📄 Wettekst
12 AUGUSTUS 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
sluiten tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, wat de betalingsregels betreft
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit koninklijk besluit is erop gericht om het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
sluiten tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, hierna het "KB AUR", te wijzigen wat de betalingsregels betreft.
Dit ontwerp beoogt met name de afzonderlijke termijnen voor nazicht en betaling af te schaffen. Voortaan wordt slechts in één enkele termijn voorzien waarbinnen het nazicht en de betaling moeten plaatsvinden.
Deze termijn wordt vastgesteld op dertig dagen. Het ontwerp voorziet eveneens in uitzonderingen op deze termijn.
Motivering van deze wijziging In artikel 4 van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties worden betalingsregels vastgesteld voor handelstransacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is. Deze richtlijn werd, wat de overheidsopdrachten betreft, met name omgezet in het KB AUR. Het Hof van Justitie heeft een nieuwe verduidelijking aangebracht wat artikel 4 van deze richtlijn betreft. In het arrest C-585/20 van 20 oktober 2022 heeft het Hof geoordeeld dat "artikel 4, leden 3 tot en met 6, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die op algemene wijze voor alle handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties voorziet in een betalingstermijn van maximaal 60 kalenderdagen, ook wanneer die termijn bestaat in een aanvankelijke termijn van 30 dagen voor een procedure voor goedkeuring of verificatie van de conformiteit van de geleverde goederen of de verrichte diensten met de overeenkomst en een aanvullende termijn van 30 dagen voor de betaling van de overeengekomen prijs." In overweging 51 bij het arrest verduidelijkt het Hof dat "deze letterlijke en contextuele uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2011/7 wordt bevestigd door de doelstellingen van deze richtlijn, zoals onder meer het opleggen aan de lidstaten van strengere verplichtingen voor overheidsinstanties met betrekking tot hun transacties met ondernemingen. Zoals blijkt uit de overwegingen 3, 9 en 23 van deze richtlijn, gelezen in hun onderlinge samenhang, worden de inkomensstromen van overheidsinstanties, die een aanzienlijke hoeveelheid betalingen aan ondernemingen verrichten, immers gekenmerkt door een grotere zekerheid, voorspelbaarheid en continuïteit dan die van ondernemingen, kunnen overheidsinstanties tegen gunstigere voorwaarden dan ondernemingen financiering krijgen en zijn die overheidsinstanties voor het bereiken van hun doelen minder afhankelijk van het onderhouden van stabiele commerciële relaties dan ondernemingen. Bovendien leiden lange betalingstermijnen voor deze instanties, net als betalingsachterstanden, tot ongerechtvaardigde kosten voor deze ondernemingen, waardoor hun liquiditeitsproblemen groter worden en hun financiële beheer wordt bemoeilijkt. Tevens zijn deze betalingsachterstanden nadelig voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid van deze ondernemingen, aangezien zij ten gevolge van die betalingsachterstanden externe financiering nodig hebben.".
Het KB AUR voorziet echter net, op algemene wijze, in een termijn die een verificatietermijn van dertig dagen en een betalingstermijn van dertig dagen omvat. Zodoende dringt een aanpassing zich op.
Bovendien zal deze wijziging een positieve invloed hebben op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, met name wat de kleine en middelgrote ondernemingen betreft, die vlugger zullen kunnen beschikken over de hun verschuldigde liquiditeiten.
Doorgaans worden de inkomensstromen van overheidsinstanties gekenmerkt door een grotere zekerheid, voorspelbaarheid en continuïteit dan die van ondernemingen. Bovendien kunnen veel overheidsinstanties tegen gunstigere voorwaarden financiering krijgen dan ondernemingen.
Tegelijkertijd zijn overheidsinstanties voor het bereiken van hun doelen minder afhankelijk van het onderhouden van stabiele commerciële relaties dan ondernemingen. Lange betalingstermijnen en betalingsachterstanden van overheidsinstanties voor geleverde goederen en diensten leiden tot ongerechtvaardigde kosten voor ondernemingen.(1) Deze maatregel kadert dan ook in kmo-actie 1 "Stimuleren - Betaling - Wetgeving inzake betaaltermijnen (b2g) en -modaliteiten" van het actieplan ter bevordering van de toegang van de kmo's tot overheidsopdrachten dat door de Regering in november 2021 werd aangenomen.
Ten slotte moet worden opgemerkt dat, voor de opdrachten die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het KB AUR, met name de opdrachten van beperkte waarde, de regels van gemeen recht van de
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
07/08/2002
numac
2002009716
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
sluiten betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties van toepassing zijn.
Toelichting wat de nieuwe bepalingen betreft Dit ontwerp voorziet in één enkele termijn, behandelingstermijn genaamd, waarbinnen het nazicht en de betaling moeten plaatsvinden.
Deze termijn bedraagt in beginsel dertig dagen. Dit is de algemene regel.
Artikel 3 van dit koninklijk besluit voorziet in een wijziging van artikel 9 van het KB AUR. Voor overheidsopdrachten geplaatst door aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken en die specifiek voor dat doel zijn erkend, zij het enkel voor opdrachten in verband met die specifieke activiteit, wordt er voorzien in een afwijking, op voorwaarde dat, ten eerste, aanbesteders in de opdrachtdocumenten vermelden dat ze van de algemene regel afwijken en in de opdrachtdocumenten voorzien in een procedure voor aanvaarding of verificatie (procedure waarbij de conformiteit van de geleverde prestaties met de overeenkomst wordt nagegaan); ten tweede, de behandelingstermijn niet meer dan 90 dagen bedraagt, namelijk een verificatietermijn van maximum 30 dagen en een betalingstermijn van maximum 60 dagen; ten derde, aanbesteders in de opdrachtdocumenten de door hen gekozen verificatietermijn opnemen met een maximum van 30 dagen; ten vierde, de alhier beschreven procedure wordt niet louter aangewend om een langere globale betalingstermijn te bekomen. Er hoeft geen motivering opgenomen te worden in de opdrachtdocumenten, maar de aanbesteder moet kunnen aantonen dat de betreffende procedure aangewend wordt om een andere reden dan het bekomen van een langere betalingstermijn.
Indien de aanbesteders niet voldoen aan deze vier cumulatieve voorwaarden, dan is de algemene regel van een behandelingstermijn van maximum 30 dagen van rechtswege van toepassing.
De voormelde benadering waarbij aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken een afzonderlijke verificatietermijn kunnen hanteren, wanneer voldaan is aan alle voormelde voorwaarden, is in overeenstemming met richtlijn 2011/7/EU. Het arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2022 bepaalt enkel dat artikel 4, leden 3 tot en met 6, van richtlijn 2011/7/EU als volgt moet worden uitgelegd dat "het in de weg staat aan een nationale regeling die op algemene wijze voor alle handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties voorziet in een betalingstermijn van maximaal 60 kalenderdagen, ook wanneer die termijn bestaat in een aanvankelijke termijn van 30 dagen voor een procedure voor goedkeuring of verificatie van de conformiteit van de geleverde goederen of de verrichte diensten met de overeenkomst en een aanvullende termijn van 30 dagen voor de betaling van de overeengekomen prijs." (onderstreping zelf toegevoegd). Het weze herhaald dat het geenszins de bedoeling is dat de aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken voor alle opdrachten die ze lanceren zouden van de betreffende afwijkingsmogelijkheid gebruik maken. Er moet niet alleen voldaan zijn aan alle voormelde vier voorwaarden. Daarenboven mag enkel afgeweken worden van de algemene regel van behandelingstermijn voor opdrachten die verband houden met hun specifieke activiteit (voor het aankopen van pc's voor administratieve doeleinden, zal bijvoorbeeld dus niet afgeweken kunnen worden van de behandelingstermijn, behalve in die gevallen voorzien in artikel 2, § 2). Gelet op de voormelde voorwaarden moeten de betreffende aanbesteders er in het bijzonder voor waken dat, zij, wanneer ze gebruik maken van de afwijkingsmogelijkheid, in de opdrachtdocumenten voorzien in een procedure voor aanvaarding of verificatie en dat de verificatietermijn die aldus wordt ingelast niet louter wordt aangewend om tot een langere globale betalingstermijn te komen.
Wanneer de aanbesteders onder de voormelde voorwaarden gebruik maken van deze afwijkingsmogelijkheid, dan wordt dit niet beschouwd als een kennelijke onbillijkheid.
Voor opdrachten die niet onder voornoemde afwijkingsmogelijkheid vallen, kan alsnog worden afgeweken van de behandelingstermijn van dertig dagen, indien vier cumulatieve voorwaarden vervuld zijn. Ten eerste moet de aanbesteder deze langere behandelingstermijn uitdrukkelijk vermelden in de opdrachtdocumenten. Ten tweede moet deze afwijking objectief gerechtvaardigd zijn op grond van de bijzondere aard of eigenschappen van de opdracht. Er wordt niet vereist dat er een rechtvaardiging opgenomen wordt in de opdrachtdocumenten. Ten derde mag de behandelingstermijn in geen geval langer zijn dan 60 dagen. Deze voorwaarden zijn dezelfde als deze vermeld in het huidige artikel 9, § 2, tweede lid, van het KB AUR. En ten vierde mag deze verlenging geen kennelijke onbillijkheid jegens de opdrachtnemer behelzen. Deze mogelijkheid tot afwijking kan worden toegepast door alle aanbesteders (als aan de voorwaarden is voldaan) ongeacht de sector waarin ze actief zijn.
Er wordt benadrukt dat er op de aanbesteders een informatieplicht rust aangaande de afwijking van de behandelingstermijn. Met andere woorden, in de opdrachtdocumenten moet in duidelijke bewoordingen worden opgenomen dat er zal worden afgeweken van de behandelingstermijn van 30 dagen. Geïnteresseerde inschrijvers kunnen dan immers een weloverwogen beslissing nemen om al dan niet een offerte in te dienen.
Wat de onbillijkheid betreft, wordt er teruggegrepen naar de huidige bepalingen inzake onbillijkheid van artikel 9 KB AUR. Artikel 4 van het ontwerp voegt een nieuw artikel 66/1 in dat tot doel heeft gegevens te verkrijgen voor het monitoren van de behandelingstermijnen. Volgens dit artikel moet de aanbesteder een elektronisch formulier invullen dat is opgemaakt door de FOD Beleid en Ondersteuning. In dit formulier vermeldt de aanbesteder of hij opteert voor de toepassing van de in de artikelen 95, §§ 3 en 4, 127 en 160 bedoelde algemene termijn of voor de in artikel 9, §§ 2 of 3/1 bedoelde afwijking. Dit formulier is gekoppeld aan de aankondiging van gegunde opdracht of aan de vereenvoudigde aankondiging van gegunde opdracht.
Artikel 5 van het huidige koninklijk besluit vervangt het woord betalingstermijn door het woord behandelingstermijn in artikel 68 KB AUR. Dit neemt niet weg dat bij een verzet tegen betaling of bij bewarend derdenbeslag ten laste van de opdrachtnemer, de aanbesteder alsnog een verificatie kan uitvoeren. Enkel de termijn voor de betaling dient geschorst te worden.
Bij opdrachten voor werken gaat de behandelingstermijn van dertig dagen in vanaf de ontvangst van de schuldvordering en de gedetailleerde staat van de werken door de aanbesteder. Voor opdrachten voor leveringen is het aanvangsmoment de levering. Voor opdrachten voor diensten begint de termijn te lopen vanaf de vaststelling van de volledige of gedeeltelijke beëindiging van de diensten. Deze laatste vaststelling moet schriftelijk gebeuren opdat de datum ervan zou vaststaan. De modaliteiten ervan moeten ook in de opdrachtdocumenten staan.
Voor een opdracht van werken kan de aanbesteder in de opdrachtdocumenten eisen opnemen omtrent eventuele andere documenten die de aannemer bij zijn schuldvordering zou moeten voegen en die noodzakelijk zijn voor de verificatie ervan door de aanbesteder.
Wanneer de aannemer in gebreke blijft een voldoende gedetailleerde staat van de gerealiseerde werken of de andere vereiste documenten te bezorgen, heeft de aanbesteder het recht de schuldvordering te weigeren en zal uiteraard ook de behandelingstermijn geen aanvang kunnen nemen.
Tevens wordt verduidelijkt dat bij opdrachten voor leveringen en diensten de behandelingstermijn van dertig dagen pas begint te lopen wanneer de aanbesteder over de regelmatig opgestelde factuur en de andere, eventueel vereiste documenten beschikt (alsook, bij opdrachten voor diensten, over de lijst van gepresteerde diensten). Hieruit moet worden afgeleid dat de termijn bij opdrachten voor leveringen pas begint te lopen vanaf de levering indien de aanbesteder over de factuur beschikt. Als de levering heeft plaatsgevonden, maar de ondernemer de factuur pas 25 dagen na de levering bezorgt, begint de termijn pas te lopen vanaf de ontvangst van de factuur en niet vanaf de levering. Een soortgelijke redenering geldt voor opdrachten voor diensten, waarbij de termijn van dertig dagen pas begint te lopen vanaf de vaststelling van de volledige of gedeeltelijke beëindiging van de diensten.
Verder wordt opgemerkt dat de factuur regelmatig moet zijn opgesteld.
Een onjuiste factuur belet dat de behandelingstermijn begint te lopen.
Voor aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken en die specifiek voor dat doel zijn erkend, wordt een termijn van zestig dagen voorzien die echter alleen geldt voor de werken, leveringen en diensten verbonden aan die specifieke activiteit.
Deze uitzonderingsmogelijkheid voor de instellingen in de gezondheidssector werd in richtlijn 2011/7/EU opgenomen omdat de situatie met betrekking tot de betalingsachterstanden in de gezondheidszorg (vanwege patiënten) in een aantal lidstaten bijzonder zorgwekkend was. De instellingen in de gezondheidszorg worden daarbij vaak gedwongen individuele behoeften te verzoenen met beschikbare financiële middelen. De sector van de gezondheidszorg ziet zich geconfronteerd met de uitdaging om in de gezondheidszorg op zodanige wijze prioriteiten vast te stellen dat er een evenwicht ontstaat tussen de behoeften van de individuele patiënten en de financiële middelen die ter beschikking staan. De lidstaten moeten aan de gezondheidssector een zekere mate van flexibiliteit kunnen bieden opdat de instellingen die gezondheidszorg verstrekken aan hun verplichtingen kunnen voldoen.
In de memorie van toelichting voor wat betreft de wijziging aan de wet betalingsachterstand bij de initiële omzetting van richtlijn 2011/7/EU, werd deze uitzondering als volgt gemotiveerd : "...Ziekenhuizen en verzorgingstehuizen zien zich immers geconfronteerd met verschillende moeilijkheden bij het ontvangen van hun fondsen waarmee zij op hun beurt hun leveranciers dienen te betalen. Een te strikte en korte betalingstermijn zou 'cashflow' problemen kunnen opleveren voor de ziekenhuizen. Een substantieel deel van de budgetten verkrijgen de ziekenhuizen via de ziekteverzekering.
Verzekerde patiënten dienen enkel het zogenaamde remgeld aan de ziekenhuizen te betalen. De rest van de ziekenhuisfactuur is ten laste van de ziekteverzekering maar wordt gemiddeld pas na 2 à 3 maanden aan het betrokken ziekenhuis terugbetaald. Wat betreft de budgetten die de verzorgingsinstellingen halen uit het deel van de kosten die door de patiënt zelf moeten gedragen worden, moet men ook rekening houden met de regel van de eenheidsfactuur. Deze regel houdt in dat men slechts één factuur naar de patiënt mag sturen. Deze factuur kan logischerwijze slechts opgemaakt worden bij het einde van de opname, wat problemen oplevert indien de patiënt voor lange tijd werd opgenomen. De verzorgingsinstellingen vervullen een belangrijke opdracht van algemeen belang. Mochten deze instellingen met financiële problemen te maken krijgen, dan zouden de gevolgen heel ernstig kunnen zijn. Een grotere flexibiliteit in het tegemoetkomen aan hun financiële verplichtingen kan een belangrijk hulpmiddel zijn in het financieel gezond houden van de verzorgingsinstellingen. Belgische verzorgingsinstellingen zijn bovendien in grote mate afhankelijk van andere actoren om de nodige budgetten te ontvangen om hun eigen leveranciers te betalen. Ook in deze optiek lijkt het opportuun om de nodige flexibiliteit te voorzien." (DOC 53 2927/001).
Deze motivering is vandaag nog steeds actueel. Het complexe betalings- en subsidiesysteem van de actoren in de gezondheidssector, werd niet grondig gewijzigd. Bijgevolg zijn de aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken nog steeds gebaat met een zekere flexibiliteit, wat ons land betreft. Er werd geoordeeld dat het niet de bedoeling mag zijn dat de gezondheidsinstellingen cashflowproblemen zouden ondervinden wegens een te stringente benadering van de behandelingstermijn voorzien in de wetgeving overheidsopdrachten. Daarenboven kan gemeld worden dat de FOD Beleid & Ondersteuning, voor de periode 1 juli 2023 - 31 december 2023, de betaalgegevens van de Belgische aanbesteders heeft onderzocht. De gemiddelde betaingstermijn voor de ziekenhuizen bedroeg in de betreffende periode 58 dagen. Voor de Federale, Vlaamse, Waalse en Brusselse overheden was de termijn gemiddeld genomen korter (14 om precies te zijn wat het globale gemiddelde betreft). Daaruit kunnen we opmaken dat de actoren van de gezondheidzorg meer tijd nodig hebben om de facturen te betalen. Wel blijven de ziekenhuizen binnen de huidige voorziene betalingstermijn van 60 dagen. Voor de overheden zal de kans op cashflowproblemen zich minder pertinent stellen als bij de ziekenhuizen. Op dat vlak lijken de betreffende aanbesteders zich niet in dezelfde situatie te bevinden. De voormelde gegevens werden wat de ziekenhuizen betreft bekomen door middel van een enquête bij de verschillende ziekenhuizen. De federale overheid kon, voor de betreffende periode, vanwege 29 van de 38 ziekenhuizen een antwoord ontvangen.
Er wordt aan herinnerd dat, in sommige gevallen, de termijn kan worden verlengd. Dit is bijvoorbeeld het geval als de factuur niet tijdig beschikbaar is. Bij opdrachten voor werken bijvoorbeeld gaat de aanbesteder over tot het nazicht en stelt hij een proces-verbaal op aan de hand van de schuldvordering. Na ontvangst van dit proces-verbaal heeft de opdrachtnemer vijf dagen de tijd om de factuur in te dienen. Indien de opdrachtnemer deze termijn van vijf dagen overschrijdt, wordt de behandelingstermijn geschorst voor de periode waarin de termijn voor het indienen van de factuur werd overschreden.
Deze aanpak ligt in lijn met wat op heden voorzien is in het KB AUR (zie het huidige artikel 95, § 2, tweede lid, 2°, en § 5, tweede lid, 1°, van het KB AUR).
Er wordt op gewezen dat de hierboven besproken gewijzigde betalingsregels niet gelden in het kader van de betaling van een voorschot krachtens de artikelen 12/1 tot 12/8 van de
wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/06/2016
pub.
14/07/2016
numac
2016021053
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet inzake overheidsopdrachten
sluiten inzake overheidsopdrachten. Voor deze betalingen is artikel 67 van het KB AUR van toepassing, zoals gewijzigd door artikel 10 van de
wet van 22 december 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/12/2023
pub.
29/12/2023
numac
2023048518
bron
federale overheidsdienst beleid en ondersteuning
Wet houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2024
type
wet
prom.
22/12/2023
pub.
08/01/2024
numac
2023048742
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet tot wijziging van de regelgeving inzake overheidsopdrachten teneinde de toegang van KMO's tot die opdrachten te bevorderen
type
wet
prom.
22/12/2023
pub.
29/12/2023
numac
2023048531
bron
federale overheidsdienst beleid en ondersteuning
Wet houdende de Middelenbegroting voor het begrotingsjaar 2024
sluiten, alsook, wanneer de overheidsopdracht geplaatst wordt door een aanbestedende overheid, artikel 4, § 2, van de
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
07/08/2002
numac
2002009716
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
sluiten betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. In dat laatste geval dient het voorschot bijgevolg betaald te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de dag volgend op die van het in artikel 67, § 2, van het KB AUR bedoelde schriftelijk en gedateerd verzoek tot betaling, tenzij er een langere betalingstermijn zou zijn overeengekomen overeenkomstig artikel 4, § 2, tweede lid, van de voormelde
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
07/08/2002
numac
2002009716
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
sluiten (voor zover dit objectief gerechtvaardigd zou zijn door de bijzondere aard of door bepaalde elementen van de overeenkomst). Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
07/08/2002
numac
2002009716
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
sluiten, is deze laatste wet immers ook van toepassing op handelstransacties tussen ondernemingen en aanbestedende overheden, waarbij de schuldenaar een aanbestedende overheid is, in gevallen waarin er geen bijzondere betalingsregels zijn voorzien op het vlak van de verificatie- en betalingsregels zoals vervat in de algemene uitvoeringsregels (artikel 67 van het KB AUR bevat inderdaad geen bijzondere verificatie- en betalingsregels en deze aspecten worden evenmin elders geregeld in het KB AUR, althans wat het voorschot betreft).
Er is voorzien dat de hierboven besproken wijzigingen in werking treden op 1 januari 2025, voor de opdrachten die vanaf dat moment gelanceerd worden.
De datum van 1 januari 2025 werd gekozen zodat aanbesteders een redelijke termijn zouden hebben om zich aan te passen aan de nieuwe regels en zich hierop voor te bereiden. Het gaat om wijzigingen die aanzienlijke gevolgen zullen hebben voor de aanbesteders. Een overhaaste inwerkingtreding van het koninklijk besluit zou ongewenste effecten kunnen hebben. Er zouden situaties kunnen ontstaan waarin aanbesteders niet meer de tijd hebben om het nazicht te verrichten.
Dit zou ertoe kunnen leiden dat er geen nazicht wordt verricht of dat de termijn wordt overschreden, waardoor intrest voor betalingsachterstand (momenteel vastgesteld op 12,5 %) moet worden betaald. De betaling van deze intrest voor betalingsachterstand zou voor aanbesteders kwalijke financiële gevolgen kunnen hebben.
Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Eerste Minister, A. DE CROO _______ Nota (1) Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, overweging 23.
Raad van State afdeling Wetgeving Advies 76.540/1 van 17 juni 2024 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
sluiten tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, wat de betalingsregels betreft' Op 21 mei 2024 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Eerste Minister verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
sluiten tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, wat de betalingsregels betreft'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 6 juni 2024 . De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Brecht Steen en Annelies D'Espallier, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Ilse Anné, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Peter Schollen, adjunct-auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Annelies D'Espallier, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 17 juni 2024. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. VOORAFGAANDE OPMERKING 2. Rekening houdend met het ogenblik waarop dit advies wordt gegeven, vestigt de Raad van State de aandacht van de adviesaanvrager erop dat de ontbinding van de Wetgevende Kamers tot gevolg heeft dat de regering sedert die datum en totdat, na de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, een nieuwe regering is benoemd door de Koning, niet meer over de volheid van haar bevoegdheid beschikt.Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens die de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van verordeningen noodzakelijk is.
STREKKING VAN HET ONTWERP 3. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe een aantal wijzigingen aan te brengen in het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
sluiten `tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten' (hierna: KB AUR) op het vlak van de betalingsregels. De voornaamste wijziging bestaat erin dat in principe slechts één behandelingstermijn gehanteerd wordt voor het nazicht en de betaling van overheidsopdrachten en dat niet langer gebruik gemaakt wordt van de opdeling in een verificatietermijn en een ervan onderscheiden betalingstermijn (artikelen 1, 7, 9 en 13 van het ontwerp). De behandelingstermijn bedraagt in beginsel dertig dagen, maar onder bepaalde voorwaarden kan deze door de aanbesteder in de opdrachtdocumenten verlengd worden tot maximaal zestig dagen (artikel 2, a), van het ontwerp).
Voor aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken en die specifiek voor dat doel zijn erkend, bedraagt de behandelingstermijn zestig dagen, zij het enkel voor de overheidsopdrachten verbonden aan die specifieke activiteit (artikelen 7, 9 en 13 van het ontwerp). Deze aanbesteders mogen werken met een afzonderlijke betalings- en verificatietermijn door in de opdrachtdocumenten te voorzien in een verificatietermijn van maximaal dertig dagen (artikel 2, b), van het ontwerp).
Een aantal bepalingen van het KB AUR wordt aangepast om rekening te houden met de nieuwe regeling omtrent de behandelingstermijn (artikelen 4 tot 12 van het ontwerp) en er wordt in een rapportering door de aanbesteders voorzien om de toepassing daarvan te kunnen monitoren (artikel 3 van het ontwerp).
De inwerkingtreding van de nieuwe regels wordt bepaald op 1 januari 2025 voor de opdrachten waarvan de aankondiging van opdracht vanaf die datum wordt bekendgemaakt of, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, waarvoor vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte (artikel 14 van het ontwerp).
ALGEMENE OPMERKINGEN 4.1. Het verslag aan de Koning geeft er blijk van dat de stellers van het ontwerp beogen tegemoet te komen aan de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest C-585/20 van 20 oktober 2022.(1) In het genoemde arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 4, leden 3 tot en met 6, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 `betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties' in de weg staat aan een nationale regeling die op algemene wijze voor alle handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties voorziet in een betalingstermijn van maximaal zestig kalenderdagen, ook wanneer die termijn bestaat in een aanvankelijke termijn van dertig dagen voor een procedure voor goedkeuring of verificatie van de conformiteit van de geleverde goederen of de verrichte diensten met de overeenkomst en een aanvullende termijn van dertig dagen voor de betaling van de overeengekomen prijs. Om die reden wordt overgestapt op het systeem van de (enige) behandelingstermijn van (in principe) dertig dagen. 4.2.1. Wat betreft aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken en die specifiek voor dat doel zijn erkend, wordt evenwel op dubbele wijze afgeweken van het ontworpen basissysteem.
Vooreerst wordt voor deze aanbesteders voor opdrachten in verband met hun specifieke activiteit van gezondheidszorg voorzien in een behandelingstermijn van zestig in plaats van dertig dagen.
Artikel 4, lid 4, eerste alinea, b), van richtlijn 2011/7/EU laat een dergelijke verlenging van de betalingstermijn van dertig tot zestig dagen toe voor overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken en die specifiek voor dat doel erkend zijn. De in het ontworpen besluit vermelde behandelingstermijn van zestig dagen voor aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken lijkt bijgevolg richtlijnconform. 4.2.2. De vraag rijst of het verschil in behandeling dat ontstaat tussen opdrachtnemers van aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken en opdrachtnemers van andere aanbesteders, in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.(2) In overweging 25 van richtlijn 2011/7/EU wordt het voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om de betalingstermijn te verlengen voor overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken, als volgt gemotiveerd: "De situatie met betrekking tot betalingsachterstanden in de gezondheidszorg is in een groot aantal lidstaten bijzonder zorgwekkend. De stelsels van gezondheidszorg, die een essentieel onderdeel vormen van de sociale infrastructuur van Europa, zien zich naarmate de bevolking van Europa vergrijst, er meer van hen wordt verwacht en de geneeskunde zich steeds verder ontwikkelt, vaak gedwongen individuele behoeften en beschikbare financiële middelen met elkaar te verzoenen. Alle stelsels zien zich geconfronteerd met de uitdaging om in de gezondheidszorg op zodanige wijze prioriteiten vast te stellen dat er een evenwicht ontstaat tussen de behoeften van individuele patiënten en de financiële middelen die ter beschikking staan. Daarom moeten de lidstaten de overheidsorganisaties in de gezondheidssector een zekere mate van flexibiliteit kunnen bieden om aan hun verplichtingen te voldoen. Derhalve moet de lidstaten onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan de wettelijke betalingstermijn tot maximaal 60 kalenderdagen te verlengen. Niettemin moeten de lidstaten alles in het werk stellen om te garanderen dat betalingen in de gezondheidssector binnen de wettelijke termijnen worden uitgevoerd." Uit het verslag aan de Koning blijkt niet of een dergelijke verantwoording relevant is voor het door het ontwerp in het interne recht ingevoerde verschil in behandeling. Hierover bevraagd, verklaarde de gemachtigde: "Deze uitzonderingsmogelijkheid voor de instellingen in de gezondheidssector werd in richtlijn 2011/7 opgenomen omdat de situatie met betrekking tot de betalingsachterstanden in de gezondheidszorg (vanwege patiënten) in een aantal lidstaten bijzonder zorgwekkend was.
De instellingen in de gezondheidszorg worden daarbij vaak gedwongen individuele behoeften te verzoenen met beschikbare financiële middelen. De gezondheidszorg ziet zich geconfronteerd met de uitdaging om in de gezondheidszorg op zodanige wijze prioriteiten vast te stellen dat er een evenwicht ontstaat tussen de behoeften van de individuele patiënten en de financiële middelen die ter beschikking staan. De lidstaten moeten aan de aan de gezondheidssector een zekere mate van flexibiliteit kunnen bieden opdat de instellingen die gezondheidszorg verstrekken aan hun verplichtingen kunnen voldoen.
In de memorie van toelichting voor wat betreft de wijziging aan de wet betalingsachterstand bij de initiële omzetting van richtlijn 2011/7/EU, werd deze uitzondering als volgt gemotiveerd : `Ziekenhuizen en verzorgingstehuizen zien zich immers geconfronteerd met verschillende moeilijkheden bij het ontvangen van hun fondsen waarmee zij op hun beurt hun leveranciers dienen te betalen. Een te strikte en korte betalingstermijn zou `cashflow' problemen kunnen opleveren voor de ziekenhuizen. Een substantieel deel van de budgetten verkrijgen de ziekenhuizen via de ziekteverzekering. Verzekerde patiënten dienen enkel het zogenaamde remgeld aan de ziekenhuizen te betalen. De rest van de ziekenhuisfactuur is ten laste van de ziekteverzekering maar wordt gemiddeld pas na 2 à 3 maanden aan het betrokken ziekenhuis terugbetaald. Wat betreft de budgetten die de verzorgingsinstellingen halen uit het deel van de kosten die door de patiënt zelf moeten gedragen worden, moet men ook rekening houden met de regel van de eenheidsfactuur. Deze regel houdt in dat men slechts één factuur naar de patiënt mag sturen. Deze factuur kan logischerwijze slechts opgemaakt worden bij het einde van de opname, wat problemen oplevert indien de patiënt voor lange tijd werd opgenomen. De verzorgingsinstellingen vervullen een belangrijke opdracht van algemeen belang. Mochten deze instellingen met financiële problemen te maken krijgen, dan zouden de gevolgen heel ernstig kunnen zijn. Een grotere flexibiliteit in het tegemoetkomen aan hun financiële verplichtingen kan een belangrijk hulpmiddel zijn in het financieel gezond houden van de verzorgingsinstellingen. Belgische verzorgingsinstellingen zijn bovendien in grote mate afhankelijk van andere actoren om de nodige budgetten te ontvangen om hun eigen leveranciers te betalen. Ook in deze optiek lijkt het opportuun om de nodige flexibiliteit te voorzien.'. DOC 53 2927/001 https://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/2927/53K2927001.pdf (p 16).
Deze motivatie is vandaag nog steeds actueel. Het complexe betalings- en subsidiesysteem van de actoren in de gezondheidssector, werd niet grondig gewijzigd. Bijgevolg zijn de aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken nog steeds gebaat met een zekere flexibiliteit, wat ons land betreft. Er werd geoordeeld dat het niet de bedoeling mag zijn dat de gezondheidsinstellingen cashflowproblemen zouden ondervinden wegens een te stringente benadering van de behandelingstermijn voorzien in de wetgeving overheidsopdrachten.
Daarenboven kan gemeld worden dat dat FOD Beleid & Ondersteuning, voor de periode 1 juli 2023 - 31 december 2023, de betaalgegevens van de Belgische aanbesteders heeft onderzocht. De betreffende gegevens werden overgemaakt aan de diensten van de Europese Commissie (zie bijlage, tabel 1). De gemiddelde betalingstermijn voor de ziekenhuizen bedroeg in de betreffende periode 58 dagen. Voor de Federale, Vlaamse, Waalse en Brusselse overheden was de termijn gemiddeld genomen korter (14 om precies te zijn wat het globale gemiddelde betreft). Daaruit kunnen we opmaken dat de actoren van de gezondheidzorg meer tijd nodig hebben om de facturen te betalen. Wel blijven de ziekenhuizen binnen de huidige voorziene betalingstermijn van 60 dagen. Voor de overheden zal de kans op cashflowproblemen zich minder pertinent stellen als bij de ziekenhuizen. Op dat vlak lijken de betreffende aanbesteders zich niet in dezelfde situatie te bevinden.
De voormelde gegevens werden wat de ziekenhuizen betreft bekomen door middel van een enquête bij de verschillende ziekenhuizen. De federale overheid kon, voor de betreffende periode, vanwege 29 van de 38 ziekenhuizen een antwoord ontvangen." Het strekt tot aanbeveling deze toelichting op te nemen in het verslag aan de Koning. 4.3. Bovenop de afwijkende behandelingstermijn van zestig dagen wordt aan aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken, toegelaten om voor opdrachten in verband met hun specifieke activiteit van gezondheidszorg, in de opdrachtdocumenten een afzonderlijke verificatietermijn op te nemen van maximaal dertig dagen naast de betalingstermijn van zestig dagen en dit zonder dat hierbij een bijkomende voorwaarde gesteld wordt omtrent de noodzaak hiertoe gelet op de bijzondere aard of eigenschappen van de opdracht.
Nochtans lijkt er geen reden om aan te nemen dat de vaststelling van het Hof van Justitie dat in richtlijn 2011/7/EU de procedure voor aanvaarding of verificatie niet wordt beschouwd als inherent aan handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties, niet zou gelden voor handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsorganisaties die gezondheidszorgen verstrekken.
Aan de gemachtigde werd gevraagd of het zonder enige reden opnemen van een verificatietermijn door aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken, in overeenstemming is met richtlijn 011/7/EU. De gemachtigde antwoordde als volgt: "Het arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2022 bepaalt dat artikel 4, leden 3 tot en met 6, van richtlijn 2011/7/EU als volgt moet worden uitgelegd dat : `het in de weg staat aan een nationale regeling die op algemene wijze voor alle handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties voorziet in een betalingstermijn van maximaal 60 kalenderdagen, ook wanneer die termijn bestaat in een aanvankelijke termijn van 30 dagen voor een procedure voor goedkeuring of verificatie van de conformiteit van de geleverde goederen of de verrichte diensten met de overeenkomst en een aanvullende termijn van 30 dagen voor de betaling van de overeengekomen prijs.' Het is geenszins de bedoeling dat de aanbesteders binnen de gezondheidszorg voor alle opdrachten die ze lanceren zouden van de betreffende afwijkingsmogelijkheid gebruik maken. De aanbesteders die gezondheidszorg verstrekken mogen enkel afwijken van de algemene regel van behandelingstermijn voor opdrachten die verband houden met hun specifieke activiteit en wanneer er een bepaling wordt opgenomen in de opdrachtdocumenten. Deze aanbesteders moeten dus uitdrukkelijk in de opdrachtdocumenten opnemen dat ze willen afwijken van de algemene regel en dat kan enkel voor die activiteiten die inherent verbonden zijn aan hun gezondheidsactiviteiten. Voor het aankopen van pc's voor administratieve doeleinden, zal bijvoorbeeld dus niet afgeweken kunnen worden van de behandelingstermijn, behalve in die gevallen voorzien in artikel 2, § 2 van het KB dat aan uw advies werd voorgelegd." Met dit antwoord kan in het licht van artikel 4, lid 3, a), iv), van richtlijn 2011/7/EU ingestemd worden, met dien verstande dat erover gewaakt dient te worden dat er door de betrokken aanbesteders bij gebruik van de uitzonderingsmogelijkheid in de opdrachtdocumenten daadwerkelijk voorzien wordt in een procedure voor aanvaarding of verificatie, waarbij de conformiteit van de goederen of de diensten met de overeenkomst moet worden vastgesteld, en dat de verificatietermijn niet louter wordt aangewend om tot een langere globale betalingstermijn te komen.
Het lijkt bovendien aangewezen om de nadere uitleg van de gemachtigde eveneens op te nemen in het verslag aan de Koning. 5. De ontworpen regeling treedt in werking op 1 januari 2025.Zoals vermeld is deze regelgeving ontworpen om de strijdigheid met richtlijn 2011/7/EU, zoals die volgt uit de interpretatie ervan door het Hof van Justitie in het arrest van 20 oktober 2022, op te heffen. Aangezien de omzettingsdatum van deze richtlijn reeds geruime tijd verstreken is, lijkt het aangewezen om de regelgeving zo snel mogelijk ermee in overeenstemming te brengen. De vraag rijst waarom de regeling pas binnen enkele maanden, zijnde op 1 januari 2025, in werking treedt.
Aan de gemachtigde werd gevraagd om dit te duiden, waarop deze antwoordde als volgt: "La date du 1er janvier 2025 a été choisie pour laisser un temps raisonnable aux adjudicateurs pour s'adapter et se préparer aux nouvelles règles.
Il s'agit de modifications qui auront des conséquences importantes pour les adjudicateurs.
Faire entrer en vigueur l'arrêté royal dans la précipitation pourrait créer des effets indésirables. L'on pourrait aboutir à des situations dans lesquelles les adjudicateurs ne disposeraient plus du temps nécessaire pour procéder aux vérifications. Cela pourrait mener à l'absence de vérification ou à un dépassement du délai impliquant le paiement d'intérêts de retard (actuellement fixés à 12,5 %). Le paiement de ces intérêts de retard pourrait avoir des conséquences financières néfastes pour les adjudicateurs." De afdeling Wetgeving beschikt niet over voldoende feitelijke gegevens om te beoordelen of het noodzakelijk is om de inwerkingtreding van de genoemde regeling pas op 1 januari 2025 te laten plaatsvinden. Het lijkt wel raadzaam om de bijkomende verklaringen van de gemachtigde in verband met de "uitgestelde" inwerkingtreding van het ontworpen koninklijk besluit op te nemen in het verslag aan de Koning.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Artikel 1 6. De vermelde wetshistoriek van artikel 2 van het KB AUR dient te worden gecorrigeerd.Dit artikel werd immers niet gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 22 mei 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
24/06/2014
numac
2014011350
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende metrologische verrichtingen
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
17/05/2016
numac
2016000296
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
30/05/2014
numac
2014021067
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
27/06/2014
numac
2014022324
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 maart 1979 tot bepaling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
05/09/2014
numac
2014202927
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 november 2013, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de vervoersactiviteiten
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
30/06/2014
numac
2014022327
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Koninklijk besluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de programmawet van 28 juni 2013
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
27/06/2014
numac
2014022326
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
30/06/2014
numac
2014022350
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 124, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
type
koninklijk besluit
prom.
22/05/2014
pub.
27/06/2014
numac
2014022341
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt
sluiten, maar wel bij de koninklijke besluiten van 7 februari 2014 en 22 juni 2017.
Artikel 2 7. In het punt 3° van het ontworpen artikel 9, § 3, tweede lid, van het KB AUR schrijve men, zoals in de andere ontworpen bepalingen die dezelfde verwijzing opnemen (waaronder bijvoorbeeld het ontworpen artikel 9, § 2, eerste lid), "de artikelen 95, §§ 3 en 4" in plaats van "de artikelen 95, §§ 3 tot 4". 8. De gemachtigde bevestigde dat er in het punt 2° van het ontworpen artikel 9, § 3/1, derde lid, 2°, van het KB AUR, zoals reeds gebeurt in bijvoorbeeld het ontworpen artikel 95, § 4, 2°, van dat koninklijk besluit, verwezen moet worden naar "artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" in plaats van naar "artikel 403 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".(3)
Artikel 3 9. De gemachtigde bevestigde dat in het derde lid van het ontworpen artikel 66/1 van het KB AUR de precisering "van de wet" moet worden toegevoegd na de woorden "de artikelen 62, eerste lid, en 143, § 1, eerste lid," zoals al gebeurt na de woorden "de artikelen 62, tweede lid, en 143, § 1, tweede lid,". Artikel 5 10. De gemachtigde beaamde dat de in artikel 69, § 1, van het KB AUR in te voegen woordgroep als volgt moet luiden: "Wanneer de in de artikelen 95, §§ 3 en 4, 127 en 160 bedoelde behandelingstermijn wordt overschreden en de betaling niet is verricht." 11. Luidens het huidige artikel 69, § 1, van het KB AUR heeft de opdrachtnemer van rechtswege en zonder ingebrekestelling recht op de betaling van een intrest naar rato van het aantal dagen overschrijding, wanneer de in de huidige artikelen 95, §§ 3 tot 5, 127 en 160 vastgestelde betalingstermijnen worden overschreden.Vermits in het huidige systeem de betalingstermijn in beginsel pas begint te lopen na afloop van de verificatietermijn, kan ervan worden uitgegaan dat het hier gaat om bedragen waarover geen betwisting bestaat.
Op grond van de ontworpen wijziging van artikel 69, § 1, van het KB AUR zal de intrest verschuldigd zijn wanneer de behandelingstermijn wordt overschreden en de betaling niet is verricht. Vermits in het nieuwe systeem tijdens de behandelingstermijn echter zowel het nazicht als de betaling dient te gebeuren, zal het niet verrichten van de betaling binnen de termijn mogelijk het gevolg zijn van het bestaan van een betwisting over de uitvoering van de overeenkomst.
De gemachtigde bevestigde dat in artikel 69, § 1, van het KB AUR, naar analogie van artikel 5 van de
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
07/08/2002
numac
2002009716
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
sluiten `betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties' en overeenkomstig artikel 4, lid 1, a), van de richtlijn 2011/7/EU, best uitdrukkelijk bepaald wordt dat een interest verschuldigd is, op voorwaarde dat de schuldenaar zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld.
Er dient dan ook in de nodige bijkomende aanpassingen van artikel 69, § 1, KB AUR te worden voorzien.
Slotopmerking 12. Bij de aanvang van het dispositief dient een bepaling te worden ingevoegd waarin wordt vermeld dat het ontwerp voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 `betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties'. De Griffier, De Voorzitter, Ilse ANNE Marnix VAN DAMME _______ Nota (1) HvJ 20 oktober 2022, C-585/20, BFF Finance Iberia, ECLI:EU:C:2022:806.(2) Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.Zie bv.: GwH 17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014, nr. 141/2014, B.4.1;
GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6; GwH 16 juni 2016, nr. 94/2016, B.3; GwH 18 mei 2017, nr. 60/2017, B.11; GwH 15 juni 2017, nr. 79/2017, B.3.1; GwH 19 juli 2017, nr. 99/2017, B.11; GwH 28 september 2017, nr. 104/2017, B.8. (3) Dat laatste werd immers opgeheven bij artikel 57 van de
wet van 13 april 2019Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/04/2019
pub.
30/04/2019
numac
2019041000
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
sluiten `tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen'.
12 AUGUSTUS 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
29/08/2013
numac
2013000553
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
26/03/2013
numac
2013021021
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. - Rechtzetting
type
koninklijk besluit
prom.
14/01/2013
pub.
14/02/2013
numac
2013021005
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdracht …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.