📄 Wettekst
13 JULI 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING 1. Algemene toelichting De Vlaamse Regering heeft op 6 juli 2012 het decreet tot wijzing van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de Codex) betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen bekrachtigd en afgekondigd. De ambitie die aan de grondslag ligt van de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het
decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
15/05/2009
numac
2009035409
bron
vlaamse overheid
Decreet tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid
sluiten tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, is het instellen van een gespecialiseerd administratief rechtscollege dat dankzij zijn specialisatie tot snelle uitspraken komt zonder dat die snelheid ten koste gaat van de kwaliteit van de geschillenbeslechting.
Het uitgangspunt van het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten is de vaststelling dat meer dan twee jaar na de oprichting van de Raad die ambitie niet altijd wordt waargemaakt.
Vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming kan met deze situatie onmogelijk genoegen worden genomen. Alle bij het beroep betrokken partijen of derden van wie de belangen op het spel staan, hebben er recht op dat de rechtsonzekerheid niet blijft aanslepen en dat het beroep binnen een redelijke termijn wordt berecht.
Hiervoor bestaan verschillende oorzaken.
In de eerste plaats werd bij de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen het aantal dossiers bij de Raad ingeschat op een ruime 300 tot een kleine 350 beroepsdossiers op jaarbasis.
Uit de voorbije twee eerste werkjaren is gebleken dat de instroom bij de Raad significant hoger is. Zo werden tijdens het tweede werkjaar 1073 beroepen bij de Raad ingediend, bovenop de tijdens het eerste werkjaar ingediende 753 beroepen. Daartegenover stond dat de Raad gedurende het eerste anderhalf jaar slechts bestond uit een zeer beperkte personeelsformatie.
Dit heeft een belangrijke impact op de behandelingstermijn van de hangende dossiers.
Een tweede - en door de decreetgever remedieerbare - factor die de behandelingstermijn van de hangende dossiers beïnvloedt, is het voorzien van een duidelijke procedureregeling.
Uit de praktijk van de twee voorbije werkjaren is gebleken dat de procedureregeling in de Codex te summier en onvoldoende is - of onvoldoende delegatiemogelijkheden biedt om de procedure uit te werken in een Besluit van de Vlaamse Regering - om zo optimaal mogelijk een efficiënte en kwaliteitsvolle rechtspleging te verzekeren voor de procespartijen, met inbegrip van een afhandeling van het dossier binnen een redelijke termijn. Het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten heeft dan ook een grondige aanpassing van de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen doorgevoerd in functie van een sneller en efficiënter procesverloop.
De delegaties die in het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten aan de Vlaamse Regering worden gegeven, moeten in concrete uitvoeringsbepalingen worden omgezet alvorens de procedurele vernieuwingen in werking kunnen treden. Dat is het opzet van het thans voorliggende besluit.
Na het definiëren van een aantal veelgebruikte begrippen, wordt er een aantal algemeenheden geregeld : de bijstand door een raadsman, de berekening van de termijnen, de keuze van woonplaats, de door de verzoeker te bezorgen afschriften en het door de verweerder in te dienen administratieve dossier, de afstand van het geding en het samenvoegen van beroepen. Vervolgens wordt het verloop van de procedure op een voor de rechtzoekende logische en transparante manier geregeld, dat wil zeggen vanaf het indienen van het verzoekschrift tot en met de einduitspraak.
Verzoekschrift Het beroep bij de Raad wordt door middel van een verzoekschrift ingediend.
Artikel 11, tweede lid, bepaalt de inhoud van het verzoekschrift.
Welke stukken bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd, wordt in artikel 11, derde lid, geregeld.
Als de verzoeker naast de vernietiging ook de schorsing van de beslissing wil vorderen, moet hij daartoe een enig verzoekschrift indienen. Ook het enig verzoekschrift is een procedurele nieuwigheid die het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten heeft ingevoerd. Artikel 4.8.15 van de Codex maakt hiervan een vereiste van ontvankelijkheid.
Een bij de Raad ingediend verzoekschrift moet in een daarvoor aangelegd register worden ingeschreven. Het doel van de registratie bestaat erin te onderzoeken of het verzoekschrift vormelijk in orde is en of de vereiste stukken zijn bijgevoegd. Alleen een verzoekschrift dat wordt geregistreerd, komt voor behandeling in aanmerking. Voldoet het verzoekschrift niet aan de gestelde vormvoorwaarden of gaat het niet vergezeld van de vereiste stukken, dan wordt de verzoeker de mogelijkheid geboden om die gebreken te regulariseren. Als het verzoekschrift niet, laattijdig of onvoldoende wordt geregulariseerd, dan wordt het niet ingeschreven. De procedure is daarmee afgelopen.
De griffier bezorgt een afschrift van het (geregulariseerd) verzoekschrift aan de verweerder, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is en aan de belanghebbenden bij de zaak, voor zover zij kunnen worden bepaald.
Het tijdstip waarop dit afschrift wordt overgemaakt, is verschillend naar gelang de Raad van oordeel is of de vereenvoudigde behandeling toegepast kan worden of niet.
Vereenvoudigde behandeling Wordt het verzoekschrift, al dan niet na regularisatie, in het register ingeschreven, dan bestaat de eerstvolgende stap erin dat de Raad onderzoekt of het beroep voor de procedure van vereenvoudigde behandeling in aanmerking komt. De vereenvoudigde behandeling is een aangepaste procedure die het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten voor eenvoudig te berechten beroepen heeft ingevoerd. Het gaat om beroepen waaruit op grond van een eenvoudige lezing van het verzoekschrift of van de bijgevoegde stukken blijkt dat ze doelloos of kennelijk niet-ontvankelijk zijn of dat de Raad kennelijk onbevoegd is. Bij deze procedure wordt enkel de verzoeker betrokken. De Raad doet op zeer korte termijn uitspraak. Besluit de Raad dat het beroep doelloos of kennelijk niet-ontvankelijk is of dat hij kennelijk onbevoegd is, dan is de procedure afgelopen.
De gewone procedure neemt een aanvang als de Raad na registratie van het verzoekschrift of onmiddellijk heeft afgezien van de procedure van vereenvoudigde behandeling of bij arrest heeft besloten dat de voorwaarden niet vervuld zijn om het beroep volgens de procedure van vereenvoudigde behandeling te berechten.
Zoals vermeld wordt een afschrift van het verzoekschrift betekend aan de verweerder, het betrokken college van burgemeester en schepenen en de belanghebbenden opgesomd in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, van de Codex.
Indien de Raad van oordeel is dat de vereenvoudigde procedure geen toepassing kan vinden, wordt het afschrift van het verzoekschrift overgemaakt zodra het afschrift in het register ingeschreven is.
Indien er wel toepassing wordt gemaakt van de vereenvoudigde behandeling, zal het afschrift van het verzoekschrift maar worden overgemaakt als de Raad niet besluit dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is. In dat geval wordt het afschrift van het verzoekschrift overgemaakt op het ogenblik dat de uitspraak wordt betekend aan de verzoeker.
Besluit de Raad dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, is het niet nodig dat een afschrift van het verzoekschrift overgemaakt wordt. De procedure is dan immers afgelopen. Een afschrift van het verzoekschrift overmaken zou dan slechts verwarring en onzekerheid oproepen.
Tussenkomst De betekening van een afschrift van het verzoekschrift doet voor de in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, van de Codex bepaalde belanghebbenden een vervaltermijn van twintig dagen ingaan om een verzoekschrift tot tussenkomst in de procedure tot schorsing, de procedure tot vernietiging dan wel beide procedures in te dienen.
Schorsing Wordt een enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging ingediend, dan verlopen de procedure tot schorsing en de procedure tot vernietiging opeenvolgend. De vordering tot schorsing wordt dus eerst afgehandeld.
De verweerder beschikt over een vervaltermijn van twintig dagen om het administratieve dossier en een nota met opmerkingen in te dienen. Die termijn gaat in na de betekening van een afschrift van het verzoekschrift.
Aan te stippen is dat de verzoeker tot tussenkomst, voor zover hij (ook) wil tussenkomen in de schorsingsprocedure, in zijn verzoekschrift tot tussenkomst meteen ook een schriftelijke uiteenzetting betreffende de vordering tot schorsing moet opnemen.
Omdat de vordering tot schorsing op korte termijn moet worden berecht, wordt daarvoor geen aparte termijn toegekend.
De partij die in de schorsingsprocedure aan het kortste eind heeft getrokken, zal op grond van artikel 4.8.19 van de Codex een verzoekschrift tot voortzetting van de procedure moeten indienen om het beroep tot vernietiging behandeld te zien worden. Heeft de Raad de bestreden beslissing geschorst, dan is het aan de verweerder of de tussenkomende partij om een verzoek tot voortzetting in te dienen. Als de voortzetting niet wordt gevraagd, dan zal de beslissing volgens een versnelde rechtspleging worden vernietigd. Heeft de Raad de vordering tot schorsing verworpen, dan ligt het initiatief bij de verzoeker. Als hij geen verzoek tot voortzetting indient of hij doet dat laattijdig, wordt de verzoeker op onweerlegbare wijze vermoed afstand van geding te doen. De partijen hebben het recht om vooraf te worden gehoord.
Vernietiging Het tegensprekelijk vooronderzoek in de vernietigingsprocedure bestaat uit het indienen van een antwoordnota door de verweerder, van een wederantwoordnota door de verzoeker en, als er een belanghebbende is tussengekomen, van een schriftelijke uiteenzetting door de tussenkomende partij.
Als alleen de vernietiging wordt gevorderd, beschikt de verweerder over een vervaltermijn van vijfenveertig dagen om het administratieve dossier en een antwoordnota in te dienen. Die termijn gaat in na de betekening van een afschrift van het verzoekschrift. De vervaltermijn voor de tussenkomende partij om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen, wordt op dertig dagen vastgesteld. Die termijn neemt een aanvang na de betekening van de uitspraak van de Raad waarbij het verzoekschrift tot tussenkomst ontvankelijk is verklaard.
Als een enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging is ingediend, wordt de vernietigingsprocedure, zoals gezegd, maar voortgezet als, naargelang het geval, de verzoeker, de verweerder dan wel de tussenkomende partij tijdig een verzoekschrift tot voortzetting hebben ingediend.
Heeft de Raad de schorsing bevolen, dan beschikt de verweerder na de betekening van het schorsingsarrest over een vervaltermijn van dertig dagen om een antwoordnota in te dienen. Dat de termijn op dertig - en geen vijfenveertig - dagen wordt vastgesteld, is verantwoord : de verweerder beschikte al over een termijn van twintig dagen in de schorsingsprocedure om zijn beslissing te verdedigen. De tussenkomende partij beschikt over diezelfde termijn van dertig dagen na de betekening van het schorsingsarrest om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.
Heeft de Raad de vordering tot schorsing verworpen, dan gaat de vervaltermijn van dertig dagen voor de verweerder en de tussenkomende partij in na de betekening van het verzoekschrift tot voortzetting dat de verzoeker heeft ingediend.
Nadat hem een afschrift van de antwoordnota - en bij tussenkomst ook een afschrift van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij - is betekend, heeft de verzoeker een vervaltermijn van dertig dagen om een wederantwoordnota in te dienen. Heeft de verweerder geen (tijdige) antwoordnota ingediend, dan mag de verzoeker de wederantwoordnota door een toelichtende nota vervangen.
Na afloop van het vooronderzoek organiseert de Raad de zitting waarop het beroep tot vernietiging wordt behandeld en in voorkomend geval de getuigen worden gehoord. Daarna worden de debatten gesloten en neemt de Raad de zaak in beraad. De Raad heeft in overeenstemming met artikel 4.8.28, § 1, tweede lid van de Codex een ordetermijn van zestig dagen na de zitting om uitspraak te doen.
Tussengeschillen : bestuurlijke lus en bemiddeling Een zeer belangrijke innovatie van het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten is dat de uitspraakbevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden verruimd. Het opzet van deze bevoegdheidsuitbreiding bestaat erin dat de Raad een oplossingsgerichte rechtspraak ontwikkelt. De vernietiging van de bestuursbeslissing als het uitsluitende doel van de procedure moet plaats maken voor uitspraken die het geschil definitief oplossen. Om die doelstelling te verwezenlijken, verleent het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten de Raad de bevoegdheid om een bij hem ingesteld beroep te berechten door middel van de 'bestuurlijke lus' of door bemiddeling.
De bestuurlijke lus houdt in dat de Raad het vergunningverlenende bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om tijdens de procedure zelf de onregelmatigheden van de bestreden beslissing te (laten) herstellen, als die inderdaad herstelbaar zijn, zonder dat het tot een vernietiging komt. De vernietiging gesteund op een formalistische, remedieerbare grond beslecht wel het concrete vernietigingsberoep, maar daarmee wordt niet noodzakelijk het geschil definitief opgelost.
De uitvoering van het vernietigingsarrest vereist dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het nemen van een nieuwe beslissing de vernietigingsgrond verhelpt. Andere onrechtmatigheden die de Raad niet heeft onderzocht, kunnen dus opnieuw worden begaan.
De nieuwe beslissing kan dan op haar beurt een vernietigingsberoep bij de Raad uitlokken, vernietigd worden,...
De invoering van de bestuurlijke lus moet zoveel mogelijk uitspraken in de hand werken die het geschil definitief oplossen.
Vernietigingsarresten die het geschil maar gedeeltelijk oplossen, geen zekerheid geven over de andere aangevoerde onrechtmatigheden en tot een carrousel van procedures kunnen leiden, moeten de uitzondering worden. Als de beslissing enkel is aangetast door herstelbare onwettigheden, moet het vergunningverlenende bestuursorgaan de mogelijkheid krijgen om die nog in de loop van de rechterlijke procedure zelf recht te zetten. De vernietiging zou enkel mogen worden uitgesproken op grond van een onherstelbare onwettigheid, zodat het vergunningverlenende bestuursorgaan meteen weet dat het niet opnieuw dezelfde beslissing kan nemen.
Artikel 4.8.4 van de Codex bepaalt reeds de essentiële elementen van het verloop van de bestuurlijke lus. Het initiatief ligt in handen van de Raad. Oordeelt hij dat de bestuurlijke lus kan worden toegepast, dan bepaalt de Raad bij tussenarrest welke onregelmatigheden binnen welke termijn kunnen worden hersteld. Het vergunningverlenende bestuursorgaan beslist of hij van die mogelijkheid gebruik maakt. Als het vergunningverlenende bestuursorgaan daarop ingaat, hebben de andere partijen de mogelijkheid tot tegenspraak. De Raad bepaalt hoe de procedure wordt voortgezet.
De bestuurlijke lus wordt procedureel verder uitgewerkt.
Van dezelfde filosofie van oplossingsgerichte rechtspraak getuigt de invoering van de bemiddeling als alternatieve vorm van geschillenbeslechting. Artikel 4.8.5 van de Codex biedt daarvoor de wettelijke grondslag. Het doel van bemiddeling bestaat erin dat de partijen door middel van een rechtstreekse dialoog onder leiding van een bemiddelaar een voor iedereen aanvaardbare oplossing voor hun geschil zoeken. Achter de indiening van een beroep tot vernietiging kunnen diverse behoeften en belangen schuilgaan waaraan tot op verschillende wijzen kan worden tegemoetgekomen zonder dat de vernietiging hoeft te worden uitgesproken. In die gevallen waarin er onderhandelingsmarge en bereidheid tot dialoog bestaat, is het een goede zaak dat de partijen zelf de kans wordt gegeven om binnen welbepaalde wettelijke krijtlijnen samen naar een oplossing te zoeken die voor iedereen bevredigbaar is.
De basisbeginselen die voor elke bemiddeling gelden, werden reeds in de Codex geregeld.
In uitvoering van artikel 4.8.5, § 5, van de Codex worden de aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling bepaald.
Opheffing of herziening Op grond van artikel 4.8.32 van de Codex zijn de arresten die de Raad heeft uitgesproken vatbaar voor opheffing of herziening.
De vordering tot opheffing staat open tegen een arrest waarbij de schorsing is bevolen. Dat gebeurt niet ambtshalve, maar op verzoek van een van de partijen. Deze proceduremogelijkheid kan worden gebruikt wanneer de schorsing als gevolg van gewijzigde omstandigheden niet langer gerechtvaardigd zou zijn, bijvoorbeeld omdat na het schorsingsarrest het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoeker verdwenen of aanzienlijk verminderd is.
Tegen een eindarrest over het beroep tot vernietiging kan een beroep tot herziening worden ingesteld. Zoals de vordering tot opheffing, kan ook dit rechtsmiddel enkel worden ingesteld door personen die bij het eindarrest partij waren. De herziening kan enkel worden gevorderd als na de uitspraak van het eindarrest doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het eindarrest werd gewezen op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
De nadere regelen voor de toepassing van de procedureregeling worden nu bepaald.
Op 19 juni 2012 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een gunstig advies verleend over dit besluit.
Op 3 juli 2012 verleende de Raad van State advies nr. 51.611/1.
Daar waar er opmerkingen geformuleerd werden bij specifieke artikelen, zal bij betreffende artikelen aangegeven worden hoe met het advies van de Raad van State werd omgegaan.
In het algemeen merkte de Raad van State op dat « 4.1.2. Ingevolge amendering bevat het op 27 juni 2012 aangenomen hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex één artikel minder dan de versie van dat hoofdstuk in het oorspronkelijke voorstel van wijzigingsdecreet, met als gevolg dat elk artikel volgend op het weggelaten artikel - te weten, het voorgestelde artikel 4.8.11 - in de aangenomen tekst is vernummerd. Met dat gegeven is in het om advies voorgelegde ontwerp echter geen rekening gehouden, noch in de aanhef, bij de opgave van de rechtsgrond biedende bepalingen, noch in het dispositief. Er zijn daarnaast ook nog andere amenderingen van het oorspronkelijke voorstel die tot gevolg hebben dat verwijzingen in de aanhef en het dispositief van het ontwerp (en in het bijbehorende verslag aan de Vlaamse Regering) naar bepalingen van het genoemde hoofdstuk dienen te worden aangepast. » « 4.1.3. De verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp, alsook de in het dispositief opgenomen verwijzingen naar bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex, dienen dan ook, om onder meer rekening te houden met de hiervoor genoemde amenderingen, geheel te worden nagezien en verbeterd. Bovendien verdient het aanbeveling om, wat de rechtsgrond biedende bepalingen betreft, een aantal verwijzingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp preciezer te redigeren. » Deze preciseringen en aanpassingen werden aangebracht.
Zo ook stelde de Raad van State dat : « 5. De Vlaamse minister die bevoegd is voor de begroting heeft op 14 juni 2012 zijn akkoord verleend.
Van dat akkoord dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het lid waarin wordt verwezen naar het advies van de inspecteur van Financiën. » De verwijzing naar dit akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting werd opgenomen.
Overeenkomstig Omzendbrief VR/2009/4 betreffende de wetgevingstechniek wordt, als het akkoord van de minister vereist is, in de aanhef van het besluit van de Vlaamse Regering alleen dat akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, en niet het advies van de Inspectie van Financiën vermeld. 2. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1.- Algemene en institutionele bepalingen Artikel 1 definieert een aantal begrippen.
Artikel 2 bevestigt de zetel van de Raad. HOOFDSTUK 2. - Rechtspleging Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Artikel 3 stelt dat partijen zich in een procedure voor de Raad kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
Is deze raadsman geen advocaat, zal hij van een volmacht doen blijken.
Deze volmacht wordt aan de Raad bezorgd zodra deze raadsman zich manifesteert. Ontbreekt de volmacht, dan wordt de betrokken partij geacht niet bijgestaan of vertegenwoordigd te zijn en het betrokken processtuk geacht niet te zijn ingediend.
Artikel 4 bepaalt de berekeningswijze van de termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII, Codex en dit besluit.
De termijnen gaan in op een van volgende momenten : - de dag na deze van de betekening, wanneer een betekening vereist is, - de dag na de dag van opname in het vergunningenregister, in het geval van artikel 4.8.11, § 2, 2°, b) of 3°, b) van de Codex (inzake validerings- resp. registratiebeslissingen), - de dag na deze van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen.
Onder betekening wordt verstaan de aanbieding van de zending door de postdiensten, niet de feitelijke kennisneming van de zending door de partij op een later tijdstip. Deze wordt geacht te gebeuren de werkdag na datum van de poststempel van de ter post aangetekende brief.
Met andere woorden, een aangetekende brief die op maandag 16 januari aangetekend verstuurd wordt, wordt geacht op dinsdag 17 januari aangeboden te worden. De termijnen gaan dan in op woensdag 18 januari.
Een aangetekende brief die op vrijdag 20 januari aangetekend verstuurd wordt, wordt geacht op maandag 23 januari aangeboden te worden. De termijnen gaan dan in op dinsdag 24 januari.
Dit is ook het geval als de bestemmeling van de aangetekende brief niet thuis is, en een week zou wachten om de brief af te halen bij het postkantoor.
De Raad van State stelde over het initieel geformuleerde artikel dat « 6. In artikel 4, § 2, van het ontwerp is geen rekening gehouden met het geval vermeld in artikel 4.8.11, § 2, 2°, b), van de Codex. Dit dient te worden verholpen.
Bovendien spoort de toelichting bij artikel 4, § 2, van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering niet met de tekst van die bepaling, aangezien in die toelichting gewag wordt gemaakt van termijnen die ingaan, « hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer een betekening vereist is, hetzij de dag na deze van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen ». Ter wille van de rechtszekerheid dient dit eveneens te worden verholpen. » Ook aan deze opmerking werd tegemoetgekomen.
Zo werd in het besluit van de Vlaamse Regering de verwijzing naar artikel 4.8.11, § 2, 2°, b), van de Codex verwerkt in § 2, eerste lid, 2°, waar er reeds sprake was van een opname in het vergunningenregister.
Ook Verslag aan de Vlaamse Regering werd aangevuld met dit startpunt van het berekenen van termijnen.
Artikel 5 bepaalt dat partijen woonplaatskeuze moeten doen.
Voor de verzoeker en tussenkomende partij betekent dit in het verzoekschrift, voor de verweerder in zijn nota.
Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende proceshandelingen, tenzij een partij uitdrukkelijk en per beveiligde zending uitdrukkelijk aangeeft dat zij haar keuze wijzigt.
Artikel 6 bepaalt dat partijen vier voor eensluidend verklaarde afschriften van elk origineel verzoekschrift of processtuk aan de Raad bezorgen. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de verzoekschriften en processtukken die de betrokken partijen van de Raad ontvangen, overeenstemmen met wat er werd ingediend.
Artikel 7 bevat nadere regels omtrent de inventaris van de stukken en het administratieve dossier.
Artikel 8 regelt de kennisname van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.
Artikel 9 verduidelijkt dat een verzoeker niet verplicht is een door hem ingesteld beroep te blijven handhaven, maar dat hij in elke stand van het geding uitdrukkelijk afstand kan doen van het door hem ingestelde beroep.
Het gaat in dit artikel over de vrijwillige afstand van geding.
De decreetgever heeft immers in een vermoeden van afstand van geding ingesteld, zoals bijvoorbeeld bij het niet indienen van een verzoek tot voortzetting door de verzoeker als de vordering tot schorsing door de Raad werd afgewezen.
Artikel 10 geeft de mogelijkheid weer dat beroepen die onderling zeer nauw verbonden zijn, samengevoegd kunnen worden.
De kamer waar de beroepen aanhangig zijn, beslist hier vrij over. Zijn de beroepen aanhangig bij verschillende kamers, kan de voorzitter de kamer aanwijzen die de samengevoegde beroepen zal behandelen. Afdeling 2. - Aanhangigmaking
Het eerste lid van artikel 11 geeft de wijze van aanhangingmaking van een beroep weer.
Het tweede lid verplicht de dagtekening van het verzoekschrift en somt de gegevens op die het verzoekschrift moet bevatten.
Let wel, het is de datum van de poststempel die bewijskracht heeft voor zowel de verzending als de ontvangst. Bij afgifte tegen ontvangstbewijs wanneer een verzoekschrift of ander processtuk neergelegd wordt ter griffie van de Raad, geldt de datum van het ontvangstbewijs als datum van betekening.
Het opschrift verschilt dus naargelang een vordering tot vernietiging wordt ingesteld, dan wel een vordering tot vernietiging met vordering tot schorsing. Conform artikel 4.8.15 van de Codex worden de vordering tot schorsing en de vordering tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid in één en hetzelfde verzoekschrift ingesteld.
Het derde lid van het besluit van de Vlaamse Regering geeft de stukken weer die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd.
Artikel 12 vraagt de verzoeker om een kopie van zijn verzoekschrift ter informatie aan de verweerder en de begunstigde van de bestreden beslissing te bezorgen.
Artikel 13 bevat de regularisatiemogelijkheid die voor de inwerkingtreding van het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten in artikel 4.8.17 van de Codex opgenomen was.
In zes gevallen zal de griffier het verzoekschrift niet op het register inschrijven.
De griffier zal de verzoeker hiervan verwittigen, zodat deze de kans heeft zijn verzoekschrift te regulariseren, dit binnen acht dagen.
Deze termijn is voldoende lang, omdat enkel formele vormvereisten regulariseerbaar zijn.
Een tijdig-geregulariseerd verzoekschrift wordt geacht te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending. Een niet, onvolledig of laattijdig geregulariseerd verzoekschrift wordt geacht niet te zijn ingediend.
Artikel 14 regelt de toewijzing van de zaak aan de bevoegde kamer.
Artikel 15 duidt de personen aan, aan wie de griffier een afschrift van het verzoekschrift moet overmaken. De drie categorieën die voorheen in de Codex stonden, worden behouden. De griffier stelt tevens verzoeker en verweerder in kennis van de samenstelling van de bevoegde kamer. Afdeling 3. - Vereenvoudigde behandeling
Artikel 16 werkt de vereenvoudigde behandeling, opgenomen in artikel 4.8.14 van de Codex verder uit. Zo moet de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid binnen een ordetermijn van dertig dagen na de datum van registratie oordelen of de vereenvoudigde procedure van toepassing is. Deze vaststellingen worden overgemaakt aan de verzoeker.
De verzoeker kan bij zijn verantwoordingsnota overtuigingsstukken indienen, die beperkt zijn tot de vaststellingen van de voorzitter.
De Raad kan beslissen de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad te nemen en doet onmiddellijk uitspraak.
Besluit de Raad niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, vindt de betekening van het verzoekschrift, vermeld in artikel 15, plaats op het ogenblik dat de uitspraak wordt betekend aan de verzoeker. Afdeling 4. - Tussenkomst
Het eerste lid van artikel 17 geeft de wijze van tussenkomst in een procedure weer.
Ook hier moet het verzoekschrift gedagtekend worden en een aantal gegevens bevatten.
Van belang is dat een belanghebbende van in het begin moet aangeven in welke procedure (schorsingsprocedure, de vernietigingsprocedure dan wel beide) hij wenst tussen te komen (art. 17, tweede lid).
Komt een partij tussen in de schorsingsprocedure, moet haar verzoekschrift meteen al de schriftelijke uiteenzetting over de vordering tot schorsing bevatten.
Het derde lid geeft de stukken weer die een verzoeker tot tussenkomst bij zijn verzoekschrift moet voegen.
Artikel 18, § 1, geeft de vervaltermijn aan waarbinnen een belanghebbende die wenst tussen te komen, dit dient te doen. Bij ontstentenis van een betekening kan de Raad een latere tussenkomst toelaten, op voorwaarde dat dergelijke latere tussenkomst de procedure niet vertraagt.
Artikel 4.8.21, § 4, Codex machtigt de Vlaamse Regering de nadere regels betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten te bepalen.
Aanvankelijk voorzag voorliggend besluit niet in de mogelijkheid tot regularisatie.
De reden hiervoor was dat de Raad een pragmatische oplossing hiervoor had, die in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het principieel goedgekeurde ontwerpbesluit opgenomen was.
De Raad van State stelde hierover echter : « In de toelichting bij artikel 18 van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering wordt een bestaande praktijk ingeroepen om af te zien van de uitvoering van het aangenomen artikel 4.8.21, § 4, van de Codex, naar luid waarvan de Vlaamse Regering de nadere regels bepaalt betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten in dat verband.
Die praktijk behoort in het ontwerpen besluit uitdrukkelijk te worden opgenomen, zo niet wordt geen uitvoering gegeven aan de voornoemde bevoegdheidsopdracht aan de Vlaamse Regering, welke immers van niet-facultatieve aard is. » Aan deze opmerking van de Raad van State werd tegemoet gekomen door de bepalingen van het initieel artikel 29 op te nemen als bepalingen van paragraaf 1.
Paragraaf 2 regelt nu uitdrukkelijk de gevallen waarin regularisatie van het verzoekschrift tot tussenkomst mogelijk is.
Er worden uiterste tijdstippen ingeschreven die overeenstemmen met tijdstippen in de procedure zelf, waardoor de regularisatie de procedure niet vertraagt.
Een verzoeker tot tussenkomst kan vanzelfsprekend eerder dan deze tijdstippen zijn verzoek in orde brengen. Afdeling 5. - Schorsing
Artikel 19 inzake het vooronderzoek bepaalt de termijn waarbinnen de verweerder het administratieve dossier moet indienen.
Binnen deze termijn kan de verweerder een nota over de gevorderde schorsing indienen.
Artikel 20 behandelt de organisatie van de schorsingszitting, met name plaats, dagstelling en termijn voor inzage van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.
De beschikking van de kamervoorzitter wordt samen met de nota over de schorsing en het verzoekschrift tot tussenkomst overgemaakt aan de partijen.
Artikel 21 geeft het verloop van de zitting weer.
Artikel 22 somt de gegevens op die in een schorsingsarrest moeten worden vermeld.
De Raad van State merkte in zijn advies nr. 51.611/1 op dat « 8. Artikel 22, 1°, van het ontwerp dient aan het einde te worden aangevuld met de woorden « of bijstaat », terwijl in punt 2° van hetzelfde artikel het woord « advocaten » dient te worden vervangen door het woord « raadsmannen ». » Aan deze opmerking werd tegemoetgekomen, met dien verstande dat de woorden « of bijstaat » werden ingevoegd (niet op het einde aangevuld) om de terminologie van de Codex (cfr. art. 4.8.6) en het besluit (cfr. art. 3) te bewaren.
Artikel 23 bevat het uitvoeringsformulier.
Artikel 24 verduidelijkt dat een afschrift van het schorsingsarrest aan de partijen wordt bezorgd.
De griffier wijst de partijen op de bepalingen inzake het verzoek tot voortzetting en de gevolgen als partijen geen verzoek tot voortzetting indienen.
Als gevolg van een materiële vergissing werd in het ontwerp van besluit alleen verwezen naar 4.8.19, eerste lid, van de Codex (arrest waarbij de schorsing wordt bevolen), terwijl er ook moet worden verwezen naar het tweede lid van dit artikel (arrest waarbij de schorsing wordt verworpen). Deze verwijzing werd in het definitieve besluit aangevuld.
Artikel 25 bepaalt de wijze waarop het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, bedoeld in artikel 4.8.19 van de Codex, moet worden ingediend door de partijen en overgemaakt door de griffier.
Artikel 26 geeft aan wat er gebeurt als de Raad de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schorst en de verweerder of de tussenkomende partij geen verzoek tot voortzetting indient. De kamer zal in dat geval uitspraak doen over de vordering tot vernietiging, na al dan niet de partijen die hierom verzocht hebben, gehoord te hebben.
Artikel 27 daarentegen geeft aan wat er gebeurt als de Raad de vordering tot schorsing verwerpt en de verzoeker geen verzoek tot voortzetting indient. In dat geval zal de kamer ten aanzien van de verzoeker de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoeker binnen vijftien vraagt te worden gehoord. De kamervoorzitter zal dan de partijen oproepen te verschijnen en vervolgens uitspraak doen over de afstand van geding.
Hebben verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een enig verzoekschrift ingediend en wordt een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen ingediend, worden de anderen geacht afstand te doen van geding. Afdeling 6. - Vernietiging
Artikel 28 handelt over de mogelijkheid van de verweerder om een antwoordnota in te dienen.
Hij beschikt over vijfenveertig dagen deze antwoordnota en het administratieve dossier in te dienen als de procedure alleen een vernietigingsprocedure betreft.
Beschikt de verweerder niet over het administratieve dossier, moet deze de griffie hiervan op de hoogte stellen, zodat de griffier op verzoek van de Raad de mededeling hiervan aan het bestuursorgaan dat het administratieve dossier onder zich heeft, kan vorderen.
Indien de procedure zowel een schorsings- als een vernietigingsprocedure betreft, beschikt de verweerder over dertig dagen voor het indienen van de antwoordnota.
Artikel 29 biedt de tussenkomende partij de mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Het beginpunt van de termijn van dertig dagen waarbinnen zij dit moet doen, verschilt naargelang het verzoekschrift een vordering tot vernietiging bevat dan wel een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing.
Artikel 30 legt de griffier op een afschrift van de antwoordnota te betekenen aan de verzoeker en deze in kennis te stellen van de neerlegging van het administratieve dossier. In geval van een tussenkomst, betekent de griffier gelijktijdig een afschrift van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij.
Artikel 31 biedt de verzoeker de mogelijkheid te reageren middels een wederantwoordnota, dit binnen dertig dagen.
Een afschrift van deze wederantwoordnota wordt aan de verweerder en de eventueel tussenkomende partijen bezorgd.
Op basis van artikel 32 mag de verzoeker, als de verweerder geen tijdige antwoordnota heeft ingediend, de wederantwoordnota vervangen door een toelichtende nota.
Artikel 33 herneemt, samen met artikel 34, § 2 en artikel 62, de regeling inzake het getuigenverhoor, zoals opgenomen was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
29/05/2009
pub.
26/08/2009
numac
2009035776
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen
sluiten tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen.
Wel is het zo dat een partij die wenst dat een getuige wordt gehoord, dit met een afzonderlijk gemotiveerd verzoek zal dienen aan te geven.
Het risico bestaat immers dat een verzoek tot het horen van getuigen, pas zeer laat bij de inhoudelijke voorbereiding van het dossier opgemerkt wordt, waardoor de procedure nodeloos vertraging zou oplopen. Door een afzonderlijk verzoek te richten aan de Raad, kan het op eenvoudige manier opgemerkt worden door de griffiemedewerkers.
Tevens wordt ingeschreven dat het verschuldigde getuigengeld gestort wordt op rekening van het Grondfonds.
Artikel 34 behandelt de organisatie van de vernietigingszitting, met name plaats, dagstelling en termijn voor inzage van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.
De beschikking van de kamervoorzitter wordt overgemaakt aan de partijen en getuigen, en geldt ten aanzien van de getuigen als oproeping.
Artikel 35 geeft het verloop van de zitting weer.
Artikel 36 stelt dat een vernietigingsarrest dezelfde gegevens bevat als deze die in een schorsingsarrest moeten worden vermeld.
Artikel 37 verwijst naar het uitvoeringsformulier dat op een arrest aangebracht moet worden. Afdeling 7. - Tussengeschillen
Artikel 38 en volgende werken de bestuurlijke lus verder uit. Zo dient de Raad in zijn tussenuitspraak te vermelden op welke wijze en binnen welke termijn de onregelmatigheid kan worden hersteld.
Artikel 39 bepaalt dat de griffier de tussenuitspraak waarmee de bestuurlijke lus wordt bevolen, meedeelt aan de partijen.
De griffier brengt de partijen op de hoogte of het vergunningverlenende bestuursorgaan van de hem geboden mogelijkheid gebruik maakt.
Het vergunningverlenende bestuursorgaan laat vervolgens de Raad weten op welke wijze het de onregelmatigheid heeft hersteld. De griffier brengt de partijen hiervan op de hoogte.
Vervolgens krijgen de partijen de mogelijkheid om hun zienswijze mee te delen over de wijze waarop de onregelmatigheid is hersteld.
Het wordt aan de Raad gelaten om aan te geven op welke wijze het beroep verder wordt behandeld. Dit is immers afhankelijk van het stand in de procedure waarin de bestuurlijke lus toegepast werd, het al dan niet gebruik door het vergunningverlenende bestuursorgaan van de geboden mogelijkheid, de wijze van herstel, de zienswijze van de partijen en vanzelfsprekend de rechten van de partijen.
Artikel 40 biedt de mogelijkheid aan partijen bemiddeling ter vragen.
Het verzoek tot bemiddeling moet een aantal gegevens bevatten en ondertekend worden door alle partijen of hun raadsman.
Partijen die een persoon (of instantie) als bemiddelaar voordragen, zullen moeten aangeven dat de voorgedragen externe bemiddelaar voldoet aan de voorwaarden, bepaald in artikel 4.8.5, § 2, van de Codex, om als bemiddelaar te kunnen optreden.
Om bemiddeling alle kansen te geven, krijgen partijen de mogelijkheid om het verzoek tot bemiddeling dat niet aan de vormvereisten voldoet, te regulariseren.
Artikel 41 geeft aan dat partijen ook tijdens een zitting de Raad om een bemiddelingspoging kunnen verzoeken.
Artikel 42 stelt dat de kamer bij tussenarrest uitspraak doet over het verzoek tot bemiddeling. Het tussenarrest waarbij het verzoek tot bemiddeling wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk een aantal gegevens. Wijst de Raad een verzoek tot bemiddeling af, motiveert hij waarom.
Op grond van artikel 43 dient de bemiddelaar te laten weten of hij zijn opdracht aanvaardt. Bij aanvaarding bezorgt de griffier hem een afschrift van het administratieve dossier.
Artikel 44 legt het verdere verloop van de bemiddeling vast.
Artikel 45 geeft weer hoe de Raad het verloop van de bemiddeling opvolgt. Partijen dienen de kamer op de hoogte te houden.
Bereiken partijen een bemiddelingsakkoord, kunnen de partijen de bekrachtiging ervan vragen. Decretaal werd reeds bepaald dat een bekrachtiging slechts geweigerd kan worden als het akkoord strijdig is met de openbare orde, regelgeving en stedenbouwkundige voorschriften.
Bereiken partijen geen akkoord, kunnen ze om een nieuwe bemiddelingstermijn verzoeken. Het tussenarrest waarbij dit verzoek voor een nieuwe bemiddelingstermijn wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk de nieuwe termijn en de datum waarnaar de zaak is verdaagd.
Heeft de bemiddeling geen resultaat of stelt de Raad vast dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, zal de voortzetting van de jurisdictionele procedure worden bevolen.
Artikel 46 bevat de regeling inzake gedinghervatting.
De rechtspleging wordt geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris op te maken en te beraadslagen.
Overeenkomstig de regeling in artikel 795 van het Burgerlijk Wetboek bedraagt deze termijn 3 maanden en 40 dagen.
Artikel 47 bevat de nadere regelen over de wijze waarop de rechthebbenden van de overledene het geding kunnen hervatten en de stukken die zij bij het verzoekschrift moeten voegen.
Artikel 48 stelt dat de rechtspleging geldig hervat wordt tegen de rechthebbenden van de overledene, bij verzoekschrift.
Artikel 49 bepaalt dat in de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, dit gebeurt door een verklaring ter griffie. Afdeling 8. - Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
Artikel 50 geeft uitvoering aan artikel 4.8.31 van de Codex, en bevat de nadere regelen betreffende het opleggen van de geldboete.
De Raad van State deed wat dit artikel betreft, volgende suggestie : « 9. In artikel 50 van het ontwerp dient wellicht nog een bepaling te worden ingevoegd die voorziet in de betekening van het arrest dat de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep oplegt aan de partijen of minstens aan de partij die ertoe wordt veroordeeld. » Aldus werd in het besluit opgenomen dat de griffier een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep, aan de partijen zendt. Deze bepaling hanteert dezelfde terminologie als reeds in het besluit te vinden is. Afdeling 9. - Verzoek tot opheffing of verbetering of beroep tot
herziening Artikel 51 bepaalt dat een vordering tot opheffing ingesteld wordt bij verzoekschrift dat ondertekend is door een partij of haar raadsman, een aantal verplichte vermeldingen bevat en waar een aantal stukken bij gevoegd zijn.
Iedere partij kan een aanvullend dossier en een nota met opmerkingen over de gevorderde opheffing indienen.
Vervolgens vindt een zitting plaats waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
De verzoeker tot opheffing zal op deze zitting moeten verschijnen of vertegenwoordigd worden, zoniet wordt zijn vordering afgewezen.
De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering.
Artikel 52 behandelt de uitzonderlijke situatie van een beroep tot herziening.
Het instellen van dergelijk beroep kan slechts binnen een termijn van 45 dagen en bij ondertekend en gedagtekend verzoekschrift.
Het beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen. Ook hier zal de verzoeker tot herziening op deze zitting moeten verschijnen of vertegenwoordigd worden.
Artikel 53 bevat de mogelijkheid voor de Raad om een verbeterend arrest uit te spreken als een arrest een materiële vergissing bevat. Afdeling 10. - Kosten
Artikel 54 bevat een indexatiebepaling voor wat betreft eventueel verschuldigde bedragen, alsook een afrondingsregel.
Artikel 55 herneemt de bedragen van de rolrechten, alsook de vrijstelling voor de leidend ambtenaar van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en voor mensen men een ontoereikend inkomen, zoals deze opgenomen waren in het
besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
29/05/2009
pub.
26/08/2009
numac
2009035776
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen
sluiten tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen.
Deze vrijstelling voor de leidend ambtenaar van het departement RWO is verantwoord op basis van het 'vestzak, broekzak' principe.
Immers, de middelen die deze leidend ambtenaar nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie, worden uitgetrokken op de begroting voor het Vlaams Gewest.
De rechten voor procedures bij de Raad worden gestort op rekening van het Grondfonds, dat onder meer over middelen beschikt, toegekend door het Vlaams Gewest.
Indien de leidend ambtenaar van het departement RWO een rolrecht verschuldigd zou zijn, zal het Vlaams Gewest bijkomende middelen moeten voorzien voor de betaling van dit recht. Dit zal een weerslag hebben op de middelen die het Vlaams Gewest toekent aan het Grondfonds, fonds waarop de rolrechten gestort worden.
Dit zou een bijkomende inzet van het personeel en een exponentiële toename van de verwerkingskosten met zich mee brengen, die vermeden worden door het vrijstellen van de leidend ambtenaar van het departement RWO van de betaling van rolrechten.
Artikel 56 verplicht de storting van het verschuldigde rolrecht op rekening van het Grondfonds.
Daar waar artikel 57, samen met artikel 32 en artikel 34, § 2, de regeling inzake het getuigenverhoor hernam, met inbegrip van de regeling inzake het getuigengeld, oordeelde de Raad van State in zijn advies van 3 juli 2012 dat : « 4.2 Artikel 57, tweede lid, van het ontwerp bepaalt dat de Raad nadere regels vaststelt in het reglement van orde voor de begroting van het getuigengeld, de inning en de teruggave van de voorschotten en de wijze van betaling van het getuigengeld.
Er dient te worden vastgesteld dat het aangenomen artikel 4.8.28, § 2, tweede lid, van de Codex het uitsluitend aan de Vlaamse Regering opdraagt om de regelen te bepalen volgens welke het getuigengeld wordt begroot en toegekend. De Vlaamse Regering kan dan ook wat dat betreft, zonder uitdrukkelijke machtiging verleend door de decreetgever, [] geen verordenende bevoegdheid verlenen aan de Raad. Artikel 57, tweede lid, dient derhalve uit het ontwerp te worden weggelaten en de nadere regelen waarvan sprake in dat lid dienen door de Vlaamse Regering zelf te worden vastgesteld. Het ontwerp zal met bepalingen in die zin dienen te worden aangevuld. » Hieraan werd tegemoet gekomen door de delegatie aan de Raad te schrappen, en de begroting van het getuigengeld in voorliggend besluit te regelen.
Naar analogie met de regeling bij de Raad van State werd toegevoegd dat de kosten voor het vervoer op de voordeligste wijze in het getuigengeld begrepen moeten zijn.
Dit artikel dient bovendien in samenhang met artikel 33 gelezen te worden, waarin reeds een aantal bepalingen omtrent het getuigenverhoor terug te vinden zijn.
Artikel 58 handelt over de vergoeding voor afschriften of uittreksels van een uitspraak van de Raad, en het opsturen hiervan, en vrijstelling van betaling van de vergoeding.
Door artikel 59 worden een aantal artikelen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
29/05/2009
pub.
26/08/2009
numac
2009035776
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen
sluiten opgeheven.
Artikel 60 regelt de inwerkingtreding van dit besluit en het
decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
24/08/2012
numac
2012035986
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
type
decreet
prom.
06/07/2012
pub.
17/08/2012
numac
2012204505
bron
vlaamse overheid
DECREET houdende instemming met het besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben
sluiten.
De Raad van State merkte terecht het volgende op i.v.m. deze inwerkingtredingsbepaling : « 4.3. Artikel 60, 1°, van het ontworpen besluit, dat de inwerkingtreding regelt van het aangenomen decreet 'houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft' (niet : « tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen »), vindt rechtsgrond in artikel 12 van dat decreet.
Daarvan dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het eerste lid, dat de verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen van de Codex bevat. » Deze aanvulling in de aanhef werd dan ook doorgevoerd.
Artikel 61 behoeft geen verdere toelichting.
De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS
ADVIES 51.611/1 VAN 3 JULI 2012 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste kamer, op 29 juni 2012 door de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de rechtspleging voor de raad voor Vergunningsbetwistingen', heeft het volgende advies gegeven : 1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid « dat op 29 januari 2012 bij het Vlaams Parlement het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, is ingediend en op 6 juni 2012 in de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed geamendeerd werd aangenomen; dat het Vlaams Parlement in plenaire vergadering op 27 juni 2012 het voorstel van decreet heeft aangenomen;
Dat het opzet hiervan erin bestaat van de Raad voor Vergunningsbetwistingen een performant en modern administratief rechtscollege te maken dat in staat is om de bij hem ingediende beroepen tot vernietiging van vergunningsbeslissingen op korte termijn te berechten, waarbij deze ambitie tot op heden niet wordt waargemaakt;
Dat het voorstel van decreet door een aantal gerichte ingrepen, waaronder de verruiming van de uitspraakbevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen door de invoering van de 'bestuurlijke lus' en de 'bemiddeling', een snelle en efficiënte rechtspleging voor deze Raad mogelijk maken;
Dat de procedurele wijzigingen die dergelijke snelle en efficiënte rechtspleging mogelijk maken, zo snel mogelijk in werking moeten treden, wat beoogd wordt met het besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen;
Dat, zolang dit besluit uitblijft, de procedurele vernieuwingen onwerkzaam en de beroepen bij betrokken Raad volgens het bestaande, ontoereikende stramien blijven behandeld;
Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit wat de nieuwe regeling van de vordering tot schorsing als afzonderlijke rechtspleging niet kan worden toegepast terwijl die regeling cruciaal is om vorderingen tot schorsing efficiënt te kunnen afhandelen;
Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit eveneens de in het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, voorziene 'efficiëntieregels', zoals het enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging en het verzoek tot voorzetting van de vernietigingsprocedure, niet toegepast kunnen worden;
Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder het besluit evenmin gebruik kan maken van de procedure van vereenvoudigde behandeling terwijl dit een middel is om beroepen waarvan na eenvoudige lectuur onmiddellijk blijkt dat ze kennelijk niet-ontvankelijk zijn of waarvoor de Raad kennelijk onbevoegd is, zodat deze beroepen momenteel de volledige procedure moeten doorlopen en aldus nodeloos tijdverlies en vertraging in de behandeling van de beroepen die wel een grondig onderzoek vereisen, veroorzaken;
Dat ook de essentiële vernieuwing die de bestuurlijke lus met zich mee zal brengen, dode letter blijft zonder uitvoeringsbesluit, terwijl de bestuurlijke lus ertoe leidt dat geschillen in de mate van het mogelijke snel, kwalitatief en definitief opgelost worden;
Dat het een grondrecht is dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan over ingediende beroepen;
Dat de verschillende gerichte ingrepen die voorzien zijn in het voorstel van decreet bijdraagt aan een versnelde uitspraak, zonder dat de snelheid ten koste gaat van de kwaliteit van de rechtsbescherming;
Dat de snelle parlementaire behandeling van het voorstel van decreet ontegensprekelijk wijst op het grote belang dat de decreetgever aan de nieuwe procedureregeling hecht als oplossing voor de achterstand van de berechting van de beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen; dat het opzet en het snelle handelen van de decreetgever de Vlaamse Regering op haar beurt verplicht alle noodzakelijke stappen op zeer korte termijn te zetten zodat de nieuwe procedureregeling snel in werking treedt en kan worden toegepast; dat het onaanvaardbaar is dat de Vlaamse Regering, gegeven de snelle behandeling in het Vlaams Parlement, zou achterblijven en talmen met de uitvoering van de procedureregeling die de decreetgever zo snel mogelijk ingevoerd wil zien ter oplossing van een maatschappelijk probleem;
Dat de Vlaamse Ombudsdienst in zijn jaarverslag 2011 opnieuw aandacht aan de dossierachterstand bij de Raad besteedt; dat die achterstand de belangrijkste constante in de klachten uit 2011 betreffende vergunningen en geheel onaanvaardbaar wordt genoemd; dat uit het jaarverslag blijkt dat rechtzoekenden onredelijk lang moeten wachten op een uitspraak van de Raad en daardoor financieel schade lijden; dat dergelijke toestanden zo snel mogelijk moeten worden beëindigd; dat de Vlaamse Ombudsman zelfs heeft aanbevolen om in het decreet een overgangsbepaling op te nemen waarbij een tijdelijke achterstandskamer wordt opgericht;
Dat er ten overvloede nog wordt gewezen op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 houdende de bekrachtiging van het reglement van orde van de Raad voor …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.