📄 Wettekst
21 SEPTEMBER 2006. - Besluit 2006/554 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de erkenning van en de subsidies aan dagcentra en verblijfscentra voor gehandicapte personen
Het College, Gelet op de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 83, § 3, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993;
Gelet op het decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitvoering van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1°;
Gelet op het decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993 tot toekenning van de uitvoering van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1°;
Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1999 betreffende de sociale integratie van gehandicapte personen en hun inschakeling in het arbeidsproces, zoals gewijzigd, inzonderheid artikelen 36, 37, 38, 64 en 70;
Gelet op het advies van de afdeling « Gehandicapte personen » van de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid (Conseil consultatif bruxellois francophone de l'Aide aux personnes et de la Santé), gegeven op 8 juni 2006;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 3 juli 2006;
Gelet op het akkoord van het lid van het College belast met de begroting, gegeven op 13 juli 2006;
Gelet op het advies nr. 40.916/2/V van de Raad van State, gegeven op 10 augustus 2006, in toepassing van artikel 84, lid 1, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voordracht van het lid van het College belast met het gehandicaptenbeleid, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 van de Grondwet krachtens artikelen 138 en 178 van de Grondwet. Afdeling 1. - Definities
Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : « decreet » : het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1999 betreffende de sociale integratie van gehandicapte personen en hun inschakeling in het arbeidsproces, zoals gewijzigd; « centrum » : dagcentrum of verblijfscentrum; « Administratie » : de Brusselse Franstalige dienst voor gehandicapte personen (Service bruxellois francophone des Personnes handicapées), opgericht bij decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 december 1998; « multidisciplinair team » : het orgaan ingesteld door artikel 10 van het decreet; « lid van het College » : het lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie belast met het gehandicaptenbeleid; - « VTE » : voltijds equivalent zoals bepaald in artikel 32, § 1 van dit besluit; - « besluit van het College van 18 oktober 2001 » : het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 oktober 2001 betreffende de toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 12 juli 2001 tot wijziging van diverse wetten betreffende de subsidies toegekend in de gezondheids- en de welzijnssector en betreffende de wijziging van diverse toepassingsbesluiten betreffende de welzijns-, de gezondheids- en de gehandicaptensector en de sector van de socio-professionele inschakeling. Art. 3.§ 1. Een dagcentrum wordt opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 60 van het decreet om de onder artikel 61 van het decreet omschreven opdrachten te vervullen. Het is bestemd voor hetzij volwassenen, hetzij niet-schoolgaande kinderen.
Het dagcentrum belast zich het hele jaar met de zorg voor de opgevangen gehandicapte personen. Het centrum is minstens acht uur per dag open en verstrekt minstens zes uur educatieve en re-educatieve activiteiten voor de opgevangen personen, het middageten incluis. Het centrum is tijdens het weekend en op feestdagen gesloten, behoudens uitzonderingen bepaald in het collectief project zoals bedoeld in artikel 5, punt 10 van dit besluit. § 2. Een verblijfscentrum wordt opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 65 van het decreet om de onder artikelen 66 en 67 van het decreet omschreven opdrachten te vervullen.
Het verblijfscentrum belast zich het hele jaar met de zorg van de gehandicapte personen die er verblijven. Het centrum belast zich eveneens met : 1. het verstrekken van een maaltijd 's morgens en 's avonds;2. het verstrekken van een maaltijd 's middags voor de personen die in het centrum verblijven en er ook overdag aanwezig zijn;3. in voorkomend geval het onderhoud van de kleding overeenkomstig de door het lid van het College goedgekeurde bepalingen;4. het verstrekken en het onderhoud van het linnengoed. Uitgezonderd tijdens het weekend en op feestdagen, belast het verblijfscentrum zich minstens tijdens de werkdagen met deze opdracht en dit vanaf uiterlijk 17 tot minstens 9 uur 's morgens. Bovendien kan het in artikel 5, punt 10 van dit besluit bedoelde collectief project sluitingsperiodes bepalen, voor zover het verblijfscentrum een andere oplossing biedt voor de gehuisveste personen die erom verzoeken. § 3. De erkende basiscapaciteit van een dagcentrum is het wekelijks gemiddeld maximumaantal gehandicapte personen dat het centrum mag opvangen.
De erkende basiscapaciteit van een verblijfscentrum is het maximumaantal gehandicapte personen dat het centrum gelijktijdig mag herbergen.
Niettemin kan de erkende basiscapaciteit van het centrum met maximaal 10 % worden overschreden mits inachtneming van de bepalingen van artikelen 21 tot 31 van dit besluit. § 4. Buiten de erkende basiscapaciteit kan een centrum verzoeken om een bepaald aantal plaatsen te reserveren voor de opvang of het verblijf van gehandicapte personen voor een korte verblijfsopvang of respijtopvang mits inachtneming van de bepalingen van artikelen 21 tot 31 van dit besluit.
Overeenkomstig artikel 67 paragraaf 3 van het decreet moet het centrum een voorstel opstellen en aan het advies van de Adviesraad voorleggen.
Een korte verblijfsopvang of respijtopvang beoogt het tijdelijk verblijf of opvang van een gehandicapte persoon voor een maximale periode van 90 nachten of 90 dagen per kalenderjaar gespreid over één of meerdere periodes. § 5. De maximumcapaciteit van een centrum is de vastgestelde maximumcapaciteit met uitsluitende inachtneming van de architecturale normen bedoeld in artikelen 21 tot 31 van dit besluit, en op basis van het verslag van de gewestelijke brandweerdienst bedoeld in artikel 6 punt 8 van dit besluit, dat inzonderheid beoogt de maximumcapaciteit vast te stellen die het gebouw waar het centrum gevestigd is kan opvangen of herbergen. § 6. Binnen zijn erkende basiscapaciteit kan een verblijfscentrum verzoeken om een gedeelte van zijn capaciteit te reserveren voor het verblijf van gehandicapte personen waarvoor een crisisopvang vereist is.
Overeenkomstig artikel 67 paragraaf 3 van het decreet moet het centrum een voorstel opstellen en aan het advies van de Adviesraad voorleggen.
De crisisopvang wordt genoodzaakt door een verslechtering van een hoofd- of geassocieerde deficiëntie van een gehandicapte persoon die rechtstreeks met de psychosociale toestand of de gezondheidstoestand van deze persoon verband houdt. § 7. Binnen zijn erkende basiscapaciteit kan een dagcentrum voor volwassenen verzoeken om een gedeelte van zijn capaciteit te reserveren voor gehandicapte personen die een lichte opvang vereisen, te weten een opvang die een optimale autonomie en integratie van de gehandicapte persoon beoogt. Deze opvang zet hoofdzakelijk sociale netwerken en bestaande diensten in die zich niet specifiek op gehandicapte personen toespitsen. § 8. Binnen zijn erkende basiscapaciteit kan een dagcentrum voor volwassenen verzoeken om een gedeelte van zijn capaciteit te reserveren voor gehandicapte personen die een lichte opvang vereisen.
Hieronder wordt verstaan een opvang die een optimale autonomie en integratie van de gehandicapte persoon beoogt waarbij deze laatste met behulp van een psychosociale en educatieve begeleiding toegespitst op sociale integratie en « leren », zijn dagelijks leven en zijn vrije tijd zelf moet leren beheren. Deze lichtere opvang wordt binnen « autonome leefruimten » verleend en zet hoofdzakelijk sociale netwerken en bestaande diensten in die zich niet specifiek op gehandicapte personen toespitsen.
Een autonome leefruimte is een huis, een appartement of een gemeenschappelijke woning waarvan het centrum de eigenaar of huurder is en waar 1 tot 6 gehandicapte personen van minstens 16 jaar in een aangepast kader een autonoom levensproject ontwikkelen. § 9. Mits het akkoord van de Administratie en met inachtneming van de architecturale normen bedoeld in artikelen 21 tot 31 van dit besluit, kan het multidisciplinair team de opvang in een dagcentrum toestaan, buiten de erkende basiscapaciteit maar binnen de maximale opvangcapaciteit, van een gehandicapte persoon die in een verblijfscentrum verblijft waarmee het dagcentrum de infrastructuur deelt.
Deze maatregel is gerechtvaardigd door de wijziging van de dagactiviteit van de gehandicapte persoon.
Het akkoord betreft uitsluitend de voornoemde persoon die prioriteit krijgt indien binnen de erkende capaciteit van het dagcentrum een plaats vrijkomt. § 10. Onder opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen moet worden verstaan de gehandicapte persoon die door een dagcentrum of een verblijfscentrum wordt opgevangen op basis van een gunstige beslissing tot tussenkomst vanwege het multidisciplinair team en met inachtneming van de bepalingen van deze beslissing.
De volgende afwezigheidperiodes zijn met een opvang gelijkgesteld : elke afwezigheid van maximaal 6 opeenvolgende weken waarvoor een afwezigheidsattest in het persoonlijk dossier wordt bewaard; elke afwezigheid van meer dan 6 opeenvolgende weken waarvoor bovendien een afwezigheidsattest door het centrum aan de Administratie wordt overgemaakt; elke afwezigheid van meer dan 3 opeenvolgende maanden waarvoor een medisch of een hospitalisatieverslag door het centrum aan de Administratie wordt overgemaakt en voor zover het multidisciplinair team de continuïteit van de tussenkomst ten gunste van de opgevangen of gehuisveste gehandicapte persoon heeft bevestigd. Art. 4.§ 1. De som van de erkende basiscapaciteiten van de dagcentra vastgesteld per 1 januari 2004, vertegenwoordigt de totaal maximale erkende basiscapaciteit en vertegenwoordigt eveneens de capaciteiten toegekend per principebeslissing die betrekking hebben op de aankoop, de bouw en de inrichting van gebouwen. § 2. De som van de erkende basiscapaciteiten van de verblijfscentra vastgesteld per 1 januari 2004, vertegenwoordigt de totaal maximale erkende basiscapaciteit en vertegenwoordigt eveneens de capaciteiten toegekend per principebeslissing die betrekking hebben op de aankoop, de bouw en de inrichting van gebouwen. § 3. Elke wijziging van de maximale erkende basiscapaciteiten is het voorwerp van een beslissing van het College op advies van de afdeling « Gehandicapte personen » van de Adviesraad.
In afwijking, wanneer overeenkomstig artikel 12, paragraaf 2 van dit besluit een centrum een gedeelte van zin oorspronkelijk erkende basiscapaciteit omzet in de som van lichte opvang en gewone opvang, dan corrigeert zin nieuwe basiscapaciteit automatisch de totaal maximale erkende basiscapaciteit. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1. - De voorwaarden en de procedure
Art. 5.Om erkend te worden moet een dagcentrum of een verblijfscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen : 1. de zetel van zijn activiteiten op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vestigen;2. zich richten naar de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen;3. zich ertoe verplichten de opname in het centrum niet afhankelijk te maken van een tegenprestatie in contanten of in natura vanwege de gehandicapte persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn familie;4. beschikken over lokalen die voldoen aan de architecturale normen bepaald in artikelen 21 tot 31 van dit besluit, en de toegang tot de gebouwen waarborgen rekening houdend met de opgevangen of gehuisveste personen;5. voldoen aan de begeleidingsnormen bepaald in deel 3 van dit hoofdstuk;6. de opvang of het verblijf waarborgen van minstens 15 gehandicapte personen in voltijds equivalent per erkend centrum.Indien dezelfde vzw twee centra telt wordt het minimumaantal gehandicapte personen in voltijds equivalent op 20 vastgesteld. In dergelijk geval mag de minimumcapaciteit van elk centra niet minder dan 10 bedragen; 7. een Raad van gebruikers oprichten zoals bepaald in artikel 17 van dit besluit;8. voor elke opgevangen of gehuisveste gehandicapte persoon een persoonlijk dossier samenstellen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit;9. met elke opgevangen of gehuisveste gehandicapte persoon een gepersonaliseerde prestatieovereenkomst sluiten overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van dit besluit;10. in overleg met het plaatselijk personeel een collectief project opstellen waarvan het ontwerp op bijlage I van dit besluit steunt en het model opneemt van de gepersonaliseerde prestatieovereenkomst overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van dit besluit. Telkens wanneer nodig zal het collectief project de specifieke bepalingen onderscheiden met betrekking tot de plaatsen gereserveerd voor de korte verblijfsopvang en resp topvang evenals voor de lichte opvang en crisisopvang; 11. binnen de beperkingen van artikel 67, lid 2 van het decreet de psychologische, educatieve, re-educatieve en sociale begeleiding in een multidisciplinaire geest waarborgen die rekening houdt met het collectief project;12. een huishoudelijk reglement opstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 van dit besluit.De Raad van gebruikers moet over dit huishoudelijk reglement evenals over elke wijziging ervan een advies uitbrengen; 13. de berichten van opname en ontslag van de opgevangen en gehuisveste gehandicapte personen binnen 5 dagen volgens het door de Administratie bepaald model aan de Administratie overmaken en haar in kennis stellen van de binnen een gekende termijn voorziene ontslagen;14. een aanwezigheidsregister van de opgevangen en gehuisveste gehandicapte personen volgens het door de Administratie bepaald model ter beschikking van de Administratie houden;15. zorgen voor de voortgezette opleiding van het personeel in functie van zijn activiteiten;16. de Administratie jaarlijks op 30 juni van het volgend jaar een activiteitenverslag overmaken betreffende : - de statistische elementen betreffende de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen op basis van de door de Administratie bepaalde parameters; - de tenuitvoerlegging van het collectief project en van de activiteiten; - de verwezenlijkingen op niveau van de sociale integratie en inschakeling in het arbeidsproces van de opgevangen en gehuisveste gehandicapte personen; - de evaluatie van de samenwerkingsovereenkomsten bepaald in artikel 6 punt 16 van dit besluit; - de voortgezette opleidingen van het personeel - de adviezen van de Raad van de gebruikers bepaald in dit artikel; 17. zich onderwerpen aan de door de Administratie gecoordineerde evaluaties, inspecties en controles en haar elk bewijsdocument overmaken vereist voor de uitoefening van haar controle;18. per kalenderjaar een boekhouding bijhouden volgens het door de Administratie bepaald model zoals bepaald in artikel 16 van dit besluit;19. de Administratie binnen vijftien dagen in kennis stellen van elke wijziging betreffende de erkennings- en subsidievoorwaarden van het centrum, inzonderheid van elke wijziging met betrekking tot het personeel. Voor elk tijdens de erkenningsperiode geworven personeelslid maakt het centrum aan de Administratie een kopie van zijn arbeidsovereenkomst over en enig bewijsdocument waaruit blijkt dat het personeelslid qua functie en anciënniteit aan de reglementaire voorwaarden voldoet. Vóór de indienstneming moet het centrum een bewijs van goed zedelijk gedrag eisen waarvan de datum van afgifte in verhouding tot de datum van indiensttreding niet ouder dan drie maanden mag zijn. Dit document wordt in het persoonlijk dossier van elk personeelslid bewaard. Art. 6.De aanvraag tot erkenning van een centrum moet per aangetekende brief aan de Administratie worden gezonden volgens het hiertoe door haar opgesteld model. De erkenning als dagcentrum of als verblijfscentrum worden apart aangevraagd. De administratie bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen.
De aanvraag moet de volgende documenten en inlichtingen bevatten : 1. een kopie van de statuten van de vzw zoals in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt samen met hun eventuele wijzigingen, evenals de lijst van de leden van de Raad van bestuur;2. de naam van het centrum, het adres van zijn maatschappelijke zetel en van zijn activiteitenzetels;3. de specificiteiten en leeftijdscategorieën van de personen, de opvang- of verblijfscapaciteiten zoals bedoeld in artikel 10 van dit besluit, waarvoor het centrum een erkenning aanvraagt;4. de beschrijving van de huidige of geplande activiteiten, het collectief project en de begindatum van de aangevraagde erkenning;5. het model van de gepersonaliseerde prestatieovereenkomst;6. de naam van de verantwoordelijke belast met het dagelijks beheer en door de inrichtende macht gemachtigd om het centrum te vertegenwoordigen;7. een kopie van de plannen van de verschillende bezette verdiepingen van de gebouwen met vermelding van de bestemming en van de netto-oppervlakte van de lokalen;deze plannen zijn door een architect of een landmeter-expert opgemaakt; 8. het verslag van de gewestelijke brandweerdienst dat minder dan drie jaar oud is en dat zowel met de aangevraagde erkende capaciteit als met de aangevraagde maximale opvang- of verblijfscapaciteit rekening houdt;9. de personeelslijst van het centrum met voor elk personeelslid zijn kwalificatie, zijn functie, en zijn wekelijks prestatievolume, of bij ontstentenis het personeelswervingsplan;10. voor elk personeelslid een kopie van zijn arbeidsovereenkomst en elk bewijsdocument waaruit blijkt dat het personeelslid qua functie en anciënniteit aan de reglementaire voorwaarden voldoet;11. een kopie van het verzekeringscontract en de aansprakelijkheidsverzekering voor deze personeelsleden, met inbegrip van de vrijwilligers, evenals voor de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen;12. de lijst van de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen en van de kandidaturen, met vermelding van hun aantal en leeftijd;13. de lijst van de specifieke voorzieningen;14. het arbeidsreglement;15. het huishoudelijk reglement;16. de overeenkomsten met derden voor de uitvoering van het collectief project. Art. 7.Indien de aanvraag van het centrum niet volledig is, brengt de Administratie het centrum hiervan op de hoogte dat over een termijn van drie maanden beschikt om zijn aanvraag te vervolledigen. Bij ontstentenis wordt de aanvraag van nul en gener waarde beschouwd. Art. 8.Wanneer de aanvraag volledig is, onderzoekt de Administratie de aanvraag tot erkenning en organiseert een inspectie om te controleren of het centrum aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.
De Administratie maakt de aanvraag met een voorstel tot erkenning aan het lid van het College over. Het lid van het College legt het voorstel aan de afdeling « Gehandicapte personen » van de Adviesraad voor. Hij vermeldt de termijn die voor het advies is voorzien.
Binnen dertig dagen na het uitbrengen van het advies, maakt de Administratie dit advies samen met een voorstel van beslissing aan het lid van het College over.
Het College neemt een beslissing die de Administratie aan de aanvrager betekent. Art. 9.Het College kent de erkenning voor een periode van vijf jaar toe. De datum van inwerkingtreding van de erkenning kan niet vroeger zijn dat de datum van ontvangst van de aanvraag.
Deze periode is verlengbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 van dit besluit.
In afwijking kan het College uitzonderlijk een erkenning voor een kortere periode toekennen wanneer het wenst dat de naleving van de erkenningsvoorwaarden door de Administratie binnen een kortere termijn wordt gecontroleerd. Art. 10.§ 1. De beslissing tot erkenning van een centrum vermeldt de specificiteiten van de opgevangen of gehuisveste personen, hun leeftijd, de erkende basiscapaciteit, de maximumcapaciteit van het centrum zoals bepaald in artikel 3, paragraaf S van dit besluit, en in voorkomend geval : het gedeelte van de erkende basiscapaciteit gereserveerd voor lichte opvang, het gedeelte van de erkende basiscapaciteit van een verblijfscentrum gereserveerd voor het verblijf van personen in crisissituatie of voor de opvang overdag van ouder wordende personen, het aantal opvang- of verblijfsplaatsen buiten de erkende basiscapaciteit gereserveerd voor de korte verblijfsopvang of respijtopvang, met verwijzing naar het collectief project § 2. In voorkomend geval kent de beslissing tot erkenning van een centrum dat voor een eerste maal wordt erkend, verschillende intermediaire erkende basiscapaciteiten toe om het centrum toe te laten de opvang van de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen geleidelijk aan te organiseren. § 3. Indien het semestrieel gemiddelde vastgesteld van januari tot juni en van september tot december, uitgedrukt in voltijds equivalenten van het aantal opgevangen of gehuisveste personen, buiten de erkende capaciteit gereserveerd voor het verblijf in crisisopvang, korte verblijfsopvang of respijtopvang, twee eenheden minder bedraagt dan de erkende basiscapaciteit voor een centrum waarvan de erkende basiscapaciteit 50 eenheden niet overschrijdt, of vier eenheden wanneer deze erkende basiscapaciteit wordt overschreden, kan het College, op voorstel van de Administratie, de erkende capaciteit verminderen.
Indien tijdens een jaar de gemiddelde jaarlijkse bezettingsgraad van de plaatsen voor korte verblijfsopvang of respijtopvang lager ligt dan 60 %, dan kan het College, op voorstel van de Administratie, dit aantal plaatsen verminderen. Art. 11.De aanvraag tot verlenging van de erkenning van een centrum wordt minstens zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsperiode van de vorige beslissing tot erkenning bij de Administratie ingediend.
Het centrum blijft erkend zolang het College niet over de verlenging heeft beslist.
De documenten die bij de oorspronkelijke aanvraag werden gevoegd, moeten niet bij de verlengingsaanvraag worden gevoegd voor zover zij nog steeds conform de oorspronkelijke situatie zijn.
De Administratie onderzoekt de aanvraag tot verlenging van de erkenning en organiseert een inspectie om te controleren of het centrum nog steeds aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. Art. 12.§ 1. De aanvraag tot wijziging van de erkenning van een centrum wordt bij de Administratie ingediend. Deze aanvraag vermeldt en motiveert het voorwerp van de wijziging. De Administratie licht het centrum in over de elementen die vereist zijn voor het onderzoek van de aanvraag. De aanvraag wordt onderzocht volgens de regels die op de aanvraag tot erkenning van toepassing zijn. 2. Wanneer de wijziging van de bestaande erkende opvangcapaciteiten binnen een centrum capaciteit schept voor lichte opvang zoals bepaald in artikel 3, paragraaf 7 van dit besluit, dan kan deze wijziging van de opvangcapaciteiten geen globale verhoging tot gevolg hebben van de toegekende subsidie voor de som van alle opvangcapaciteiten van het centrum. De procedure voor de aanvraag, het onderzoek en de beslissing van dergelijke wijziging van de opvangcapaciteiten is dezelfde als de procedure voor de wijziging van de erkenning van een centrum zoals bepaald in paragraaf 1 van dit artikel. Art. 13.Het centrum dat niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet wordt hiervan door de Administratie in kennis gesteld die het centrum verzoekt zich in orde te stellen. Art. 14.Wanneer het centrum binnen een termijn van twee maanden nog steeds niet aan deze voorwaarde voldoet, zendt de Administratie het centrum, per aangetekende brief, een met redenen omklede ingebrekestelling.
Indien de Administratie na een termijn van een maand vaststelt dat het centrum nog steeds niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, maakt zij aan het lid van het College een voorstel over tot instelling van de procedure voor de opschorting of intrekking van de erkenning. Dit voorstel houdt rekening met de situatie van het personeel en van de gehandicapte personen.
Indien het lid van het College dit voorstel goedkeurt, stelt de Administratie het centrum hiervan per aangetekende brief in kennis en licht de Raad van de gebruikers in. Het centrum beschikt over dertig dagen om een memorie in te dienen en, op eigen verzoek, door de Administratie te worden gehoord die de dag en het uur van de hoorzitting bepaalt.
Binnen dertig dagen na de hoorzitting maakt de Administratie een voorstel voor het behoud, de opschorting of de intrekking van de erkenning aan de afdeling « Gehandicapte personen » van de Adviesraad over die binnen drie maanden na de aanhangigmaking zijn advies uitbrengt.
Binnen dertig dagen na het advies van de afdeling « Gehandicapte personen » van de Adviesraad, maakt de Administratie dit voorstel samen met dit advies aan het lid van het College over. Het College neemt een beslissing binnen twee maanden na ontvangst van dit advies.
Het centrum wordt door de Administratie per aangetekende brief van de beslissing van het College in kennis gesteld. Art. 15.De beslissing tot opschorting of intrekking van de erkenning heeft de stopzetting van de subsidies aan het centrum op de door het College vastgestelde datum tot gevolg. Ingeval van intrekking van de erkenning wordt bovendien overgegaan tot de terugvordering van het nietafgeschreven gedeelte van de eventueel toegekende infrastructuursubsidies.
De Administratie deelt de beslissing tot intrekking van de erkenning onmiddellijk aan het personeel van het centrum en aan hun vakbondsafgevaardigden mee.
Het centrum deelt de beslissing tot intrekking van de erkenning onmiddellijk aan de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen of aan hun wettelijke vertegenwoordigers mee. Ingeval het centrum nalaat dit te doen neemt de Administratie deze verplichting op zich. Art. 16.Elk erkend centrum moet zijn boekhouding voeren overeenkomstig de door het College aangenomen rekeningstelsels, rekeningen en balansen.
Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar. Een analytische boekhouding per erkenning en de balans van de vzw worden samen met de verslagen van een bedrijfsrevisor, uiterlijk op 30 juni van het jaar dat op het boekjaar volgt, aan de Administratie overgemaakt. Art. 17.De Raad van gebruikers van een centrum is samengesteld uit de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen of, bij ontstentenis, uit hun wettelijke vertegenwoordigers. Elke gehandicapte persoon kan zich door een vertrouwenspersoon van zin keuze laten vergezellen. Een afgevaardigde van de directie en een personeelslid wonen de Raad van gebruikers bij. Dit personeelslid verzorgt het secretariaat ervan. De directeur van het centrum zorgt voor de regelmatige werking van de Raad van gebruikers en dit minstens tweemaal per jaar.
De opdracht van de Raad van gebruikers bestaat erin alle voorstellen te formuleren betreffende de levenskwaliteit en de praktische organisatie van, afhankelijk van het centrum, de opvang of het verblijf van de gehandicapte personen. In dit opzicht verstrekt de directeur van het centrum de Raad van gebruikers alle nuttige informatie voor de uitvoering zijn opdracht.
De Raad bepaalt zijn manier van werken en kiest een voorzitter onder zijn leden. De notulen van de vergaderingen worden in een hiertoe bestemd register opgenomen dat voor alle leden van de Raad van gebruikers, voor de personeelsleden van het centrum en voor de afgevaardigden van de Administratie toegankelijk is. Art. 18.Het huishoudelijk reglement bepaalt de respectieve rechten en verplichtingen van de gehandicapte persoon en van het centrum.
Het vermeldt : 1. de rechten en verplichtingen van de gehandicapte persoon;2. de rechten en verplichtingen van het centrum;3. de verbintenis van het centrum, met inachtneming van het collectief project, van het persoonlijk project van de persoon en van de rechterlijke beslissingen, de gehandicapte persoon de vrijheid te laten om deeltijds in het dagcentrum en, naar eigen keuze, tijdens het weekend en de vakantieperiodes in het verblijfscentrum te verblijven;4. de verbintenis van het centrum aan de persoonlijke vragen voor informatie vanwege de gehandicapte persoon of vanwege zijn wettelijke vertegenwoordigers tegemoet te komen;5. de beschrijving van het centrum en van zijn werking;6. het bestaan van de Raad van gebruikers, de naam van zijn voorzitter en zijn contactgegevens;7. de maatregelen die worden getroffen indien een gehandicapte persoon de leef- en werkingsregels overtreedt;8. de modaliteiten voor het indienen van bezwaren en de wijze waarop deze worden behandeld;9. uitgezonderd in geval van overmacht, de verplichting van voorafgaand overleg tussen het centrum en de gehandicapte persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger betreffende de beëindiging van de opvangovereenkomst wanneer deze beëindiging vóór de afloop van de oorspronkelijk in de overeenkomst bepaalde termijn voorzien is;10. het bestaan van de mogelijkheid van bemiddeling door de Administratie ingeval van een blijvende onenigheid tussen de parten die de uitvoering van de gepersonaliseerde overeenkomst niet langer toelaat;11. de namen van de directeur of onderdirecteur en van de voorzitter van de Raad van bestuur, evenals de maatschappelijke zetel van de vzw;12. de gegevens van de Administratie. Art. 19.De tussen het centrum en de gehandicapte persoon ondertekende gepersonaliseerde overeenkomst bevat minstens de volgende bepalingen : l. de identiteit van de partijen;in voorkomend geval wordt de identiteit van de gehandicapte persoon vergezeld van die van zijn wettelijke vertegenwoordiger; 2. de datum van opvang, de duur van de overeenkomst en, in voorkomend geval, de deeltijdse opvangfrequentie.Ingeval van een korte verblijfsopvang of respijtopvang zal de tussen de parten ondertekende overeenkomst geleidelijk aan worden aangevuld met vermelding van de opvangperiodes tijdens het jaar; 3. het zorgplan dat onder meer de modaliteiten voor de jaarlijkse evaluatie bevat, de doelstellingen en de aangewende middelen om ze te bereiken;4. het bedrag van de financiële bijdrage bedoeld in hoofdstuk 3, deel 7 van dit besluit evenals, in voorkomend geval, het minimumbedrag dat ter beschikking van de volwassen gehandicapte persoon moet worden gesteld;5. de identiteit van de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de betaling;6. de identificatie van de gevraagde supplementen krachtens artikelen 65 en 66 van dit besluit en de modaliteiten voor het bepalen van deze supplementen;7. het soort oplossing voor de opvang of het verblijf tijdens de sluitingsperiodes van het centrum zoals bepaald in het collectief project;8. de wijze en de periodiciteit op basis waarvan deze overeenkomst wordt geëvalueerd en kan worden gewijzigd of aangevuld;9. de maatregelen die wegens het verloop van de lichamelijke of geestelijke toestand van de gehandicapte persoon moeten worden genomen, uitgezonderd in geval van overmacht of uiterste spoed, in welk geval het overleg binnen drie werkdagen na het nemen van deze maatregelen moet plaatsvinden;10. de modaliteiten voor de beëindiging van de overeenkomst door elk van de partijen zoals bepaald in artikel 18, punt 9 van dit besluit;11. de modaliteiten voor de heroriëntatie van de gehandicapte persoon in geval van beëindiging van de overeenkomst;12. in geval van een lichte opvang in een autonome leefruimte of van een korte verblijfsopvang of respijtopvang, deze specifieke opvangmodaliteit en de dienstelementen die aan deze bijzondere opvang verbonden zijn, toegekend aan de gehandicapte persoon in afwijking van de bepalingen van artikel 3, paragraaf 2 van dit besluit Ingeval van een korte verblijfsopvang of respijtopvang moeten de punten 3, 7, 8, 9 en 11 niet worden ingevoegd. Elke partij ontvangt een exemplaar van de overeenkomst waarbij een exemplaar van het collectief project en het huishoudelijk reglement worden gevoegd. Art. 20.Binnen het centrum bevat het persoonlijk dossier van de gehandicapte persoon : 1. een medisch luik, 2.een psychologisch luik, 3. een sociaal-educatief luik : a) de anamnese b) de behoefteanalyse c) het zorgplan dat onder meer de jaarlijkse evaluaties bevat, de doelstellingen en de aangewende middelen om ze te bereiken.4. de gepersonaliseerde overeenkomst en haar wijzigingen.Het centrum zorgt ervoor dat deze gegevens regelmatig worden geupdatet.
Indien een dagcentrum en een verblijfscentrum onder dezelfde vzw ressorteren en zich op dezelfde site bevinden, kan één enkel persoonlijk dossier worden bijgehouden waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de specifieke doelstellingen van elk centrum. 5. de behaalde resultaten in het door het College vastgestelde evaluatieschema waarmee zijn specifieke begeleidingsbehoeften kunnen worden bepaald, uitgezonderd voor de personen in lichte opvang in een autonome leefruimte, in korte verblijfsopvang of respijtopvang, in crisissituatie of in voorrangsovereenkomst, zoals bepaald in hoofdstuk V van dit besluit.6. een luik voor de financiële bijdragen. Voor de personen in korte verblijfsopvang of respijtopvang kunnen de punten 1., 2. en 3. vervangen worden door een samenvatting van de strikt noodzakelijke gegevens voor de begeleiding van de gehandicapte persoon. Afdeling 2. - De architecturale normen
Art. 21.§ 1. Zonder de vestigingen van de op 1 januari 2007 erkende centra in vraag te stellen, houdt het centrum rekening met de specifieke behoeften van de opgevangen of gehuisveste personen en met een oordeelkundige geografische spreiding ten opzichte van de andere centra voor gehandicapte personen. § 2. De plaatsen die buiten de erkende basiscapaciteit gereserveerd zijn voor korte verblijfsopvang of respijtopvang en voor voorrangsovereenkomsten zoals bepaald in hoofdstuk V van dit besluit, worden in aanmerking genomen en aan de erkende basiscapaciteit van elk centrum toegevoegd met het oog op de inachtneming van de in dit deel vermelde architecturale normen § 3. Wanneer de maximumcapaciteit van een centrum groter is dan de erkende basiscapaciteit, dan wordt de maximumcapaciteit in aanmerking genomen met het oog op de inachtneming van de in dit deel vermelde architecturale normen. Art. 22.Het centrum neemt de nodige maatregelen voor brandpreventie en brandbestrijding, evenals voor de evacuatie van de bewoners in geval van brand.
De bouwplannen en de beschrijving van de aangewende materialen worden aan het advies van de gewestelijke brandweerdienst voorgelegd. Art. 23.De gebouwen van het centrum worden regelmatig onderhouden en alle vochtigheid of waterinsijpeling worden behandeld.
In de woon- en activiteitenruimten moet de verwarming een temperatuur van 20 °C en in de kamers een temperatuur van minstens 16 °C kunnen handhaven.
De woon- en activiteitenruimten moeten voldoende ventilatie en natuurlijke verlichting bieden.
Het drinkbare leidingwater is overal in het centrum gemakkelijk toegankelijk. Art. 24.De voorzieningen van het centrum zijn aan de behoeften van de gehandicapte personen en de leefruimte aan de specifieke vereisten van de handicap aangepast. Art. 25.§ 1. De sanitaire installaties van het centrum zijn gemakkelijk toegankelijk en zijn met een doeltreffend ventilatiesysteem uitgerust. § 2. Het dagcentrum beschikt over minstens : a) een aangepaste badkamer met een bad of douche en een kleedruimte;b) een wc per zeven gehandicapte personen;c) aangepaste wc's voor kinderen jonger dan drie jaar;d) een wastafel met stromend water per zes gehandicapte personen verdeeld over het hele dagcentrum. § 3. Het verblijfscentrum beschikt over minstens : a) een aangepaste badkamer met bad of douche en kleedhoek per vijf gehandicapte personen;b) een wc per vijf gehandicapte personen;c) aangepaste wc's voor kinderen jonger dan drie jaar;d) in elke kamer een wastafel met stromend water voor zover de installatie niet strijdig is met het collectief project van het verblijfscentrum. § 4. Bovendien beschikt elk centrum over minstens één wc voor het personeel en de bezoekers. § 5. Indien het dagcentrum samen met een verblijfscentrum in dezelfde infrastructuur gevestigd is, worden de sanitaire installaties van het verblijfscentrum in aanmerking genomen voor de naleving van de normen van het dagcentrum. Art. 26.Het centrum beschikt over voldoende huishoudelijke voorzieningen. De keuken wordt zodanig ingericht dat er geen geurhinder wordt veroorzaakt en mag niet aan de infirmerie grenzen.
Indien een centrum over een waslokaal of linnenkamer beschikt wordt dit lokaal zodanig ingericht dat het geen geur- of damphinder veroorzaakt en dat de gewassen en ongewassen circuits van elkaar worden gescheiden. Overigens mag het niet aan de infirmerie of de keuken grenzen. Art. 27.Het centrum beschikt over een voldoende aantal lokalen voor : - het beheer van het centrum, de sociale dienst, de re-educatie, de psychologische begeleiding, de infirmerie en medische onderzoeken - en, afhankelijk van het geval, voor de bezoeken en het nachtpersoneel.
Indien een dagcentrum en verblijfscentrum in dezelfde infrastructuur gevestigd zijn, mogen zij de lokalen delen bestemd voor het beheer van het centrum, de sociale dienst, de psychologische begeleiding, de infirmerie en de re-educatie. Art. 28.§ 1. In een dagcentrum bedraagt de oppervlakte van de educatieve en re-educatieve activiteitenruimten minstens 4 m2 per gehandicapte persoon.
De oppervlakte van de woonruimten (zitkamer, eetkamer, speelkamer) mag niet kleiner zijn dan 2 m2 per gehandicapte persoon.
De totale oppervlakte mag niet minder dan 8 m2 per gehandicapte persoon bedragen. 2. Indien het dagcentrum samen met een verblijfscentrum in dezelfde infrastructuur gevestigd is, worden de oppervlakten van de woonruimten van het verblijfscentrum in aanmerking genomen voor de naleving van deze normen. Art. 29.§ 1. In een verblijfscentrum zijn de kamers uitgerust met ramen met buitenzicht. In de gangen wordt nachtverlichting voorzien.
In de gemeenschappelijke kamers mag een maximum van 4 kinderen of 2 volwassenen niet worden overschreden.
In de gemeenschappelijke kamers bedraagt de minimumoppervlakte 6 m2 per persoon. De minimumoppervlakte voor een eenpersoonskamer bedraagt 8 m2.
Onverminderd de bepalingen van artikel 24, beschikt elke persoon over een bed, een nachtkastje, een stoel en een kast.
Elk koppel beschikt over hetzij een tweepersoonsbed van minstens 140 cm, hetzij over twee eenpersoonsbedden, twee nachttafeltjes en een kast. 2. De oppervlakte van de woonruimten (keuken, zitkamer, eetkamer) mag niet minder dan 4 m2 per gehandicapte persoon bedragen. § 3. De bepalingen van artikel 25, paragrafen 3 en 4, en artikel 29, paragraaf 2 van dit besluit zijn niet toepasselijk op de autonome leefruimten van het verblijfscentrum.
De autonome leefruimten bevinden zich buiten de verblijfsruimten bestemd voor gehandicapte personen waarvoor geen lichte opvang voorzien is, evenals buiten elk ander lokaal van het verblijfscentrum.
De lokalen van de autonome leefruimten en de plaatsen gereserveerd voor een lichte opvang binnen het centrum, worden niet in aanmerking genomen voor de berekeningen van het aantal en de oppervlakte bepaald in artikel 29 van dit besluit.
In afwijking van artikel 29 van dit besluit, mogen in de kamers van de autonome leefruimten slechts één persoon of een koppel verblijven. Met het oog op het behoud van de gezinsband mogen zij van hun kinderen vergezeld zijn.
De autonome leefruimten moeten voldoen aan de bepalingen van het Besluit van 9 november 1993 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor de verhuring van gemeubelde woningen. Art. 30.De centra zorgen ervoor maatregelen te nemen ter bescherming van de gezondheid van de gehandicapte personen en van het personeel tegen passief roken. Art. 31.Wanneer activiteiten buiten de infrastructuur van het centrum worden georganiseerd moet het centrum erop letten dat de plaats waar deze activiteiten plaatsvinden aangepast is aan de handicap van de personen waarvoor ze bestemd zijn. Afdeling 3. - Begeleidingsnormen
Art. 32.§ 1 De begeleidingsnormen van de centra worden berekend op basis van een voltijds equivalent waarvan de wekelijkse arbeidsduur op 37 uur is vastgesteld.
Voor het medisch personeel echter dat vóór 1 januari 2003 in dienst is getreden, is de wekelijkse arbeidsduur op 24 uur vastgesteld. § 2. De controle van de voldoening aan de begeleidingsnormen wordt op enig moment van het jaar uitgevoerd.
Om deze controle uit te voeren wordt geen rekening gehouden met de arbeidsduurvermindering die krachtens de bepalingen van titel IV van het besluit van het College van 18 oktober 2001, individueel aan het personeel van de centra werd toegekend. § 3. De personeelsleden worden over de volgende vijf categorieën verdeeld : het psychologisch, educatief, re-educatief en sociaal team; het technisch personeel; het medisch personeel; het directiepersoneel; het administratief en boekhoudkundig personeel. § 4. Elke loontrekkende functie van het centrum is niet verenigbaar met een bestuurdersmandaat binnen de VZW Art. 33.De begeleidingsnormen voor het personeel van het psychologisch, educatief, re-educatief en sociaal team houden rekening : 1) met de erkende basiscapaciteit;2) met de specifieke begeleidingsnormen van elke gehandicapte persoon, vastgesteld door het multidisciplinair team in samenwerking en overleg met het centrum aan de hand van het evaluatieschema opgenomen in bijlage 7 van dit besluit, uitgezonderd voor de personen in lichte opvang en in korte verblijfsopvang of respijtopvang. Met elke gehandicapte persoon stemt een individuele begeleidingsnorm overeen. Deze individuele normen worden opgeteld om de begeleidingsnorm van het centrum te bepalen. Art. 34.§ 1. De begeleidingsnormen voor het personeel van het psychologisch, educatief, re-educatief en sociaal team worden overeenkomstig bijlage 3 van dit besluit bepaald. § 2. Ze omvatten : a) De individuele basisnorm (IBN) De individuele basisnorm waarborgt de leefbare werking van het centrum in het kader van zijn opdrachten, door de concretisering van de persoonlijke projecten van de gehandicapte personen voorzien in de gepersonaliseerde overeenkomsten bedoeld in artikel 19 van dit besluit.In de verblijfscentra omvat de norm eveneens een eventuele permanentie overdag en de opvang overdag tijdens de vakanties.
De individuele basisnorm wordt vermenigvuldigd met de erkende basiscapaciteit van het centrum.
De norm verschilt voor de plaatsen gereserveerd voor lichte opvang. De toekenning van deze specifieke norm sluit de toekenning uit van elke andere norm vermeld in de punten b) tot g) van deze paragraaf.
De individuele basisnorm voor de plaatsen gereserveerd voor lichte opvang omvat niet de verplichting van een doorlopende aanwezigheid ter plaatse van een lid van het educatief team. b) De supplementaire individuele norm (SIN) De supplementaire individuele norm wordt toegekend aan een verblijfscentrum voor de kinderen die overdag niet worden opgevangen door een dagcentrum, een dagcentrum voor schoolgaande kinderen of een centrum voor functionele revalidatie. De norm wordt toegekend wanneer de gepersonaliseerde overeenkomst de toegekende paramedische prestaties vermeldt. c) De individuele vakantienorm (IVN) De individuele vakantienorm wordt toegekend aan een verblijfscentrum in functie van de aanwezigheidsgraad van de gehandicapte personen tijdens de weekends, vakanties en wettelijke feestdagen berekend op het voorvoorlaatstejaar. Naargelang het resultaat van de verhouding tussen de som van de dagen van effectieve aanwezigheid van de gehandicapte personen tijdens deze periodes en de erkende capaciteit, met aftrek van het gedeelte gereserveerd voor lichte opvang en vermenigvuldigd met 180 voor een verblijfscentrum voor kinderen of met 138 voor een verblijfscentrum voor volwassenen, een percentage bereikt dat begrepen is tussen hetzij 20 en 29 %, hetzij 30 en 49 %, hetzij 50 en 69 %, hetzij gelijk is aan of hoger ligt dan 70 %, dan geniet het centrum voor het lopend jaar een verhoging zoals bepaald in bijlage 3 van dit besluit.
Voor de toepassing van dit lid loopt het weekend van vrijdag 19 tot maandag 7 uur en de feestdag van de avond ervoor 19 uur tot de ochtend erna 7 uur. Een afwezigheidsdag vertegenwoordigt elke afwezigheid van 24 opeenvolgende uren.
Een verblijfscentrum dat het voorafgaande jaar niet was erkend geniet een verhoging van zijn normen volgens een percentage begrepen tussen 20 en 29 %. d) De individuele verouderingsnorm (IVRN) In de verblijfscentra voor volwassenen wordt de individuele verouderingsnorm eventueel toegekend aan personen die lijden aan een vroegtijdige veroudering en ouderdomsziekten of aan gepensioneerde personen of personen met brugpensioen.De individuele evaluatie waarvan sprake in bijlage 7 van dit besluit, bevestigt deze toestand.
De norm wordt toegekend wanneer de gepersonaliseerde overeenkomst van deze personen hun opvang overdag in een verblijfscentrum voorziet.
Deze norm wordt per tiende toegekend naar rata van het aantal halve dagen aanwezigheid in het verblijfscentrum e) De complementaire individuele norm (CIN) De complementaire individuele norm wordt uitsluitend toegekend voor de opgevangen of gehuisveste personen naar rata van de in de gepersonaliseerde overeenkomst voorziene opvangfrequentie en wordt vastgesteld in functie van de door elke gehandicapte persoon behaalde resultaten in het evaluatieschema bijgevoegd in bijlage 7 van dit besluit. Indien de gehandicapte persoon een resultaat van meer dan 66 punten op 100 behaalt, dan wordt hij in categorie A opgenomen en wordt geen enkele complementaire individuele norm toegekend.
Indien de gehandicapte persoon een resultaat behaalt begrepen tussen 48 en 66 punten, dan wordt hij in categorie B opgenomen en zijn complementaire individuele norm is gelijk aan 30 % van de maximale complementaire individuele norm berekend op de som van zijn individuele basisnorm (IBN), supplementaire individuele norm (SIN) en individuele vakantienorm (IVN).
Indien de gehandicapte persoon een resultaat van minder dan 48 punten behaalt, dan wordt hij in categorie C opgenomen en zijn complementaire individuele norm is gelijk aan 100 % van de maximale complementaire individuele norm berekend op de som van zijn individuele basisnorm (IBN), supplementaire individuele norm (SIN) en individuele vakantienorm (IVN).
In afwijking is de complementaire individuele norm van een gehandicapte persoon in crisissituatie gelijk aan die van een gehandicapte persoon opgenomen in categorie C zoals bepaald in bijlage 7 van dit besluit. f) De individuele motorische norm (IMN) In de centra voor volwassenen wordt de individuele motorische norm toegekend aan gehandicapte personen waarvan het resultaat in rubriek D van het evaluatieschema in bijlage 7 van dit besluit, lager ligt dan 10 punten.g) De complementaire individuele norm van vitale behoeften (INVB) Aan een gehandicapte persoon die in een verblijfscentrum wordt opgevangen kan een complementaire individuele norm van vitale behoeften worden toegekend wanneer deze gehandicapte persoon dagelijks in een bijzondere medische toestand verkeert waarbij de afwezigheid van een snelle paramedische of verpleegkundige zorg een verhoogd risico voor zijn gezondheid inhoudt.h) De individuele norm van kort verblijf of respijt (INR) In functie van het aantal plaatsen gereserveerd voor de opvang of het verblijf van gehandicapte personen in korte verblijfsopvang of respijtopvang, wordt de aldus berekende begeleidingsnorm evenredig aangevuld op basis van de verhouding tussen de som van de erkende basiscapaciteit en van het aantal extra plaatsen gereserveerd voor dit soort opvang en de erkende capaciteit. Indien tijdens een jaar de gemiddelde jaarlijkse bezettingsgraad van deze plaatsen lager ligt dan 80 %, dan wordt de nieuwe begeleidingsnorm van deze plaatsen binnen het betrokken centrum voor het volgend jaar naar rata van deze bezettingsgraad berekend, zonder dat deze bepaling evenwel gelijktijdig met artikel 10, § 3, lid 2 van dit besluit wordt toegepast. § 3. Indien het resultaat van de som van de individuele basisnormen (IBN) van een dagcentrum lager ligt dan 4,25 VTE, dan wordt dit laatste cijfer aan het dagcentrum toegekend, behalve indien de vzw waarvan dit centrum afhangt minstens een dagcentrum en een verblijfscentrum telt.
Voor een verblijfscentrum opgericht binnen een vzw die eveneens een dagcentrum telt : indien het resultaat van de som van de individuele basisnormen (IBN), de supplementaire individuele normen (SIN), de individuele vakantienormen (IVN), de individuele verouderingsnormen (IVRN), de complementaire individuele normen (CIN), de individuele motorische normen (MIN) en de individuele normen van vitale behoeften (INVB) van een verblijfscentrum lager ligt dan 9 VTE, dan is de toegekende norm gelijk aan de som van 8 VTE en van de complementaire individuele normen (CIN) en de individuele motorische normen (IMN) Voor een verblijfscentrum opgericht binnen een vzw die geen dagcentrum telt : - hetzij, indien het resultaat van de som van de individuele basisnormen (IBN), de supplementaire individuele normen (SIN), de individuele vakantienormen (IVN), de individuele verouderingsnormen (IVRN), de complementaire individuele normen (CIN), de individuele motorische normen (IMN) en de individuele normen van vitale behoeften (INVB) van een verblijfscentrum lager ligt dan 9 VTE, en indien de som van 8 VTE en van de complementaire individuele normen (CIN) en de individuele motorische normen (IMN) eveneens lager ligt dan 9 VTE, dan wordt de toegekende norm op 9 VTE gebracht; - hetzij, indien het resultaat van de som van de individuele basisnormen (IBN), de supplementaire individuele normen (SIN), de individuele vakantienormen (IVN), de individuele verouderingsnormen (IVRN), de complementaire individuele normen (CIN), de individuele motorische normen (MIN) en de individuele normen van vitale behoeften (INVB) van een verblijfscentrum lager ligt dan 9 VTE, en indien de som van 8 VTE en van de complementaire individuele normen (CIN) en de individuele motorische normen (IMN) gelijk is aan of hoger ligt dan 9 VTE, dan is de toegekende norm gelijk aan 9 VTE. Voor een verblijfscentrum waarvan de erkende capaciteit lager ligt dan 15 eenheden, worden in de voormelde leden de cijfers 8 en 9 respectievelijk vervangen door 7 en 8. Art. 35.Binnen de personeelsnorm van het psychologisch, educatief, re-educatief en sociaal team, mag de verhouding van de functies in voltijds equivalent gereserveerd voor werknemers die houder zijn van een licentiaatsdiploma en overeenstemmend met functies waarvoor dit diploma vereist is, 8 % niet overschrijden.
Op voorstel van de Administratie, rekening houdend met het collectief project van het centrum en met de specificiteit van de opgevangen of gehuisveste gehandicapte personen, kan het lid van het College voor dit percentage een uitzonderlijke afwijking toekennen. Art. 36.De personeelsnorm van het psychologisch, educatief, re-educatief en sociaal team neemt maximaal 0,067 VTE in aanmerking voor de functie van opvoeder-groepsleider per VTE. Art. 37.§ 1. De begeleidingsnormen voor het technisch personeel houden rekening met de erkende basiscapaciteit en met de specifieke begeleidingsnormen van elke gehandicapte persoon zoals bepaald in artikel 33 van dit besluit. § 2. De begeleidingsnormen voor het personeel van het technisch team worden overeenkomstig bijlage 4 van dit besluit vastgesteld. § 3. Ze omvatten : a) De technisch individuele basisnorm (T IBN) Indien binnen eenzelfde vzw minstens een dagcentrum en een verblijfscentrum zijn erkend, dan wordt de technisch individuele basisnorm van het dagcentrum met 3/8° verminderd voor elke gehandicapte persoon die zowel in het dagcentrum als het verblijfscentrum wordt opgevangen. De individuele basisnorm wordt met de erkende basiscapaciteit van het centrum vermenigvuldigd.
De norm verschilt voor de plaatsen gereserveerd voor lichte opvang. De toekenning van deze specifieke norm sluit de toekenning uit van elke andere norm vermeld in de punten b) en c) van deze paragraaf. b) De technisch individuele vakantienorm (T IVN) De technisch individuele vakantienorm wordt toegekend aan een verblijfscentrum in functie van de aanwezigheidsgraad van gehandicapte personen tijdens de weekends, vakanties en wettelijke feestdagen berekend op het voorvoorlaatstejaar. Naargelang het resultaat van de verhouding tussen de som van de dagen van effectieve aanwezigheid van gehandicapte personen tijdens deze periodes en de erkende capaciteit, met aftrek van het gedeelte gereserveerd voor lichte opvang en vermenigvuldigd met 180 voor een verblijfscentrum voor kinderen of met 138 voor een verblijfscentrum voor volwassenen, een percentage bereikt dat begrepen is tussen hetzij 20 en 29 %, hetzij 30 en 49 %, hetzij 50 en 69 %, hetzij gelijk is aan of hoger ligt dan 70 %, dan geniet het centrum voor het lopend jaar een verhoging zoals bepaald in bijlage 3 van dit besluit.
Voor de toepassing van dit lid loopt het weekend van vrijdag 19 tot maandag 7 uur en de feestdag van de avond ervoor 19 uur tot de ochtend erna 7 uur. Een afwezigheidsdag vertegenwoordigt elke afwezigheid van 24 opeenvolgende uren. Een verblijfscentrum dat het voorafgaande jaar niet was erkend kan een verhoging van zijn normen genieten volgens een percentage begrepen tussen 20 en 29 %. c) De technisch complementaire individuele norm (T CIN) De technisch complementaire individuele norm wordt uitsluitend toegekend voor de opgevangen of gehuisveste personen naar rata van de in de gepersonaliseerde overeenkomst voorziene opvangfrequentie en wordt vastgesteld in functie van de door elke gehandicapte persoon behaalde resultaten in het evaluatieschema bijgevoegd in bijlage 7 van dit besluit. Enkel de gehandicapte personen in categorie C genieten deze norm.
In afwijking is de complementaire individuele norm van een gehandicapte persoon in crisissituatie is gelijk aan die van een gehandicapte persoon opgenomen in categorie C. d) De technisch individuele norm van kort verblijf of respijt (T INR) In functie van het aantal plaatsen gereserveerd voor de opvang of het verblijf van gehandicapte personen voor een korte verblijfsopvang of respijtopvang, wordt de aldus berekende begeleidingsnorm evenredig aangevuld op basis van de verhouding tussen de som van de erkende basiscapaciteit en van het aantal extra plaatsen gereserveerd voor dit soort opvang en de erkende capaciteit. Indien tijdens een jaar de gemiddelde jaarlijkse bezettingsgraad van deze plaatsen lager ligt dan 80 %, dan wordt de nieuwe begeleidingsnorm van deze plaatsen binnen het betrokken centrum voor het volgend jaar naar rata van deze bezettingsgraad verminderd, zonder dat deze bepaling evenwel gelijktijdig met artikel 10, § 3, lid 2 van dit besluit wordt toegepast. § 4. Binnen eenzelfde vzw wordt de verdeling van de betrekkingen van het technisch personeel tussen het dagcentrum en het verblijfscentrum door de VZW bepaald en houdt rekening met hun specifieke behoeften. Art. 38.§ 1. De begeleidingsnormen voor het medisch personeel houden rekening met de erkende capaciteit en met de specifieke begeleidingsnormen van elke gehandicapte persoon zoals bepaald in artikel 33 van dit besluit. § 2. De begeleidingsnormen voor het medisch personeel worden overeenkomstig bijlage 5 van dit besluit vastgesteld.
Ze omvatten voor een dagcentrum : a) De medisch individuele basisnorm (M IBN) Alle opgevangen personen genieten dezelfde medisch individuele basisnorm. De individuele basisnorm wordt met de erkende basiscapaciteit van het centrum vermenigvuldigd. b) De medisch complementaire individuele norm (M CIN) De medisch complementaire individuele norm wordt uitsluitend toegekend voor de opgevangen of gehuisveste personen naar rata van de in de gepersonaliseerde overeenkomst voorziene opvangfrequentie en wordt vastgesteld in functie van de door elke opgevangen gehandicapte persoon behaalde resultaten in het evaluatieschema bijgevoegd in bijlage 7 van dit besluit. Enkel de gehandicapte personen in categorie C genieten deze norm.
Ze omvatten voor een verblijfscentrum : De medisch supplementaire individuele norm (M SIN) De norm wordt enkel toegekend voor personen die overdag niet worden opgevangen : - voor volwassenen : door een dagcentrum of een centrum voor functionele revalidatie, - voor kinderen : door een dagcentrum, een dagcentrum voor schoolgaande kinderen of een centrum voor functionele revalidatie. Art. 39.§ 1. Een nieuwe evaluatie van de specifieke begeleidingsbehoeften van een gehandicapte persoon wordt voor de kinderen om de driejaar en voor de volwassenen om de vijfjaar uitgevoerd.
Deze evaluatie kan eveneens worden uitgevoerd, hetzij op initiatief van het multidisciplinair team hetzij op verzoek van het centrum indien de toestand van de gehandicapte persoon plots mocht wijzigen.
De beslissing van het multidisciplinair team wordt geregistreerd vanaf de maand die erop volgt. § 2. De resultaten van de evaluatieschema's van de gehandicapte personen, gevalideerd door het multidisciplinair team, worden tweemaal per jaar geregistreerd. Indien op de datum van deze registraties blijkt dat de evaluaties van bepaalde gehandicapte personen nog niet konden worden gevalideerd, dan wordt de som van de bestaande resultaten evenredig omgezet in het aantal door het centrum opgevangen of gehuisveste personen.
De wijziging van de specifieke begeleidingsbehoeften van de gehandicapte personen van een centrum wordt vastgesteld op basis van het resultaat van de voor het centrum meest gunstige begeleidingsbehoeften. Binnen de beperkingen van de beschikbare begroting, heeft ze de herziening tot gevolg van de betrokken begeleidingsnormen van het centrum vanaf ]januari van het volgend jaar. In dit opzicht kan op de normverhogingen een reductiecoëfficiënt worden toegepast.
Indien de begeleidingsnorm opwaarts wordt herzien, treedt deze in werking op de eerste dag van maand die volgt op de kennisgeving, door de Administratie, van de beslissing tot herziening.
Indien de begeleidingsnorm neerwaarts wordt herzien, treedt deze in werking : - hetzij op de eerste dag die volgt op de afloop van de opzeggingsperiode van de betrokken werknemer wiens opzegging werd gegeven in de maand die volgt op de maand van de kennisgeving door de Administratie van de beslissing tot herziening; - hetzij op de dag waarop het aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer in werking treedt dat werd meegedeeld in de loop van de maand die volgt op de maand van de kennisgeving door de Administratie van de beslissing tot herziening; - hetzij, bij ontstentenis, onmiddellijk. § 3. Indien in een centrum de herziening van de begeleidingsnormen een vermindering van het werkgelegenheidsvolume tot gevolg heeft, moet het centrum de eventuele ontslagen paritair objectiveren en de Administratie erover inlichten. Met het akkoord van het betrokken personeelslid geeft de Administratie zijn gegevens door aan de centra waarvan de nieuwe begeleidingsnormen een stijging van het werkgelegenheidsvolume tot gevolg hebben. Deze centra verbinden zich ertoe de kandidatuur van deze personeelsleden prioritair te bestuderen. Art. 40.§ 1. De begeleidingsnormen met betrekking tot de directie, het administratief en boekhoudkundig team van de ce …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.