedeeltelijke schrapping van de hypoteek bedoeld in het vorige lid geschieden overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van de wet van 16 december 1851 tot herziening van het hypothecaire stelsel. § 8. Indien de overdracht aanleiding geeft tot het ambsthalve ontstaan van de verplichtingen bedoeld in artikel 18, zijn de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en de tenlasteneming van de desbetreffende kosten voor rekening van de cedent en, in geval van verdeling, voor rekening van de massa, onverminderd de beroepen tegen de in artikel 22 aangewezen dragers van de plichten en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 19. Afdeling 3. - Dragers van de plichten
Onderafdeling 1. - Identificatie van de dragers Art. 22.§ 1. De dragers van de plichten bedoeld in artikel 18 zijn, desgevallend tegelijkertijd, : 1° degene die, overeenkomstig artikel 19, toepassing maakt van de bepalingen van hoofdstuk IV;2° de door de administratie aangewezen auteur of vermoedelijke auteur van de verontreiniging van de bodem of van het achterlaten van afval;3° de exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van Boek I van het Milieuwetboek : a) wanneer de auteur of vermoedelijke auteur niet geïdentificeerd kan worden of wanneer alle vermoedelijke auteurs moeilijk identificeerbaar zijn;b) wanneer de auteur of vermoedelijke auteur niet verantwoordelijk gesteld kan worden of wanneer de verantwoordelijkheid van alle auteurs moeilijk vast te stellen is;c) wanneer de auteur of vermoedelijke auteur insolvent is of over onvoldoende financiële zekerheden beschikt;4° bij gebreke daarvan, de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de vruchtgebruiker, de lessee van het terrein aangewezen door de administratie : a) wanneer geen andere drager geïdentificeerd kan worden of wanneer hij moeilijk te indentificeren is;b) wanneer elke andere drager insolvent is of over onvoldoende financiële zekerheden beschikt. § 2. Wanneer een publiekrechtelijke maatschappij belast wordt met de herinrichting van een site in de zin van artikel 167, 2°, van het CWATUPe, in geval van ernstige dreiging en indien de verantwoordelijke voor de verontreiniging niet zelf heeft gesaneerd, kan de Regering de publiekrechtelijke maatschappij desgevallend ermee belasten de sanering overeenkomstig dit decreet uit te voeren. § 3. Indien de drager van de plichten bedoeld in artikel 18 failliet verklaard is, het voorwerp uitmaakt van een beslaglegging of van een collectieve schuldenregeling, worden de stappen i.v.m. de plichten waarin deze bepaling voorziet ambtshalve ondernomen door : - de curator, voor rekening van de massa; - de gevolmachtigde notaris, voor rekening van de beslag leggende schuldeisers; - de bemiddelaar, voor rekening van de persoon die voor schuldbemiddeling in aanmerking komt.
De schulden i.v.m. de uitvoering van het oriënteringsonderzoek, het karakteriseringsonderzoek, de sanering, alsook de veiligheids- en opvolgingsmaatregelen, incluis de kosten voor het stellen van de zekerheden bedoeld in artikel 21, zijn ten laste van de massa. § 4. De Regering beschikt over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de dragers van de plichten bedoeld in artikel 18 en kan een wettelijke hypotheek op alle goederen van die personen vestigen.
Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851.
Onderafdeling 2. - Motieven van vrijstelling Art. 23.Er wordt een vrijstelling van de in de in artikel 18 bedoelde verplichtingen verleend aan de drager die het bewijs levert dat een derde zijn plaats heeft ingenomen onder de volgende voorwaarden : 1° de derde heeft zich uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk ertoe verbonden alle verplichtingen van de drager na te komen;2° de administratie heeft akte gegeven aan de derde volgens de modaliteiten bepaald bij artikel 60 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning;3° de derde heeft de zekerheid gesteld die eventueel verlangd wordt van de drager. Indien de derde die de plaats van de drager heeft ingenomen een organisatie inzake bodemsanering is die de Regering erkend heeft onder de voorwaarden en volgens de procedure die zij bepaalt, legt die organisatie jaarlijks een onderzoeks- en saneringsprogramma ter goedkeuring aan de administratie over, met de lijst, de prioriteit en de data betreffende de uitvoering van de onderzoeken en saneringen die zij belooft in acht te nemen.
Er wordt eveneens een vrijstelling van de in de in artikel 18 bedoelde verplichtingen verleend aan de drager aangewezen overeenkomstig artikel 22, § 1, 2°, 3° of 4°, indien hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 24 en 25. Art. 24.Onverminderd artikel 23, eerste lid, wordt de in artikel 23, derde lid, bedoelde vrijstelling verleend aan de auteur of vermoedelijke auteur van de bodemverontreiniging of van het achterlaten van afval of aan de exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van Boek I van het Milieuwetboek indien hij zich in één van de volgende gevallen bevindt : 1° de bodemverontreiniging of het achterlaten van afval zijn te wijten aan het feit van een derde met uitsluiting van een cessionaris van vergunning, ondanks de geschikte veiligheidsmaatregelen genomen door de auteur of vermoedelijke auteur;2° hij heeft van tevoren een document van de bevoegde overheid ontvangen waaruit blijkt dat een sanering goed is uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de desbetreffende wetgeving inzake milieuvergunning, afval, grondwateren, steengroeven of steenbergen;3° hij heeft geen fout of nalatigheid begaan en de verontreiniging vormde naar wetenschappelijke en technische normen geen ernstige dreiging toen ze gegenereerd werd; 4° hij levert het bewijs dat hij geen fout of nalatigheid begaan heeft en dat de milieuschade te wijten is aan een emissie of aan een gebeurtenis die na 30 april 2007 plaatsgevonden heeft, die uitdrukkelijk is toegelaten en die voldoet aan de voorwaarden i.v.m. een toestemming of een vergunning die van toepassing is op de datum van de emissie of gebeurtenis. Art. 25.Onverminderd artikel 23, eerste lid, wordt de in artikel 23, derde lid, bedoelde vrijstelling verleend aan de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de vruchtgebruiker, de lessee van het terrein die het bewijs levert dat hij zich in één van de volgende gevallen bevindt : 1° de aanwezigheid van de polluenten is te wijten aan een migratie die van buiten komt;2° er werd een bodemcontrolecertificaat afgegeven;3° hij heeft van tevoren een document van de bevoegde overheid ontvangen waaruit blijkt dat een sanering goed is uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de desbetreffende wetgeving inzake milieuvergunning, afval, grondwateren, steengroeven of steenbergen;4° hij heeft geen fout of nalatigheid begaan en de verontreiniging vormde naar wetenschappelijke en technische normen geen ernstige dreiging toen ze gegenereerd werd; 5° hij levert het bewijs dat hij geen fout of nalatigheid begaan heeft en dat de milieuschade te wijten is aan een emissie of aan een gebeurtenis die uitdrukkelijk is toegelaten en die voldoet aan de voorwaarden i.v.m. een toestemming of een vergunning die van toepassing is op de datum van de emissie of gebeurtenis en die na 30 april 2007 is afgegeven overeenkomstig een regelgeving bedoeld in bijlage I bij het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek voor de exploitatie van een activiteit die erin vermeld staat. Art. 26.De vrijstellingsprocedure verloopt als volgt : 1° binnen zestig dagen, te rekenen van de datum van kennisgeving van de beslissing van de administratie bedoeld in artikel 20, richt de drager aan de administratie een gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling, samen met elk bewijsstuk dat hij nuttig acht;die termijn wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari; 2° op straffe van onontvankelijkheid van zijn aanvraag, informeert de drager gelijktijdig de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de vruchtgebruiker, de lessee en, desgevallend, de exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van Boek I van het Milieuwetboek en levert hij het bewijs daarvan aan de administratie; 3° de drager en, desgevallend, de exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van Boek I van het Milieuwetboek, de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de vruchtgebruiker of de lessee wordt op zijn verzoek door de administratie gehoord; 4° de administratie vermeldt desgevallend in haar beslissing de redenen waarom zij oordeelt dat de overeenkomstig een andere milieuwetgeving uitgevoerde sanering geschikt is t.o.v. de doelstellingen van dit decreet; 5° de administratie geeft de drager en, desgevallend, de exploitant in de zin van artikel D.94, 6°, van Boek I van het Milieuwetboek, de eigenaar, de erfpachter, de drager van een recht van opstal, de vruchtgebruiker of de lessee kennis van haar beslissing binnen negentig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag bedoeld in 1° of, indien de drager gehoord wordt, binnen dertig dagen na de datum van het verhoor; Bij gebreke daarvan kan de drager een aanmaning tot uitspraak sturen. Indien de administratie niet binnen dertig dagen na ontvangst van de aanmaning kennis geeft van haar beslissing i.v.m. de aanvraag tot vrijstelling, wordt de aanvraag geacht te zijn verworpen.
De indiening van de aanvraag tot vrijstelling schort de verplichtingen van artikel 18 op totdat de administratie zich uitspreekt. HOOFDSTUK IV. - Verloop van de onderzoeken en van de sanering van het terrein Afdeling 1. - Laboratoria en deskundigen
Art. 27.§ 1. Het oriënteringsonderzoek, het karakteriseringsonderzoek, het saneringsproject en het toezicht op de handelingen en werken tot sanering van het terrein worden gevoerd door een deskundige die overeenkomstig dit decreet erkend is.
De bij dit decreet bepaalde analyses worden door erkende laboratoria uitgevoerd.
De Regering kan de modaliteiten voor de monsternemingen vastleggen. § 2. De Regering bepaalt onder welke voorwaarden een erkenning verleend wordt.
Die voorwaarden slaan in elk geval op : 1° de bevoegdheden die de aanvrager moet voorleggen;2° de technische middelen waarover hij beschikt;3° de vereiste morele garanties. Art. 28.De erkenningsaanvraag wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aan de administratie gericht door middel van een formulier waarvan de Regering het model bepaalt.
De Regering bepaalt de inhoud van de aanvraag.
De aanvraag tot laboratoriumserkenning bevat een technisch onderzoek en een audit die door het "ISSeP" uitgevoerd worden.
In geval van hernieuwing van erkenning wordt de erkenningsaanvraag honderdtwintig dagen vóór de vervaldatum van de lopende erkenning verstuurd. Art. 29.Binnen dertig dagen, te rekenen van de datum waarop zij die aanvraag in ontvangst neemt, stuurt de administratie haar beslissing waarbij de erkenningsaanvraag volledig en ontvankelijk bevonden werd aan de aanvrager, bij ter post aangetekend schrijven of via een verzending die vaste datum verleent.
Als de aanvraag onvolledig is, wijst de administratie de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt vervolgens over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de aanvullende stukken bij aangetekend schrijven of via elke verzending die vaste datum verleent aan de administratie te sturen.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvullende stukken stuurt de administratie haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden werd naar de aanvrager. Indien de aanvraag een tweede keer onvolledig bevonden wordt door de administratie, wordt ze onontvankelijk verklaard. Indien de aanvraag onontvankelijk is, wijst de administratie de aanvrager, onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in het eerste lid of, desgevallend, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, op de motieven van de onontvankelijkheid.
Indien de administratie de aanvrager geen beslissing heeft toegestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in het derde lid, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt het onderzoek voortgezet. Art. 30.De administratie stuurt haar beslissing, bij ter post aangetekend schrijven of via een verzending die vaste datum verleent, aan de aanvrager binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van : 1° de dag waarop ze haar beslissing heeft verstuurd waarbij de aanvraag ontvankelijk werd bevonden;2° zoniet, de dag na afloop van de termijn die haar toegestaan werd om haar beslissing te versturen waarbij de aanvraag ontvankelijk bevonden werd.2° Bij gebrek aan verzending binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, wordt de erkenning geacht geweigerd te zijn. Art. 31.De erkenning loopt hoogstens vijf jaar. Die duur is verlengbaar. De erkenning bevat een nummer dat voorkomt op elk document dat de houder ervan aan de administratie richt. Art. 32.In geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag, waarvan de inhoud door de Regering bepaald wordt, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de administratie.
Indien de administratie oordeelt dat de vermelde wijzigingen van dien aard zijn dat ze een wijziging, een opschorting of een intrekking van de erkenning rechtvaardigen, geeft ze de houder van de erkenning kennis daarvan binnen dertig dagen.
De houder van de erkenning beschikt met ingang van de datum van ontvangst van dat schrijven over een termijn van zestig dagen om de administratie kennis te geven van de maatregelen die hij overweegt te nemen om gevolg te geven aan haar opmerkingen. Art. 33.Wanneer de administratie oordeelt dat één of meer rapporten of studies onvoldoende of onvolledig zijn, kan ze een waarschuwing richten aan de houder van de erkenning. Haar beslissing wordt verstuurd bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of via een verzending die vaste datum verleent. Art. 34.§ 1. De erkenning kan opgeschort of ingetrokken worden : : 1° indien de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn;2° indien de administratie oordeelt dat de kwaliteit van de prestaties van de houder van de erkenning kennelijk onvoldoende zijn;3° indien de regels die de Regering aan de houder van de erkenning heeft opgelegd niet acht genomen worden. § 2. Indien de administratie van plan is een erkenning op te schorten of in te trekken, geeft ze de houder kennis daarvan bij aangetekend schrijven of via een verzending die vaste datum verleent. Daarbij : 1° vermeldt ze de motieven van de opschorting of de intrekking;2° vermeldt ze de duur van de opschorting of de intrekking;3° verzoekt ze de houder van de erkenning erom zijn opmerkingen te laten gelden binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de datum van kennisgeving van het schrijven waarin hij op de hoogte wordt gebracht van de bedoeling tot opschorting of intrekking van de erkenning. In geval van opschorting vermeldt ze duur daarvan. § 3. Binnen vijfenveertig dagen, met ingang van de datum van kennisgeving van het schrijven bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, stuurt de administratie de houder van de erkenning haar beslissing toe waarbij uitspraak wordt gedaan over de opschorting of de intrekking, bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of via een verzending die vaste datum verleent.
In geval van opschorting vermeldt ze duur daarvan. Art. 35.De aanvrager kan bij de Regering een beroep instellen tegen de beslissing of het gebrek aan beslissing bedoeld in artikel 30 of tegen de beslissing bedoeld in artikel 34, § 3.
Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij ter post aangetekend schrijven of via elke andere modaliteit die vaste datum verleent aan de Regering gericht binnen een termijn van twintig dagen, die ingaat op de datum van ontvangst van de beslissing of van de termijn waarbinnen zij genomen had moeten worden. Die termijn wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.
De Regering geeft kennis van haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van ontvangst van het beroep.
Bij gebrek aan kennisgeving binnen bovenbedoelde termijn wordt het beroep verworpen. Art. 36.De Regering kan voorwaarden stellen waaronder natuurlijke of rechtspersonen die over een erkenning of een gelijkwaardige titel beschikken om in een ander Gewest of in een andere Lid-staat van de Europese Unie dezelfde activiteiten uit te oefenen als die bedoeld in artikel 27, § 1, gelijk gesteld kunnen worden met de personen die als deskundige in de zin van dit decreet over een erkenning beschikken. Afdeling 2. - Onderzoeken
Onderafdeling 1. - Oriënteringsonderzoek Art. 37.Het oriënteringsonderzoek dient om de eventuele aanwezigheid van een verontreiniging in de bodem op te sporen en om, desgevallend, een eerste omschrijving en raming van de omvang daarvan te geven. Art. 38.Het oriënteringsonderzoek wordt binnen negentig dagen na het ontstaan van het element dat de in artikel 18 bedoelde verplichtingen gegenereerd heeft door de houder in drie exemplaren aan de administratie gericht. Indien het generende element een beslissing van de administratie is, gaat die termijn in op de datum van kennisgeving ervan.
Het bevat : 1° algemene informatie en o.a. de eventuele gegevens over bedoeld terrein die opgenomen zijn in de databank betreffende de toestand van de bodems en de toepasbare waarden, met inbegrip van de bodemconcentraties vermeld op de gewestelijke kaart van de bodemconcentraties; 2° een historisch overzicht van de locatie en van de lopende exploitatie;3° pedologische, geologische, hydrologische en hydrogeologische gegevens;4° gegevens over de monsternemingsstrategieën en -plannen, de boringen, de monsternemingen en de verpakkingen van monsters, alsook de analysemethodes en -resultaten; 5° aanbevelingen i.v.m. de veiligheidsmaatregelen die eventueel genomen moeten worden; 6° een analyse om vast te stellen of al dan niet een risicoanalyse nodig is;7° de conclusies en voorstellen van de deskundige.Indien de deskundige veiligheidsmaatregelen voorstelt, worden die door de drager van verplichtingen genomen zonder te wachten op de beslissing van de administratie waarbij uitspraak over het onderzoek wordt gedaan; 8° de eventuele voorstellen van bodemconcentraties;9° desgevallend, een voorstel van bodemcontrolecertificaat. De Regering kan de inhoud van het oriënteringsonderzoek nader bepalen.
Het rapport en een overzicht van de gegevens worden eveneens langs de elektronische weg verstrekt volgens de door de administratie bepaalde modaliteiten.
De administratie kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen op gemotiveerd verzoek. Art. 39.De administratie stuurt haar beslissing waarbij zij zich over het onderzoek uitspreekt binnen dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het oriënteringsonderzoek, aan de drager.
Uit die beslissing wordt één van de volgende conclusies afgeleid : 1° het onderzoek is niet conform indien de inhoud ervan niet beantwoordt aan de doelstelling bedoeld in artikel 37 of de in artikel 38, tweede lid, bedoelde gegevens niet bevat;2° het onderzoek moet aangevuld worden;3° er is geen ander onderzoek nodig;4° er moet een karakteriseringsonderzoek uitgevoerd worden indien de drempelwaarden of de bijzondere waarden, gewogen door de bodemconcentraties, overschreden zijn voor één of meer geanalyseerde stoffen.In dat geval kan ze bovendien : a) veiligheidsmaatregelen opleggen totdat over het karakteriseringsonderzoek beslist wordt;b) de drager ertoe verplichten binnen de door haar voorgeschreven termijn een financiële zekerheid te stellen volgens de modaliteiten bepaald bij artikel 55 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning;c) het voeren van een risico-onderzoek opleggen;5° er moet een saneringsproject uitgevoerd worden in geval van achterlating van afval in de zin van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalsoffen indien de drempelwaarden of de bijzondere waarden niet overschreden zijn aan de rand van de afval;in dat geval bepaalt de administratie binnen welke termijn het saneringsproject haar overgelegd moet worden.
In dat geval kan ze bovendien : a) veiligheidsmaatregelen opleggen totdat er over het saneringsproject beslist wordt;b) de drager ertoe verplichten binnen de haar voorgeschreven termijn een financiële zekerheid te stellen volgens de modaliteiten bepaald bij artikel 55 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning;c) besluiten tot de noodzaak om een risico-onderzoek te voeren;6° de grenzen van het potentieel verontreinigde terrein moeten uitgebreid worden.Desgevallend wordt de procedure opgeschort gedurende de periode die nodig is voor het voeren van het aanvullende oriënteringsonderzoek en voor het versturen van de beslissing van de administratie i.v.m. dat onderzoek.
In het geval bedoeld in het tweede lid, 3°, gaat de beslissing vergezeld van een bodemcontrolecertificaat dat, desgevallend, veiligheids- of opvolgingsmaatregelen oplegt. De administratie richt op dezelfde dag een bodemcontrolecertificaat aan de eigenaar indien hij de drager niet is.
Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, wordt ze geacht te zijn vastgelegd op grond van de conclusies van het oriënteringsonderzoek. Er kan beroep ingesteld worden overeenkomstig hoofdstuk V. Art. 40.Indien de administratie overeenkomstig artikel 39, tweede lid, 2°, een aanvullend onderzoek oplegt, vermeldt ze de termijn waarbinnen het haar toegestuurd moet worden. Ze verstuurt haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het aanvullende onderzoek. Art. 41.Er wordt geen oriënteringsonderzoek op bedoeld terrein gevoerd indien : 1° sinds minder dan twee jaar vóór het ontstaan van het element dat aan de basis ligt van de verplichting tot het voeren van dergelijk onderzoek het terrein al het voorwerp is geweest van een oriënteringsonderzoek bedoeld in de artikelen 37 en 38;2° de handelingen en werken tot sanering overeenkomstig een saneringsplan zoals bedoeld bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest of overeenkomstig artikel 35, § 2, van het fiscaal
decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
28/04/2008
numac
2008031206
bron
vlaamse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord gesloten op 23 oktober 2006 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie tot wijziging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 inzake bevordering van het toerisme en tot opheffing van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 1 oktober 1991 met het oog op het toevertrouwen van zekere opdrachten aan het « Office de Promotion du Tourisme » en op het delegeren van zekere bevoegdheden voor de toepassing van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de promotie van het toerisme
sluiten tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest of van een saneringsplan zoals bedoeld in artikel 681bis /67 van het ARAB of van een herstelplan genomen bij toepassing van artikel 71 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999031161
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende de milieuvergunning of van boek I van het Milieuwetboek in uitvoering zijn;3° de administratie verleent een vrijstelling van uitvoering van een dergelijk onderzoek, hetzij op verzoek van de drager van de verplichting, hetzij op eigen initiatief.In dit geval vermeldt de beslissing van de administratie de redenen waarom ze oordeelt dat een dergelijk onderzoek niet nodig is. De artikelen 42 en volgende zijn van toepassing.
In afwijking van het eerste lid, 1° tot 3°, kan de administratie een oriënteringsonderzoek opleggen indien blijkt dat noemenswaardige elementen zijn ontstaan en dat die niet in overweging genomen werden of konden worden bij de uitvoering van het vorige onderzoek, de saneringshandelingen en -werken, of bij de afgifte van het bodemcontrolecertificaat. De administratie kan de in de artikelen 39, 40, 45 en 67, § 3, wijzigen of opheffen binnen dertig dagen na ontvangst van bedoeld onderzoek.
Onderafdeling 1. - Karakteriseringsonderzoek Art. 42.Het karakteriseringson …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.