← België

Wet houdende diverse bepalingen

Kort samengevat

Deze wet regelt de oprichting en werking van ombudsdiensten voor het lucht- en spoorvervoer van personen, met als doel klachten te behandelen en te bemiddelen tussen passagiers/gebruikers en de vervoersmaatschappijen of exploitanten.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
28 APRIL 2010. - Wet houdende diverse bepalingen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. TITEL 2. - Mobiliteit HOOFDSTUK 1. - Ombudsdiensten voor het lucht- en spoorvervoer van personen Afdeling 1. - Ombudsdienst voor luchtvaartpassagiers en omwonenden van de luchthaven Brussel-Nationaal Onderafdeling 1. - Definities Art. 2.In deze afdeling wordt de benaming "Ombudsdienst voor luchtvaartpassagiers en omwonenden van de luchthaven Brussel-Nationaal" afgekort tot "Ombudsdienst". In deze afdeling wordt bovendien verstaan onder : - "passagier" : de persoon die aan boord gaat of voornemens is aan boord te gaan van een vlucht van een luchtvaartmaatschappij, of die van boord gaat of die op doorreis is met een vlucht van een luchtvaartmaatschappij; - "luchtvaartmaatschappij" : een onderneming die overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1008/2008, in het bezit is van een geldige exploitatievergunning of een equivalent daarvan, die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren van of naar een in België gelegen luchthaven of openbaar vliegveld, in het raam van een met een passagier gesloten overeenkomst of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft gesloten met die passagier; - "gebruiker" : een passagier die gebruik maakt van de infrastructuur van de luchthaven Brussel-Nationaal; - "exploitant" : exploitant van de luchthaveninfrastructuur van Brussel-Nationaal. Onderafdeling 2. - Bevoegdheden Art. 3.§ 1. Er wordt een Ombudsdienst opgericht, die bevoegd is voor aangelegenheden betreffende : - de dienstverlening van luchtvaartmaatschappijen; - de dienstverlening van de exploitant; - de inzameling en verspreiding van informatie met betrekking tot de vliegroutes die worden gevolgd en de hinder die wordt veroorzaakt door vliegtuigen die opstijgen van en landen op de luchthaven Brussel-Nationaal. Klachten over luchtveiligheid, luchtvaartbeveiliging en/of openbare veiligheid vallen niet onder de bevoegdheden van de Ombudsdienst. § 2. De Ombudsdienst heeft niet tot opdracht de activiteit van de exploitant en de luchtvaartmaatschappijen te controleren, noch om zich gezagshalve uit te spreken over de adequaatheid van hun gedrag met de rechtsnormen. Hij treedt niet op als overheid belast met de toepassing van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91. De Ombudsdienst is belast met : 1° het onderzoeken van alle klachten van particulieren in hun hoedanigheid van passagier, omwonende of gebruiker, met uitzondering van klachten waarvoor een andere door of krachtens de wet aangestelde ombudsman bevoegd is;2° het bemiddelen in geschillen tussen, enerzijds, de luchtvaartmaatschappijen en hun passagiers en, anderzijds, de betrokken passagiers en gebruikers en de exploitant om tot een bevredigende schikking te komen;3° het richten van een aanbeveling aan de luchtvaartmaatschappijen of de exploitant indien geen bevredigende schikking kan worden bereikt;4° het voorlichten van de betrokken passagiers, omwonenden en andere gebruikers, die zich schriftelijk of mondeling tot hem richten, over hun rechten en belangen;5° het inzamelen, analyseren, registreren en verspreiden, voor de omwonenden van de luchthaven Brussel-Nationaal, van alle pertinente informatie over de gevolgde vliegroutes die gevolgd worden en de hinder die wordt veroorzaakt door de vliegtuigen die opstijgen van en landen op de luchthaven Brussel-Nationaal;6° het uitbrengen van adviezen in het raam van zijn opdrachten, op verzoek van de minister bevoegd voor vervoer, of op eigen initiatief;7° het bijhouden van documentatie met betrekking tot geluidsoverlast en met betrekking tot de vliegroutes van vliegtuigen die opstijgen van en landen op de luchthaven Brussel-Nationaal. Een kopie van de in het tweede lid, 3°, bedoelde aanbeveling wordt gestuurd aan de klager en aan de directeur-generaal luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer of zijn afgevaardigde. Art. 4.De indiening door een passagier of een gebruiker van een beroep met hetzelfde onderwerp bij een administratieve of gerechtelijke overheid is onverenigbaar met de voortzetting van de bemiddeling, die in dit geval eindigt. De Koning bepaalt de procedureregels van de klachtenbehandeling. De Ombudsdienst moet de behandeling voor een klacht weigeren : 1° wanneer die kennelijk ongegrond is, omdat ze hetzij uit de lucht gegrepen, hetzij uitsluitend kwetsend of eerrovend is;2° wanneer deze in wezen dezelfde is als een eerder door de Ombudsdienst afgewezen klacht en ten opzichte van deze geen nieuwe elementen aanbrengt.3° wanneer de klager kennelijk geen enkele stap heeft ondernomen bij de luchtvaartmaatschappij of bij de exploitant om te trachten eerst zelf genoegdoening te verkrijgen, behalve als het gaat om verzoeken betreffende de opdrachten waarmee de Ombudsdienst krachtens artikel 3, § 2, 5° en 7°, belast is. De Ombudsdienst kan de behandeling van een klacht weigeren. 1° wanneer de identiteit van de klager onbekend is;2° wanneer de klacht betrekking heeft op feiten die zich meer dan één jaar voor het indienen van de klacht hebben voorgedaan. Art. 5.De Ombudsdienst kan in het raam van een bij hem ingediende klacht ter plaatse inzage nemen of zich een afschrift doen overleggen van boeken, briefwisseling, notulen en, in het algemeen, alle documenten en geschriften van de betrokken luchtvaartmaatschappij of exploitant die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van de klacht, met uitzondering van de stukken die onder het briefgeheim vallen. Hij mag van de beheersorganen en het personeel van de betrokken luchtvaartmaatschappijen of de betrokken exploitant alle uitleg of informatie eisen en alle verificaties uitvoeren die nodig zijn voor het onderzoek. De aldus verkregen informatie wordt vertrouwelijk behandeld wanneer de verspreiding ervan de luchtvaartmaatschappij of de exploitant op algemeen vlak kan schaden. Art. 6.Binnen de grenzen van hun bevoegdheden ontvangen de ombudsmannen instructies van geen enkele instantie. Zij vervullen hun opdrachten geheel onafhankelijk. Art. 7.Als het verzoek om bemiddeling van een passagier of een gebruiker ontvankelijk wordt verklaard, wordt elke procedure tegen hem en met hetzelfde onderwerp geschorst door de luchtvaartmaatschappij of de exploitant die ze heeft ingesteld. De schorsing loopt vanaf de inschakeling van de ombudsman tot het einde van zijn opdracht, zonder dat deze termijn vier maanden mag overschrijden. De bemiddeling schorst de door de overheidsinstantie of andere derden ingestelde procedures tegen de exploitant of de luchtvaartmaatschappij niet. Art. 8.§ 1. De Ombudsdienst stelt jaarlijks een verslag op betreffende zijn activiteiten. Het verslag bespreekt in het bijzonder de verschillende klachten of soorten van klachten en het eraan gegeven gevolg, zonder evenwel de identiteit van de klager rechtstreeks of onrechtstreeks vrij te geven. § 2. Het verslag van de Ombudsdienst wordt toegestuurd aan de Dienst Regulering van het spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, alsook aan de minister bevoegd voor vervoer. § 3. De Ombudsdienst stuurt het verslag naar de Wetgevende Kamers en stelt het ter beschikking van het publiek. Onderafdeling 3. - Samenstelling Art. 9.§ 1. De Ombudsdienst bestaat uit twee ombudsmannen van wie de ene behoort tot de Nederlandse taalrol en de andere tot de Franse taalrol. De Ombudsdienst treedt op als college. Niettemin mogen de ombudsmannen elkaar delegaties verlenen via een collegiale beslissing goedgekeurd door de minister bevoegd voor vervoer. Wanneer slechts één van de twee leden van de Ombudsdienst benoemd is, is dat lid gemachtigd de bevoegdheden waarin deze afdeling voorziet, alleen uit te oefenen. Hetzelfde geldt wanneer een van de leden van de Ombudsdienst zich in de onmogelijkheid bevindt zijn ambt uit te oefenen. § 2. De ombudsmannen worden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. De Koning bepaalt de procedure voor de selectie van de kandidaten voor een nieuw mandaat of voor de hernieuwing van hun mandaat. § 3. De Koning stelt het administratief en geldelijk statuut van de ombudsmannen vast. § 4. Om tot ombudsman te kunnen worden benoemd, mag de kandidaat gedurende een periode van drie jaar vóór zijn benoeming geen mandaat of functie bij een luchtvaartmaatschappij of bij de exploitant hebben uitgeoefend. § 5. De ombudsmannen kunnen slechts om wettige reden worden ontslagen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 6. De Koning bepaalt de menselijke en materiële middelen die ter beschikking van de Ombudsdienst moeten worden gesteld. Teneinde de administratiekosten te dekken die nodig zijn voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt de Koning het tarief, alsook de termijn voor de betaling en de wijze van betaling van de retributies die ten laste van de sector moeten worden geheven. Afdeling 2. - Ombudsdienst voor treinreizigers Onderafdeling 1. - Definities Art. 10.In deze afdeling wordt de benaming "Ombudsdienst voor treinreizigers" afgekort tot "Ombudsdienst". In deze afdeling wordt bovendien verstaan onder : - "spoorwegonderneming" : een onderneming voor spoorvervoer van personen in de zin van de wet van 4 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten8 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur, met uitzondering van het goederenvervoer; - "spoorwegbeheerders" : elke instelling of onderneming belast met de inrichting, het onderhoud en het beheer van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de perrons in de stations en de stopplaatsen, de toegangen tot de perrons en de mededelingen aan de reizigers door middel van monitors in de stations en op de perrons en door middel van affiches met de treinregeling, alsook elke instelling of onderneming belast met de inrichting, het onderhoud en het beheer van de stations en stopplaatsen, met inbegrip van de stations en stopplaatsen waarvoor deze instelling of onderneming het dagelijkse beheer heeft uitbesteed; - "reiziger" : de persoon die aan boord gaat of voornemens is aan boord te gaan van een trein; - "gebruiker" : de natuurlijke persoon die voor privédoeleinden gebruik maakt van de spoorweginstallaties toegankelijk voor het publiek. Onderafdeling 2. - Bevoegdheden Art. 11.§ 1. Er wordt een Ombudsdienst opgericht, die bevoegd is voor aangelegenheden betreffende de vervoer- en infrastructuurdiensten die reizigers en gebruikers benutten, met uitzondering van klachten waarvoor een andere door of krachtens de wet aangestelde ombudsman bevoegd is. § 2. De Ombudsdienst heeft niet tot opdracht de activiteit van de spoorwegondernemingen en -beheerders te controleren, noch zich gezagshalve uit te spreken over de overeenstemming van hun gedrag met de rechtsnormen. Hij treedt niet op als autoriteit belast met de handhaving van Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer. De ombudsdienst is belast met : 1° het onderzoeken van alle klachten van reizigers en gebruikers met betrekking tot de dienstverlening van de spoorwegondernemingen of de spoorwegbeheerders;2° het bemiddelen in geschillen tussen enerzijds de spoorwegondernemingen of de spoorwegbeheerders en anderzijds hun reizigers of gebruikers om tot een bevredigende schikking te komen;3° het richten van een aanbeveling tot de spoorwegondernemingen of de spoorwegbeheerders, indien geen bevredigende schikking kan worden bereikt;4° het voorlichten van reizigers of gebruikers die zich schriftelijk of mondeling tot hem richten, over hun rechten en belangen;5° het uitbrengen van adviezen in het kader van zijn opdrachten, op verzoek van de minister bevoegd voor vervoer. Een kopie van de in het tweede lid, 3°, bedoelde aanbeveling wordt verstuurd aan de klager en aan de directeur-generaal Vervoer te land van de FOD Mobiliteit en Vervoer of zijn afgevaardigde. Art. 12.De indiening door een reiziger of een gebruiker van een beroep met hetzelfde onderwerp bij een administratieve of gerechtelijke overheid is onverenigbaar met de voortzetting van de bemiddeling, die in dit geval eindigt. De Koning bepaalt de procedureregels voor de klachtenbehandeling. De Ombudsdienst moet de behandeling van een klacht weigeren : 1° wanneer die kennelijk ongegrond is, omdat ze hetzij uit de lucht gegrepen, hetzij uitsluitend kwetsend of eerrovend is;2° wanneer de klager kennelijk geen enkele stap heeft ondernomen bij de spoorwegonderneming of bij de spoorwegbeheerder om te trachten eerst zelf genoegdoening te verkrijgen;3° wanneer deze in wezen dezelfde is als een eerder door de Ombudsdienst afgewezen klacht en geen nieuwe feiten aanbrengt in vergeljking met deze. De Ombudsdienst kan de behandeling van een klacht weigeren : 1° wanneer de identiteit van de klager onbekend is;2° wanneer die betrekking heeft op feiten die zich meer dan één jaar voor het indienen van de klacht hebben voorgedaan. Art. 13.De Ombudsdienst kan in het kader van een bij hem ingediende klacht ter plaatse inzage nemen of zich een afschrift doen overleggen van boeken, briefwisseling, notulen en, in het algemeen, alle documenten en geschriften van de betrokken spoorwegonderneming of spoorwegbeheerder die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van de klacht, met uitzondering van de stukken die onder het briefgeheim vallen. Hij mag van de beheersorganen en/of het personeel van de betrokken onderneming alle uitleg of informatie eisen en bij hen alle verificaties uitvoeren die nodig zijn voor het onderzoek. De aldus verkregen informatie wordt vertrouwelijk behandeld wanneer de verspreiding ervan de onderneming of de beheerder op algemeen vlak kan schaden. Art. 14.Binnen de grenzen van hun bevoegdheden ontvangen de ombudsmannen instructies van geen enkele instantie. Zij vervullen hun opdrachten geheel onafhankelijk. Art. 15.Als de klacht van de reiziger of de gebruiker ontvankelijk wordt verklaard, wordt elke procedure tegen hem en met hetzelfde onderwerp geschorst door de spoorwegonderneming of de spoorwegbeheerder die ze heeft ingesteld. De schorsing loopt vanaf de inschakeling van de ombudsman tot het einde van zijn opdracht, zonder dat deze termijn vier maanden mag overschrijden. De bemiddeling schorst de procedure niet die door de overheid of andere derden zijn ingesteld tegen de exploitant. Art. 16.§ 1. De Ombudsdienst stelt jaarlijks een verslag op betreffende zijn activiteiten. Het verslag bespreekt in het bijzonder de verschillende klachten of soorten van klachten en het eraan gegeven gevolg, zonder evenwel de identiteit van de klager rechtstreeks of onrechtstreeks vrij te geven. § 2. Het verslag van de Ombudsdienst wordt toegestuurd aan de Dienst Regulering van het spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal en aan de minister bevoegd voor vervoer. § 3. De Ombudsdienst stuurt het verslag naar de Wetgevende Kamers en stelt het ter beschikking van het publiek. Onderafdeling 3. - Samenstelling Art. 17.§ 1. De Ombudsdienst bestaat uit twee ombudsmannen van wie de ene behoort tot de Nederlandse taalrol en de andere tot de Franse taalrol. De Ombudsdienst treedt op als college. Niettemin mogen de ombudsmannen elkaar delegaties verlenen via een collegiale beslissing goedgekeurd door de minister bevoegd voor vervoer. Wanneer slechts één van de twee leden van de Ombudsdienst benoemd is, is dat lid gemachtigd de bevoegdheden waarin deze afdeling voorziet, alleen uit te oefenen. Hetzelfde geldt wanneer een van de leden van de Ombudsdienst zich in de onmogelijkheid bevindt zijn ambt uit te oefenen. § 2. De ombudsmannen worden voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar door de Koning benoemd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning bepaalt de procedure voor de selectie van de kandidaten in geval van een nieuw mandaat of in geval van vernieuwing van hun mandaat. § 3. De Koning stelt het administratief en geldelijk statuut van de ombudsmannen vast. § 4. Om tot ombudsman te worden benoemd, mag de kandidaat gedurende een periode van drie jaar vóór zijn benoeming geen mandaat of functie bij een spoorwegonderneming of bij een spoorwegbeheerder hebben uitgeoefend. § 5. De ombudsmannen kunnen slechts om wettige reden worden ontslagen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 6. De Koning bepaalt de menselijke en materiële middelen die ter beschikking van de Ombudsdienst moeten worden gesteld. Teneinde de administratiekosten te dekken die nodig zijn voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt de Koning het tarief, alsook de termijn van betaling en de wijze van betaling van de retributies die ten laste van de sector moeten worden aangerekend. Onderafdeling 4. - Overgangsbepalingen Art. 18.De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de overgangsperiode bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Elk ter uitvoering van het eerste lid genomen besluit dat niet door de wet wordt bekrachtigd binnen de vierentwintig maanden na de inwerkingtreding ervan wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad. Onderafdeling 5. - Slotbepalingen Art. 19.In artikel 43 van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten7 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gewijzigd bij de wet van 21 december 2006, worden de woorden "met uitzondering van Belgacom en DE POST" vervangen door de woorden "met uitzondering van Belgacom, DE POST, NMBS-Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen". Art. 20.Artikel 19 treedt in werking op 30 juni 2011. De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 2. - Mobiliteit en verkeersveiligheid Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art. 21.In artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, vervangen bij de wet van 25 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten1 en gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 2003, 9 juli 2004, 15 mei 2007 en 24 juli 2008, wordt een § 2/1 ingevoegd, luidend als volgt : « § 2/1. De gegevens bedoeld in § 2, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 5° en 10°, kunnen eveneens worden gebruikt voor de identificatie en authentificatie van de aanvrager van het rijbewijs of van het als zodanig geldend bewijs, bedoeld in de wet betreffende de politie over het wegverkeer. ». Art. 22.In artikel 6bis, § 1, 1°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten1 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1, worden de woorden "het elektronische beeld van de handtekening van de houder" ingevoegd tussen de woorden "de foto van de houder horend bij die van de laatste kaart" en de woorden "de gevraagde taal voor de uitgifte van de kaart en het volgnummer van de kaart;". Afdeling 2. - Wijziging van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 Art. 23.In artikel 1 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 2003 en 20 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid wordt de tweede zin opgeheven;2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : « Op voorstel van de minister bevoegd voor het wegverkeer, bepaalt de Koning het bedrag van die vergoedingen.De vergoedingen voor de inschrijving van voertuigen worden bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. » Art. 24.De Koning bepaalt de datum waarop deze afdeling in werking treedt. TITEL 3. - Energie ENIG HOOFDSTUK. - Commissie van advies voor de niet-verspreiding van kernwapens Art. 25.In artikel 1 van de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische kerngegevens worden de woorden "aan niet-kernwapenstaten" geschrapt. Art. 26.In artikel 3 van dezelfde wet wordt een bepaling onder 4 toegevoegd, luidende : « 4. de voorwaarden waaronder de overdracht van andere dan in het artikel 2 bepaalde materialen, uitrustingen en technologische gegevens aan de in artikel 1 bedoelde machtiging onderworpen is, omdat zij in verband kan gebracht worden met de ontwikkeling, de aanmaak of het gebruik van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen. » TITEL 4. - Ambtenarenzaken ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken Art. 27.Artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken wordt aangevuld met de woorden "- het eHealth-platform". Art. 28.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 23 oktober 2008. TITEL 5. - Asiel en migratie ENIG HOOFDSTUK. - Omzetting van artikel 4, §§ 4 en 5, van de Europese Richtlijn 2004/83/EG Art. 29.In de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten3 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt een artikel 57/7bis ingevoegd, luidende : « Art. 57/7bis.De Commissaris-generaal beschouwt het feit dat een asielzoeker reeds werd vervolgd, reeds ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, als een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen en dat ze niet op zich een gegronde vrees voor vervolging uitmaken. » Art. 30.In dezelfde wet wordt een artikel 57/7ter ingevoegd, luidende : « Art. 57/7ter.De Commissaris-generaal kan, wanneer de asielzoeker een aantal van zijn verklaringen niet aantoont met stukken of andere bewijzen, de asielaanvraag geloofwaardig achten wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan : a) de asielzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;b) alle relevante elementen waarover de asielzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen;c) de verklaringen van de asielzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn aanvraag;d) de asielzoeker heeft zijn aanvraag tot internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit te doen;e) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.» TITEL 6. - Maatschappelijke integratie HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn Art. 31.In artikel 5, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, worden de woorden "die zich vluchteling verklaard heeft of die aangevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend of aan de in artikel 54, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten3 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoelde persoon" vervangen door de woorden "een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten3 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen";2° in het eerste lid, a), worden de woorden "bepaald krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten3 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen" vervangen door de woorden "die voor hem werd aangewezen als verplichte plaats van inschrijving". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 12 januari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten4 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen Art. 32.In afdeling I van Hoofdstuk I, onder Titel I van Boek III wordt een nieuw artikel 15/1 ingevoegd, luidende : « Art. 15/1.De begunstigde van de opvang is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het Agentschap of de partner op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. » Art. 33.In artikel 31, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, wordt het woord "bepaalt" vervangen door het woord "kan". Op het einde van datzelfde lid wordt het woord "bepalen" toegevoegd. Art. 34.In dezelfde wet wordt na artikel 35 een hoofdstuk I/1 ingevoegd, onder Titel I van Boek III, luidende : « HOOFDSTUK I/ 1. - Gevolgen van het uitoefenen van een professionele activiteit » Art. 35.In dezelfde wet wordt een artikel 35/1 ingevoegd, luidende : « Art. 35/1.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels volgens dewelke de opvang, in de zin van artikel 3, tweede lid, wordt toegekend aan de asielzoeker wanneer deze over professionele inkomsten beschikt. De Koning bepaalt te dien einde enerzijds de voorwaarden en de nadere regels voor de terugbetaling van de materiële hulp, desgevallend door het genot van bepaalde rechten van Hoofdstuk I van Titel I van Boek III te beperken, en anderzijds, onverminderd de eventuele toepassing van de artikelen 11 tot 13 op de geviseerde asielzoekers, de voorwaarden en de nadere regels voor de wijziging of de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving. De voorwaarden en nadere regels bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de bepaling van het respectievelijke toepassingsgebied van elk van de in het tweede lid bedoelde situaties, zijn gebonden aan de professionele situatie van de asielzoeker en kunnen onder meer afhangen van het type arbeidscontract, alsook van het bedrag van de ontvangen professionele inkomsten. » Art. 36.In artikel 36, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden "gewaarborgd is" vervangen door de woorden "gewaarborgd blijft". Art. 37.In artikel 46, tweede lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen de woorden "voorleggen" en "aan" de woorden ", in één van de landstalen of in het Engels," ingevoegd;2° na de woorden "door het Agentschap erkende persoon", worden de woorden ", indien de begunstigde gehuisvest is in een opvangstructuur beheerd door een partner" ingevoegd. Art. 38.In artikel 47, § 1, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het vierde lid wordt aangevuld met de woorden ", per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van de consultatie waarop de medische beslissing werd meegedeeld aan de begunstigde van de opvang."; 2° in het vijfde lid wordt het woord "indiening" vervangen door het woord "ontvangst";3° in het vijfde lid worden voor het woord "arts" de woorden "door het Agentschap aangeduide" ingevoegd. Art. 39.Artikel 56 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende : « § 3. Het Agentschap staat in voor de beleidsvoorbereiding, -conceptie en -uitvoering. » TITEL 7. - Economie en telecommunicatie HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten Art. 40.In artikel 13 van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.De procureur des Konings beveelt evenwel de vernietiging van de in beslag genomen goederen wanneer dit in het belang van de openbare veiligheid is vereist of indien de bewaring of de opslag ervan een gevaar kan betekenen voor de openbare orde of problematisch kan zijn door de aard of hoeveelheid ervan of door de manier waarop ze zijn opgeslagen, indien geen derde die beweert recht op deze goederen te hebben, binnen een termijn van één maand te rekenen van de datum van het beslag, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben. De eigenaar of de houder van de goederen die in beslag werden genomen, of de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd, kunnen op vordering van de procureur des Konings worden verzocht de goederen zelf te vernietigen. Vanaf het moment dat de overeenkomstig artikel 17 aangewezen ambtenaren het dossier voor vervolging aan het parket overmaken, beveelt de procureur des Konings de vernietiging van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan, indien geen derde die beweert recht te hebben op deze goederen binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van afstand, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben. De kosten voor de vernietiging van de goederen die met toepassing van de eerste drie leden worden bevolen, worden door de eigenaar van de goederen gedragen. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten. De procureur des Konings kan, in afwijking van het eerste lid, inzoverre de houder van het recht hierdoor geen schade lijdt, besluiten een andere bestemming te geven aan de goederen, en de vervreemdingsprocedure bedoeld in artikel 28octies, § 1, 1°, van het Wetboek van strafvordering bevelen. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de modaliteiten vaststellen voor de toepasbaarheid van deze vervreemdingsprocedure. Deze procedure kan geen aanleiding geven tot kosten voor de Schatkist. Telkens als vernietiging of vervreemding moet plaats hebben, wordt vooraf een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de te vernietigen of de te vervreemden voorwerpen opgemaakt, en wordt een monster daarvan genomen. »; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende : « § 4.De kosten voor de bewaring van de in beslaggenomen goederen worden door de eigenaar van de goederen gedragen. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten. De eigenaar of de houder van de goederen die in beslag werden genomen, de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd of iedere derde die beweert recht op deze goederen te hebben in toepassing van paragraaf 3, eerste lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings tot gerechtelijke bewaarder van deze goederen worden aangesteld. »; 3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende : « § 5.Tijdens het onderzoek en voor de toepassing van de paragrafen 3 en 4, beschikt de onderzoeksrechter over dezelfde bevoegdheden als de procureur des Konings. » Art. 41.In dezelfde wet wordt een artikel 13/1 ingevoegd, luidende : « Art. 13/1.De ambtenaren die krachtens artikel 17 hiertoe uitdrukkelijk worden aangewezen kunnen evenwel de vernietiging bevelen van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan indien geen derde die beweert recht te hebben op deze goederen binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van afstand, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben. De eigenaar of de houder van de aan de Schatkist afgestane goederen, of de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd, kunnen door deze ambtenaren worden verzocht de goederen zelf te vernietigen. De kosten voor de bewaring en vernietiging van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan, worden gedragen door de persoon die er eigenaar van is op het moment van de afstand. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten. De bevoegde ambtenaar kan, in afwijking van het eerste lid, inzoverre de houder van het recht hierdoor geen schade lijdt, besluiten een andere bestemming te geven aan de goederen. In dat geval maakt hij de goederen over aan de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen, en belast hij deze met de vervreemding van deze goederen. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de toepasbaarheid van deze vervreemdingsprocedure. Deze procedure kan geen aanleiding geven tot kosten voor de schatkist. Wanneer de goederen worden vernietigd of vervreemd, wordt vooraf een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de te vernietigen of de te vervreemden voorwerpen opgemaakt, en wordt een monster daarvan genomen. » Art. 42.In artikel 16, derde lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "en de mogelijke wijzen waarop," ingevoegd tussen de woorden "de termijn waarbinnen," en de woorden "zij dienen te worden stopgezet". Art. 43.In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "hiertoe aangestelde" die voor de woorden "ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen" voorkomen, opgeheven. Art. 44.In artikel 19, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 1°, derde lid, worden de woorden "acht en achttien uur" vervangen door de woorden "vijf en eenentwintig uur";2° in het 3°, eerste lid, worden de woorden "kosten en" opgeheven. HOOFDSTUK 2. - Commissie tot regeling der prijzen Art. 45.Artikel 206 van de programmawet van 30 december 1988 wordt opgeheven. TITEL 8. - Binnenlandse zaken HOOFDSTUK 1. - Veiligheid en preventie Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten betreffende de private en bijzondere veiligheid Art. 46.In artikel 1 van de wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende : "8° begeleiding van uitzonderlijke voertuigen met het oog op de verkeersveiligheid."; 2° in paragraaf 2, vervangen bij de wet van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/06/1999 pub. 27/10/1999 numac 1999015148 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Argentijnse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en het Protocol, gedaan te Brussel op 12 juni 1996 sluiten, worden de woorden " § 1, eerste lid, 1° tot 4°, 6° of 7°" vervangen door de woorden " § 1, eerste lid, 1° tot 4°, 6° tot 8°";3° paragraaf 4 wordt aangevuld met de woorden "of om brand, gaslekken of ontploffingen te voorkomen of vast te stellen". Art. 47.In artikel 2, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten4, worden de woorden "een eerste vergunning," vervangen door de woorden "een vergunning onder voorwaarden". Art. 48.In artikel 4, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten4, worden de woorden "een eerste vergunning," vervangen door de woorden "een vergunning onder voorwaarden". Art. 49.In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzingen aangebracht : 1° in het eerste lid, vervangen bij de wet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten3, worden de woorden "die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, een instelling of een onderneming die activiteiten uitoefent als bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 5°" vervangen door de woorden "die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming of een instelling";2° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 12°, luidende : « 12° in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij werd vastgesteld dat zij aan de voorwaarden, bedoeld onder 8°, niet voldeden.»; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « De onder 12° vermelde voorwaarde geldt niet indien, na de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, de gerechtelijke overheid de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd, niet bewezen verklaart of indien de belanghebbende nieuwe elementen aanbrengt ten opzichte van deze waarop de beslissing is gebaseerd.» Art. 50.In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 1°, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « Personen die de activiteit uitoefenen bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8°, mogen niet vervallen zijn of mogen gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moeten voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, werden opgelegd.»; 2° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 11°, luidende : « 11° in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij werd vastgesteld dat zij aan de voorwaarden, bedoeld onder 8°, niet voldeden.»; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « De onder 11° vermelde voorwaarde geldt niet indien de gerechtelijke overheid, na de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd, niet bewezen verklaart of indien de belanghebbende nieuwe elementen aanbrengt ten opzichte van deze waarop de beslissing is gebaseerd.» Art. 51.In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de activiteiten, bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, waarbij werkkledij verplicht moet worden gedragen.»; 2° in paragraaf 2, zesde lid, 1°, vervangen bij de wet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten3, wordt het woord "7°" vervangen door het woord "8°". Art. 52.In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 juni 2001 en 7 mei 2004, worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt : « § 1. De Koning bepaalt de instanties die voorafgaandelijk aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 1, moeten worden op de hoogte gebracht. § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan bepalen dat de meldingen, bedoeld in of krachtens § 1, op een elektronische wijze aan de administratie van de FOD Binnenlandse Zaken worden overgemaakt, die op haar beurt de instantie van bestemming op de hoogte stelt. » Art. 53.Artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « De voorwaarden voor de installatie, het onderhoud en het gebruik van de in artikel 1, § 4, bedoelde alarmsystemen en alarmcentrales en hun componenten worden voor wat betreft de systemen en centrales bestemd om : 1° misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of vast te stellen, door de Koning bepaald; 2° brand, gaslekken of ontploffingen te voorkomen of vast te stellen, na overleg in de Ministerraad, door de Koning bepaald." Art. 54.In artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten3, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De personen die het voorwerp uitmaken van een controle verlenen daartoe hun medewerking.Ze geven ten allen tijde aan de personen, bedoeld in het eerste lid, toegang tot de onderneming, de dienst of de instelling of de plaatsen waar de in artikel 1 bedoelde activiteiten worden uitgeoefend. Ze geven inzage van alle stukken die daartoe noodzakelijk zijn. Zij leggen hun identiteitsdocumenten voor op vraag van de personen belast met de controle. »; 2° in het zesde lid, 2°, worden de woorden "voor zover de vastgestelde overtreding betrekking heeft op de artikelen 8, § 2, tweede tot vijfde lid, 10 of 11 of" opgeheven. Art. 55.Artikel 18 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 56.In artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1997, 27 december 2004 en 2 september 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ", de misdrijven bedoeld in artikel 18 uitgezonderd" opgeheven;2° in paragraaf 1, eerste lid, 2° worden de woorden "de helft" vervangen door de woorden "30 %";3° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, in de bepaling onder het tweede streepje, worden de woorden "artikel 11, § 1," ingevoegd tussen de woorden "artikel 9, § 4," en de woorden "of artikel 15";4° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, in de bepaling onder het derde streepje, worden de woorden "artikel 10, artikel 11, uitgezonderd § 1, artikel 16, tweede lid," ingevoegd tussen de woorden "uitgezonderd § 3," en de woorden "of een van de artikelen";5° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt : « 1° met de helft vermeerderd indien binnen de drie jaar, nadat door de overtreder een minnelijke schikking werd aanvaard, zoals bedoeld in het eerste lid, 2°, een inbreuk op dezelfde bepaling, als deze die aanleiding gaf tot de minnelijke schikking, wordt vastgesteld;»; 6° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden de woorden "een minnelijke schikking werd aanvaard of" opgeheven;7° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, kan, wanneer er verzachtende omstandigheden zijn, een administratieve geldboete onder de in het eerste lid, 3°, vermelde minimumbedragen opleggen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen.»; 8° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;9° in paragraaf 5 wordt tussen het zevende en het achtste lid een lid ingevoegd, luidende : « De rechtbank kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder de in artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, vermelde minimumbedragen verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen.» Art. 57.Artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/06/1999 pub. 27/10/1999 numac 1999015148 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Argentijnse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en het Protocol, gedaan te Brussel op 12 juni 1996 sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 21.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vaststellen van de beroepen of activiteiten die niet als een activiteit bedoeld in artikel 1 worden beschouwd omdat de functie en de bevoegdheden van de beoefenaars ervan geregeld zijn door een wet die voorziet in de nodige beschermingsregels ten aanzien van de personen die het voorwerp uitmaken van deze activiteiten. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit artikel. » Art. 58.Artikel 22 van dezelfde wet wordt aangevuld met de paragrafen 10 en 11, luidende : « § 10. Ondernemingen en diensten die binnen een termijn van twee maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 1, § 1, eerste lid, 8°, de in de artikel 2, § 1, bedoelde vergunning hebben aangevraagd voor het uitoefenen van de activiteiten bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8°, conform de regels door de Koning bepaald, kunnen deze activiteiten gedurende de periode voorafgaand aan de betekening van de beslissing omtrent hun aanvraag verder zetten, ook zonder dat de vergunning is verkregen. De personen in dienst bij de ondernemingen en interne diensten, kunnen, zonder aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 5°, of in artikel 6, eerste lid, 5°, te hebben voldaan, de bewakingsactiviteit bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8°, van de wet uitoefenen tot maximum achttien maanden na de betekening van de vergunning, bedoeld in het eerste lid. § 11. Ondernemingen die op datum van de inwerkingtreding van deze paragraaf, alarmsystemen uitsluitend bestemd voor het voorkomen of vaststellen van brand, gaslekken of ontploffingen installeren, onderhouden of herstellen, en de daartoe in artikel 4, § 1, bedoelde erkenning hebben aangevraagd binnen de twee maanden na de datum van inwerkingtreding van deze paragraaf, kunnen deze activiteiten gedurende de periode voorafgaand aan de betekening van de beslissing omtrent hun aanvraag verderzetten, ook zonder dat de erkenning is verkregen. De personen in dienst bij een onderneming, kunnen, zonder aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 5°, of in artikel 6, eerste lid, 5°, te hebben voldaan, de activiteit bedoeld in het eerste lid uitoefenen tot maximum achttien maanden na de betekening van de erkenning, bedoeld in het eerste lid.". Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective Art. 59.Artikel 2 van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : « § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan de bevoegdheid bedoeld in § 1 overdragen aan een agent die hij hiertoe machtigt, behalve voor beslissingen over een vergunning onder voorwaarden, de weigering van een vergunning of de weigering van de vernieuwing van een vergunning. » Art. 60.In artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "of door een agent die hij heeft aangewezen" ingevoegd tussen de woorden "Minister van Binnenlandse Zaken" en de woorden ", enkel als hoofdberoep". HOOFDSTUK 2. - Civiele veiligheid - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de civiele veiligheid Art. 61.Artikel 206 van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de civiele veiligheid, wordt vervangen als volgt : « Art. 206.§ 1. Het statutair gemeentepersoneel, in dienst bij de centra voor het eenvormig oproepstelsel, wordt vanaf een door de Koning te bepalen datum, gedurende een jaar gedetacheerd naar de FOD Binnenlandse Zaken. Tijdens deze periode blijft dit personeel gemeentepersoneel. De gemeente vordert tijdens de periode van detachering de wedde, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de voordelen van alle aard, de kinderbijslag en werkgeversbijdrage inbegrepen, met betrekking tot het gedetacheerd personeel terug van de FOD Binnenlandse Zaken. Volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten kan de periode van detachering op verzoek van het gedetacheerde personeelslid of de FOD Binnenlandse Zaken in de loop van deze periode beëindigd worden. Na afloop van de volledige periode van detachering worden de gedetacheerde personeelsleden benoemd tot statutaire personeelsleden van de FOD Binnenlandse Zaken. De Koning bepaalt de criteria op grond waarvan de FOD Binnenlandse Zaken kan weigeren een personeelslid na een jaar te benoemen. Deze criteria worden voorafgaand aan de detachering bekendgemaakt aan dit personeelslid. § 2. Het contractuele gemeentepersoneel, in dienst bij de centra voor het eenvormig oproepstelsel, wordt vanaf een door de Koning te bepalen datum, gedurende een jaar ter beschikking gesteld van de FOD Binnenlandse Zaken. Tijdens deze periode blijft dit personeel gemeentepersoneel. De gemeente vordert tijdens de periode van terbeschikkingstelling de wedde, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de voordelen van alle aard, de kinderbijslag en werkgeversbijdrage inbegrepen, met betrekking tot het ter beschikking gesteld personeel terug van de FOD Binnenlandse Zaken. Volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten kan de periode van terbeschikkingstelling op verzoek van het ter beschikking gestelde personeelslid of de FOD Binnenlandse Zaken voortijdig beëindigd worden. Na afloop van de volledige periode van terbeschikkingstelling wordt de ter beschikking gestelde personeelsleden een arbeidsovereenkomst met de FOD Binnenlandse Zaken aangeboden. De Koning bepaalt de criteria op grond waarvan de FOD Binnenlandse Zaken kan weigeren een personeelslid na een jaar een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Deze criteria worden voorafgaand aan de terbeschikkingstelling bekendgemaakt aan dit personeelslid. § 3. De Koning bepaalt verder, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1° de modaliteiten van de detachering bedoeld in § 1 en van de terbeschikkingstelling bedoeld in § 2;2° de modaliteiten met betrekking tot de benoeming tot statutair personeelslid van de FOD Binnenlandse Zaken bedoeld in § 1, inzonderheid de bepaling van diens graad en weddenschaal en de vrijwaring van zijn pensioenrechten;3° de datum van inwerkingtreding van artikel 207, eerste lid, voor het personeel bedoeld in dit artikel, die niet na de benoeming bedoeld in § 1 of na het afsluiten van de nieuwe arbeidsovereenkomst bedoeld in § 2 mag vallen;4° de bepalingen van toepassing op het in § § 1 en 2 bedoelde personeel, dat gebruik maakt van de in artikel 207, eerste lid, voorziene mogelijkheid. § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de beroepsbrandweerlieden in dienst bij een gemeente en in dienst bij de centra voor het eenvormig oproepstelsel, die krachtens artikel 203 worden overgedragen naar het operationele kader van de zone waarvan de gemeente deel uitmaakt. » Art. 62.In dezelfde wet wordt een artikel 206/1 ingevoegd, luidende : « Art. 206/1.De beroepsbrandweerlieden in dienst bij een gemeente kunnen, in afwachting van hun overdracht naar het operationele kader van de zone waarvan de gemeente deel uitmaakt, bedoeld in artikel 203, gedetacheerd en ter beschikking gesteld worden van een federale overheidsdienst of het Federaal Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid bedoeld in artikel 175. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten van de detachering of terbeschikkingstelling. » TITEL 9. - Middenstand HOOFDSTUK 1. - Wijziging van artikel 8 van de programmawet van 10 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten8 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap Art. 63.In artikel 8 van de programmawet van 10 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten8 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "voor een van" vervangen door de woorden "georganiseerd in het kader van";2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De Koning bepaalt de organisatie van de examens en de voorwaarden en het inschrijvingsrecht voor de deelname aan deze examens.» HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 3 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten5 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein Art. 64.In artikel 2bis van de wet van 3 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet sluiten5 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, ingevoegd bij de programma wet van 22 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de Nederlandse tekst van het tweede lid, punt 2, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Hun jaaromzet en hun jaarlijks balanstotaal mogen de 2 miljoen euro niet overschrijden;»; 2° in de Nederlandse tekst van het tweede lid, punt 3, worden de woorden "De voornaamste activiteit" vervangen door de woorden "Hun voornaamste activiteit". Art. 65.In artikel 6 van dezelfde wet, vervangen bij de programma wet van 22 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden ", in het kader van de in artikel 7, § 1, bedoelde aanvraag tot schadevergoeding," ingevoegd tussen de woorden "verplicht" en "een attest af te leveren";2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een nieuw lid, luidende : « Zonder afbreuk te doen aan de beoordeling ten gronde door het Participatiefonds, is de gemeente verplicht een attest af te leveren wanneer de werken tot gevolg hebben dat in het kader van de in artikel 7, § 1, bedoelde aanvraag tot verlenging : 1° hetzij geen enkele van de reglementair aangelegde openbare parkeerplaatsen benut kan worden in de straat waarin de inrichting is gelegen;2° hetzij geen enkele reglementair aangelegde openbare parkeerplaats benut kan worden binnen een straal van 100 meter rond enige toegang tot de inrichting;3° hetzij een toegangsweg tot de inrichting afgesloten wordt voor doorgaand autoverkeer in één of twee richtingen;4° hetzij de toegang tot de inrichting onmogelijk is voor voetgangers. ». Art. 66.In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij de programma wet van 22 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De zelfstandige verklaart op het in § 1 bedoeld aanvraagformulier voor de schadevergoeding dat : 1° de hinder tot gevolg heeft dat het geopend houden van de inrichting waarin hij werkt vanuit operationeel oogpunt gedurende minstens zeven kalenderdagen niet zinvol is;2° de gehinderde inrichting vanaf …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.