📄 Wettekst
13 OKTOBER 2023. - Decreet tot bepaling van de specifieke regels over de pacht (1)
Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet tot bepaling van de specifieke regels over de pacht HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet wordt aangehaald als: Vlaams Pachtdecreet van 13 oktober 2023. Art. 3.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° bedrijfsleider: de natuurlijke persoon, landbouwer die de leiding heeft van het landbouwbedrijf, of de vennoot van de maatschap die het landbouwbedrijf exploiteert of de beherende vennoot, zaakvoerder of bestuurder van de rechtspersoon die het landbouwbedrijf exploiteert;2° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen: a) een aangetekende brief;b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;c) een gerechtsdeurwaardersexploot;d) elke andere door de Vlaamse Regering toegestane betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;3° bevoorrechte familieleden: a) de echtgenoot of echtgenote;b) de wettelijk samenwonende;c) de afstammelingen of geadopteerde kinderen en hun echtgenoten of wettelijk samenwonenden;d) de afstammelingen of geadopteerde kinderen van de echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende en hun echtgenoten of wettelijk samenwonenden;4° echtgenoten: de gehuwden, vermeld in artikel 143 van het Burgerlijk Wetboek, die gedurende een ononderbroken periode van minstens twee jaar gehuwd zijn, behoudens bijzondere omstandigheden;5° hoofdberoep in de landbouw: de exploitatie van een landbouwbedrijf als vermeld in artikel 3, 1°, ongeacht de aard van de landbouwactiviteit, waarbij de arbeidstijd die aan de landbouwactiviteit wordt besteed, groter is dan de arbeidstijd die aan andere beroepsactiviteiten wordt besteed.Als de exploitant van een landbouwbedrijf minstens 50 procent van zijn totale inkomen genereert uit het landbouwbedrijf, wordt de exploitant weerlegbaar vermoed meer arbeidstijd te besteden aan de landbouwactiviteit dan aan andere beroepsactiviteiten; 6° huiskavel: een of meer kadastrale percelen die tot het landbouwbedrijf behoren, of die ofwel bij de vergunde woning, ofwel bij de stal of stallen van het landbouwbedrijf behoren en die samen met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen.De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar, specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element; 7° landbouwbedrijf: de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop; 8° lokale overheid: één van de lokale overheden als vermeld in artikel I.3, 5°, van het Bestuurs
decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
23/06/2015
pub.
24/07/2015
numac
2015035918
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid
sluiten0; 9° onteigeningsbesluit: een besluit dat is verkregen op grond van een koninklijk besluit of een besluit van de Vlaamse Regering en dat de onteigening van algemeen nut beveelt of toestaat;10° openbare verpachter: de staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en iedere andere publiekrechtelijke rechtspersoon;11° project, plan of programma: een ander project, plan of programma dan een landinrichtingsproject met betrekking tot de planning, de inrichting of het beheer van een gebied dat is goedgekeurd door de Vlaamse Regering;12° verzamelaanvraag: het geospatiale en diergebonden aanvraagsysteem dat wordt beschreven in artikel 65, lid 4, a), van verordening (EU) 2021/2116, vermeld in het
ministerieel besluit van 23 juni 2015Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
23/06/2015
pub.
24/07/2015
numac
2015035918
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid
sluiten houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;13° werkdag: alle andere dagen dan wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen;14° wettelijk samenwonenden: de wettelijk samenwonenden, vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek, die gedurende een ononderbroken periode van minstens twee jaar samenwonen, behoudens bijzondere omstandigheden. Art. 4.Dit decreet is van toepassing op: 1° de pacht van onroerende goederen die, hetzij vanaf de ingenottreding van de pachter, hetzij krachtens een overeenkomst tussen de partijen in de loop van de pachttijd, hoofdzakelijk gebruikt worden in het landbouwbedrijf van die pachter, met uitsluiting van de bosbouw;2° het in gebruik nemen van onroerende goederen als vermeld in punt 1° door middel van de vestiging van vruchtgebruik onder de levenden door de wil van de mens en voor bepaalde duur;3° het in gebruik nemen van onroerende goederen als vermeld in punt 1° door middel van een vestiging van een erfpachtrecht voor een duur van minder dan 27 jaar. Op het verleende recht, vermeld in punt 2°, zijn de bepalingen van boek 3, titel 6, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing. Op het verleende recht, vermeld in punt 3°, zijn de bepalingen van boek 3, titel 7 en 8, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing. Art. 5.Dit decreet is niet van toepassing op: 1° de pacht van onroerende goederen die volledig onafhankelijk van een landbouwbedrijf gebruikt worden voor een industriële vetmesterij of een industriële fokkerij;2° overeenkomsten waarvan het voorwerp een duur van minder dan één jaar gebruik in zich sluit, en waardoor de exploitant van gronden en weiden die worden gebruikt in zijn of haar landbouwbedrijf, na de voorbereidingswerken te hebben uitgevoerd, het genot daarvan voor een bepaalde landbouwteelt tegen betaling aan een derde afstaat;3° overeenkomsten betreffende gronden waarvan de eigenaar, de vruchtgebruiker of de pachter het genot aan zijn personeel overlaat, als behorende bij een arbeidsovereenkomst;4° overeenkomsten tussen de exploitant van een landeigendom en de eigenaar of vruchtgebruiker, als daarin bedongen is dat die eigenaar of vruchtgebruiker een aanzienlijk aandeel zal hebben in de eventuele verliezen en ten minste de helft zal inbrengen van het materieel en de veestapel, alsook van alle nieuwe investeringen die noodzakelijk zouden worden;5° overeenkomsten tot oprichting van een erkende landbouwonderneming als vermeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen waarop dit decreet normaal van toepassing zou zijn, maar die werd opgericht voor een duur van ten minste 27 jaar;6° overeenkomsten die betrekking hebben op de fruitopbrengst van hoogstamboomgaarden;7° overeenkomsten die aan al de volgende voorwaarden voldoen: a) het voorwerp van de overeenkomst betreft een gebruik van maximaal drie jaar;b) de exploitant van gronden die worden gebruikt in zijn landbouwbedrijf staat na de voorbereidingswerken te hebben uitgevoerd, het genot daarvan voor een bepaalde landbouwteelt aan een derde af;c) de teelt is een meerjarige teelt van maximaal drie jaar;d) de teelt komt voor op een door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst;e) de overeenkomst werd niet voorafgegaan door een identieke overeenkomst;8° overeenkomsten die aan al de volgende voorwaarden voldoen: a) de overeenkomst heeft betrekking op grond die op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten, niet verpacht is;b) de grond ligt volledig in een gebied dat is aangeduid op een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan en dat valt onder de categorie van gebiedsaanduiding "bosgebied" of "natuurgebied", vermeld in de bijlage bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
23/06/2015
pub.
24/07/2015
numac
2015035918
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid
sluiten1 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de tekst is vastgesteld bij het besluit van 11 april 2008, of ligt volledig in een gebied dat op een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg is aangeduid als "bosgebied", "groengebied", "natuurgebied", "natuurgebied met wetenschappelijke waarde", "natuurontwikkelingsgebied" of "natuurreservaat";c) de grond maakt deel uit van een terrein dat beheerd wordt overeenkomstig artikel 16sexies van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;d) de uitsluiting van de toepassing van dit decreet is uitdrukkelijk in de overeenkomst vermeld. Art. 6.§ 1. Van elke overeenkomst die onder de toepassing van dit decreet valt, wordt een geschrift opgesteld dat, met behoud van de toepassing van alle andere nadere regels, de volgende gegevens vermeldt: 1° de identiteit van alle contracterende partijen, namelijk: a) voor natuurlijke personen: de eerste voornaam, de achternaam, de woonplaats en het identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.Bij gebrek aan een identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid worden de datum en plaats van geboorte vermeld; b) voor rechtspersonen: 1) de maatschappelijke naam;2) de maatschappelijke zetel; 3) het ondernemingsnummer, vermeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht; als er geen ondernemingsnummer is toegekend,bevestigt die partij dat in de pachtovereenkomst of in een ondertekende aanvullende verklaring onderaan op de akte; 4) de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;2° de begindatum van de pacht;3° de duur van de pacht, indien een bepaalde duur is overeengekomen, of de duur van de eerste pachtperiode;4° de kadastrale aanduiding van de percelen, die is opgenomen in het uittreksel uit de kadastrale legger, onder vermelding van minstens de gemeente waar de percelen liggen, de afdeling, de sectie en het perceelnummer;5° het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen van elk perceel, alsook de landbouwstreek waarin elk perceel ligt;6° de pachtprijs, waarvan het maximumbedrag overeenkomstig hoofdstuk 6 is vastgesteld;7° de wijze waarop de pachtprijs kan worden betaald en desgevallend het rekeningnummer waarop de pachtprijs moet worden voldaan. De door de Vlaamse Regering aan te wijzen bevoegde entiteit stelt een model van pachtovereenkomst en van plaatsbeschrijving ter beschikking.
Elk van de partijen kan op ieder ogenblik, maar op zijn vroegst dertig dagen na een per beveiligde zending betekende ingebrekestelling, de andere partij, in voorkomend geval via gerechtelijke weg, dwingen om een schriftelijke overeenkomst als vermeld in het eerste lid op te stellen, aan te vullen of te ondertekenen.
Als de rechter de eis van de pachter inwilligt, ontstaat pachtvernieuwing ten voordele van de pachter, op voorwaarde dat die sanctie in de ingebrekestelling is vermeld. Die pachtvernieuwing heeft tot gevolg dat een nieuwe, eerste pachtperiode van negen jaar ingaat op de datum waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Als de rechter de eis van de verpachter inwilligt, kan de rechter de pacht ontbinden, op voorwaarde dat die sanctie in de schriftelijke ingebrekestelling is vermeld. § 2. Bij ontstentenis van een schriftelijke overeenkomst kan degene die een landeigendom exploiteert, het bewijs leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens.
Daarnaast kan de exploitant het bewijs leveren van het bestaan van een pacht door voorlegging van een bewijs van persoonlijk aanbod van betaling, verricht overeenkomstig artikel 27, tweede lid, waarop de verpachter niet heeft gereageerd door een oproeping in verzoening voor de bevoegde rechter binnen zes maanden na de betekening van de bevestigingsbrief, vermeld in het derde lid.
Het bestaan van een pacht, het jaar en het perceel waarop het persoonlijk aanbod van betaling, vermeld in het tweede lid, betrekking heeft, worden binnen de vijftien kalenderdagen door een beveiligde zending betekend. Die bevestigingsbrief vermeldt minstens de volgende gegevens: 1° het woord "pacht";2° het jaar waarop de betaling betrekking heeft;3° de vermelding dat de betaling geldt als bewijs van een pacht, tenzij de verpachter binnen zes maanden na de betekening van de bevestigingsbrief reageert door een oproeping in verzoening voor de bevoegde rechter. Als de verpachter niet binnen de zes maanden na de betekening van de bevestigingsbrief reageert door een oproeping in verzoening voor de bevoegde rechter, geldt de betaling van de pacht als bewijs van een pacht.
Als de overeengekomen pachtprijs niet bewezen is, stelt de rechter de pachtprijs vast overeenkomstig hoofdstuk 6.
Als er een andersluidend geschrift is, kan degene die een landeigendom exploiteert, het bewijs leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens.
Bij ontstentenis van een nauwkeurige datum voor de aanvang van de overeenkomst wordt die geacht te zijn ingegaan op de vervaldag van het eerste pachtgeld. Art. 7.Voor de ingenottreding van de pachter of uiterlijk vier maanden na de ingenottreding van de overnemer aan wie de pacht is overgedragen met toepassing van artikel 45, maken de partijen een plaatsbeschrijving op waarvan ze samen de kosten dragen. Die plaatsbeschrijving wordt als bijlage bij de schriftelijke pachtovereenkomst gevoegd indien er een schriftelijke overeenkomst werd opgesteld.
De plaatsbeschrijving is tegensprekelijk, omstandig en gedetailleerd.
Ze omschrijft zo nauwkeurig mogelijk de staat van het goed bij de aanvang van de pachtovereenkomst.
Als de partijen het onderling niet eens worden over de plaatsbeschrijving, kan de rechter een deskundige aanstellen om de plaatsbeschrijving op te maken.
In geval van pachtoverdracht met toepassing van artikel 45, wordt de plaatsbeschrijving opgemaakt tussen de overdrager, de overnemer en de verpachter.
Bij gebrek aan een plaatsbeschrijving wordt de pachter of de overnemer, behoudens tegenbewijs, geacht het goed te hebben ontvangen in de staat waarin het zich bevindt op het ogenblik dat hij het verlaat. HOOFDSTUK 2. - De pachttijd Art. 8.De pachttijd wordt vastgesteld door de partijen.
De pachttijd bedraagt minstens negen jaar. Als er een kortere tijd bedongen is, dan wordt de pachttijd van rechtswege op negen jaar gebracht.
Als een geldige opzegging ontbreekt, wordt de pacht bij het eindigen van de gebruiksperiode van rechtswege verlengd voor opeenvolgende periodes van negen jaar, zelfs als de eerste gebruiksperiode meer dan negen jaar bedroeg. Art. 9.In afwijking van artikel 8 eindigt de pachttijd van percelen die door de verpachter bij grotere percelen of bij hoevegebouwen worden gevoegd en die de verpachter ingevolge een afzonderlijke overeenkomst al aan dezelfde pachter verpacht, op hetzelfde moment als de hoofdpacht. HOOFDSTUK 3. - Opzegging van de pacht Afdeling 1. - Opzegging door de verpachter
Art. 10.§ 1. In afwijking van artikel 8 kan de verpachter op ieder ogenblik de pacht opzeggen om de gepachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming, als de pachtovereenkomst: 1° betrekking heeft op gronden die wegens hun ligging ten tijde van de overeenkomst, zonder dat er vooraf wegwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden, beschouwd moesten worden als bouwgronden of voor industriële doeleinden bestemde gronden, op voorwaarde dat ze als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst;2° betrekking heeft op gronden waar geen gebouwen op staan en die op het ogenblik van de opzegging, zonder dat er vooraf wegwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden of betrekking heeft op al dan niet bebouwde gronden die in een ontginningsgebied liggen.Als op gronden in een ontginningsgebied een door de verpachter verleende toestemming tot ontginning rust of als een ontginningsmachtiging werd verleend, treedt degene die de toestemming of de ontginningsmachtiging heeft verkregen, in de rechten en de plichten van de verpachter; 3° betrekking heeft op gronden die wegens hun ligging op het ogenblik van elke verlenging van de pacht beschouwd moeten worden als voor industriële doeleinden bestemde gronden, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden voor het einde van de lopende pachtperiode de pachter daarvan kennisgegeven heeft;4° betrekking heeft op gronden waarop vooraf wegwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden en die als bouwgrond of als voor industriële doeleinden bestemde grond beschouwd kunnen worden, hetzij bij de aanvang van de pacht op voorwaarde dat ze als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst, hetzij bij een verlenging van de pacht op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden voor de datum van een verlenging de pachter daarvan kennisgegeven heeft;5° is aangegaan met een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke rechtspersoon en betrekking heeft op gronden die voor het sluiten van de overeenkomst door dat bestuur of die persoon zijn onteigend of verkregen op grond van een onteigeningsbesluit;6° betrekking heeft op gronden die na het sluiten van de overeenkomst verkregen zijn door een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke rechtspersoon op grond van een onteigeningsbesluit;7° betrekking heeft op gronden die zullen worden aangewend voor bebossing of natuurrealisatie als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a) de gronden hebben een gezamenlijke en aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;b) de bebossing of natuurrealisatie zal gedurende een periode van ten minste 24 jaar worden aangehouden;c) de gronden liggen in: 1) ofwel een gebied dat is aangeduid op een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan en dat valt onder de categorie van gebiedsaanduiding "bosgebied" of "natuurgebied", vermeld in de bijlage bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
23/06/2015
pub.
24/07/2015
numac
2015035918
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid
sluiten1 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uit-voeringsplannen, waarvan de tekst is vastgesteld bij het besluit van 11 april 2008;2) ofwel een van de volgende gebieden die zijn aangeduid op een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg: "bosgebied", "groengebied", "natuurgebied", "natuurgebied met wetenschappelijke waarde", "natuurontwikkelingsgebied" of "natuurreservaat";3) ofwel een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 43°, c), van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;d) in geval van bebossing gebeurt die niet in het kader van de verplichting tot compensatie, vermeld in artikel 90bis, § 2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990;8° betrekking heeft op gronden die zullen worden aangewend voor bebossing of natuurrealisatie als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a) de pachtovereenkomst is aangegaan met een gemeente;b) de bebossing of natuurrealisatie heeft betrekking op gronden met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;c) de bebossing of natuurrealisatie zal gedurende een periode van ten minste 24 jaar worden aangehouden;d) de bebossing of natuurrealisatie is door de gemeenteraad goedgekeurd;e) de verpachter heeft de gronden niet zelf in een ruimtelijk uitvoeringsplan als agrarisch gebied aangeduid;f) in geval van bebossing gebeurt die niet in het kader van de verplichting tot compensatie, vermeld in artikel 90bis, § 2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990. § 2. In afwijking van artikel 8 kan de verpachter op ieder ogenblik een einde maken aan de lopende pacht om een aaneengesloten grond die aansluit aan de woning waar de verpachter zijn hoofdverblijfplaats heeft en die niet groter is dan 20 are, aan te wenden voor gezinsdoeleinden. In geval van een geschil over de plaats van dat perceel beslist de rechter. § 3. In afwijking van artikel 8 kan door de verpachter op ieder ogenblik een einde gemaakt worden aan de lopende pacht als de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die de houder van een vergunning voor het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen, de houder van een opsporings- of opslagvergunning in het kader van de geologische opslag van koolstofdioxiden of de houder van een vergunning voor het opsporen of het winnen van aardwarmte overeenkomstig artikel 32, 61 of 63/24 van het
decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
08/05/2009
pub.
06/07/2009
numac
2009202546
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de diepe ondergrond
sluiten betreffende de diepe ondergrond, mag bezetten.
De vergunninghouder, vermeld in het eerste lid, treedt met het oog op de beëindiging van de lopende pachtovereenkomst in de rechten en de plichten van de verpachter. Art. 11.Met behoud van de toepassing van artikel 10, kan de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode de pacht om ernstige redenen opzeggen. Worden alleen als ernstige reden aanvaard: 1° het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het gepachte goed volledig of gedeeltelijk persoonlijk te exploiteren of de exploitatie ervan volledig of gedeeltelijk over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden;2° het voornemen van de verpachter om een of meer verpachte percelen waarvoor de pacht is opgezegd, te voegen bij percelen die hij aan een andere pachter verpacht, op voorwaarde dat die verrichting nodig is om te voldoen aan een onbetwistbaar economisch of familiaal belang en de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de zittende pachter niet in het gedrang wordt gebracht;3° de ruil van percelen die dezelfde verpachter aan verschillende pachters verpacht, met het doel herverkavelde bedrijven te vormen;4° de verdeling van het landbouwbedrijf in twee of meer nieuwe bedrijven, hetzij om ernstige economische redenen, hetzij om sociale redenen, op voorwaarde dat de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de zittende pachter niet in het gedrang wordt gebracht;5° grondige wijzigingen in de samenstelling van het gezin van de pachter waardoor de bedrijfsmogelijkheden van het gepachte goed ernstig bedreigd zijn;6° waardevermindering van het gepachte goed door slechte bebouwing of ernstige nalatigheid in het onderhoud ten laste van de pachter van de gepachte gebouwen;7° zware beledigingen of daden van kennelijke vijandigheid van de pachter tegen de verpachter of tegen leden van zijn familie die onder zijn dak wonen;8° veroordeling van de pachter wegens daden die het vertrouwen van de verpachter kunnen schaden of de normale betrekkingen tussen de verpachter en de pachter onmogelijk kunnen maken;9° de aanwending van de percelen zelf door een openbare verpachter voor concrete doeleinden van algemeen belang;10° de aanwending van percelen als bouwgrond of als grond voor industriële doeleinden, op voorwaarde dat die percelen door hun ligging op het ogenblik van de opzegging als zodanig moeten worden beschouwd. Als de opzegging voor concrete doeleinden van algemeen belang als vermeld in het eerste lid, 9°, betrekking heeft op bebossing of natuurrealisatie en als de openbare verpachter geen lokale overheid is, gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 10, § 1, 7°, a), b) en d). Als in dat geval de openbare verpachter een lokale overheid is, gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 10, § 1, 8°, b), c), d),e) en f). De gemeenteraad van de gemeente waar de gronden gelegen zijn dient in dat geval goedkeuring te verlenen.
Opzegging voor concrete doeleinden van algemeen belang als vermeld in het eerste lid, 9°, kan niet gegeven worden met het oog op het voldoen aan de verplichting tot compensatie, vermeld in artikel 90bis, § 8, van het Bosdecreet van 13 juni 1990.
Als het gepachte goed, vermeld in punt 1°, mede-eigendom is of wordt kan alleen een einde aan de pachtovereenkomst worden gemaakt voor de persoonlijke exploitatie ten behoeve van een mede-eigenaar of van een of meer bevoorrechte familieleden van een mede-eigenaar, voor zover die mede-eigenaar ten minste de onverdeelde helft van het pachtgoed bezit of zijn deel heeft verkregen door erfopvolging of legaat. Art. 12.§ 1. Gedurende elk van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede pachtperiode, kan de verpachter in afwijking van artikel 8 de pacht opzeggen om zelf het gepachte goed volledig persoonlijk te exploiteren of de exploitatie ervan volledig over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden.
Artikel 11, vierde lid, is van toepassing. § 2. De partijen kunnen een pachtovereenkomst van minstens 27 jaar sluiten.
Met behoud van de toepassing van artikel 10, 6°, kan de verpachter enkel op het einde van de pacht, vermeld in het eerste lid, de pacht opzeggen en dit om zelf het gepachte goed volledig of gedeeltelijk persoonlijk te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden. De bepalingen van artikel 11, vierde lid, en van artikel 14, eerste lid, zijn van toepassing op deze opzegging.
Op het einde van de pacht, vermeld in het eerste lid, kan de verpachter de volledige pacht of een gedeelte ervan opzeggen om de goederen te vervreemden.
De onderpacht en pachtoverdracht conform artikel 39 tot en met 43 kan de overeengekomen pachttijd, vermeld in het eerste lid, niet overschrijden.
Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid zijn de bepalingen van dit Pachtdecreet volledig van toepassing op de pacht van minstens 27 jaar. § 3. In afwijking van artikel 8 kunnen de partijen een loopbaanpacht sluiten.
De loopbaanpacht wordt gesloten voor een vaste duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter de wettelijke pensioenleeftijd zal hebben bereikt en de huidige leeftijd van de kandidaat-pachter. De pachter mag op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst niet ouder zijn dan 40 jaar. Als er meer dan een pachter is, wordt alleen rekening gehouden met de leeftijd van de jongste medepachter.
Met behoud van de toepassing van artikel 10, 6°, kan de loopbaanpacht door de verpachter niet worden opgezegd. Op het einde van een loopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich daartegen kan verzetten.
De onderpacht en pachtoverdracht conform artikel 39 tot en met 43 kan de overeengekomen pachttijd, vermeld in het eerste lid, niet overschrijden.
Als de pachter na het einde van de loopbaanpacht in het bezit van het goed wordt gelaten, wordt de loopbaanpacht stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar.
Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid zijn de bepalingen van dit decreet volledig van toepassing op de loopbaanpacht. § 4. De verpachter kan de pacht geheel of gedeeltelijk opzeggen om het pachtgoed geheel of gedeeltelijk te vervreemden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de pacht heeft betrekking op gronden;2° de opzegging wordt gegeven tegen het einde van de lopende pachtperiode;3° de opzegging wordt niet gegeven tijdens de eerste pachtperiode, tenzij de eerste pachtperiode een duur heeft van minstens achttien jaar;4° de opzeggingsmogelijkheid is uitdrukkelijk in de pachtovereenkomst opgenomen. § 5. In afwijking van artikel 8 kunnen de partijen eenmalig een overeenkomst sluiten voor een vaste duur van minimaal negen jaar als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de pachtovereenkomst is schriftelijk aangegaan;2° de pachtovereenkomst heeft betrekking op gronden die op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst nog niet waren verpacht;3° de verpachter is op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst titularis van enig zakelijk recht op een of meer cultuurgronden die gezamenlijk een oppervlakte hebben van maximaal 1,5 hectare;4° de verpachter is geen rechtspersoon. Cultuurgronden als vermeld in het eerste lid, 3°, zijn gronden die onmiddellijk in aanmerking komen voor bedrijfsmatige exploitatie met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten.
De verpachter draagt de bewijslast. Art. 13.§ 1. In afwijking van artikel 8 kan de verpachter de pacht opzeggen om zelf het gepachte goed volledig of gedeeltelijk persoonlijk te exploiteren of om de exploitatie ervan over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden of aan een leefbaar landbouwbedrijf als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de pachter heeft de wettelijke pensioenleeftijd bereikt;2° de pachter ontvangt een rust- of overlevingspensioen;3° de pachter kan niet een of meer bevoorrechte familieleden aanwijzen die zijn exploitatie kunnen voortzetten. Artikel 11, vierde lid, is van toepassing.
Als verschillende pachters het goed gemeenschappelijk pachten, voldoen al die pachters aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
In het geval van een verpachting of de vervreemding aan een leefbaar landbouwbedrijf, is die verpachting of die vervreemding voltrokken binnen een termijn van zes maanden nadat de pachter het goed heeft verlaten.
De exploitatie van het goed dat van de pachter werd teruggenomen, alsook de persoon van de toekomstige exploitant voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14. § 2. Vanaf het ogenblik waarop de pachter de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, kan de verpachter hem vragen of hij een rust- of overlevingspensioen ontvangt, met inachtneming van de vorm, vermeld in artikel 71.
Als de pachter binnen zestig dagen na die vraag niet heeft bewezen dat hij nog altijd bedrijvig is en geen rust- of overlevingspensioen ontvangt, of als hij, in voorkomend geval, niet een of meer bevoorrechte familieleden aanwijst om de exploitatie voort te zetten, wordt hij geacht een rust- of overlevingspensioen te ontvangen, op voorwaarde dat die vereiste ook uitdrukkelijk vermeld wordt in de vraag aan de pachter. § 3. Als de exploitatie binnen een termijn van één jaar na het antwoord van de pachter, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, niet wordt voortgezet door de opvolger die de pachter heeft aangewezen, kan de verpachter een einde maken aan de pacht om zelf het gepachte goed volledig of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden of aan een leefbaar landbouwbedrijf. De rechter kan, afhankelijk van het geval en in bijzondere omstandigheden, alsnog die opzegging ongeldig verklaren, op voorwaarde dat de pachter de verpachter binnen een termijn van dertig dagen na de opzegging op de hoogte heeft gebracht van de bijzondere omstandigheden die een verlenging van de termijn voor de voortzetting van de exploitatie of een verandering van de identiteit van de aangewezen opvolger rechtvaardigen.
Artikel 14, 19, § 1, § 3, § 4, § 6, § 8 tot en met § 10, en artikel 20 zijn van overeenkomstige toepassing op de opzegging, vermeld in het eerste lid. Als de verpachter een einde aan de volledige pacht of een gedeelte ervan maakt om de reden, vermeld in paragraaf 1, derde lid, is artikel 19, § 1, 2°, niet van toepassing. Art. 14.De exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van de bij artikel 11, 1°, artikel 12, § 1 en § 2, of artikel 13 bepaalde reden, is een persoonlijke en werkelijke exploitatie die gedurende ten minste negen jaar wordt voortgezet door degene of degenen die in de opzegging als toekomstig exploitant zijn aangewezen of, als zij rechtspersonen zijn, door hun werkende vennoten, gecommanditeerde vennoten of de bestuurders en niet alleen door hun aangestelden.
De persoonlijke exploitatie, vermeld in het eerste lid, kan niet worden aangevoerd door: 1° de verpachter of de bevoorrechte familieleden die op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn de wettelijke pensioenleeftijd zouden hebben bereikt of de leeftijd van 60 jaar wanneer het een persoon betreft die niet gedurende ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest;2° de werkende vennoot, de gecommanditeerde vennoot of de bestuurder van de rechtspersoon die het landbouwbedrijf exploiteert die op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn de wettelijke pensioenleeftijd zouden hebben bereikt of de leeftijd van 60 jaar wanneer het een persoon betreft die niet gedurende ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest;3° degene die na de stopzetting van zijn landbouwbedrijf het bedrijf verpacht;4° de titularis van een vruchtgebruik gevestigd onder levenden door de wil van de mens. De persoon of personen die in de opzegging als toekomstige exploitant zijn aangewezen en, als het om rechtspersonen gaat, de werkende vennoten, de gecommanditeerde vennoten of bestuurders daarvan voldoen aan een van de onderstaande voorwaarden: 1° ze zijn houder van een getuigschrift of een diploma dat is afgegeven na het volgen met goed gevolg van een landbouwcursus of van onderwijs aan een land- of tuinbouwschool;2° ze zijn of waren gedurende ten minste één jaar landbouwexploitant in de voorbije periode van vijf jaar;3° ze hebben al effectief gedurende ten minste één jaar aan een landbouwexploitatie deelgenomen. De rechtspersonen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn erkend als landbouwonderneming als vermeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De werkende vennoot, de gecommanditeerde vennoot of de bestuurder die de leiding heeft over de activiteit die in de vennootschap wordt gevoerd, verricht daadwerkelijke arbeid op het landbouwbedrijf. Art. 15.§ 1. De aanplanting van het pachtgoed met naaldbomen, loofbomen of heesters, gedurende negen jaar na het vertrek van de pachter, is geen persoonlijke exploitatie als vermeld in artikel 14, eerste lid, tenzij het gaat om tuinbouw of om een aanplanting die noodzakelijk is voor de bewaring van het goed.
De rechter kan een afwijking verlenen met betrekking tot de aanplanting, vermeld in het eerste lid, na het advies te hebben ingewonnen van personeelsleden van de door de Vlaamse Regering aan te wijzen bevoegde entiteit. § 2. De aanplanting met kerstbomen binnen negen jaar na het vertrek van de pachter is geen persoonlijke exploitatie als vermeld in artikel 14, eerste lid, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de genothebber van de terugneming exploiteert al een tuinbouwbedrijf;2° de rechter verleent vrijstelling van het verbod, vermeld in paragraaf 1, na het advies te hebben ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaren. § 3. De verkoop van gras of oogst op het veld binnen negen jaar na het vertrek van de pachter is geen persoonlijke exploitatie als de genothebber van de terugneming: 1° niet voor het gewone teelt- en onderhoudswerk zorgt;2° geen dieren in bewaring neemt. Art. 16.Voor de toepassing van dit decreet wordt de uitbating gelijkgesteld met een persoonlijke exploitatie als vermeld in artikel 14, eerste lid, voor: 1° de werkende vennoot in een als landbouwonderneming erkende vennootschaponder firma, afgekort VOFLO;2° de gecommanditeerde vennoot in een als landbouwonderneming erkende commanditaire vennootschap, afgekort CommVLO;3° de bestuurder in een als landbouwonderneming erkende besloten vennootschap, afgekort BVLO;4° de bestuurder in een als landbouwonderneming erkende coöperatieve vennootschap, afgekort CVLO. Dit geldt ten aanzien van zowel de pachter als de verpachter, wier rechten en plichten onverkort blijven voortbestaan.
Voor de toepassing van artikel 11, 1°, en artikel 12, § 1, geldt bovendien dat de personen, vermeld in het eerste lid, landbouwer zijn in hoofdberoep.
Bij inbreng van de eigendom, van het gebruiksrecht of van het genotsrecht van het gepachte goed in een VOFLO, een CommVLO, een BVLO of een CVLO, kan die vennootschap de opzegging alleen geven als de verpachter-inbrenger of een of meer van de bevoorrechte familieleden, naargelang van het geval, het statuut bezit van vennoot-zaakvoerder, gecommanditeerde vennoot of bestuurder in de vennootschap.
De inbreng van het landbouwbedrijf door de pachter in een VOFLO, een CommVLO, een BVLO of een CVLO houdt geen schending in van de verplichtingen in artikel 37. Art. 17.Een verpachter kan de pacht alleen opzeggen met inachtneming van de volgende opzeggingstermijnen: 1° ten minste drie maanden in de gevallen, vermeld in artikel 10 en 11, 9° en 10°.Die termijn wordt verlengd om in voorkomend geval de pachter de tijd te geven om de wassende vruchten te oogsten; 2° ten minste twee en ten hoogste vier jaar in de gevallen, vermeld in artikel 11, 1° tot en met 8°, en artikel 12, § 4;3° ten minste drie en ten hoogste vier jaar in de gevallen, vermeld in artikel 12, § 1 en § 2;4° ten minste één en ten hoogste vier jaar in het geval, vermeld in artikel 13. Art. 18.Met behoud van de toepassing van artikel 21 kan degene die door ruil eigenaar-verpachter is geworden, tijdens de pachtperiode die loopt op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte, de pacht niet opzeggen om het gepachte goed persoonlijk te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan een of meer bevoorrechte familieleden. In de daaropvolgende periode kan hij de pacht alleen opzeggen met een opzeggingstermijn van ten minste zes jaar. Artikel 11, tweede lid, en artikel 12 zijn van overeenkomstige toepassing op die opzegging. Art. 19.§ 1. Op straffe van nietigheid bevat de opzegging uitdrukkelijk: 1° de reden van de opzegging;2° als er een of meer toekomstige exploitanten zijn aangewezen, hun identiteit: a) voor natuurlijke personen: de eerste voornaam, de achternaam, de woonplaats en het identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.Bij gebrek aan een identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid worden de datum en plaats van geboorte vermeld; b) voor rechtspersonen: 1) de maatschappelijke naam;2) de maatschappelijke zetel; 3) het ondernemingsnummer, vermeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht; 4) de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;3° de vermelding dat de verpachter bij gebrek aan een schriftelijke instemming die binnen dertig dagen na de verzending van de opzegging aan hem werd betekend, de geldigverklaring ervan voor de rechter zal vorderen. § 2. Als de opzegging berust op de redenen, vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 4°, en artikel 11, 10°, kan de opzegging alleen geldig worden verklaard na overlegging van een eensluidend verklaard afschrift van de door het bevoegde bestuur verleende omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in geval van een verkaveling niet kan worden overgelegd omdat vooraf wegwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd, kan de rechter de opzegging geldig verklaren na overlegging van een eensluidend verklaard afschrift van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 4.2.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, op voorwaarde dat bij dat afschrift een verklaring van het gemeentebestuur is gevoegd waaruit blijkt dat de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, afgegeven zal worden zodra de werkzaamheden zijn uitgevoerd. § 3. Als verschillende pachters het goed gemeenschappelijk pachten, wordt van de opzegging kennisgegeven aan al wie het goed exploiteert.
Als de verpachter niet weet wie het goed exploiteert, beschouwt hij de personen die de laatste pacht hebben betaald, als exploitant of, bij gebrek aan betaling, de pachter of de pachters die hun woonplaats hebben in de zetel van het landbouwbedrijf.
Als de verpachter bij het overlijden van de pachter niet weet welke erfgenaam of erfgenamen de exploitatie van het gepachte goed voortzetten, mag hij de erfgenamen of rechtverkrijgenden die de laatste pacht hebben betaald, als exploitant beschouwen of, bij gebrek aan betaling, de erfgenamen of rechtverkrijgenden die hun woonplaats hebben in de zetel van het landbouwbedrijf van de overleden pachter. § 4. De opzegging waarin de pachter niet schriftelijk heeft berust, vervalt als de verpachter niet binnen drie maanden na de opzegging om de geldigverklaring ervan heeft verzocht. § 5. Als al in de loop van de opzeggingstermijn blijkt dat de opzegreden, vermeld in artikel 11, 12, § 1 en § 2, en artikel 13, niet kan worden waargemaakt, kan de pachter de ongeldigverklaring van de opzegging voor de rechter vorderen. In dat geval wordt de pacht voortgezet alsof er geen opzegging is betekend. § 6. Bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging gaat de rechter na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn, en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de voornemens die hij als opzeggingsredenen bekendgemaakt heeft, ten uitvoer zal brengen.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de rechter de opzegging wegens persoonlijke exploitatie als de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, alleen geldig verklaren als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de natuurlijke persoon die volgens de opzegging de landbouwexploitatie voortzet, heeft zijn hoofdberoep in de landbouw en de landeigendommen in kwestie zullen worden geëxploiteerd in het kader van het landbouwbedrijf van die natuurlijke persoon;2° de natuurlijke personen of personen die als werkend vennoot, gecommanditeerde vennoot of bestuurder de leiding hebben van de activiteit van de rechtspersoon die volgens de opzegging de landbouwexploitatie voortzet, hebben hun hoofdberoep in de landbouw en de landeigendommen in kwestie zullen worden geëxploiteerd in het kader van het landbouwbedrijf van de rechtspersoon. Bij betwisting van het ernstige karakter van de persoonlijke exploitatie, vermeld in het eerste lid, preciseert de verpachter hoe de persoon of personen die in de opzegging als toekomstige exploitant zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en de voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat ze daartoe in staat zijn, alsook dat ze aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14, voldoen. § 7. In geval van opzegging overeenkomstig artikel 10, § 1, 7° en 8°, en artikel 11, 9°, met het oog op bebossing of natuurrealisatie weigert de rechter de geldigverklaring van de opzegging als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig zou worden verstoord. De rechter kan de geldigverklaring van de opzegging ook beperken tot bepaalde percelen of tot een bepaalde oppervlakte, maar alleen met het doel de opzegging in overeenstemming te brengen met de bepalingen over de leefbaarheid van het bestaande landbouwbedrijf.
In de volgende gevallen is de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de pachter ernstig verstoord: 1° de opzegging heeft betrekking op een deel of op het geheel van de huiskavel van het landbouwbedrijf van de pachter;2° de oppervlakte van de percelen waarvoor de opzegging werd gegeven, is groter dan één vijfde van de totale oppervlakte van het landbouwbedrijf van de pachter;3° de pachter realiseert de opzeggingsreden zelf of verbindt zich ertoe om die te realiseren binnen een termijn van één jaar na de betekening van de opzegging;4° de pachter past vrijwillig beheermaatregelen of milieu-, klimaat- en natuurvriendelijke landbouwpraktijken toe of verbindt zich ertoe om die toe te passen binnen een termijn van één jaar na de betekening van de opzegging, op voorwaarde dat die maatregelen of landbouwpraktijken het overwegende deel van de oppervlakte van het gepachte perceel beslaan en worden toegepast in het kader van een meerjarige verbintenis;5° de pachter of, als het landbouwbedrijf van de pachter wordt geëxploiteerd in het kader van een maatschap of een rechtspersoon, de vennoot die landbouwer is in hoofdberoep, is jonger dan 40 jaar;6° de pachter kan onder zijn bevoorrechte familieleden een opvolger aanwijzen die jonger is dan 40 jaar;7° de opzegging gebeurt niet om het doel van een landinrichtingsproject, natuurinrichtingsproject of ruilverkaveling te realiseren, en voor de gronden waarvoor opzegging is gegeven, geldt dat ze: a) ofwel niet tot minder geschikte landbouwgronden behoren.Minder geschikte landbouwgronden zijn landbouwgronden in voor landbouw bestemde gebieden die op basis van hun textuurklasse en hun draineringsklasse maar beperkt geschikt zijn voor een normale bedrijfsvoering en waar geen landbouwtechnische ingrepen aan werden uitgevoerd om ze alsnog geschikt te maken. Landbouwtechnische ingrepen komen alleen in aanmerking als ze vrijgesteld zijn van vergunning of melding of, in voorkomend geval, als voldaan is aan de vergunnings- en meldingsplicht, vermeld in artikel 6 van het
decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
23/10/2014
numac
2014036510
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de omgevingsvergunning
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
27/08/2014
numac
2014035897
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning
sluiten betreffende de omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan nadere regels en bijkomende criteria bepalen, en kan een kaart van die gronden vaststellen; b) ofwel sinds de inwerkingtreding van het toepasselijke gewestplan in een ruimtelijk uitvoeringsplan zijn aangeduid als bestemd voor beroepslandbouw;c) ofwel worden verpacht door een openbare verpachter en door de verpachter herbevestigd zijn als bestemd voor landbouw, hetzij beleidsmatig op basis van een ruimtelijke visie, hetzij via een ruilverkaveling, inrichtingsproject, project, plan of programma; 8° het brutobedrijfsresultaat van het landbouwbedrijf van de pachter bedraagt op het ogenblik van de opzegging minder dan een minimumbedrag van 40.000 euro per bedrijfsleider, zal met meer dan 10 procent dalen als gevolg van de opzegging of zal dalen tot onder het minimumbedrag van 40.000 euro per bedrijfsleider. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de wijze waarop het brutobedrijfsresultaat wordt vastgesteld en kan het minimumbedrag wijzigen; 9° de pachter is exploitant van een landbouwbedrijf dat de biologische productie toepast of dat aan het omschakelen is naar een biologische productiemethode overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr.834/2007 van de Raad.
Voor de berekening van de oppervlakte van percelen waarvoor de opzegging werd gegeven, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt ook de oppervlakte in rekening genomen van percelen die in een periode van 27 jaar vóór de opzegging ook al zijn opgezegd met het oog op bebossing of natuurrealisatie. Voor de berekening van de bedrijfsoppervlakte van de pachter wordt het gemiddelde genomen van de oppervlakte van de laatste drie jaar, zoals is aangegeven in de verzamelaanvraag.
Indien de pachter nalaat om de opzeggingsreden, vermeld in het tweede lid, 3°, binnen een termijn van één jaar te realiseren, kan de verpachter alsnog de geldigverklaring van de opzegging vorderen en kan de rechter de geldigverklaring van de opzegging niet weigeren of matigen op grond van de bepalingen in het tweede lid, 3°.
Als de pachter nalaat om de verbintenis uit te voeren, vermeld in het tweede lid, 4°, kan de verpachter alsnog de geldigverklaring van de opzegging vorderen en zal de rechter de geldigverklaring van de opzegging niet kunnen wei- geren of matigen op grond van de bepalingen in het eerste lid.
De criteria, vermeld in het tweede lid, 4° tot en met 9°, zijn niet van toepassing in de volgende gevallen: 1° de gronden liggen in een gebied dat is aangeduid op een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan en dat ressorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding "bosgebied" of "natuurgebied", vermeld in de bijlage bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
23/06/2015
pub.
24/07/2015
numac
2015035918
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid
sluiten1 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de tekst is vastgesteld bij het besluit van 11 april 2008, of in een van de volgende gebieden die zijn aangeduid op een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg: "bosgebied", "groengebied", "natuurgebied", "natuurgebied met wetenschappelijke waarde", "natuurontwikkelingsgebied" of "natuurreservaat";2° de verpachter is een openbare verpachter, de gronden liggen in een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 43°, c), van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de opzegging gebeurt om de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in artikel 2, 65°, van hetzelfde decreet voor die speciale beschermingszone te realiseren. Het criterium, vermeld in het tweede lid, 6°, is niet van toepassing als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de verpachter is geen openbare verpachter;2° de gronden liggen in een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 43°, c), van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;3° de opzegging gebeurt om de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in artikel 2, 65°, van hetzelfde decreet, voor die speciale beschermingszone te realiseren. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen en kan onder meer: 1° de criteria met betrekking tot de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de pachter verder aanvullen;2° bijkomende criteria vaststellen met betrekking tot de verstoring van de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de pachter. § 8. Als de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, kan de rechter weigeren om de opzegging geldig te verklaren als de totale geëxploiteerde oppervlakte van het landbouwbedrijf van de toekomstige exploitant een grotere oppervlakte zou hebben dan de maximale oppervlakte die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld. De rechter kan de opzegging ook ongeldig verklaren bij iedere verdere uitbreiding als het landbouwbedrijf van de toekomstige exploitant zich al uitstrekt over een grotere oppervlakte dan de maximale oppervlakte.
De Vlaamse Regering stelt de maximale rentabiliteitsoppervlakten vast.
Die oppervlakten worden ten minste om de vijf jaar herzien. Ze worden in elke provincie vastgesteld volgens de landbouwstreken die bepaald zijn in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk.
De Vlaamse Regering kan de grenzen van de verschillende landbouwstreken aanpassen.
Als een landbouwexploitant een verpachte grond verkrijgt om die persoonlijk te exploiteren, zijn de oppervlaktevoorwaarden die gelden bij een eventuele opzegging, de voorwaarden die van kracht waren bij de verkrijging.
De Vlaamse Regering kan de procedure voor de vaststelling van de maximale rentabiliteitsoppervlakten verder uitwerken. § 9. Als de opzegging met toepassing van paragraaf 4 vervallen is of als ze niet geldig is verklaard, kan om geen enkele reden een nieuwe opzegging worden gedaan vóór er ten minste één jaar is verstreken na de kennisgeving van de opzegging die vervallen is of die onregelmatig is verklaard naar de vorm. Die termijn wordt vastgesteld op drie jaar als de rechter de geldigverklaring van de opzegging heeft geweigerd omdat de opgegeven reden ongegrond was.
De rechter kan een opzegging die naar de vorm onregelmatig verklaard zou moeten worden, toch geldig verklaren als de onregelmatigheid geen twijfel kan doen rijzen over de aard of de ernst van de opzegging door de pachter, noch over de identiteit van de persoon in het voordeel van wie de opzegging wordt verricht. § 10. De opzegging die de rechter geldig heeft verklaard of waarin de pachter schriftelijk heeft berust, wordt als niet-bestaand beschouwd als de pachter in het bezit van het gepachte goed blijft en wordt gelaten. Art. 20.§ 1. De pachter die het pachtgoed ontruimd heeft ingevolge een opzegging met het oog op persoonlijke exploitatie als vermeld in artikel 11, 1°, artikel 12, § 1 of § 2, of artikel 13, heeft recht op zijn terugkeer op het pachtgoed met schadevergoeding, of desgewenst op schadevergoeding alleen, als het pachtgoed meer dan zes maanden en minder dan negen jaar na de ontruiming ervan zonder gewichtige redenen niet geëxploiteerd wordt door de personen die in de opzegging als toekomstige exploitant aangewezen zijn.
In geval van betwisting wordt het bewijs geleverd door de persoon in het voordeel van wie de opzegging is gedaan. § 2. Bij een opzegging met het oog op vervreemding als vermeld in artikel 12, § 4, is de authentieke akte uiterlijk op de laatste dag van de lopende pachtperiode verleden.
Als de authentieke akte niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, is verleden en de pachter het pachtgoed nog niet heeft verlaten, blijft de opzegging, vermeld in artikel 11, § 4, zonder gevolg.
Als de authentieke akte niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, is verleden, heeft de pachter die het pachtgoed heeft ontruimd, recht op terugkeer op het pachtgoed met schadevergoeding, of desgewenst op schadevergoeding alleen.
In geval van betwisting wordt het bewijs van het verlijden van de authentieke akte door de verpachter geleverd. § 3. De pachter die het pachtgoed ontruimd heeft ingevolge een opzegging met het oog op bebossing of natuurrealisatie als vermeld in artikel 10, § 1, 7° of 8°, of overeenkomstig artikel 11, 9°, met het oog op bebossing of natuurrealisatie, heeft recht op terugkeer op het pachtgoed met schadevergoeding, of desgewenst op schadevergoeding alleen, als de opzeggingsreden niet binnen drie jaar na de opzegging volledig is gerealiseerd ofwel door aanplanting, ofwel doordat het perceel is opgenomen in een goedgekeurd natuurbeheerplan, of als de bebossing of natuurrealisatie niet gedurende een periode van ten minste 24 jaar wordt aangehouden. § 4. De terugkeer op het pachtgoed met schadevergoeding of de schadevergoeding alleen kan ook worden gevorderd door de pachter die het goed heeft ontruimd ingevolge opzegging om een van de redenen, vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 6°, § 2 en § 3, en artikel 11, 2° tot en met 4°, 9° en 10°, als het voornemen dat de verpachter als reden van de opzegging heeft opgegeven, meer dan zes maanden na de ontruiming van het goed zonder gewichtige reden geen normale uitvoering heeft gekregen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden.
In geval van betwisting bewijst de verpachter dat hij het voornemen, vermeld in het eerste lid, ten uitvoer heeft gebracht. § 5. De eis tot terugkeer of tot betaling van een schadevergoeding die gegrond is op de vaststelling dat de verpachter het voornemen dat hij in de opzegging te kennen heeft gegeven, niet ten uitvoer heeft gebracht, wordt ingesteld binnen vijf jaar nadat de pachter het gepachte goed heeft verlaten.
De eis die gegrond is op het vroegtijdig beëindigen van het gebruik, wordt ingesteld binnen drie jaar na de beëindiging. Afdeling 2. - Opzegging door de pachter en beëindiging in onderlinge
overeenstemming Art. 21.Ongeacht de duur van de pacht en in afwijking van elke andersluidende overeenkomst, kan de pachter te allen tijde volledig of ten dele een einde aan de pacht maken ingevolge een opzegging met een opzeggingstermijn van ten minste een jaar.
De partijen kunnen een einde aan de lopende pacht maken op voorwaarde dat hun akkoord wordt vastgesteld in een authentieke akte of in een verklaring die ze voor de rechter na ondervraging afleggen. HOOFDSTUK 4. - Vergissingen bij de opgave van de oppervlakte en gevallen van bezitaanmatiging Art. 22.Als in een pachtovereenkomst aan het gepachte goed een kleinere of een grotere omvang wordt toegeschreven dan het werkelijk heeft, wordt de pachtprijs evenredig vermeerderd of verminderd, te rekenen vanaf de eerste vervaldag die volgt op de vordering. De pachter heeft ook het recht om ontbinding van de pachtovereenkomst te vorderen. De vordering tot vermindering of vermeerdering van de pachtprijs en de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst zijn alleen ontvankelijk als het verschil tussen de werkelijke omvang en de omvang die in de overeenkomst wordt vermeld, ten minste een twintigste bedraagt.
De vordering, vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk gedurende de volledige pachttijd. Art. 23.De pachter is, op straffe van betaling van alle kosten en schadevergoedingen, ertoe gehouden de verpachter op de hoogte te brengen van de daden van bezitsaanmatiging die op het gepachte goed worden gepleegd.
De kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft plaats binnen dezelfde termijn als de termijnen van dagvaarding, vermeld in artikel 707 tot en met 709 van het Gerechtelijk Wetboek. HOOFDSTUK 5. - Verpachting door openbare verpachters Art. 24.§ 1. De openbare verpachter verpacht landeigendommen bij wijze van inschrijving tegen de maximaal toegestane pachtprijs, berekend overeenkomstig hoofdstuk 6.
De openbare verpachter stelt een procedure vast, waarbij iedere kandidaat-pachter een bod kan uitbrengen.
De openbare verpachter neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere kandidaat-pachter tijdens die procedure gelijk behandeld wordt. § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 tot en met 5 bepaalt de openbare verpachter: 1° de verpachtingsprocedure, met inbegrip van de nadere regels voor het indienen van de inschrijvingen;2° de criteria op basis waarvan de pacht toegekend wordt;3° de contractuele bepalingen met betrekking tot de pacht. De regels, criteria en contractuele bepalingen, vermeld in het eerste lid, kunnen gee …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.