📄 Wettekst
25 APRIL 2007. - Wet betreffende de pensioenen van de openbare sector
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bepaald in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wijzigende bepalingen inzake rustpensioenen Afdeling I. - Wijziging van de algemene
wet van 21 juli 1844Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten1
op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen Art. 2.De bijlage bij de algemene
wet van 21 juli 1844Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten1 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten en aangevuld bij de wet van 9 juli 2004, wordt als volgt gewijzigd : 1° in de linkerkolom, punt I, MINISTERIE VAN FINANCIEN, A.Sector Douane, worden de woorden « 3. Assistent bij financiën; 4. Beambte (a'').» vervangen door de woorden « 3. Assistent bij financiën, afgeschafte graad; 4. Administratief medewerker (a'');5. Financieel medewerker (a'');6. Financieel assistent (a'').»; 2° in de rechterkolom wordt punt I, Administratie der douane en accijnzen, A., aangevuld als volgt : « 30. Assistent bij financiën; 31. Beambte (a'').»; 3° in de linkerkolom, punt I, MINISTERIE VAN FINANCIEN, B.Sector Accijnzen, worden de woorden « 2. Sectiechef bij financiën; 3. Assistent bij financiën.» vervangen door de woorden « 2. Sectiechef bij financiën, afgeschafte graad; 3. Assistent bij financiën, afgeschafte graad;4. Administratief medewerker (a''');5. Financieel medewerker (a''');6. Financieel assistent (a''').»; 4° in de rechterkolom wordt punt I, Administratie der douane en accijnzen, B., aangevuld als volgt : « 17. Sectiechef bij financiën; 18. Assistent bij financiën.»; 5° in de rubriek « Opmerkingen » van de linkerkolom van punt I, MINISTERIE VAN FINANCIEN, worden de woorden « a'') Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden voordien bekleed met de graad van aangestelde der douane of onderbrigadier der douane.» vervangen door de woorden a'' Administratief medewerker (sector Douane) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 januari 2002 bekleed met één van volgende graden : - assistent bij financiën - sector douane (gewezen financiebeambte - sector douane) - beambte - sector douane (gewezen onderbrigadier der douane of gewezen aangestelde der douane).
Financieel medewerker (sector Douane) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 januari 2002 bekleed met de graad van assistent bij financiën (gewezen eerste douanebeambte, gewezen eerste financiebeambte (Douane) en gewezen eerste douanebeambte 1e klasse.
Financieel assistent (sector Douane) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 juni 2002 bekleed met de graad van assistent bij financiën - sector douane (gewezen luitenant der douane en gewezen hoofddouanebeambte). a''' Administratief medewerker (sector Accijnzen) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 januari 2002 bekleed met de graad van assistent bij financiën - sector accijnzen (gewezen financiebeambte - sector accijnzen).
Financieel medewerker (sector Accijnzen) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 januari 2002 bekleed met de graad van assistent bij financiën (gewezen eerste financiebeambte (Accijnzen) gewezen eerste financiebeambte 1e klasse (Accijnzen)).
Financieel assistent (sector Accijnzen) Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden vóór 1 juni 2002 bekleed met één van volgende graden : - sectiechef bij financiën - sector accijnzen (gewezen sectiechef der accijnzen) - assistent bij financiën - sector accijnzen (gewezen hoofdfinanciebeambte - sector accijnzen). »; 6° in de rubriek « Opmerkingen » van de rechterkolom van punt I, Administratie der douane en accijnzen, worden de woorden « a'') Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden voordien bekleed met de graad van aangestelde der douane of onderbrigadier der douane.» ingevoegd tussen de woorden « of op een latere datum » en littera b) ; 7° in de linkerkolom, punt III, MINISTERIE VAN VERKEER EN INFRASTRUCTUUR EN MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, B.Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Waterwegen en Zeewezen, worden de woorden « 1. Scheepsbeambte (met de functie van matroos); 2. Scheepsbeambte (met de functie van kwartiermeester);3. Scheepsbeambte (met de functie van stoker);» vervangen door de woorden « 1. Speciaal assistent (met de functie van matroos); 2. Speciaal assistent (met de functie van kwartiermeester);3. Speciaal assistent (met de functie van stoker);»; 8° in de rechterkolom wordt punt III.MINISTERIE VAN VERKEER EN INFRASTRUCTUUR, MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, REGIE VOOR MARITIEM TRANSPORT EN MINISTERIE VAN HET ZEEWEZEN - BESTUUR VAN HET ZEEWEZEN, aangevuld als volgt : « 77. Scheepsbeambte (met de functie van matroos); 78. Scheepsbeambte (met de functie van kwartiermeester);79. Scheepsbeambte (met de functie van stoker).»; 9° in de linkerkolom wordt punt IV.DE POST aangevuld als volgt : « D. 1. Controleurs; 2. Eerstaanwezend controleurs; In de mate dat de titularissen van deze graden met behoud van hun graad uitreikingsdiensten als postman-uitreiker presteren ten gevolge van de implementatie van het project Refocus. » Afdeling 2. - Wijziging van de
wet van 20 maart 1958Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten8 betreffende de
cumulatie van pensioenen en wedden, en de regeling inzake rustpensioenen voor verschillende ambten Art. 3.In artikel 2, § 1, zesde lid, van de
wet van 20 maart 1958Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten8 betreffende de cumulatie van pensioenen en wedden, en de regeling inzake rustpensioenen voor verschillende ambten, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, worden de woorden « een gunstiger tantième dan 1/55 » vervangen door de woorden « een gunstiger tantième dan 1/50 ». Afdeling 3. - Wijziging van de
wet van 14 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten1 tot vaststelling
van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector Art. 4.In artikel 4, zesde lid, van de
wet van 14 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten1 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, worden de woorden « een gunstiger tantième dan 1/55 » vervangen door de woorden « een gunstiger tantième dan 1/50 ». Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 4 juli 1966 houdende toekenning
van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten Art. 5.In artikel 2, eerste lid, 2°, b), van de wet van 4 juli 1966 houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten, worden de woorden « op basis van een gemiddelde wedde gelijk aan of gebracht op 715 687 Belgische frank met toepassing van § 3 van artikel 121 van dezelfde wet. » vervangen door de woorden « op basis van een gemiddelde wedde gelijk aan of gebracht op het bedrag bepaald bij artikel 121, § 3, van dezelfde wet. » Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en
aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector Art. 6.Artikel 34, eerste lid van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, vervangen bij de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3, wordt vervangen als volgt : « De in artikel 33, eerste lid, bepaalde bonificatie is gelijk aan het minimumaantal studiejaren dat nodig is om het diploma te behalen dat vanwege betrokkene vereist is voor zijn aanwerving of zijn bevordering. » Afdeling 6. - Wijziging van de wet van 16 juni 1970 betreffende de
bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs Art. 7.In artikel 2 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid van § 1 en het derde lid, toegevoegd aan § 1 door de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3, wordt vervangen als volgt : « De bonificatie is gelijk aan het minimumaantal studiejaren dat nodig is om het diploma te behalen dat vanwege betrokkene vereist is hetzij bij het begin van de ambtsuitoefening hetzij in de loop ervan.»; 2° § 3, vervangen bij de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3, wordt aangevuld met het volgende lid : « De in het eerste lid, 1°, gestelde voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn door het personeelslid dat, op het ogenblik van zijn aanwerving, in het bezit was van het brevet van luitenant ter lange omvaart en dat, vóór het schooljaar 1969-1970, een studie aangevat heeft die leidde tot de toekenning van het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart.» Afdeling 7. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1976 tot wijziging
van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 Art. 8.Artikel 36 van de wet van 29 juni 1976 tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 36.Voor het recht op het pensioen verbonden aan een in artikel 21 bedoelde bijbetrekking, wordt het totale aantal dienstjaren verbonden aan deze bijbetrekking in aanmerking genomen.
In afwijking van artikel 2 van de
wet van 20 maart 1958Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten8 betreffende de cumulatie van pensioenen en wedden, en de regeling inzake rustpensioenen voor verschillende ambten, worden voor de in een in artikel 21 bedoelde bijbetrekking verrichte diensten twee afzonderlijke pensioenen toegekend. » Art. 9.In dezelfde wet wordt een artikel 36bis ingevoegd, luidende : « Art. 36bis.Het pensioen verbonden aan een bijbetrekking bedoeld in artikel 21 dat betrekking heeft op de periode die voorafgaat aan het ogenblik waarop het personeelslid ambtshalve in wachtstand werd geplaatst in zijn bijbetrekking, wordt berekend overeenkomstig artikel 156 van de nieuwe gemeentewet. » Art. 10.In dezelfde wet wordt een artikel 36ter ingevoegd, luidende : « Art. 36ter.§ 1. In afwijking van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, wordt het pensioen verbonden aan een bijbetrekking bedoeld in artikel 21 dat betrekking heeft op de periode die volgt op het ogenblik waarop het personeelslid ambtshalve in wachtstand werd geplaatst in zijn bijbetrekking en uitgedrukt aan het op de ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde spilindexcijfer, vastgesteld op basis van de in dat artikel bedoelde laatste activiteitswedde, die vanaf de datum waarop het personeelslid ambtshalve in wachtstand werd geplaatst de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen niet meer volgt. § 2. De referentiewedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan wordt, teneinde het bedrag van het in § 1 bedoeld pensioen te verkrijgen, verkregen door het gemiddelde te nemen van : 1° de laatste activiteitswedde gedeeld door de coëfficiënt die op de eerste dag van de referteperiode de verhoging ten opzichte van het spilindexcijfer uitdrukt;2° de laatste activiteitswedde, gedeeld door de coëfficiënt die op de laatste dag van dezelfde periode de verhoging ten opzichte van het spilindexcijfer uitdrukt. § 3. Ingeval de laatste activiteitswedde overeenkomstig artikel 21, tweede lid, werd verminderd, wordt het pensioen vastgesteld op grondslag van de niet-verminderde laatste activiteitswedde. In dat geval wordt de duur van de periode tijdens welke de laatste wedde werd verminderd, vermenigvuldigd met de verhouding tussen enerzijds de verminderde wedde en anderzijds dezelfde wedde zonder rekening te houden met de toegepaste vermindering. § 4. Het in § 1 bedoelde pensioen wordt toegekend op vraag van de betrokkene en kan niet worden beschouwd als voortvloeiend uit een ambtshalve opruststelling. » Afdeling 8. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1978
houdende economische en budgettaire hervormingen Art. 11.In de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen wordt in titel V, hoofdstuk II, eerste afdeling, een artikel 50ter ingevoegd, luidende : « Art. 50ter.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van de
wet van 21 juli 1844Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten1 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, wordt de betaling van het rustpensioen geschorst gedurende de gehele kalendermaanden tijdens welke de gepensioneerde : a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan. In afwijking van § 1, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van § 1, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de gepensioneerde bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling. § 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen wordt aan de echtgenoot of aan de kinderen van de gepensioneerde een pensioen betaald gelijk aan het overlevingspensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken indien de gepensioneerde overleden was. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de gepensioneerde of vanaf het herstel van de betaling van het rustpensioen aan de gepensioneerde.
Het met toepassing van het eerste lid aan de echtgenoot of aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het rustpensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de gepensioneerde betaald worden op grond van § 1, derde lid. » Afdeling 9. - Wijziging van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2
houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Art. 12.In artikel 48 van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, worden de woorden « de sancties bepaald in geval van veroordeling tot een criminele straf door de pensioenregeling die overeenkomstig artikel 47 van toepassing is op de betrokkene » vervangen door de woorden « de sancties die bepaald worden door de pensioenregeling die overeenkomstig artikel 47 van toepassing is op de betrokkene : a) in geval van veroordeling tot een criminele straf;b) in geval van opsluiting in een gevangenis of van internering in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;c) wanneer de gepensioneerde zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan.» Afdeling 10. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 442 van 14
augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten Art. 13.Artikel 2, § 1, tweede lid, en § 3, van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, gewijzigd bij de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3 wordt opgeheven. Art. 14.Artikel 2bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de
wet van 25 mei 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
25/05/2000
pub.
29/06/2000
numac
2000007154
bron
ministerie van landsverdediging
Wet tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking
type
wet
prom.
25/05/2000
pub.
29/06/2000
numac
2000007153
bron
ministerie van landsverdediging
Wet betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht
sluiten en gewijzigd bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, wordt opgeheven. Art. 15.In hetzelfde besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidende : « Art. 2ter.De perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties die door een contractueel personeelslid in de openbare sector werden opgenomen voor zijn vaste benoeming, worden voor het recht op het rustpensioen en de berekening ervan overeenkomstig de hierna bepaalde modaliteiten in aanmerking genomen : 1° voor de eerste twaalf maanden : de duur die in aanmerking zou genomen zijn indien er geen loopbaanonderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties was geweest;2° voor de volgende achtenveertig maanden : de perioden voor dewelke het personeelslid de persoonlijke bijdrage van 7,5 % heeft gestort, bestemd voor de sector van de rust- en overlevingspensioenen in het pensioenstelsel voor de werknemers.» Art. 16.In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quater ingevoegd, luidende : « Art. 2quater.Voor het geheel van de loopbaan mag het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking die overeenkomstig de artikelen 2 en 2ter in aanmerking genomen worden voor het recht op het pensioen en de berekening ervan, en van de perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking die overeenkomstig artikel 2bis in aanmerking genomen worden voor het recht op het pensioen en de berekening ervan, in geen geval de duur van de effectieve loopbaanprestaties noch 60 maanden overschrijden. » Art. 17.In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quinquies ingevoegd, luidende : « Art. 2quinquies.De storting van de bijdrage bedoeld in de artikelen 2, § 1, 2°, 2bis, § 1, 2°, en 2ter, 2°, is, voor het geheel van de loopbaan, niet vereist tijdens ten hoogste vierentwintig maanden gedurende welke het personeelslid of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt voor een kind dat minder dan 6 jaar oud is. » Art. 18.In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij koninklijk besluit van 14 juni 2001 en gewijzigd bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten en de wet van 4 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt : « 1° de perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties die in aanmerking komen met toepassing van de artikelen 2 en 2ter ;»; 2° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : - in het derde lid worden de woorden « de in artikel 2, § 1, tweede lid of 2bis, § 1, tweede lid bedoelde vrijstelling van stortingen » vervangen door de woorden « de in artikel 2quinquies bedoelde vrijstelling van stortingen »; - in het vierde lid worden de woorden « de in artikel 2, § 1, tweede lid of in artikel 2bis, § 1, tweede lid bedoelde vrijstelling van stortingen » vervangen door de woorden « de in artikel 2quinquies bedoelde vrijstelling van stortingen »; 3° in § 4, eerste lid, worden de woorden « de in artikel 2, § 1 bepaalde stortingen » vervangen door de woorden « de in artikel 2, § 1, 2°, of in artikel 2ter, 2°, bepaalde stortingen »;4° in § 5 worden de woorden « de in artikel 2, § 1 bepaalde stortingen » vervangen door de woorden « de in artikel 2, § 1, 2°, of in artikel 2ter, 2°, bepaalde stortingen ». Afdeling 11. - Wijzigingen van de Nieuwe gemeentewet
Art. 19.In artikel 161 van de Nieuwe gemeentewet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 maart 1990, de wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 12 januari 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de huidige tekst zal § 1 vormen;2° § 1, zesde lid wordt aangevuld als volgt : « De betaling van het geheel van de bijdragen kan, bij beslissing van het plaatselijk bestuur in het kader van een pensioenverzekeringsovereenkomst, aan een voorzorgsinstelling worden toevertrouwd.De voorzorgsinstelling neemt de verplichtingen inherent aan deze betalingen ten aanzien van de Rijksdienst over. Voor deze bijdragen wordt, voor de toepassing van hoofdstuk II van voormeld koninklijk besluit van 25 oktober 1985, de voorzorgsinstelling in de plaats gesteld van het bestuur. De beslissing van het plaatselijk bestuur om de betaling van de bijdragen aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen of om deze niet langer meer aan de voorzorgsinstelling toe te vertrouwen moet ten laatste op 30 september bij een ter post aangetekende zending aan de Rijksdienst ter kennis gebracht worden om uitwerking te hebben met ingang van 1 januari van het volgende jaar. »; 3° een § 2 wordt toegevoegd, luidende : « § 2.De gemeenten die op 31 december 1993 aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden kunnen bij dat stelsel eveneens hun niet-aangesloten vast benoemde personeelsleden aansluiten die in dienst zijn op de datum van die aanvullende aansluiting.
De rustpensioenen toegekend aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden evenals de overlevingspensioenen toegekend aan hun rechthebbenden, die ingaan vanaf de datum van de in het eerste lid bedoelde aanvullende aansluiting, vallen ten laste van het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden.
De rust- en overlevingspensioenen die op de datum van die aanvullende aansluiting ten laste van de gemeente vielen, worden gedeeltelijk overgenomen door het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden.
Het door dit stelsel overgenomen gedeelte van de pensioenen is gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, de weddenmassa van het geheel van het vast benoemd personeel van de betreffende gemeente voor het jaar van de aansluiting, vermenigvuldigd met de bijdragevoet vastgesteld overeenkomstig § 1, zesde lid, en, anderzijds, de last, voor het jaar van de aansluiting, van de rustpensioenen van de gewezen personeelsleden van de betreffende gemeente evenals van de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden. De op de datum van de aansluiting lopende pensioenen met de meest recente ingangsdatum worden bij voorrang overgenomen.
De Koning bepaalt de nadere regels van de aanvullende aansluiting bedoeld in het eerste lid. » Art. 20.Artikel 161bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 30 december 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten0, wordt vervangen als volgt : « § 1. Wanneer, ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een plaatselijke overheidsdienst die inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden, personeel van deze overheidsdienst overgeheveld wordt naar één of meer andere plaatselijke overheidsdiensten die niet deelnemen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden, zijn deze andere overheidsdiensten, vanaf de datum van de herstructurering of de afschaffing, ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de geherstructureerde of afgeschafte plaatselijke overheidsdienst die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de herstructurering of de afschaffing ervan. Dit geldt eveneens voor de last van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van voormelde personeelsleden of van de personeelsleden van deze instellingen die overleden zijn vóór de datum van de herstructurering of de afschaffing ervan. » Afdeling 12. - Wijzigingen van de
wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten6
houdende sociale en diverse bepalingen Art. 21.In artikel 134, § 1, eerste lid, van de
wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten6 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden « of overeenkomstig artikel 82 van de
wet van 26 april 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
26/04/2002
pub.
30/04/2002
numac
2002000334
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Wet houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten
sluiten houdende essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten » ingevoegd tussen de woorden « wet van 5 augustus 1978 » en de woorden « ambtshalve gepensioneerd ». Art. 22.Artikel 140 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende : « § 4. De in artikel 121, § 3, tweede lid, bepaalde beperking is niet van toepassing op de op 31 december 2002 lopende rustpensioenen. » Afdeling 13. - Wijzigingen van de
wet van 6 augustus 1993Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
04/06/2015
numac
2015000253
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten
betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen Art. 23.In artikel 4, § 2, van de
wet van 6 augustus 1993Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
04/06/2015
numac
2015000253
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « Het door dit stelsel overgenomen gedeelte van de pensioenen is gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, de weddenmassa van het jaar van de aansluiting, vermenigvuldigd met de bijdragevoet vastgesteld met toepassing van artikel 7, § 1, eerste lid, en, anderzijds, de last van de rust- en overlevingspensioenen bedoeld in § 1, die ingaan tijdens het jaar van de aansluiting.De op de datum van aansluiting lopende pensioenen met de meest recente ingangsdatum worden bij voorrang overgenomen. »; 2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid : « Wanneer de in artikel 7, § 1, eerste lid, bedoelde bijdragevoet de in artikel 7, § 1, tweede lid bedoelde bijdragevoet met meer dan 7,5 pct.overstijgt, is de voor de overname toe te passen bijdragevoet, in afwijking van het tweede lid, het in artikel 7, § 1, tweede lid bedoelde percentage verhoogd met 7,5 pct. » Art. 24.Artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 12 januari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten0, wordt aangevuld als volgt : « De beslissing van het plaatselijk bestuur om de betaling van de bijdragen aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen of om deze niet langer meer aan de voorzorgsinstelling toe te vertrouwen moet ten laatste op 30 september bij een ter post aangetekende zending aan de Rijksdienst ter kennis gebracht worden om uitwerking te hebben met ingang van 1 januari van het volgende jaar. » Art. 25.In artikel 7 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, gewijzigd bij de
wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten, wordt vervangen als volgt : « § 1.Ieder jaar stelt de Rijksdienst voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die theoretisch nodig is voor de financiering van de rustpensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen waarvan het personeel aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, evenals van de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden. Deze bijdragevoet is gelijk aan de verhouding tussen, enerzijds, de geraamde uitgaven voor de hiervoor omschreven pensioenen en, anderzijds, de geraamde weddenmassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt vastgesteld, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van die verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar.
Ieder jaar stelt de Rijksdienst voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die werkelijk toegepast wordt op de bezoldigingen die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde en aangesloten personeelsleden, rekening houdend met de in het eerste lid bedoelde theoretische bijdragevoet, met het overschot inzake kinderbijslag dat eventueel wordt toegewezen met toepassing van artikel 9, evenals, in voorkomend geval, met de opbrengst van andere inkomsten die aan dit stelsel worden toegewezen.
Indien de opbrengst van de met toepassing van het tweede lid aan de Rijksdienst gestorte bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk verrichte pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die het voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen. »; 2° § 2, eerste lid, gewijzigd bij de
wet van 12 januari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten0, wordt vervangen als volgt : « § 2.De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de invordering en de inning van de met toepassing van § 1 verschuldigde sommen. Hij bepaalt eveneens het bedrag en de toepassingsvoorwaarden van de verhogingen en verwijlinteresten in geval van niet-naleving der betalingstermijnen, alsook de nadere regels waaronder afgezien kan worden van de toepassing van deze verhogingen of verwijlintresten. »; 3° een § 3 wordt toegevoegd, luidende : « § 3.Een plaatselijk bestuur dat het beheer en de betaling van de rust- en overlevingspensioenen die behoren tot het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen aan de Pensioendienst voor de overheidssector heeft toevertrouwd, kan, in het kader van een verzekeringsovereenkomst, beslissen de betaling van het geheel van de sommen waarvan sprake in § 1 aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen. De voorzorgsinstelling neemt de verplichtingen inherent aan deze betalingen ten aanzien van de Rijksdienst over. Voor deze sommen wordt, voor de toepassing van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van Hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de voorzorgsinstelling in de plaats gesteld van het bestuur. De beslissing van het plaatselijk bestuur om het beheer en de betaling van de pensioenen aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen of om deze niet langer meer aan de voorzorgsinstelling toe te vertrouwen moet ten laatste op 30 september bij een ter post aangetekende zending aan de Rijksdienst ter kennis gebracht worden om uitwerking te hebben met ingang van 1 januari van het volgende jaar. »; 4° een § 4 wordt toegevoegd, luidende : « § 4.Indien een plaatselijk bestuur het beheer en de betaling van de rust- en overlevingspensioenen die behoren tot het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen aan een voorzorgsinstelling heeft toevertrouwd, maakt de voorzorgsinstelling de verschuldigde sommen waarvan sprake in § 2 niet over aan de Rijksdienst, doch wendt zij deze aan als provisies voor de betaling van de maandelijkse pensioenbedragen ten laste van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen. » Art. 26.Artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 12 januari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten0, wordt vervangen als volgt : « Art. 8.Indien het beheer en de betaling van de pensioenen werden toevertrouwd aan de Pensioendienst voor de overheidssector, stort de Rijksdienst, bij voorbaat en maandelijks, aan deze dienst de noodzakelijke provisies voor de betaling van de maandelijkse pensioenbedragen ten laste van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen.
Indien het beheer en de betaling van de pensioenen werden toevertrouwd aan een voorzorgsinstelling, stort de Rijksdienst, bij voorbaat en maandelijks, aan deze voorzorgsinstelling de provisies die bovenop de sommen waarvan sprake in artikel 7, § 4 noodzakelijk zijn voor de betaling van de maandelijkse pensioenbedragen ten laste van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen. » Art. 27.Artikel 14, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Wanneer, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur, personeel van dit bestuur, al naargelang het geval, overgeheveld wordt naar één of meerdere private of openbare werkgevers die niet deelnemen aan het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, gedetacheerd wordt bij dergelijke werkgevers of door deze gebezigd wordt, zijn deze laatste ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing. Dit geldt eveneens voor de last van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van voormelde personeelsleden of van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die overleden zijn vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing. » Afdeling 14. - Wijzigingen van de
wet van 12 augustus 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/08/2000
pub.
31/08/2000
numac
2000003530
bron
diensten van de eerste minister en ministerie van financien
Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen
sluiten
houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen Art. 28.In artikel 5, eerste lid van de
wet van 12 augustus 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/08/2000
pub.
31/08/2000
numac
2000003530
bron
diensten van de eerste minister en ministerie van financien
Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen
sluiten houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001, worden de woorden « en eventueel beperkt tot het maximum van 3/4 bepaald in artikel 39, eerste lid van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, in voorkomend geval verminderd krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht » ingevoegd tussen de woorden « in voorkomend geval met inbegrip van het complement voor een belastende functie » en de woorden « , wordt, voor de werkelijke gepresteerde diensten na 31 december 2000 ». Art. 29.Artikel 6 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende : « § 2. In afwijking van § 1, tweede lid, mag het pensioencomplement wegens leeftijd dat betrekking heeft op de na 31 december 2005 werkelijk gepresteerde dienst, uitwerking hebben tot de uiterste grens van 9/10 bepaald in artikel 39, eerste lid van voormelde wet van 5 augustus 1978, in voorkomend geval verminderd krachtens artikel 4 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983. » Afdeling 15. - Wijziging van de
wet van 26 april 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
26/04/2002
pub.
30/04/2002
numac
2002000334
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Wet houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten
sluiten houdende
essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten Art. 30.In artikel 82, eerste lid, van de
wet van 26 april 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
26/04/2002
pub.
30/04/2002
numac
2002000334
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Wet houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten
sluiten houdende essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, worden de woorden « wegens lichamelijke ongeschiktheid » ingevoegd tussen de woorden « in disponibiliteit » en de woorden « is geplaatst ». Afdeling 16. - Wijziging van de
wet van 4 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/03/2004
pub.
26/03/2004
numac
2004012078
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst
sluiten houdende
toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst Art. 31.Artikel 7 van de
wet van 4 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/03/2004
pub.
26/03/2004
numac
2004012078
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst
sluiten houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst wordt vervangen als volgt : « Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas : - wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de perioden tijdens welke betrokkene ambtshalve in verlof werd geplaatst om een in artikel 2 bedoelde functie uit te oefenen, niettegenstaande de toepassing van de artikelen 5, tweede lid, en 6, § 1, tweede lid en § 2, van de wet 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, vastgesteld rekening houdend met het in die artikelen bedoelde complement wegens leeftijd; - wordt de rente die beantwoordt aan het in artikel 6, § 1, bedoelde kapitaal niet in aanmerking genomen. Deze bepaling is van toepassing ongeacht het feit of betrokkene al dan niet de uitkering van dat kapitaal heeft gevraagd. » HOOFDSTUK III. - Wijzigende bepalingen inzake overlevingspensioenen Afdeling 1. - Wijziging van de
wet van 14 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten1 tot vaststelling
van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector Art. 32.In artikel 9, vierde lid, van de
wet van 14 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten1 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, worden de woorden « een gunstiger tantième dan 1/55 » vervangen door de woorden « een gunstiger tantième dan 1/50 ». Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 5 augustus 1978
houdende economische en budgettaire hervormingen Art. 33.Artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, ingevoegd bij de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3 en gewijzigd bij de
wet van 5 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten7, wordt vervangen als volgt : « Het eerste lid is niet van toepassing indien : - een voogd aangewezen wordt overeenkomstig artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder wettelijk onbekend is of erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over de wees uit te oefenen; - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel; - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen of de aanwijzing van een persoon heeft gehomologeerd om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting. » Art. 34.In dezelfde wet, wordt een artikel 50quater ingevoegd, luidende : « Art. 50quater.§ 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 2, § 3, 6, derde lid, en 9, zevende lid, van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wordt de betaling van het overlevingspensioen geschorst gedurende de gehele kalendermaanden tijdens welke de titularis van het pensioen : a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan. In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de titularis van het pensioen bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling. § 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen worden de kinderen geboren uit het huwelijk van de overlevende of de uit de echt gescheiden echtgenoot met de overledene, gelijkgesteld met hele wezen.
Hetzelfde geldt voor de kinderen bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid, van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de titularis van het pensioen of vanaf het herstel van de betaling van zijn overlevingspensioen.
Het met toepassing van het eerste lid aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het overlevingspensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de titularis van het pensioen betaald worden op grond van § 1, derde lid. » Afdeling 3. - Wijzigingen van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2
houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Art. 35.Artikel 15bis, tweede lid, van de
wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten2 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, ingevoegd bij de
wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
12/06/1999
numac
1999022531
bron
ministerie van financien
Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs
sluiten3, wordt vervangen door de volgende leden : « Het eerste lid is niet van toepassing indien : - een voogd aangewezen wordt overeenkomstig artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder wettelijk onbekend is of erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over de wees uit te oefenen; - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel; - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen of de aanwijzing van een persoon heeft gehomologeerd om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting. » Art. 36.Artikel 17, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Wanneer de overlevende echtgenoot of de uit de echt gescheiden echtgenoot erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen over de uit zijn huwelijk met het overleden personeelslid geboren kinderen, worden deze als wezen beschouwd.
Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer de daarin bedoelde echtgenoot, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel.
Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer de daarin bedoelde echtgenoot uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021087
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
type
wet
prom.
22/02/1998
pub.
03/03/1998
numac
1998021086
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sommige sociale bepalingen
sluiten3 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting. » Art. 37.In artikel 18, § 1, vierde lid van dezelfde wet, vervangen bij de
wet van 3 februari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/02/2003
pub.
13/03/2003
numac
2003022221
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector
sluiten, worden de woorden « een gunstiger tantième dan 1/55 » vervangen door de woorden « een gunstiger tantième dan 1/50 ». Art. 38.Artikel 19 van dezelfde wet, g …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.