← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen

Kort samengevat

Deze wet regelt het statuut van wetenschappelijk personeel binnen federale wetenschappelijke instellingen, met als doel een modern en efficiënt overheidsapparaat te creëren door middel van goed human resources management. Het voorziet in duidelijke en aantrekkelijke loopbaanvooruitzichten, rekening houdend met de specifieke aard van een wetenschappelijke loopbaan.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
25 FEBRUARI 2008. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb van Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, sluit aan bij de wens van de huidige Regering om België op federaal niveau te voorzien van een modern en efficiënt overheidsapparaat. Een manier om die doelstelling te realiseren bestaat erin de meeste zorg aan het human resources management te besteden. De personeelsleden moeten tijdens hun hele beroepsloopbaan een functie kunnen uitoefenen die hen kan valoriseren en waarbij de overheidsdienst zeer veel baat zou kunnen vinden. Het komt erop aan hun ervaring, hun competenties en hun verwachtingen te benutten : zo kunnen hun motivatie en hun prestaties worden verhoogd, wat de kwaliteit van de dienstverlening aan de burgers ten goede zal komen. Het is in die optiek dat een grondige hervorming van de loopbaan voor de personeelsleden van niveau A van de administratieve loopbaan concreet werd doorgevoerd door middel van het koninklijk besluit van 4 augustus 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/08/2004 pub. 16/08/2004 numac 2004002088 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Koninklijk besluit betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel type koninklijk besluit prom. 04/08/2004 pub. 27/08/2004 numac 2004002099 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Koninklijk besluit betreffende de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel Erratum sluiten. Nu zijn de loopbaan en de bezoldiging van de wetenschappelijke personeelsleden van de federale wetenschappelijke instellingen aan de beurt. Ook zij moeten aanspraak kunnen maken op duidelijke en interessante loopbaanvooruitzichten die aan hun verwachtingen beantwoorden, maar waarbij men tegelijk oog heeft voor het eigene van een wetenschappelijke loopbaan. Het is de bedoeling een regeling in te stellen die de wetenschappelijke personeelsleden mogelijkheden aanreikt om in hun beroep te evolueren, waarbij bij de toegang tot de betrekkingen en de bevorderingen tegelijk objectiviteit en helderheid worden gegarandeerd. 1. Onderhavig ontwerp van koninklijk besluit gaat uit van de filosofie van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat : het eigene van het wetenschappelijke loopbaan dat toen ten grondslag lag aan de oprichting van de bijzondere loopbaan in de federale overheidsdiensten, geldt ook nu nog altijd. Het vernieuwt de regels van deze loopbaan in het licht enerzijds van de nieuwe administratieve loopbaan van niveau A, waarbij met name het begrip periodieke evaluatie wordt ingevoerd, en anderzijds van de dynamiek die de wetenschappelijke activiteit en zijn actoren moet bezielen wil men het excellerend karakter van de betrokken instellingen behouden en verder uitbouwen. 2. Titel I omschrijft het toepassingsgebied alsmede enkele algemene bepalingen van onderhavig ontwerp. 2.1. Onder wetenschappelijk personeel worden de personeelsleden van de betrokken instellingen verstaan die zijn belast met het verrichten van wetenschappelijke activiteiten. 2.2. Het begrip wetenschappelijke activiteit wordt ruim omschrijven zodat het scala aan opdrachten van de betrokken instellingen in hun geheel aan bod komt en rekening wordt gehouden met alle « beroepen » die op de ene of de andere manier een deel van deze wetenschappelijke activiteit in het gemeenschappelijk belang van de instelling voor hun rekening nemen. Deze omschrijving stoelt op de definitie van de wetenschappelijke en technische activiteiten in bijlage I (artikel 2.1.) van de Aanbeveling van 27 november 1978 van de UNESCO in verband met de internationale normalisatie van statistieken over wetenschap en technologie. 2.3. Twee bepalingen (artikel 1, §§ 2 en 3) hebben tot doel om bij de algemene toepassing van het statuut rekening te houden met de specifieke organisatie van sommige instellingen en zo te vermijden dat de regeling door langdradige herhalingen te log wordt. 2.4. Artikel 2 verduidelijkt wat artikel 5 betreft van het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, welke de instellingen zijn waarop onderhavig statuut betrekking heeft, dat wil zeggen op dit ogenblik alle federale wetenschappelijke instellingen. 3. Titel II is gewijd aan de wetenschappelijke loopbaan en vormt de hoofdmoot van het ontwerp.4. Hoofdstuk I bepaalt de samenstelling en de wijze van werken van de jury. 4.1. De jury vormt de hoeksteen van de wetenschappelijke loopbaan : dit orgaan komt eraan te pas bij alle stappen in de loopbaan van het wetenschappelijk personeelslid. Zij staat borg voor de objectiviteit en de kwaliteit ervan. 4.2. De jury is gemengd samengesteld : zij bestaat zowel uit leden van het bestuur en van de betrokken instelling als uit externe wetenschappelijke experts. De samenstelling ervan kan overigens gedeeltelijk variëren (twee leden op zes) zodat tijdens iedere vergadering experts aanwezig zijn die onderlegd zijn in de specifieke aangelegenheden die op de agenda staan. Gezien de opmerking van de Raad van State over artikel 4, § 1, 3°, werd het bijvoeglijk naamwoord « Belgische » geschrapt en vervangen door een voorwaarde van kennis van een van de landstalen om de waarborg te hebben dat de deskundige met de kandidaten en/of wetenschappelijke personeelsleden kan communiceren die voor de jury verschijnen. Om redenen van coherentie werd dezelfde vermelding toegevoegd aan artikel 4, § 1, 4°. 5. In hoofdstuk II wordt de structuur van de wetenschappelijke loopbaan toegelicht. 5.1. Die is onverdeeld in activiteitengroepen en in klassen. 5.2. De activiteitengroepen komen overeen met een functionele indeling van de wetenschappelijke personeelsleden binnen een instelling. Er zijn twee groepen : de eerste omvat de wetenschappelijke personeelsleden die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van onderzoek of experimentele ontwikkeling en de tweede de wetenschappelijke personeelsleden die zich bezighouden met wetenschappelijke dienstverlening. 5.3. De klassen staan voor de ontwikkeling van het personeelslid qua expertise en hiërarchie. De loopbaan bestaat uit vier klassen (SW1 tot SW4). Voor de opeenvolgende overgang naar de hogere klassen (SW2 tot SW4) via bevordering is het op dit ogenblik niet noodzakelijk dat er vacatures zijn. 5.4. De wetenschappelijke personeelsleden beschikken over wetenschappelijke anciënniteit. Naast de activiteit verricht als wetenschappelijk personeelslid van een instelling, wordt onder bepaalde voorwaarden die verschillen naargelang het kader waarin die activiteit is uitgeoefend ook de wetenschappelijke activiteit in aanmerking genomen die niet in een van de instellingen is uitgeoefend. 6. Hoofdstuk III legt de bepalingen vast met betrekking tot de selectie, werving en bevestiging van de wetenschappelijke personeelsleden. 6.1. Indien een betrekking vacant is, stelt de jury een profiel op van de te vervullen functie en selecteert een kandidaat. Deze selectie verloopt in twee stappen : allereerst een preselectie aan de hand van de dossiers ingediend door de kandidaten waarbij de jury uiteindelijk vijf kandidaten overhoudt. De jury kan zo nodig een bijkomende proef organiseren indien zij die noodzakelijk acht om de geschiktheden van de kandidaten voor de vacante functie te beoordelen. Vervolgens worden de in aanmerking genomen kandidaten uitgenodigd om voor een gesprek voor de jury te verschijnen waarna deze laatste een rangschikking opstelt. 6.2. Naargelang van de voorafgaande expertise die van de kandidaat wordt verwacht (zoals aangegeven in het functieprofiel), zullen de gerangschikte kandidaten worden aangeworven hetzij als stagiair, hetzij in het kader van een proefperiode. 6.3. De stage geldt voor de kandidaten die worden aangeworven in de eerste klasse (SW1) en betreft dus personen van wie, buiten hun theoretische opleiding, geen enkele specifieke ervaring wordt vereist. De stage duurt twee jaar. Gedurende deze periode staat de stagiair onder toezicht van een bevestigd wetenschappelijk personeelslid dat een driemaandelijks verslag opstelt over de activiteiten van de stagiair. Van de stagiair wordt verlangd dat hij een eindverhandeling maakt waarvan het onderwerp wordt bepaald op het moment van indiensttreding. 6.4. De kandidaten die rechtstreeks worden aangeworven in een van de klassen SW2 tot SW4 moeten beschikken over vroegere wetenschappelijke beroepservaring waardoor zij niet meer aan de dezelfde verplichtingen zijn onderworpen als een jonge kandidaat met minder ervaring. Het is nochtans noodzakelijk dat de instelling de tijd krijgt om te oordelen of de kandidaat over de vereiste geschiktheden beschikt voor de uitoefening van de functie. Daarom is er een proefperiode van een jaar. Gedurende deze periode stelt de hiërarchisch meerdere van de kandidaat twee tussentijdse verslagen en een eindverslag op waarvan zal worden uitgegaan bij de uiteindelijke evaluatie. 6.5. Aan het einde van de stage of van de proefperiode, evalueert de jury de kandidaat en brengt een gemotiveerd advies uit over zijn geschiktheden en verdiensten. Indien de evaluatie gunstig is, wordt de kandidaat bevestigd en benoemd tot wetenschappelijk personeelslid. Hij heeft derhalve toegang tot de wetenschappelijke loopbaan zoals beschreven in de volgende hoofdstukken. 7. Hoofdstuk IV voert een evaluatiecyclus voor de wetenschappelijke personeelsleden in. 7.1. Het bleek noodzakelijk om, in het kader van een modern human resources beleid voor de wetenschappelijke personeelsleden, ook net als voor de andere personeelsleden van niveau A een evaluatiesysteem in te voeren voor hen (n.b. het koninklijk besluit van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 02/08/2002 pub. 13/08/2002 numac 2002002233 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Koninklijk besluit tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten sluiten tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten is inderdaad niet van toepassing op het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen. Wat daarbij wordt nagestreefd is hetzelfde : beter functioneren van de instelling en ontplooiing van de medewerkers. 7.2. De evaluatie vindt om de twee jaar plaats. 7.3. De instrumenten hiervoor zijn : - de persoonlijke functiefiche die de taken vastlegt die aan het wetenschappelijk personeelslid worden toevertrouwd en welke de doelstellingen zijn die moeten worden bereikt; - de activiteitenverslagen opgesteld, enerzijds, door de hiërarchisch of functioneel meerdere van het wetenschappelijk personeelslid en, anderzijds, door dit laatste; - het evaluatiegesprek; - en het evaluatieverslag. 7.4. Ieder wetenschappelijk personeelslid wordt geëvalueerd door de hiërarchisch meerdere die hiervoor door de algemeen directeur van de instelling wordt aangewezen. De evaluator kent voor de evaluatie de vermelding « voldoende » of « onvoldoende » toe. Hij motiveert zijn beslissing in het evaluatieverslag. 7.5. Wanneer de vermelding « onvoldoende » wordt toegekend, wordt het wetenschappelijk personeelslid na een jaar aan een nieuwe evaluatie onderworpen. Deze evaluatie gebeurt door de jury. Wanneer opnieuw een vermelding « onvoldoende » wordt toegekend, wordt het personeelslid wegens beroepsongeschiktheid ontslagen. Indien de evaluatie daarentegen gunstig is, vindt de volgende evaluatie normaal om de twee jaar plaats. 7.6. Het wetenschappelijk personeelslid beschikt over een recht op beroep tegen de toegekende evaluatievermelding. Dit beroep wordt ingesteld bij een interdepartementale raad van beroep waarvan sprake in artikel 53 van onderhavig ontwerp. 8. In hoofdstuk V komen de bevordering en de verandering van activiteitengroep aan bod. 8.1. De bevordering houdt de toegang tot een hogere klasse in. Zoals hiervoor al uiteengezet, moet hiervoor geen betrekking vacant zijn : ieder personeelslid dat de minimumvoorwaarden vervult die zijn vastgelegd voor toegang tot een hogere klasse, kan zijn bevordering vragen. De jury voert dan een diepgaand onderzoek uit naar de activiteit van het personeelslid (het gaat hier om een evaluatie die verder reikt dan de gewone evaluatiecyclus en uitgaat van een standaardmatrix waarmee de kwaliteit van de prestaties kan worden gemeten) en brengt een gemotiveerd advies uit. Fundamentele criteria hierbij zijn dus de kwaliteit van het werk en de ontwikkeling van de expertise. De minimumvoorwaarden werden vastgelegd om de wetenschappelijke loopbaan aantrekkelijker te maken samen met reële ontplooiingskansen. Ze houden ook rekening met verschillen in « beroepen » tussen de twee activiteitengroepen. Tijdsgebonden criteria (minimumanciënniteit en verstrijken van een gewone evaluatieperiode tussen twee bevorderingsaanvragen) zijn ingevoerd om te snelle ontwikkelingen te voorkomen die niet zouden sporen met het doel een « loopbaan » uit te bouwen en de personeelsleden de hele tijd gemotiveerd te houden (trouw aan de instelling). De bevordering vindt in principe plaats in de klasse direct boven die van het personeelslid. De tekst voorziet, bij wijze van uitzondering, evenwel in de mogelijkheid voor een wetenschappelijk personeelslid om een bevordering te vragen in de klasse die volgt op die direct boven de zijne. Het personeelslid kan deze aanvraag slechts indienen als het niet alleen de voorwaarden vervult voor toegang tot deze tweede klasse, maar ook nooit bij een van zijn gewone evaluaties de vermelding « onvoldoende » heeft gekregen. Er dient daarbij in de evaluatie niets bestraffend te worden gezien : de overwogen maatregel is een uitzonderlijke gunst die van het betrokken personeelslid te allen tijde voortreffelijkheid eist. 8.2. De verandering van activiteitengroep is een functionele maatregel die het mogelijk moet maken te beantwoorden hetzij aan een behoefte van de instelling, hetzij aan de ontwikkeling van de concrete activiteit van een wetenschappelijk personeelslid. De personeelsleden kunnen immers tijdens hun loopbaan worden geroepen om in mindere of meerdere mate taken te vervullen die tot de ene of de andere activiteitengroep behoren. De indeling in een van de groepen gebeurt in het licht van de kerntaken, die in de tijd kunnen variëren. De verandering is geen bevordering en vindt dus plaats in een betrekking van dezelfde klasse. De aanvraag voor verandering van activiteitengroep gaat uit hetzij van het personeelslid, hetzij van de instelling (algemeen directeur) en wordt ter advies aan de jury voorgelegd. 9. Hoofdstuk VI stelt het wetenschappelijk personeelslid in staat verlof te krijgen om een opdracht van wetenschappelijk belang te vervullen. Dit verlof is onderworpen aan diverse voorwaarden : - de opdracht moet worden vervuld bij een overheidsdienst of -instelling, hetzij met name in het ontwerp geïdentificeerd hetzij andere voor zover deze dienst of instelling wetenschappelijke activiteiten verricht of dergelijke activiteiten financiert en met gunstig advies van de jury; - de beoogde opdracht moet van belang zijn voor de instelling; - de opdracht loopt over maximum twee jaar. Ze kan evenwel worden verlengd met periodes die niet langer mogen duren dan twee jaar zonder dat de totale duur van de toegestane opdrachten meer dan zes jaar bedraagt. Dit verlof is onbezoldigd. Aangezien de opdracht van belang moet zijn voor de instelling, wordt de duur van het verlof niettemin gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. 10. Hoofdstuk VII heeft het over de wedertewerkstelling en de overplaatsing.Dit hoofdstuk behoeft geen bijzondere commentaar aangezien het bepalingen overneemt die al terug te vinden zijn in het besluit van 21 april 1965. 11. Hetzelfde geldt voor hoofdstuk VIII (met uitzondering van enkele technische aanpassingen die verband houden met de inwerkingtreding van de nieuwe loopbaan van niveau A en met de modernisering van onderhavig statuut) dat de bepalingen opsomt van de loopbaan van niveau A die van toepassing zijn op de wetenschappelijke personeelsleden en de bepalingen vastlegt die noodzakelijk zijn om de goede toepassing ervan te waarborgen.12. In titel III wordt dieper ingegaan op de overgangs- en slotbepalingen. 12.1. Zo worden een aantal maatregelen genomen (artikelen 54 tot 56) om de overgang te regelen van het op dit ogenblik in dienst zijnde wetenschappelijk personeel naar de nieuwe loopbaanregeling. Andere hebben tot doel de voortzetting mogelijk te maken van de procedures die in gang zijn gezet onder de oude regeling (artikelen 59 tot 61). 12.2. Artikel 57 somt de graden op van het huidige statuut van het wetenschappelijk personeel die worden geschrapt. Het schaft overigens de graden af die betrekking hebben op de leidinggevende functies. Het neemt in dit opzicht bij wijze van overgang ook de noodzakelijke maatregelen om de instellingen in staat te stellen hun hiërarchie en de leidinggevende functies te behouden die nodig zijn om de continue openbare dienstverlening en het goed functioneren van de organen te waarborgen tot het vervolg van de geplande hervorming van deze instellingen in werking treedt. De leidinggevende functies worden immers bekeken in het kader van een mandaat en komen daardoor niet meer in onderhavig statuut aan bod, maar wel in een ontwerp van koninklijk besluit dat de management- (algemeen directeur), staf- (directeur van een ondersteunende dienst) en leidinggevende (operationeel directeur) functies opgericht in de federale wetenschappelijke instellingen bij het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van deze instellingen tezamen brengt. 12.3. Artikel 58 bevat maatregelen om rekening te houden met de specifieke situatie van personeelsleden van niveau A die wegens een te enge omschrijving van de wetenschappelijke activiteit toentertijd niet als wetenschappelijk personeelslid konden worden aangeworven. Dit artikel stelt een mechanisme in voor de regularisatie met instemming van de bevoegde overheden voor de wetenschappelijke loopbaan waarin deze personeelsleden eventueel zullen terechtkomen. 12.4. In artikel 62 wordt het koninklijk besluit opgeheven van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat. 12.5. In artikel 63 wordt de inwerkingtreding geregeld. De Regering is ontvankelijk voor de opmerking van de Raad van State over § 1 van het betrokken artikel. Zij wenst er evenwel geen gevolg aan te geven daar het verkieslijker is dat de regelgevende bepalingen met betrekking tot de personeelsleden met zekerheid in werking treden op de eerste dag van een maand. De Regering zal bovendien de Administratie en de wetenschappelijke instellingen de tijd gunnen om kennis te nemen van dit besluit : de Regering wijst er Uwe Majesteit echter op dat de betrokken instellingen en de departementen waarvan zij afhangen nauw bij de opstelling van het project betrokken zijn geweest. Wat de opmerking betreft over § 2 van hetzelfde artikel, is het verlenen van terugwerkende kracht perfect verantwoord ingeval die retroactiviteit past in de meeste door het Hoge College opgesomde hypothesen. Zo zal die retroactiviteit worden toegepast met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel daar alle betrokken personeelsleden er op dezelfde manier profijt bij zullen hebben en zal zij hun bovendien enkel maar geldelijke voordelen bieden. Er moet niet aan worden herinnerd dat het rijkspersoneel al soortgelijke geldelijke voordelen met terugwerkende kracht heeft verworven op 1 december 2004. De overwogen retroactiviteit zal tot slot geen afbreuk doen aan de verworven geldelijke en administratieve situaties. 13. Voor het overige werd er rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar. De Minister belast met het Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE ADVIES 43.412/1/V VAN 2 AUGUSTUS 2007 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 18 juli 2007 door de Minister van Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen », heeft het volgende advies gegeven : Rekening houdende met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Het om advies voorgelegde ontwerp past in en draagt mede bij tot een grondige hervorming van de federale wetenschappelijke instellingen (1).Het strekt tot een herziening van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen. 2. Het ontwerp vindt rechtsgrond in artikel 107, tweede lid, van de Grondwet, uit welke bepaling de Koning de bevoegdheid put om het statuut van het rijkspersoneel te regelen. Onderzoek van de tekst Artikel 4 Het valt niet in te zien waarom, zoals uit artikel 4, § 1, 3°, eerste lid, van het ontwerp blijkt, wetenschappelijke deskundigen die niet de Belgisch nationaliteit hebben, a priori uitgesloten worden om deel uit te maken van de jury. Artikel 17 Er is een tegenstrijdigheid tussen het eerste lid van artikel 17, § 1 (« De stage duurt hoogstens twee jaar »), en het tweede lid (« De stage kan hoogstens met één jaar worden verlengd »). Wellicht dient in het eerste lid te worden bepaald dat de stage één jaar duurt (2). Artikel 36 In de vierde paragraaf van dit artikel wordt, in verband met de berekening van de beëindigingsvergoeding toegekend aan het wetenschappelijk personeelslid dat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid, melding gemaakt van « de indexcijfers van de consumptieprijzen ». Krachtens titel 1 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994, dient met ingang van 1 januari 1994 bij de koppeling van de lonen aan het indexcijfer der consumptieprijzen, het prijsindexcijfer in aanmerking te worden genomen dat daartoe berekend en benoemd wordt, de zogenaamde 'gezondheidsindex'. Volgens artikel 1, § 1, is dit besluit van toepassing op de werknemers en werkgevers gebonden door een arbeidsovereenkomst. Artikel 1, § 2, breidt de toepassingssfeer ervan uit tot « de in vast verband benoemde, stagedoende, contractuele en hulppersoneelsleden », van onder meer « de administraties en andere diensten van de Federale overheid » (1°). Om terzake geen verwarring te scheppen kan dan ook beter kortweg worden geschreven : « ingevolge de schommelingen van het indexcijfer ». Artikel 52 De gemachtigde ambtenaar heeft bevestigd dat de verwijzing naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke personeelsleden in paragraaf 1, zesde gedachtestreepje, van artikel 52, de toepassing beoogt te bevestigen van de wet van 10 februari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/02/2003 pub. 27/02/2003 numac 2003002035 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen sluiten betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen. Deze bepaling moet uit het ontwerp worden geschrapt omdat het de Koning niet toekomt om het van toepassing zijn van wetskrachtige normen te bevestigen. Artikel 63 1. Luidens artikel 63, § 1, treden de meeste bepalingen van het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt, in werking de eerste dag van de maand na die waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Zulke regeling van inwerkingtreding heeft evenwel het nadeel dat, indien de bekendmaking van de regeling op het einde van de maand gebeurt, de bestemmelingen ervan zelfs niet over de normale termijn van tien dagen zullen beschikken om zich aan de regeling aan te passen. Vraag is dan ook of artikel 63 niet beter wordt weggelaten of wordt vervangen door een andere bepaling van inwerkingtreding. 2. Op grond van artikel 63, § 2, van het ontwerp zullen een aantal bepalingen ervan uitwerking hebben met ingang van 1 december 2006.In dat verband moet worden opgemerkt dat het verlenen van terugwerkende kracht slechts onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar kan worden geacht. Het verlenen van terugwerkende kracht aan besluiten is enkel toelaatbaar ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke grondslag bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast. Enkel indien de retroactiviteit van de ontworpen regeling in één van de opgesomde gevallen valt in te passen, kan deze worden gebillijkt. De kamer was samengesteld uit : De heren : M. Van Damme, kamervoorzitter; J. Bovin en J. BAERT, staatsraden; H. Cousy, assessor van de afdeling wetgeving; Mevr. G. Verberckmoes, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de heer B. Weekers, auditeur. ... De griffier, G. Verberckmoes. De voorzitter, M. Van Damme. ______ (1) Zie ook de ontwerpen 43.410/1/V, 43.411 /1 /V en 43.413 /1 /V, waarover de Raad van State, afdeling wetgeving, heden eveneens een advies geeft. (2) Vergelijk met artikel 25, § 1, eerste lid, van het ontwerp en met artikel 30, § 3, van koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (« De stage duurt één jaar.Zij kan ten hoogste met één derde van haar duur worden verlengd (...) »). 25 FEBRUARI 2008. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet; Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, inzonderheid op artikel 4, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 februari 2008, en artikel 5, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 mei 1995, 26 mei 1999, 5 juni 2004 en 25 februari 2008; Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 februari 1969, 3 juni 1975, 3 mei 1976, 12 augustus 1981, nr. 121 van 30 december 1982 (opgeheven bij de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten), 10 december 1987, 18 februari 1988, 19 november 1991, 3 februari 1994, 30 mei 1994, 4 februari 1998, 19 april 1999, 9 juni 1999, 22 januari 2003 en 5 juni 2004; Gelet op het koninklijk besluit van 30 oktober 1996 tot aanwijzing van de federale wetenschappelijke instellingen, inzonderheid op artikel 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 april 2007; Gelet op het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999002060 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut en tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 11/06/1999 numac 1999002063 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit houdende bezoldigingsregeling van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat sluiten tot vaststelling van het statuut van het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen van de Staat; Gelet op het advies van de Federale Interministeriële Commissie voor Wetenschapsbeleid, gegeven op 27 juli 2006; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 augustus 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 20 april 2007; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 20 februari 2007; Gelet op het protocol nr 141/3 van 6 juni 2007 van het Sectorcomité I - Algemeen Bestuur; Gelet op het advies nr. 43.412/1/V van de Raad van State, gegeven op 2 augustus 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister belast met Wetenschapsbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Besluit : TITEL I. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder : - « instelling(en) », de federale wetenschappelijke instelling(en) bedoeld in Ons besluit van 30 oktober 1996 tot aanwijzing van de federale wetenschappelijke instellingen; - « koninklijk besluit », Ons besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen; - « statuut van het rijkspersoneel », Ons besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; - « Minister », de Minister(s) of Staatssecretaris(sen) onder wiens bevoegdheid de instelling valt; - « Voorzitter », de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst of de voorzitter van de programmatorische federale overheidsdienst waaronder de betrokken instelling ressorteert; - « directieraad », de directieraad opgericht in elke instelling door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie », de dienst die voor de betrokken instelling belast is met de human resources; - « jury », de jury opgericht in elke instelling door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « algemeen directeur », de houder van de managementfunctie -1 bedoeld in artikel 5bis van Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « operationeel directeur », de houder van de leidinggevende functie bedoeld in artikel 6ter, § 1, van Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « wetenschappelijk personeel », de leden van het personeel van de instellingen belast met de uitvoering van wetenschappelijke activiteiten; - « wetenschappelijk(e) personeelslid/leden », het/de lid/leden van het wetenschappelijk personeel van een instelling; - « wetenschappelijke activiteit », elke systematische activiteit die nauw verbonden is met creatie, productie, bevordering, verspreiding en toepassing van de wetenschappelijke en technische kennis in alle gebieden van de wetenschap en de technologie en in het bijzonder wetenschappelijk onderzoek, experimentele ontwikkeling, wetenschappelijke en technische dienstverlening, het behoud en de presentatie van het cultureel erfgoed en de educatieve diensten inbegrepen. § 2. Voor de instelling die onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid de Defensie behoort, dient te worden begrepen onder « federale overheidsdienst » waaraan de betrokken instelling verbonden is, het Ministerie van Defensie. De bevoegdheden van de Voorzitter worden uitgeoefend door de algemeen directeur die bevoegd is voor het beheer van het burgerpersoneel bij voornoemd ministerie. § 3. Voor de instellingen die onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort alsmede voor die welke onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, wordt ieder document met betrekking tot het beheer van het wetenschappelijk personeel dat aan de betrokken Minister moet worden voorgelegd aan deze laatste meegedeeld via de Voorzitter. Art. 2.Dit statuut is toepasselijk op het wetenschappelijk personeel van de in het eerste artikel bedoelde instellingen. Art. 3.De betrekkingen van het personeel onderworpen aan dit statuut staan vermeld in de speciale rubriek « Wetenschappelijk personeel » van het personeelsplan van elke instelling. TITEL II. - Wetenschappelijke loopbaan HOOFDSTUK I. - Jury Afdeling 1. - De samenstelling van de jury Art. 4.§ 1. De in elke instelling ingestelde jury is als volgt samengesteld : 1° als voorzitter : een rijksambtenaar die op zijn minst tot klasse A4 van de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel behoort, of daarmee wordt gelijkgesteld, en ressorteert onder de federale overheidsdienst of de programmatorische federale overheidsdienst waaraan de instelling verbonden is.Hij wordt aangewezen door de Minister op voorstel van de Voorzitter. Zo nodig kan deze laatste een beroep doen op een bevoegd personeelslid dat ressorteert onder een andere federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst waaraan een instelling verbonden is, mits voorafgaand akkoord van de betrokken Minister. Een plaatsvervanger wordt op dezelfde manier aangewezen. De voorzitter van de jury en zijn plaatsvervanger behoren tot een verschillende taalrol; 2° als verslaggever : de algemeen directeur van de instelling of zijn plaatsvervanger;3° als leden aangewezen door de Minister : twee wetenschappelijke deskundigen die niet tot de instelling behoren en over speciale ervaring of kennis beschikken die verband houdt met de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling, en die kennis hebben van een van de landstalen waarvan het gebruik in bestuurszaken vereist is.Zij mogen hun respectieve activiteiten niet in dezelfde organisatie of instelling uitoefenen. Zij behoren bovendien tot een verschillende taalrol. Ze worden aangesteld voor een mandaat van vier jaar uit een lijst in dubbeltal die door de algemeen directeur aan de Minister wordt voorgedragen. Het in het vorige lid bedoelde mandaat is hernieuwbaar. In het geval van overlijden of definitieve verhindering van een van deze deskundigen wordt in zijn vervanging voorzien volgens de hierboven vermelde procedure. Het lid dat in dat geval wordt aangewezen, voltooit het mandaat van de deskundige die hij vervangt; 4° als leden die in onderling akkoord worden aangewezen door de voorzitter van de jury en de verslaggever, met inachtneming van de agenda van de vergadering van de jury : a) een operationeel directeur of een wetenschappelijk personeelslid van de instelling dat op zijn minst klasse SW3 van de loopbaan van het wetenschappelijk personeel van de Staat bereikt heeft, zoals gedefinieerd in artikel 6, § 3, van dit besluit, gekozen op grond van zijn specialisatie of de dienst van de instelling waarin hij aangesteld is;b) een wetenschappelijke deskundige die niet tot de instelling behoort en over een bijzondere kennis beschikt die verband houdt met de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling, en die een van de landstalen kent waarvan het gebruik in bestuurszaken vereist is.Hij mag zijn activiteiten niet in dezelfde organisatie of hetzelfde instituut uitoefenen als de in punt 3° bedoelde deskundigen; 5° twee bijkomende leden die conform punt 4° in de volgende gevallen worden aangewezen : a) rechtstreekse aanwerving van een wetenschappelijk personeelslid in de klasse SW4 van de loopbaan van het wetenschappelijk personeel van de Staat, zoals omschreven in artikel 6, § 3, van dit besluit;b) aanvraag tot bevordering in voornoemde klasse SW4;c) aanvraag tot bevordering gedaan conform artikel 42 van dit besluit;d) wanneer de voorzitter van de jury en de rapporteur het noodzakelijk achten in het licht van de agenda van de vergadering van de jury. § 2. Indien zij het noodzakelijk achten, mogen de voorzitter van de jury en de verslaggever iedere persoon, die al dan niet personeelslid is van de betrokken instelling en die, gelet op de agenda van de vergadering, over speciale ervaring of kennis beschikt, uitnodigen om de vergadering van de jury bij te wonen. Deze personen nemen deel aan de vergadering met raadgevende stem. § 3. De leden van de jury genieten vergoedingen voor reis- en verblijfskosten toegekend aan de personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Voor de toepassing van deze reglementaire bepalingen worden de leden van de jury die geen deel uitmaken van het personeel van een instelling, gelijkgesteld met het rijkspersoneel van klasse A4 van de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel. Afdeling 2. - Werking van de jury Art. 5.§ 1. De jury komt zo vaak samen als nodig is voor de uitvoering van de opdrachten die haar werden toevertrouwd door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965. De voorzitter van de jury bepaalt, in overleg met de verslaggever, de datum en de agenda van de vergaderingen en roept naargelang van de behoeften de leden op bedoeld in artikel 4, § 1, 4°, en § 4, van dit besluit. § 2. De jury kan op geldige wijze beraadslagen indien de meerderheid van de leden die moeten bijeenkomen, aanwezig is. § 3. De beslissingen van de jury worden bij consensus genomen. Indien er na bespreking geen beslissing kan worden genomen bij consensus van de aanwezige leden, gaat de voorzitter van de jury over tot stemming. De stemming verloopt geheim. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de jury beslissend. § 4. In het kader van een selectieprocedure kan tot een schriftelijke raadpleging van de jury worden overgegaan om het functieprofiel bedoeld in artikel 9 van dit besluit, op te stellen. § 5. De voorzitter van de jury, de verslaggever en de door de Minister aangewezen leden stellen het huishoudelijk reglement van de jury op. Dit reglement omvat op zijn minst : - de nadere regels voor de oproeping tot de vergaderingen; - de nadere regels voor het voorleggen van de dossiers; - de voorwaarden inzake quorum en stemmen; - de manier van opstelling van de gemotiveerde adviezen; - de manier van opstelling en goedkeuring van de notulen, met inbegrip van de manier waarop de meningen, zelfs minoritair, uitgebracht door de leden van de jury zullen worden weergegeven; - de nadere regels voor de in § 4 bedoelde schriftelijke raadpleging; - een indicatieve lijst van wetenschappelijke deskundigen die niet tot de instelling behoren en die als lid van de jury kunnen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, § 1, 4°, b. Voor zover mogelijk omvat deze lijst het geheel van de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling. Het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK II. - De structuur van de loopbaan Art. 6.§ 1. De loopbaan van het wetenschappelijk personeel omvat twee groepen van wetenschappelijke activiteiten die elk de wetenschappelijke personeelsleden verenigen die functies uitoefenen die tot een gelijksoortig deskundigheiddomein behoren : - activiteitengroep I : Wetenschappelijk onderzoek en experimentele ontwikkeling; - activiteitengroep II : Wetenschappelijke dienstverlening. De activiteitengroep I omvat de titularissen van functies waarvan de taken hoofdzakelijk bestaan uit fundamenteel of toegepast onderzoek en/of experimentele ontwikkeling. De activiteitengroep II omvat de titularissen van functies waarvan de taken hoofdzakelijk bestaan uit onder meer : - wetenschappelijke en culturele informatieverstrekking, - test- en normalisatiewerkzaamheden, - het samenstellen, beheren en ontsluiten van wetenschappelijke en culturele verzamelingen, - systematische wetenschappelijke waarnemingen en controles, - beleids- en operationele studies, - referentietaken, gespecialiseerde diagnosen en analysen, - educatieve dienstverlening met betrekking tot de wetenschappelijke en culturele activiteiten van de instelling, - valorisatie van de wetenschappelijke onderzoek. § 2. De wetenschappelijke personeelsleden worden door de Minister ingedeeld in een van de twee in § 1 genoemde activiteitengroepen, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. § 3. De loopbaan omvat vier klassen genummerd van SW1 tot SW4, waarbij SW4 de hoogste klasse is. De klasse SW1 omvat de titels van assistent-stagiair en assistent. De klasse SW2 omvat de titel van eerstaanwezend assistent. De klasse SW3 omvat de titel van werkleider. De klasse SW4 omvat de titel van eerstaanwezend werkleider. § 4. De opeenvolgende overgang van een wetenschappelijk personeelslid naar deze verschillende klassen gebeurt overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Deze is in geen geval afhankelijk van een vacante betrekking. Het gunstige en gemotiveerde advies van de jury is in elk geval vereist. § 5. Voor de toepassing van artikelen 3 en 52 van dit besluit worden de wetenschappelijke personeelsleden die titularis zijn van een van de in § 3 opgesomde klassen, gelijkgesteld aan het rijkspersoneel van niveau A volgens onderstaande rangschikking : - klasse SW1 van dit statuut : klasse A1 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW2 van dit statuut : klasse A2 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW3 van dit statuut : klasse A3 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW4 van dit statuut : klasse A4 van het statuut van het rijkspersoneel. Art. 7.§ 1. De wetenschappelijke personeelsleden genieten wetenschappelijke anciënniteit. § 2. Voor de berekening van deze anciënniteit wordt rekening gehouden met : 1° de duur van de diensten gepresteerd in dienstactiviteit door het wetenschappelijk personeelslid sinds zijn indiensttreding als lid van het wetenschappelijk personeel van een van de instellingen;2° de duur van de wetenschappelijke activiteit uitgeoefend door het wetenschappelijk personeelslid voor zijn indiensttreding in de in artikel 1 bedoelde instellingen, voor zover deze activiteit werd uitgeoefend : - ofwel in het kader van een academisch of wetenschappelijk statuut erkend door een overheidsinstantie van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Confederatie; - ofwel in het kader van een opdracht uitgevoerd voor rekening van een hierboven vermelde overheidsinstantie, in het belang van de wetenschap, de cultuur of het hoger onderwijs, zelfs indien het wetenschappelijk personeelslid hiervoor op non-activiteit werd gesteld door de betrokken overheidsinstantie. De jury beslist of de vroegere activiteit die een wetenschappelijk personeelslid op die manier heeft uitgeoefend, beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit en bepaalt in overeenstemming daarmee de duur die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen; 3° de duur van de wetenschappelijke activiteit uitgeoefend door het wetenschappelijk personeelslid voor zijn indiensttreding in de in artikel 1 bedoelde instellingen, buiten de gevallen bedoeld in punt 2°, voor zover er voorafgaande wetenschappelijke ervaring werd vereist bij de werving.De jury beslist enerzijds of de vroegere ervaring van een kandidaat beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit, en anderzijds of deze ervaring overeenkomt met die vereist bij de werving. In overeenstemming daarmee bepaalt zij de duur van de vorige ervaring die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen. De duur van de op die manier bepaalde wetenschappelijke activiteit wordt in haar geheel als wetenschappelijke anciënniteit beschouwd, tenzij in de oproep tot kandidaatstelling een maximumduur werd vastgelegd betreffende de vereiste voorafgaande wetenschappelijke ervaring, in welk geval deze verhoudingsgewijs wordt verminderd. § 3. De duur van de diensten gepresteerd als titularis van een functie met onvolledige prestaties, wordt verhoudingsgewijs berekend. § 4. Voor de wetenschappelijke personeelsleden die gemachtigd zijn om verminderde prestaties te verrichten, wordt de wetenschappelijke anciënniteit berekend overeenkomstig de bepalingen die de dienstanciënniteit regelen van het rijkspersoneel dat gemachtigd is om prestaties in eenzelfde stelsel te verrichten. § 5. Het wetenschappelijk personeelslid dat zich in de stand van non-activiteit bevindt en wetenschappelijke activiteiten uitvoert in een kader dat verenigbaar is met zijn stand, kan bij de heropneming van zijn functie aan de jury vragen om deze wetenschappelijke activiteit te erkennen als wetenschappelijke anciënniteit. Hij richt zijn verzoek aan de algemeen directeur die het voorlegt aan de jury. De jury beslist enerzijds of de betrokken activiteit beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit, en anderzijds of deze activiteit verband houdt met de functie van het wetenschappelijk personeelslid in de instelling. In overeenstemming daarmee bepaalt zij de duur van de vorige ervaring die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen. De beslissing van de jury geldt met terugwerkende kracht vanaf de dag van de aanvraag. HOOFDSTUK III. - Selectie, werving en bevestiging van wetenschappelijke personeelsleden Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 8.§ 1. Niemand mag worden aangeworven in een betrekking van wetenschappelijk personeel indien hij niet aan de volgende toelatingsvoorwaarden voldoet : 1° Belg zijn wanneer de uit te voeren functies een al dan niet rechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat of, in de andere gevallen, Belg of onderdaan zijn van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Confederatie;2° burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;4° er een gedrag op nahouden dat beantwoordt aan de eisen van de functie;5° houder zijn van een einddiploma opgenomen in de lijst van diploma's en studiegetuigschriften die in aanmerking komen voor de toelating tot de rijksbesturen van niveau A, zoals vastgesteld in bijlage 1 van het statuut van het rijkspersoneel.Voor de toepassing van voornoemde bijlage dient te worden begrepen onder « afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid », de voorzitter van de jury; 6° voldoen aan de speciale bekwaamheden en vereisten die zijn vastgesteld in het functieprofiel bedoeld in artikel 9 van dit besluit. § 2. Niemand mag als wetenschappelijk personeelslid worden bevestigd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° voldoen aan de in § 1 vastgestelde toelatingsvoorwaarden;2° slagen voor de selectie bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk;3° de in afdeling 4 bedoelde stage tot een goed einde brengen of voor de in afdeling 5 bedoelde proefperiode slagen, al naargelang het personeelslid in klasse SW1 of rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 wordt aangeworven. Afdeling 2. - Selectie Art. 9.§ 1. In het geval van een vacante betrekking stelt de jury een profiel op voor de te begeven functie. De algemeen directeur deelt aan de jury alle nuttige aanwijzingen mee betreffende het aantal aanwervingen per klasse dat kan worden overwogen en de budgettaire middelen waarover de instelling beschikt om hierin te voorzien, gelet op het personeelsplan en de personeelsenveloppe van de instelling. § 2. Het functieprofiel wordt opgesteld overeenkomstig het model dat is vastgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort. Dit profiel vermeldt op zijn minst : 1° de activiteitengroep waaraan de te begeven functie verbonden is en, zo nodig, of de werving rechtstreeks in een klasse hoger dan klasse SW1 zal plaatsvinden, met vermelding van (de) betrokken klasse(n);2° de beschrijving van de functie en in het bijzonder de voornaamste taken die de houder van de functie moet volbrengen;3° het profiel van de vereiste bekwaamheden en in het bijzonder de opleidingen, diploma's, kennis, bekwaamheden, specialisaties of ervaring die specifiek vereist zijn.Indien de werving rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 plaatsvindt, moeten deze specifieke vereisten op zijn minst de bijzondere voorwaarden vermelden voor de opeenvolgende overgang door bevordering naar deze klasse overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V, met dien verstande dat de vereiste wetenschappelijke anciënniteit enkel kan bestaan uit vroegere wetenschappelijke activiteiten die werden uitgevoerd buiten de instelling en in aanmerking komen voor wetenschappelijke anciënniteit overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° en 3°. § 3. De jury maakt het functieprofiel over aan de Voorzitter, met het oog op de oproep tot kandidaatstelling. Zij motiveert in een speciaal advies de activiteitengroep en de uitgekozen klasse van werving in het geval van rechtstreekse werving in een van de klassen SW2 tot SW4. Art. 10.De kandidaten worden opgeroepen door middel van een in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd bericht. Dit bericht geeft per instelling het volgende weer : 1° de vacante betrekking(en);2° de toelatingsvoorwaarden;3° het functieprofiel opgesteld overeenkomstig artikel 9 van dit besluit;4° de termijn en de vorm van de voordracht van de kandidaatstellingen, evenals de voor te leggen stukken;5° zo nodig alle nuttige informatie die betrekking heeft op de selectie, de werving of de loopbaan. De oproep tot kandidaatstelling wordt bepaald door de Voorzitter. Art. 11.§ 1. De jury bepaalt welke kandidaten van de ontvankelijke kandidaturen zij het meest geschikt acht om de te begeven functie uit te oefenen. Het aantal kandidaten dat in aanmerking komt, mag niet groter zijn dan vijf per vacante betrekking, zoals vermeld in het in artikel 10 bedoeld bericht. Alleen deze kandidaten worden uitgenodigd om te verschijnen voor de jury en worden opgenomen in de rangschikking bedoeld in artikel 12 van dit besluit. De jury neemt de in het eerste lid bedoelde beslissing op basis van het door de kandidaten ingezonden dossier. Zij beslist in het bijzonder of de titels, verdiensten en ervaring van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten die bij de werving worden gesteld. Indien de jury het noodzakelijk acht, kan zij de kandidaten vragen om eender welke bijkomende proef af te leggen die zij bepaalt om hun geschiktheid voor de te begeven functie te beoordelen. Zij organiseert de proef over een onderwerp dat een nuttig verband heeft met het vastgestelde functieprofiel. De kandidaten worden op de hoogte gebracht door middel van een brief die de datum, de plaats en het onderwerp van de proef vermeldt. Deze proef mag ten vroegste op de tiende werkdag na de datum van voornoemde brief plaatsvinden. Een kandidaat die niet verschijnt, wordt automatisch van de rest van de selectieprocedure uitgesloten. § 2. De jury tekent haar beraadslaging op in notulen die op zijn minst de volgende elementen bevatten : 1° de indeling van de kandidaten in twee lijsten, naargelang zij al dan niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig § 1;2° de motivering van deze indeling voor elke kandidaat;3° het verslag betreffende de stemmen. § 3. Indien de jury meent dat geen enkele kandidaat over de vereiste bekwaamheden beschikt om de te begeven functie uit te oefenen, stelt zij gemotiveerde notulen van afsluiting van de selectieprocedure op en deelt ze mee aan de Voorzitter. § 4. Alle kandidaten worden, ieder wat hem aangaat, per aangetekende brief verstuurd door de voorzitter van de jury op de hoogte gebracht van de beslissing die de jury overeenkomstig dit artikel heeft genomen, en van de bijhorende motivering. § 5. Vóór de in § 2 bedoelde beraadslaging, deelt de voorzitter van de jury aan de bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie de documenten mee ingediend door iedere kandidaat om zijn titels, verdiensten en vroegere wetenschappelijke activiteiten te wettigen. De betrokken dienst onderzoekt deze documenten en gaat met name de regelmatigheid ervan na. Hij deelt zijn advies mee aan de voorzitter van de jury. Art. 12.§ 1. De kandidaten die volgens artikel 11 in aanmerking werden genomen, worden uitgenodigd om voor de jury te verschijnen door middel van een brief die datum en plaats van de hoorzitting vermeldt. Deze hoorzitting mag ten vroegste op de tiende werkdag na de datum van voornoemde brief plaatsvinden. Een kandidaat die niet verschijnt, wordt automatisch van de rest van de selectieprocedure uitgesloten en mag niet in de hieronder vermelde rangschikking worden opgenomen. De kandidaat die niet is verschenen op de in het vorige lid bedoelde hoorzitting en die een gegronde reden kan laten gelden, kan, binnen tien dagen na de datum van voornoemde hoorzitting, toch vragen om door de jury te worden gehoord. Hij stuurt zijn met redenen omklede verzoek aan de voorzitter van de jury die de aangevoerde reden beoordeelt. De voorzitter nodigt, in voorkomend geval, de betrokken kandidaat uit onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in het vorige lid. § 2. Na alle kandidaten te hebben gehoord, stelt de jury een gemotiveerde rangschikking op. Zij tekent haar beraadslaging op in notulen die op zijn minst de volgende elementen bevatten : 1° de rangschikking van de kandidaten;2° de motivering van de volgorde van rangschikking voor elke kandidaat;3° het verslag betreffende de stemmen;4° zo nodig de duur van de vorige wetenschappelijke activiteit die in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van de wetenschappelijke anciënniteit overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° en 3°;5° in het geval van rechtstreekse werving in een van de klassen SW2 tot SW4, de vaststelling dat de kandidaten aan alle specifieke voorwaarden voldoen die vereist zijn in de betrokken activiteitengroep voor de opeenvolgende overgang door bevordering naar de betrokken klasse overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V, met dien verstande dat de vereiste wetenschappelijke anciënniteit uitsluitend mag bestaan uit de anciënniteit die erkend werd overeenkomstig het hierboven vermelde punt 4°. § 3. De in dit artikel bedoelde kandidaten worden, ieder wat hem aangaat, per aangetekend schrijven verstuurd door de voorzitter van de jury op de hoogte gebracht van de rangschikking en de bijhorende motivering. Art. 13.De in artikelen 11 en 12 bedoelde aangetekende brieven omvatten op zijn minst de volgende elementen : 1° de beslissing van de jury en haar motieven.Alleen de elementen die de kandidaat persoonlijk aangaan, worden aan hem meegedeeld; 2° de aanwijzing voor de kandidaat die zich benadeeld acht, dat hij de mogelijkheid heeft om binnen de tien werkdagen na de kennisgeving een schriftelijke klacht in te dienen bij de voorzitter van de jury om eventueel te vragen om door de jury gehoord te worden;3° het deel van de notulen van de vergadering van de jury dat betrekking heeft op die beslissing. Art. 14.§ 1. De kandidaat dient klacht in per aangetekend schrijven, waarin hij zijn argumenten vermeldt. Indien hij vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon : hij mag zich niet laten bijstaan of vertegenwoordigen. Indien de kandidaat, ofschoon correct opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, wordt de procedure wat hem betreft als afgesloten beschouwd. De jury beoordeelt soeverein de geldigheid van de door de kandidaat opgegeven reden. De jury doet uitspraak op basis van de schriftelijke klacht, zelfs indien de kandidaat een geldige reden heeft, zodra de klacht in een tweede zitting wordt besproken. § 2. De in artikel 11 bedoelde beslissing, van de jury over de ingediende klacht wordt enkel aan de betrokken kandidaat bekendgemaakt. § 3. De in artikel 12 bedoelde beslissing zal, indien de jury na onderzoek van de klacht haar beslissing niet wijzigt, enkel worden bekendgemaakt aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend. Indien de jury daarentegen een nieuwe rangschikking opstelt, dan wordt deze per aangetekend schrijven bekendgemaakt aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld. Indien opnieuw een kandidaat zich benadeeld acht, kan hij volgens dezelfde procedure een schriftelijke klacht indienen. Op het einde van een nieuwe beraadslaging maakt de jury de definitieve rangschikking bekend aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld en maakt deze over aan de Minister. Art. 15.De rangschikking die door de jury werd bepaald overeenkomstig de vorige artikelen, is geldig tot de eerste dag van de maand die volgt op de indiensttreding van een kandidaat overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3. De rangschikking wordt op initiatief van de voorzitter van de jury aan de Minister meegedeeld. Afdeling 3. - De werving Art. 16.§ 1. De kandidaten worden geworven in een betrekking van de klasse vermeld in de betrokken oproep tot kandidaatstelling. Ze worden benoemd door de Minister in de volgorde van rangschikking en binnen de perken van de vacante betrekkingen vermeld in de oproep tot kandidaatstelling : - ofwel als stagiair wanneer de werving in klasse SW1 plaatsvindt. Ze dragen de titel van « assistent-stagiair » en volbrengen de in afdeling 4 bedoelde stage; - ofwel als wetenschappelijk personeelslid in proefperiode wanneer de werving rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 plaatsvindt. Ze dragen de titel die overeenkomt met de betrokken klasse en volbrengen de in afdeling 5 bedoelde proefperiode. Ze worden door de Minister aangesteld in de activiteitengroep die vermeld werd in de betrokken oproep tot kandidaatstelling. In de benoemingsakte wordt de wetenschappelijke anciënniteit vermeld die voor de indiensttreding bij de instelling verworven werd en die de stagiair of het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode kan laten gelden overeenkomstig artikel 7 van dit statuut. § 2. De algemeen directeur nodigt de kandidaten die geworven werden overeenkomstig § 1, per brief uit om de functie te bekleden waarvoor ze zich kandidaat hebben gesteld. § 3. De stagiairs en de wetenschappelijke personeelsleden in proefperiode moeten als zodanig, met het genot van al hun wetenschappelijke en geldelijke rechten, ten laatste op de eerste dag van de derde maand die volgt op deze van de in § 2 bedoelde bekendmaking in dienst treden. Wanneer een kandidaat een opzeggingstermijn moet voltooien ingevolge de bepalingen die van toepassing zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Confederatie, bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een organisme dat opgericht i …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.