📄 Wettekst
28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek III Arbeidsplaatsen van de codex over het welzijn op het werk
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de
wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
24/07/1997
numac
1996015142
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
08/06/2005
numac
2005015073
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993
sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014, artikel 5, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004 en artikel 7, vervangen bij de wet van 3 juni 2007;
Gelet op het
koninklijk besluit van 17 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/06/1997
pub.
19/09/1997
numac
1997012552
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk
sluiten betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 13 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/03/1998
pub.
15/05/1998
numac
1998012202
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen
sluiten betreffende de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen;
Gelet op het
koninklijk besluit van 26 maart 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
26/03/2003
pub.
05/05/2003
numac
2003012174
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen
sluiten betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen;
Gelet op het
koninklijk besluit van 10 oktober 2012Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/10/2012
pub.
05/11/2012
numac
2012204915
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden
sluiten tot vaststelling van de algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden;
Gelet op het
koninklijk besluit van 4 december 2012Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
04/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012206694
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de minimale voorschriften inzake veiligheid van elektrische installaties op arbeidsplaatsen
sluiten betreffende de minimale voorschriften inzake veiligheid van elektrische installaties op arbeidsplaatsen;
Gelet op het
koninklijk besluit van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
28/03/2014
pub.
23/04/2014
numac
2014201954
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen
sluiten betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen;
Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 11 december 2015;
Gelet op het advies nr. 59.780/1 van de Raad van State, gegeven op 6 oktober 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Boek III.- Arbeidsplaatsen van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt: "BOEK III. - ARBEIDSPLAATSEN TITEL 1. - BASISEISEN BETREFFENDE ARBEIDSPLAATSEN HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en algemene beginselen Art. III.1-1.- Deze titel is van toepassing op elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming of inrichting waartoe de werknemer in het kader van de uitvoering van zijn werk toegang heeft.
Deze titel is niet van toepassing op: 1° buiten de onderneming of inrichting gebruikte transportmiddelen, noch op de arbeidsplaatsen binnen transportmiddelen;2° tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;3° winningsindustrieën;4° vissersvaartuigen;5° velden, bossen en andere terreinen die deel uitmaken van een landbouwbedrijf of bosbouwbedrijf doch buiten het bebouwde gebied van dat bedrijf gelegen zijn. Art. III.1-2.- Onverminderd de toepassing van specifieke maatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse, is de werkgever er toe gehouden de nodige maatregelen te treffen opdat de arbeidsplaatsen te allen tijde zouden beantwoorden aan de bepalingen van deze titel.
De werkgever vraagt het voorafgaand advies van het Comité over de maatregelen die getroffen worden in toepassing van deze titel.
Hij verstrekt tevens alle informatie aan het Comité en aan de werknemers betreffende de maatregelen die getroffen worden in toepassing van deze titel.
Art. III.1-3.- Bij de inrichting van de arbeidsplaatsen wordt rekening gehouden met gehandicapte werknemers.
Dit geldt inzonderheid voor deuren, verbindingswegen, trappen, sociale voorzieningen en werkposten die rechtstreeks door gehandicapte werknemers worden gebruikt of ingenomen. HOOFDSTUK II. - Uitrusting van de arbeidsplaatsen Art. III.1-4.- De gebouwen waarin zich arbeidsplaatsen bevinden hebben structuren, een stabiliteit en een stevigheid die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
Art. III.1-5.- De elektrische installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij geen brand- en ontploffingsgevaar oplevert en dat personen op afdoende wijze worden beschermd tegen ongevallenrisico's die uit directe of indirecte aanraking kunnen voortvloeien.
Bij het ontwerp, de uitvoering en de keuze van het materiaal en de beschermingsvoorzieningen moet rekening worden gehouden met de spanning, de externe invloeden en de deskundigheid van de personen die toegang hebben tot delen van de installatie.
Art. III.1-6.- De oppervlakte, de hoogte en het luchtvolume van de lokalen waarin gewerkt wordt zijn van die aard dat de werknemers hun werk kunnen uitvoeren zonder risico voor hun welzijn.
Met het oog op het bereiken van het in het eerste lid beoogde resultaat worden de volgende voorschriften toegepast: 1° de lokalen zijn ten minste 2,5 m hoog;2° iedere werknemer beschikt over een werkelijke ruimte van tenminste 10 m3;3° iedere werknemer beschikt over een vrije oppervlakte van tenminste 2 m2. De werkgever kan afwijken van de in het tweede lid bedoelde voorschriften, indien aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het is technisch en objectief niet mogelijk deze normen na te leven of dit kan om gegronde redenen niet worden geëist;2° uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat door deze normen niet toe te passen de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet in het gevaar kan komen of dat de veiligheid en gezondheid van de werknemers kan worden gewaarborgd door alternatieve preventiemaatregelen toe te passen;3° er worden alternatieve preventiemaatregelen getroffen die voorzien in een gelijkwaardig beschermingsniveau;4° de bevoegde preventieadviseur heeft een voorafgaand advies en het Comité heeft een voorafgaand akkoord gegeven over de risicoanalyse en de preventiemaatregelen. Art. III.1-7.- De afmetingen van het vrije, ongemeubileerde oppervlak van de werkpost wordt zodanig berekend dat de werknemers bij de uitoefening van hun taak over voldoende bewegingsruimte beschikken.
Indien om redenen die specifiek zijn voor de werkpost, niet aan deze eis kan worden voldaan, beschikt de werknemer op een andere plaats dicht bij zijn werkpost over voldoende vrije ruimte.
Art. III.1-8.- De vloeren van de lokalen en van de plaatsen in open lucht zijn vrij van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen.
Ze zijn vast, stabiel en slipvrij.
Art. III.1-9.- De werkgever zorgt voor het technisch onderhoud van de arbeidsplaatsen en de installaties en inrichtingen die er zich bevinden en neemt de nodige maatregelen opdat de vastgestelde gebreken die de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kunnen beïnvloeden zo snel mogelijk worden hersteld.
De werkgever zorgt ervoor dat de arbeidsplaatsen en de gebouwen waarin zij zich bevinden worden schoongemaakt en onderhouden, teneinde elk risico voor het welzijn van de werknemers te voorkomen.
In functie van de aard van de activiteiten van de onderneming of inrichting en de aard van de risico's voor de werknemers: 1° kiest hij de geschikte schoonmaakmethodes;2° kiest hij de geschikte schoonmaakmiddelen, die hij op passende wijze onderhoudt;3° kiest hij schoonmaakproducten die geschikt zijn voor het onderhoud;4° bepaalt hij de frequentie van het onderhoud en de schoonmaak evenals het ogenblik ervan. Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van de desbetreffende lokalen is van zodanige aard dat zij kunnen worden schoongemaakt en onderhouden, teneinde passende hygiënische omstandigheden te verkrijgen.
De werkgever zorgt er tevens voor dat alle afval veilig en regelmatig wordt verzameld, opgeslagen, behandeld en verwijderd van de arbeidsplaats, rekening houdend, in voorkomend geval, met de specifieke regelgeving die op de verwijdering van afvalstoffen van toepassing is.
Art. III.1-10.- Transparante of lichtdoorlatende wanden, met name volledig glazen wanden in de lokalen of in de omgeving van werkposten en wegen zijn vervaardigd uit aangepaste veiligheidsmaterialen of zijn op zodanige wijze van de werkposten en wegen afgescheiden dat de werknemers niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken.
Ze zijn duidelijk gemarkeerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.
Wanneer de transparante of lichtdoorlatende wanden niet uit veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd en indien de kans bestaat dat werknemers gewond raken indien een wand breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd.
Art. III.1-11.- Teneinde het risico op vallen te voorkomen, zijn de trappen, gaanderijen en platformen voorzien van Beschermingsmiddelen, inzonderheid leuningen, waarvan het aantal en de dimensies worden bepaald door de regels van goed vakmanschap.
Art. III.1-12.- Toegang tot daken van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan indien aangepaste uitrusting wordt verstrekt en de nodige preventiemaatregelen worden genomen opdat het werk veilig kan worden uitgevoerd.
Art. III.1-13.- Ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen, die kunnen worden geopend, kunnen door de werknemers veilig worden geopend, gesloten, geregeld en vastgezet. In geopende stand vormen zij geen risico voor de werknemers.
Ramen en bovenlichtvoorzieningen zijn zodanig in combinatie met de uitrusting ontworpen of zijn uitgerust met zodanige voorzieningen dat zij kunnen worden schoongemaakt zonder risico's voor de werknemers die dit werk verrichten en evenmin voor de werknemers die zich in en om het gebouw bevinden.
De bepaling van het tweede lid is enkel van toepassing op de arbeidsplaatsen die na 31 december 1992 voor de eerste maal worden gebruikt, alsmede op de wijziging, uitbreidingen of verbouwingen van op 1 januari 1993 in gebruik zijnde arbeidsplaatsen, die vanaf de laatst genoemde datum worden uitgevoerd.
Art. III.1-14.- Plaats, aantal en afmetingen van deuren en poorten alsook de materialen waaruit ze worden vervaardigd, worden bepaald door de aard en het gebruik van de vertrekken of ruimten.
Art. III.1-15.- Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakten van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en indien de kans bestaat dat werknemers gewond raken als een deur of een poort breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd.
Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien.
Op transparante deuren wordt er op ooghoogte een markering aangebracht.
Art. III.1-16.- Schuifdeuren zijn voorzien van een veiligheidssysteem waardoor zij niet uit hun rails kunnen lopen of omvallen.
Deuren en poorten die naar boven toe opengaan zijn voorzien van een veiligheidssysteem waardoor zij niet kunnen terugvallen.
Art. III.1-17.- Deuren op het traject van vluchtwegen zijn op een passende wijze gemarkeerd.
Deze deuren kunnen te allen tijde van binnenuit geopend worden zonder speciale hulp.
Wanneer er nog werknemers op de arbeidsplaats zijn moeten de deuren er kunnen worden geopend.
Art. III.1-18.- In de onmiddellijke nabijheid van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd, moeten zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, deuren voor voetgangers bevinden die voortdurend vrij moeten blijven en die duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek gemarkeerd zijn.
Voor de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik werden genomen en die niet aanzienlijk werden verbouwd na 31 december 1992, is het toegelaten de veiligheid van de wegen te verzekeren door middel van andere passende maatregelen dan deze bedoeld in het eerste lid.
Art. III.1-19.- Automatische deuren en poorten functioneren op dergelijke wijze dat zij voor de werknemers geen risico's opleveren.
Zij zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen en kunnen ook met de hand worden geopend, tenzij ze bij een energiestoring automatisch opengaan.
Art. III.1-20.- De bepalingen van de artikelen III.1-21 tot III.1-27 zijn van toepassing op: 1° de wegen, lokalen, roltrappen, rolpaden, laadkaaien en laadplatforms die zich in de gebouwen van de onderneming bevinden;2° op de gedeelten van arbeidsplaatsen die zich in open lucht bevinden, inzonderheid: a) de wegen in open lucht op het bedrijfsterrein die leiden naar de vaste werkposten;b) de in open lucht gelegen wegen gebruikt voor het periodieke onderhoud en de geregelde bewaking van de installaties van de onderneming;c) de in open lucht gelegen rolpaden, laadkaaien en laadplatforms. Voor de toepassing van dit artikel worden spoorwegen met wegen gelijkgesteld.
Art. III.1-21.- Wegen, met inbegrip van trappen, vaste ladders, laadkaaien en laadplatforms, zijn zodanig gelegen en berekend dat zij gemakkelijk, veilig en overeenkomstig hun bestemming door voetgangers of voertuigen kunnen worden gebruikt en de werknemers die in de buurt van die wegen werken, geen enkel risico lopen.
De werkposten, wegen en andere locaties of installaties in de open lucht die zich op het bedrijfsterrein bevinden, waar werknemers werkzaam zijn, zijn zodanig ontworpen of aangepast dat het verkeer van voetgangers en voertuigen er veilig kan plaats vinden.
Art. III.1-22.- Bij het bepalen van de afmetingen van voor het verkeer van personen of goederen bestemde wegen, wordt uitgegaan van het mogelijke aantal gebruikers en de aard van de onderneming.
Wanneer op de wegen voertuigen worden gebruikt, moet er een veilige afstand overblijven voor de voetgangers.
Art. III.1-23.- De voor voertuigen bestemde wegen liggen op voldoende afstand van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen.
Art. III.1-24.- Het tracé van de wegen dient duidelijk en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek te zijn afgebakend, tenzij het gebruik en de uitrusting van de plaatsen dit niet vereisen om de bescherming van de werknemers te garanderen.
Art. III.1-25.- Voor de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik werden genomen en die niet aanzienlijk werden verbouwd na 31 december 1992, is het toegelaten de veiligheid van de wegen te verzekeren door middel van andere maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden als deze bedoeld in de artikelen III.1-21 tot III.1-24.
Art. III.1-26.- Roltrappen en -paden functioneren veilig.
Ze zijn uitgerust met de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen.
Ze hebben gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen.
Art. III.1-27.- De laadkaaien en laadplatforms zijn afgestemd op de afmetingen van de te vervoeren ladingen.
Laadkaaien en laadplatforms beschikken over tenminste één uitgang.
Voor zover dat technisch mogelijk is, hebben laadplatforms die een bepaalde lengte overschrijden aan beide uiteinden een uitgang.
Laadplatforms bieden, binnen de grenzen van het mogelijke, een zodanige veiligheid dat de werknemers niet kunnen vallen of geklemd geraken.
Art. III.1-28.- De arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, waar er risico op vallen bestaat door de aanwezigheid van putten of gaten in de vloer, de grond of de muur worden afgedekt of voorzien van CBM waarvan de dimensies worden bepaald door de regels van goed vakmanschap.
Art. III.1-29.- Het opslaan van goederen, materialen en andere voorwerpen gebeurt dermate dat de stabiliteit ervan is verzekerd en dat ze niet kunnen vallen.
Wanneer werk wordt uitgevoerd waarbij materialen, arbeidsmiddelen of andere voorwerpen kunnen vallen, inzonderheid bij het gebruik, de behandeling of het vervoer ervan, treft de werkgever maatregelen om het vallen ervan te voorkomen.
Art. III.1-30.- Arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, waar door de aard van het werk zones met val- of glijgevaar of beknelling voor werknemers of risico's voor vallende voorwerpen voorkomen, zijn voor zover mogelijk, uitgerust met voorzieningen die beletten dat de werknemers deze zones zonder toestemming betreden.
Alleen de werknemers die onmisbaar zijn voor het uitvoeren van noodzakelijk werk in deze zone, mogen deze zone betreden.
Er worden passende maatregelen getroffen om de werknemers die de gevarenzone mogen betreden te beschermen.
De gevarenzones zijn duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek gemarkeerd. HOOFDSTUK III. - Verlichting Art. III.1-31.- De werkgever zorgt ervoor dat er op de arbeidsplaats voldoende daglicht binnenkomt en dat indien dit niet mogelijk is, er een adequate kunstverlichting aanwezig is.
De kunstmatige verlichting omvat een algemene verlichtingsinstallatie die, in voorkomend geval, aangevuld wordt met een plaatselijke verlichtingsinstallatie.
De kunstmatige verlichting op de arbeidsplaatsen en wegen is van die aard dat het risico op ongevallen wordt voorkomen en deze verlichting mag zelf geen ongevallenrisico voor de werknemers opleveren.
Art. III.1-32.- De werkgever bepaalt, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen.
De werkgever die de vereisten van de norm NBN EN 12464-1 en de norm NBN EN 12464-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting wordt, vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met het eerste lid.
Wanneer de werkgever de normen bedoeld in het tweede lid niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage III.1-2.
Art. III.1-33.- Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een verlichting die bijdraagt aan de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden en die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw. De sterkte van deze verlichting mag niet minder zijn dan 10% van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak. HOOFDSTUK IV. - Luchtverversing Art. III.1-34.- De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers in de werklokalen over voldoende verse lucht beschikken, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen.
Hiertoe neemt de werkgever de nodige technische of organisatorische maatregelen opdat de CO2 concentratie in deze werklokalen lager is dan 800 ppm, tenzij deze kan aantonen dat dit om objectieve en gegronde redenen niet mogelijk is.
In elk geval mag de CO2-concentratie in deze werklokalen nooit hoger zijn dan 1200 ppm.
Art. III.1-35.- De luchtverversing gebeurt op natuurlijke wijze of door middel van een luchtverversingsinstallatie.
Art. III.1-36.- Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, inzonderheid airconditioninginstallaties of mechanische ventilatie-installaties, moet deze beantwoorden aan de volgende voorwaarden: 1° ze is dermate gebouwd dat zij verse lucht verspreidt, die gelijkmatig wordt verdeeld over de werklokalen;2° ze is dermate gebouwd dat de werknemers niet blootgesteld worden aan hinder door temperatuurschommelingen, tocht, lawaai of trillingen;3° ze is dermate ingesteld dat de over een werkdag gemiddelde relatieve luchtvochtigheid tussen 40 en 60% ligt, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is;4° ze wordt dermate onderhouden dat elke afzetting van vuil en de verontreiniging of besmetting van de installatie wordt voorkomen of dat dit vuil zo snel mogelijk wordt verwijderd of de installatie gereinigd, zodat elk risico voor de gezondheid van de werknemers door de verontreiniging of besmetting van de ingeademde lucht wordt voorkomen of beperkt;5° storingen worden door een controlesysteem gemeld;6° de werkgever treft de nodige maatregelen opdat de installatie regelmatig wordt gecontroleerd door een bevoegd persoon, zodat zij te allen tijde gebruiksklaar is. De relatieve luchtvochtigheid bedoeld in het eerste lid, 3° mag tussen 35 en 70% liggen indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats.
Art. III.1-37.- De bepalingen van de artikelen III.1-34 tot III.1-36 doen geen afbreuk aan de verplichting te voorzien in specifieke ventilatie- of afzuigingsystemen in de gevallen bedoeld in andere bepalingen van de codex die betrekking hebben op specifieke risico's. HOOFDSTUK V. - Temperatuur Art. III.1-38.- § 1. De arbeidsplaatsen waar werkposten zijn ingericht zijn thermisch voldoende geïsoleerd, rekening houdend met de aard van de activiteit van de onderneming of instelling.
Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden zijn zodanig geconstrueerd dat, rekening houdend met de aard van het werk en de aard van de arbeidsplaats, overmatige zonnestraling op de arbeidsplaats wordt vermeden. § 2. De temperatuur op de arbeidsplaats is gedurende de arbeidstijd afgestemd op het menselijk organisme, rekening houdend met de factoren bedoeld in artikel V.1-1, § 1. § 3. De temperatuur in de lokalen waarin zich sociale voorzieningen bevinden is afgestemd op de specifieke bestemming van deze lokalen. HOOFDSTUK VI. - Sociale voorzieningen Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. III.1-39.- De werkgever stelt de volgende sociale voorzieningen ter beschikking van de werknemers: 1° sanitaire installaties, inzonderheid kleedkamers, wastafels, douches en toiletten;2° een refter;3° een rustlokaal;4° een lokaal voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven. Hij bepaalt de ligging, de inrichting en de uitrusting van de sociale voorzieningen na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en het Comité.
Art. III.1-40.- De sociale voorzieningen en de lokalen waarin ze zich bevinden beantwoorden aan de minimumvoorschriften opgenomen in bijlage III.1-1.
De in het eerste lid bepaalde minimumvoorschriften zijn evenwel niet van toepassing indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° er bestaat een regelgeving die van toepassing is in een specifieke sector en die specifieke voorschriften betreffende de sociale voorzieningen voorziet;2° uit de risicoanalyse blijkt dat de toepassing van andere maatregelen leidt tot een gelijkwaardig of beter resultaat. Art. III.1-41.- De lokalen waarin zich sociale voorzieningen bevinden zijn voldoende ruim bemeten en bieden alle waarborgen inzake veiligheid en hygiëne.
Ze worden verlucht, verlicht en verwarmd in functie van hun bestemming.
Ze worden voorzien van meubilair dat beantwoordt aan de bestemming van het lokaal en ze zijn gemakkelijk toegankelijk.
Art. III.1-42.- De lokalen en de sociale voorzieningen zelf worden ten minste één maal per dag schoongemaakt, zodat ze te allen tijde blijven beantwoorden aan de hygiënische voorschriften.
Bij ploegenarbeid worden de lokalen en de sociale voorzieningen voor iedere ploegwisseling schoongemaakt.
Art. III.1-43.- Zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel III.1-56, derde lid, stelt de werkgever de toegangsmodaliteiten en de toegangsuren tot de sociale voorzieningen vast in het arbeidsreglement.
Art. III.1-44.- De kleedkamers, wastafels en douches bevinden zich in één of verschillende lokalen die volledig gescheiden zijn van de arbeidsplaats.
Zij mogen in één enkel lokaal worden ingericht of in aanpalende lokalen die met elkaar in verbinding staan.
Deze lokalen moeten op slot kunnen worden gedaan.
Art. III.1-45.- Er wordt voorzien in aparte kleedkamers, douches en toiletten voor mannen en vrouwen.
Wanneer er enkel wastafels aanwezig zijn, omdat er geen douches vereist zijn, wordt er voorzien in aparte wastafels voor mannen en vrouwen.
Art. III.1-46.- § 1. De sociale voorzieningen die deel uitmaken van de woning van de werkgever, mogen de sociale voorzieningen bedoeld in artikel III.1-39 vervangen onder de volgende voorwaarden: 1° het aantal werknemers dat van deze voorzieningen gebruik moet maken is niet groter dan vijf;2° er is geen specifiek risico op bevuiling, intoxicatie of besmetting vastgesteld;3° deze woning omvat de arbeidsplaats zelf of ligt er onmiddellijk naast;4° deze voorzieningen worden daadwerkelijk ter beschikking gesteld van de werknemers;5° de bevoegde preventieadviseur heeft hierover een gunstig advies verstrekt en de werkgever geeft hem tijdens de werkuren toegang tot deze voorzieningen;6° de werkgever geeft aan de met het toezicht belaste ambtenaar tijdens de werkuren toegang tot deze voorzieningen. § 2. Indien er meerdere werkgevers eenzelfde onroerend goed gebruiken, mogen de sociale voorzieningen gemeenschappelijk voor al deze werkgevers ingericht worden.
In dat geval bevinden deze sociale voorzieningen zich in een gemeenschappelijk lokaal en werken de werkgevers samen voor de bepaling van de regels betreffende de ligging, de uitrusting, het onderhoud en het gebruik van deze voorzieningen. Afdeling 2. - Kleedkamers
Art. III.1-47.- De werkgever stelt een kleedkamer ter beschikking van de werknemers, wanneer deze werknemers van kledij dienen te wisselen.
Wanneer er geen kleedkamers vereist zijn, moet elke werknemer kunnen beschikken over een plaats om zijn kledij op te hangen.
Art. III.1-48.- § 1. De kleedkamers worden zodanig uitgerust met kleerkasten dat elke werknemer zijn kleding tijdens de werktijd achter slot en grendel kan bewaren.
Elke werknemer die de kleedkamer gebruikt, beschikt over een individuele kleerkast. § 2. Wanneer er geen specifiek risico is, mogen de individuele kleerkasten vervangen worden door een gewone kapstok met kleerhaak of een kleerhanger en een individueel vak. § 3. Wanneer de werknemers worden blootgesteld aan vocht of vuil of wanneer er een risico is op intoxicatie of besmetting beschikken zij over twee individuele kleerkasten, de ene voor de eigen kledij, de andere voor de werkkledij. § 4. De werknemers bewaren kledij en toiletartikelen in de kleedkamers of, in geval van afwezigheid van kleedkamers, op de daarvoor bestemde plaatsen. Afdeling 3. - Wastafels en douches
Art. III.1-49.- De wastafels en douches worden ingericht in specifiek hiertoe bestemde lokalen.
De wastafels mogen evenwel ingericht worden in de toiletten indien de aard van het werk en de afwezigheid van risico's dit rechtvaardigen en mits het akkoord van het Comité werd bekomen.
Art. III.1-50.- Wanneer de werknemers ingevolge de aard van het werk dienen gebruik te maken van de wastafels zorgt de werkgever ervoor dat er per drie werknemers die gelijktijdig hun arbeidstijd beëindigen, tenminste één kraan is.
Dit aantal mag evenwel verminderd worden tot één kraan per vijf werknemers die gelijktijdig hun arbeidstijd beëindigen indien de aard van het werk en de daaraan verbonden risico's dit kunnen rechtvaardigen en voor zover het Comité hiermee akkoord is.
Art. III.1-51.- De werkgever bepaalt in functie van de aard van het werk en de aard van het risico of de wastafels moeten voorzien zijn van koud en warm water en welke zeep of reinigingsmiddelen worden gebruikt.
Art. III.1-52.- Indien de werknemers tijdens het werk hun handen moeten wassen, worden er wastafels in de nabijheid van de werkpost geïnstalleerd.
Art. III.1-53.- De werkgever stelt een douche met warm en koud water ter beschikking van de werknemers, indien: 1° de werknemers worden blootgesteld aan overmatige warmte;2° de werknemers sterk bevuilend werk verrichten;3° de werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke chemische of biologische agentia. Er wordt voorzien in één douche per groep van zes werknemers die gelijktijdig de arbeidstijd beëindigen.
De doucheruimten zijn voldoende ruim bemeten om iedere werknemer in staat te stellen zich onder hygiënisch verantwoorde omstandigheden ongehinderd te wassen.
Art. III.1-54.- De werkgever stelt zonder kosten voor de werknemers voldoende toiletartikelen en, in voorkomend geval speciale reinigingsproducten evenals elke andere bijkomende uitrusting, ter beschikking van de werknemers.
Hij stelt eveneens voldoende handdoeken ter beschikking waarvan hij het onderhoud en de tijdige vervanging verzekert. Voor het drogen van de handen kan hij een ander middel ter beschikking stellen.
Art. III.1-55.- De werknemers moeten de in dit hoofdstuk bedoelde sociale voorzieningen die hen ter beschikking worden gesteld gebruiken op het einde van de arbeidstijd en, in voorkomend geval, vooraleer de maaltijd te gebruiken. Afdeling 4. - Toiletten
Art. III.1-56.- De toiletten bestaan uit één of meerdere individuele wc's en desgevallend urinoirs, samen met één of meerdere wastafels.
De toiletten zijn volledig gescheiden voor mannen en vrouwen, en bevinden zich dicht bij hun werkpost, de rustlokalen, de kleedkamers en de douches.
De werknemers moeten zich vrij naar de toiletten kunnen begeven.
Art. III.1-57.- Het aantal individuele wc's bedraagt tenminste 1 per 15 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld en ten minste 1 per 15 vrouwelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
De individuele wc's voor de mannelijke werknemers kunnen worden vervangen door urinoirs, op voorwaarde dat het aantal individuele wc's ten minste 1 bedraagt per 25 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
Per vier wc's of urinoirs is er één wastafel. Afdeling 5. - Refters
Art. III.1-58.- De refters worden ingericht in één of meer lokalen, volledig afgescheiden van de arbeidsplaats.
De werkgever moet geen refter ten behoeve van de werknemers inrichten indien hij daarover het akkoord bekomen heeft van het Comité.
De werkgever mag toelaten dat werknemers die tewerkgesteld worden in eenzelfde kantoorruimte, daar de maaltijd gebruiken, voor zover de hygiëne te allen tijde gewaarborgd is en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en het Comité over deze mogelijkheid een voorafgaand akkoord hebben gegeven.
Art. III.1-59.- Wanneer de werknemers in aanraking komen met vuil of indien er een risico bestaat op intoxicatie of besmetting moeten de werknemers, vooraleer zij de refter binnenkomen, de handen wassen en hetzij zich omkleden, hetzij overkleding aantrekken. Afdeling 6. - Rustlokalen
Art. III.1-60.- Wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat het voor bepaalde functies noodzakelijk is dat de werknemers rustpauzes nemen of wanneer dit blijkt uit de toepassing van specifieke bepalingen van de codex stelt de werkgever een rustlokaal te hunner beschikking.
Dit is inzonderheid het geval indien: 1° de werknemers worden blootgesteld aan thermische omgevingsfactoren die tot gevolg hebben dat periodes van aanwezigheid op de werkpost worden afgewisseld met rusttijden;2° de werknemers worden blootgesteld aan lawaai of trillingen;3° de werknemers werk verrichten dat een energieverbruik van meer dan 410 Watt tot gevolg heeft;4° de werknemers werk verrichten dat een verhoogde blootstelling aan psychosociale risico's op het werk veroorzaakt;5° de werknemers werk verrichten dat wachtdiensten inhoudt;6° de arbeidstijd verdeeld over de dag wordt onderbroken;7° de bevoegde preventieadviseur en het Comité dit nodig achten. Art. III.1-61.- Het rustlokaal mag hetzij een bijgebouw zijn van de refter, hetzij ondergebracht zijn in een lokaal dat eventueel ook een ander doel dient.
Het is beschermd tegen de hinder die tot de inrichting van het rustlokaal aanleiding gaf.
De rustlokalen zijn uitgerust met voldoende tafels en stoelen met rugleuning, rekening houdend met het aantal werknemers.
Het aantal rustzitplaatsen, aangepast aan de bestemming van het lokaal, is gelijk aan het aantal werknemers dat er gelijktijdig moet over beschikken.
De plaats waar het rustlokaal zich bevindt wordt gesignaleerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek. Afdeling 7. - Lokaal voor de zwangere werkneemsters en de
werkneemsters die borstvoeding geven Art. III.1-62.- Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bepalingen van een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard bij koninklijk besluit, stelt de werkgever een onopvallend en gesloten lokaal ter beschikking van: 1° de zwangere werkneemsters, waar zij in liggende positie kunnen rusten in aangepaste omstandigheden wat het comfort betreft;2° de werkneemsters die borstvoeding geven om hen de mogelijkheid te geven om: a) borstvoeding te geven, indien de aanwezigheid van het kind op de arbeidsplaats niet verboden is gelet op de risico's;b) melk af te kolven en deze te bewaren in hygiënische omstandigheden. Dit lokaal is tevens uitgerust met een voorziening om zich te wassen. Afdeling 8. - Dranken
Art. III.1-63.- In functie van de aard van het werk en de aard van de risico's, stelt de werkgever drinkwater of een andere drank ter beschikking van de werknemers.
Individuele drinkbekertjes, eventueel voor eenmalig gebruik, worden ter beschikking gesteld.
De distributiepunten zijn gemakkelijk bereikbaar.
Art. III.1-64.- In geval van risico op intoxicatie of besmetting of bij bijzonder bevuilend werk voorziet de werkgever, op voorstel van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, voor de werknemers die blootgesteld worden aan deze risico's, in de aanleg van drinkwaterfonteinen of van waterbedelingspunten met wegwerpbekertjes.
In dit geval is het verboden drinkbekertjes en dranken te nemen alvorens de handen te hebben gewassen.
TITEL 2. - ELEKTRISCHE INSTALLATIES HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Art. III.2-1.- Deze titel is van toepassing op de elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie, voor zover dat de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz, gelegen in gebouwen of op de terreinen van de onderneming of de inrichting van een werkgever.
Art. III.2-2.- § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder: 1° inrichting: de geografisch afgebakende plaats die deel uitmaakt van een onderneming of een instelling, en die onder de verantwoordelijkheid valt van een werkgever die er zelf werknemers tewerkstelt; Worden met een inrichting gelijkgesteld, installaties die door een werkgever uitgebaat worden; 2° oude elektrische installatie: elektrische installatie, waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen: a) ten laatste op 1 oktober 1981 voor de elektrische installaties van de inrichtingen die geen elektriciteitsdienst hebben die bestaat uit gewaarschuwde of bevoegde personen die beschikken over de bekwaamheden gekenmerkt door de code BA 4 of BA 5, zoals bepaald in artikel 47 van het AREI;b) ten laatste op 1 januari 1983 voor de andere installaties. § 2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel hebben de technische begrippen en uitdrukkingen dezelfde betekenis als deze die er aan gegeven wordt door het AREI. HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en algemene preventiemaatregelen Art. III.2-3.- De werkgever voert, overeenkomstig artikel I.2-6 een risicoanalyse uit van elke elektrische installatie waarvan hij de houder is.
De werkgever spoort ten minste de volgende risico's op en evalueert ze: 1° de risico's voor elektrische schokken door rechtstreekse aanraking;2° de risico's voor elektrische schokken door onrechtstreekse aanraking;3° de risico's te wijten aan ontladingen en lichtbogen;4° de risico's te wijten aan potentiaalspreiding;5° de risico's te wijten aan ophoping van energie, zoals in condensatoren;6° de risico's te wijten aan overspanningen ten gevolge van inzonderheid fouten die kunnen ontstaan tussen actieve delen op kringen op verschillende spanning, van het schakelen en van atmosferische ontladingen;7° de risico's voor oververhitting, brandwonden, brand en ontploffing, veroorzaakt door de elektrische uitrusting;8° de risico's te wijten aan overstromen;9° de risico's te wijten aan een spanningsdaling en het wederopkomen van de spanning;10° de risico's inherent aan het gebruik van elektrische energie en de werkzaamheden aan elektrische installaties;11° de niet elektrische risico's die te wijten kunnen zijn aan een fout of een slecht functioneren van een elektrische uitrustingscomponent, zoals stuurorganen of stuurstroombanen. Art. III.2-4.- Bij de evaluatie van de in artikel III.2-3 bedoelde risico's houdt de werkgever tenminste rekening met de volgende parameters: 1° de spanningsgebieden;2° de absolute conventionele grensspanning en de relatieve conventionele grensspanning;3° het systeem van de aardverbindingen;4° de uitwendige invloeden;5° de eventuele inplanting van de elektrische installatie in een exclusieve ruimte van de elektrische dienst zoals bedoeld door het AREI;6° de eventueel aanwezige andere factoren die de ernst van de risico's kunnen beïnvloeden, inzonderheid de aanwezigheid van andere elektrische of niet elektrische installaties en vreemde geleidende delen. Art. III.2-5.- De werkgever treft op grond van de risicoanalyse bedoeld in de artikelen III.2-3 en III.2-4, alle nodige preventiemaatregelen ter bescherming van de werknemers tegen de in artikel III.2-3 bedoelde risico's, waarbij hij inzonderheid rekening houdt met de parameters bedoeld in artikel III.2-4.
Hiertoe toont de werkgever aan dat de elektrische installatie zodanig is uitgevoerd, zodanig wordt uitgebaat en in stand gehouden dat de werknemers doeltreffend beschermd zijn tegen de risico's verbonden aan elektriciteit.
De werkgever houdt eveneens rekening met de bepalingen van boek IV. HOOFDSTUK III. - Minimale voorschriften betreffende de uitvoering van de elektrische installatie Art. III.2-6.- De uitvoering van iedere elektrische installatie voldoet, voor elk te evalueren risico, ten minste aan de bepalingen van het AREI. Art. III.2-7.- In afwijking van artikel III.2-6 is het toegelaten dat de oude elektrische installaties voldoen aan de voorwaarden vermeld in bijlage III.2-1.
Art. III.2-8.- De bepalingen van artikel III.2-6 en artikel III.2-7 zijn evenwel niet van toepassing op de elektrische installaties die volgens artikel 1.02 van het AREI niet vallen onder het toepassingsgebied van het AREI. HOOFDSTUK IV. - Werkzaamheden aan elektrische installaties Art. III.2-9.- De werkgever zorgt ervoor dat de werkzaamheden aan de elektrische installatie worden uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 192 tot 197 en 266 van het AREI. Art. III.2-10.- In toepassing van artikel 9, § 1 van de wet, is de werkgever, in wiens inrichting aannemers of onderaannemers, werkzaamheden uitvoeren aan de elektrische installatie of andere werkzaamheden komen uitvoeren waarbij de aanwezigheid van elementen van de elektrische installatie die niet of niet volledig aan de bepalingen van het AREI voldoen een risico kan vormen, er toe gehouden om aan deze aannemers of onderaannemers ten minste informatie te verstrekken over: 1° de aanwezigheid in de elektrische installatie van delen die niet of niet volledig voldoen aan de bepalingen van het AREI, en van de lokalisatie van deze delen;2° en, in voorkomend geval, de bijzondere preventiemaatregelen die ten gevolge van deze omstandigheden moeten genomen worden om de veiligheid van de werknemers of zelfstandige te verzekeren. HOOFDSTUK V. - Controles van elektrische installaties Art. III.2-11.- De werkgever zorgt ervoor dat de elektrische installaties onderworpen worden aan de in artikel III.2-12 tot III.2-14 bedoelde controles en dat deze controles het geheel van de installatie omvatten.
Art. III.2-12.- Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-6, maakt het voorwerp uit van een gelijkvormigheidsonderzoek bedoeld in, naargelang het geval, artikel 270 of 272 van het AREI, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI. Wanneer de werkgever in het bezit is van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek, zoals bedoeld in het eerste lid, dan dient voormelde controle niet meer te worden uitgevoerd.
Art. III.2-13.- § 1. Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-7, maakt het voorwerp uit van een eerste controle, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI. De in het eerste lid bedoelde controles zijn niet van toepassing op: 1° de luchtlijnen en de ondergrondse leidingen van een openbaar verdeelnet van elektriciteit;2° de installaties op zeer lage gelijkspanning gevoed uitsluitend door batterijen, accumulatoren, accumulatorenbatterijen die niet onder het toepassingsgebied van artikel 63 van het AREI vallen, fotovoltaïsche cellen of andere gelijkaardige bronnen. § 2. De eerste controle, bedoeld in § 1, wordt uitgevoerd ten laatste op 1 januari 2014.
De eerste controle heeft betrekking op de overeenstemming van de elektrische installatie met de bepalingen van bijlage III.2-1.
De eerste controle geeft aanleiding tot het opstellen van een verslag van de eerste controle.
De Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de eerste controle en tot de vorm en de inhoud van het verslag van de eerste controle.
Art. III.2-14.- § 1. De elektrische installaties, bedoeld in de artikelen III.2-6 en III.2-7, maken het voorwerp uit van een periodieke controle door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI. De periodieke controles hebben betrekking op het behoud van de overeenstemming van de elektrische installatie met de bepalingen van hoofdstuk III van deze titel.
De periodieke controles geven aanleiding tot het opstellen van een verslag van periodieke controle.
De Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de periodieke controle en tot de vorm en de inhoud van het verslag van de periodieke controle. § 2. De periodieke controle wordt uitgevoerd met dezelfde frequentie als bepaald in het AREI. Art. III.2-15.- Indien het verslag opgesteld na een controlebezoek aantoont dat de elektrische installatie niet voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk III van deze titel, is de werkgever ertoe gehouden om de installatie in overeenstemming te brengen met deze bepalingen.
Indien de elektrische installatie ondertussen in dienst gehouden wordt, treft de werkgever noodzakelijke maatregelen ter bevordering van de veiligheid van de werknemers.
Deze maatregelen worden vastgesteld op basis van een risicoanalyse, zoals bedoeld in artikel I.2-6.
Art. III.2-16.- De werkgever zorgt ervoor dat de hoogspanningsinstallaties regelmatig worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van artikel 267 van het AREI. HOOFDSTUK VI. - Bekwaamheid en opleiding van de werknemers en instructies voor de werknemers Art. III.2-17.- De werkgever verzekert de nodige opleiding van de werknemers en hij verstrekt de nodige instructies om de risico's eigen aan het gebruik van, de uitbating van en de werkzaamheden aan de elektrische installatie te vermijden, rekening houdend met de opdrachten waarmee deze werknemers belast zijn.
Bij het vaststellen van deze vorming en van deze instructies houdt de werkgever rekening met de risico's die kunnen voortvloeien uit het feit dat een elektrische installatie niet of niet volledig werd uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het AREI. Art. III.2-18.- De werkgever treft de nodige maatregelen opdat alleen werknemers die daartoe de nodige bekwaamheid bezitten, belast worden met het gebruik van, de uitbating van en de werkzaamheden aan elektrische installaties of delen ervan die een risico van elektriciteit kunnen opleveren.
De bepalingen van het AREI waarbij bepaalde activiteiten of de toegang tot bepaalde installaties of delen van installaties voorbehouden worden aan personen die beschikken over de bekwaamheid die gekenmerkt wordt door de code BA 4 of BA 5, zijn van toepassing op de in deze titel bedoelde personen en elektrische installaties.
De bekwaamheid van personen die gekenmerkt wordt door de code BA 4 of BA 5 wordt door de werkgever aan de werknemers toegekend overeenkomstig artikel 47 van het AREI. Art. III.2-19.- De werkgever vergewist zich ervan dat de werknemers de reglementering en de instructies die moeten nageleefd worden kennen.
Bovendien vergewist hij zich er van dat de leden van de hiërarchische lijn de reglementering en de instructies die moeten nageleefd worden kennen, naleven en doen naleven.
Art. III.2-20.- De werkgever hangt op oordeelkundig gekozen plaatsen een instructie uit met betrekking tot de eerste hulp die toegediend moet worden in geval van ongeval met elektrische oorsprong. HOOFDSTUK VII. - Documentatie Art. III.2-21.- De werkgever stelt een dossier van de elektrische installatie samen, op een geschikte drager, bewaart het en stelt het ter beschikking van de personen voor wie deze documenten dienstig zijn bij het uitvoeren van hun werk of bij het vervullen van hun opdracht.
Dit dossier omvat tenminste de elementen opgenomen in bijlage III.2-2. HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen Art. III.2-22.- Elke oude elektrische installatie voldoet uiterlijk op 31 december 2014 aan de bepalingen van hoofdstuk II van deze titel en uiterlijk op 31 december 2016 aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8.
De werkgever mag deze datum overschrijden met een maximale termijn van 2 jaar, enkel wat betreft de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8, mits hij op advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid en van het Comité vóór het verstrijken van die datum een gedetailleerd uitvoeringsplan opstelt.
Dit plan bevat ten minste de volgende elementen: 1° de redenen waarom de in het eerste lid bedoelde datum niet kan worden gerespecteerd; 2° de eventuele opeenvolgende uitvoeringsfasen die de werkgever zal naleven om de installatie in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2 8 en de daaraan verbonden termijnen; 3° de uiterste datum voor dewelke de installatie aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8 zal beantwoorden; 4° het verslag van de eerste controle door het erkend organisme bedoeld in artikel III.2-13, § 2; 5° het advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid bedoeld in het tweede lid;6° het advies van het Comité bedoeld in het tweede lid. Zolang de in het eerste lid bedoelde elektrische installatie niet voldoet aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8, moet zij blijven beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften van titel III, hoofdstuk I, eerste afdeling van het ARAB. TITEL 3. - BRANDPREVENTIE OP DE ARBEIDSPLAATSEN HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Art. III.3-1.- Deze titel is van toepassing op de arbeidsplaatsen bedoeld in artikel III.1-1.
Art. III.3-2.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder: 1° brand: geheel van de verschijnselen behorend bij een niet-gecontroleerde schade toebrengende verbranding;2° gebouw: elke bouwconstructie die een voor personen toegankelijke overdekte ruimte vormt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten;3° compartiment: deel van een gebouw, al dan niet onderverdeeld in lokalen, begrensd door wanden die de brandvoortplanting naar het aangrenzende compartiment of compartimenten gedurende een bepaalde tijd dienen te beletten;4° veilige plaats: een plaats buiten het gebouw of, in voorkomend geval, het gedeelte van het gebouw dat gelegen is buiten het compartiment waar er brand is en vanwaar het mogelijk is om het gebouw te verlaten zonder door dat compartiment te moeten gaan;5° evacuatieweg: doorlopende en onbelemmerde weg die toelaat de veilige plaats te bereiken door gebruik te maken van de normale circulatiewegen;6° nooduitgang: uitgang die specifiek bestemd is voor de evacuatie van het gebouw in geval van nood;7° nooddeur: deur die geplaatst is in een nooduitgang;8° waarschuwing: informatie over de ontdekking van een brand doorgegeven aan de personen die deel uitmaken van het personeel van de werkgever die specifiek daartoe zijn aangeduid;9° melding: informeren van de openbare hulpdiensten over de ontdekking van een brand;10° alarm: bevel aan de gebruikers van één of meerdere compartimenten om te evacueren;11° beschermingsmiddel tegen brand: elke uitrusting die toelaat brand te detecteren, te signaleren, te blussen, zijn schadelijke gevolgen te beperken, of de tussenkomst van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken;12° veiligheidsverlichting: verlichting die, wanneer de locatie in gebruik is, van zodra de normale kunstmatige verlichting uitvalt, de herkenning en het veilig gebruik van de voorzieningen voor evacuatie op elk moment verzekert en die, om alle risico op paniek te voorkomen, een verlichting voorziet die de aanwezigen toelaat om de evacuatiewegen te herkennen en te bereiken; 13° ontvlambare vloeistof: ontvlambare, licht ontvlambare, zeer licht ontvlambare en brandbare vloeistof zoals omschreven in artikel III.5-2; 14° brandbestrijdingsdienst: dienst georganiseerd door de werkgever, zoals bedoeld in de artikelen III.3-7 en III.3-8. HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen Art. III.3-3.- De werkgever voert een risicoanalyse uit betreffende het brandrisico.
Bij de uitvoering van deze risicoanalyse houdt de werkgever inzonderheid rekening met de volgende risicofactoren: 1° de waarschijnlijkheid van de gelijktijdige aanwezigheid van een brandstof, een oxidatiemiddel en een ontstekingsbron, noodzakelijk voor het ontstaan van een brand;2° de arbeidsmiddelen, de gebruikte stoffen, de processen en hun eventuele interacties;3° de aard van de activiteiten;4° de grootte van de onderneming of inrichting;5° het maximum aantal werknemers en andere personen die aanwezig kunnen zijn in de onderneming of inrichting;6° de specifieke risico's eigen aan bepaalde groepen van personen aanwezig in de onderneming of inrichting;7° de ligging en de bestemming van de lokalen;8° de aanwezigheid van meerdere ondernemingen of instellingen op eenzelfde arbeidsplaats of op een aanpalende arbeidsplaats, zoals bedoeld in hoofdstuk III van de wet;9° de werkzaamheden uitgevoerd door externe ondernemingen zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I van de wet. De werkgever bepaalt de waarschijnlijke scenario's en de omvang van de voorspelbare gevolgen die eruit kunnen voortvloeien.
De risicoanalyse wordt regelmatig bijgewerkt en dit, in elk geval, telkens wanneer zich wijzigingen voordoen die een invloed hebben op de brandrisico's.
Art. III.3-4.- Met toepassing van artikel I.2-7, neemt de werkgever op basis van de risicoanalyse bedoeld in artikel III.3-3, de noodzakelijke materiële en organisatorische preventiemaatregelen om: 1° brand te voorkomen;2° de veiligheid te verzekeren en indien nodig de snelle evacuatie van de werknemers en alle aanwezige personen op de arbeidsplaats zonder hen in gevaar te brengen;3° vlug en efficiënt elk begin van brand te bestrijden om uitbreiding ervan te vermijden;4° de schadelijke gevolgen van een brand te beperken;5° de tussenkomst van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken. Art. III.3-5.- De resultaten van de risicoanalyse en de preventiemaatregelen worden opgenomen in een document dat voorgelegd wordt voor advies aan het Comité.
Art. III.3-6.- Bij de evaluatie van het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-12, houdt de werkgever rekening met de resultaten van de evacuatieoefeningen bedoeld in artikel III.3-26, § 2, tweede lid, de opgedane ervaring bij eerder opgetreden branden en bij incidenten die aanleiding kunnen geven tot een brand. HOOFDSTUK III. - Specifieke preventiemaatregelen Afdeling 1. - Brandbestrijdingsdienst
Art. III.3-7.- Elke werkgever richt een brandbestrijdingsdienst op.
Deze dienst vervult minstens volgende taken: 1° erop toezien dat de melding gebeurt;2° erop toezien dat het waarschuwingssignaal, ontvangen door een aangeduide persoon, gepast behandeld wordt;3° de taken verrichten die nodig zijn om elk begin van brand te bestrijden in optimale omstandigheden wat de veiligheid betreft, inzonderheid door de aanwezigheid van een persoon die hulp kan bieden;4° het in veiligheid brengen van de personen in afwachting van de tussenkomst van de openbare hulpdiensten;5° de maatregelen uitvoeren die vooraf zijn vastgesteld door de werkgever om de openbare hulpdiensten in staat te stellen om de onderneming te betreden;6° de leden van de openbare hulpdiensten vlug naar de plaats van het onheil leiden; 7° meewerken aan de risicoanalyse en aan de ontwikkeling van de procedures bedoeld in artikel III.3-23; 8° de situaties signaleren die de evacuatie kunnen hinderen of die een brand kunnen uitlokken. Deze dienst voert zijn taken uit overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.
Art. III.3-8.- De werkgever vergewist zich ervan dat de brandbestrijdingsdienst beschikt over voldoende middelen om haar taken volledig en efficiënt te vervullen.
In functie van de aard van de activiteiten, het aantal personen dat aanwezig kan zijn in de onderneming of instelling, het specifieke brandrisico, de uit te voeren preventiemaatregelen en de middelen waarover de openbare hulpdiensten beschikken, bepaalt de werkgever inzonderheid: 1° het aantal werknemers dat deel uitmaakt van de dienst; 2° de bekwaamheden nodig voor het uitvoeren van hun taken, rekening houdend met de minimale bekwaamheden zoals vastgelegd in de bijlage III.3-1; 3° de specifieke opleidingen nodig voor het verwerven van deze bekwaamheden, rekening houdend met de voorschriften opgenomen in de bijlage III.3-1; 4° de verdeling van deze werknemers zodat het geheel van de arbeidsplaatsen gedekt is; 5° de nadere regels betreffende de uitvoering van de taken, beschreven in artikel III.3-7, tweede lid.
De werkgever mag, in voorkomend geval, aanvullend een beroep doen op personen die geen deel uitmaken van het personeel van de onderneming of instelling.
Voor de organisatie van de brandbestrijdingsdienst vraagt de werkgever het advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid en van het Comité en raadpleegt hij, in voorkomend geval, de bevoegde openbare hulpdienst. Afdeling 2. - Preventie van brand
Art. III.3-9.- § 1. De preventiemaatregelen die bedoeld zijn om brand te voorkomen, moeten het mogelijk maken om de gevaren uit te schakelen of de risico's te verminderen verbonden aan de aanwezigheid van elke ontvlambare of brandbare stof en inzonderheid deze met betrekking tot: 1° het gebruik, de productie of de opslag van ontvlambare vloeistoffen, ongeacht de aanwezige hoeveelheid en onverminderd de toepassing van de meer specifieke bepalingen van titel 5 van dit boek;2° het ontstaan van explosies, inzonderheid overeenkomstig titel 4 van dit boek;3° activiteiten die het gebruik, de productie of de opslag van brandbare gassen inhouden;4° het gebruik van toestellen of installaties voor verwarming en airconditioning;5° het gebruik van toestellen, arbeidsmiddelen en producten die vermoedelijk een brand kunnen veroorzaken. § 2. Wanneer de uitvoering van het werk het gebruik van ontplofbare stoffen, brandbare gassen of ontvlambare of voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen of vaste stoffen vereist, neemt de werkgever inzonderheid de volgende bijzondere maatregelen om het in § 1 beoogde doel te bereiken: 1° het beperken tot het strikt noodzakelijke van de aanwezige hoeveelheid van deze stoffen op de arbeidsplaats;2° het opslaan van deze stoffen op een passende wijze;3° het eerbiedigen van de voorwaarden inzake afstand of isolering van deze stoffen ten opzichte van elke ontstekingsbron;4° het beheersen van de omstandigheden waarbij zelfontbranding van stoffen of afvalstoffen kan optreden;5° het plaatsen van de afvalstoffen bedoeld in punt 4°, in afwachting van hun verwijdering, in passende veiligheidsrecipiënten met een hermetische sluiting;6° het regelmatig verwijderen van de afvalstoffen bedoeld in punt 4°. § 3. De preventiemaatregelen bedoeld in dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van de minimale voorschriften bedoeld in de artikelen 52.6 en 52.8 van het ARAB. Afdeling 3. - Verzekeren van de snelle en veilige evacuatie van
werknemers en alle personen aanwezig op de arbeidsplaats Art. III.3-10.- De werkgever neemt de noodzakelijke maatregelen opdat, in geval van brand, de werknemers en de andere aanwezige personen de arbeidsplaatsen vlug kunnen evacueren naar een veilige plaats, in optimale veilige omstandigheden.
Hiertoe neemt de werkgever de maatregelen bedoeld in de artikelen III.3-11 tot III.3-14, rekening houdend met de risicofactoren bedoeld in artikel III.3-3.
Art. III.3-11.- § 1. De werkgever bepaalt, op basis van de risicoanalyse bedoeld in artikel III.3-3 en overeenkomstig de minimumvoorschriften bedoeld in de artikelen 52.5.2 tot 52.5.8, 52.5.10 en 52.5.18 van het ARAB, het aantal evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen, hun verspreiding en hun afmetingen in functie van het gebruik, de inrichting en de afmetingen van de arbeidsplaats en van het maximum aantal personen dat er aanwezig kan zijn.
De evacuatiewegen en de nooduitgangen moeten zo rechtstreeks mogelijk uitkomen op een veilige plaats. § 2. De evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen en de wegen die toegang geven tot de evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen moeten vrij gehouden worden. Ze mogen niet door voorwerpen zijn geblokkeerd, zodat zij steeds onbelemmerd kunnen worden gebruikt. § 3. De evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen moeten uitgerust zijn met een veiligheidsverlichting en een gepaste signalisatie.
De signalering van de evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen inzake de vei …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.