📄 Wettekst
18 JULI 2003. - Decreet betreffende het integraal waterbeleid (1)
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Doelstellingen, beginselen, organisatie, voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet is van toepassing op de watersystemen gelegen in het Vlaamse Gewest. Art. 3.§ 1. De definities opgenomen in artikel 1.1.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van toepassing op dit decreet. § 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1o Kaderrichtlijn Water : de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; 2o binnenwateren : al het permanent of op geregelde tijdstippen stilstaande of stromende water op het landoppervlak, en al het grondwater, aan de landzijde van de basislijn vanaf waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten; 3o oppervlaktewater : binnenwateren, met uitzondering van grondwater; 4o grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; 5o watervoerende laag : een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of voor de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater; 6o oppervlaktewaterlichaam : een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater; 7o grondwaterlichaam : een onderscheiden grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen of in een deel ervan; 8o rivier : een oppervlaktewaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen; 9o meer : een massa stilstaand landoppervlaktewater; 10o overgangswater : een oppervlaktewaterlichaam dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van zeewater, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromingen wordt beïnvloed; 11o kunstmatig oppervlaktewaterlichaam : een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam, dat is aangeduid door of krachtens dit decreet; 12o sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam : een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat is aangeduid door of krachtens dit decreet; 13o stroomgebiedsdistrict : het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende eraan toegewezen grondwaterlichamen, dat als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedbeheer is omschreven; 14o stroomgebied : het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, hetzij via een kanaal, hetzij via een reeks stromen, rivieren, beken en eventueel meren, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, door een riviermond in zee stroomt; 15o deelstroomgebied of bekken : het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, een reeks stromen, rivieren, kanalen en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop of een kanaal; 16o watersysteem : een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur; 17o schadelijk effect : ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen; 18o verontreinigende stof : iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse regering aangewezen stof die tot verontreiniging kan leiden; 19o prioritaire stoffen : iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse regering aangewezen verontreinigende stof; 20o prioritaire gevaarlijke stoffen : iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse regering aangewezen prioritaire stof; 21o toestand van het oppervlaktewater : de aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de chemische toestand of de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van deze toestanden; 22o goede toestand van het oppervlaktewater : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de chemische toestand, de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn; 23o toestand van het grondwater : de aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de chemische of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van beide; 24o goede toestand van het grondwater : de toestand van een grondwaterlichaam, waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn; 25o chemische toestand : de aanduiding van de concentraties van verontreinigende stoffen van een oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam ten opzichte van de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; 26o goede chemische toestand : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; 27o ecologische toestand van het oppervlaktewater : de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewaterlichaam zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de door de Vlaamse regering vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 28o goede ecologische toestand van het oppervlaktewater : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam die voldoet aan de door de Vlaamse regering voor de goede ecologische toestand vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 29o zeer goede ecologische toestand van het oppervlaktewater : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam die voldoet aan de door de Vlaamse regering voor de zeer goede ecologische toestand vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 30o ecologisch potentieel : de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de door de Vlaamse regering vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 31o matig ecologisch potentieel : de toestand van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam die voldoet aan de door de Vlaamse regering voor het matig ecologisch potentieel vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 32o goed ecologisch potentieel : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam die voldoet aan de door de Vlaamse regering voor het goed ecologisch potentieel vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 33o maximaal ecologisch potentieel : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam die voldoet aan de door de Vlaamse regering voor het maximaal ecologisch potentieel vastgestelde biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen; 34o goede eco-hydrologische toestand van het grondwater : de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn en waarbij tevens de fysisch-chemische kwaliteit voldoet aan de door de Vlaamse regering vastgestelde bijzondere milieukwaliteitsnormen die nodig zijn met het oog op de instandhouding van de terrestrische natuurlijke habitats die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen; 35o kwantitatieve toestand van het grondwater : de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte onttrekking en aanvulling wordt beïnvloed ten opzichte van de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwantiteitsnormen voor het desbetreffende grondwaterlichaam; 36o goede kwantitatieve toestand van het grondwater : de toestand van een grondwaterlichaam waarbij de grondwaterstand en het evenwicht tussen de directe en indirecte onttrekking en aanvulling van het grondwater voldoet aan de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwantiteitsnormen voor het desbetreffende grondwaterlichaam; 37o beschikbare grondwatervoorraad : het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwantiteitsnormen van de bijbehorende oppervlaktewaterlichamen te bereiken, alsmede om betekenisvolle schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen; 38o kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater : de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden; 39o goede kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater : de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden, die nodig zijn om de door de Vlaamse regering vastgestelde milieukwantiteitsnormen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam te bereiken; 40o waterdiensten : alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in winning, onttrekking, opstuwing, opslag, opvang, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater, met inbegrip van de opvang en behandeling van afvalwater; 41o bestrijdingsmiddel : elke stof bestemd voor de vernietiging of de aantasting van het metabolisme van schadelijk geachte dieren, planten, micro-organismen of virussen, waaronder onder meer zijn begrepen de fytofarmaceutische producten, de insectenverdelgers, de schimmelwerende middelen, de herbiciden, de groeiregelaars, de nematiciden, de mollusciciden, de rodenticiden en de repellenten; de volgende stoffen worden niet beschouwd als bestrijdingsmiddelen in de zin van dit decreet : biologische bestrijdingsmiddelen en stoffen bestemd voor de specifieke bestrijding van levende organismen die gebouwen, woningen, vaartuigen en hun inboedel infesteren of die mens of dier parasiteren; 42o talud : strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm; 43o oeverzone : strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewaterlichaam die een functie vervult inzake de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, bestrijdingsmiddelen of meststoffen; 44o overstromingsgebied : door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen; 45o beschermde gebieden : de in artikel 71 van dit decreet bedoelde gebieden die bijzondere bescherming behoeven; 46o waterbodem : de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat; 47o waterweg : een als bevaarbaar aangeduide waterloop of kanaal met een verbindingsfunctie via het water, alsmede de havens en dokken; 48o vrije vismigratie : verplaatsing van vissen die een groot deel van de populatie, dan wel een of meer leeftijdsklassen van een bepaalde soort betreffen, met een voorspelbare periodiciteit gedurende de levenscyclus van de soort en waarbij twee of meer ruimtelijk gescheiden habitats worden gebruikt; 49o water bestemd voor menselijke aanwending : water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat wordt aangewend voor huishoudelijke, agrarische of industriële toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water; 50o water bestemd voor menselijke consumptie : al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het
koninklijk besluit van 8 februari 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/02/1999
pub.
23/04/1999
numac
1999022155
bron
ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende natuurlijk mineraal water en bronwater
sluiten betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater, en water dat een geneesmiddel is; 51o waterketen : het geheel van activiteiten die samenhangen met het water bestemd voor menselijke aanwending of met de collectering en de zuivering van afvalwater; 52o waterrijke gebieden : gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter. HOOFDSTUK II. - Voorwerp, doelstellingen en beginselen Art. 4.Integraal waterbeleid is het beleid gericht op het gecoördineerd en geïntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van dit watersysteem als zodanig, en met het oog op het multifunctionele gebruik, waarbij de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening wordt gebracht. Art. 5.Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid beogen het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, de verwezenlijking van de volgende doelstellingen : 1o de bescherming, de verbetering of het herstel van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen op zo'n wijze dat tegen uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van de watersystemen wordt bereikt. Onder een goede toestand wordt verstaan : a) minstens een goede chemische, ecologische en kwantitatieve toestand voor oppervlaktewaterlichamen;b) minstens een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen;c) minstens een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen; 2o het voorkomen en verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater, onder meer door : a) het progressief verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen;b) het stopzetten of het progressief beëindigen van de verontreiniging door prioritair gevaarlijke stoffen; 3o het duurzaam beheer van de voorraden aan oppervlakte- en grondwater door : a) een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending;b) een duurzaam watergebruik; 4o het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door : a) het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;b) het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;c) de vrije vismigratie te verzekeren voor alle soorten vis vóór 1 januari 2010, in alle hydrografische stroomgebieden, en het voorkomen van nieuwe migratieknelpunten;d) het hanteren van technieken van natuurtechnische milieubouw; 5o het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen : a) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de waterrijke gebieden van internationale betekenis;b) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in het Vlaams Ecologisch Netwerk;c) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de groengebieden, de parkgebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;d) in de speciale beschermingszones voorzover het maatregelen betreft bedoeld in artikel 36ter, § § 1 en 2, van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 6o het beheer van hemelwater en oppervlaktewater zo organiseren dat : a) het hemelwater zoveel mogelijk verdampt of nuttig wordt aangewend of geïnfiltreerd, en dat het overtollig hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet wordt afgevoerd;b) verdroging wordt voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt;c) zoveel mogelijk ruimte wordt geboden aan water, met behoud en herstel van de watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden;d) de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, worden teruggedrongen; 7o het terugdringen van landerosie en van de aanvoer van sedimenten naar de oppervlaktewaterlichamen, en van het door menselijk ingrijpen veroorzaakt transport en de afzetting van slib en sediment in het oppervlaktewaterlichaam; 8o het beheer en het ontwikkelen van waterwegen met het oog op de bevordering van een milieuvriendelijker transportmodus van personen en goederen via de waterwegen en het realiseren van de intermodaliteit met de andere vervoersmodi en het bevorderen van de internationale verbindingsfunctie ervan; 9o de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem; 10o het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie.
Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt rekening gehouden met het onderlinge verband tussen : a) het water en de andere onderdelen van het milieu, in het bijzonder het met het water verbonden ecosysteem;b) het grondwater, oppervlaktewater en hemelwater;c) de waterkwaliteit en de waterkwantiteit. Art. 6.Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid houden het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut rekening met volgende beginselen : 1o het standstillbeginsel, op grond waarvan moet worden voorkomen dat de toestand van watersystemen verslechtert; 2o het preventiebeginsel, op grond waarvan moet worden opgetreden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te moeten herstellen; 3o het bronbeginsel, op grond waarvan preventieve maatregelen aan de bron worden genomen; 4o het voorzorgsbeginsel, op grond waarvan het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond; 5o het "de vervuiler betaalt"-beginsel, op grond waarvan de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van schadelijke effecten en de kosten voor het herstellen van deze schade voor rekening zijn van de veroorzaker; 6o het kostenterugwinningsbeginsel, op grond waarvan de kosten voor waterdiensten, met inbegrip van de milieukosten en de kosten van de hulpbronnen, in rekening worden gebracht met inachtneming van een economische analyse van het watergebruik; 7o het herstelbeginsel, op grond waarvan bij schadelijke effecten deze voorzover mogelijk daadwerkelijk worden hersteld tot de van toepassing zijnde referentieniveaus; 8o het participatiebeginsel, op grond waarvan aan de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak wordt verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid; 9o het beginsel van hoog beschermingsniveau, op grond waarvan een zo hoog mogelijk beschermingsniveau wordt nagestreefd van de aquatische ecosystemen, met inbegrip van de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden, zonder evenwel het multifunctionele gebruik van de watersystemen uit het oog te verliezen; 10o het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening; 11o het beginsel van de evaluatie ex ante, op grond waarvan een voorafgaande, systematische en grondige evaluatie van de gevolgen van het integraal waterbeleid op het milieu, het economische en sociale aspect en voor de samenleving, en voor de uitvoerende en handhavende instanties wordt uitgevoerd. Art. 7.De doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle aspecten van het integraal waterbeleid.
Bij de verwezenlijking van de in artikel 5 bedoelde doelstellingen en de toepassing van de in artikel 6 bedoelde beginselen wordt met het oog op het multifunctionele gebruik van watersystemen ook rekening gehouden met de sociale en economische gebruiksfuncties ervan. HOOFDSTUK III. - Algemene instrumenten van het integraal waterbeleid Afdeling I. - De watertoets
Art. 8.§ 1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.
Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. § 2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan.
De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. § 3. De overheid die moet beslissen over een vergunningsaanvraag kan advies vragen over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren aan de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de vergunningsprocedure, dan beschikt de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie over dezelfde termijn als de andere adviesverleners.
Als er binnen die termijnen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Zolang geen plannen als bedoeld in hoofdstuk VI zijn vastgesteld of in het in § 1, tweede lid, bedoelde geval, moet de vergunningverlenende overheid bij twijfel over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren advies vragen aan de door de Vlaamse regering aangewezen instantie.
De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop dit advies moet worden aangevraagd en over de integratie ervan in andere adviesprocedures. § 4. Voor de vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport. § 5. De Vlaamse regering kan algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen aan de hand waarvan wordt vastgesteld of handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken. Ze kan eveneens algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen voor het bepalen van gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren. Afdeling II. - Oeverzones
Art. 9.§ 1. De oeverzone van elk oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van de waterwegen, omvat ten minste de taluds ervan.
Als met het oog op de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud, of de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, bestrijdingsmiddelen of meststoffen een bredere oeverzone nodig is, wordt die op gemotiveerde wijze afgebakend in het bekkenbeheerplan of het deelbekkenbeheerplan. § 2. Met het oog op de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud, of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, bestrijdingsmiddelen of meststoffen kan de oeverzone van een waterweg op gemotiveerde wijze afgebakend worden in het stroomgebiedbeheerplan of bekkenbeheerplan. Art. 10.§ 1. In de oeverzones gelden ten minsten de volgende bepalingen : 1o elke vorm van bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is elke vorm van bemesting, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing verboden binnen : a) vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;b) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam in het Vlaams Ecologisch Netwerk;c) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam indien een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam; 2o het aanbrengen van bestrijdingsmiddelen, met uitzondering van rodenticiden die worden aangewend in het kader van de rattenverdelging, is verboden. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is het aanbrengen van bestrijdingsmiddelen verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Ingeval van acute en redelijkerwijs niet te voorziene plagen die een gevaar inhouden voor mens of milieu of in het geval van situaties die een ernstige bedreiging vormen of kunnen vormen voor de veiligheid van de mens en waarvoor tegelijkertijd geen afdoende alternatieve bestrijdingsmiddelen voorhanden zijn, kan tijdelijk van dit verbod worden afgeweken, mits de beheerder van de oeverzone dit voorafgaandelijk meldt aan de bevoegde administratie; 3o er mag geen ruimingsslib op de oeverzone worden aangebracht, behoudens de uitzonderingen, bepaald in het bekkenbeheerplan of het deelbekkenbeheerplan en de uitzonderingen die de Vlaamse regering kan bepalen voor grachten; 4o grondbewerkingen zijn verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam; de grondbewerkingen uitgevoerd vanaf een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken; 5o er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht, met uitzondering van die constructies die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam, voor het vervullen van de functie of de functies die werden toegekend aan het oppervlaktewaterlichaam, van werken van algemeen belang en van de constructies die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone; 6o bij het uitvoeren van de in § 1, 5o, bedoelde werken, andere dan die welke zijn gericht op het herstel van de natuurlijke werking van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam, worden bij voorkeur en waar mogelijk de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd. § 2. De Vlaamse regering kan in de oeverzones andere noodzakelijke maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden.
In dat geval kunnen particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding vragen. Deze vergoeding kan echter slechts worden gevraagd indien maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel zoals bedoeld in artikel 6, 1o.
De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen voor het beheer van oeverzones, de financiering ervan en de vergoedingsregeling zoals bedoeld in het tweede lid. § 3. De aangelanden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht om : 1o doorgang te verlenen aan de personeelsleden van de beheerder van een waterloop of waterweg, aan de werklieden en aan de andere personen die in opdracht van de overheid met uitvoering van het beheer van een oeverzone zijn belast; 2o op hun gronden of eigendommen de materialen, het gereedschap en de werktuigen te laten plaatsen die voor de uitvoering van de werkzaamheden nodig zijn. Afdeling III. - Verwerving van onroerende goederen, aankoopplicht en
vergoedingsplicht Onderafdeling I. - Onteigening ten algemene nutte Art. 11.Voor de verwerving van onroerende goederen, vereist om de in artikel 5 van dit decreet genoemde doelstellingen van het integraal waterbeleid te verwezenlijken, kan het Vlaamse Gewest overgaan tot een onteigening ten algemene nutte. Ongeacht de bepalingen die andere rechtspersonen bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen eveneens de provincies en gemeenten door de Vlaamse regering hiertoe worden gemachtigd.
Onderafdeling II. - Recht van voorkoop Art. 12.§ 1. Het Vlaamse Gewest heeft een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones. Dit recht van voorkoop is niet van toepassing op onroerende goederen van het openbaar of privaat domein van de federale overheid en van andere gemeenschappen en gewesten.
De Vlaamse regering kan aan een door haar aan te wijzen agentschap een machtiging verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden dit recht van voorkoop uit te oefenen. § 2. Het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het stroomgebiedbeheerplan, het bekkenbeheerplan of het deelbekkenbeheerplan waarin de oeverzones en overstromingsgebieden worden afgebakend.
Dit recht doet geen afbreuk aan de regelingen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet al bestaan over het recht van voorkoop en die steeds voorrang hebben. De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in het geval het recht van voorkoop wordt uitgeoefend op een verpacht perceel, een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. Voor die gronden kan slechts een einde worden gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van de pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9o, van de Pachtwet, tenzij de pachter vroeger of vrijwillig afstand doet van zijn pachtrecht. § 3. Het recht van voorkoop geldt niet als het onroerend goed wordt verkocht aan een van de onderstaande personen, voorzover die voor eigen rekening kopen en voorzover het goed niet geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt verkocht binnen een termijn van vijf jaar : 1o de echtgenoot van de eigenaar of een van de mede-eigenaars of de persoon met wie de eigenaar of een van de mede-eigenaars wettelijk samenwoont als bedoeld in artikel 1475, § 1, van het Burgerlijk Wetboek; 2o de afstammelingen of aangenomen kinderen van de eigenaar of van een van de mede-eigenaars, en de afstammelingen of de aangenomen kinderen van de echtgenoot of degene met wie de eigenaar wettelijk samenwoont als bedoeld in artikel 1475, § 1, van het Burgerlijk Wetboek; 3o de echtgenoten van die afstammelingen of aangenomen kinderen of de personen met wie die afstammelingen of aangenomen kinderen wettelijk samenwonen als bedoeld in artikel 1475, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. § 4. Het goed kan slechts worden verkocht nadat de verkoper de Vlaamse regering de gelegenheid heeft gegeven om haar recht van voorkoop uit te oefenen. Naargelang het gaat om een openbare verkoop of om een onderhandse verkoop wordt gehandeld overeenkomstig artikel 13 of artikel 14. Art. 13.§ 1. Bij een openbare verkoop brengt de instrumenterende ambtenaar ten minste dertig kalenderdagen vooraf de Vlaamse regering of het door haar aangewezen agentschap bij aangetekende brief op de hoogte van plaats, dag en uur van de verkoop. § 2. Als de verkoop wordt gehouden zonder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, is de instrumenterende ambtenaar ertoe gehouden bij het einde van de opbieding en vóór de toewijzing, in het openbaar te vragen of de Vlaamse regering haar recht van voorkoop wenst uit te oefenen tegen de laatst geboden prijs.
Indien de gemachtigde van de Vlaamse regering met de vraag van de instrumenterende ambtenaar instemt, komt de verkoop tot stand. In geval van weigering, afwezigheid of stilzwijgen wordt de verkoop voortgezet. § 3. Als de verkoop wordt gehouden onder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, is de instrumenterende ambtenaar er niet toe gehouden aan de gemachtigde van de Vlaamse regering te vragen of hij het recht van voorkoop uitoefent.
Als er geen hoger bod wordt gedaan of als de instrumenterende ambtenaar het hoger bod niet aanneemt, betekent hij het laatste bod aan de Vlaamse regering en vraagt of de Vlaamse regering haar recht van voorkoop wenst uit te oefenen. Als de Vlaamse regering binnen een termijn van vijftien kalenderdagen haar instemming niet aan de instrumenterende ambtenaar heeft betekend met een aangetekende brief of die instemming niet heeft gegeven in een akte van de instrumenterende ambtenaar, is de toewijzing definitief.
Als er wel een hoger bod is, wordt dat door de instrumenterende ambtenaar aan de gemachtigde van de Vlaamse regering en aan de koper meegedeeld. In dat geval gelden opnieuw de bepalingen van § § 1 en 2. Art. 14.§ 1. Bij een verkoop uit de hand brengt de instrumenterende ambtenaar de Vlaamse regering of het door haar aangewezen agentschap met een aangetekende brief op de hoogte van de inhoud van de akte die wordt opgesteld onder opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop, waarbij enkel de identiteit van de koper wordt opengelaten. Deze kennisgeving geldt als aanbod van verkoop. § 2. Het recht van voorkoop wordt uitgeoefend binnen zestig kalenderdagen na datum van de kennisgeving. Daartoe brengt de Vlaamse regering de instrumenterende ambtenaar met een aangetekende brief ervan op de hoogte dat ze het aanbod aanvaardt. § 3. Wordt het recht van voorkoop niet uitgeoefend binnen de termijn, vermeld in § 2, dan mag de eigenaar het goed niet uit de hand verkopen tegen een lagere prijs of tegen gunstiger voorwaarden zonder instemming van de Vlaamse regering. Art. 15.De instrumenterende ambtenaar voor wie een akte van verkoop wordt verleden met betrekking tot een onroerend goed waarop een recht van voorkoop rust, moet binnen dertig kalenderdagen na de registratie, de Vlaamse regering met een aangetekende brief op de hoogte brengen van de prijs en van de voorwaarden van de verkoop. Art. 16.§ 1. In geval van miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaamse Gewest heeft het Vlaamse Gewest het recht, ofwel in de plaats van de koper te worden gesteld, ofwel van de verkoper een schadevergoeding te eisen ten bedrage van twintig percent van de verkoopprijs.
In het eerste geval moet de vordering gelijktijdig tegen de verkoper en de eerste koper worden ingesteld, en is de vordering pas ontvankelijk na inschrijving op de kant van de overschrijving van de betwiste akte en, eventueel, op de kant van de overschrijving van de laatst overgeschreven titel.
De in de plaats gestelde betaalt aan de koper de prijs terug die hij heeft betaald, alsook de kosten van de akte. De in de plaats gestelde is slechts gebonden aan de verplichtingen die voor de koper voortvloeien uit de authentieke akte van verkoop en aan de lasten waarin de koper heeft toegestemd, voorzover die lasten zijn ingeschreven of overgeschreven voor de inschrijving van zijn eis.
Als de rechter de vordering tot indeplaatsstelling inwilligt, verwijst hij de partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen gekozen instrumenterende ambtenaar of, bij gebrek aan overeenstemming, naar een ambtshalve aangewezen instrumenterende ambtenaar.
De kosten van de akte zijn voor rekening van de in de plaats gestelde.
Elke uitspraak op een eis tot indeplaatsstelling wordt ingeschreven achter de inschrijving van de eis. § 2. De vordering tot indeplaatsstelling en de vordering tot schadeloosstelling verjaren honderdtachtig kalenderdagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 15.
Onderafdeling III. - Aankoopplicht en vergoedingsplicht Art. 17.§ 1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied waarbinnen dit onroerend goed is gelegen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. Bij de berekening van de aankoopprijs wordt rekening gehouden met het verschil in waarde van het onroerend goed voor de opname in de oeverzone of het overstromingsgebied en de waarde na de afbakening hiervan.
Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer een eigenaar toepassing maakt van de aankoopplicht van het Vlaamse Gewest, kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of andere aankoopplicht van het Vlaamse Gewest voor hetzelfde onroerend goed. § 2. Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een afgebakend overstromingsgebied ligt, kan van het Vlaamse Gewest een vergoeding worden gevraagd in de mate dat, ten gevolge van het actief inschakelen ervan door de overheid in de waterbeheersing, inkomstenverlies kan worden aangetoond.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de vergoedingsplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de vergoeding waarop de gebruiker recht heeft.
De hoogte van de vergoeding bedoeld in eerste lid houdt rekening met : a) het in artikel 6, 1o, bedoelde standstillbeginsel en het in artikel 6, 5o, bedoelde "de vervuiler betaalt"-beginsel;b) de verordenende bepalingen inzake ruimtelijke ordening, in het bijzonder de stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening. Er is geen vergoeding verschuldigd als het inkomstenverlies het gevolg is van beperkingen, voorschriften en voorwaarden die door of krachtens een andere regelgeving zijn opgelegd.
Wanneer een gebruiker toepassing maakt van de vergoedingsplicht van het Vlaamse Gewest, kan hij geen aanspraak meer maken op een andere vergoedingsplicht van het Vlaamse Gewest of een andere vergoedingsregeling voor hetzelfde inkomstenverlies met betrekking tot hetzelfde onroerend goed. HOOFDSTUK IV. - De geografische indeling van watersystemen Afdeling I. - De stroomgebieden en de stroomgebiedsdistricten
Art. 18.In het Vlaamse Gewest liggen vier stroomgebieden : het stroomgebied van de Schelde, van de Maas, van de IJzer en van de Brugse Polders.
De Vlaamse regering duidt op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van de stroomgebieden aan. Art. 19.§ 1. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Schelde maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde wordt de Internationale Commissie voor de Bescherming van de Schelde aangewezen als bevoegde autoriteit voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de opmaak van een stroomgebiedbeheerplan.
Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde voorziet de Vlaamse regering in een passende internationale coördinatie. § 2. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Maas maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas. Met instemming van de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Maas wordt de Internationale Commissie voor de Bescherming van de Maas aangewezen als bevoegde autoriteit voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de opmaak van een stroomgebiedbeheerplan.
Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Maas voorziet de Vlaamse regering in een passende internationale coördinatie. § 3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer kan met instemming van de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. De bevoegdheid van de Internationale Commissie voor de Bescherming van de Schelde strekt zich onder dezelfde voorwaarden uit tot het stroomgebied van de IJzer.
Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde kan in overeenstemming met de Franse overheden een bevoegde autoriteit worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebiedsdistrict van de IJzer, in het bijzonder voor de opmaak van een stroomgebiedbeheerplan. § 4. Het stroomgebied van de Brugse Polders kan met instemming van de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij dat Verdrag strekt de bevoegdheid van de Internationale Commissie voor de Bescherming van de Schelde zich uit tot dit stroomgebied.
Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van de Schelde kan in overeenstemming met de Nederlandse overheden een bevoegde autoriteit worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Brugse Polders, in het bijzonder voor de opmaak van een stroomgebiedbeheerplan. § 5. Grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald stroomgebied behoren, worden door de Vlaamse regering nauwkeurig bepaald en toegewezen aan het meest dichtbij gelegen of meest geschikte stroomgebiedsdistrict. Afdeling II. - De bekkens
Art. 20.§ 1. De in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelten van de stroomgebieden van de Schelde en de Maas worden door de Vlaamse regering aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria ingedeeld in bekkens.
De Vlaamse regering bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van deze bekkens af. § 2. Grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald bekken behoren, worden door de Vlaamse regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het meest dichtbij gelegen of meest geschikte bekken. § 3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer en het stroomgebied van de Brugse Polders worden aangewezen als bekkens. Afdeling III. - De deelbekkens
Art. 21.§ 1. De Vlaamse regering deelt de bekkens aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria verder op in deelbekkens.
Ze bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen daarvan af. § 2. Oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald deelbekken behoren, worden door de Vlaamse regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het meest dichtbij gelegen of meest geschikte deelbekken. HOOFDSTUK V. - De organisatie van het integraal waterbeleid Afdeling I. - Het stroomgebiedsdistrict
Art. 22.§ 1. De Vlaamse regering neemt de passende initiatieven die er op gericht zijn dat de voor de internationale stroomgebiedsdistricten van de Schelde, de Maas en, in voorkomend geval, de IJzer en de Brugse Polders, bevoegde autoriteiten binnen de door de Kaderrichtlijn Water bepaalde termijn een stroomgebiedbeheerplan kunnen opstellen voor het volledige stroomgebiedsdistrict en dat dit plan overeenkomstig de termijnen, bepaald in de Kaderrichtlijn Water, wordt getoetst en herzien. § 2. Als het niet mogelijk blijkt om binnen de door de Kaderrichtlijn Water bepaalde termijn een stroomgebiedbeheerplan vast te stellen voor het volledige internationale stroomgebiedsdistrict, dan stelt de Vlaamse regering in elk geval voor elk van de op het Vlaamse grondgebied liggende delen van de internationale stroomgebiedsdistricten een stroomgebiedbeheerplan vast overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk VI. De Vlaamse regering doet hetzelfde voor die gebieden die geen internationaal stroomgebiedsdistrict zijn. Art. 23.De Vlaamse regering en de door haar aangewezen openbare diensten en agentschappen alsmede de bekkenbesturen, verlenen hun medewerking aan de opstelling van het stroomgebiedbeheerplan waarin de doelstellingen voor het desbetreffende internationale stroomgebiedsdistrict nader worden bepaald en waarin de maatregelen, vereist voor het realiseren van die doelstellingen, overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water worden omschreven. Afdeling II. - Het Vlaamse Gewest
Art. 24.§ 1. De Vlaamse regering wijst de minister aan die belast is met de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de krachtlijnen van het integraal waterbeleid.
Daartoe stelt de Vlaamse regering een waterbeleidsnota vast. Art. 25.§ 1. De Vlaamse regering stelt een Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, afgekort CIW, in. De CIW is multidisciplinair en beleidsdomeinoverschrijdend samengesteld. § 2. De CIW staat op het niveau van het Vlaamse Gewest in voor de voorbereiding, de planning, de controle en de opvolging van het integraal waterbeleid, waakt over de uniforme aanpak van de bekkenwerking en is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Vlaamse regering inzake integraal waterbeleid. § 3. De Vlaamse Milieumaatschappij verzekert het secretariaat en de ondersteuning van de planningscel van de CIW. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de CIW. Afdeling III. - Het bekkenniveau
Art. 26.Per bekken wordt een bekkenbestuur en een bekkenraad opgericht.
Het bekkenbestuur richt een bekkensecretariaat op.
Het Vlaamse Gewest stelt per bekken de nodige middelen en het nodige personeel ter beschikking voor de werking van het bekkenbestuur, van het bekkensecretariaat en van de bekkenraad. Art. 27.§ 1. In het bekkenbestuur zetelen minstens : 1o een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die door de Vlaamse regering wordt aangewezen, op voordracht van de minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, II, 1o, en 4o, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980; 2o een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die door de Vlaamse regering wordt aangewezen, op voordracht van de minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, III, 2o, 8o, 9o en 10o, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980; 3o twee vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest, die door de Vlaamse regering worden aangewezen, op voordracht van de minister bevoegd voor de openbare werken en het verkeer, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, X, 2o, 3o en 5o, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980; 4o een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die door de Vlaamse regering wordt aangewezen, op voordracht van de minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980; 5o een provinciaal mandataris van elke provincie wiens grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken; 6o een bestuurlijke mandataris van elk deelbekken dat deel uitmaakt van het bekken.
Het bekkenbestuur wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie waarvan het grondgebied deel uitmaakt van het bekken. Als het grondgebied van meerdere provincies deel uitmaakt van een zelfde bekken, wordt het voorzitterschap waargenomen door de provinciegouverneur die in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen.
De aangewezen provinciegouverneur staat in voor het overleg en de samenwerking met de besturen van naburige Staten of gewesten, die bevoegd zijn voor het waterbeheer, met het oog op de afstemming van de aspecten van het waterbeheer van regionaal belang.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de werking van het bekkenbestuur. § 2. Het bekkenbestuur heeft tot taak : 1o het bekkensecretariaat te organiseren en aan te sturen; 2o het ontwerp van bekkenbeheerplan goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad hierover heeft uitgebracht en met de resultaten van het openbaar onderzoek, bedoeld in artikel 47; 3o het bekkenvoortgangsrapport vast te stellen, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad hierover heeft uitgebracht; 4o de onderlinge afstemming van de relevante deelbekkenbeheerplannen met het bekkenbeheerplan te onderzoeken; 5o een advies uit te brengen over de waterbeleidsnota; 6o een advies uit te brengen over de in artikel 37, § 1, bedoelde documenten; 7o een advies uit te brengen aan de overheden die bevoegd zijn voor het vaststellen ervan over : a) ontwerpen van investeringsprogramma's en ontwerpen van technische plannen met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;b) ontwerpen van investeringsprogramma's en ontwerpen van technische plannen inzake openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties; 8o het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geïntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren; 9o een advies uit te brengen over alle andere onderwerpen die worden voorgelegd door de Vlaamse regering.
De Vlaamse regering kan de in het eerste lid, 7o, bedoelde programma's en plannen nader omschrijven. Art. 28.§ 1. Het bekkensecretariaat bestaat minstens uit het personeel dat door het Vlaamse Gewest ter beschikking wordt gesteld van het bekkenbestuur en uit afgevaardigden van de bij het integraal waterbeleid in het desbetreffende bekken betrokken besturen, diensten en agentschappen en de voor afvalwater bevoegde maatschappijen. § 2. Het bekkensecretariaat is in het bijzonder belast met : 1o het voorbereiden van het ontwerp van bekkenbeheerplan; 2o het jaarlijks voorbereiden van het ontwerp van bekkenvoortgangsrapport; 3o het organiseren van het openbaar onderzoek met betrekking tot het ontwerp van bekkenbeheerplan; 4o alle andere taken die door het bekkenbestuur worden opgedragen. Art. 29.§ 1. De bekkenraad bestaat uit vertegenwoordigers van de onderscheiden maatschappelijke belangengroepen die betrokken zijn bij het integraal waterbeleid.
De vergaderingen zijn openbaar.
De Vlaamse regering bepaalt het aantal leden, alsook de wijze van voordracht en benoeming van de leden en de nadere regels voor de werking van de bekkenraad. § 2. De bekkenraad brengt advies uit over : 1o de in artikel 37, § 1, bedoelde documenten; 2o het ontwerp van bekkenbeheerplan; 3o het ontwerp van bekkenvoortgangsrapport; 4o alle andere onderwerpen die worden voorgelegd door de CIW, het bekkensecretariaat of het bekkenbestuur. § 3. De bekkenraad kan op eigen initiatief advies uitbrengen over de planning en uitvoering van het bekkenbeheerplan en alle overige aspecten van integraal waterbeleid. Afdeling IV. - Het deelbekkenniveau
Art. 30.Per deelbekken of voor meerdere deelbekkens die behoren tot eenzelfde bekken wordt een waterschap opgericht. Art. 31.§ 1. Op initiatief van de provincie op wiens grondgebied het deelbekken gelegen is, of indien het bekken gelegen is in meerdere provincies, de provincie die in onderlinge overeenstemming wordt aangeduid, wordt een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid opgericht. Dit samenwerkingsverband wordt waterschap genoemd en bestaat uit vertegenwoordigers van : 1o het Vlaamse Gewest; 2o de provincie of de provincies op wiens grondgebied het deelbekken geheel of gedeeltelijk gelegen is; 3o de gemeente of de gemeenten op wiens grondgebied het deelbekken geheel of gedeeltelijk gelegen is; 4o in voorkomend geval, de polders en wateringen in wiens ambtsgebied het deelbekken voor het grootste gedeelte gelegen is. § 2. Het samenwerkingsverband wordt opgericht met het oog op het opmaken van het ontwerp van deelbekkenbeheerplan en het uitbrengen van een advies over het ontwerp van bekkenbeheerplan.
Het samenwerkingsverband stelt eveneens een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen voor om een meer geïntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren.
Bovendien kan het samenwerkingsverband worden opgericht met het oog op het gecoördineerd uitoefenen door de bevoegde overheden van een of meer van de volgende taken : 1o het beheer van de onbevaarbare waterlopen, waaronder beheersaspecten van waterlopen van eerste categorie, naargelang van wat daarover is bepaald in het bekkenbeheerplan; 2o het beheer van het water bestemd voor menselijke aanwending, met uitzondering van het water bestemd voor menselijke consumptie; 3o het beheer en de exploitatie van de openbare rioleringen en de kleinschalige waterzuivering; 4o het beheer van de ondiepe grondwatercyclus, voor zover er geen effect is op andere grondwatercycli, en met uitzondering van de adviesverlening voor grondwaterwinningen; 5o alle andere taken die krachtens de in § 3 bedoelde overeenkomst worden opgedragen. § 3. Het samenwerkingsverband is gegrond op een overeenkomst, die de organisatie en werking ervan regelt. § 4. Het secretariaat van het samenwerkingsverband wordt waargenomen door de provincie op het grondgebied waarvan het deelbekken geheel of gedeeltelijk gelegen is. Indien het deelbekken gelegen is op het grondgebied van meerdere provincies, wordt het secretariaat waargenomen door de provincie die in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen.
Het secretariaat is in het bijzonder belast met : 1o het voorbereiden van het ontwerp van deelbekkenbeheerplan; 2o de coördinatie en de opvolging van de uitvoering van de in § 2, tweede en derde lid, bedoelde taken; 3o het voorbereiden van de vergaderingen van het samenwerkingsverband; 4o alle andere taken die door de in § 3 bedoelde overeenkomst worden toevertrouwd. § 5. Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en, in voorkomend geval, de polders en wateringen, stellen voor de werking van het samenwerkingsverband, in functie van hun taken, de nodige middelen ter beschikking. § 6. De vertegenwoordiging van de maatschappelijke belangen gebeurt via de provinciale en gemeentelijke adviesraden voor milieu en natuur.
De in § 3 bedoelde overeenkomst legt hiervoor de nadere regels vast. § 7. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen betreffende de samenstelling en de werking van het samenwerkingsverband. HOOFDSTUK VI . - Voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid Afdeling I. - De waterbeleidsnota
Art. 32.§ 1. De waterbeleidsnota legt de krachtlijnen vast van de visie van de Vlaamse regering op het integraal waterbeleid voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel en per stroomgebied afzonderlijk.
De waterbeleidsnota geeft eveneens aan in hoeverre de krachtlijnen van het integraal waterbeleid vastgelegd in de waterbeleidsnota afgestemd zijn op gewestelijke beleidsplannen. § 2. De eerste waterbeleidsnota wordt uiterlijk op 22 december 2004 vastgesteld.
De waterbeleidsnota wordt minstens om de zes jaar herzien. § 3. Het ontwerp van waterbeleidsnota wordt voor advies voorgelegd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
Het ontwerp wordt tegelijkertijd voor advies voorgelegd aan de bekkenbesturen. § 4. Aan de waterbeleidsnota wordt een ruime bekendheid gegeven. Afdeling II. - Stroomgebiedbeheerplannen
Art. 33.De Vlaamse regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict overeenkomstig artikel 22 een stroomgebiedbeheerplan vast. Art. 34.§ 1. De stroomgebiedbeheerplannen worden uiterlijk 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld en bekendgemaakt. § 2. Deze stroomgebiedbeheerplannen worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien overeenkomstig de regels voor de opmaak ervan.
De plannen blijven in ieder geval van kracht tot de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen zijn bekendgemaakt. Art. 35.§ 1. Het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan wordt voorbereid door de CIW. § 2. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaams …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.