📄 Wettekst
14 JANUARI 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het Erfgoed
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten, voor wat betreft de musea, de cultureel-erfgoedpublicaties en de projecten cultureel erfgoed
De Vlaamse Regering, Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op artikel 55 tot en met 58;
Gelet op het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid;
Gelet op het advies van de Raad voor de Kunsten, gegeven op 18 oktober 2004;
Gelet op het advies van de Raad voor Cultuur, gegeven op 22 oktober 2004;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 16 december 2004;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat in uitvoering van artikel 59 van het Erfgoed
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten, de artikelen 4 tot en met 8, 16, 21, 24, 26 tot en met 37 en 52 van hetzelfde decreet in werking treden op 1 januari 2005;
Gelet op advies 37.955/3 van de Raad van State, gegeven op 23 december 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel Na beraadslaging, Besluit : TITEL I. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid;2° overheid : elke officiële instantie op lokaal, provinciaal, gewestelijk, gemeenschapsniveau of federaal niveau;3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden;4° administratie : de administratieve dienst, bevoegd voor het roerend en immaterieel cultureel erfgoed;5° werkingsjaar : de periode van 1 januari tot en met 31 december;6° project : een activiteit die zowel qua opzet of doelstelling als in de tijd kan worden afgebakend;7° ondersteunende organisatie : een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die het museum ondersteunt bij de uitoefening van de basisfuncties;8° beoordelingscommissie musea : de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 21, § 1, 1°, van het besluit van 25 juni 2004 van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering;9° beoordelingscommissie instellingen van de Vlaamse overheid : de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 21, § 1, 2°, van het besluit van 25 juni 2004 van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering;10° beoordelingscommissie erfgoedconvenants en projecten cultureel erfgoed : de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 21, § 1, 4°, van het besluit van 25 juni 2004 van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering;11° adviescommissie cultureel erfgoed : de adviescommissie, bedoeld in artikel 43, § 1, van het Erfgoed
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004036066
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
28/07/2004
numac
2004036103
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het administratief toezicht
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
05/08/2004
numac
2004036273
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
06/09/2004
numac
2004036380
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
25/08/2004
numac
2004036335
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
type
decreet
prom.
07/05/2004
pub.
09/08/2004
numac
2004036224
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, en van sommige andere bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie
sluiten. TITEL II. - Musea HOOFDSTUK I. - Erkenning Afdeling I. - Erkenningsvoorwaarden
Art. 2.§ 1. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 2°, van het decreet, geeft het museum duidelijk aan dat de collectie cultureel erfgoed door haar onderlinge samenhang en profiel, de verbanden en de context, de mogelijke uniciteit of de materiële waarde van het cultureel erfgoed, voldoende belangrijk is om in het algemeen belang in een museum als bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van het decreet, ondergebracht te worden. § 2. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 3°, van het decreet, geeft het museum duidelijk aan dat het de museumwerking in haar totaliteit benadert. Dit museale concept vertrekt vanuit de collectie cultureel erfgoed en de missie van het museum. § 3. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 4°, van het decreet, toont het museum aan dat het : 1° beschikt over een collectieplan;2° beschikt over een beschrijving van de toestand van de collectie cultureel erfgoed en een beschrijving van de getroffen maatregelen tot behoud van de collectie cultureel erfgoed;3° beschikt over een inventaris van de collectie cultureel erfgoed, opgesteld volgens de internationale regels voor registratie, zoals beschreven door « the International Documentation Committee of the International Council of Museums »;4° beschikt over een presentatie van de collectie cultureel erfgoed;5° een publieksbeleid voert, met inbegrip van een communicatiebeleid, gericht op cultuurbeleving en cultuurontwikkeling;6° samenwerkt met actoren uit het cultureel-erfgoedveld en uit andere relevante domeinen in de samenleving. § 4. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 6°, van het decreet, toont het museum aan dat het : 1° minstens honderd vijftig dagen per jaar geopend is voor individuele bezoekers, waarvan minstens één werkdag per week en één dag in het weekend.In uitzonderlijke gevallen en op voorwaarde van motivering bij de aanvraag tot erkenning kan een beperkte sluitingsperiode van het museum worden toegestaan; 2° beschikt over voldoende infrastructuur voor het uitoefenen van de museale basisfuncties;3° beschikt over een stabiele financiële basis.Het bevoegde gezag neemt de financiering van het museum op in een afzonderlijke afdeling van de begroting; 4° beschikt over een personeelskader dat bestaat uit : a) ten minste een halftijdse directeur of conservator die houder is van een diploma hoger onderwijs en die het bewijs levert van zijn deskundigheid;b) gekwalificeerd personeel, met een diploma hoger onderwijs, om de basisfuncties te vervullen, waarvan ten minste één voltijds equivalent stafmedewerker;c) voldoende professionele of vrijwillige medewerkers die beschikken over de juiste vaardigheden om de museumwerking kwaliteitsvol uit te oefenen. Het personeel van het museum moet de mogelijkheid krijgen om zich bij te scholen om de museumwerking beter te kunnen uitoefenen. § 5. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 7°, van het decreet, toont het museum aan dat : 1° het bevoegde gezag het museum effectief en verantwoord bestuurt, aan het museum de nodige middelen en vaardigheden verstrekt en procedures uittekent om de overeengekomen strategie en doelstellingen te realiseren;2° het beschikt over het eigendoms- of genotsrecht van de kern van de collectie cultureel erfgoed voor een langere periode;3° het beschikt over het eigendoms- of genotsrecht van een basisinfrastructuur voor een langere periode;4° als het een privaatrechtelijke rechtspersoon betreft, het beschikt over statuten waarin de onvervreemdbaarheid en de museale bestemming van de collectie cultureel erfgoed staan ingeschreven;5° het beschikt over een organisatiestructuur, die ten dienste staat van de museumwerking of de uitoefening van de basisfuncties;6° er zorg gedragen wordt voor het eigen archief;7° het beschikt over een coherent zakelijk beleid. § 6. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, 8°, van het decreet, leeft het museum de deontologische code voor het museumberoep, zoals beschreven door « the International Council of Museums », na en onderschrijft het de deontologische code in de statuten of in het huishoudelijk reglement van het museum. § 7. Het museum kan voor de uitoefening van de basisfuncties samenwerken met andere cultureel-erfgoedinstellingen. In voorkomend geval bepaalt het museum mee het beleid van die functionele samenwerking. Afdeling II. - Aanvraag en procedure tot erkenning van musea
Art. 3.§ 1. Om erkend te worden als bedoeld in artikel 5 van het decreet, wordt door het bevoegde gezag van een museum een aanvraag tot erkenning, in vijftien exemplaren en digitaal, uiterlijk 1 oktober van het voorlaatste jaar voorafgaand aan het jaar vanaf wanneer de erkenning wordt toegekend, per aangetekende brief naar de administratie gestuurd of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd. § 2. De aanvraag tot erkenning omvat alle informatie die nodig en nuttig is om te beoordelen of het museum voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en artikel 2. § 3. De aanvraag tot erkenning bevat een beleidsplan als bedoeld in artikel 5, § 1, van het decreet.
Het beleidsplan bevat de volgende elementen : 1° een omgevingsanalyse, rekening houdend met het profiel van de collectie cultureel erfgoed, de plaats van het museum in deze omgeving, en een sterkte-zwakteanalyse;2° het museale concept en de visie op de uitoefening van de basisfuncties van de museumwerking, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse.Als voor bepaalde aspecten van de basisfuncties een samenwerking bestaat als bedoeld in artikel 2, § 7, wordt dat duidelijk aangegeven; 3° de strategische en operationele doelstellingen van het museum;4° de verwachte effecten en resultaatindicatoren;5° een omschrijving van de instrumenten en werkmethoden die bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen;6° de visie op het management van het museum, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse;7° de beschikbare infrastructurele, financiële, personele en logistieke middelen;8° een meerjarenplanning voor alle basisfuncties van de museumwerking met vermelding van de prioriteiten;9° de wijze waarop dit beleidsplan is afgestemd op, in voorkomend geval, het gemeentelijke cultuurbeleidsplan, het cultuurbeleidsplan van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, of het beleidsplan over de uitvoering van het erfgoedconvenant.Als het bevoegde gezag de provincie is, wordt ook aangegeven op welke wijze dit beleidsplan afgestemd is op het provinciale cultuurbeleidsplan; 10° een beschrijving van het proces van de beleidsplanning. Bovendien bevat het beleidsplan de volgende documenten : 1° in voorkomend geval, een uittreksel uit de cultuurbeleidsplannen in kwestie;2° in voorkomend geval, de statuten van de privaatrechtelijke rechtspersoon en de samenstelling van de raad van bestuur;3° in voorkomend geval, de statuten van de ondersteunende organisatie en de samenstelling van de raad van bestuur van deze organisatie;4° in voorkomend geval, een organogram van het bevoegde gezag, de plaats van het museum daarbinnen en de relaties tot de ondersteunende organisaties;5° de begroting van het lopende werkingsjaar, en in voorkomend geval ook de begroting van de ondersteunende organisatie.De administratie kan een model van begroting opleggen; 6° in voorkomend geval, een schriftelijke overeenkomst of een beslissing van het bevoegde gezag waarin de voorwaarden van de functionele samenwerking, bedoeld in het eerste lid, 2°, worden beschreven;7° het eigendomsbewijs of de overeenkomst met betrekking tot het genotsrecht op het gebouw;8° in voorkomend geval, de overeenkomst met betrekking tot het genotsrecht op de kerncollectie cultureel erfgoed;9° in voorkomend geval, een schriftelijke overeenkomst of een beslissing van het bevoegde gezag waarin de voorwaarden van de structurele samenwerking, bedoeld in artikel 4, § 2 van het decreet, worden beschreven zowel op het vlak van de uitoefening van de basisfuncties van de museumwerking als op het vlak van het beheer van het museum.Hierin wordt ook bepaald wie als bevoegd gezag voor het samenwerkingsverband optreedt; 10° in voorkomend geval, andere documenten waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, van het decreet, en in artikel 2, voldaan wordt. De administratie kan een model van beleidsplan opleggen. Art. 4.§ 1. De administratie onderzoekt of de aanvraag volledig werd ingediend en of ze voldoet aan de vormelijke vereisten, bedoeld in artikel 3.
Als de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of als ze niet voldoet aan de vormelijke vereisten, is de aanvraag niet ontvankelijk. § 2. De administratie meldt, per aangetekende brief, uiterlijk vijftien dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag tot erkenning, aan het bevoegde gezag of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. In voorkomend geval wordt de reden vermeld van de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag.
De administratie bezorgt, gelijktijdig met de ontvankelijkheidsmelding aan het bevoegde gezag, een afschrift van de ontvankelijke aanvraag tot erkenning aan de provincie in kwestie, als ze niet het bevoegde gezag is, aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie, als het museum gelegen is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en ook aan de gemeente in kwestie, als het bevoegde gezag van het museum een privaatrechtelijke rechtspersoon is. § 3. De administratie onderzoekt de aanvraag tot erkenning op stukken en ter plaatse en toetst het beleidsplan aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2.
Bij het bezoek ter plaatse kan de administratie worden bijgestaan door een externe deskundige, een lid van de beoordelingscommissie musea, de provincie in kwestie, als ze niet het bevoegde gezag is, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, als het museum gelegen is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en ook de gemeente in kwestie, als het bevoegde gezag van het museum een privaatrechtelijke rechtspersoon is.
De administratie maakt een verslag op van haar bevindingen en voegt het verslag bij de aanvraag tot erkenning. § 4. De provincie in kwestie kan, als ze niet het bevoegde gezag is, op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2, een gemotiveerd advies over de aanvraag tot erkenning formuleren. De provincie in kwestie deelt haar advies, uiterlijk 15 december van het voorlaatste jaar voorafgaand aan het jaar vanaf wanneer de erkenning wordt toegekend, aan de administratie.
De Vlaamse Gemeenschapscommissie kan, als het museum gelegen is in het in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2, een gemotiveerd advies over de aanvraag tot erkenning formuleren. De Vlaamse Gemeenschapscommissie deelt haar advies, uiterlijk 15 december van het voorlaatste jaar voorafgaand aan het jaar vanaf wanneer de erkenning wordt toegekend, aan de administratie.
Als het bevoegde gezag een privaatrechtelijke rechtspersoon is, kan ook de gemeente in kwestie, op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2, een gemotiveerd advies over de aanvraag tot erkenning formuleren. De gemeente in kwestie deelt haar advies, uiterlijk 15 december van het voorlaatste jaar voorafgaand aan het jaar vanaf wanneer de erkenning wordt toegekend, aan de administratie.
De administratie voegt deze adviezen bij de aanvraag tot erkenning. § 5. De beoordelingscommissie musea beoordeelt de aanvraag tot erkenning op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2, en brengt daarover een gemotiveerd advies uit.
De beoordelingscommissie musea kan alle initiatieven nemen die ze nodig acht om deze erkenningsvoorwaarden op adequate wijze te toetsen. § 6. De administratie stelt, rekening houdend met het gemotiveerde advies van de beoordelingscommissie musea en, in voorkomend geval, de gemotiveerde adviezen van de provincie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de gemeente, een ontwerp van beslissing op over alle aspecten van de aanvraag tot erkenning. In dat document wordt het advies van de beoordelingscommissie integraal opgenomen. § 7. De minister beslist uiterlijk op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het jaar vanaf wanneer de erkenning wordt toegekend, over de erkenning of formuleert een voornemen tot weigering van de erkenning en deelt zijn beslissing mee aan de administratie. In voorkomend geval wordt de reden van het voornemen tot weigering van de erkenning vermeld.
De erkenning wordt toegekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de beslissing van de minister. § 8. De administratie deelt de beslissing van de minister per aangetekende brief mee aan het bevoegde gezag binnen een termijn van dertig dagen na de beslissing van de minister. In voorkomend geval wordt de reden van het voornemen tot weigering van de erkenning vermeld en worden de mogelijkheden tot en voorwaarden voor het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift in de aangetekende brief opgenomen.
De administratie informeert de provincie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de gemeente in kwestie, als ze zelf niet het bevoegde gezag zijn, over de beslissing over de aanvraag tot erkenning van het museum. Art. 5.§ 1. Als de minister het voornemen tot weigering van de erkenning van het museum uit, dan kan het bevoegde gezag op straffe van niet-ontvankelijkheid tot uiterlijk dertig dagen na de betekening van het voornemen tot weigering van de erkenning, per aangetekende brief, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie.
Dit bezwaar wordt behandeld volgens de procedure, bepaald in hoofdstuk V van het
decreet van 19 december 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/12/1997
pub.
11/04/1998
numac
1998035254
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden
sluiten houdende de oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden. § 2. Als het bevoegde gezag geen bezwaarschrift indient als bedoeld in § 1, wordt de beslissing van de minister geacht van rechtswege de definitieve beslissing van de minister te zijn over het niet-erkennen van het museum. § 3. Als de minister beslist het museum niet te erkennen, dan kan het bevoegde gezag voor hetzelfde museum pas een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen : 1° op zijn vroegst in het jaar dat volgt op het jaar van de definitieve beslissing tot het niet-erkennen van het museum;2° op voorwaarde dat aangetoond wordt dat de reden voor de weigering niet langer bestaat. Art. 6.§ 1. Een erkend museum dient jaarlijks een jaarverslag in met het oog op het toezicht op de erkenning, bedoeld in artikel 5, § 5, van het decreet.
Dat jaarverslag bevat : 1° een inhoudelijk verslag over de mate waarin tijdens het voorbije werkingsjaar uitvoering werd gegeven aan het beleidsplan;2° de statistische gegevens die de administratie nodig acht;3° de jaarrekening die bestaat uit een balans, een resultatenrekening en het verslag van een bedrijfsrevisor of, in voorkomend geval, van de gemeente of provincieontvanger.Als het een gemeente of provincie betreft, wordt een uittreksel uit de jaarrekening gevraagd met een overzicht van de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de werking van het erkend museum.
In voorkomend geval worden de financiële documenten van de ondersteunende organisatie toegevoegd. § 2. Het jaarverslag wordt door het bevoegde gezag, in drie exemplaren en digitaal, uiterlijk op 1 april van het volgende jaar, per aangetekende brief naar de administratie gestuurd of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd. § 3. De administratie kan op ieder ogenblik aan het bevoegde gezag aanvullende informatie en documenten vragen. Art. 7.§ 1. Het bevoegde gezag van een erkend museum dient op het einde van een beleidsperiode een volgend beleidsplan in met het oog op het toezicht op de erkenning, bedoeld in artikel 5, § 5, van het decreet.
Het volgende beleidsplan bevat alle nodige en nuttige informatie om te beoordelen of het museum nog steeds voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2.
Het volgende beleidsplan bevat de elementen, beschreven in artikel 3, § 3, en een evaluatie van de uitvoering van het lopende beleidsplan.
De evaluatie van de uitvoering van het lopende beleidsplan bevat minstens de volgende elementen : 1° een inhoudelijk verslag over de mate waarin tijdens de voorbije beleidsperiode het beleidsplan werd uitgevoerd;2° een evaluatie van de uitoefening van de basisfuncties;3° een evaluatie van de gebruikte instrumenten en werkmethoden;4° een evaluatie van het management;5° een beschrijving van de bereikte resultaten. § 2. Het volgende beleidsplan wordt door het bevoegde gezag, in vijftien exemplaren en digitaal, uiterlijk op 15 januari van het laatste jaar van de lopende beleidsperiode, per aangetekende brief naar de administratie gestuurd of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd. § 3. De administratie kan op ieder ogenblik aan het bevoegde gezag aanvullende informatie en documenten vragen. Art. 8.Als aan de werking van een erkend museum op basis van een andere aanvraag tot erkenning een nieuwe erkenning wordt toegekend, vervalt de vorige erkenning van rechtswege op 1 januari van het jaar dat volgt op de beslissing van de minister. Art. 9.Het herkenningsteken van erkend museum, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het decreet, wordt vastgelegd zoals afgebeeld in de bijlage, gevoegd bij dit besluit.
Het herkenningsteken van erkend museum wordt op een goed zichtbare plaats aangebracht bij de hoofdingang van het erkend museum. Afdeling III. - Aanwijzing van en procedure voor de instellingen van
de Vlaamse Gemeenschap Onderafdeling I. - Aanwijzing van de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap Art. 10.De volgende musea worden aangewezen als instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, als bedoeld in artikel 2, 10°, van het decreet : 1° het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen;2° het Kasteel van Gaasbeek;3° het Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen. Onderafdeling II. - Instellingen die de Vlaamse Gemeenschap zelf beheert Art. 11.§ 1. Een beleidsplan wordt door een instelling van de Vlaamse Gemeenschap als bedoeld in artikel 8, § 1, van het decreet, in vijftien exemplaren en digitaal, uiterlijk op 1 februari van het eerste volledige kalenderjaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement, per aangetekende brief naar de administratie gestuurd of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd. § 2. Het beleidsplan bevat de volgende elementen : 1° een omgevingsanalyse, rekening houdend met het profiel van de collectie cultureel erfgoed, de plaats van het museum in deze omgeving en een sterkte-zwakteanalyse;2° het museale concept en de visie op de uitoefening van de basisfuncties van de museumwerking, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse.Als voor bepaalde aspecten van de basisfuncties een samenwerking bestaat, wordt dit duidelijk aangegeven; 3° de strategische en operationele doelstellingen van het museum;4° de verwachte effecten en resultaatindicatoren;5° een omschrijving van de instrumenten en werkmethoden die bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen;6° de visie op het management van het museum, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse;7° de beschikbare infrastructurele, financiële, personele en logistieke middelen;8° een meerjarenplanning met vermelding van de prioriteiten;9° een beschrijving van het proces van de beleidsplanning. Bovendien bevat het beleidsplan de volgende documenten : 1° in voorkomend geval, de statuten van de ondersteunende organisatie en de samenstelling van de raad van bestuur van deze organisatie;2° de begroting van het lopende werkingsjaar, en in voorkomend geval ook de begroting van de ondersteunende organisatie.De administratie kan een model van begroting opleggen; 3° in voorkomend geval, een organogram van het bevoegde gezag, de plaats van het museum daarbinnen en de relaties tot de ondersteunende organisaties;4° in voorkomend geval, een schriftelijke overeenkomst of een beslissing van het bevoegde gezag waarin de voorwaarden van de functionele samenwerking, bedoeld in het eerste lid, 2°, worden beschreven;5° in voorkomend geval, de overeenkomst met betrekking tot het genotsrecht op de kerncollectie cultureel erfgoed;6° in voorkomend geval, andere documenten waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 2, voldaan wordt. De administratie kan een model van beleidsplan opleggen. Art. 12.§ 1. De administratie onderzoekt het beleidsplan op stukken en ter plaatse en toetst het aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet en in artikel 2.
Bij het bezoek ter plaatse kan de administratie worden bijgestaan door een externe deskundige of door een lid van de bevoegde beoordelingscommissie instellingen van de Vlaamse overheid.
De administratie maakt een verslag op van haar bevindingen en voegt het verslag bij het beleidsplan. § 2. De bevoegde beoordelingscommissie instellingen van de Vlaamse overheid beoordeelt het beleidsplan op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2, en brengt daarover een gemotiveerd advies uit uiterlijk op 1 juni van het eerste volledige kalenderjaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement.
De beoordelingscommissie kan alle initiatieven nemen die ze nodig acht om het beleidsplan te toetsen. § 3. De administratie stelt, rekening houdend met het gemotiveerde advies van de beoordelingscommissie, een ontwerp van beslissing op over alle aspecten van het beleidsplan. In dat document wordt het advies van de beoordelingscommissie integraal opgenomen. § 4. De Vlaamse Regering keurt, uiterlijk op 1 oktober van het eerste volledige kalenderjaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement, het beleidsplan goed of ze keurt het af en ze deelt haar beslissing mee aan de administratie. § 5. De administratie deelt de beslissing van de Vlaamse Regering per aangetekende brief mee aan de instelling van de Vlaamse Gemeenschap binnen een termijn van twintig dagen na de beslissing van de Vlaamse Regering. Art. 13.Als het beleidsplan wordt afgekeurd, past de instelling van de Vlaamse Gemeenschap het beleidsplan aan en dient de instelling van de Vlaamse Gemeenschap het aangepaste beleidsplan uiterlijk op 1 februari van het volgende jaar in bij de administratie.
De procedure en de termijnen, bedoeld in artikel 12, zijn van overeenkomstige toepassing op het goedkeuren of afkeuren van dat aangepaste beleidsplan.
Onderafdeling III. - Instellingen die de Vlaamse Gemeenschap niet zelf beheert Art. 14.§ 1. Een ontwerp van beleidsplan wordt door een instelling van de Vlaamse Gemeenschap als bedoeld in artikel 8, § 2, van het decreet, in vijftien exemplaren en digitaal, uiterlijk op 1 september van het jaar waarin de legislatuur van het Vlaams Parlement eindigt, per aangetekende brief naar de administratie gestuurd of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd.
Een instelling van de Vlaamse Gemeenschap die ook binnen het Kunstendecreet een beleidsplan indient, kan één globaal beleidsplan voor het Erfgoeddecreet en het Kunstendecreet opstellen. § 2. Het beleidsplan bevat alle informatie die nodig en nuttig is om : 1° te kunnen beoordelen of de instelling van de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 8, § 2, van het decreet, voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2;2° de beheersovereenkomst, bedoeld in artikel 8, § 2, van het decreet, voor te bereiden. § 3. Het ontwerp van beleidsplan bevat de volgende elementen : 1° een omgevingsanalyse, rekening houdend met het profiel van de collectie cultureel erfgoed, de plaats van het museum in deze omgeving en een sterkte-zwakteanalyse;2° het museaal concept en de visie op de uitoefening van de basisfuncties van de museumwerking, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse.Als voor bepaalde aspecten van de basisfuncties een samenwerking bestaat, wordt dit duidelijk aangegeven; 3° de strategische en operationele doelstellingen van het museum;4° de verwachte effecten en resultaatindicatoren;5° een omschrijving van de instrumenten en werkmethoden die bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen;6° de visie op het management van het museum, een actuele stand van zaken en een sterkte-zwakteanalyse;7° de beschikbare infrastructurele, financiële, personele en logistieke middelen;8° een meerjarenplanning met vermelding van de prioriteiten;9° een beschrijving van het proces van de beleidsplanning. Bovendien bevat het beleidsplan de volgende documenten : 1° in voorkomend geval, de statuten van de privaatrechtelijke rechtspersoon en de samenstelling van de raad van bestuur;2° in voorkomend geval, de statuten van de ondersteunende organisatie en de samenstelling van de raad van bestuur van deze organisatie;3° in voorkomend geval, een organogram van het bevoegde gezag, de plaats van het museum daarbinnen en de relaties tot de ondersteunende organisaties;4° de begroting van het lopende werkingsjaar, en in voorkomend geval ook de begroting van de ondersteunende organisatie.De administratie kan een model van begroting opleggen; 5° in voorkomend geval, een schriftelijke overeenkomst of een beslissing van het bevoegde gezag waarin de voorwaarden van de functionele samenwerking, bedoeld in het eerste lid, 2°, worden beschreven;6° het eigendomsbewijs of de overeenkomst met betrekking tot het genotsrecht op het gebouw;7° in voorkomend geval, de overeenkomst met betrekking tot het genotsrecht op de kerncollectie cultureel erfgoed;8° in voorkomend geval, andere documenten waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 2, voldaan wordt. De administratie kan een model van beleidsplan opleggen. Art. 15.§ 1. De administratie onderzoekt het ontwerp van beleidsplan op stukken en ter plaatse en toetst het aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2.
Bij het bezoek ter plaatse kan de administratie worden bijgestaan door een externe deskundige of door een lid van de bevoegde beoordelingscommissie instellingen van de Vlaamse overheid. § 2. De bevoegde beoordelingscommissie instellingen van de Vlaamse overheid beoordeelt het ontwerp van beleidsplan op basis van de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2, en beoordeelt de inhoudelijke werking van de instelling en brengt daarover een gemotiveerd advies uit uiterlijk op 15 maart van het jaar dat volgt op het indienen van het beleidsplan.
De beoordelingscommissie kan alle initiatieven nemen die ze nodig acht om de werking van de instelling op adequate wijze te toetsen. Art. 16.§ 1. Ter uitvoering van artikel 8, § 2, tweede lid, van het decreet, en rekening houdend met het advies van de beoordelingscommissie, wordt de onderhandeling over de inhoud van de beheersovereenkomst voorbereid door de administratie en door vertegenwoordigers van de instelling van de Vlaamse Gemeenschap.
Het ontwerp van beleidsplan wordt als bijlage bij het ontwerp van beheersovereenkomst gevoegd. § 2. Het ontwerp van beheersovereenkomst wordt tijdens minstens één formeel overlegmoment besproken tussen de minister en de instelling van de Vlaamse Gemeenschap. § 3. Met een instelling van de Vlaamse Gemeenschap die ook binnen het Kunstendecreet een beheersovereenkomst met de Vlaamse Gemeenschap sluit, kan een globale beheersovereenkomst voor het Erfgoeddecreet en het Kunstendecreet worden gesloten. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring van erkende musea Afdeling I. - Werkingssubsidies aan erkende musea
Onderafdeling I. - Voorwaarden voor de indeling van een erkend museum Art. 17.§ 1. Om ingedeeld te worden bij het landelijke niveau, beschikt het erkende museum, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 1°, van het decreet, over een collectie cultureel erfgoed die inhoudelijk of thematisch van landelijk of internationaal belang is.
Dat wordt beoordeeld aan de hand van : 1° de beschrijving van de oorsprong en de samenstelling van de collectie cultureel erfgoed;2° het museale concept;3° de positionering van de collectie cultureel erfgoed in binnen- en buitenland. § 2. Om ingedeeld te worden bij het landelijke niveau, neemt het erkende museum, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 2°, van het decreet, een culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich in Vlaanderen.
Dat wordt beoordeeld aan de hand van : 1° de taak die het museum opneemt ten opzichte van het cultureel erfgoed in Vlaanderen;2° de rol die het museum speelt in het betrekken van de bevolking bij het cultureel erfgoed;3° de motorfunctie die het museum vervult en de rol die het museum speelt in lokale, regionale en landelijke netwerken, samenwerkingsverbanden en projecten;4° de wijze waarop het erkende museum zijn kennis, expertise en middelen op het vlak van de uitoefening van de basisfuncties ter beschikking stelt van het cultureel erfgoed in Vlaanderen;5° de bijdrage die het erkende museum levert aan de landelijke ontwikkeling van het beleidsveld cultureel erfgoed. § 3. Om ingedeeld te worden bij het landelijke niveau, wordt, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 3°, van het decreet, de kwaliteit van de uitvoering van de basisfuncties beoordeeld aan de hand van : 1° de verhouding met de landelijke profilering van de museumwerking;2° de mate waarin de verschillende deelaspecten van de museumwerking bijdragen tot de verwezenlijking van de missie en de doelstellingen van het museum;3° de mate waarin de verschillende deelaspecten van de museumwerking op elkaar afgestemd zijn;4° het professionele beheer van de collectie cultureel erfgoed met een prioriteitenbeleid op het vlak van behoud en beheer;5° de conserveringsmaatregelen die getroffen worden voor een kwaliteitsvol behoud en beheer;6° de toegankelijkheid van de collectie cultureel erfgoed;7° het wetenschappelijk onderzoek;8° de mate waarin een actief presentatiebeleid wordt gevoerd;9° het tentoonstellingsbeleid;10° de actieve museumwerking ten aanzien van het publiek;11° de ruimtelijk verantwoorde omgang met het museumgebouw. Hiervoor beschikt het erkende museum over : 1° ruimte voor depot en conserveringsactiviteiten, ruimte voor de permanente opstelling van de collectie cultureel erfgoed, een afzonderlijke ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen, een ruimte voor de bibliotheekcollectie en de documentaire verzameling en een ruimte voor publieksactiviteiten;2° een geautomatiseerde collectieregistratie en -administratie waarvan de informatie toegankelijk is voor verschillende gebruikers;3° een tentoonstellingsbeleid dat opgenomen wordt in een meerjarenplanning en gekoppeld wordt aan wetenschappelijk onderzoek;4° een openingstijd van minstens zes dagen per week, het hele jaar door, voor individuele bezoekers, met de mogelijkheid van een vaste sluitingsperiode van maximaal twee weken;5° een documentaire verzameling en bibliotheekcollectie die toegankelijk zijn op vaste tijdstippen voor individuele bezoekers;6° faciliteiten die het mogelijk maken het cultureel erfgoed dat niet wordt tentoongesteld te raadplegen;7° een aanbod op het vlak van actieve en passieve publieksbegeleiding dat gericht is op verschillende doelgroepen;8° een communicatie- en marketingbeleid;9° voldoende kennis en expertise in verhouding tot de collectie cultureel erfgoed om de basisfuncties kwaliteitsvol en evenwichtig uit te oefenen;10° een personeelskader dat bestaat uit : a) een voltijdse conservator of directeur die houder is van een diploma hoger onderwijs en die het bewijs levert van zijn deskundigheid;b) minstens vier voltijds equivalente stafmedewerkers met een diploma hoger onderwijs die belast zijn met de coördinatie van de uitoefening van de basisfuncties;c) voldoende professionele medewerkers om de basisfuncties van de museumwerking uit te oefenen. Het erkende museum kan voor de kwaliteitsvolle uitoefening van de basisfuncties samenwerken met andere cultureel-erfgoedinstellingen. In voorkomend geval bepaalt het erkende museum mee het beleid van die functionele samenwerking. § 4. Om ingedeeld te worden bij het landelijke niveau, wordt, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 4°, van het decreet, de kwaliteit van de bedrijfsvoering beoordeeld aan de hand van : 1° het personeelsbeleid;2° het financiële beleid;3° de mate waarin het personeel bijscholing volgt;4° de beslissingsprocedures;5° de wijze waarop het beleidsplan wordt opgemaakt. Daartoe : 1° voert het erkende museum een personeelsbeleid dat gebaseerd is op een personeelsplan en een organogram;2° beschikt het erkende museum, voor alle functies, zowel van de professionele als van de vrijwillige medewerkers, over functiebeschrijvingen met een omschreven takenpakket en de competenties die nodig zijn om de functie naar behoren uit te voeren;3° volgen de conservator of directeur en de stafmedewerkers minstens twintig uren per jaar bijscholing, gericht op de museumwerking of het management;4° volgen de professionele of vrijwillige medewerkers bijscholing voor de taken die zij vervullen;5° biedt het erkende museum voldoende garanties aan vrijwilligers op het vlak van sociale en burgerrechtelijke bescherming;6° stemt de werking van het erkende museum overeen met de principes van de kwaliteitszorg;7° wordt het beleidsplan voorbereid in overleg met de medewerkers en medespelers. § 5. Om ingedeeld te worden bij het landelijke niveau, is, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 5°, van het decreet, de geografische reikwijdte van het erkend museum, landelijk en internationaal.
Dat wordt beoordeeld aan de hand van : 1° het publieksbereik;2° het communicatiebeleid;3° de dienstverlening;4° de publieksgerichte infrastructuur. Daartoe : 1° bereikt het erkende museum een lokaal, regionaal, landelijk en internationaal publiek.De analyse van de bezoekerscijfers en een publieksonderzoek zullen hiervoor bekeken worden; 2° voert het erkende museum een communicatiebeleid dat gericht is op diverse doelgroepen met het oog op publiekswerving in binnen- en buitenland;3° beschikt het erkende museum over voorzieningen voor de ontvangst van het publiek;4° beschikt het erkende museum over signalisatie in het museum;5° beschikt het erkende museum over meertalige publieksinformatie. Art. 18.§ 1. Om ingedeeld te worden bij het regionale niveau, beschikt het erkende museum, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 1°, van het decreet, over een collectie cultureel erfgoed die inhoudelijk of thematisch van regionaal belang is.
Dat wordt beoordeeld aan de hand van : 1° de beschrijving van de oorsprong en de samenstelling van de collectie cultureel erfgoed;2° het museale concept;3° de positionering van de collectie cultureel erfgoed binnen Vlaanderen en in de regio. § 2. Om ingedeeld te worden bij het regionale niveau, neemt het erkende museum, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 2°, van het decreet, een culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich op lokaal niveau en in de regio.
Dat wordt beoordeeld aan de hand van : 1° de taak die het museum opneemt ten opzichte van het cultureel erfgoed in de regio;2° de rol die het museum speelt in het betrekken van de bevolking bij het cultureel erfgoed in de regio;3° de motorfunctie die het museum vervult en de rol die het museum speelt in lokale en regionale netwerken, samenwerkingsverbanden en projecten rond ten minste één basisfunctie;4° de wijze waarop het erkende museum zijn kennis, expertise en middelen op het vlak van de uitoefening van ten minste één basisfunctie ter beschikking stelt van het cultureel erfgoed in de regio. § 3. Om ingedeeld te worden bij het regionale niveau, wordt, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 3°, van het decreet, de kwaliteit van de uitvoering van de basisfuncties beoordeeld aan de hand van : 1° de verhouding met de regionale profilering van de museumwerking;2° de mate waarin de verschillende deelaspecten van de museumwerking bijdragen tot de verwezenlijking van de missie en de doelstellingen van het museum;3° de mate waarin de verschillende deelaspecten van de museumwerking op elkaar afgestemd zijn;4° de conserveringsmaatregelen die getroffen worden voor een kwaliteitsvol behoud en beheer;5° de toegankelijkheid van de collectie cultureel erfgoed;6° de museumwerking ten aanzien van het publiek. Hiervoor beschikt het erkende museum over : 1° een geautomatiseerd collectieregistratiesysteem met een registratieplan, met stappenplan en timing, met het oog op een geautomatiseerde collectieadministratie waarvan de informatie toegankelijk is voor verschillende gebruikers;2° een openingstijd van minstens vier dagen per week waarvan één dag in het weekend, het hele jaar door, voor individuele bezoekers, met de mogelijkheid van een vaste sluitingsperiode;3° faciliteiten voor de publieke consultatie van de documentaire verzameling en de bibliotheekcollectie;4° een aanbod op het vlak van publieksbegeleiding;5° voldoende kennis en expertise in verhouding tot de collectie cultureel erfgoed om de basisfuncties kwaliteitsvol uit te oefenen;6° een personeelskader dat bestaat uit : a) een voltijdse conservator of directeur die houder is van een diploma hoger onderwijs en die het bewijs levert van zijn deskundigheid;b) minstens één voltijds equivalent stafmedewerker met een diploma hoger onderwijs die belast is met de coördinatie van de uitoefening van de basisfuncties;c) voldoende professionele medewerkers om de basisfuncties van de museumwerking uit te voeren. Het erkende museum kan voor de kwaliteitsvolle uitoefening van de basisfuncties samenwerken met andere cultureel-erfgoedinstellingen. In voorkomend geval bepaalt het erkende museum mee het beleid van die functionele samenwerking. § 4. Om ingedeeld te worden bij het regionale niveau, wordt, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 4°, van het decreet, de kwaliteit van de bedrijfsvoering beoordeeld aan de hand van : 1° het personeelsbeleid;2° het financiële beleid;3° de mate waarin het personeel bijscholing volgt. Daartoe : 1° voert het erkende museum een personeelsbeleid dat gebaseerd is op een personeelsplan en organogram;2° volgen de conservator of directeur en de stafmedewerkers bijscholing, gericht op de museumwerking of het management;3° volgen de professionele of vrijwillige medewerkers die ingezet worden bij de uitvoering van de museumwerking en de basisfuncties bijscholing in de taken die zij vervullen;4° biedt het erkende museum voldoende garanties aan vrijwilligers op het vlak van sociale en burgerrechtelijke bescherming. § 5. Om ingedeeld te worden bij het regionale niveau, is, ter uitvoering van artikel 9, § 2, 5°, van het decreet, de geografische reikwijdte van het erkende museum regionaal.
Dit wordt beoordeeld aan de hand van : 1° het publieksbereik;2° het communicatiebeleid. Daartoe : 1° bereikt het erkende museum een lokaal en regionaal publiek;2° voert het museum een communicatiebeleid met het oog op publiekswerving in de regio. Art. 19.Om ingedeeld te worden bij het basisniveau, moet het erkende museum voldoen aan de erkenningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, en in artikel 2.
Onderafdeling II. - Procedure voor de toekenning van een werkingssubsidie aan een erkend museum Art. 20.§ 1. Een aanvraag voor een werkingssubsidie als bedoeld in artikel 11 van het decreet, wordt door het bevoegde gezag als volgt ingediend : 1° bij een eerste aanvraag geldt het beleidsplan dat ingediend wordt als aanvraag tot erkenning, als bedoeld in artikel 3, § 3, eveneens als beleidsplan met het oog op indeling;2° bij een aanvraag voor een volgende beleidsperiode, geldt het beleidsplan dat ingediend wordt met het oog op het toezicht op de erkenning, bedoeld in artikel 7, § 2, eveneens als beleidsplan met het oog op indeling. § 2. Het beleidsplan, bedoeld in § 1, bevat alle informatie die nodig en nuttig is om het erkende museum te toetsen aan de criteria voor indeling, bedoeld in artikel 9, § 2, van het decreet. Art. 21.§ 1. De administratie onderzoekt of de aanvraag volledig werd ingediend en of ze voldoet aan de vormelijke vereisten, bedoeld in artikel 3, als het een eerste aanvraag voor een werkingssubsidie betreft, en of ze voldoet aan de vormelijke vereisten, bedoeld in artikel 7, als het een aanvraag voor een werkingssubsidie betreft voor een volgende beleidsperiode.
Als de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of als ze niet voldoet aan de vormelijke vereisten, is de aanvraag niet ontvankelijk. § 2. De administratie meldt, per aangetekende brief, uiterlijk vijftien dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag, aan het bevoegde gezag of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. In voorkomend geval wordt de reden vermeld van de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag. Art. 22.§ 1. De administratie onderzoekt de aanvraag op stukken en toetst de aanvraag aan de criteria, bedoeld in artikel 9, § 2, van het decreet en aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17, 18, of 19.
De administratie kan alle initiatieven nemen die ze nodig acht om de criteria, bedoeld in artikel 9, § 2, van het decreet, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 17, 18 of 19, op adequate wijze te toetsen. Ze kan onder meer het bevoegde gezag horen, aanvullende documenten en gegevens opvragen en een bezoek ter plaatse brengen.
Bij het bezoek ter plaatse kan de administratie worden bijgestaan door een externe deskundige en een lid van de beoordelingscommissie musea.
De administratie maakt een verslag op van haar bevindingen en voegt het verslag bij de aanvraag. § 2. De beoordelingscommissie musea beoordeelt de aanvraag op basis van de criteria, bedoeld in artikel 9, § 2, van het decreet en de voorwaarden, bedoeld in artikel 17, 18 of …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.