📄 Wettekst
24 JULI 1997. Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren (1)
De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Artikel 1.Dit decreet is toepasselijk op het basisonderwijs en op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Art. 2.Het basisonderwijs omvat de graad kleuterschool en de graad lagere school. Het wordt georganiseerd of gesubsidieerd in de vorm van gewoon onderwijs, van buitengewoon onderwijs toegankelijk voor de leerlingen bedoeld in de artikelen 1 en 4 van de
wet van 6 juli 1970Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/07/1970
pub.
19/08/2014
numac
2014000530
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten betreffende het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, van geïntegreerd onderwijs georganiseerd overeenkomstig artikel 5bis van dezelfde wet.
Een inrichting die tegelijkertijd kleuter- en lager onderwijs organiseert, wordt basisschool genoemd. Een inrichting die slechts kleuteronderwijs organiseert, wordt kleuterschool genoemd. Een inrichting die slechts lager onderwijs organiseert, wordt lagere school genoemd. Art. 3.Het secundair onderwijs wordt georganiseerd of gesubsidieerd in de vorm van gewoon onderwijs, van buitengewoon onderwijs toegankelijk voor de leerlingen bedoeld in de artikelen 1 en 4 van voornoemde
wet van 6 juli 1970Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/07/1970
pub.
19/08/2014
numac
2014000530
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten, van geïntegreerd onderwijs, georganiseerd overeenkomstig artikel 5bis van dezelfde wet. Art. 4.Het secundair onderwijs omvat 6 leerjaren die kunnen opgevolgd worden enerzijds door een van de supplementaire jaren bedoeld onder artikel 2, § 1, lid 2, van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur van het secundair onderwijs, anderzijds door de vierde graad van twee of drie jaar, bedoeld onder artikel 2, § 3 van dezelfde wet.
Het gewoon secundair onderwijs is georganiseerd of gesubsidieerd in de vorm van voltijds secundair onderwijs en onder de vorm van secundair onderwijs met beperkte leerplan, overeenkomstig enerzijds artikel 2, lid 1, van het decreet van 3 juli 1991, het onderwijs met beperkte uurrooster organiserend en anderzijds artikel 1 van de
wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
29/06/1983
pub.
25/01/2011
numac
2011000012
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling
sluiten betreffende de leerplicht. Het secundair onderwijs met beperkt uurrooster kan georganiseerd worden volgens een andere periodiciteit dan die van het schooljaar.
Het voltijds secundair onderwijs is gemeenschappelijk voor alle leerlingen tijdens de eerste twee jaar, hierna eerste graad genoemd.
Teneinde een gedifferentieerd en aan de behoeften van sommige leerlingen aangepast pedagogisch parcours mogelijk te maken, kunnen de eerste twee jaren van het secundair onderwijs op een gedifferentieerde manier georganiseerd worden, overeenkomstig artikel 2, § 2, van voornoemde wet van 19 juli 1971.
Het derde, vierde, vijfde en zesde jaar van het secundair onderwijs worden in twee afdelingen georganiseerd : 1° de overgangsafdeling die de algemene en technologische humaniora omvat, die een voorbereiding zijn op hogere studies maar die een integratie in het actieve leven eveneens mogelijk maken;2° de kwalificatieafdeling, die de beroeps- en technische humaniora omvat, die een voorbereiding op het beroepsleven beogen door de uitreiking van een kwalificatiegetuigschrift maar die eveneens toegang verlenen tot hogere studies. In het kader van dit decreet worden door de termen « tweede graad » eveneens de derde en vierde jaren bedoeld van het secundair onderwijs van type II; de termen « derde graad » duiden eveneens op het vijfde en het zesde jaar van het secundair onderwijs van type II. Art. 5.In het geheel van de wetgeving en van de reglementering betreffende de onderwijsniveaus bedoeld in dit hoofdstuk, worden de volgende definities in aanmerking genomen : 1° competentie : bekwaamheid om een georganiseerd geheel van kennis, van know-how en van houdingen aan te wenden om zo een zeker aantal taken uit te voeren;2° bekwaamheidsniveaus : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de basiscompetenties uiteenzet die uitgeoefend moeten worden tot aan het eind van de eerste 8 jaar van het verplicht onderwijs en deze die beheerst moeten worden aan het eind van elk van hun fasen omdat ze als noodzakelijk beschouwd worden voor de sociale integratie en voor de voortzetting van de studies;3° terminale competenties : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet waarvan de beheersing verwacht wordt op een bepaald niveau van het eind van het secundair onderwijs;4° competenties betreffende een studierichting : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet die aangeleerd moeten worden in een schoolse studierichting;5° kwalificatieprofiel : referentiesysteem dat de activiteiten en competenties beschrijft uitgeoefend door volleerde werklui zoals zij zich in het bedrijf bevinden;6° vormingsprofiel : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet die aan te leren zijn voor het verwerven van een kwalificatiegetuigschrift;7° specifiek vormingsprofiel : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet die aan te leren zijn voor het verwerven van een getuigschrift van specifieke kwalificatie of voor een getuigschrift van verworven competenties;8° studieprogramma's : referentiesysteem van opleidingssituaties, van opleidingsinhouden, verplicht of facultatief en methodologische oriëntaties door een organiserend autoriteit bepaald, teneinde de competenties te bereiken vastgelegd door de Regering voor een jaar, een graad of een cyclus;9° multidisciplinaire competenties : houdingen, mentale benaderingswijzen en methodologische benaderings- wijzen die gemeenschappelijk zijn aan de diverse aan te leren vakken en die in de praktijk moeten omgezet worden tijdens de opbouw van diverse wetenschappen en know-how;hun beheersing beoogt een groeiende zelfstandigheid van leercapaciteit van de leerlingen; 10° vormende evaluatie : evaluatie die gedaan wordt tijdens de activiteit met het oog op het beoordelen van de door de leerling gemaakte vooruitgang en om de aard van de moeilijkheden te begrijpen waar hij mee af te rekenen heeft tijdens een leertijd;ze heeft tot doel de ontwikkeling van de leerling te verbeteren, te corrigeren of aan te passen en ze is gedeeltelijk gebaseerd op de auto-evaluatie; 11° de proeven met een verplichtend karakter : proeven die afgenomen worden aan het eind van een leersekwentie met het oog op het vaststellen van de verworven kennis van de leerlingen;12° gedifferentieerde pedagogie : onderwijsmethode die erin bestaat de manieren te variëren om rekening te houden met de heterogeniteit van de klassen evenals de diverse leermanieren en behoeften van de leerlingen.13° begeleiding : hulpmiddel samengesteld uit de centrale commissies, de werkgroepen, de programmacommissies en de commissies voor evaluatiemiddelen met het oog op het instellen van algemene en buitengewone doelstellingen bepaald overeenkomstig het decreet. HOOFDSTUK II. - Betreffende de algemene doelstellingen van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs Art. 6.De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze organiseert en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, streven tegelijkertijd en zonder hiërarchie de volgende doelstellingen na : 1° het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van de persoon van elk van de leerlingen bevorderen;2° alle leerlingen ertoe brengen wetenschap en competenties te verwerven die ze in staat stellen gedurende hun hele leven te leren en een actieve plaats in te nemen in het economisch, sociaal en cultureel leven;3° alle leerlingen erop voorbereiden verantwoordelijke burgers te zijn, die in staat zijn mee te werken aan de ontwikkeling van een democratische, solidaire gemeenschap die pluralistisch is en openstaat voor andere culturen;4° aan alle leerlingen gelijke kansen garanderen op een sociale emancipatie. Art. 7.De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze organiseert en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, kunnen de inrichtingen die ze organiseren, toelaten in het kader van hun project bedoeld onder artikel 67, het wekelijks uurrooster dermate aan te passen voor het inrichten van activiteiten per vak of per groep vakken om de algemene doelstellingen te kunnen bereiken bedoeld onder artikel 6. Art. 8.Om de algemene doelstellingen te bereiken bedoeld onder artikel 6, de kennis en de know-how, hetzij opgebouwd door de leerlingen zelf, hetzij doorgegeven, worden in het perspectief van het verwerven van competenties geplaatst. Deze laatste worden verworven zowel tijdens de lessen als tijdens de overige educatieve activiteiten en, meer algemeen, in de organisatie van het dagelijks leven in de school. Met die bedoeling waken de Franse Gemeenschap voor het onderwijs dat ze organiseert en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs erop dat elke inrichting : 1° de leerling in situaties plaatst die hem ertoe aanzetten op eenzelfde benaderingswijze beroep te doen op zijn multidisciplinaire en de in de studierichting begrepen competenties, met inbegrip van de kennis en de know-how die eraan verbonden zijn;2° de activiteiten bevordert die de nadruk leggen op de ontdekking, de productie en de creatie;3° theorie en praktijk verduidelijkt, en maakt zo onder andere het opbouwen van concepten mogelijk gebaseerd van de praktijk;4° evenwicht brengt in de individuele en gezamenlijke werktijd, ontwikkelt de capaciteit om inspanningen te leveren om een doel te bereiken;5° door elke leerling de verplichting doet eerbiedigen om deel te nemen aan alle activiteiten die verbonden zijn aan de certificatie georganiseerd door de inrichting en de taken te vervullen die eruit voortvloeien;6° de oriëntatie binnen het eigenlijke educatieve proces integreert, onder andere door de aandacht te vestigen op de beroepen en door het informeren van de leerlingen wat de vakkenkeuze voor de vorming betreft;7° beroep doet op de communicatie- en informatietechnieken in de mate waardoor ze hulpmiddelen zijn bij de ontwikkeling, bij het bereiken van de zelfstandigheid en de individualisering van het leerparcours;8° de aantrekkingskracht opwekt voor cultuur en creatie en bevordert de deelname aan culturele en sportieve activiteiten door een medewerking met de betrokken personen;9° opvoedt met het oog op respect voor de persoonlijkheid en overtuigingen van elkeen, de plicht zowel lichamelijk als moreel geweld uit te sluiten en maakt een aanvang met democratische gebruiken van verantwoordelijk burgerschap in het kader van de school;10° deelneemt aan het leven van haar wijk of van zijn dorp en dientengevolge van zijn gemeente en er zich op een harmonieuze manier zou integreren onder andere door het openstaan voor een democratisch debat. Art. 9.De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze organiseert en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, passen de definitie van de studieprogramma's en hun pedagogisch project aan : 1° aan de algemene doelstellingen van het onderwijs bepaald in artikel 6;2° aan het aanleren, de diepgaande studie en het beheersen van de Franse taal;3° aan het aanleren van de hulpmiddelen van de wiskunde;4° aan de voordelen andere talen te kennen buiten het Frans en in het buitengewoon in deze talen te communiceren;5° aan het belang van de kunst, de opvoeding tot de media en de lichamelijke uitdrukking;6° het begrip van wetenschappen en technieken en hun onderlinge afhankelijkheid;7° aan het doorgeven van het cultureel erfgoed in al zijn aspecten en aan het ontdekken van andere culturen die samen tekenen van erkenning geven en meewerken aan het smeden van een sociale band;8° aan het bewaren van de herinnering van gebeurtenissen die helpen het verleden en het heden te begrijpen, in het perspectief van een persoonlijke en gezamenlijke gehechtheid aan de idealen die de grondslagen zijn van de democratie;9° aan het begrijpen van het levensmilieu, van de geschiedenis en meer in het buitengewoon aan de redenen en de gevolgen van de Europese unificatie;10° aan het begrip van het Belgisch politiek systeem. Art. 10.De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze inricht, en elke inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, zal erover waken dat : 1° alle maatregelen die zouden kunnen leiden tot het ontstaan van een hiërarchie tussen inrichtingen of tussen afdelingen of vormen van onderwijs georganiseerd in het secundair onderwijs veroordeeld worden;2° de diverse vormen en afdelingen beschouwd worden als diverse manieren om de algemene doelstellingen van het decreet te bereiken;3° meisjes en jongens dezelfde toegang te verschaffen tot alle vormingen; De overgang tussen verschillende afdelingen en onderwijsvormen is toegelaten, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering. Art. 11.De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze inricht, en elke inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, waken erover dat de inrichtingen waar ze verantwoordelijk voor zijn rekening zouden houden met de sociale en culturele achtergrond van de leerlingen teneinde aan elkeen gelijke kansen voor sociale, professionele en culturele integratie te bieden HOOFDSTUK III. - Buitengewoone doelstellingen gemeenschappelijk aan het basisonderwijs en aan de 1e graad van het secundair onderwijs Afdeling 1. - De cycli en bekwaamheidsniveaus
Art. 12.Het kleuteronderwijs streeft alle algemene doelstellingen na die bepaald werden onder artikel 6 en beoogt in het buitengewoon : 1° de ontwikkeling van het besef door het kind van zijn eigen mogelijkheden en het bevorderen van de eigen uitdrukking door creatieve activiteiten;2° het ontwikkelen van het sociaal gevoel;3° het bevorderen van de cognitieve, sociale, affectieve en psychomotorische opleiding;4° het opsporen van de moeilijkheden en de handicaps van de kinderen en het vinden van de nodige oplossingen. Art. 13.§ 1. De vorming tijdens het kleuteronderwijs en van de eerste acht jaren van het verplicht onderwijs vormen een pedagogisch continuüm, gestructureerd in drie stappen, die beogen alle leerlingen de nodige bekwaamheidsniveaus te verschaffen die nodig zijn voor hun sociale integratie en de voortzetting van hun studies. § 2. De onder § 1 beoogde stappen zijn : 1° van het begin van het basisonderwijs tot het einde van het tweede jaar lager;2° van het derde tot het zesde jaar lager;3° de eerste twee jaren van het secundair onderwijs. § 3. De eerste stap bestaat uit twee cycli : 1° van het begin van de kleuterschool op 5 jaar;2° van 5 jaar tot het eind van het tweede jaar lager. De tweede stap bestaat uit twee cycli : 1° het derde en vierde jaar lager;2° het vijfde en zesde jaar lager; De derde stap bestaat uit een enkele cyclus. § 4. Op voorstel van de Hoge Raad voor het Buitengewoon Onderwijs opgericht door de
wet van 6 juli 1970Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/07/1970
pub.
19/08/2014
numac
2014000530
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten betreffende het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, kan de Regering het pedagogisch continuüm bedoeld onder §§ 2 en 3 aanpassen voor het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Art. 14.Elke inrichting die het basisonderwijs of lager onderwijs of de eerste graad van het secundair onderwijs inricht, bepaalt in haar project bedoeld onder artikel 67, de middelen die ze in het werk zal stellen om de overgang te vergemakkelijken tussen de laatste twee jaren van het lager onderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs. Deze middelen kunnen onder andere omvatten : de uitwisseling van pedagogische documenten en informatie in verband met de beheersing van bekwaamheidsniveaus, het verwezenlijken van gemeenschappelijke activiteiten en, meer algemeen, het overleg met betrekking tot de projecten van de inrichtingen. Art. 15.Elke onderwijsinrichting maakt het de leerling mogelijk aan zijn eigen ritme vooruit te gaan, daarbij de vormende evaluatie beoefenend en de gedifferentieerde pedagogie.
De leerling die zich genoodzaakt ziet de tweede stap van het verplicht onderwijs in vijf jaar eerder dan in vier te volbrengen, of de eerste graad van het secundair onderwijs in drie jaar eerder dan in twee, kan het complementair jaar volgen dat aangepast is aan zijn vormingsbehoeften in dezelfde inrichting.
Het project van de inrichting bedoeld onder artikel 67 bepaalt de modaliteiten volgens dewelke het parcours ingericht is in drie jaar voor de eerste graad of in vijf jaar voor de tweede trap van het verplicht onderwijs. Art. 16.§ 1. De Regering bepaalt de bekwaamheidsniveaus en onderwerpt ze aan de goedkeuring van het Parlement. § 2. Werkgroepen worden opgericht volgens de modaliteiten die bepaald worden door de Regering, teneinde de bekwaamheidsniveaus op te bouwen en drie stappen te onderscheiden bedoeld onder artikel 13.
De werkgroepen maken hun voorstellen in verband met de bekwaamheidsniveaus door respectievelijk aan de Algemene Raad voor het Basisonderwijs opgericht door het decreet van 14 maart 1995 betreffende de promotie van een school, van het slagen in het basisonderwijs en van de Algemene Raad voor Overleg voor het secundair onderwijs opgericht door het decreet van 27 oktober 1994 het overleg inrichtend voor het secundair onderwijs.
Indien ze dit nodig achten, kunnen de Algemene Raden deze voorstellen wijzigen. Ze maken de voorstellen over aan de Regering zoals zij ze gewijzigd hebben met de originele voorstellen van de werkgroep.
Volgens hun doel zijn de werkgroepen samengesteld uit vertegenwoordigers van het basis- of het secundair onderwijs evenals van de inspectie. De werkgroepen raadplegen, in de hoedanigheid van expert, elke persoon die nuttig geacht wordt. De werkgroepen houden ook gezamenlijke vergaderingen teneinde de voorstellen in verband met het basis- en het secundair onderwijs te harmoniseren. § 3. De bekwaamheidsniveaus geven de voorrang aan de beheersing van de betekenis bij het aanleren van het lezen, aan het produceren van geschreven stukken en aan de mondelinge communicatie evenals aan het beheersen van de fundamentele wiskundige hulpmiddelen in het kader van het oplossen van vraagstukken. Ze bepalen de communicatieve competenties die verwacht worden aan het eind van de eerste graad voor een taal die niet de Franse taal is.
De overige educatieve activiteiten beogen eveneens de algemene doelstellingen vastgesteld onder lid 1. Deze activiteiten vallen binnen de volgende domeinen die deel uitmaken van de gemeenschappelijke verplichte vorming : de structuur van tijd en ruimte, de psychomotorische en lichamelijke opvoeding, het opwekken van de interesse, daarna de initiatie tot geschiedenis en aardrijkskunde, de artistieke opvoeding, de opvoeding door de technologie, de wetenschappelijke initiatie, de ontdekking van het milieu, de opvoedkundige ontdekking van de media, het aanleren van de sociale gedragingen en van het burgerschap.
Op voorstel van de Hogere Raad bedoeld onder artikel 13, § 4, worden de prioriteiten vermeld in lid 1, evenals de activiteiten bedoeld onder lid 2 aangepast aan de buitengewone behoeften van de gehandicapte leerlingen die het gewone onderwijs of het buitengewoon onderwijs volgen. Art. 17.§ 1. Voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap bepaalt de Regering de studieprogramma's van de cycli en de jaren bedoeld in dit hoofdstuk. § 2. Voor het gesubsidieerd onderwijs keurt de Regering de studieprogramma's goed van de cycli en jaren bedoeld in dit hoofdstuk, na het advies te hebben ingewonnen van de Programmacommissie. § 3. Er wordt een Programmacommissie opgericht volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
De Programmacommissie controleert of de studieprogramma's het bereiken van de bekwaamheidsniveaus mogelijk maken.
De controle uitgeoefend door de Programmacommissie heeft geen betrekking op de pedagogische methoden. § 4. De studieprogramma's behoren tot de bevoegdheid van de inrichtende machten, die ze kunnen delegeren aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten waar zij bij aansluiten.
In het gesubsidieerd onderwijs ingericht door de overheid, mag de duur van de delegatie bedoeld onder lid 1 de termijn van het electief mandaat van deze overheid niet overschrijden.
In het vrij gesubsidieerd onderwijs is de duur van de afvaardiging bedoeld onder lid 1 van zes jaar en vernieuwbaar.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de afvaardiging. § 5. De studieprogramma's leggen leersituaties voor en geven de inhoud van de opleiding aan die verplicht of facultatief kan zijn. Ze geven methodologische oriëntaties. De situaties en inhoud van de opleiding evenals de methodologische oriëntaties moeten het mogelijk maken de bekwaamheidsniveaus te bereiken. Art. 18.De pedagogische diensten van de Franse Gemeenschap en die van de diverse inrichtende machten voor het gesubsidieerd onderwijs produceren pedagogische hulpmiddelen die het mogelijk maken de bekwaamheids- niveaus te bereiken. Deze pedagogische hulpmiddelen mogen benut worden door om het even welke inrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Nadat de Regering het advies heeft ingewonnen van de Algemene Raden bedoeld onder artikel 16, bepaalt de modaliteiten voor hun verspreiding ten voordele van het geheel van de inrichtende machten.
Pedagogische hulpmiddelen die eigen zijn aan het buitengewoon onderwijs kunnen eveneens opgericht worden ter aanvulling van de gemeenschappelijke hulpmiddelen. Art. 19.Er wordt een Commissie opgericht voor de evaluatiemiddelen betreffende de bekwaamheidsniveaus, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
Deze Commissie produceert reeksen gestandaardiseerde evaluatietests die overeenstemmen met de bekwaamheidsniveaus.
De Regering maakt ze over ter informatie aan alle inrichtingen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, volgens de modaliteiten die ze bepaalt. Deze reeksen tests worden eveneens medegedeeld aan de inrichtingen belast met de begin- en voortgezette vorming van de leraren.
Deze reeksen van evaluatietests kunnen eveneens aangepast worden voor het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs in functie van de handicap en ter aanvulling van de voor iedereen gemeenschappelijke reeksen. Art. 20.Voor de studiestappen en -cycli bedoeld in artikel 13, omvat de studiecontrole bedoeld in de artikelen 6 en 24 van de wet van 29 mei 1959, bepaalde beschikkingen wijzigend van de wet op het onderwijs, het nazicht van het volgende : 1° de gelijkwaardigheid van de activiteiten voorgesteld aan de leerlingen en de bekwaamheidsniveaus;2° het respecteren van de prioriteiten vastgelegd in de bekwaamheidsniveaus;3° de gelijkstelling van het niveau van de evaluatietests afgenomen van de leerlingen met dat van de tests ontwikkeld door de Commissie voor de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in artikel 19. Afdeling 2. - Over de oriëntatie na de eerste acht jaren verplichte
schooltijd Art. 21.Op het einde van de eerste acht jaren verplichte schooltijd worden de leerlingen georiënteerd naar de onderwijsvorm die het best is aangepast aan hun streven en hun bekwaamheden. Art. 22.De klasseraad is verantwoordelijk voor de oriëntatie. Met dit doel doet hij een beroep op het psychomedisch centrum en de ouders.
Dan begeleidt hij elke leerling bij het uitstippelen van een plan voor zijn leven op school en zijn beroepsleven volgens de modaliteiten beschreven in artikel 67. Art. 23.In samenwerking met het psycho-medisch-sociaal centrum maakt elke inrichting voor secundair onderwijs aan de leerlingen van de eerste graad alsook aan hun ouders een volledige informatie over in verband met : 1° de opleidingscursussen ingericht in de 2de en 3de graad beroeps- en technische humaniora;hierin zijn de artistieke opleidingscursussen begrepen; 2° de opleidingscursussen ingericht in de 2de en 3de graad van de algemene en technische humaniora;hierin zijn de artistieke opleidingscursussen begrepen; 3° de opleidingcursussen die met een beurtwisseling worden ingericht overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
29/06/1983
pub.
25/01/2011
numac
2011000012
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling
sluiten betreffende de leerplicht. Elke inrichting voor secundair onderwijs brengt de leerlingen van de eerste graad in contact door bezoeken of observatieproeflessen met de onderwijzende inrichtingen die onderwijs van hetzelfde type verschaffen die zowel de overgangs- als de kwalificatieafdeling inrichten.
De informatie, de bezoeken en de proeflessen werken een positieve oriëntatie van de leerlingen aan het eind van de eerste graad in de hand. HOOFDSTUK IV. - Over de buitengewone doelstellingen van de algemene en technologische humaniora Afdeling 1. - Bekwaamheden en kennis vereist op het einde van de
algemene en technologische humaniora Art. 24.De algemene en technologische humaniora waarborgen een humanistische vorming, in de lijn van de algemene doelstellingen zoals bepaald in artikel 6. Art. 25.§ 1. De Regering bepaalt en legt ter goedkeuring voor aan de Raad van de Gemeenschap : 1° de finale bekwaamheden en gemeenschappelijke kennis die van het geheel van de leerlingen vereist worden op het eind van de overgangsafdeling;2° de finale bekwaamheden en kennis vereist in de diverse vakken van de overgangsafdeling;3° de minimale bekwaamheden wat de communicatie in een andere moderne taal dan het Frans betreft, op het eind van de overgangsafdeling. § 2. Werkgroepen worden opgericht volgens de modaliteiten bepaald door de Regering, teneinde de diverse bekwaamheden en kennis vast te leggen.
De werkgroepen maken hun voorstellen in verband met de kennis en bekwaamheden door aan de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16.
Indien hij dit nodig acht, kan de Adviesraad deze voorstellen wijzigen. Hij maakt de voorstellen aan de Regering over zoals hij ze gewijzigd heeft en de oorspronkelijke voorstellen van de werkgroepen.
De werkgroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van het secundair onderwijs, van de inspectie en van het hoger onderwijs. De werkgroepen ondervragen als expert elke persoon die zij nodig achten.
Het totaal aantal van de vertegenwoordigers van het hoger onderwijs mag niet hoger liggen dan het aantal vertegenwoordigers van het secundair onderwijs. Art. 26.§ 1. De Regering mag vaststellen en ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van de Gemeenschap : 1° de gemeenschappelijke bekwaamheden en kennis die vereist zijn van het geheel van de leerlingen op het eind van de tweede graad van de overgangsafdeling;2° de bekwaamheden en kennis vereist in de diverse vakken op het eind van de tweede graad van de overgangsafdeling. § 2. Er worden werkgroepen opgericht volgens de modaliteiten bepaald door de Regering, teneinde de diverse bekwaamheden en kennis vast te leggen.
De werkgroepen maken hun voorstellen in verband met de kennis en bekwaamheden door aan de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16.
Indien hij dit nodig acht, kan de Adviesraad deze voorstellen wijzigen. Hij maakt de voorstellen aan de Regering over zoals hij ze gewijzigd heeft en de oorspronkelijke voorstellen van de werkgroepen.
De werkgroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van het secundair onderwijs en van de inspectie. De werkgroepen ondervragen als expert elke persoon die zij nodig achten.
De definitie van de bekwaamheden en kennis vereist aan het eind van de tweede graad houdt rekening met de finale bekwaamheden en kennis bepaald in toepassing van artikel 25. Art. 27.§ 1. Voor het onderwijs in de Franse Gemeenschap bepaalt de Regering, rekening houdend met de bekwaamheden en kennis gedefinieerd in artikelen 25 en 26, de studieprogramma's van de graden en de jaren bedoeld in dit hoofdstuk. § 2. Voor het gesubsidieerd onderwijs hecht de Regering haar goedkeuring, rekening houdend met de bekwaamheden en kennis gedefinieerd in artikelen 25 en 26, de studieprogramma's van de graden en jaren bedoeld in dit hoofdstuk, na het advies hebben ingewonnen van de Programmacommissie voor de algemene en technologische humaniora. § 3. Er wordt een Programmacommissie opgericht voor de algemene en technologische humaniora, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
De Programmacommissie controleert of de studieprogramma's geschikt zijn om de bekwaamheden en de kennis te bereiken bedoeld in artikelen 25 en 26.
De Programmacommissie oefent geen controle uit op de pedagogische methoden. § 4. De studieprogramma's behoren tot de bevoegdheid van de inrichtende machten, die ze kunnen delegeren aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten waar zij bij aansluiten.
In het gesubsidieerd onderwijs ingericht door de overheid, mag de duur van de delegatie bedoeld onder lid 1 de termijn van het electief mandaat van deze overheid niet overschrijden.
In het vrij gesubsidieerd onderwijs is de duur van de delegatie bedoeld onder lid 1 van zes jaar en vernieuwbaar.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de delegatie. § 5. De studieprogramma's leggen leersituaties voor en geven de inhoud van de opleiding aan die verplicht of facultatief kan zijn. Ze geven methodologische oriëntaties. De situaties en inhoud van de opleiding evenals de methodologische oriëntaties moeten het mogelijk maken de bekwaamheidsniveaus te bereiken bedoeld in artikelen 25 en 26. Art. 28.De pedagogische diensten van de Franse Gemeenschap en die van de diverse inrichtende machten voor het gesubsidieerd onderwijs produceren pedagogische hulpmiddelen die het mogelijk maken de in de artikelen 25 en 26 bekwaamheidsniveaus te bereiken. Deze pedagogische hulpmiddelen mogen benut worden door om het even welke inrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Nadat de Regering het advies heeft ingewonnen van de Algemene Raden bedoeld in artikel 16, bepaalt de modaliteiten voor hun verspreiding ten voordele van het geheel van de inrichtende machten.
Pedagogische hulpmiddelen die eigen zijn aan het buitengewoon onderwijs kunnen eveneens opgericht worden ter aanvulling van de gemeenschappelijke hulpmiddelen. Art. 29.Er wordt een Commissie opgericht voor de evaluatiemiddelen van de algemene en technologische humaniora.
Deze Commissie produceert reeksen gestandaardiseerde evaluatietests die overeenstemmen met de in de arti- kelen 25 en 26 vastgestelde bekwaamheidsniveaus.
De Regering maakt ze over ter informatie aan alle inrichtingen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, volgens de modaliteiten die ze bepaalt. Deze reeksen tests worden eveneens medegedeeld aan de inrichtingen belast met de begin- en voortgezette vorming van de leraren.
Deze reeksen van evaluatietests kunnen eveneens aangepast worden voor het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs in functie van de handicap en ter aanvulling van de voor iedereen gemeenschappelijke reeksen. Art. 30.In het kader van haar project bedoeld onder artikel 67, kan elke inrichting de lesroosters toebedeeld aan een, meerdere of alle vakken in de functionele studiegehelen verdelen over verscheidene weken. De tijd toebedeeld aan diverse vakken kan ook gegroepeerd worden voor interdisciplinaire of culturele activiteiten. De enige verplichting van de inrichting als zij wenst gebruik te maken van deze bepaling, is aan te geven hoe de buitengewone werkwijzen die ze gebruikt het mogelijk maken de algemene doelstellingen te bereiken bedoeld onder artikel 6 en de bekwaamheden en kennis bedoeld in de artikelen 25 en 26, in het kader van het studieprogramma aangenomen door haar inrichtende macht.
Met uitzondering van de lessen in godsdienst, lekenmoraal en lichamelijke opvoeding kunnen de lessen die een lesrooster hebben van minder dan drie wekelijkse perioden, gegroepeerd worden binnen een jaar van de graad of binnen een semester per jaar. Art. 31.Voor de studiejaren bedoeld in dit hoofdstuk, omvat de controle van het studieniveau bedoeld in de artikelen 6 en 24 van de wet van 29 mei 1959, bepaalde beschikkingen wijzigend van de wet op het onderwijs, het nazicht van het volgende : 1° de gelijkwaardigheid van de activiteiten voorgesteld aan de leerlingen en de bekwaamheidsniveaus;3° de gelijkstelling van het niveau van de evaluatietests afgenomen van de leerlingen met dat van de tests ontwikkeld door de Commissie voor de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in artikel 29. Afdeling 2. - De oriëntatie tijdens en op het eind van de algemene en
technologische humaniora Art. 32.§ 1. De oriëntatie brengt de teams docenten samen, de psycho-medische-sociale centra, de ouders en de leerlingen. Ze is een van de essentiële taken van de klasseraad. § 2. De Regering stelt ter beschikking van de inrichtingen voor secundair onderwijs informaties in verband met de hogere studies, waarbij aanwijzingen worden gegeven die eigen zijn aan elk vakkenpakket.
De Regering waakt over de overeenkomst tussen de vereisten bij het aanvangen van het hoger onderwijs en de bekwaamheden en kennis bepaald in artikel 25 en de reeksen tests ontwikkeld door de Commissie voor evaluatiehulpmiddelen bedoeld in artikel 29.
Op aanvraag van de leerling ingeschreven in het laatste jaar van de algemene en technologische humaniora, helpt het psycho-medisch-sociale centrum verbonden aan de inrichting hem zijn motivaties te ontdekken en zijn bekwaamheden om zijn plannen tot een goed eind te brengen.
In het kader van haar project, bedoeld in artikel 67, kan elke inrichting het equivalent van twee weken verdeeld over het geheel van de derde graad toebedelen aan activiteiten die de rijping door de leerlingen van hun professionele keuze en de studierichting die hieruit voortvloeit, bevorderen. Deze activiteiten maken deel uit van de normale studies van de leerling. De personeelsleden die deze activiteiten coördineren en begeleiden bevinden zich in actieve dienst. Afdeling 3. - De kredieten bekomen in de algemene en technologische
humaniora Art. 33.Na het advies ingewonnen te hebben van de Algemene Raad voor de Hogescholen opgericht bij het decreet van 5 augustus 1995, tot bepaling van de algemene inrichting van het Hoger onderwijs in de hogescholen, van de Algemene Adviesraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16 en van de Adviescommissie voor het onderwijs voor sociale promotie, opgericht bij het decreet van 16 april 1991, tot inrichting van het onderwijs voor sociale promotie, bepaalt de Regering de studiekredieten, die verworven werden in het kader van het technisch overgangsonderwijs, die gevaloriseerd kunnen worden in het hoger onderwijs ingericht in de hogescholen en in het onderwijs voor sociale promotie evenals de modaliteiten van deze valorisatie. HOOFDSTUK V. - De buitengewoone doelstellingen van de beroeps- en technische humaniora Afdeling 1. - De bekwaamheden en kennis die vereist zijn in verband
met de humanistische vorming op het eind van de beroeps- en technische humaniora Art. 34.De beroeps- en technische humaniora verschaffen een humanistische vorming in het licht van de algemene doelstellingen bepaald in artikel 6.
Deze vorming wordt bereikt door middel van algemene cursussen en door het geheel van de kwalificerende opleiding.
De kwalificerende opleiding beoogt het beheersen van de bekwaamheden vastgelegd door een vormingsprofiel bepaald overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 27 oktober 1994 dat het overleg inricht voor het secundair onderwijs. Art. 35.§ 1. De Regering bepaalt en legt ter goedkeuring voor aan de Raad van de Gemeenschap : 1° de finale bekwaamheden en gemeenschappelijke kennis die van het geheel van de leerlingen vereist worden op het eind van de kwalificatieafdeling die leidt tot het uitreiken van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs;2° de finale bekwaamheden en kennis vereist van het geheel van de leerlingen op het eind van de kwalificatieafdeling die leidt tot het uitreiken van een getuigschrift van zesde jaar beroepsafdeling;3° de minimale bekwaamheden inzake communicatie in een andere moderne taal dan het Frans, op het eind van de kwalificatieafdeling, indien het aanleren van een moderne taal voorkomt in het studieprogramma. § 2. Werkgroepen worden opgericht volgens de modaliteiten bepaald door de Regering, teneinde de diverse bekwaamheden en kennis vast te leggen.
De werkgroepen maken hun voorstellen in verband met de kennis en bekwaamheden door aan de Algemene Adviesraad voor het secundair onderwijs bedoeld onder artikel 16.
Indien hij dit nodig acht, kan de Algemene Raad deze voorstellen wijzigen. Hij maakt de voorstellen aan de Regering over zoals hij ze gewijzigd heeft en de oorspronkelijke voorstellen van de werkgroepen.
De werkgroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van het secundair onderwijs, van de inspectie, van het hoger onderwijs en van de Communautaire Commissie voor beroepen en kwalificaties, opgericht door voornoemd decreet van 27 oktober 1994. De werkgroepen ondervragen als expert elke persoon die zij nodig achten. Het totaal aantal van de vertegenwoordigers van het hoger onderwijs en van de Communautaire Commissie mag niet hoger liggen dan het aantal vertegenwoordigers van het secundair onderwijs. Art. 36.§ 1. Voor het onderwijs in de Franse Gemeenschap bepaalt de Regering, rekening houdend met de bekwaamheden en kennis bepaald in artikel 35, de studieprogramma's van de cursussen die specifiek zijn voor de humanistische vorming gedurende de graden en jaren bedoeld in dit hoofdstuk. § 2. Voor het gesubsidieerd onderwijs hecht de Regering haar goedkeuring, rekening houdend met de bekwaamheden en kennis bepaald in artikel 35, de studieprogramma's van de cursussen die specifiek zijn voor de humanistische vorming gedurende de graden en jaren bedoeld in dit hoofdstuk, na het advies te hebben ingewonnen van de Programmacommissie voor de beroeps- en technische humaniora. § 3. Er wordt een Programmacommissie opgericht voor de beroeps- en technische humaniora volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
De Programmacommissie controleert of de studieprogramma's het bereiken van de bekwaamheidsniveaus mogelijk maken.
De controle uitgeoefend door de Programmacommissie heeft geen betrekking op de pedagogische methoden. § 4. De studieprogramma's behoren tot de bevoegdheid van de inrichtende machten die ze kunnen afvaardigen aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten waar zij bij aansluiten.
In het gesubsidieerd onderwijs ingericht door de openbare machten, mag de duur van de afvaardiging bedoeld in lid 1 de termijn van het electief mandaat van deze macht niet overschrijden.
In het vrij gesubsidieerd onderwijs is de duur van de afvaardiging bedoeld in lid 1 van zes jaar en vernieuwbaar.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de afvaardiging. § 5. De studieprogramma's leggen leersituaties voor en geven de inhoud van de opleiding aan die verplicht of facultatief kan zijn. Ze geven methodologische oriëntaties. De situaties en inhoud van de opleiding evenals de methodologische oriëntaties moeten het mogelijk maken de bekwaamheden en kennis bedoeld in artikel 35 te verwerven. Art. 37.De pedagogische diensten van de Franse Gemeenschap en die van de diverse inrichtende machten voor het gesubsidieerd onderwijs ontwikkelen pedagogische hulpmiddelen die het bereiken van de bekwaamheidsniveaus en de kennis bedoeld in artikel 35 vergemakkelijken. Deze pedagogische hulpmiddelen mogen benut worden door om het even welke inrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene Raden bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering de modaliteiten voor hun verspreiding ten voordele van het geheel van de inrichtende machten.
Pedagogische hulpmiddelen die eigen zijn aan het buitengewoon onderwijs kunnen eveneens voorzien worden ter aanvulling van de gemeenschappelijke hulpmiddelen. Art. 38.Er wordt een Commissie opgericht voor de evaluatiemiddelen betreffende de bekwaamheidsniveaus, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
De Regering verspreidt, ter informatie aan alle onderwijsinrichtingen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, volgens de modaliteiten die ze bepaalt, de reeksen gestandaardiseerde evaluatietests die overeenstemmen met de bekwaamheden en kennis bedoeld in artikel 35 ontwikkeld door deze Commissie. Deze reeksen tests worden eveneens medegedeeld aan de inrichtingen belast met de basisopleiding van de leraren.
Deze reeksen van evaluatietests bedoeld in voorgaande lid kunnen eveneens aangepast worden voor het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs in functie van de handicap en ter aanvulling van de voor iedereen gemeenschappelijke reeksen. Afdeling 2. - Over de bekwaamheden bepaald door de opleidingsprofielen
en hun certificatie op het eind van de beroeps- en technische humaniora Art. 39.Op het voorstel van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering de opleidingsprofielen bedoeld in artikel 16 van voornoemd decreet van 27 oktober 1994 en legt ze ter goedkeuring voor aan de Raad van de Gemeenschap. Art. 40.De opleidingsprofielen staan in verband met de kwalificatieprofielen vastgesteld door de Communautaire Commissie voor beroepen en kwalificaties bedoeld in artikel 6 van hetzelfde decreet.
De kwalificatieprofielen beschrijven de activiteiten en de bekwaamheden uitgevoerd door de volleerde arbeiders zoals zij zich in het bedrijf bevinden. Art. 41.De opleidingsprofielen worden in twee fasen verwezenlijkt : 1° de segmentatie van de kwalificatieprofielen in bekwaamheidseenheden, m.a.w. in coherente bekwaamheids- gehelen; 2° de hergroepering van de bekwaamheidseenheden in coherente opleidingsprofielen. Art. 42.Aan het eind van de kwalificatieafdeling van het secundair onderwijs wordt het welslagen bevestigd in functie van de gelijkwaardigheid van de bekwaamheden van de student met het opleidingsprofiel. Art. 43.Zich baserend op de opleidingsprofielen en na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering en legt ter goedkeuring voor aan de Raad van de Gemeenschap : 1° de lijst van de gegroepeerde opties, overeenkomstig artikel 24 van het decreet van 29 juli 1992 betreffende de inrichting van het secundair onderwijs met volledig leerplan;2° de toelatingsvoorwaarden tot de diverse jaren, opleidingen en opties. Art. 44.Op voorstel van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs, bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering de specifieke opleidingsprofielen voor de zevende jaren secundair vervolmakings- of specialisatieonderwijs en voor de vierde graden. Art. 45.Op voorstel van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, kan de Regering de opleidingsprofielen bepalen die specifiek zijn voor het secundair onderwijs met beperkt uurrooster. Art. 46.Op voorstel van de overlegcommissie van het onderwijs voor sociale promotie bedoeld in artikel 33, kan de Regering de opleidingsprofielen bepalen die specifiek zijn voor het onderwijs voor sociale promotie. Art. 47.Op gezamenlijk voorstel van de Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs, bedoeld in artikel 13, en van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, kan de Regering de opleidingsprofielen bepalen die specifiek zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs van vorm 3. Art. 48.De Regering kan overeenkomsten sluiten met de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of met het Waalse Gewest met het oog op het op punt stellen van gemeenschappelijke opleidingsprofielen voor de diverse operatoren van een beroepsopleiding, rekening houdend met de bekwaamheden van de Franse Gemeenschap wat de certificatie betreft. Art. 49.Voor zover dat de specifieke studieprogramma's op identieke wijze de verwezenlijking waarborgen van de opleidingsdoelstellingen bepaald overeenkomstig de artikelen 35 en 39, kan de Regering de verwezenlijking toelaten van bepaalde opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44 en 47 in de vorm van : 1° een beurtelingse opleiding, overeenkomstig het decreet van 3 juli 1991, het onderwijs inrichtend met beperkt uurrooster.2° een opleiding ingericht door het onderwijs voor sociale promotie;3° een opleiding ingericht door het buitengewoon onderwijs. Art. 50.§ 1. De Regering bepaalt voor het onderwijs in de Franse Gemeenschap, rekening houdend met de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45, 47 en 49, de studieprogramma's en jaren bedoeld in dit hoofdstuk. § 2. Voor het gesubsidieerd onderwijs hecht de Regering haar goedkeuring, rekening houdend met de opleidingsprofielen bedoeld onder artikelen 39, 44, 45, 47 en 49, de studieprogramma's en graden bedoeld in huidig hoofdstuk, na het advies te hebben ingewonnen van de Programmacommissie voor de beroeps- en technische humaniora.
De Programmacommissie controleert of de studieprogramma's het verwerven van de bekwaamheden bepaald in de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39,44,45, 47 en 49 mogelijk maken.
De controle uitgeoefend door de Programmacommissie heeft geen betrekking op de pedagogische methoden. § 3. De studieprogramma's behoren tot de bevoegdheid van de inrichtende macht die ze kan delegeren aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende macht waar zij bij aansluiten.
In het gesubsidieerd onderwijs ingericht door de overheid, mag de duur van de delegatie bedoeld in lid 1 de termijn van het electief mandaat van deze macht niet overschrijden.
In het vrij gesubsidieerd onderwijs is de duur van de delegatie bedoeld in lid 1 van zes jaar en vernieuwbaar.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de delegatie. § 4. De studieprogramma's leggen leersituaties voor en geven de inhoud van de opleiding aan die verplicht of facultatief kan zijn. Ze geven methodologische oriëntaties. De situaties en inhoud van de opleiding evenals de methodologische oriëntaties moeten het mogelijk maken de bekwaamheden en kennis bepaald in de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45, 47 en 49 te verwerven. Art. 51.De pedagogische diensten van de Franse Gemeenschap en die van de diverse inrichtende machten voor het gesubsidieerd onderwijs ontwikkelen pedagogische hulpmiddelen die het bereiken van de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45, 47 en 49 moeten vergemakkelijken. Deze pedagogische hulpmiddelen mogen benut worden door om het even welke inrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene Raden bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering de modaliteiten voor hun verspreiding ten voordele van het geheel van de inrichtende machten.
Pedagogische hulpmiddelen die eigen zijn aan het buitengewoon secundair onderwijs van vorm 3, kunnen eveneens voorzien worden ter aanvulling van de gemeenschappelijke hulpmiddelen. Art. 52.De Regering verspreidt, ter informatie aan alle onderwijsinrichtingen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, volgens de modaliteiten die ze bepaalt, de reeksen gestandaardiseerde evaluatietests die overeenstemmen met de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45, 47 en 49 ontwikkeld door de Commissie voor evaluatiehulpmiddelen van de beroeps- en technische humaniora bedoeld in artikel 38. Deze reeksen tests worden eveneens medegedeeld aan de inrichtingen belast met de opleiding van de leraren die reeds in volle opleidingsperiode zijn.
De reeksen van evaluatietests bedoeld in voorgaande lid kunnen eveneens aangepast worden voor het buitengewoon secundair onderwijs van vorm 3 in functie van de handicap en ter aanvulling van de voor iedereen gemeenschappelijke reeksen. Art. 53.In het kader van haar project, bedoeld in artikel 67, kan elke inrichting een gedeelte van de kwalificerende opleiding organiseren in het kader van stages in een bedrijf.
Na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene overlegraad voor het secundair onderwijs, bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering, per graad, jaar, vorm en optie, het maximum aantal perioden die ingericht kunnen worden overeenkomstig lid 1.
Elke kwalificerende opleiding binnen een bedrijf moet het voorwerp uitmaken van een stage-overeenkomst waarvan het model vastgelegd werd door de Regering. De overeenkomst waarborgt de kwaliteit van de opleiding en haar pedagogische follow-up. Art. 54.In het kader van haar project bedoeld in artikel 67, kan elke inrichting de lesroosters toebedeeld aan een, meerdere of alle vakken in de functionele studiegehelen verdelen over verscheidene weken. De tijd toebedeeld aan diverse vakken kan ook gegroepeerd worden voor interdisciplinaire of culturele activiteiten. De enige verplichting van de inrichting als zij wenst gebruik te maken van deze beschikking, is aan te geven hoe de buitengewoone werkwijzen die ze gebruikt, het mogelijk maken het volgende te bereiken : 1° de algemene doelstellingen bedoeld in artikel 6;2° de globale opleiding bedoeld in artikel 35;3° de bekwaamheden bepaald in de opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45, 46, 47 en 49 in het kader van de studieprogramma's aangenomen door haar inrichtende macht. Met uitzondering van de lessen godsdienst, lekenmoraal en lichamelijke opvoeding, kunnen de cursussen die een lesrooster tellen van minder dan drie wekelijkse perioden, gegroepeerd worden binnen een jaar van de graad of een semester per jaar. Art. 55.Voor de studiejaren bedoeld in dit hoofdstuk, omvat de controle van het studieniveau bedoeld in de artikelen 6 en 24 van de wet van 29 mei 1959, sommige beschikkingen ter wijziging van de wet op het onderwijs, het nazicht van het volgende : 1° de gelijkwaardigheid van de activiteiten voorgesteld aan de leerlingen en de bekwaamheidsniveaus;3° de gelijkstelling van het niveau van de evaluatietests afgenomen van de leerlingen met dat van de tests ontwikkeld door de Commissie voor de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in de artikelen 38 en 52. Afdeling 3. - De studiekredieten verkregen in de Beroeps- en
technische humaniora Art. 56.Na het advies ingewonnen te hebben van de Algemene Raad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, bepaalt de Regering de studiekredieten die gevaloriseerd kunnen worden in het kader van het parcours van een der opleidingsprofielen bedoeld in de artikelen 39, 44, 45 en 49 evenals de modaliteiten van deze valorisatie. Art. 57.Na het advies ingewonnen te hebben van de Algemene Raad voor Overleg voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, en van Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs bedoeld in artikel 13, bepaalt de Regering de studiekredieten die gevaloriseerd kunnen worden in het kader van het parcours van een der opleidingsprofielen bedoeld in artikel 47, evenals de modaliteiten van deze valorisatie.
Na het advies ingewonnen te hebben van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, en van de Overlegcommissie van het onderwijs voor sociale promotie bedoeld in artikel 33, bepaalt de Regering de studiekredieten die gevaloriseerd kunnen worden in het kader van het parcours van een der opleidingsprofielen bedoeld in artikel 46, evenals de modaliteiten van deze valorisatie. Art. 58.Na het advies ingewonnen te hebben van de Algemene Raad voor de Hogescholen bedoeld in artikel 33, van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, en de Overlegcommissie van het onderwijs voor sociale promotie, bepaalt de Regering de studiekredieten verworven in het kader van het parcours van een der opleidingsprofielen die kunnen gevaloriseerd worden in het hoger onderwijs ingericht in de hogescholen en in het onderwijs voor sociale promotie, evenals de modaliteiten van deze valorisatie. Afdeling 4. - Over de oriëntatie tijdens en aan het eind van de
beroeps- en technische humaniora Art. 59.De oriëntatie vereist de samenwerking van de teams van docenten, de psycho-medisch-sociale centra en de leerlingen. De oriëntatie is een van de essentiële taken van de klasseraad. Art. 60.De Regering stelt informatie in verband met de hogere studies, evenals aanwijzingen voor de vereisten die eigen zijn aan elk van de vakkenpakketten, ter beschikking van de inrichtingen voor secundair onderwijs.
De Regering zorgt voor het in overeenstemming brengen van de vereisten van de globale vorming bij het begin van hogere studies met de bekwaamheid en de vaardigheid, zoals omschreven in artikel 35, § 1, 1°, alsook met de reeksen van evaluatietesten bedoeld in artikel 52.
Op vraag van de leerling die ingeschreven is in het zesde of in het zevende jaar van de beroeps- en technische humanoria, brengt het PMS-centrum dat met de school geassocieerd is, de leerling ertoe zijn beweegredenen en bekwaamheid te ondekken en zijn projecten tot een goed einde te brengen.
In het kader van haar project, bedoeld in artikel 67, kan elke inrichting het equivalent van twee weken verdeeld over het geheel van de derde graad toebedelen aan activiteiten die de rijping door de leerlingen van hun professionele keuze en de studierichting die hieruit voortvloeit, bevorderen. Deze activiteiten maken deel uit van de normale studies van de leerling. De personeelsleden die deze activiteiten coördineren en begeleiden, bevinden zich in actieve dienst.
De beschikkingen bedoeld in voorgaande lid mogen de leerling er niet toe brengen de limieten van activiteiten buiten de schoolinrichting bepaald in toepassing van artikel 53, lid 2 te overschrijden. HOOFDSTUK VI. - De begeleiding Art. 61.§ 1. Er worden twee Centrale begeleidingscommissies opgericht, de ene voor het basisonderwijs, de andere voor het secundair onderwijs, belast met de coördinatie en de controle, ieder wat haar betreft, de follow-up van de werkgroepen bedoeld in de artikelen 16, 25, 26 en 35 van de Programmacommissies bedoeld in de artikelen 17, 27, 36 en 50 van de Commissies voor evaluatiehulpmiddelen bedoeld in de artikelen 19, 29, 38 en 52.
Iedere Centrale begeleidingscommissie coördineert eveneens het uitwisselen van pedagogische hulpmiddelen bedoeld in de artikelen 18, 28, 37 en 51. Ze bevordert het uitwisselen van pedagogische hulpmiddelen tussen alle onderwijsinrichtingen.
De Centrale begeleidingscommissie voor het basisonderwijs is samengesteld uit 8 leden aangesteld door de Regering op voorstel van de Algemene Raad voor het basisonderwijs, van de inspecteur-generaal en van de administrateur-generaal.
De Centrale begeleidingscommissie voor het secundair onderwijs is samengesteld uit 8 leden aangesteld door de Regering op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs, van de inspecteurs-generaal en van de administrateur-generaal. Ze verzekert de coördinatie tussen de werken van de werkgroepen in verband met de beroeps- en technische humaniora en die in verband met de algemene en technologische humaniora. Ze legt het nodige synergisme met de Communautaire Commissie voor beroepen en kwalificaties bedoeld in artikel 35.
De mandaten hebben een duur van 4 jaar. Ze zijn vernieuwbaar. Hun bezoldiging wordt vastgelegd door de Regering.
Elke Centrale begeleidingscommissie neemt haar beslissingen en brengt haar adviezen uit met een tweederde meerderheid. § 2. Er wordt een Gemeenschappelijk begeleidingscommissie opgericht voor het verplicht onderwijs, samengesteld uit de leden van de Centrale begeleidingscommissie voor het basisonderwijs en die van de Centrale begeleidingscommissie voor het secundair onderwijs, evenals uit de voorzitter van de Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs, bedoeld in artikel 13 en de inspecteur-coördinator van het buitengewoon onderwijs.
De Gemeenschappelijke begeleidingscommissie verzekert de coördinatie van de werken van beide Begeleidingscommissies. Ze maakt voorstellen over aan de Regering betreffende navorsingen in verband met de opvoeding.
Ze neemt beslissingen en brengt haar adviezen uit met een tweederde meerderheid. § 3. De Regering bepaalt de organisatiemodaliteiten van de werken van de Begeleidingscommissies.
Op uitnodiging van de administrateur-generaal worden de betrokken ambtenaren-generaal gehoord door de diverse Begeleidingscommissies wanneer deze zaken behandelen die onder hun bevoegdheid ressorteren. Art. 62.§ 1. Iedere werkgroep bedoeld in artikel 16 omvat : 1° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Raad voor het basisonderwijs;2° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs;3° drie vertegenwoordigers van de inspectie aangesteld door de minister op voorstel van de algemene inspecteurs;4° een afgevaardigde van de algemene administratie, aangesteld door de minister op voorstel van de administrateur-generaal. De werkgroepen bedoeld in lid 1, worden opgedeeld in werkgroepen per niveau, respectievelijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.
Iedere werkgroep bedoeld in de artikelen 25, 26 en 35 omvat : 1° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs;2° twee vertegenwoordigers van de inspectie, aangesteld door de minister op voorstel van de algemene inspecteurs;3° een afgevaardigde van de algemene administratie, aangesteld door de minister op voorstel van de administrateur-generaal. De mandaten hebben een duur van twee jaar. Ze zijn vernieuwbaar. Hun bezoldiging wordt vastgelegd door de Regering.
Elke werkgroep kiest zijn voorzitter. Hij geeft zijn adviezen met een tweederde meerderheid. § 2. Iedere Programmacommissie bedoeld in artikel 17 omvat : 1° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Raad voor het basisonderwijs;2° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs;3° drie vertegenwoordigers van de inspectie, aangesteld door de minister op voorstel van de algemene inspecteurs;4° een afgevaardigde van het algemeen bestuur, aangesteld door de minister op voorstel van de administrateur-generaal. De Programmacommissies bedoeld in lid 1, worden opgedeeld in werkgroepen per niveau, respectievelijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.
Iedere Programmacommissie bedoeld in de artikelen 27 en 36 omvat : 1° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Raad voor het basisonderwijs;2° twee vertegenwoordigers van de inspectie, aangesteld door de minister op voorstel van de algemene inspecteurs;3° een afgevaardigde van het algemeen bestuur, aangesteld door de minister op voorstel van de administrateur-generaal die de Commissie voorzit. De mandaten hebben een duur van 4 jaar. Ze zijn vernieuwbaar. Hun bezoldiging wordt vastgelegd door de Regering.
Elke Programmacommissie brengt haar adviezen uit met een tweederde meerderheid. § 3. De Commissie voor de evaluatiehulpmiddelen in verband met de bekwaamheidsniveaus bedoeld in artikel 19 omvat : 1° acht leden aangesteld door de minister op voorstel van de Algemene Raad voor het ba …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.