← België

Koninklijk besluit houdende coördinatie van de wet van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging en van de wet van 10 juni 2006 tot

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit coördineert twee wetten van 10 juni 2006: één over de bescherming van economische mededinging en één over de oprichting van een Raad voor de Mededinging. Het doel is om de regels voor eerlijke concurrentie en het toezicht daarop te bundelen in één gecoördineerde tekst.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
15 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende coördinatie van de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot bescherming van de economische mededinging en van de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot oprichting van een Raad voor de Mededinging ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 13 juni 1961Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1961 pub. 27/07/2012 numac 2012000458 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de coördinatie en codificatie van wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen, inzonderheid op artikel 113; Gelet op de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot bescherming van de economische mededinging; Gelet op de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot oprichting van een Raad voor de Mededinging; Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.De bepalingen van de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot bescherming van de economische mededinging en van de wet van 10 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011269 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 10/06/2006 pub. 29/06/2006 numac 2006011270 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging sluiten tot oprichting van een Raad voor de Mededinging worden gecoördineerd volgens de bij dit besluit gevoegde tekst. Art. 2.De coördinatie heeft als opschrift : "Wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 15 september 2006". Art. 3.Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006. Art. 4.Onze minister die de Economie in zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, M. VERWILGHEN Bijlage Wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 15 september 2006 HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° onderneming : alle natuurlijke of rechtspersonen, die op duurzame wijze een economisch doel nastreven;2° machtspositie : de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;3° minister : de Minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft; 4° Belgische mededingingsautoriteit : de Raad voor de Mededinging en de Dienst voor de Mededinging bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden bepaald in deze wet. De Belgische mededingingsautoriteit is de mededingingsautoriteit die bevoegd is om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. HOOFDSTUK II. - Mededingingspraktijken Afdeling 1. - Restrictieve mededingingspraktijken Art. 2.§ 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in : 1° het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. § 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. § 3. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op : 1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, 2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en 3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen : a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Art. 3.Het is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing nodig is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in : 1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Art. 4.De bij artikel 2, § 1, en artikel 3 bedoelde praktijken worden hierna restrictieve mededingingspraktijken genoemd. Art. 5.Het verbod van artikel 2, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarvoor door een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een verordening of een beschikking van de Europese Commissie artikel 81, lid 3, van het EG-verdrag van toepassing is verklaard. Het verbod van artikel 2, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die zouden genieten van de bescherming door een verordening als bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen. Het verbod van artikel 2, § 1, is niet van toepassing op categorieën van overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel 50. Afdeling 2. - Concentraties Art. 6.§ 1. Voor de toepassing van deze wet komt een concentratie tot stand indien er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit : 1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen, of 2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze -, rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan. § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van § 1, 2°. § 3. Voor de toepassing van deze wet berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name : 1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen. § 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen : 1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, of 2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen. § 5. Geen concentratie in de zin van § 1 komt tot stand : 1° indien kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van effecten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze ondernemingen te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving;deze termijn bedraagt twee jaar wanneer de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen. 2° indien de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijke of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening.3° indien de in § 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatiemaatschappijen zoals bedoeld in artikel 5, 3, van de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 gebaseerd op artikel 54, lid 3, punt g) van het Verdrag en betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen. Art. 7.§ 1. De bepalingen van deze afdeling zijn slechts van toepassing wanneer de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel 86 bedoelde criteria, van meer dan 100 miljoen euro totaliseren en minstens twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet realiseren van minstens 40 miljoen euro. § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad en de Commissie voor de Mededinging, de drempels bedoeld in § 1 verhogen. § 3. Om de drie jaar gaat de algemene vergadering van de Raad over tot een toetsing van de drempels bedoeld in § 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen. Met het oog op deze toetsing brengt het Auditoraat aan de algemene vergadering van de Raad een advies uit. Art. 8.§ 1. Voor de concentraties is de voorafgaande goedkeuring nodig van de kamer van de Raad voor de Mededinging die gevat werd, hierna de kamer van de Raad genoemd, die vaststelt of ze al of niet toelaatbaar zijn. § 2. Bij de in § 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met : 1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging. § 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard. § 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard. § 5. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 6, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 2, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is. Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met : 1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen. § 6. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad als ontoelaatbaar wordt beschouwd, volgens de nadere regels vervat in artikel 60. Art. 9.§ 1. De concentraties bedoeld in deze wet worden bij het Auditoraat aangemeld vóór hun totstandbrenging en na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. In het geval van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil, kunnen de partijen eveneens een ontwerp aanmelden wanneer zij hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod publiekelijk hebben aangekondigd. § 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel 6, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 6, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over een of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft. § 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld bij § 1 worden bepaald door de Koning. De algemene vergadering van de Raad kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen. § 4. Tot de kamer van de Raad een beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen. § 5. De voorgaande paragraaf belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel 6 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits 1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij het Auditoraat wordt aangemeld, en 2° de verkrijger de aan de betrokken effecten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de kamer van de Raad overeenkomstig § 6 verleende ontheffing. § 6. Onverminderd het bepaalde in § 5, kan de kamer van de Raad op verzoek van de partijen, op elk ogenblik ontheffing verlenen van de in § 4 bepaalde verplichting. In dat geval vraagt de kamer van de Raad dat de auditeur binnen twee weken na de indiening van van het verzoek een verslag neerlegt, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen. § 7. De kamer van de Raad kan haar beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en lasten. Art. 10.De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Commissie, met inbegrip van concentraties die bij toepassing van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen zijn verwezen naar de Europese Commissie, zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld bij deze wet. Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door deze wet, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. In dit geval dienen de partijen de concentratie opnieuw aan te melden bij het Auditoraat overeenkomstig artikel 9. HOOFDSTUK III. - Organen Afdeling 1. - De Raad voor de Mededinging Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 11.§ 1. Er wordt een Raad voor de Mededinging opgericht. Deze Raad is een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid van beslissing heeft, alsmede de andere bevoegdheden die hem door deze wet worden toegekend. § 2. De Raad voor de Mededinging is samengesteld uit : 1° de algemene vergadering van de Raad;2° het Auditoraat;3° de griffie. § 3. De Raad heeft de bevoegdheid om mededelingen vast te stellen met betrekking tot de toepassing van deze wet. § 4. De Raad voor de Mededinging zendt jaarlijks een verslag over de toepassing van deze wet aan de minister en aan de Wetgevende Kamers. De Raad voor de Mededinging publiceert dit verslag. De beslissingen en voorstellen van de Raad voor de Mededinging, de arresten van het Hof van beroep te Brussel en van het Hof van Cassatie en de beslissingen van de Ministerraad worden bij dit verslag gevoegd. Onderafdeling 2. - Raadsleden van de Raad voor de Mededinging Art. 12.§ 1. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit twaalf raadsleden. De voorzitter, de ondervoorzitter en vier raadsleden oefenen hun ambt voltijds uit. § 2. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het aantal raadsleden verhogen. Art. 13.De voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden van de Raad worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Hun mandaat heeft een duur van zes jaar, met dien verstande dat na drie jaar de voorzitter en de ondervoorzitter onderling van functie wisselen. Het is hernieuwbaar. De voorzitter en de ondervoorzitter bewijzen hun kennis van de Nederlandse en Franse taal. De raadsleden blijven hun mandaat uitoefenen zolang niet voorzien is in hun vervanging, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 18, § 3. Art. 14.Niemand kan tot raadslid worden benoemd indien hij geen houder is van een diploma van master. Art. 15.§ 1. De voorzitter en de ondervoorzitter zijn houder van een diploma de ene in de Franse taal en de andere in de Nederlandse taal. De helft van de raadsleden zijn houder van een diploma in de Franse taal en de andere helft in de Nederlandse taal. De voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden bewijzen hun functionele kennis van de Engelse taal. Ten minste een raadslid bewijst zijn functionele kennis van de Duitse taal. Ten hoogste drie vierde van de raadsleden mogen drager zijn van een diploma van eenzelfde studiegebied. § 2. Magistraten kunnen benoemd worden in de Raad voor de Mededinging, met inachtneming van artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 16.Om tot voorzitter, ondervoorzitter of raadslid in de zin van artikel 12, § 1, te kunnen worden benoemd, is de kandidaat geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de maturiteit te evalueren, alsmede de capaciteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. Hij brengt bovendien het bewijs aan van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie. Art. 17.De wedde van de raadsleden wordt als volgt bepaald : 1° De voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van de eerste voorzitter van de Raad van State;zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn. 2° De andere voltijdse raadsleden ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van een staatsraad;zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn. 3° De raadsleden die hun mandaat niet voltijds uitoefenen, ontvangen een wedde die gelijk is aan de wedde bedoeld in 2° naar rato van de verrichte prestaties, maar die niet hoger mag zijn dan 50 % van het bedrag bedoeld in 2°. De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en voor hun rechtverkrijgenden zijn ook van toepassing op de leden van de Raad voor de Mededinging die niet het statuut van magistraat of rijksambtenaar hebben en die hun functie voltijds uitoefenen. Art. 18.§ 1. Elk raadslid licht de voorzitter in over de belangen die hij heeft of verwerft en over de functies die hij uitgeoefend heeft of uitoefent in het kader van een economische activiteit. § 2. De raadsleden kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Elk raadslid dat weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich. De vordering tot wraking wordt ingeleid door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd. Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan het gewraakte raadslid overhandigd. Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen. Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van het betrokken raadslid. De eisende partij en het betrokken raadslid worden gehoord. In dat geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep. § 3. De Koning gaat over tot vervanging van een raadslid wanneer deze : 1° aangetast is door fysieke of mentale ongeschiktheid;2° een openbaar mandaat toegekend door verkiezing uitoefent;3° ontslag neemt of dient te nemen ten gevolge van een onverenigbaarheid. Art. 19.De Raad wordt ingedeeld in kamers, elk bestaande uit drie raadsleden. De algemene vergadering van de Raad legt jaarlijks de samenstelling van de kamers vast en kiest daaruit de voorzitters. De voorzitter van de raad wijst de zaken toe aan de kamers. Art. 20.Elke kamer van de Raad en de voorzitter of het raadslid dat hij aanwijst in geval van voorlopige maatregelen doen bij met redenen omklede beslissing uitspraak over alle zaken waarmede zij belast worden, na de belanghebbenden in hun middelen gehoord te hebben, alsook, op hun verzoek, de eventuele klagers of de raadsman van hun keuze. Art. 21.De Raad voor de Mededinging neemt deel aan de vergaderingen tussen rechterlijke autoriteiten. Voor deelname aan andere Europese en internationale vergaderingen is de voorafgaande toestemming van de minister vereist. Onderafdeling 3. - De algemene vergadering van de Raad voor de Mededinging Art. 22.De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden. Zij wordt voorgezeten door de voorzitter, of bij diens ontstentenis, door de ondervoorzitter, of indien beide afwezig zijn, door de aanwezige kamervoorzitter, of desgevallend door het aanwezige raadslid, met de meeste anciënniteit of, bij gelijke anciënniteit, de oudste in jaren. De auditeur-generaal wordt opgeroepen op elke algemene vergadering. Hij wordt er gehoord op zijn verzoek. De algemene vergadering van de Raad kan slechts rechtsgeldig vergaderen wanneer tenminste de helft van de Nederlandstalige en de helft van de Franstalige leden aanwezig zijn. Wanneer het quorum niet bereikt is, wordt een nieuwe vergadering bijeengeroepen met dezelfde punten op de agenda. Over die punten kan deze tweede vergadering rechtsgeldig beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden. De algemene vergadering van de Raad beslist bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de vergadering doorslaggevend. Art. 23.Wanneer de voorzitter van de Raad voor de Mededinging oordeelt dat een zaak in algemene vergadering dient te worden behandeld teneinde de eenheid van rechtspraak te verzekeren, beveelt hij de verzending naar deze vergadering. Art. 24.Het huishoudelijk reglement wordt vastgelegd door de algemene vergadering na de auditeur-generaal te hebben gehoord. Het wordt goedgekeurd door de Koning. Onderafdeling 4. - Het Auditoraat Art. 25.Een Auditoraat, samengesteld uit minimum zes en maximum tien leden, die auditeur-generaal, auditeur of adjunct-auditeur zijn, wordt opgericht bij de Raad voor de Mededinging. De auditeur-generaal, de auditeurs en de adjunct-auditeurs oefenen collegiaal de bevoegdheden van het Auditoraat uit, en elk van hen kan de bevoegdheden van de auditeurs, omschreven in deze wet uitoefenen. De adjunct-auditeurs worden benoemd door de Koning, onder de geslaagden voor een vergelijkend examen inzake beroepsbekwaamheid waarvan de nadere regels en het programma door de Koning worden bepaald. Zij moeten houder zijn van een diploma van master en hun functionele kennis van het Frans, het Nederlands en het Engels bewijzen. Ten hoogste drie vierde van de leden van het Auditoraat mogen drager zijn van een diploma in hetzelfde studiegebied. De helft van de leden van het Auditoraat zijn houder van een diploma van master in de Franse taal en de andere helft bezit dat diploma in de Nederlandse taal. Ten minste één lid van het Auditoraat bewijst de functionele kennis van de Duitse taal. Art. 26.De Koning benoemt de auditeur-generaal onder de auditeurs, of bij gebreke onder de adjunct-auditeurs voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op advies van de algemene vergadering van de Raad voor de Mededinging. De auditeurs worden door de Koning benoemd onder de adjunct-auditeurs die zes jaar dienstanciënniteit tellen bij het Auditoraat. Art. 27.De auditeur-generaal verdeelt de zaken onder de leden van het Auditoraat en leidt hun werkzaamheden. De leden van het auditoraat staan onder het hiërarchisch gezag van de auditeur-generaal. Art. 28.De wedde van de leden van het Auditoraat wordt als volgt bepaald : 1° auditeur-generaal : de geldelijke regeling die van toepassing is op de eerste auditeurs-afdelingshoofden van de Raad van State;2° auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de auditeurs van de Raad van State;3° adjunct-auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de adjunct-auditeurs van de Raad van State. De leden van het Auditoraat zijn onderworpen aan de reglementering die van toepassing is op de rijksambtenaren, behoudens indien deze wet daarvan uitdrukkelijk afwijkt. Art. 29.§ 1. De auditeurs zijn belast met : 1° het ontvangen van de klachten en de verzoeken om voorlopige maatregelen betreffende de restrictieve mededingingspraktijken, evenals van de aanmeldingen van concentraties;2° het leiden en organiseren van het onderzoek en toezien op de uitvoering van de door de Raad voor de Mededinging genomen beslissingen;3° het afgeven van de opdrachtbevelen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, met inbegrip van de opdrachtbevelen bedoeld in artikel 44, § 3, achtste lid;4° het opstellen en het indienen van het gemotiveerd verslag bij de Raad voor de Mededinging;5° het seponeren van klachten en verzoeken om voorlopige maatregelen;6° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de gegevens die in de loop van de procedure aan de Dienst voor de Mededinging of aan het Auditoraat zijn overgezonden;7° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de Belgische mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie met toepassing van de artikelen 4 en 9, enerzijds, en van artikel 22, anderzijds, van de verordening (EG) nr.139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, anderzijds; 8° de toepassing van artikel 61. De auditeur-generaal zit de vergaderingen van het Auditoraat voor, met uitzondering van de vergaderingen die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers die ingediend werden op grond van artikel 44 vast te leggen. Deze laatste vergaderingen worden voorgezeten door de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging. In geval van afwezigheid of verhindering wordt de auditeur-generaal vervangen door de auditeur met de meeste dienstjaren of, in geval van gelijke anciënniteit, door de oudste in jaren. § 2. De auditeurs kunnen alle handelingen verrichten ter volbrenging van hun opdracht, behalve wanneer de wet deze handelingen aan het Auditoraat voorbehoudt. In dat geval beraadslaagt het Auditoraat bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen; bij staking van stemmen is de stem van de auditeur-generaal doorslaggevend. Zonder afbreuk te doen aan artikel 27, mogen de auditeurs geen enkel uitdrukkelijk bevel vragen of aanvaarden in verband met de behandeling van de op grond van artikel 44, § 1, ingediende dossiers of met hun standpuntbepaling in de vergaderingen van het Auditoraat die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers vast te leggen. § 3. Wanneer het Auditoraat beslist een onderzoek te openen op grond van artikel 44, § 1, wijst de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging, in overleg met de auditeur-generaal, de ambtenaren van deze dienst aan die het team samenstellen dat met het onderzoek is belast. De ambtenaren die bij een onderzoeksteam zijn ingedeeld, kunnen enkel uitdrukkelijke bevelen ontvangen van de auditeur die dat onderzoek leidt. § 4. Het Auditoraat stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de algemene vergadering van de Raad, door de Koning wordt goedgekeurd. Art. 30.§ 1. De auditeurs kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Elke auditeur die weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich. De vordering tot wraking wordt ingediend door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd. Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan de gewraakte auditeur overhandigd. Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen. Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van de betrokken auditeur. De eisende partij en de betrokken auditeur worden gehoord. In dat geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep. § 2. De leden van het Auditoraat worden op rust gesteld wanneer zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen of wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt. Onderafdeling 5. - Tucht Art. 31.Elk raadslid bij de Raad voor de Mededinging en elk lid van het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging kan uit zijn ambt vervallen worden verklaard of in zijn ambt worden geschorst overeenkomstig artikel 615, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De voorzitter van de Raad voor de Mededinging kan op gemotiveerde wijze aan de raadsleden en de leden van het Auditoraat een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen. Onderafdeling 6. - De griffie Art. 32.Bij de Raad voor de Mededinging wordt er een griffie opgericht die het secretariaat ervan behartigt. De griffie wordt onder het functioneel gezag van de griffier geplaatst. De griffier oefent zijn ambt uit onder de leiding van de voorzitter van de Raad. De griffier wordt bijgestaan door een adjunct-griffier. De algemene vergadering van de Raad voor de Mededinging stelt het reglement van de griffie op. Art. 33.De griffier en de adjunct-griffier worden benoemd door de Koning onder de personeelsleden van de federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Zij zijn houder van het diploma van master behaald in de Franse taal voor de ene en in de Nederlandse taal voor de andere. De Koning bepaalt het statuut van de griffier en de adjunct-griffier. Afdeling 2. - Dienst voor de Mededinging Art. 34.De Dienst voor de Mededinging wordt onder meer belast met : 1° het opsporen en het onderzoek van de praktijken bedoeld in hoofdstuk II, onder het gezag van het Auditoraat;2° het vertegenwoordigen, op aanwijzing van de minister en onder voorbehoud van artikel 21, van België in de Europese en internationale mededingingsorganisaties;3° het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van het beleid inzake economische mededinging in België;4° het voorbereiden van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de economische mededinging. Art. 35.De middelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze wet worden ter beschikking gesteld van de federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die zijn logistieke en materiële bijstand verleent aan de Raad voor de Mededinging. De administratieve bijstand aan de Raad voor de Mededinging wordt verstrekt door personeel dat ter beschikking wordt gesteld door de federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Afdeling 3. - Het beroepsgeheim Art. 36.De raadsleden van de Raad voor de Mededinging, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen, onverminderd de bepalingen van Afdeling 10 van Hoofdstuk IV, van artikel 89 en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel 46, tweede lid, de vertrouwelijke gegevens waarvan zij wegens hun functie kennis hebben gekregen aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen. Art. 37.Onverminderd de bepalingen van Afdeling 10 van Hoofdstuk IV en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel 46, tweede lid, mag de informatie waarover de raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, beschikken, enkel worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werd ingewonnen. Onverminderd de uitwisseling en het gebruik van de informatie bedoeld in Afdeling 10 van Hoofdstuk IV mogen de raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, de informatie niet verspreiden waarvan zij kennis hebben wegens hun functie en die, omwille van haar aard, beschermd is door het beroepsgeheim. Deze verplichting geldt ook voor de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. Art. 38.Alle overtredingen van de artikelen 36 en 37 worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de overtredingen bedoeld in artikel 37. Afdeling 4. - Onverenigbaarheden Art. 39.De functies van voltijds lid van de Raad voor de Mededinging, lid van het Auditoraat en de griffie zijn onverenigbaar met de gerechtelijke functies, met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. Van het eerste lid mag enkel worden afgeweken : 1° wanneer het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week;2° wanneer het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;3° wanneer het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voor zover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend. Deze afwijkingen worden toegekend door de minister. Art. 40.De functie van deeltijds lid van de Raad voor de Mededinging is onverenigbaar met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. De raadsheer in het Hof van beroep te Brussel, die deeltijds lid van de Raad voor de Mededinging is, mag, tijdens de duur van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen van de Raad voor de Mededinging of van zijn voorzitter, en mag, ook na afloop van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen in zaken waarin hij zitting heeft gehouden, een en ander op straffe van nietigheid van het arrest. Art. 41.De raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers, de personeelsleden van de Raad voor de Mededinging en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen mondeling noch schriftelijk de belangen van de betrokkenen verdedigen; zij mogen hen ook geen consult geven. De raadsleden van de Raad, met uitzondering van die welke hun functie niet voltijds uitoefenen, de leden van het Auditoraat en de griffiers mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen : 1° bezoldigde arbitrage doen;2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen. Afdeling 5. - De Commissie voor de Mededinging Art. 42.Er wordt in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een paritaire raadgevende commissie opgericht die Commissie voor de Mededinging wordt genoemd en die een adviserende bevoegdheid heeft voor alle algemene kwesties in verband met het mededingingsbeleid; zij oefent die bevoegdheid uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister. Art. 43.De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging alsook van haar secretariaat. Hij benoemt de leden bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Hij bepaalt eveneens het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Commissie alsook aan elke persoon die met de Commissie dient samen te werken. HOOFDSTUK IV. - Procedures Afdeling 1. - Onderzoeksprocedure Art. 44.§ 1. Het onderzoek van de zaken door het Auditoraat gebeurt : 1° op verzoek van de betrokkenen bedoeld bij artikel 9 in het geval van een aangemelde concentratie;2° ambtshalve of op verzoek van de minister wanneer daartoe ernstige aanwijzingen bestaan of na een klacht van een natuurlijke of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben, in het geval van een inbreuk op de artikelen 2, § 1, 3, 9, § 1, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen krachtens de artikelen 9, § 5, 53, 58 of 59;3° op verzoek van de minister van Middenstand, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel 2, § 1, op artikel 3 of op artikel 9, § 1;4° ambtshalve, op verzoek van de minister of de algemene vergadering van de Raad met het oog op een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel 50;5° op verzoek van het Hof van beroep te Brussel in geval van toepassing van artikel 76, § 2. § 2. Ter vervulling van de hen opgedragen taken, kunnen de auditeurs alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen en ondernemingsverenigingen. Zij bepalen de termijn binnen welke deze inlichtingen hen moeten worden medegedeeld. Wanneer de auditeurs tot een onderneming of een ondernemingsvereniging een verzoek om inlichtingen richten, duiden zij de rechtsgrond en het doel van hun verzoek aan. Indien een onderneming of vereniging van ondernemingen de gevraagde inlichtingen niet binnen de door de auditeur gestelde termijn verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan de auditeur de inlichtingen bij een met redenen omklede beslissing eisen. Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Als de beslissing tot verzoek om inlichtingen gericht is tot een van de aanmeldende ondernemingen, schorst zij bovendien de in artikel 58 bedoelde termijn tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt of uiterlijk tot de dag waarop de termijn, bepaald door de auditeur, verstrijkt. De beslissing wordt door de auditeur ter kennis gebracht van de ondernemingen waarvan de inlichtingen worden geëist. § 3. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de auditeurs en de door de minister gemachtigde ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bevoegd om overtredingen van deze wet op te sporen en om deze overtredingen vast te stellen bij processen-verbaal die gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen. Zij zijn eveneens bevoegd om alle inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen 6 tot 10. Bij de uitvoering van de hun toevertrouwde opdrachten, zijn zij onderworpen aan het toezicht van de procureur-generaal. Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich alle documenten of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen. Zij mogen een huiszoeking verrichten : 1° in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs, en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer, en zulks tussen 8 en 18 uur, en met voorafgaande machtiging door een onderzoeksrechter;2° in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen waar zij redelijkerwijze vermoeden bescheiden of gegevens te kunnen vinden, welke zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen, en zulks tussen 8 en 18 uur en met een voorafgaande machtiging door de voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, hun opdracht maar niet langer dan 72 uur in andere lokalen dan deze van de ondernemingen of ondernemingsverenigingen. Deze maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn genomen. Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij een beroep doen op de openbare macht. Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde ambtenaren bovendien houder zijn van een specifiek opdrachtbevel afgegeven door de auditeur. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht. De auditeurs kunnen deskundigen aanstellen wier raadgevende opdracht zij bepalen. De auditeurs kunnen ook een beroep doen op de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. § 4. Ongeacht de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, zijn de openbare besturen de auditeurs en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam. § 5. Bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid houden de auditeurs, de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging en de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling zich voor : 1° het verhoor van personen aan de bepalingen van artikel 31, uitgezonderd het derde lid, van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;2° de opstelling van de oproepingen, processen-verbaal en rapporten, aan de bepalingen van artikel 11 van dezelfde wet.Wanneer meerdere personen het voorwerp uitmaken van het onderzoek, zal het rapport van de auditeur bedoeld in artikel 45, § 4, opgesteld worden in de taal van de meerderheid, rekening houdend met de bepalingen van voornoemd artikel 11. Wanneer er pariteit is, wordt gebruik gemaakt van één der landstalen volgens de noodwendigheden van de zaak. § 6. Alvorens het met redenen omkleed verslag zoals bepaald in de artikelen 45, § 4, 55, § 4, 59, § 2, of 62, § 5, bij de Raad neer te leggen, stelt het Auditoraat of de auditeur een inventaris op van alle documenten en gegevens verzameld tijdens het onderzoek en spreekt zich uit over hun vertrouwelijkheid. De vertrouwelijkheid van de gegevens en documenten wordt beoordeeld ten aanzien van elke natuurlijke of rechtspersoon die kennis krijgt van het met redenen omkleed verslag. § 7. Wanneer het Auditoraat of de auditeur van oordeel is dat ten aanzien van de betrokken onderneming gegevens die door de natuurlijke of rechtspersoon die deze gegevens heeft verstrekt als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd, stelt hij deze natuurlijke of rechtspersoon hiervan per brief, fax of via e-mail op de hoogte en nodigt hen uit om hierover per brief, fax of via e-mail een standpunt mee te delen binnen de door hem bepaalde termijn. Het Auditoraat of de auditeur spreekt zich vervolgens uit. Het Auditoraat of de auditeur kan beslissen dat het belang van een effectieve toepassing van deze wet zwaarder weegt dan de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de verstrekte gegevens. Het Auditoraat of de auditeur deelt zijn beslissing mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt. Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens aanvaardt, verzoekt hij, binnen de termijn die hij bepaalt, de natuurlijke of rechtspersoon die de vertrouwelijke gegevens heeft verstrekt om een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie van het betreffende document, voorzover zulke samenvatting of versie zich nog niet in het dossier bevindt. De vertrouwelijke documenten worden vervolgens uit het onderzoeksdossier verwijderd en vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie. Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens niet aanvaardt, deelt hij dit mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt met vermelding van de redenen waarom de gegevens niet als vertrouwelijk kunnen worden aangemerkt. Deze mededeling gebeurt per brief, fax of via e-mail. § 8. De natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt, kan, binnen een termijn van tien dagen nadat de beslissing van het Auditoraat of van de auditeur werd meegedeeld, een beroep tegen deze beslissing instellen bij de Raad. Deze termijn wordt herleid tot twee werkdagen bij onderzoek of beslissing inzake concentraties. Een raadslid van de Raad, aangewezen door de voorzitter, dat vervolgens geen zitting zal hebben in de kamer die de zaak behandelt, spreekt zich binnen een termijn van tien dagen uit over het beroep. Deze termijn bedraagt twee werkdagen bij onderzoek of beslissingen inzake concentraties. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep bij het Hof van beroep te Brussel. § 9. Het Auditoraat of de auditeur deelt geen vertrouwelijke gegevens mee zolang het raadslid van de Raad zich niet heeft uitgesproken over het beroep. Afdeling 2. - Specifieke onderzoeksregels betreffende restrictieve mededingingspraktijken Art. 45.§ 1. De klachten en verzoeken betreffende de restrictieve mededingingspraktijken worden ingediend bij het Auditoraat. § 2. Indien het Auditoraat tot het besluit komt dat een klacht of een verzoek niet ontvankelijk of ongegrond is, seponeert het de klacht of het verzoek bij met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven betekend aan de indiener van de klacht of het verzoek; daarbij wordt aan de indiener meegedeeld dat hij het dossier op de griffie kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en tegen de beslissing tot sepot een beroep kan instellen bij de Raad. § 3. Het beroep bedoeld in § 2 wordt, op straffe van nietigheid, ingesteld door middel van een met redenen omkleed en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel 76, § 2, derde lid, 1° tot 3°, 5° en 7°. De kamer van de Raad doet uitspraak op stukken. Deze uitspraak van de kamer is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. Indien de kamer het beroep gegrond acht, wordt het dossier terug overgemaakt aan het Auditoraat voor onderzoek en verslag aan de kamer. § 4. Indien het Auditoraat de klacht of het verzoek of desgevallend een ambtshalve onderzoek, gegrond acht, legt de auditeur het met redenen omkleed verslag namens het Auditoraat neer bij de kamer van de Raad. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing; het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. De inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier. Het verslag omvat eveneens een met redenen omkleed voorstel tot reglementering zoals bepaald in het tweede lid van artikel 50, § 1, indien de auditeur meent dat de concrete feiten een algemene reglementering noodzakelijk maken. Art. 46.De Koning kan alle formaliteiten voorschrijven met het oog op de samenstelling en de indiening van de dossiers, alsook de nadere regels betreffende de procedure voor de Dienst voor de Mededinging en het Auditoraat vastleggen. Voor de economische sectoren die onder het toezicht of de controle van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, kan de Koning, na raadpleging van die instellingen of lichamen, de samenwerking tussen de Dienst voor de Mededinging en het Auditoraat en die instellingen of lichamen regelen, wat het onderzoek betreft evenals de wederzijdse uitwisseling van vertrouwelijke inlichtingen. Art. 47.Het Auditoraat kan, ambtshalve of op verzoek van de minister of van de minister die de betrokken sector onder zijn bevoegdheid heeft, algemene of sectoriële onderzoeken instellen of doen instellen indien er ernstige aanwijzingen zijn van het bestaan van de door de artikelen 2, § 1, en 3 en de artikelen 81 en 82 van het EG-verdrag verboden praktijken. De bepalingen van artikel 44 zijn van overeenkomstige toepassing, uitgezonderd het vijfde tot het achtste lid van § 3. Afdeling 3. - Beslissing inzake restrictieve mededingings praktijken Art. 48.§ 1. Gelijktijdig met het indienen van het in artikel 45, § 4, bedoelde verslag brengt de auditeur de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had hiervan op de hoogte en stuurt hen een kopie van het verslag. Hij brengt hen ter kennis dat zij op de griffie inzage kunnen nemen van het dossier en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen. De griffie brengt de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend op de hoogte van het indienen van het verslag. Zo de kamer van de Raad die de zaak behandelt dit nodig acht, kunnen de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend evenals de andere personen die de Raad zal horen overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, een niet-vertrouwelijke versie van het in artikel 45, § 4, bedoelde verslag krijgen. § 2. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, nodigt dan de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had uit om de in het verslag opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen met het oog op het toezenden van een niet-vertrouwelijke versie van het verslag aan de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend alsook ten aanzien van andere personen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, neemt hiertoe een beslissing. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep. De personen die een klacht hebben ingediend en alle andere natuurlijke of rechtspersonen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen, hebben in principe geen toegang tot het dossier, tenzij de voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt hiertoe een andersluidende beslissing neemt. Indien andere personen dan de ondernemingen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken, vertrouwelijke informatie aan de Raad wensen mee te delen, zal een raadslid van de Raad dat geen deel uitmaakt van de kamer die de zaak behandelt, zich, zoals de auditeur, over de vertrouwelijkheid uitspreken volgens de procedure bedoeld in artikel 44, §§ 6 en 7. De vertrouwelijke documenten maken vervolgens geen deel uit van het dossier en worden vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie die zal verstrekt worden door de partijen die de gegevens hebben meegedeeld, binnen de termijn bepaald door het raadslid van de Raad. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep. § 3. Zodra de partijen met toepassing van §§ 1 en 2 toegang hebben gekregen tot het dossier, stelt de kamervoorzitter de termijnen vast waarbinnen de auditeur en de betrokken partijen hun schriftelijke opmerkingen en replieken dienen neer te leggen. Hij verlengt deze termijnen op met redenen omklede vraag van de partijen of de auditeur. Indien de kamer van de Raad bij toepassing van § 5, tweede of derde lid, natuurlijke of rechtsp …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.