← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt bestaande Vlaamse regelgeving over milieuhygiëne om de Europese "BBT-conclusies" (Beste Beschikbare Technieken) voor grote stookinstallaties in te voeren. Het doel is om de vergunningsvoorwaarden voor deze installaties te harmoniseren met de nieuwste milieunormen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
28 JUNI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Toelichting wijzigingen aan Deel 3. Sectorale milieuvoorwaarden a) Algemeen De BBT-conclusies die gepubliceerd werden in het Europees publicatieblad hebben een bindend karakter en vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden.De BBT-conclusies van (de herziening van) het BBT referentiedocument voor grote stookinstallaties, gepubliceerd op 17 augustus 2017, dienen nu geïmplementeerd te worden in titel III van het VLAREM. Er werd voor geopteerd om die BBT-conclusies in te voegen die algemeen toepasbaar en handhaafbaar zijn. In de praktijk komt dit neer op de opname van alle BBT-conclusies, uitgezonderd BBT 52, 53 en 54, aangezien deze BBT handelen over verbranding van brandstoffen op offshoreplatforms, die geen Vlaamse bevoegdheid zijn. Mogelijke uitzonderingen op de toepasbaarheid van bepaalde BBT worden niet opgenomen in VLAREM III, maar er wordt wel een algemeen artikel opgenomen dat voorziet in een afwijkingsmogelijkheid, met toepassing van de bepalingen uit de betrokken BBT. Er worden geen technieken weergegeven indien de betreffende BBT een emissiegrenswaarde (EGW) (of milieuprestatieniveau) voorschrijft. Op die manier worden geen technieken opgelegd en is de exploitant in principe vrij om te kiezen hoe die EGW wordt behaald. Er wordt naar gestreefd dat doelvoorschriften primeren op middelvoorschriften. Normaal gezien wordt een vergelijking gemaakt tussen de BBT-GEN en de EGW uit titel II van het VLAREM, waarna de strengste EGW wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Uitzonderlijk werd er bij de omzetting van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties voor geopteerd om voor emissies naar lucht geen vergelijking te maken tussen de BBT-GEN en de EGW uit titel II van het VLAREM, enerzijds omdat de scope van de BBT-conclusies en afdeling 5.43.3 van titel II van het VLAREM niet gelijk loopt en anderzijds omdat de verschillen in opdeling in categorieën per ingangsvermogen en jaar van ingebruikname tot een zeer ingewikkelde wetgeving zou leiden die de leesbaarheid geenszins zou verhogen. De van toepassing zijnde EGW voor een specifieke installatie zal afgetoetst worden tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. België diende split views in voor enkele BBT-GEN. Deze split views werden ingediend als werd vastgesteld dat op basis van de data die beschikbaar waren voor de TWG lagere BBT-GEN gerechtvaardigd zouden zijn. Indien deze split views door het EIPPCB werden aanvaard, wordt bij de omzetting naar emissiegrenswaarden in VLAREM III teruggegrepen naar de bovengrens van de in de split-view voorgestelde BBT-GEN. Dit is conform eerdere omzettingen (bijvoorbeeld BREF NFM). Wanneer geen emissiegrenswaarde wordt voorgeschreven in de BBT-conclusies, wordt ervoor gekozen om enkel de technieken over te nemen indien de exploitant verplicht wordt "alle" technieken toe te passen. De exploitant heeft via artikel 1.7. van titel III van het VLAREM wel steeds de mogelijkheid om een andere beste beschikbare techniek toe te passen om het beoogde van de betreffende BBT te kunnen halen. Wanneer de exploitant verplicht wordt om een of meerdere (of een combinatie van) technieken toe te passen wordt er rechtstreeks naar de BBT-conclusie verwezen waar alle technieken staan opgesomd. b) Toelichting toevoeging hoofdstuk 3.12. Grote stookinstallaties Opbouw De titel III van het VLAREM volgt, op het hoofdstuk over offshoreplatforms na, de opbouw van de BBT-conclusies. Dit resulteert in volgende structuur: Hoofdstuk 3.12. Grote Stookinstallaties Afdeling 3.12.1. Toepassingsgebied en definities Afdeling 3.12.2. Algemene bepalingen Afdeling 3.12.3. De verbranding van vaste brandstoffen Afdeling 3.12.4 Verbranding van vloeibare brandstoffen Afdeling 3.12.5 Verbranding van gasvormige brandstoffen Afdeling 3.12.6 Met verschillende brandstoffen gestookte installaties Afdeling 3.12.7 De meeverbranding van afval Afdeling 3.12.8 Vergassing Artikelsgewijze bespreking Hoofdstuk 1. Wijzigingen van titel II van het VLAREM Artikel 1 Naar aanleiding van de opname van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties in titel III van het VLAREM, worden ook een aantal wijzigingen aangebracht in titel II van het VLAREM. De definities van "opstart- en stillegginsperiode" en "ketel" worden toegevoegd, en de definitie van "stoom- en gasturbine-installatie (STEG)" wordt gewijzigd, zodat deze termen die ook in titel II van het VLAREM worden gebruikt, in lijn zijn met de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Hoofdstuk 2. Wijzigingen aan titel III van het VLAREM Artikel 2 Dit artikel voorziet in de opname van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties in titel III van het VLAREM. VLAREM III BBT-conclusies Toelichting 3.12.1.1. Toepassingsgebied De activiteiten waarop de BBT-conclusies al dan niet betrekking hebben worden opgenomen. De BBT-conclusies zijn niet van toepassing op stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen 50MW moeten eenheden 15MW, wordt een vijfde paragraaf toegevoegd waarin wordt verduidelijkt dat zij wel moeten voldoen aan de emissiegrenswaarden indien dat geval zich voordoet. 3.12.1.2. Definities Alleen definities die niet gelijk zijn aan definities uit VLAREM II en die nodig zijn om de sectorale voorwaarden te kunnen begrijpen, worden opgenomen. 3.12.1.3. / Er wordt verwezen naar de samentellingsregels, vermeld in hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM 3.12.2.1.1. Emissiegrenswaarden Er wordt verduidelijkt dat aan alle emissiegrenswaarden moet voldaan worden, ook indien deze voor verschillende middelingstijden worden gegeven. 3.12.2.1.2. Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus In het geval dat de emissiegrenswaarden niet van toepassing zijn bij installaties die 3.12.2.1.3. Registratie bedrijfsuren In de BBT-conclusies worden vaak uitzonderingen voorzien voor installaties die slechts een beperkt aantal uren in bedrijf zijn. Dit artikel voorziet dat deze installaties hun bedrijfsuren registreren. 3.12.2.1.4. Referentieomstandig-heden voor zuurstof Referentieomstandigheden voor zuurstof inzake emissies naar lucht worden opgenomen. 3.12.2.1.5. Brandstofspecifieke bepalingen Opgenomen 3.12.2.1.6. Mengregel Een mengregel wordt opgenomen voor installaties die gelijktijdig meerdere brandstoffen stoken. 3.12.2.1.7. Toepasbaarheid Voorwaardelijke uitzonderingen op de toepasbaarheid van bepaalde technieken uit de BBT-conclusies worden niet rechtstreeks opgenomen in VLAREM III. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de artikels waarop een mogelijke beperking van de toepasbaarheid werd vermeld in de BBT-conclusies. 3.12.2.1.8. 49, 50. In BBT 49 en 50 wordt vermeld dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik mag worden overschreden wanneer een groot aandeel cokesovengas wordt gebruikt. Omdat moet afgetoetst worden wat een "groot aandeel" inhoudt, voorziet dit artikel in de mogelijkheid om af te wijken van de artikels waarop deze bepaling van toepassing is. 3.12.2.1.9. Middelingstijden In dit artikel worden de middelingstijden gedefinieerd. 3.12.2.1.10. Meetonzekerheid Er wordt aangegeven wanneer een emissiegrenswaarde wordt geacht overschreden te zijn. Dit om rekening te houden met de meetonzekerheid. 3.12.2.1.11. Energie-efficiëntieniveaus In dit artikel worden BBT-GEN beschreven. 3.12.2.1.12. Rookgasafvoer door gemeenschappelijke schouw In dit artikel worden de bepalingen opgenomen die beschrijven hoe rookgasafvoer door een gemeenschappelijke schouw moet behandeld worden. Er wordt een verduidelijking toegevoegd dat een deel van een stookinstallatie dat 3.12.2.2.1. 1. - Er wordt vermeld dat van punten x) tot xvi) van de BBT-conclusies kan worden afgeweken, maar dat deze conclusie, met inbegrip van de argumentatie, moet worden opgenomen in het verslag van de evaluatie. - De bepaling omtrent de toepasbaarheid wordt niet overgenomen vanwege te voorwaardelijk geformuleerd, maar zit vervat in het algemene artikel omtrent de toepasbaarheid 3.12.2.1.4. 3.12.2.3.1. 2. - Voetnoot (1) wordt niet opgenomen. Er wordt in de BBT-conclusie geen extra informatie of grondige reden gegeven voor het mogelijke gebruik van een berekening als aanvulling of vervanging van de prestatietest voor warmtekrachtkoppelingseenheden. De terminologie "om technische redenen" is te onduidelijk. 3.12.2.3.2. 3. Opgenomen. 3.12.2.3.3. 4. - De aanhef van BBT 4 wordt opgenomen. - De overige bepalingen van BBT 4 zijn brandstofspecifiek en worden vermeld in de relevante subafdeling 3.12.2.3.4. 4. - Voetnoot (2) van BBT 4 geldt algemeen en wordt opgenomen. 3.12.2.3.5. 4. - Er zijn geen emissiegrenswaardes bepaald voor SO3, maar wel een monitoringverplichting bij gebruik van SCR-technieken. Deze wordt opgenomen. 3.12.2.3.6. 5. - De meetmethoden vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM staan bovenaan in de hiërarchie van te volgen meetmethodes. - De minimale monitoringfrequenties worden opgenomen. - Voetnoot (1) wordt opgenomen. 3.12.2.4.1. 6. - "Een geschikte combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 6 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.2.4.2. 4, 7. - BBT 7 wordt opgenomen. - De daarmee verbonden monitoringfrequentie uit BBT 4 wordt opgenomen. - Voetnoot (3) uit BBT 4 wordt deels opgenomen. - Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. 3.12.2.4.3. 8. Opgenomen. 3.12.2.4.4. 9. Opgenomen, inclusief de beschrijving en voetnoot (1) en (2). 3.12.2.4.5. 10. Opgenomen. 3.12.2.4.6. 11. Opgenomen, inclusief omschrijving. Er wordt verduidelijkt dat de installatie niet moet worden opgestart, enkel en alleen om een emissiemeting te moeten uitvoeren. 3.12.2.5.1. 12. "Een geschikte combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 12 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.2.6.1. 13. "Eén of beide van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 13 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.2.6.2. 14 De bepaling omtrent de toepasbaarheid wordt niet overgenomen vanwege te voorwaardelijk geformuleerd, maar zit vervat in het algemene artikel omtrent de toepasbaarheid 3.12.2.1.4. 3.12.2.6.3. 15. - De technieken worden niet volledig afgedekt door de BBT-GEN en worden daarom opgenomen. - Voetnoten (1), (3), (4) en (6) worden opgenomen. - Voetnoot (2) wordt niet opgenomen, aangezien titel II van het VLAREM reeds voorziet in het deltaprincipe (art. 4.2.2.1.1.6° en art. 4.2.3.1.3° c). - Voetnoot (5) wordt niet opgenomen vanwege een te voorwaardelijke formulering, maar zal bekeken worden tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. 3.12.2.7.1. 16. - "Een geschikte combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 16 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.2.8.1. 17. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 17 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.3.1.1. 18. Opgenomen. 3.12.3.1.2. 19. - Voetnoten (1), (2), (5) en (9) worden opgenomen. - Voetnoten (3), (4) en (6) zijn te voorwaardelijk geformuleerd en worden niet opgenomen. Ze zullen bekeken worden tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. - Voetnoten (7), (10) en (11) gaan over de bovengrens van de BBT-GEN en worden niet opgenomen. 3.12.3.1.3. 20. - Er werden geen BBT-GEN geformuleerd voor CO en N2O. Daarom wordt er ook verwezen naar de technieken. - De emissiegrenswaardes voor met kool gestookte poederverbrandingsketel van meer dan 300 MWth, werden aangepast in lijn met de splitview die werd ingediend door België. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.3.1.4. 21. - Er zijn in Vlaanderen geen inheemse bruinkoolbrandstoffen beschikbaar, dus de bepalingen daaromtrent worden niet opgenomen. 3.12.3.1.5. 22. Opgenomen. 3.12.3.1.6. 23. - Voetnoot (1) gaat over de ondergrens van de BBT-GEN en wordt bijgevolg niet opgenomen. 3.12.3.1.7. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van steen- of bruinkool worden overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoten (17) en (18) worden opgenomen. - Voetnoten (10) en (11) worden niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. 3.12.3.2.1. BBT-GEN voor de verbranding van vaste biomassa of turf - Voetnoten (1) en (2) worden opgenomen in de aanhef van de tabel. - Voetnoten (3) en (4) zijn te voorwaardelijk geformuleerd en worden niet opgenomen, maar zullen bekeken worden tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. - Voetnoten (5) en (6) worden opgenomen in de tabel. 3.12.3.2.2. 24. - Er werden geen BBT-GEN geformuleerd voor CO en N2O. Daarom wordt er ook verwezen naar de technieken. - "één of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 24 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.3.2.3. 24. - De jaargemiddelde emissiegrenswaardes voor met installaties van meer dan 300 MWth, en daggemiddelde emissiegrenswaardes, worden aangepast in lijn met de split view die werd ingediend door België. - Voetnoten (1) en (2) worden verwerkt in de tabel. - Voetnoot (4) wordt opgenomen. - Er werd door België een split view ingediend voor voetnoten (3) en (5) t.e.m. (8). Ze worden bijgevolg niet opgenomen. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.3.2.4. 25. - Voetnoten (1) t.e.m. (4) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (5) wordt opgenomen. 3.12.3.2.5. 25. - Voetnoten (1) en (2) worden opgenomen. - Voetnoten (3) en (5) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (4) gaat over de ondergrens van de BBT-GEN en wordt niet opgenomen. 3.12.3.2.6. 25. - Voetnoot (5) wordt opgenomen. 3.12.3.2.7. 26. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. 3.12.3.2.8. 27. Opgenomen. 3.12.3.2.9. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van biomassa of turf worden overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoot (12) wordt opgenomen. - Voetnoten (13) en (19) worden niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. - Voor kwik wordt voor niet-verontreinigd behandeld houtafval de meetfrequentie uit art. 5.43.3.26, § 3. van titel II van het VLAREM overgenomen. 3.12.4.1.1. BBT-GEN voor de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoot (3) is te voorwaardelijk geformuleerd en wordt niet opgenomen, maar zal worden bekeken tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. 3.12.4.1.2. 28. - Er werden geen BBT-GEN geformuleerd voor CO. Daarom wordt verwezen naar de technieken van BBT 28. 3.12.4.1.3. 28. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (3) wordt niet opgenomen, aangezien ze geen meerwaarde heeft (de EGW in titel II van het VLAREM is reeds even streng als de EGW uit de BBT-conclusie). - Voetnoten (4), (5) en (6) worden opgenomen. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.4.1.4. 29. - Er zijn alleen BBT-GEN gedefinieerd voor SO2, niet voor HCl en HF. Daarom wordt verwezen naar de technieken uit BBT 29. - "één of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 29 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.4.1.5 29. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (3) wordt opgenomen - Voetnoten (4) en (5) worden niet opgenomen, aangezien ze geen meerwaarde hebben (de EGW in titel II van het VLAREM is reeds strenger als de EGW uit de BBT-conclusie). 3.12.4.1.6. 30. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (3) wordt opgenomen. - Voetnoot (4) wordt niet opgenomen, aangezien ze geen meerwaarde heeft (de EGW in titel II van het VLAREM is reeds even streng als de EGW uit de BBT-conclusie). 3.12.4.1.7 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels worden overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoten (8) en (15) worden opgenomen. 3.12.4.2.1. 31. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoten (3) en (4) zijn te voorwaardelijk geformuleerd en worden niet opgenomen, maar zullen worden bekeken tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. 3.12.4.2.2. 32. - Voetnoten (1) en (3) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoten (2) en (4) worden opgenomen. 3.12.4.2.3. 33. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor CO, daarom wordt verwezen naar de technieken. - "één of beide van de onderstaande technieken" impliceert dat niet per definitie alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 33 uit de BBT-conclusies verwezen. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.4.2.4. 34. - Er zijn enkel BBT-GEN gedefinieerd voor SO2, niet voor HCl en HF. Daarom wordt verwezen naar de technieken uit BBT 34. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 34 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.4.2.5. 34. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (3) wordt opgenomen. 3.12.4.2.6. 35. Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. 3.12.4.2.7. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van zware stookolie of gasolie in motoren worden overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoten (8) en (15) worden opgenomen. - Om in lijn te zijn met art. 5.43.3.25. § 5 van titel II van het VLAREM, wordt een voetnoot toegevoegd voor de monitoringfrequentie voor TVOS. - Voetnoot (10) wordt niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. 3.12.4.3.1. 36. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. 3.12.4.3.2. 37. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 37 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.4.3.3. 38. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 38 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.4.3.4. 39. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in tabel. 3.12.4.3.5. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van gasolie in gasturbines worden overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoot (8) wordt opgenomen. 3.12.5.1.1. 40. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoten (3) en (6) zijn te voorwaardelijk geformuleerd en worden niet opgenomen, maar zullen worden bekeken tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. - Voetnoten (4) en (5) worden opgenomen. 3.12.5.1.2. 44. Opgenomen. 3.12.5.1.3. 42. - Voetnoot (1) wordt geïntegreerd in de aanhef van de tabellen. - Voetnoot (2) wordt niet opgenomen. Het correct installeren en in werking stellen/houden van een techniek is altijd BBT. - Voetnoten (3) en (5) worden gecombineerd opgenomen. - Voetnoot (4) gaat over de indicatieve emissiegrenswaarde voor CO en wordt niet opgenomen. - Voetnoten (6), (7) en (8) worden opgenomen. - Voor voetnoten (9), (10), (11), (14) en (15) werd door België een split view ingediend. Deze voetnoten worden bijgevolg niet opgenomen. - Voetnoot (12) gaat over de ondergrens van de BBT-GEN en wordt niet opgenomen. - Voetnoot (13) wordt verwerkt in de tabel (de indicatieve emissiegrenswaarden worden niet opgenomen). - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.5.1.4. 41, 43. - Voetnoten (1) en (5) gaan over indicatieve emissiegrenswaardes en worden niet opgenomen. - Voetnoten (2), (3) en (4) worden geïntegreerd in de tabel. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.5.1.5. 45. - De BBT-GEN dekken niet de volledige beschrijving van BBT 45. Daarom wordt ook rechtstreeks verwezen naar de technieken. 3.12.5.1.6. 45. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. 3.12.5.1.7. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding van aardgas worden overgenomen. - Voor SO2 en stof worden de monitoringfrequenties uit artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM II overgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoot (5) wordt opgenomen. - Voetnoot (21) wordt geïntegreerd in de tabel. 3.12.5.2.1. 46. Tabel 27 - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoot (3) wordt opgenomen. - Voetnoot (4) geeft enkel een beschrijving en wordt niet opgenomen. 3.12.5.2.2. 46. Tabel 28 - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoot (3) wordt opgenomen. 3.12.5.2.3. 49. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 49 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.5.2.4. 47, 48. - Voetnoot (1) gaat over het behalen van een waarde binnen het BBT-GEN-bereik en wordt bijgevolg niet opgenomen. - Voetnoot (2) gaat over de ondergrens van het BBT-GEN-bereik en wordt bijgevolg niet opgenomen. - Voetnoten (3) en (5) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (4) wordt deels opgenomen. Het gedeelte over cokesovengas is te onduidelijk geformuleerd en wordt daarom niet opgenomen, maar wordt opgevangen door artikel 3.12.1.2.5. - Voetnoot (6) wordt opgenomen. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.5.2.5. 50. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoot (3) is te onduidelijk geformuleerd en wordt daarom niet opgenomen, maar wordt opgevangen door artikel 3.12.1.2.5. 3.12.5.2.6. 51. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. 3.12.5.2.7. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding procesgassen uit de ijzer- en staalproductie worden opgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan art. 5.43.3.25, § 3. van titel II van het VLAREM. - Voetnoot (14) wordt niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. 3.12.6.1.1. 55. - "Een geschikte combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 6 en BBT 55 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.6.1.2. BBT-GEN voor de verbranding van procesgassen uit de chemische industrie in ketels - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de aanhef van de tabel. - Voetnoot (3) is te voorwaardelijk geformuleerd en wordt niet opgenomen, maar zal worden bekeken tijdens de individuele evaluatie van de omgevingsvergunningsvoorwaarden. - Voetnoot (4) wordt opgenomen. 3.12.6.1.3. 56. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor CO, daarom wordt verwezen naar de technieken. - "Eén of een combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 56 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.6.1.4. 56. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoten (3), (4) en (5) worden opgenomen. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.6.1.5. 57. Tabel 35. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. 3.12.6.1.6. 57. Tabel 36. - Voetnoot (1) wordt geïntegreerd in de tabel. - Voetnoten (2) en (3) worden opgenomen. 3.12.6.1.7. 58. - Voetnoten (1) en (2) worden geïntegreerd in de tabel. - Voetnoten (3) en (4) worden opgenomen. 3.12.6.1.8. 59. - Voetnoot (1) wordt geïntegreerd in de formulering. 3.12.6.1.9. 59. - De emissiegrenswaarde wordt opgenomen. 3.12.6.1.10. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de verbranding procesbrandstoffen uit de chemische industrie worden opgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan artikel 5.43.3.25, § 3, van titel II van het VLAREM. - Voetnoten (10) en (11) worden niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. - Voetnoot (22) wordt geïntegreerd in de tabel. 3.12.7.1. Aanhef meeverbranding van afval Opgenomen. 3.12.7.2. 60. - "Een geschikte combinatie van de onderstaande technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 6 en BBT 60 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.12.7.3. 61. - Opgenomen. 3.12.7.4. 62. - Opgenomen. 3.12.7.5. 63. - Opgenomen. 3.12.7.6. 64. - Opgenomen. 3.12.7.7. 65. - Opgenomen. 3.12.7.8. 66. - Opgenomen. 3.12.7.9. 67. - Opgenomen. 3.12.7.10. 68. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor stof, daarom wordt verwezen naar de technieken in BBT 22. 3.12.7.11. 69. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor stof, daarom wordt verwezen naar de technieken in BBT 26. 3.12.7.12. 70. - Opgenomen. 3.12.7.13. 71. - Opgenomen. 3.12.7.14. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor de meeverbranding van afval worden opgenomen. - Het enkel voor meeverbranding van afval relevante gedeelte van voetnoot (10) wordt opgenomen. - Het eerste deel van voetnoot (10) en voetnoot (19) worden niet opgenomen. Er kan afgebouwd worden via het controlemeetprogramma uit titel II van het VLAREM. - Voetnoot (16) wordt geïntegreerd in de tabel. - Om in lijn te zijn met artikel 5.2.3bis.1.26. van titel II van het VLAREM wordt een voetnoot toegevoegd voor dioxinen en furanen. 3.12.8.1. 72. - Opgenomen. 3.12.8.2. 73. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor CO, daarom wordt ook verwezen naar de technieken. - De indicatieve emissiegrenswaardes voor CO worden niet opgenomen. 3.12.8.3. 74. Opgenomen. 3.12.8.4. 75. - Er zijn geen BBT-GEN gedefinieerd voor ammoniak en halogenen, daarom wordt ook verwezen naar de technieken. 3.12.8.5. 4. - De minimale monitoringfrequenties uit BBT 4 voor KV-STEG-installaties worden opgenomen. - Voetnoot (3) wordt opgenomen, maar de minimumfrequentie wordt aangepast aan artikel 5.43.3.25, § 3, van titel II van het VLAREM. - Voetnoot (15) wordt opgenomen. - Voetnoot (20) wordt geïntegreerd in de tabel. Hoofdstuk 3. Slotbepaling Artikel 3 Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast. De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, K. VAN DEN HEUVEL 28 JUNI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 5.4.1 en 5.4.3, § 1, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 12/05/2014 numac 2014035516 bron vlaamse overheid Decreet houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieueffectrapportage werd opgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan type decreet prom. 25/04/2014 pub. 29/08/2014 numac 2014035731 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid en tot opheffing van diverse andere bepalingen type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning sluiten; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; Gelet op titel III van het VLAREM van 16 mei 2014; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 mei 2019; Gelet op advies 66.251/1 van de Raad van State, gegeven op 20 juni 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat dit besluit een aanpassing inhoudt van het VLAREM ten gevolge van BBT-conclusies als vermeld in richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging); Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Artikel 1.In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6)", "STOOKINSTALLATIES", wordt tussen de definitie "biomassa-afval" en de definitie "bedrijfsuren" de volgende definitie ingevoegd: "- Opstart- en stilleggingsperiode: de periode waarin een installatie in bedrijf is, zoals bepaald conform het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies;"; 2° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6)", "STOOKINSTALLATIES", wordt tussen de definitie "bepalende brandstof" en de definitie "gasturbine" de volgende definitie ingevoegd: "- Ketel: elke stookinstallatie, met uitzondering van motoren, gasturbines en procesovens of -verhitters;"; 3° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6)", "STOOKINSTALLATIES", wordt de bepaling "- "stoom- en gasturbine-installatie (STEG)": een installatie, bestaande uit een gasturbine, waarin een vloeibare of een gasvormige brandstof wordt verbrand, met een bijbehorende ketel waardoor de verbrandingsgassen van de gasturbine gevoerd worden, om warmte over te dragen aan water dat niet in contact treedt met die gassen, met als doel stoom te produceren dat vervolgens wordt omgezet in elektriciteit in een stoomturbine;in de bijbehorende ketel wordt al of niet een brandstof gestookt, waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoegd" vervangen door de bepaling "- Gecombineerde stoom- en gasturbine (STEG): een stookinstallatie waarin twee thermodynamische cycli worden gebruikt. In een STEG wordt warmte van het rookgas van een gasturbine omgezet in nuttige energie in een stoomgenerator met warmteterugwinning, waarin ze wordt gebruikt om stoom te produceren die vervolgens expandeert in een stoomturbine;"; 4° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6)", "STOOKINSTALLATIES", wordt na de definitie "vloeibare recuperatiebrandstof" de volgende definitie ingevoegd: "- naverbrandingsinstallatie: een systeem dat is ontworpen voor de zuivering van rookgassen of afgassen door verbranding of thermische oxidatie, maar niet als zelfstandige stookinstallatie wordt geëxploiteerd, gebruikt voor de verwijdering van de verontreinigende stof(fen) in het rookgas of afgas met of zonder terugwinning van de daarbij opgewekte warmte.Getrapte verbrandingstechnieken, waarbij elke verbrandingsfase beperkt is tot een afzonderlijke kamer, die kunnen verschillen in de kenmerken van het verbrandingsproces, worden geacht in het verbrandingsproces te zijn geïntegreerd en worden niet als naverbrandingsinstallaties beschouwd. Ook als de gassen die in een procesverhitter/-oven of in een ander verbrandingsproces geproduceerd worden vervolgens worden geoxideerd in een andere stookinstallatie voor het terugwinnen van de energetische waarde (met of zonder gebruik van aanvullende brandstof) om elektriciteit, stoom, warm water/warme olie of mechanische energie te produceren, wordt de laatstgenoemde installatie niet als een naverbrandingsinstallatie beschouwd;". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014 Art. 2.Aan deel 3 van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, 11 december 2015, 27 oktober 2017, 9 maart 2018 en 5 april 2019, wordt een hoofdstuk 3.12, dat bestaat uit artikel 3.12.1.1 tot en met 3.12.8.5, toegevoegd, dat luidt als volgt: "Hoofdstuk 3.12. Grote stookinstallaties Afdeling 3.12.1. Toepassingsgebied en definities Art. 3.12.1.1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° nieuwe eenheid: een verbrandingseenheid binnen de stookinstallatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na 17 augustus 2017 of een volledige vervanging van een verbrandingseenheid op de bestaande funderingen van de stookinstallatie na 17 augustus 2017;2° bestaande eenheid: een verbrandingseenheid die geen nieuwe eenheid is;3° nieuwe installatie: een stookinstallatie die voor het eerst is vergund op het terrein van de installatie na 17 augustus 2017, of een volledige vervanging van een stookinstallatie op bestaande funderingen na 17 augustus 2017;4° bestaande installatie: een stookinstallatie die geen nieuwe installatie is;5° netto mechanische energie-efficiëntie: de verhouding tussen het mechanisch vermogen op het belaste koppelpunt en het door de brandstof geleverde thermisch vermogen;6° netto totale brandstofbenutting: de verhouding tussen de netto geproduceerde energie, bestaande uit elektriciteit, warm water, stoom, opgewekte mechanische energie en syngas, uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van het syngas, minus toegevoerde elektrische en thermische energie en de input van energie uit brandstof of grondstof, uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van de brandstof of grondstof, op de grens van de verbrandings- of vergassingseenheid gedurende een bepaalde periode;7° procesbrandstoffen uit de chemische industrie: de gasvormige en vloeibare bijproducten van de (petro)chemische industrie die als niet-commerciële brandstoffen worden gebruikt in stookinstallaties;8° procesovens of -verhitters: de stookinstallaties waarvan de rookgassen worden gebruikt voor de thermische behandeling van voorwerpen of grondstoffen via een mechanisme voor verwarming via direct contact of stookinstallaties waarvan de stralings- en geleidingswarmte door een volle muur heen wordt overgebracht op voorwerpen of grondstoffen zonder dat die overdracht via een warmteoverdrachtsvloeistof verloopt.Als gevolg van de toepassing van goede praktijken voor energieterugwinning kunnen procesovens of -verhitters zijn uitgerust met een bijbehorend systeem voor stoom- en elektriciteitsproductie. Dat wordt geacht een integraal aspect van het ontwerp van de procesoven of -verhitter te vormen dat niet afzonderlijk kan worden beschouwd; 9° residuen: de stoffen of voorwerpen die als afvalstoffen of bijproducten worden gegenereerd door de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen;10° verbrandingseenheid: een afzonderlijke verbrandingseenheid;11° C3: de koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan drie;12° C4+: de koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan of hoger dan vier;13° gemakkelijk vrijkomend sulfide: de som van opgelost sulfide en van die onopgeloste sulfiden die gemakkelijk kunnen vrijkomen na aanzuring, uitgedrukt als S-2;14° Ho: de onderste verbrandingswaarde;15° KV-STEG: de gecombineerde stoom- en gascyclus met geïntegreerde kolenvergassing;16° BBT-conclusies voor grote stookinstallaties: het uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties Art.3.12.1.2. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen en activiteiten, vermeld in de volgende rubrieken van de indelingslijst, opgenomen in bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen: 1° rubriek 2.4.2, uitsluitend als die inrichting ook ingedeeld is in rubriek 43.3, 2°, van de voormelde indelingslijst; 2° rubriek 20.1.3, uitsluitend als de activiteit rechtstreeks verband houdt met een stookinstallatie; 3° rubriek 43.3, 2°, van de voormelde indelingslijst. Bestaande installaties als vermeld in artikel 3.12.1.1, 4°, voldoen uiterlijk op 17 augustus 2021 aan dit hoofdstuk. De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in de volgende punten van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd: 1° punt 1.1, uitsluitend als die activiteit plaatsvindt in stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer; 2° punt 1.4, uitsluitend als die activiteit rechtstreeks verband houdt met een stookinstallatie; 3° punt 5.2, uitsluitend als die activiteit plaatsvindt in stookinstallaties die onder punt 1.1 vallen. § 2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk betreft ook de upstream- en downstreamactiviteiten die rechtstreeks verband houden met de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van de toegepaste technieken voor emissiepreventie en -beperking. § 3. Bij de brandstoffen, vermeld in dit hoofdstuk, gaat het om alle vaste, vloeibare en gasvormige brandbare materialen, met inbegrip van afvalstoffen, met uitzondering van gemengd stedelijk afval als vermeld in artikel 3, 11°, van het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, radioactief afval en karkassen van dieren als vermeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. § 4. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op: 1° de verbranding van brandstoffen in eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; 2° de stookinstallaties waarvoor een afwijking wegens beperkte levensduur conform artikel 5.43.3.15 van titel II van het VLAREM is verleend, tot het moment waarop de afwijkingen in de vergunningen in kwestie aflopen, en als het de emissiegrenswaarden betreft voor de verontreinigende stoffen die onder de afwijking vallen, alsook voor andere verontreinigende stoffen waarvan de uitstoot zou zijn verminderd dankzij de technische maatregelen die door de afwijking niet hoefden te worden toegepast; 3° de vergassing van brandstoffen, als die niet rechtstreeks verband houdt met de verbranding van het resulterende syngas;4° de vergassing van brandstoffen met daaropvolgende verbranding van syngas, als die rechtstreeks verband houdt met het raffineren van aardolie en gas;5° de upstream- en downstreamactiviteiten die niet rechtstreeks verband houden met verbrandings of vergassingsactiviteiten;6° de verbranding in procesovens of -verhitters;7° de verbranding in naverbrandingsinstallaties;8° het affakkelen;9° de verbranding in terugwinningsketels en totaal gereduceerde zwavel-branders in installaties voor de productie van pulp en papier; 10° de verbranding van raffinagebrandstoffen, als vermeld in artikel 3.7.1.1 9°, op de raffinaderij; 11° de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandingsinstallaties, in afvalmeeverbrandingsinstallaties waar meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijk afval en in afvalmeeverbrandingsinstallaties waarin uitsluitend afvalstoffen worden verbrand, behalve als die afvalstoffen ten minste gedeeltelijk bestaan uit biomassa. § 5. In afwijking van paragraaf 4, 1°, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk, als die betrekking hebben op emissiegrenswaarden, wel van toepassing op de verbranding van brandstoffen in eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW als de emissiemetingen uitgevoerd worden op het gemeenschappelijk afgaskanaal, tenzij dat gebeurt als alleen installaties van minder dan 15 MW in werking zijn. Art. 3.12.1.3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de samentellingsregels voor stookinstallaties, vermeld in artikel 5.43.3.1 van titel II van het VLAREM. Afdeling 3.12.2. Algemene bepalingen Subafdeling 3.12.2.1. Algemene overwegingen Art. 3.12.2.1.1. Als emissiegrenswaarden worden gegeven voor verschillende middelingstijden, wordt aan al die emissiegrenswaarden voldaan. Art. 3.12.2.1.2. De emissiegrenswaarden naar lucht, vermeld in dit hoofdstuk, zijn niet van toepassing op met vloeibare brandstof of gas gestookte turbines en motoren voor gebruik in noodgevallen die Art. 3.12.2.1.3. Als emissiegrenswaarden of monitoringfrequenties worden gegeven voor installaties die een beperkt aantal bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, registreert de exploitant van de installaties de uren waarin ze in bedrijf zijn. Art. 3.12.2.1.4. De emissiegrenswaarden naar lucht, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van: 1° 6% voor verbranding van vaste brandstoffen, verbranding van vaste brandstoffen in combinatie met vloeibare of gasvormige brandstoffen en afvalmeeverbranding;2° 3% voor verbranding van vloeibare of gasvormige brandstoffen, als die niet plaatsvindt in een gasturbine of een motor;3° 15% voor verbranding van vloeibare of gasvormige brandstoffen, als die plaatsvindt in een gasturbine of een motor en verbranding in KV-STEG-installaties. Art. 3.12.2.1.5. De brandstofspecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen, vermeld in deze afdeling. Art. 3.12.2.1.6. Voor gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen worden gevoed, worden de emissiegrenswaarden op de volgende wijze vastgesteld: 1° door de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof die in de lucht geloosd is, te nemen in overeenkomst met het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8; 2° als voor de brandstof in kwestie geen emissiegrenswaarde kan worden vastgesteld conform punt 1°, wordt voor de polluent in kwestie een van de volgende waarden genomen: a) de relevante algemene emissiegrenswaarde, vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM; b) de relevante sectoreale emissiegrenswaarde, vermeld in afdeling 5.43.3 van het voormelde besluit; c) de relevante emissiegrenswaarde, vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;3° door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen.Die waarden worden verkregen door de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 1° en 2°, te vermenigvuldigen met de hoeveelheid warmte die elke brandstof levert, en dat product te delen door de warmte, geleverd door alle brandstoffen samen;4° door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen. Voor een installatie die beurtelings met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, zijn de relevante emissiegrenswaarden, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8, van toepassing voor elke gebruikte brandstof. Art. 3.12.2.1.7. Met toepassing van de bepalingen over de toepasbaarheid, vermeld in BBT 1, BBT 14, BBT 15, BBT 19, tabel 8, tabel 13, BBT 31, BBT 40 en tabel 33, van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, kan er worden afgeweken van artikel 3.12.2.2.1, 3.12.2.6.2, 3.12.2.6.3, tweede lid, 3.12.3.1.2, 3.12.3.2.1, 3.12.4.1.1, 3.12.4.2.3, 3.12.5.1.1 en 3.12.6.1.2 van dit besluit. Art. 3.12.2.1.8. Met toepassing van de bepalingen over cokesovengas, vermeld in BBT 49 en BBT 50 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, kan er worden afgeweken van artikel 3.12.5.2.4 en 3.12.5.2.5 van dit besluit. Art. 3.12.2.1.9. Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor de emissies naar lucht op de volgende wijze bepaald: 1° daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur van geldige uurgemiddelden die verkregen zijn uit continue metingen;2° jaargemiddelde: het voortschrijdend gemiddelde over een periode van één jaar van geldige uurgemiddelden die verkregen zijn uit continue metingen;3° gemiddelde over de bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk.Voor parameters waarvoor metingen van dertig minuten door beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse niet geschikt zijn, wordt een geschikte bemonsteringsperiode gebruikt. Voor dioxinen en furanen wordt een bemonsteringsperiode van zes tot acht uur gebruikt; 4° gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters: het gemiddelde van de waarden van de periodieke metingen die gedurende één jaar zijn verkregen, die uitgevoerd worden met de monitoringfrequentie die voor elke parameter is vastgesteld. Art. 3.12.2.1.10. Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van een individuele meting de percentages van de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.36 van titel II van het VLAREM, niet overschrijden. Art. 3.12.2.1.11. Een met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-efficiëntieniveau heeft betrekking op de verhouding tussen de netto energieopbrengst(en) van de verbrandingseenheid en de energietoevoer uit brandstoffen of grondstoffen naar de verbrandingseenheid, bij de daadwerkelijke bouwwijze van die eenheid. De netto energieopbrengst(en) wordt of worden bepaald op de grenzen van de verbrandings-, vergassings- of KV-STEG, met inbegrip van de hulpsystemen, en wel voor het bij volle belasting in bedrijf zijn van die eenheid. In geval van warmte-krachtkoppelingsinstallaties heeft het met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-efficiëntieniveau netto totale brandstofbenutting betrekking op de verbrandingseenheid die bij volle belasting draait en die zo is afgesteld dat in eerste instantie de warmtevoorziening wordt gemaximaliseerd en in tweede instantie het resterende vermogen kan worden opgewekt, en heeft het met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-eficiëntieniveau netto elektrische efficiëntie betrekking op de verbrandingseenheid die alleen elektriciteit produceert bij volle belasting. Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus worden als percentage uitgedrukt. De energietoevoer uit brandstoffen en grondstoffen wordt uitgedrukt als Ho. Art. 3.12.2.1.12. Als emissiegrenswaarden, energie-efficiëntieniveaus of monitoringfrequenties worden gegeven voor installaties die minder dan 1500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, mag, als een deel van een stookinstallatie rookgassen afvoert via een of meer afzonderlijke kanalen binnen een gemeenschappelijke schoorsteen en minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf is, dat deel van de installatie voor de toepassing van die bepalingen afzonderlijk worden beschouwd. Voor alle delen van de installatie gelden de emissiegrenswaarden en de overige bepalingen over het totaal nominale thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in dit hoofdstuk. In dergelijke gevallen worden de emissies door elk van die kanalen afzonderlijk gemonitord. Subafdeling 3.12.2.2. Milieubeheersysteem Art. 3.12.2.2.1. Om de totale milieuprestatie te verbeteren, wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat: 1° betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management;2° uitwerking van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;3° planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;4° uitvoeren van procedures met bijzondere aandacht voor: a) bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;c) communicatie;d) betrokkenheid van de werknemers;e) documentatie;f) efficiënte procescontrole;g) planmatige periodieke onderhoudsprogramma's;h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;5° controle van de uitvoering en nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor: a) monitoring en meting;b) corrigerende en preventieve maatregelen;c) bijhouden van gegevens;d) waar mogelijk onafhankelijke interne en externe audit om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en naar behoren wordt uitgevoerd en gehandhaafd;6° evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het hoger management om te verzekeren dat het systeem nog altijd geschikt, adequaat en doeltreffend is;7° volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;8° bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan;9° op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren. Specifiek voor grote stookinstallaties is het ook van belang rekening te houden met de volgende aspecten van het milieubeheersysteem, die in voorkomend geval in het desbetreffende artikel worden beschreven: 1° kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprogramma's als vermeld in artikel 3.12.2.4.4, om te waarborgen dat de kenmerken van alle brandstoffen volledig worden bepaald en gecontroleerd; 2° een beheersplan ter beperking van emissies naar lucht en water tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden als vermeld in artikel 3.12.2.4.5; 3° een afvalbeheersplan, om te waarborgen dat afval wordt vermeden, behandeld met het oog op hergebruik, gerecycleerd of anderszins nuttig wordt toegepast, met inbegrip van het gebruik van de technieken, vermeld in artikel 3.12.2.7.1; 4° een systematische methode om volgende ongecontroleerde en ongeplande emissies in het milieu op te sporen en aan te pakken: a) emissies naar bodem en grondwater als gevolg van de verwerking en opslag van brandstoffen, additieven, bijproducten en afvalstoffen;b) emissies in verband met zelfverhitting en zelfontbranding van brandstof bij de opslag- en verwerkingsactiviteiten;5° een stofbeheersplan om diffuse emissies als gevolg van het laden, het lossen, de opslag en de verwerking van brandstoffen, residuen en additieven te voorkomen of, als dat niet haalbaar is, te verminderen;6° een geluidsbeheersplan als geluidsoverlast voor gevoelige receptoren wordt verwacht of optreedt, met inbegrip van: a) een protocol voor de monitoring van geluid op de grens van de installatie;b) een geluidsreductieprogramma;c) een protocol voor de reactie op incidenten met geluidsoverlast, dat adequate maatregelen en termijnen omvat;d) een onderzoek naar historische geluidsincidenten, corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geluidsincidenten onder de betrokken partijen;7° voor de verbranding, vergassing of meeverbranding van stinkende stoffen, een geurbeheersplan, met inbegrip van: a) een protocol voor de monitoring van geur;b) een protocol voor de registratie van geurincidenten en de bijbehorende adequate maatregelen en termijnen;c) een onderzoek naar historische geurincidenten, corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten onder de betrokken partijen. Als uit een evaluatie blijkt dat een of meer van de elementen, vermeld in het tweede lid, niet nodig zijn, wordt die conclusie, met inbegrip van de argumentatie, geregistreerd in het verslag van de evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.3.2. van titel II van het VLAREM. Subafdeling 3.12.2.3. Monitoring Art. 3.12.2.3.1. De netto elektrische efficiëntie, de netto totale brandstofbenutting en de netto mechanische energie-efficiëntie van de vergassings-, KV-STEG en verbrandingseenheden wordt bepaald door overeenkomstig EN-normen een prestatieonderzoek bij volle belasting uit te voeren na de inbedrijfstelling van de eenheid en na elke wijziging die van significante invloed zou kunnen zijn op de netto elektrische efficiëntie, de netto totale brandstofbenutting en de netto mechanische energie-efficiëntie van de eenheid. Als er geen EN-normen beschikbaar zijn, worden nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen gebruikt die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd. Art. 3.12.2.3.2. De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor emissies naar lucht en water worden gemonitord, met inbegrip van de volgende parameters: stroom parameters monitoring rookgas debiet periodieke of continue bepaling zuurstofgehalte, temperatuur en druk periodieke of continue meting waterdampgehalte afvalwater van rookgasreiniging debiet, pH en temperatuur continue meting Continue meting van het waterdampgehalte van het rookgas is niet nodig als het bemonsterde rookgas voorafgaand aan de analyse wordt gedroogd. Art. 3.12.2.3.3. De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren. Art. 3.12.2.3.4. De monitoringfrequenties voor de monitoring van emissies in de lucht gelden niet als de installatie alleen in bedrijf zou worden gesteld met als enige doel een emissiemeting uit te voeren. Art. 3.12.2.3.5. Bij gebruik van SCR-technieken wordt de concentratie SO3 in de geloosde afgassen een keer per jaar gemeten. Art. 3.12.2.3.6. Emissies naar water uit rookgasreiniging worden gemonitord met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. De monitoringfrequentie heeft betrekking op een schepmonster, een debietproportioneel 24 uur-mengmonster of een schepmonster en een debietproportioneel 24 uur-mengmonster als vermeld in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij het voormelde besluit. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren. parameter minimale monitoringfrequentie CZV1 maandelijks totale hoeveelheid zwevende deeltjes opgelost fluoride, uitgedrukt als F- sulfaat gemakkelijk vrijkomend sulfide sulfiet arseen cadmium chroom koper nikkel lood zink kwik chloride totaal stikstof 1 monitoring van CZV mag vervangen worden door monitoring van TOC Subafdeling 3.12.2.4. Algemene milieu- en verbrandingsprestaties Art. 3.12.2.4.1. Om de algemene milieuprestaties van stookinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht van CO en onverbrande stoffen te verminderen, wordt gezorgd voor geoptimaliseerde verbranding en wordt een geschikte combinatie gebruikt van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Art. 3.12.2.4.2. Bij gebruik van SCR en SNCR geldt een emissiegrenswaarde voor NH3 van 10 mg/Nm3 als jaargemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode. In afwijking van het eerste lid geldt voor installaties waarin biomassa wordt verbrand en die bij variabele belastingen in bedrijf zijn, alsook voor motoren die op zware stookolie en op gasolie worden gestookt, een emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3 als jaargemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode. Bij gebruik van SCR of SNCR wordt de concentratie NH3 in de geloosde afgassen continu gemonitord. In afwijking van het derde lid geldt voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 70%. Als SCR wordt toegepast, kan in afwijking van het derde lid een minimale monitoringfrequentie van een keer per jaar worden toegestaan, als wordt aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn. Art. 3.12.2.4.3. De emissies naar lucht tijdens normale bedrijfsomstandigheden worden voorkomen of verminderd, door passend ontwerp, gebruik en onderhoud te waarborgen opdat de emissiereductiesystemen zo worden gebruikt dat hun capaciteit en beschikbaarheid optimaal worden benut. Art. 3.12.2.4.4. Om de algemene milieuprestaties van verbrandings- en vergassingsinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht te verminderen, worden al de volgende elementen opgenomen in de kwaliteitsborgings- of kwaliteitscontroleprogramma's voor alle gebruikte brandstoffen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.12.2.2.1, tweede lid, 1° : 1° de initiële volledige karakterisering van de gebruikte brandstof, die ten minste de onderstaande parameters omvat en in overeenstemming is met de EN-normen.Nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen kunnen worden gebruikt, als die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt; 2° de latere aanpassing van de instellingen van de installatie als en wanneer dat nodig en uitvoerbaar is;3° de regelmatige tests van de brandstofkwaliteit om na te gaan of deze overeenstemt met de initiële karakterisering en met de ontwerpspecificaties van de installatie.De frequentie van de tests en de criteria, vermeld in de volgende tabel, zijn gebaseerd op de variabiliteit van de brandstof en op een beoordeling van de relevantie van de uitstoot van verontreinigende stoffen: brandstof stoffen of parameters op basis waarvan wordt gekarakteriseerd biomassa of turf H0, vocht as, C, Cl, F, N, S, K, Na, metalen en metalloïden (As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Zn) steen- of bruinkool H0, vocht, vluchtige bestanddelen, as, gebonden koolstof, C, H, N, O, S Br, Cl, F metalen en metalloïden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Hg, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V, Zn) zware stookolie as, C, S, N, Ni, V gasolie as, N, C, S aardgas HO, CH4, C2H6, C3, C4+, CO2, N2, Wobbe-index procesbrandstoffen uit de chemische industrie1 Br, C, Cl, F, H, N, O, S, metalen en metalloïden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Hg, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V, Zn) procesgassen ijzer- …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.