📄 Wettekst
28 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem
Verslag aan de Koning Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb voor te leggen aan Uwe Majesteit, werd aan de Ministerraad overgelegd. Het gaat over een reeks maatregelen die moeten worden getroffen ter omzetting in Belgisch recht van de Richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het conventionele spoorwegsysteem.
Om de burgers van de Europese Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, moet inzonderheid worden gestreefd naar de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken door alle maatregelen te treffen die nodig kunnen blijken op het gebied van de harmonisatie van de technische normen.
De Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap, zoals gewijzigd door de Richtlijnen 2001/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 en 2004/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april, impliceert overigens dat spoorwegondernemingen in toenemende mate toegang tot de spoorwegnetten van de lidstaten moeten hebben en dat daartoe dus interoperabiliteit van de infrastructuur, de installaties, het rollend materieel en de beheers- en exploitatiesystemen noodzakelijk is, met inbegrip van de kwalificaties en de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften op het werk voor het personeel dat nodig is voor de exploitatie en het onderhoud van de bedoelde subsystemen en voor de uitvoering van elke technische specificatie inzake operabiliteit (TSI).
De commerciële exploitatie van treinen op het spoorwegnet vereist met name niet alleen een optimale afstemming van infrastructuur en rollend materieel, maar ook een doeltreffende koppeling van de informatie- en communicatiesystemen van de verschillende beheerders van de spoorweginfrastructuur en exploitanten. Van deze afstemming en koppeling zijn de prestaties, veiligheid, kwaliteit en kostprijs van de dienstverlening afhankelijk, alsook inzonderheid de interoperabiliteit van het conventionele spoorwegsysteem.
De Europese Commissie heeft niet gekozen voor een tot het uiterste doorgedreven benadering van de interoperabiliteit. Zodoende scheppen voornoemde Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG een kader voor een adequaat niveau van interoperabiliteit en geen universeel systeem waarbinnen elke trein om het even waarop het Europese net zou kunnen rijden.
Het gaat om een aanpak die op geleidelijkheid gesteund is en op het instellen van een voorkeursorde en een kalender voor de uitwerking van een interoperabel spoorwegsysteem.
De aanname van een dergelijke aanpak via wegen van geleidelijkheid beantwoordt aan de bijzondere noden van de interoperabiliteit van het conventionele spoorwegsysteem dat gekenmerkt wordt door een oud patrimonium van nationale infrastructuren en materieel waarvan de aanpassing of de vernieuwing zware investeringen vergen; zij houdt tevens rekening met het feit dat er in het bijzonder over dient te worden gewaakt dat het spoor niet economisch wordt bestraft ten opzichte van de andere transportmodi.
De Richtlijnen 2001/16/EG en 96/48/EG hebben communautaire procedures ingesteld voor de voorbereiding en vaststelling van TSI's, alsmede gemeenschappelijke voorschriften voor de beoordeling van de overeenstemming met de TSI's. Een opdracht voor de ontwikkeling van de eerste groep TSI's is gegeven aan de Europese Associatie voor spoorweginteroperabiliteit (AEIF), die tevens is aangewezen als representatieve gemeenschappelijke instantie.
De ontwikkeling van TSI's, de toepassing ervan bij concrete projecten en het werk van het Comité dat is ingesteld overeenkomstig genoemde richtlijnen, hebben een aantal bruikbare gegevens opgeleverd, die de Commissie ertoe hebben gebracht voor te stellen de beide Richtlijnen betreffende spoorweginteroperabiliteit op een aantal punten te wijzigen.
De vaststelling van Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau enerzijds en van de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid van de communautaire spoorwegen anderzijds, maakte het daarenboven noodzakelijk een aantal bepalingen uit de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG te wijzigen. Aldus neemt het bureau sedert zijn oprichting de aanvankelijke rol van de AEIF over en krijgt het van de Commissie de opdracht voor het opstellen van alle nieuwe ontwerp-TSI's en voor het wijzigen van bestaande TSI's.
Met het oog op een harmonisatie van de bepalingen en teneinde de juridische veiligheid te versterken, was het vanuit wetgevingsoogpunt aangewezen de koninklijke besluiten ter omzetting van voornoemde Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG af te schaffen en in dit nieuwe koninklijk besluit alle oude en nieuwe bepalingen omtrent de interoperabiliteit van het hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem op te nemen.
Aangezien de reglementaire bepalingen die voor beide interoperabiliteitssystemen gelden, identiek zijn, werden zij onder een enkele titel (titel II) samengebracht. Hetzelfde geldt voor de vroegere definities. Zij worden op uniforme wijze opgesomd onder titel I, die op beide interoperabiliteitstypes van toepassing is.
Samengevat, wordt de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem op grond van de volgende beginselen geregeld: - teneinde interoperabel te zijn, moeten het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem beantwoorden aan de essentiële eisen. Deze systemen worden in bijlage I beschreven. - om operationele redenen werd in titel I en in bijlage II het globale spoorwegsysteem onderverdeeld in subsystemen die overeenkomen met: * hetzij gebieden van structurele aard: - infrastructuur; - energie; - besturing en seininrichting; - exploitatie en beheer van het verkeer; - rollend materieel; * hetzij gebieden van functionele aard: - onderhoud; - telecommunicatietoepassingen ten dienste van "reizigers" of "vracht"; - de subsystemen op zich zijn samengesteld uit de interoperabele onderdelen die onder titel I en in de bijlage IV worden gedefinieerd; - de essentiële eisen (bijlage III) worden opgenomen in technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI). Deze TSI's bepalen de modaliteiten, op grond waarvan aan voornoemde essentiële eisen kan worden voldaan. Zij bepalen tevens de fundamentele parameters (profiel, spanning, enz.) alsmede de samenstellende delen en de interfaces tussen de verschillende delen van het systeem of de subsystemen (zoals het raakvlak pantograaf-bovenleiding of wiel-rail) die een kritieke rol spelen m.b.t. de interoperabiliteit.
Anderzijds werden totnogtoe de TSI's in opdracht van de Europese Commissie uitgewerkt door de representatieve gemeenschappelijke instantie, samengesteld uit deskundigen van de spoorwegondernemingen en de beheerders van de spoorweginfrastructuur en vertegenwoordigers van de industrie (de Association européenne pour l'interopérabilité ferroviaire "A.E.I.F").
Voortaan zal dit gebeuren door het Europees Spoorwegbureau, dat van de Commissie de opdracht kreeg voor het opstellen van alle nieuwe ontwerp-TSI's en voor het wijzigen van bestaande TSI's.
Wanneer een TSI dit voorschrijft, moet de fabrikant van onderdelen de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van deze onderdelen aanvragen bij een door de lidstaten daartoe aangemelde instantie.
Overeenkomstig de desbetreffende TSI is de conformiteit van de onderdelen voornamelijk verbonden aan hun gebruiksdomein dat de interoperabiliteit van het systeem beoogt te waarborgen, en niet enkel aan hun vrij verkeer binnen de gemeenschappelijke markt. De beoordeling van de geschiktheid voor gebruik is van toepassing voor de onderdelen die het meest kritiek zijn t.o.v. de veiligheid, de beschikbaarheid of de economie van het systeem. Het is derhalve overbodig dat de fabrikant het merkteken "EG" aanbrengt op de onderdelen die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Europese Richtlijnen in verband met de interoperabiliteit. De conformiteitverklaring van de fabrikant moet in deze volstaan. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting van de fabrikant om, voor sommige onderdelen, het merkteken "EG" aan te brengen dat de conformiteit met andere gemeenschapsbepalingen van wettelijke of reglementaire aard waarborgt.
Voor hun ingebruikneming is het daarenboven nodig om de subsystemen die het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem samenstellen, te onderwerpen aan een verificatieprocedure. Deze verificatie moet de bevoegde overheden, die de ingebruikneming toestaan, toelaten om zich ervan te vergewissen dat in elk stadium van het project, vanaf de constructie tot de ingebruikneming, het resultaat overeenstemt met de reglementaire, technische en operationele bepalingen die van toepassing zijn. Zij moet tevens een gelijke behandeling voor de constructeurs waarborgen onafhankelijk het land. Het is dus nodig om een procedure vast te leggen die de principes bepaalt, alsmede de voorwaarden van de verificatie van de subsystemen.
Een subsysteem kan bijgevolg alleen in gebruik worden genomen nadat de opdrachtgever van het ontwerp aan een "aangemelde" of "aangewezen" instantie gevraagd heeft, de conformiteit van dit subsysteem te beoordelen conform de principes uiteengezet in de TSI's of, bij gebrek aan TSI's of in geval van afwijkingen hiervan, in de gangbare normen en technische specificaties.
Voor de toepassing en de opvolging van het geheel van de bepalingen inzake interoperabiliteit wordt de Europese Commissie bijgestaan door een comité samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Dit comité zorgt, inzonderheid, voor de coördinatie van de werkzaamheden van de aangemelde instanties ("comité artikel 21").
Het is van belang dat de inwerkingstelling van de bepalingen betreffende de interoperabiliteit geen onverantwoorde belemmeringen schept omwille van de kosten-batenverhouding of het behoud van de samenhang van het bestaande spoorwegnet, zonder dat hierbij de doelstellingen van de interoperabiliteit verloochend worden. Derhalve is het aangewezen om de niet-toepassing, door de betrokken lidstaat, van bepaalde technische specificaties van interoperabiliteit in bijzondere gevallen toe te laten en om procedures te voorzien teneinde ervoor te zorgen dat deze afwijkingen gerechtvaardigd zijn. Het kan evenzeer voorkomen dat de TSI's nog niet beschikbaar of goedgekeurd zijn. In dit geval stelt de Minister de lijst vast van de geldende normen en technische specificaties die bij gebrek aan TSI's worden toegepast op het Belgische spoorwegnet.
Bij afwezigheid van TSI's of in geval van afwijkingen hiervan wordt de conformiteit met de van toepassing zijnde regels gecontroleerd door een door de Minister of zijn gemachtigde "aangewezen" instantie.
Om redenen van veiligheid dient de lidstaten te worden verzocht een identificatiecode toe te kennen aan elk in dienst gesteld rijtuig. Het rijtuig wordt vervolgens geregistreerd in een nationaal register. De nationale registers dienen door alle lidstaten en door een aantal marktpartijen in de EU te kunnen worden geraadpleegd. Met betrekking tot het formaat van de gegevens dienen zij samenhangend te zijn.
Daarom dienen voor deze registers gemeenschappelijke functionele en technische specificaties te worden opgesteld.
Overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
18/02/1969
pub.
25/04/2012
numac
2012000279
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg kan België met het oog op de omzetting van deze richtlijnen in nationaal recht zijn verplichting nakomen door op grond van een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de nodige maatregelen te treffen.
In dit ontwerpbesluit worden de maatregelen voor deze omzetting in het nationaal recht voorgesteld. Ze zijn in zes titels en zevenbijlagen gegroepeerd en geven nauwgezet de bepalingen van de Richtlijn 2004/50/EG weer, alsmede van deze die zij wijzigt.
Er werd rekening gehouden met het advies nr. 40.772/2/V van de Raad van State gegeven op 19 juli 2006 in het bijzonder om de samenhang tussen het ontwerp van koninklijk besluit en het ontwerp van wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen duidelijker tot uiting te doen komen.
Een concordantietabel tussen de verschillende artikelen van dit ontwerp van besluit en de bepalingen van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16 EG wordt als bijlage aan dit verslag gevoegd.
Commentaar per artikel TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit artikel vereist geen commentaar. Art. 2.Dit artikel bevat de van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG overgenomen definities zoals zij door voornoemde Richtlijn 2004/50/EG werden gewijzigd. Zij hernemen de door deze Richtlijn ingevoerde begrippen die nodig zijn voor een goed begrip van de bepalingen van volgende hoofdstukken en bijlagen.
TITEL II. - Het hoogesnelheidsspoor-wegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem HOOFDSTUK I. - Algemeen Afdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 3 en 4. Deze artikels leggen het toepassingsgebied van dit Koninklijk besluit vast.
Op het vlak van het conventionele spoorwegsysteem zijn een aantal uitzonderingen bepaald: het betreft hier de infrastructuurvoorzieningen en het materieel dat uitsluitend bestemd is voor lokaal, historisch of toeristisch gebruik. De infrastructuurvoorzieningen die functioneel geïsoleerd zijn van de rest van het spoorwegnet, vallen evenmin onder het toepassingsgebied van de conventionele interoperabiliteit. Afdeling II. - Essentiële eisen
Art. 5.Dit artikel legt het fundamenteel beginsel vast dat het moet mogelijk maken de interoperabiliteit van het hogesnelheids- en het conventionele spoorwegsysteem te verwezenlijken, krachtens welk het spoorwegsysteem en zijn onderdelen moeten overeenstemmen met de essentiële eisen qua veiligheid, betrouwbaarheid, gezondheid van de personen, bescherming van het leefmilieu, technische en operationele verenigbaarheid. Deze eisen worden in bijlage III in algemene bewoordingen omschreven. Art. 6.Dit artikel vereist geen commentaar. HOOFDSTUK II. - Technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI's) Art. 7.Dit artikel legt de algemene principes vast voor de "technische specificaties inzake interoperabiliteit" (TSI's). Met het oog op het verwezenlijken van de interoperabiliteit, moet elk subsysteem en interoperabiliteitsonderdeel waarop een of meerdere TSI betrekking hebben ermee in overeenstemming zijn en deze overeenstemming moet blijven. Art. 8.De verplichting die gedaan is om de TSI te respecteren wanneer ze bestaan betekent niet dat de infrastructuur enkel mag gebruikt worden in gevallen en door ondersystemen voorzien door de TSI. Tegenwoordig rijden IR-treinen op lijn 2 tussen Luik en Leuven, die nochtans beschouwd wordt als hogesnelheidslijn, en waarvoor de TSI aangenomen werden. Deze verplichting betekent dat de treinen die op deze lijn rijden en die vallen onder de categorie van hogesnelheidstreinen waarop TSI's betrekking hebben vallen, deze TSI's moeten respecteren. Art. 9.Deze bepaling voorziet in een systeem waarbij de Minister of zijn gemachtigde mag afwijken van de TSI's, hetzij in geval van een project van nieuwe lijn of herinrichting van een bestaande lijn wanneer dit zich in een te ver gevorderd stadium van ontwikkeling bevindt, hetzij wanneer de toepassing van de TSI's technisch onverenigbaar is met de bestaande lijn of om redenen van economische levensvatbaarheid. Deze afwijkingen mogen worden toegestaan op basis van een voorstel van de spoorweginfrastructuurbeheerder of van spoorwegondernemingen.
Hetzelfde geldt bij ongeval of natuurramp, wanneer het herstel van de normale werking van het net geen uitstel duldt. In dit geval wordt de notificatie van de afwijking zo snel mogelijk overgezonden, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de getroffen veiligheids- en bewarende maatregelen. Art. 10.Dit artikel bevat een vrijwaringsclausule. Wanneer de TSI's ontbreken, moeten ter wille van de continuïteit en om ieder rechtsvacuüm te voorkomen, de nationale normen en technische specificaties voorschriften worden gehanteerd.
TITEL III Het in de handel brengen van interoperabiliteitsonderdelen Art. 11 tot 13. Deze artikelen sommen de verplichtingen en voorwaarden op waarmee de fabrikanten en hun gemachtigden rekening moeten houden, alvorens zij interoperabiliteitsonderdelen op de markt brengen.
De naleving van deze verplichtingen wordt verondersteld, wanneer het interoperabiliteitsonderdeel voorzien is van een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid.
Voor de opstelling van deze EG-verklaring moet de fabrikant of zijn gemachtigde erop toekijken dat het interoperabiliteitsonderdeel beantwoordt aan de bijzondere bepalingen (fabricage-, assemblage- en bouwnormen) die volgens de TSI hierop van toepassing zijn. Telkens de TSI het vereist, moet de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel door een aangemelde instantie worden beoordeeld.
Art. 14 tot 16. Deze artikelen bepalen de maatregelen die door de veiligheidsinstantie kunnen worden getroffen, wanneer een conform verklaard onderdeel een gebrek aan conformiteit qua essentiële eisen blijkt te vertonen of hieraan helemaal niet voldoet.
Deze maatregelen betreffen met name het gebruiksverbod, het uit de handel nemen alsook het in overeenstemming brengen van het interoperabiliteitsonderdeel volgens de in artikelen 15 en 16 vervatte hypotheses.
De rol gegeven aan de veiligheidsinstantie door deze artikelen is conform aan de opdrachten en bevoegdheden die haar worden toevertrouwd door de artikelen 12 en 13 van de wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen. Art. 17.Dit artikel verbiedt protectionistische maatregelen. Wanneer een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan deze voorschriften, mag het op de markt brengen ervan niet worden belemmerd op grond van andere voorschriften, behalve wanneer de veiligheid van het spoorwegverkeer in het gedrang komt of wanneer veiligheidsnormen en -voorschriften, die door andere spoorwegreglementeringen worden opgelegd, worden overtreden.
TITEL IV. - Ingebruikneming van de subsystemen HOOFDSTUK I. - Algemene principes Art. 18 en 19. Deze artikelen leggen voorafgaandelijk de verplichting op tot het bekomen van een toelating tot het in gebruik nemen voor elk subsysteem van structurele aard, ingeplant of uitgebaat in België, zelfs indien een andere lidstaat reeds en dergelijke toelating gegeven heeft. Deze oplossing is vereist ingevolge de huidige verschillen tussen de onderscheiden Europese spoorwegsystemen, en dit in tegenstelling tot de interoperabiliteitsonderdelen die genieten van het vrij verkeer van goederen eenmaal zij de toelating gekregen hebben om in een lidstaat in de handel te worden gebracht. Inderdaad, de interoperabiliteitsonderdelen hebben als eigen doelstelling de operabiliteit te verwezenlijken en moeten in dezer hoedanigheid vrij kunnen bewegen binnen de ganse Europese Unie.
De toelating wordt door de veiligheidsinstantie gegeven overeenkomstig haar opdracht toevertrouwd door de wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen. Art. 20.De verificatie van de naleving van de essentiële eisen en van de interoperabiliteit geschiedt aan de hand van de TSI's of, indien er geen zijn of in geval van afwijkingen, aan de hand van de geldende voorschriften Art. 21.Dit artikel voorziet het in kennis stellen van de Europese Commissie wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat de TSI's niet volledig voldoen aan de essentiële eisen.
Hoofdstuk II. - Opstellen van de EG-keuringsverklaring en van de conformiteits met de van toepassing zijnde normen en technische specificaties Art. 22 tot 24. Het in gebruik nemen van een subsysteem moet samen gaan met een EG-Keuringsverklaring, opgesteld door de aanbestedende dienst of door zijn gemandateerde, die de conformiteit met de van toepassing zijnde voorschriften verklaart.
De EG-keuringsverklaring, uitgaande van de aanbestedende dienst of van zijn gemandateerde moet vergezeld zijn van een technisch dossier opgesteld door een aangemeld organisme verklarende dat het subsysteem conform is met de TSI voor zover zij bestaan.
Bij het ontbreken van een TSI of bij afwijking ervan, verifieert een aangewezen organisatie het respect van de essentiële eisen en de interoperabiliteit op basis van de van toepassing zijnde voorschriften.
Wanneer er ten slotte geen overeenstemming bestaat met de TSI's, kan de veiligheidsinstantie erom verzoeken dat door de aangemelde of aangewezen instantie op kosten van de aanvrager of zijn gemachtigde aanvullende verificaties worden verricht (artikel 23). HOOFDSTUK III. - Modaliteiten van ingebruikneming van subsystemen Art. 25.Dit artikel vraagt geen bijkomende uitleg. Art. 26.In geval van vernieuwing of herinrichting van een subsysteem (bestaande lijnen, seinhuizen, rollend materieel...) kan, indien de veiligheidsinstantie zulks beslist, naar gelang van de omvang van de werkzaamheden, een nieuwe toestemming voor ingebruikneming nodig zijn.
Zij is vereist telkens wanneer de veiligheid door de vooropgestelde werken in het gedrang kan worden gebracht.
Art. 27 en 28. Deze bepalingen behandelen de ingebruikneming van rollend materieel en de verplichting op het toezicht door de veiligheidsinstantie dat ieder voertuig een immatriculatienummer wordt toegekend. In dit kader haudt zij hiertoe een nationaal inschrijvingsregister dat voldoet aan de door de Europese instanties opgestelde criteria. Art. 29.Dit artikel bepaalt een reciprociteitclausule waarin bepaald wodt dat de veiligheidsinstantie geen nieuwe verificatie van de subsystemen kan eisen, wanneer zij reeds over een EG-keuringsverklaring beschikken en zij voldoen aan de essentiële eisen, tenzij de veiligheid van het spoorwegverkeer in het gedrang komt. HOOFDSTUK IV. - Aangemelde instanties Art. 30 tot 33. Deze artikelen, alsmede bijlage VII bepalen de regels die van toepassing zijn op de aangemelde instanties.
Om te kunnen worden aangemeld, dienen de instanties te voldoen aan de in bijlage VII beschreven erkenningscriteria en dienen zij vooraf geaccrediteerd te zijn overeenkomstig de
wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
02/12/2010
numac
2010000669
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
10/06/2010
numac
2010000325
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
26/05/2011
numac
2011000307
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria.
Zo voorziet artikel 33 in een overgangsperiode die loopt tot 7 juli 2008, gedurende welke de Minister instanties kan erkennen die nog niet beschikken over de accreditatie die in voormelde
wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
02/12/2010
numac
2010000669
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
10/06/2010
numac
2010000325
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
20/07/1990
pub.
26/05/2011
numac
2011000307
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten wordt bepaald. Vanzelfsprekend dienen deze instanties niettemin te voldoen aan de erkenningcriteria van bijlage VII om te kunnen worden aangemeld.
De modaliteiten en voorwaarden om een aanmelding aan te vragen, worden in een ministerieel uitvoeringsbesluit beschreven. De instantie, haar directeur en het personeel dat instaat voor de keuringen, mogen noch rechtstreeks noch als gemachtigde tussenkomen in de fabricatie, het ontwerpen, de bouw, de commercialisering, de uitbating of het onderhoud van de interoperabele onderdelen of subsystemen.
De beslissingen van de aangemelde instanties worden wederzijds erkend en zijn bijgevolg geldig op het hele grondgebied van de Europese Unie.
HOOFSTUK V. - Aangewezen instanties Art. 34 en 35. Deze artikelen hebben betrekking op de aangewezen instanties. Het verschil tussen een aangemelde instantie en een aangewezen instantie berust alleen in het feit dat een aangewezen instantie slechts bevoegd is bij het ontbreken van TSI's of in geval van afwijkingen hiervan; d.w.z. wanneer de conformiteit qua essentiële eisen inzake interoperabiliteit moet worden beoordeeld op grond van de gangbare normen en technische voorschriften bedoeld in artikel 10.
Bovendien is de "aangewezen" instantie niet bevoegd voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel, aangezien enkel een TSI deze procedure (artikel 12, § 2) kan opleggen.
Aangezien hun bevoegdheid op de nationale technische voorschriften is gestoeld, gelden hun beslissingen uiteraard enkel op Belgisch vlak.
De modaliteiten om een aanwijzing te vragen worden in een ministerieel uitvoeringsbesluit beschreven.
TITEL V Infrastructuurregisters en beheer van het rollend materieel Art 36. Deze registers beschrijven, voor elk subsysteem of deel van een subsysteem, de belangrijkste karakteristieken in vergelijking met de door de TSI's voorgeschreven karakteristieken die hierop van toepassing zijn.
Ze worden door de spoorweginfrastructuurbeheerder gehouden.
TITEL VI. - Slotbepalingen Art. 37 tot 39. Aangezien de "veiligheidsinstantie" en het "onderzoeksorgaan" waarvan sprake in het ontwerp van koninklijk besluit in rechte niet bestaan zolang de wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen niet in werking is getreden kan dit besluit op zijn vroegst gelijktijdig met de voornoemde wet in werking treden.
Voor het overige behoeft deze titel geen bijzondere commentaar.
Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Mobiliteit, R. LANDUYT
28 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de
wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
18/02/1969
pub.
25/04/2012
numac
2012000279
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 28 juli 1987, en de wet van 15 mei 2006 houdende diverse maatregelen inzake vervoer;
Gelet op de
wet van 19 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/2006
pub.
23/01/2007
numac
2006014300
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen
sluiten betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, inzonderheid de artikelen 6, § 2, derde lid, en 12;
Gelet op het
koninklijk besluit van 3 april 2000Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/2000
pub.
24/05/2000
numac
2000014115
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem
sluiten betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem;
Gelet op het
koninklijk besluit van 15 mei 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
15/05/2003
pub.
27/06/2003
numac
2003014151
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem
sluiten betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;
Gelet op het feit dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 27 maart 2006;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 31 maart 2006;
Gelet op het advies nr. 40.772/2/V van de Raad van State, gegeven op 19 juli 2006, bij toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit strekt tot omzetting van de Richtlijn 96/48/EG van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van Richtlijn 2001/l6/EG van het Europese Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het conventionele spoorwegsysteem zoals gewijzigd door de Richtlijn 2004/50/EG van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "Minister": de minister die voor de regulering van het spoorwegvervoer bevoegd is;2° "bestuur": het Directoraat-generaal Vervoer te Land van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;3° "gemachtigde van de minister": de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Vervoer te Land van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;4° "toezichthoudend orgaan ": de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal;5° "bureau": het Europees Spoorwegbureau, opgericht krachtens de Verordening (EG) nr.881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004; 6° "veiligheidsinstantie": de veiligheidsinstantie door de Koning aangewezen in toepassing van de
wet van 19 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/2006
pub.
23/01/2007
numac
2006014300
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen
sluiten betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen;7° "onderzoeksorgaan": het onderzoeksorgaan door de Koning aangewezen in toepassing van de voornoemde
wet van 19 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/2006
pub.
23/01/2007
numac
2006014300
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen
sluiten; 8° "beheerder van de spoorweginfra-structuur": de N.V. van publiek recht "Infrabel"; 9° "spoorwegonderneming": iedere privaat-rechtelijke of publiekrechtelijke onder-neming waarvan de belangrijkste activiteit bestaat in het leveren van spoorweg-vervoerdiensten voor goederen en/of reizigers, waarbij in ieder geval door deze onderneming voor de tractie moet worden gezorgd;hiertoe behoren ook de ondernemingen die uitsluitend tractie leveren; 10° " trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem": het in bijlage I beschreven geheel dat wordt gevormd door de spoorweginfrastructuur, bestaande uit de lijnen en de vaste installaties, van het Belgische vervoersnet, die speciaal is aangelegd of ingericht om met grote snelheid te worden bereden, alsmede door het rollend materieel dat speciaal is ontworpen om op deze infrastructuur te rijden;11° "conventioneel spoorwegsysteem": het in bijlage I beschreven geheel dat wordt gevormd door de spoorweginfrastructuur van het Belgische vervoersnet, bestaande uit de voor het conventionele en gecombineerde spoorwegvervoer aangelegde of ingerichte lijnen en vaste installaties alsmede door het rollend materieel dat is ontworpen om op deze infrastructuur te rijden;12° "interoperabiliteit": de geschiktheid van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken treinverkeer, waarbij de voor de betrokken lijnen gespecificeerde prestaties worden geleverd.Deze geschiktheid berust op het geheel van wettelijke, technische en operationele voorwaarden die moeten worden vervuld om aan de essentiële eisen te voldoen; 13° "subsystemen": het resultaat van de onderverdeling van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem, zoals in bijlage II vastgelegd;deze subsystemen, waarvoor essentiële eisen moeten worden gedefinieerd, zijn van structurele en functionele aard; 14° "essentiële eisen": het geheel van de in bijlage III omschreven voorwaarden waaraan het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem, de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen;15° "Europese specificatie": een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, zoals gedefinieerd in artikel 67 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren van water, energie, vervoer en telecommunicatie;16° "technische specificatie inzake interoperabiliteit": hierna genoemd "TSI": de specificaties die voor elk subsysteem gelden, teneinde aan de essentiële eisen te voldoen door de noodzakelijke onderlinge functionele verbanden tussen de subsystemen van het trans-Europese hogesnelheids-spoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem tot stand te brengen en door voor de interoperabiliteit van deze systemen te zorgen;17° "interoperabiliteitsonderdeel ": een basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel van materieel, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem zoals in bijlage IV vastgelegd, en waarvan de interoperabi1iteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem direct of indirect afhankelijk is.Het begrip "onderdeel" dekt materiële en immateriële zaken, zoals programmatuur; 18° "aangemelde instanties": de instanties die belast zijn met de beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor het gebruik van de interoperabiliteits-onderdelen of met het onderzoek ten behoeve van de EG-keuringsprocedure van de subsystemen van zowel het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem als van het conventionele spoorwegsysteem;19° "aangewezen instanties": de instanties die belast zijn met het onderzoek van de conformiteit met de van toepassing zijnde normen en technische specificaties van de subsystemen die deel uitmaken van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem, bij afwezigheid van TSI's of in geval van afwijkingen hiervan;20° "fundamentele parameter": elke reglementaire, technische of operationele voorwaarde die kritiek is voor de interoperabiliteit en die het voorwerp moet uitmaken van een besluit of een aanbeveling alvorens de oppuntstelling van de volledige ontwerp TSI's overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 21, § 2, van voornoemde Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG;21° "herinrichting": belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben; 22° "register van de spoorweginfrastructuur en register van het rollend materieel": in deze registers worden voor elk betrokken subsysteem of deel daarvan de belangrijkste kenmerken aangegeven, waaronder b.v. de fundamentele parameters, en de mate waarin deze overeenstemmen met de kenmerken die zijn voorgeschreven in de desbetreffende TSI's, die zowel voor het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem als voor het conventionele spoorwegsysteem van toepassing zijn; daartoe wordt in elke TSI nauwkeurig vermeld welke gegevens in de voornoemde registers dienen te worden opgenomen; 23° "vervanging in het kader van onderhoud": vervanging van onderdelen door onderdelen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud of herstelwerkzaamheden;24° "vernieuwing": belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;25° "bestaand spoorwegsysteem": het geheel dat is samengesteld uit de spoorweginfrastructuur, zijnde de lijnen en de vaste installaties van het bestaande spoorwegnetwerk, alsook het bestaande rollend materieel, ongeacht categorie of herkomst, dat op deze infrastructuur rijdt;26° "ingebruikneming": alle handelingen door middel waarvan een subsysteem in zijn nominale werkingstoestand wordt gebracht;27° "comité": het comité bedoeld in artikel 21 van de voornoemde Richtlijn 96/48/EG.28° "wet":
wet van 19 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/2006
pub.
23/01/2007
numac
2006014300
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen
sluiten betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen. TITEL II. - Het trans-europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem Hoofdstuk I. - Algemeen Afdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 3.Deze titel legt de voorwaarden vast waaraan moet worden voldaan om de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem op het Belgische net te verwezenlijken. Deze voorwaarden hebben betrekking op het ontwerp, de aanleg, de ingebruikneming, de herinrichting, de vernieuwing, de exploitatie en het onderhoud van de onderdelen van dit systeem alsmede op de kwalificaties en de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van het personeel dat bij de exploitatie en het onderhoud tussenkomt. Art. 4.Het toepassingsgebied van deze titel beslaat het gehele conventionele spoorwegsysteem en het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem, met inbegrip van de toegang via het spoor tot terminals en belangrijke haveninstallaties die meer dan één gebruiker bedienen of kunnen bedienen en met uitzondering van de infrastructuurvoorzieningen en het rollend materieel, dat uitsluitend bestemd is voor lokaal, historisch of toeristisch gebruik of infrastructuurvoorzieningen die functioneel geïsoleerd zijn van de rest van het spoorwegsysteem, en dit onverminderd de afwijkingen van de toepassing van TSI's als vermeld in artikel 9. Afdeling II. - Essentiële eisen
Art. 5.§ 1. Het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem, hun subsystemen en hun interoperabiliteitsonderdelen, inclusief de interfaces, leven de desbetreffende essentiële eisen na. § 2. De bijkomende technische specificaties bedoeld in artikel 18, paragraaf 4 van de Richtlijn 93/38/EEG en die noodzakelijk zijn voor de aanvulling van de Europese specificaties of de andere in de gemeenschap gangbare normen, mogen niet strijdig zijn met de essentiële eisen. Art. 6.Bij het nagaan of de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen geëxploiteerd en onderhouden worden overeenkomstig de hen betreffende essentiële eisen, worden de beoordelings- en keuringsprocedures gebruikt die in de betrokken TSI, van structurele en functionele aard, zijn bepaald.
Hoofdstuk II. - Technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI's) Afdeling I. - Algemene beginselen
Art. 7.Elk subsysteem en interoperabiliteitsonderdeel waarop een TSI betrekking heeft moet ermee in overeenstemming zijn.
Deze overeenstemming blijft tijdens het gebruik van elk subsysteem ononderbroken gehandhaafd. Art. 8.De TSI's vormen nochtans geen belemmering voor het gebruik van de nieuwe of aangepaste infrastructuur voor hoge snelheden, en van conventionele infrastructuur door rollend materieel waarop de TSI's niet van toepassing zijn Afdeling II. - Afwijkingen
Art. 9.De Minister of zijn gemachtigde beslissen in de volgende gevallen en onder de volgende voorwaarden bepaalde TSI's, ook met betrekking tot het rollend materieel, niet toe te passen: a) voor een project voor een nieuwe lijn, voor de herinrichting van een bestaande lijn of voor elk onderdeel van het trans-Europese hogesnelheids- en conventionele spoorwegsysteem dat zich op het moment van de bekendmaking van deze TSI's in een gevorderd stadium van ontwikkeling bevindt of waarvoor op dat moment een contract in uitvoering is;b) voor elk project voor de vernieuwing of de herinrichting van een bestaande lijn van het trans-Europese hogesnelheids- en conventionele spoorwegsysteem, wanneer het profiel, de breedte of tussenafstand van het spoor, of de elektrische spanning die in deze TSI's zijn bepaald, niet verenigbaar zijn met die van de bestaande lijn;c) voor elk project betreffende de vernieuwing, uitbreiding of herinrichting van een bestaande lijn van het trans-Europese hogesnelheids- en conventionele spoorwegsysteem, wanneer de toepassing van deze TSI's de economische levensvatbaarheid van het project en/of de samenhang van het Belgische spoorwegsysteem in gevaar brengt;d) wanneer het, na een ongeval of een natuurramp, omwille van de noodzakelijke snelle herstelling van het trans-Europese hogesnelheids- en conventionele net economisch of technisch niet mogelijk is de overeenkomstige TSI's geheel of gedeeltelijk toe te passen;e) voor de goederenwagens bestemd voor het conventionele net, met een plaats van herkomst of bestemming in een derde land met een andere spoorbreedte dan die van het hoofdspoorwegnet van de Europese Unie. In alle gevallen stelt de Minister of zijn gemachtigde de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen af te wijken en doet hij haar een dossier toekomen met de TSI's of delen daarvan die hij niet toegepast wenst te zien, alsmede met de betrokken specificaties die hij wenst toe te passen.
In de gevallen bedoeld in eerste lid, b), c) en e), wordt de afwijking vastgesteld na beslissing van het comité.
De beheerder van de spoorweginfrastructuur of de spoorwegondernemingen mogen voorstellen tot afwijking aan de TSI's formuleren in de gevallen, bedoeld in het eerste lid. De Minister of zijn gemachtigde beslist over het voorstel binnen een termijn van drie maanden vanaf het indienen. Deze termijn kan verlengd worden voor een niet hernieuwbare periode van zes maanden. Afdeling III. - Ontbreken van TSI's
Art. 10.Bij afwezigheid van TSI's bepaalt de Minister de lijst van de normen en technische specificaties die gelden op het Belgisch spoorwegnet om te voldoen aan de essentiële eisen.
Hij stelt de overige Lidstaten en de Commissie van de Europese Unie hiervan in kennis.
TITEL III Het in de handel brengen van interoperabiliteitsonderdelen Hoofdstuk I. - Algemene beginselen Art. 11.De interoperabiliteitsonderdelen mogen enkel in de handel worden gebracht, indien zij de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem mogelijk maken door te voldoen aan de essentiële eisen.
Zij worden binnen hun toepassingsgebied gebruikt overeenkomstig hun bestemming en worden naar behoren geïnstalleerd en onderhouden.
Dit artikel vormt geen belemmering om deze onderdelen voor andere toepassingen in de markt te brengen.
De Minister legt de modaliteiten vast voor het indienen van een aanvraag en de procedure om interoperabiliteitsonderdelen in de handel te brengen. Art. 12.§ 1. Een interoperabiliteitsonderdeel wordt verondersteld te voldoen aan de essentiële eisen, wanneer het overeenstemt met de voorwaarden die zijn vastgelegd in de corresponderende TSI's of in de bijzondere Europese specificaties die werden uitgevaardigd om aan deze voorwaarden te voldoen. § 2. De interoperabiliteitsonderdelen worden beschouwd als conform de desbetreffende essentiële eisen, wanneer zij voorzien zijn van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik. § 3. De EG-verklaring van conformiteit op geschiktheid voor gebruik worden gevoegd bij de interoperabiliteitsonderdelen, als gevolg van de procedure ter beoordeling van de conformiteit op de geschiktheid voor gebruik, vastgelegd in de corresponderende TSI. Hoofdstuk II. - Opstelling van de "EG" verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik Art. 13.§ 1. Voor de opstelling van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel moet de fabrikant of diens gemachtigde de desbetreffende TSI's hanteren. § 2. Telkens de TSI's het vereisen, wordt de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel uitgevoerd door de aangemelde instantie waarbij de fabrikant of diens in de Europese Unie gevestigde gemachtigde daartoe een aanvraag heeft ingediend. § 3. Wanneer op interoperabiliteitsonderdelen andere regelgevingen betreffende andere aspecten van toepassing zijn, geeft de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik aan dat de betrokken interoperabiliteitsonderdelen eveneens aan de eisen van die andere regelgevingen voldoen. § 4. Wanneer noch de fabrikant, noch diens gemachtigde de in de §§ 1, 2 en 3 genoemde verplichtingen heeft vervuld, gaan deze verplichtingen over op eenieder die het interoperabiliteitsonderdeel in de handel brengt. Dezelfde verplichtingen gelden voor degene die interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan assembleert dan wel voor eigen gebruik vervaardigt.
Hoofdstuk III. - Beperkingen of verbod op het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen Art. 14.In toepassing van de artikelen 12, 2° en 13, van de wet, wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik voorzien interoperabiliteitsonderdeel dat in de handel wordt gebracht en wordt gebruikt overeenkomstig zijn bestemming, de naleving van de essentiële eisen bedoeld in artikel 2 in het gedrang dreigt te brengen, neemt ze alle dienstige maatregelen om het toepassingsgebied van dat onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te nemen.
De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie onmiddellijk in kennis van de genomen maatregelen en geeft de redenen van zijn besluit aan, en met name of het gebrek aan conformiteit het gevolg is van: - het niet voldoen aan de essentiële eisen; - een gebrekkige toepassing van de Europese specificaties, voor zover de toepassing van deze specificaties wordt aangehaald; - de ontoereikendheid van de Europese specificaties. Art. 15.In toepassing van de artikelen 12, 2° en 13, van de wet, wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik, niet conform blijkt te zijn met de essentiële eisen bedoeld in artikel 2, neemt ze passende maatregelen om het toepassingsgebied van dat onderdeel te beperken, verbiedt ze het gebruik ervan of neemt het uit de handel. De veiligheidsinstantie stelt de Commissie en de overige lidstaten van de Europese Unie daarvan in kennis. Art. 16.§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 14 en 15 verplicht de veiligheidsinstantie in geval van een ten onrechte opgestelde EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik, in toepassing van de artikelen 12, 2° en 13, van de wet, de fabrikant of zijn mandataris het betrokken interoperabiliteitsonderdeel in overeenstemming te brengen. § 2. Wanneer het betrokken interoperabiliteitsonderdeel niet in overeenstemming wordt gebracht, beperkt de veiligheidsinstantie, in toepassing van de artikelen 12, 2° en 13 van de wet, haar toepassingsgebied of verbiedt zij het gebruik ervan, of neemt zij het uit de handel volgens de procedures van artikel 14 en 15. Art. 17.Uitgezonderd de gevallen waarin het spoorwegverkeer in het gedrang komt of de normen en veiligheidsregels, opgelegd door andere spoorwegreglementen worden geschonden, mag de veiligheidsinstantie, het in de handel brengen op hun grondgebied van interoperabiliteitsonderdelen met het oog op het gebruik daarvan voor het Belgische hogesnelheidsspoorwegsysteem en het Belgische conventionele spoorwegsysteem niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer deze onderdelen aan de bepalingen van dit besluit voldoen.
In het bijzonder mag zij geen verificaties verlangen die al zijn verricht in het kader van de procedure die tot de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik heeft geleid, zoals aangeven in bijlage V. TITEL IV. - Ingebruikneming van de subsystemen Hoofdstuk I. - Algemene beginselen Art. 18.In toepassing van artikel 12, 1°, van de wet dient de ingebruikneming van elk subsysteem van structurele aard ingeplant of uitgebaat in België, te worden toegelaten door de veiligheidsinstantie, overeenkomstig deze titel. Art. 19.§ 1. De subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem mogen enkel in gebruik genomen worden op voorwaarde dat zij zodanig zijn ontworpen, gebouwd en ingericht dat zij de eerbiediging van de essentiële eisen die erop betrekking hebben, niet in het gedrang brengen.
De veiligheidsinstantie onderzoekt de compatibiliteit van deze subsystemen met het systeem waarin het wordt opgenomen. § 2. De van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem deel uitmakende subsystemen van structurele aard die zijn voorzien van de EG-keuringsverklaring, worden beschouwd als interoperabel en conform de desbetreffende essentiële eisen. De onderdelen van deze procedure zijn aangegeven in bijlage V. Art. 20.§ 1. De verificatie van de interoperabiliteit, met inachtneming van de essentiële eisen, van een subsysteem van structurele aard dat deel uitmaakt van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem, geschiedt aan de hand van de TSI's, indien deze bestaan. § 2. Bij afwezigheid van de TSI's, met in begrip van de gevallen waarin een afwijking werd aangemeld in toepassing van artikel 9, geschiedt de verificatie van de interoperabiliteit, met inachtneming van de essentiële eisen, van een subsysteem van structurele aard dat deel uitmaakt van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van het conventionele spoorwegsysteem, aan de hand van de gehanteerde normen en technische specificaties zoals bedoeld in artikel 10. Art. 21.Indien blijkt dat de TSI's niet geheel voldoen aan de essentiële eisen, licht de veiligheidsinstantie de Europese Commissie hierover in, teneinde deze TSI's aan het comité ter herziening voor te leggen.
Hoofdstuk II. - Opstelling van de EG-keuringsverklaring en de verklaring van conformiteit met de van toepassing zijnde normen en technische specificaties Afdeling I. - De EG-keuringsverklaring
Art. 22.§ 1. De aanbestedende dienst of zijn gemachtigde doet op eigen kosten de EG-keuringsprocedure inleiden door de aangemelde instantie die hij daartoe heeft gekozen, aangegeven in bijlage VI. § 2. De taak van de met de EG-keuring van een subsysteem belaste aangemelde instantie begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele bouwperiode tot het stadium van de oplevering voor de ingebruikneming van het subsysteem.
Tot die taak behoort ook de keuring van de interfaces van het betrokken subsysteem met het systeem waarvan het deel uitmaakt, gebaseerd op de informatie in de desbetreffende TSI's en in de registers bedoeld in artikel 36. § 3. De aangemelde instantie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technische dossier waarvan de EG-keuringsverklaring vergezeld moet gaan. Dit technische dossier moet alle nodige documenten betreffende de kenmerken van het subsysteem bevatten, alsmede in voorkomend geval alle stukken waaruit de conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen blijkt. Ook moet het alle gegevens inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, alsmede inzake de voorschriften voor onderhoud, permanent of periodiek toezicht, afregeling en instandhouding bevatten. Art. 23.Indien de veiligheidsinstantie vaststelt dat een subsysteem van structurele aard dat voorzien is van de EG-keuringsverklaring, vergezeld van het technische dossier, niet geheel aan de bepalingen van dit besluit en met name aan de essentiële eisen voldoet, kan ze in toepassing van de artikelen 12, 1° en 13, van de wet, de aangemelde of aangewezen instantie erom verzoeken dat aanvullende keuringen worden verricht. Dit geschiedt op kosten van de aanbestedende dienst of zijn gemachtigde. Zij stelt de Europese Commissie alsook de overige Lidstaten van de Europese Unie hiervan in kennis. Afdeling II. - De verklaring van conformiteit met de van toepassing
zijnde normen en technische specificaties Art. 24.§ 1. Bij afwezigheid van TSI's of in geval ervan wordt afgeweken doet de aanbestedende dienst of zijn gemachtigde op eigen kosten de keuringsprocedure van conformiteit met de van toepassing zijnde normen en technische specificaties die zijn bedoeld in artikel 10, inleiden door de aangewezen instantie. § 2. De taak van de aangewezen instantie die is belast met de keuring van conformiteit met de van toepassing zijnde normen en technische specificaties begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele bouwperiode tot het stadium van de oplevering voor de ingebruikneming van het subsysteem.
Tot die taak behoort ook de keuring van de interfaces van het betrokken subsysteem met het systeem waarvan het deel uitmaakt. § 3. De aangewezen instantie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technische dossier dat vergezeld moet gaan van de verklaring van conformiteit met de toepassing zijnde normen en technische specificaties. Dit technische dossier moet alle nodige documenten betreffende de kenmerken van het subsysteem bevatten, alsmede in voorkomend geval alle stukken waaruit de conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen blijkt. Ook moet het alle gegevens inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, alsmede inzake de voorschriften voor onderhoud, permanent of periodiek toezicht, afregeling en instandhouding bevatten.
Hoofdstuk III. - Modaliteiten van ingebruikneming van de subsystemen Art. 25.De Minister bepaalt de procedure en de modaliteiten voor de indiening van de aanvraag tot ingebruikneming van de subsystemen. Art. 26.In geval van vernieuwing of herinrichting dient de spoorweginfrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming bij de veiligheidsinstantie een technisch dossier in. De veiligheidsinstantie bestudeert dit dossier en besluit, mede in het licht van de uitvoeringsstrategie in de desbetreffende TSI, of de omvang van de werkzaamheden het nodig maakt dat er opnieuw toestemming voor ingebruikneming in de zin van dit besluit wordt gegeven.
Een nieuwe toestemming voor ingebruikneming is altijd vereist, wanneer de voorgenomen werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor de algehele veiligheid van het desbetreffende subsysteem.
Wat het conventionele spoorwegsysteem betreft, als een nieuwe toestemming nodig is, besluit de veiligheidsinstantie in hoeverre de TSI's op het project moeten worden toegepast. De veiligheidsinstantie stelt de Commissie en de andere lidstaten van dit besluit in kennis. Art. 27.Wanneer de veiligheidsinstantie de toestemming geeft voor de ingebruikneming van het rollend materieel, moet ze erop toekijken dat er aan ieder voertuig een alfanumerieke code wordt toegekend. Deze code moet op ieder voertuig worden aangebracht en voorkomen in een nationaal inschrijvingsregister.
Dit register beantwoordt aan de volgende criteria: a) het register eerbiedigt de gemeenschappelijke specificaties die in voorkomend geval aangenomen zijn door het comité;b) het register wordt gehouden en bijgewerkt door de veiligheidsinstantie;c) het register is toegankelijk voor het onderzoeksorgaan;het is eveneens toegankelijk bij elke gewettigde vraag voor het toezichthoudende orgaan, aangewezen op basis van
wet van 4 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/12/2006
pub.
08/10/2010
numac
2010000558
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur
type
wet
prom.
04/12/2006
pub.
23/01/2007
numac
2006014299
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur
sluiten betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur, voor het Bureau, voor de spoorweginfrastructuurbeheerder en voor de spoorwegondernemingen. Art. 28.Indien rollend materieel voor de eerste keer in gebruik wordt genomen in een land dat niet behoort tot de Europese Unie, kan de veiligheidsinstantie voertuigen aanvaarden die duidelijk zijn geïdentificeerd volgens een coderingssysteem dat verschillend is van het systeem bedoeld in artikel 27.
Niettemin ziet de veiligheidsinstantie erop toe dat de volgende gegevens met betrekking tot dit rollend materieel opgenomen worden in het register, bedoeld in artikel 27: - de identificatie van de eigenaar van het voertuig of van zijn lessee; - de eventuele beperkingen betreffende het gebruik van het voertuig; - De relevante gegevens inzake veiligheid die op het onderhoudsprogramma van het voertuig van toepassing zijn. Art. 29.Uitgezonderd de gevallen waarin het spoorwegverkeer in het gedrang komt of de normen en veiligheidsregels, opgelegd door andere spoorwegreglementen worden geschonden, kan de veiligheidsinstantie de bouw,, de ingebruikneming en de exploitatie van subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het hogesnelheidsspoorwegsysteem en het conventionele spoorwegsysteem en die aan de essentiële eisen en aan de TSI's voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren. In het bijzonder mag zij geen keuringen verlangen die al zijn verricht in het kader van de procedure die tot de EG-keuringsverklaring heeft geleid. De onderdelen van deze procedure zijn aangegeven in bijlage V. Art. 30.Voor de toepassing van de artikelen 14 tot 29, kan de veiligheidsinstantie op elk moment technische assistentie vragen van de beheerder van de spoorweginfrastructuur, de erkende aangemelde of aangewezen instantie voor de technische keuringen of de instell …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.