📄 Wettekst
18 NOVEMBER 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering over de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector groenten en fruit
Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: - de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993; - het
decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/06/2013
pub.
12/09/2013
numac
2013204905
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het landbouw- en visserijbeleid
sluiten betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 4, 5°, gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2017, artikel 29, 30 en 74.
Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 26 oktober 2022. - Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1; Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat conform de verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013, de producentenorganisaties vanaf 1 januari 2023 hun lopende operationele programma's voortijdig kunnen stopzeggen en een nieuw operationeel programma kunnen starten en daarbij conform artikel 43 van huidig besluit tijd hebben tot 15 oktober 2022 om hun nieuw operationeel programma in te dienen. Overwegende dat deze termijn via de overgangsmaatregel van artikel 150 van huidig besluit verlengd zal worden tot 23 december 2022 om de producentenorganisaties voldoende tijd te geven aan de vereisten te voldoen. Overwegende dat het GLB strategisch plan nog niet werd goedgekeurd en op datum van 15 oktober 2022 nog niet zal goedgekeurd zijn. Overwegende dat het besluit met de nieuwe regels er tijdig moet zijn om de indiening van de nieuwe operationele programma's mogelijk te maken op 23 december 2022.
Overwegende dat het aanvragen van het advies van de Raad van State het onmogelijk zou maken deze timing te halen, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid van vrijstelling van het aanvragen van het advies van de Raad van State wegens dringende noodzakelijkheid.
Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving: - verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad; - gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie; - verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; - gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC).
Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw.
Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: HOOFDSTUK 1. - Definities en algemene bepaling Artikel 1.Dit besluit voorziet in een gedeeltelijke uitvoering van: 1° verordening (EU) nr.1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad 2° de gedelegeerde verordening (EU) nr.2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie; 3° verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr.1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; 4° de gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC). Art. 2.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° actie: een specifieke activiteit die of een specifiek instrument dat bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategische planverordening;2° actiefonds van een producentenorganisatie: fonds dat wordt gefinancierd met financiële bijdragen van de leden van de producentenorganisatie of door de producentenorganisatie zelf, of beide, en met financiële steun van de Unie die aan de producentenorganisatie kan worden verleend als die organisatie een operationeel programma indient;3° actiefonds van een unie van producentenorganisaties: fonds dat wordt gefinancierd met financiële bijdragen van de onderliggende producentenorganisaties van de unie en met financiële steun van de Unie die aan de unie van producentenorganisaties kan worden verleend als die organisatie een operationeel programma indient;4° actieve leden: een actief lid is een producent of een door producenten gevormde rechtspersoon die groenten en/of fruit (in voorkomend geval in het kader van een vruchtafwisselingsschema) produceert, die in voorkomend geval beschikt over een ondernemingsnummer en die, als aangifteplichtig, geïdentificeerd is in het Geïntegreerd Beheers- & Controlesysteem (GBCS).Een onderzoeksinstelling kan een actief lid zijn; 5° bevoegde entiteit: het Departement Landbouw en Visserij van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 26 van het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
03/06/2005
pub.
22/09/2005
numac
2005036144
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie
sluiten met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;6° bijproduct: producten die worden geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces van het hoofdproduct, maar met zekerheid en zonder verdere behandeling nuttig gebruikt kunnen worden, rechtmatig en zonder ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid;7° deelsector: elk product dat deel uitmaakt van de betrokken sector;8° de minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;9° dochteronderneming: onderneming die voldoet aan de eis van 90%, vermeld in artikel 31, zevende lid, van de gedelegeerde verordening van de strategische planverordening;10° doelstelling: de doelstellingen, vermeld in artikel 46 van de strategische planverordening;11° gastveiler: leden die van hun producentenorganisatie toestemming hebben gekregen om zelf of via een andere toegewezen producentenorganisatie producten af te zetten op basis van artikel 12, 1 b) van de gedelegeerde verordening.Elke gastveiler moet worden geregistreerd door de bevoegde entiteit; 12° gedelegeerde verordening: de gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie; 13° gedelegeerde verordening van de strategische planverordening: de gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC);14° GMO-boekhouding: de lijst van uitgaven en inkomsten die betrekking hebben op het operationele programma;15° interventie: een steuninstrument met een reeks algemene en specifieke subsidiabiliteitsvoorwaarden die door de bevoegde entiteit in dit besluit nader zijn omschreven op basis van een interventietype waarin de strategische planverordening in artikel 47 voorziet.Elke interventie is gekoppeld aan een doelstelling en bestaat uit een aantal acties die zijn goedgekeurd door de bevoegde entiteit; 16° leden: de actieve en niet-actieve leden van een producentenorganisatie;17° sector: a) de sector van verse groenten en fruit;b) de sector van groenten en fruit bestemd voor verwerking;c) de sector van de champignons;18° strategische planverordening: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr.1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; 19° verordening: verordening (EU) nr.1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad; 20° uitvoeringsjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december van het jaar waarin het goedgekeurde operationele programma wordt uitgevoerd. Art. 3.Het hoofd van de bevoegde entiteit kan de aangelegenheden die conform dit besluit en de uitvoeringsbepalingen ervan onder de bevoegdheid van de bevoegde entiteit vallen, subdelegeren aan personeelsleden van de bevoegde entiteit die onder zijn hiërarchische gezag staan, tot op het meest functionele niveau.
De aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, omvatten: 1° het in ontvangst nemen en het onderzoek van de aanvragen tot erkenning, tot uitbreiding van de regels en van de aanvragen van de verplichte betalingen door niet-leden, en van de nodige bewijsstukken;2° de coördinatie van de controles;3° het in ontvangst nemen van wijzigingen in de samenstelling van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties;4° het verrichten van controles op de erkenningscriteria en de ledenlijst van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties;5° de mededelingen aan en de contacten met de Commissie van de Europese Gemeenschappen. De bevoegde entiteit kan de uitvoering van de controles overdragen aan derden. HOOFDSTUK 2. - Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 4.De minister erkent de producentenorganisaties of de unies van producentenorganisaties die daarom verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 152, 153, 154 en 156 van de verordening per sector.
Een producentenorganisatie die is erkend voor groenten en fruit bestemd voor verwerking moet via een systeem van leveringscontracten of anderszins kunnen waarborgen dat de producten voor verwerking worden geleverd. Art. 5.Producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties moeten bij de aanvraag tot erkenning aantonen dat de hoofdzetel van de vereniging gevestigd is in het Vlaamse Gewest en dat het grootste deel van haar leden gevestigd is in het Vlaamse Gewest of de waarde van haar productie afgezet wordt in het Vlaamse Gewest. Art. 6.De waarde of het volume van de afzetbare productie wordt berekend zoals bepaald in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Als de historische gegevens over de afgezette productie van een lid voor de toepassing van de bovenstaande berekende waarde van de afzetbare productie niet toereikend zijn, is de waarde van de afzetbare productie gelijk aan de feitelijke waarde van de afgezette productie over een periode van twaalf achtereenvolgende maanden. Die twaalf maanden vallen binnen de periode van drie jaar die voorafgaat aan het jaar van indiening van de erkenningsaanvraag. Art. 7.De producentenorganisaties beschikken over het personeel, de infrastructuur en de uitrusting die nodig zijn voor de naleving van de eisen van artikel 152, 154 en 160 van de verordening en voor de vervulling van hun belangrijkste functies, vermeld in artikel 7 van de gedelegeerde verordening.
Voor de toepassing van artikel 154, eerste lid, c), van de verordening en artikel 7, b), van de gedelegeerde verordening stelt de producentenorganisatie die wordt erkend voor een product, voor dat product een adequaat niveau aan technische middelen ter beschikking. Art. 8.De hoofdactiviteit van een producentenorganisatie betreft de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van haar leden waarvoor ze is erkend, zoals omschreven in artikel 11 van de gedelegeerde verordening. Art. 9.Een producentenorganisatie kan de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 155 van de verordening uitbesteden, onder de regels van artikel 13 van de gedelegeerde verordening.
Alle activiteiten die uitgevoerd worden door een andere juridische entiteit dan de producentenorganisatie zelf, zijn afgedekt door een uitbestedingscontract. Als ze worden uitgevoerd door een unie van producentenorganisaties of een coöperatie waarvan de leden zelf coöperaties zijn waarbij de producentenorganisatie is aangesloten, of door een dochteronderneming, wordt dat beschouwd alsof ze door de producentenorganisatie worden verricht.
Interventies die door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties buiten de Unie zijn uitbesteed of uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van het interventietype afzetbevordering, communicatie en marketing.
Uitgaven voor maatregelen die niet subsidiabel zijn voor de producentenorganisatie, kunnen ook niet via uitbesteding in aanmerking komen voor steun.
De subsidiabiliteitsvoorwaarden voor uitbesteding en de bijbehorende contracten worden als bijlage 3 bij dit besluit gevoegd.
Onderafdeling 2. - Statuten Art. 10.Een producentenorganisatie kan alleen erkend worden en blijven als ze de juridische vorm van een coöperatieve vennootschap (CV) heeft, die aan al de volgende voorwaarden voldoet: 1° de statuten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 153 van de verordening;2° de coöperatieve vennootschap is erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie. Een unie van producentenorganisaties kan erkend worden als ze een juridische vorm heeft van een coöperatieve vennootschap. Als de unie van producentenorganisaties geen juridische structuur heeft die haar verplicht tot democratische verantwoording dan bedraagt per lid het maximumpercentage stemrechten en aandelen of kapitaal minder dan 50% van de totale stemrechten en minder dan 50% van de aandelen of het kapitaal zoals bepaald in artikel 17, tweede lid, van de gedelegeerde verordening.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde entiteit een hoger maximumpercentage vaststellen waarover de producentenorganisatie in de unie van producentenorganisaties kan beschikken, op voorwaarde dat ervoor gezorgd wordt dat machtsmisbruik door de producentenorganisatie wordt vermeden.
De producentenorganisaties bepalen in hun statuten het stemrecht van de leden. In geen enkel geval beschikt een lid van een producentenorganisatie over meer dan 10% van de totale stemrechten, inclusief volmachten, voor de stemming.
Natuurlijke personen of rechtspersonen mogen gecumuleerd maximaal 25% van de aandelen of kapitaal van de producentenorganisatie in eigendom hebben.
Natuurlijke personen of rechtspersonen die bij hun toetreding geen groente- of fruitteler zijn, mogen samen niet meer dan 25% van de aandelen of het kapitaal van de producentenorganisatie in eigendom hebben en over niet meer dan 25% van de stemrechten beschikken.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de minister een hoger maximumpercentage aandelen vaststellen, op voorwaarde dat machtsmisbruik in ieder geval wordt vermeden.
Bij rechtspersonen die aandeelhouder van een producentenorganisatie zijn, wordt het percentage stemrechten en aandelen of kapitaal vastgesteld op het niveau van de individuele aandeelhouders van die rechtspersonen. Art. 11.Wijzigingen van de statuten of het huishoudelijk reglement worden onverwijld meegedeeld aan de bevoegde entiteit.
Onderafdeling 3. - Leden Art. 12.De minister stelt voor producentenorganisaties per sector bijkomende erkenningsvoorwaarden vast voor het minimumaantal actieve leden en een minimumwaarde van de afgezette productie voor producentenorganisaties met een operationeel programma.
In geval van samengestelde rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen van rechtspersonen kan het minimumaantal actieve leden worden berekend op basis van het aantal actieve producenten dat is aangesloten bij elke rechtspersoon of bij elk duidelijk omschreven onderdeel van een rechtspersoon.
Natuurlijke personen of rechtspersonen die geen groente- of fruitteler zijn, kunnen alleen lid zijn of blijven van een producentenorganisatie als ze: 1° op een aparte lijst van leden niet-producenten voorkomen en niet meegerekend worden voor de erkenningscriteria;2° niet gebruikmaken van de door de gemeenschap gefinancierde maatregelen;3° niet deelnemen aan de stemmingen die specifiek betrekking hebben op het actiefonds en het operationele programma. Art. 13.Om erkend te worden en te blijven, moeten de unies van producentenorganisaties opgericht zijn door en alleen samengesteld zijn uit erkende producentenorganisaties of erkende unies van producentenorganisaties. De doelstellingen van de unie en de bepalingen ervan in de statuten van de unie moeten overeenkomen met die van de verordening, van de gedelegeerde verordening en van de bepalingen van dit besluit.
Op een naar behoren gemotiveerde aanvraag kan de minister toestaan dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon die geen erkende producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is, lid mag zijn van een unie van producentenorganisaties. Art. 14.De producentenorganisaties melden elk jaar uiterlijk op 15 februari elke wijziging van de ledenlijst aan de bevoegde entiteit.
Onder "elke wijziging" wordt verstaan: alle uittredingen en toetredingen die van toepassing zijn op 1 januari van dat jaar.
Unies van producentenorganisaties melden onverwijld elke wijziging in de samenstelling aan de bevoegde entiteit. Art. 15.De producentenorganisatie houdt een register bij van toestemmingen voor gastveilers.
Aangesloten producenten kunnen van de producentenorganisatie toelating krijgen om maximaal 25% van hun producten op hun bedrijf en buiten hun bedrijf rechtstreeks aan consumenten te verkopen voor persoonlijk gebruik. De minister kan een lager percentage vaststellen voor rechtstreekse verkoop.
De minister kan dat percentage evenwel verhogen tot maximaal 40%, conform artikel 12 van de gedelegeerde verordening als die producten via een andere toegewezen producentenorganisatie worden afgezet of als ze onder Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vallen. Art. 16.De producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties bepalen in de statuten en huishoudelijke reglementen regels in verband met de duur van het lidmaatschap tijdens lopende operationele programma's en de voorwaarden van het lidmaatschap, de ontslagregels en de eventuele financiële verplichtingen in overeenstemming met artikel 153, tweede lid, van de verordening. Die regels staan ter beschikking van de producenten als het lidmaatschap onderschreven wordt.
De minimumduur van het lidmaatschap van een producent bedraagt niet minder dan één jaar.
De producentenorganisatie neemt in haar statuten een bepaling op die het voor de producent mogelijk maakt zijn ontslag uiterlijk op 30 juni schriftelijk mee te delen aan de producentenorganisatie.
Bij vrijwillig ontslag van een producent conform het eerste lid moet de producent uiterlijk op 31 december van hetzelfde jaar uit de producentenorganisatie kunnen treden.
Als er uittredingsvergoedingen van kracht zijn, worden die transparant en op een objectieve manier berekend en gemotiveerd volgens de bepalingen, vermeld in de statuten of huishoudelijk reglement. Afdeling 2. - Erkenningsaanvraag
Art. 17.De aanvraag tot erkenning van een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties wordt via elektronische weg ingediend bij de bevoegde entiteit. Art. 18.Conform de toepassing van artikel 152, 153, 154 en 160 van de verordening bevat een aanvraag tot erkenning van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de volgende elementen: 1° een erkenningsaanvraag, ondertekend door de voorzitter.Die bevat de reden en doelen van de aanvraag tot erkenning; 2° de benaming en rechtspersoonlijkheid;3° de oprichtingsakte en de statuten, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 153 van de verordening;4° in voorkomend geval het huishoudelijk reglement;5° in geval van een producentenorganisatie: de erkenning door de Nationale Raad van Coöperaties of een aanvraag tot erkenning van alle producentenorganisaties, als dat van toepassing is, die bij de erkenning betrokken zijn en waarvan de hoofdzetel in het Vlaamse Gewest ligt;6° een geactualiseerde ledenlijst;7° in geval van een unie van producentenorganistaties: de erkenning van de achterliggende producentenorganisaties;8° in geval van rechtspersonen of samengestelde rechtspersonen: ook de individuele ledenlijst van de rechtspersoon;9° de argumentatie voor de keuze van de sector waarvoor een erkenning wordt gevraagd;10° de afgezette productie van alle producenten zoals bepaald in hoofdstuk 5 van dit besluit voor de producten waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;11° een ondertekend verslag waaruit blijkt dat de beslissing tot aanvraag van een erkenning democratisch is genomen;12° de communicatie over de erkenning naar alle leden;13° een toelichting dat de volledige gemeenschappelijke marktordeningproductie van de leden via de producentenorganisatie wordt afgezet;14° de structuur van de organisatie;15° een ondertekende verklaring door de producenten van de producentenorganisaties, waarmee ze bevestigen dat ze hun hele productie van de producten of de groepen van producten in kwestie commercialiseren via die producentenorganisatie, zoals bepaald in de statuten van de producentenorganisatie. Er dient een procedure te worden voorgelegd waarin de PO gedetailleerd aangeeft op welke manier zij de verplichting dat de volledige GMO productie van de leden via de PO wordt afgezet controleren en registeren en op welke manier zij gevolg geeft aan vaststellingen, inclusief het sanctioneren; 16° het bewijs dat de producentenorganisatie of unie van producentenorganistaties in staat is haar werk naar behoren te verrichten, vanuit het oogpunt van duur, efficiëntie, personele, materiële en technische ondersteuning van de leden, en concentratie van het aanbod. Art. 19.De minister neemt binnen vier maanden na de ontvangst van een volledige aanvraag een beslissing over de erkenning. HOOFDSTUK 3. - Brancheorganisaties Art. 20.De minister kan brancheorganisaties waarvan de hoofdzetel gevestigd is in het Vlaamse Gewest en die actief zijn in het Vlaamse gewest erkennen overeenkomstig artikel 158, eerste lid, van de verordening. Art. 21.De brancheorganisatie die een erkenningsaanvraag indient, legt een verantwoordingsdossier voor aan de bevoegde entiteit dat bestaat uit: 1° een erkenningsaanvraag, ondertekend door de voorzitter.Die aanvraag bevat de reden en het doel of de doelen van de aanvraag tot erkenning als brancheorganisatie; 2° een duidelijke identificatie van de partners: naam, adres en omschrijving van de activiteit van de partners;3° het toepassingsgebied van de samenwerking;4° een omschrijving van de doelstellingen van de samenwerking;5° de statuten;6° de verantwoording dat de brancheorganisatie een aanzienlijk deel van de economische activiteiten vertegenwoordigt;7° het bewijs dat er een evenwichtige vertegenwoordiging is van de organisaties van de toeleveringsketen. Art. 22.De aanvraag tot erkenning en alle bewijsstukken, vermeld in artikel 158, eerste lid, van de verordening, worden elektronisch ingediend bij de bevoegde entiteit. Art. 23.De minister neemt binnen vier maanden na ontvangst van een volledige aanvraag, een beslissing over de erkenning. HOOFDSTUK 4. - Uitbreiding van voorschriften en verplichte betalingen van niet-leden Afdeling 1. - Uitbreiding van voorschriften
Art. 24.Als een producentenorganisatie, een unie van producentenorganisaties of een brancheorganisatie die werkzaam is in het Vlaamse Gewest en die erkend is in het Vlaamse Gewest, of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest, verzoekt om uitbreiding van voorschriften, kan de Vlaamse Regering bepaalde overeenkomsten of besluiten van die organisatie of unie voor een beperkte periode bindend verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers die in het Vlaamse Gewest werken in de betrokken sector of deelsector en die niet bij de organisatie of unie zijn aangesloten.
De Vlaamse Regering kan de voorschriften alleen bindend verklaren als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 164 van de verordening en artikel 68 van de gelegeerde verordening.
De Vlaamse Regering kan op eigen initiatief of op verzoek van belanghebbenden een besluit als vermeld in het eerste lid, sneller opheffen dan in dat besluit vermeld is, als de erkende producentenorganisatie, de erkende unie van producentenorganisaties of de erkende brancheorganisatie die de overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen heeft gesloten, niet langer representatief is, de erkenning heeft verloren of als artikel 71 van de gedelegeerde verordening van toepassing is.
Het economisch gebied zoals vermeld in artikel 164 van de verordening en artikel 69 van de gedelegeerde verordening is het Vlaamse Gewest. Art. 25.De verzoekende organisatie dient een aanvraag in bij de minister met minimaal de volgende elementen: 1° de identificatie van de organisatie;2° een bewijs van werkzaamheid in Het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 24;3° een bewijs van representativiteit, vermeld in artikel 164 van de verordening en artikel 69 van de gedelegeerde verordening;4° de voorschriften die ze algemeen bindend wil verklaren en de motivering daarvoor;5° de gewenste periode die van toepassing is en de motivering daarvoor. De minister legt de aanvraag voor aan de leden van de Vlaamse Regering met het oog op de uitbreiding van de voorschriften en het algemeen bindend verklaren. Art. 26.De Vlaamse Regering neemt binnen vier maanden na de ontvangst van een aanvraag als vermeld in artikel 25 een beslissing over de toelating van de algemeen bindend verklaarde voorschriften en specificeert minstens de volgende elementen: 1° de sector of in voorkomend geval de deelsector, en het toepassingsgebied;2° de periode die van toepassing is;3° de lijst van overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bindend verklaard moeten worden. De overeenkomsten of besluiten die algemeen bindend worden verklaard, worden als bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering dat de overeenkomsten of besluiten algemeen bindend verklaart, gevoegd. Afdeling 2. - Financiële bijdragen van niet-leden
Art. 27.Als de voorschriften van een producentenorganisatie, een unie van producentenorganisaties of een brancheorganisatie die werkzaam is in het Vlaamse Gewest en die erkend is in het Vlaamse Gewest, of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest, worden uitgebreid naar niet-leden, met toepassing van afdeling 1, en de activiteiten waarop die voorschriften van toepassing zijn, van algemeen economisch belang zijn voor de personen van wie de activiteiten verband houden met de producten in kwestie, kan de Vlaamse Regering, op verzoek van de betrokken organisatie die de uitbreiding van de voorschriften voor niet-leden vraagt en na consultatie van alle belanghebbenden, besluiten dat ook niet bij de organisatie of de unie aangesloten personen of groepen die voordeel hebben bij de activiteiten, de volle financiële bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de organisatie of de unie moeten betalen, voor zover die financiële bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien. Art. 28.De organisatie in kwestie legt aan de minister een aanvraag voor met minimaal de volgende elementen: 1° de identificatie van de organisatie;2° een bewijs van algemeen economisch belang en voordeel van de met toepassing van afdeling 1 algemeen bindend verklaarde voorschriften voor niet-leden van de organisatie;3° het bedrag dat gevraagd zal worden aan niet-leden en een verantwoording voor dat bedrag aan de hand van bewijzen die de kostprijs staven van de activiteiten die aanleiding geven tot het voordeel van de algemeen bindend verklaarde voorschriften voor niet-leden;4° de gewenste periode van toepassing en de motivering. De minister legt het dossier voor aan de leden van de Vlaamse Regering. Art. 29.De Vlaamse Regering neemt binnen zes maanden na de ontvangst van een aanvraag als vermeld in artikel 28 een besluit over het toelaten van het eisen van financiële bijdragen van niet-leden en specificeert de volgende elementen: 1° de sector of deelsector en het toepassingsgebied;2° de periode die van toepassing is;3° de hoogte van de financiële bijdrage en de wijze van inning. Het besluit, vermeld in het eerste lid, kan gelijktijdig genomen worden met het besluit, vermeld in artikel 26 dat de voorschriften algemeen bindend verklaart en waarop de verplichte financiële bijdrage van niet-leden betrekking heeft.
Met behoud van de toepassing van artikel 24, derde lid, kan een besluit als vermeld in dit artikel worden opgeheven als de organisatie in kwestie niet langer representatief is of als de verantwoording voor het verruimen van de bijdrageplicht niet langer van toepassing is. Art. 30.Op verzoek van de bevoegde entiteit legt de organisatie die op grond van een besluit als vermeld in artikel 29 bijdragen ontvangt van niet-leden, de boekhouding ter controle voor. De bevoegde entiteit kan bijkomende stukken opvragen om te controleren of de voorwaarden, vermeld in artikel 28, nageleefd worden.
De minister kan de procedurele aspecten van de controle bepalen. HOOFDSTUK 5. - Waarde van de afgezette productie, actiefonds, operationeel programma en steun Afdeling 1. - Waarde van de afgezette productie
Onderafdeling 1. - Grondslag van berekening Art. 31.De waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie, welke de waarde omvat van de door de producentenorganisatie op de markt afgezette productie, wordt berekend zoals beschreven in de gedelegeerde verordening van de strategische planverordening en bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
De waarde van de afgezette productie van een unie van producentenorganisaties, welke de waarde omvat van de door de unie van producentenorganisaties op de markt afgezette productie, wordt berekend zoals beschreven in de gedelegeerde verordening van de strategische planverordening en bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Onderafdeling 2. - Referentieperiode en maximum voor financiële steun van de Unie Art. 32.De referentieperiode voor de berekening van de waarde van de afgezette productie is de periode van 1 januari tot en met 31 december van het jaar n-2 ten opzichte van het uitvoeringsjaar n.
Een afwijkende referentieperiode van het jaar n-1 of het jaar n-3 ten opzichte van het uitvoeringsjaar n kan door de bevoegde entiteit uitzonderlijk worden toegestaan op basis van een degelijk gemotiveerde aanvraag.
Een gemiddelde van meerdere jaren kan niet als referentie genomen worden. Art. 33.Het maximum voor de financiële steun van de Unie, vermeld in artikel 52 van de strategische planverordening, wordt voor een (transnationale) producentenorganisatie jaarlijks berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de actieve leden die bij de (transnationale) producentenorganisatie zijn aangesloten op 1 januari van het uitvoeringsjaar.
Het maximum voor de financiële steun van de Unie, vermeld in artikel 52 van de strategische planverordening, wordt voor een (transnationale) unie van producentenorganisaties jaarlijks berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de actieve leden van de producentenorganisaties die bij de (transnationale) unie van producentenorganisaties zijn aangesloten op 1 januari van het uitvoeringsjaar.
Onderafdeling 3. - Indiening van de waarde van de afgezette productie en bewijsstukken Art. 34.Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties met een eigen actiefonds en een eigen operationeel programma dienen uiterlijk op 15 september van het uitvoeringsjaar de waarde van de afgezette productie en de overeenkomstige bewijsstukken, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, via elektronische weg in bij de bevoegde entiteit.
De bevoegde entiteit kan de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengen. Art. 35.De producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zorgen ervoor dat het voor de berekening van de waarde van de afgezette productie en voor het beheer van het actiefonds mogelijk is dat alle uitgaven en inkomsten identificeerbaar zijn in een op kosten gebaseerde gecentraliseerde boekhouding en een gecentraliseerd factureringssysteem die voldoen aan de nationale normen.
De producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties stellen een bedrijfsrevisor aan die de GMO-boekhouding identificeert, controleert en certificeert, en die het verslag over zijn bevindingen uiterlijk op 15 augustus van het jaar volgend op het uitvoeringsjaar bezorgt aan de bevoegde entiteit. Afdeling 2. - Het actiefonds
Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 36.Elke erkende producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties met een waarde van de afgezette productie die een operationeel programma wil indienen, richt een actiefonds op.
De actiefondsen worden alleen gebruikt voor de financiering van operationele programma's die door de bevoegde entiteit zijn goedgekeurd.
Erkende unies van producentenorganisaties zonder een waarde van de afgezette productie kunnen geen actiefonds oprichten.
Onderafdeling 2. - Financiering van actiefondsen Art. 37.De financiële bijdragen in het actiefonds, vermeld in artikel 51, eerste lid, a), van de strategische planverordening worden bepaald door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.
Alle aangesloten producenten of aangesloten producentenorganisaties hebben de gelegenheid om gebruik te maken van het actiefonds en op democratische wijze deel te nemen aan de besluitvorming over het gebruik van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties en over de financiële bijdragen in de actiefondsen.
Ingevolge de statuten van een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties zijn de aangesloten producenten of aangesloten producentenorganisaties verplicht de financiële bijdragen overeenkomstig hun statuten te betalen voor de oprichting en de financiering van het actiefonds, vermeld in artikel 51 van de strategische planverordening.
Onderafdeling 3. - Melding van het geraamde bedrag Art. 38.De producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties melden uiterlijk op 15 oktober aan de bevoegde entiteit, samen met de operationele programma's of de verzoeken tot goedkeuring van wijzigingen daarvan, de geraamde bedragen van de financiële bijstand van de Unie en de bijdrage van haar leden en van de producentenorganisatie zelf in de actiefondsen voor het volgende jaar.
De bevoegde entiteit kan de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengen tot uiterlijk 15 november.
Het eventuele gebruik van eigen middelen van de producentenorganisatie wordt in voorkomend geval uitdrukkelijk vermeld.
Als gedifferentieerde telersbijdragen worden geheven, wordt dat verantwoord op basis van objectieve criteria en mag het collectieve karakter van het operationele programma niet aangetast worden.
Het geraamde bedrag van de actiefondsen wordt berekend op basis van de operationele programma's en de waarde van de afgezette productie. De berekening wordt opgesplitst in uitgaven per doelstelling. Afdeling 3. - Het operationele programma
Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 39.De doelstellingen en de interventies in de sector groenten en fruit die in artikel 46 van de strategische planverordening en in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, zijn vastgesteld, worden uitgevoerd door middel van goedgekeurde operationele programma's van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.
Alleen de interventies, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen opgenomen worden in een operationeel programma. Art. 40.De operationele programma's hebben een looptijd van zeven jaar. Art. 41.Operationele programma's worden uitgevoerd in uitvoeringsjaren die lopen van 1 januari tot en met 31 december.
Onderafdeling 2. - Indiening van operationele programma's Art. 42.Alleen producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die in België zijn erkend op grond van de verordening voor de sector groenten en fruit, kunnen via elektronische weg een operationeel programma indienen bij de bevoegde entiteit.
Alleen erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties met een waarde van de afgezette productie kunnen een operationeel programma indienen. Art. 43.Een operationeel programma wordt door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uiterlijk op 15 oktober van het jaar vóór het jaar van de uitvoering van dat programma ter goedkeuring ingediend bij de bevoegde entiteit.
De uiterste indieningstermijn van 15 oktober kan door de bevoegde entiteit worden verlengd tot 15 november. Art. 44.Erkende unies van producentenorganisaties zonder een waarde van de afgezette productie kunnen een volledig of gedeeltelijk operationeel programma indienen dat bestaat uit interventies of acties die door de aangesloten producentenorganisaties zijn vastgesteld in het kader van hun operationele programma's, maar niet door hen worden uitgevoerd. Er wordt aangenomen dat dergelijke interventies of acties door de producentenorganisatie worden verricht als die worden uitgevoerd door een unie van producentenorganisaties.
De operationele programma's van unies van producentenorganisaties, vermeld in het eerste lid, worden deelprogramma's genoemd van de operationele programma's van de producentenorganisaties.
De interventies en acties, vermeld in het eerste lid, worden gefinancierd door de actiefondsen van de aangesloten producentenorganisaties.
De producentenorganisaties vermelden in hun operationele programma de interventies of acties die voor hen worden uitgevoerd door de unie van producentenorganisaties. Art. 45.Een operationeel programma kan alleen worden ingediend als minstens aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° met de operationele programma's worden minstens de doelstellingen nagestreefd van artikel 46, b), e) en f), van de strategische planverordening;2° ten minste 15% van de uitgaven van het operationele programma heeft betrekking op interventies in verband met de doelstellingen van artikel 46, e) en f), van de strategische planverordening;3° het operationele programma omvat drie of meer acties die verband houden met de doelstellingen van artikel 46, e) en f), van de strategische planverordening;4° ten minste 2% van de uitgaven van het operationele programma hebben betrekking op de interventies in verband met de doelstelling van artikel 46, d), van de strategische planverordening;5° de uitgaven voor interventies in het kader van de interventietypes van artikel 47, tweede lid, f), g) en h) van de strategische planverordening, mogen niet meer dan een derde uitmaken van de totale uitgaven van het operationele programma. Art. 46.Als het operationele programma wordt ingediend of gewijzigd door een producentenorganisatie, mag het totale bedrag van de gebudgetteerde uitgaven voor het betrokken uitvoeringsjaar maximaal 110% bedragen van 9,2% van de waarde van de afgezette productie.
Als het operationele programma wordt ingediend of gewijzigd door een unie van producentenorganisaties, mag het totale bedrag van de gebudgetteerde uitgaven voor het betrokken uitvoeringsjaar maximaal 110% bedragen van 10% van de waarde van de afgezette productie.
Als het operationele programma wordt ingediend of gewijzigd door een transnationale producentenorganisatie of een transnationale unie van producentenorganisaties, mag het totale bedrag van de gebudgetteerde uitgaven voor het betrokken uitvoeringsjaar maximaal 110% bedragen van 11% van de waarde van de afgezette productie.
Onderafdeling 3. - Inhoud van de operationele programma's Art. 47.Een operationeel programma wordt inhoudelijk opgebouwd rond de doelstellingen die worden vermeld in artikel 46 van de strategische planverordening.
Alleen de interventies die zijn vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden opgenomen in een operationeel programma. Art. 48.Een operationeel programma is coherent en evenwichtig opgebouwd. Dat evenwicht wordt door de bevoegde entiteit geëvalueerd over de looptijd van het programma. Art. 49.Per doelstelling en per werkingsjaar bedragen de uitgaven niet meer dan 50% van het totaal goedgekeurde actiefonds.
De bevoegde entiteit kan dat percentage wijzigen. Art. 50.De operationele programma's bevatten de volgende informatie: 1° een beschrijving van de uitgangssituatie;2° de doelstellingen van het programma, rekening houdend met de vooruitzichten voor de productie en afzetmogelijkheden, met een toelichting over de wijze waarop het programma moet bijdragen tot en strookt met de doelstellingen en de interventies die in artikel 46 van de strategische planverordening en in bijlage 3 bij dit besluit zijn vastgesteld, onder andere wat het evenwicht tussen de activiteiten betreft.In de beschrijving van de doelstellingen worden meetbare streefdoelen aangegeven om de monitoring van de geleidelijke voortgang bij de uitvoering van het programma te vergemakkelijken; 3° de voorgestelde interventies en acties;4° de looptijd van het programma;5° de financiële aspecten, en met name: a) de wijze van berekening en het niveau van de financiële bijdragen;b) de wijze van financiering van het actiefonds;c) de nodige onderbouwing van de differentiëring van de bijdrage;d) voor elk jaar van uitvoering van het programma: de begroting en het tijdschema voor de concrete interventies en acties. Art. 51.In de operationele programma's wordt aangegeven: 1° in hoeverre de verschillende interventies en acties een aanvulling vormen op en stroken met andere interventies en acties;2° in hoeverre interventies en acties worden gefinancierd uit of in aanmerking komen voor bijstand uit andere fondsen van de Unie;3° in voorkomend geval wordt ook verwezen naar interventies en acties die in het kader van eerdere operationele programma's zijn uitgevoerd, en wordt aangegeven dat ze geen risico van dubbele financiering uit fondsen van de Unie meebrengen. Art. 52.Operationele programma's gaan vergezeld van al de volgende verbintenissen: 1° een schriftelijke verbintenis van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties waarin ze aangeeft dat ze de strategische planverordening, de gedelegeerde verordening van de strategische planverordening en de gedelegeerde Verordening en onderhavig BVR en zijn bijlages in acht neemt;2° een schriftelijke verbintenis van de producentenorganisatie waarin ze aangeeft dat ze direct noch indirect andere uniale of nationale financiering heeft ontvangen of zal ontvangen voor interventies en acties die in aanmerking komen voor steun op grond van de strategische planverordening in de sector groenten en fruit. Onderafdeling 4. - Goedkeuring van operationele programma's Art. 53.De bevoegde entiteit kan de volgende beslissingen nemen: 1° de operationele programma's die aan de eisen van de strategische planverordening en dit besluit en zijn bijlagen voldoen, goedkeuren;2° de operationele programma's goedkeuren op voorwaarde dat de betrokken producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties instemmen met bepaalde wijzigingen;3° de operationele programma's volledig of gedeeltelijk afwijzen. De bevoegde entiteit neemt haar besluit over de operationele programma's uiterlijk op 20 januari na het jaar waarin ze zijn ingediend en deelt dat besluit mee aan de betrokken producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties.
De uiterste datum om het besluit mee te delen kan door de bevoegde entiteit worden verlengd tot 28 januari na het jaar waarin deze zijn ingediend.
De bevoegde entiteit meldt het oorspronkelijk goedgekeurde steunbedrag uiterlijk op 28 januari van het uitvoeringsjaar aan de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties. Art. 54.Producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties voeren de goedgekeurde operationele programma's uit.
Onderafdeling 5. - Wijzigingen van operationele programma's Art. 55.Producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen via elektronische weg een verzoek indienen bij de bevoegde entiteit om in de operationele programma's wijzigingen aan te brengen voor de daaropvolgende jaren.
Verzoeken tot wijziging van een operationeel programma moeten uiterlijk op 15 oktober van het jaar vóór de uitvoering van de wijziging worden ingediend.
De bevoegde entiteit kan die termijn verlengen tot uiterlijk 15 november.
De ingediende wijzigingen worden uiterlijk op 20 januari na het jaar waarin deze zijn ingediend beoordeeld door de bevoegde entiteit.
De bevoegde entiteit kan ingediende wijzigingen beoordelen na 20 januari, maar in elk geval uiterlijk op 28 januari van het jaar na de datum van indiening. In de goedkeuring kan worden bepaald dat de wijziging met ingang van 1 januari na de datum van indiening van het verzoek van toepassing is. Art. 56.§ 1. Producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen in de loop van het uitvoeringsjaar van het operationele programma tijdens drie periodes wijzigingen indienen bij de bevoegde entiteit via elektronische weg. § 2. De eerste periode om wijzigingen in te dienen, loopt van 29 januari tot en met 28 februari. In een schrikkeljaar wordt de eerste periode verlengd tot 29 februari.
De ingediende wijzigingen worden uiterlijk op 30 april beoordeeld door de bevoegde entiteit.
De goedgekeurde interventies en acties zijn subsidiabel vanaf 1 januari van het uitvoeringsjaar. § 3. De tweede periode om wijzigingen in te dienen, loopt van 1 mei tot en met 15 mei.
De ingediende wijzigingen worden uiterlijk op 15 augustus beoordeeld door de bevoegde entiteit.
De goedgekeurde interventies en acties zijn subsidiabel vanaf 1 maart van het uitvoeringsjaar. § 4. De derde periode om wijzigingen in te dienen, loopt van 16 augustus tot en met 15 september.
De ingediende wijzigingen worden uiterlijk op 15 december beoordeeld door de bevoegde entiteit.
De goedgekeurde interventies en acties zijn subsidiabel vanaf 16 mei van het uitvoeringsjaar. Art. 57.De bevoegde entiteit kan bijkomende bewijsstukken en toelichting vragen om na te gaan of aan alle toekenningsvoorwaarden voor steun worden voldaan. Een programma of interventies en acties of deelacties uit een programma kunnen geweigerd worden, of er kan gevraagd worden om in de voorgelegde ontwerpen wijzigingen aan te brengen. Art. 58.Er is geen goedkeuring van wijzigingen vereist als de werkelijke uitgaven in het goedgekeurde programma per doelstelling maximaal 5% van het budget van die doelstelling overschrijden en er geen inhoudelijke wijzigingen zijn. Bij het indienen van de steunaanvraag kan de totale aangevraagde steun de totale goedgekeurde steun echter niet overschrijden.
Een wijziging van meer dan 5% van het budget van gewijzigde doelstellingen en elke inhoudelijke wijziging kan alleen voor steun in aanmerking komen na expliciete aanvraag en goedkeuring. Art. 59.De wijzigingen mogen het algemene doel van het operationele programma niet wijzigen en mogen het totale goedgekeurde budget van het ingediende operationele programma en het overeenkomstig oorspronkelijk goedgekeurde steunbedrag, vermeld in artikel 53, vierde lid, met niet meer dan 25% overschrijden. Art. 60.De bevoegde entiteit kan latere uiterste indieningsdata vaststellen.
De bevoegde entiteit kan ingediende wijzigingen beoordelen na de hierboven vermelde uiterste data, maar uiterlijk op 28 januari van het jaar na de datum van indiening.
Onderafdeling 6. - Bijzondere verplichtingen Art. 61.Voor het behoud van de goedkeuring van de operationele programma's worden aan de producentenorganisaties en de unies van producentenorganisaties de volgende bijzondere verplichtingen opgelegd: 1° de aanstelling van een bedrijfsrevisor die de GMO-boekhouding identificeert, controleert en certificeert, en die het verslag over zijn bevindingen aan de bevoegde entiteit overmaakt uiterlijk op 15 augustus na het uitvoeringsjaar;2° de rapportering, vermeld in de Europese verordeningen, binnen de gestelde termijnen. Afdeling 4. - De steun
Onderafdeling 1. - Steunaanvraag Art. 62.§ 1. Alleen de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het goedgekeurde operationele programma en die door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties op of na de effectieve aanvangsdatum, en vóór de afloop van het uitvoeringsjaar worden gemaakt, komen in aanmerking voor steun en voor financiering uit het actiefonds. De uitgaven zijn in overeenstemming met de bepalingen van de verordening, de strategische planverordening, de gedelegeerde verordening en dit besluit en zijn bijlagen en staan in rechtstreeks verband met de goedgekeurde interventies en acties.
De ingediende uitgaven worden beperkt tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. Forfaitaire standaardtarieven, schalen van eenheidskosten en vaste bedragen zijn alleen mogelijk als ze expliciet toegelaten zijn door de verordening, de strategische planverordening, de gedelegeerde verordening en dit besluit en zijn bijlagen. § 2. Voor elk operationeel programma waarvoor steun wordt aangevraagd, dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uiterlijk op 15 februari na het uitvoeringsjaar, bij de bevoegde entiteit elektronisch een aanvraag tot toekenning van de steun of van het saldo van de steun in.
In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde entiteit steunaanvragen die na 15 februari zijn ingediend, toch aanvaarden als de nodige controles zijn uitgevoerd en de uiterste datum van betaling, vermeld in artikel 65 in acht wordt genomen. Als de aanvraag na 15 februari wordt ingediend, wordt de steun voor elke dag van overschrijding van de uiterste indieningsdatum voor de aanvraag met 1% verlaagd. § 3. Het totale bedrag van de ingediende uitgaven bij de steunaanvraag van een producentenorganisatie wordt beperkt tot 105% van 9,2% van de waarde van de afgezette productie.
Het totale bedrag van de ingediende uitgaven bij de steunaanvraag van een unie van producentenorganisaties wordt beperkt tot 105% van 10% van de waarde van de afgezette productie.
Het totale bedrag van de ingediende uitgaven bij de steunaanvraag van een transnationale producentenorganisatie en van een transnationale unie van producentenorganisaties wordt beperkt tot 105% van 11% van de waarde van de afgezette productie. § 4. Producentenorganisaties en transnationale producentenorganisaties dienen een steunaanvraag in met betrekking tot acties die worden uitgevoerd op het niveau van die producentenorganisaties, in de lidstaat waar ze zijn erkend. Als producentenorganisaties en transnationale producentenorganisaties zijn aangesloten bij een transnationale unie van producentenorganisaties, bezorgen de producentenorganisaties en de transnationale producentenorganisaties de lidstaat waar de transnationale unie van producentenorganisaties haar hoofdzetel heeft, een kopie van de aanvraag. § 5. Unies van producentenorganisaties mogen een steunaanvraag alleen namens aangesloten producentenorganisaties indienen als die producentenorganisaties zijn erkend in dezelfde lidstaat die de unie van producentenorganisaties heeft erkend, en voor elke aangesloten organisatie de bewijsstukken worden ingediend. De producentenorganisaties zijn de eindbegunstigden van de steun.
Unies en transnationale unies van producentenorganisaties met een eigen WAP dienen een steunaanvraag in met betrekking tot acties die worden uitgevoerd op het niveau van de unie of de transnationale unie, in de lidstaat waar die unie of transnationale unie haar hoofdzetel heeft. § 6. Transnationale unies van producentenorganisaties dienen een steunaanvraag met betrekking tot acties die worden uitgevoerd op het niveau van de transnationale unie, in in de lidstaat waar die unie haar hoofdzetel heeft.
Onderafdeling 2. - Bewijsstukken bij de steunaanvraag Art. 63.Voor elk operationeel programma waarvoor steun wordt aangevraagd, dient de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties uiterlijk op 15 februari na het uitvoeringsjaar, samen met de steunaanvraag, bij de bevoegde entiteit, elektronisch bewijsstukken in over: 1° de gevraagde steun;2° de van de leden ontvangen financiële bijdragen en de bijdragen van de producentenorganisatie zelf;3° de voor het operationele programma verrichte uitgaven, uitgesplitst naar interventies, acties en budgetlijnen;4° de naleving van artikel 50, artikel 51, en artikel 52 van de strategische planverordening;5° een schriftelijke verbintenis waarin wordt aangegeven dat geen dubbele uniale of nationale financiering is ontvangen voor maatregelen of concrete acties die in aanmerking komen voor steun op grond van de strategische planverordening in de sector groenten en fruit;6° de rapportering, vermeld in artikel 61, 2°. De te leveren bewijsstukken zijn vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Onderafdeling 3. - Niet daadwerkelijk gedane uitgaven voor interventies en acties en uiterste betaaldatum Art. 64.Alle uitgaven van een uitvoeringsjaar moeten in principe gefactureerd zijn in het uitvoeringsjaar én moeten betaald zijn vóór de uiterste dag waarop de steunaanvraag moet worden ingediend.
Facturen die opgesteld zijn in het jaar vóór of volgend op het uitvoeringsjaar, kunnen alleen aanvaard worden in de mate dat de factuur een duidelijke verwijzing bevat dat de geleverde goederen of verstrekte diensten betrekking hebben op het uitvoeringsjaar in kwestie en op een actie in het operationele programma.
Facturen of uitgaven van een uitvoeringsjaar die nog niet betaald zijn uiterlijk op 15 februari van het jaar na het uitvoeringsjaar, kunnen alleen aanvaard worden voor steun als aangetoond wordt dat de laattijdige betaling is gebeurd om redenen buiten de wil en de controle van de producentenorganisatie om en op voorwaarde dat de betaling gebeurde uiterlijk op 30 april van het jaar na het uitvoeringsjaar.
Nog te ontvangen facturen of openstaande betalingen worden bij het indienen van de steunaanvraag in de GMO-boekhouding als dusdanig aangeduid mét opgave van de reden en motivatie dat dat gebeurde buiten de wil en de controle van de producentenorganisatie.
Facturen en betalingen na 30 april van het jaar na het uitvoeringsjaar worden niet aanvaard.
De bevoegde entiteit kan de datum van 30 april verlengen.
Alle uitgaven die opgenomen zijn in de GMO-boekhouding en de steunaanvraag moeten volledig betaald zijn door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan de leverancier of in voorkomend geval, aan de respectievelijke aangesloten producenten.
Onderafdeling 4. - Betaling van de steun Art. 65.De bevoegde entiteit betaalt de aangevraagde steun uiterlijk op 15 oktober na het uitvoeringsjaar.
Met toepassing van artikel 5 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/127 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad met regels inzake de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro, kan de bevoegde entiteit ook na 15 oktober betalingen doen.
Onderafdeling 5. - Voorschotten en zekerheidsstelling Art. 66.§ 1. Producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen een aanvraag tot betaling van voorschot indienen ten bedrage van een gedeelte van de steun. Dat voorschot komt overeen met de verwachte uitgaven voor het operationele programma in de periode van drie maanden die begint in de maand waarin de aanvraag voor het voorschot wordt ingediend.
Aanvragen voor voorschotten kunnen via elektronische weg worden ingediend op driemaandelijkse basis in januari, april, juli en oktober.
Het voorschot kan pas worden betaald als de producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties het bewijs leveren dat eerdere voorschotten daadwerkelijk zijn besteed.
De producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties leggen een overzicht van de werkelijke uitgaven na afloop van het kwartaal voor aan de bevoegde entiteit. De lijst met uitgaven ter verantwoording van de daadwerkelijke besteding van de eerdere voorschotten, mag alleen …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.