← België

Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams regleme

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt bestaande Vlaamse reglementen betreffende milieuvergunningen en milieuhygiëne, met een focus op de verbranding en meeverbranding van afvalstoffen. Het doel is om de Europese Richtlijn 2000/76/EG over de verbranding van afvalstoffen om te zetten in Vlaamse wetgeving.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
12 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 24/01/1998 numac 1998035048 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 25/12/1997 numac 1997036535 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de heffingscoëfficiënt inzake de grindwinning voor 1998 sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 11, § 1, gewijzigd bij het decreet van 20 april 1994; Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 3, op artikel 14, § 1, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1990, en op artikel 20, vervangen bij het decreet van 22 december 1993 en gewijzigd bij de decreten van 21 oktober 1997, 11 mei 1999 en 3 maart 2000; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999 en de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995, 26 juni 1996, 22 oktober 1996, 12 januari 1999, 15 juni 1999, 29 september 2000, 20 april 2001, 13 juli 2001, 7 september 2001, 5 oktober 2001, 31 mei 2002, hierna titel I van Vlarem genoemd; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997, 17 december 1997, 24 maart 1998, 6 oktober 1998, 19 januari 1999, 15 juni 1999, 3 maart 2000, 17 maart 2000, 17 juli 2000, 19 januari 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 18 januari 2002, 25 januari 2002, 31 mei 2002 en 21 maart 2003, hierna titel II van Vlarem genoemd; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 24/01/1998 numac 1998035048 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 25/12/1997 numac 1997036535 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de heffingscoëfficiënt inzake de grindwinning voor 1998 sluiten tot vaststelling van Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, hierna Vlarea genoemd, inzonderheid op onderafdeling 4.2.3; Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen van 12 maart 2003; Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen van 6 maart 2003; Gelet op de Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheids-voorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; Overwegende dat de Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende het verbranden van afvalstoffen uiterlijk op 28 december 2002 volledig omgezet moest worden; dat het noodzakelijk is de nodige wijzigingen door te voeren in titel I en II van Vlarem teneinde die Richtlijn om te zetten; Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor begroting, gegeven op 23 december 2002; Gelet op het advies 35.748/3 van de raad van State, gegeven op 17 september 2003, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in titel I van Vlarem Artikel 1.In artikel 30bis, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 en 12 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 5° worden tussen de worden « grondwater » en « ,en », de woorden « en lucht » ingevoegd.2° een 5°bis wordt ingevoegd, die luidt als volgt : « 5°bis ze uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden bevatten die specifiek gelden voor meeverbranding van afvalstoffen;» 3° een 13° en 14° worden toegevoegd, die luiden als volgt : « 13° ze een expliciete lijst bevatten van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt.Deze lijst omvat de totale hoeveelheid en indien mogelijk en nuttig de hoeveelheid per afvalcategorie. 14° ze, in het geval van een meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand, volgende gegevens bevatten : a) de minimale en de maximale toevoer van de afvalstoffen;b) de laagste en de hoogste calorische waarde van de afvalstoffen;c) de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen (PCB's, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen) in de afvalstoffen.» Art. 2.In artikel 41bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten, worden de woorden « overeenkomstig de EU-richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging » geschrapt. Art. 3.In bijlage 1 bij het hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 12 januari 1999 en 15 juni 1999, worden de volgende gewijzigingen aangebracht : 1° in rubriek 2.3 worden tussen de woorden « verbranden » en « van », de woorden « en meeverbranden » ingevoegd. 2° de rubriek 2.3.4. wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in titel II van Vlarem Art. 4.In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 29/01/1999 numac 1998036468 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden en de regels inzake de toekenning van subsidies voor exportbevorderende activiteiten sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij de definities algemeen wordt de volgende definitie toegevoegd : « - dioxinen en furanen : alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen die hieronder worden opgesomd met hun bijbehorende toxiciteitsequivalentie-factor : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° bij de definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2.) « Verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen » worden de volgende definities opgeheven : a) nominale capaciteit van de verbrandingsinrichting;b) bestaande inrichting voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen;c) nieuwe inrichting voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen;d) bestaande inrichting voor de verbranding van huishoudelijk afval;e) nieuwe inrichting voor de verbranding van huishoudelijk afval;3° tussen de definities van « verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen » en « verbrandingsinrichtingen voor houtafval » worden definities ingevoegd, die luiden als volgt : « verbrandings-en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen - verbrandingsinstallatie : een vaste of mobiele technische eenheid of inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte.Dit bevat onder meer de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand. Deze definitie omvat het terrein en de gehele verbrandingsinstallatie met inbegrip van alle verbrandingslijnen en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandingsomstandigheden; - meeverbrandingsinstallatie : een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering. Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met inbegrip van alle meeverbrandingslijnen en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsmede de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandings-omstandigheden. Indien meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is, wordt de installatie beschouwd als een verbrandingsinstallatie; - experimentele verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie : een installatie die voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving ter verbetering van het verbrandings- of meeverbrandingsproces van afvalstoffen wordt gebruikt. Het kan zowel een installatie betreffen die uitsluitend geëxploiteerd wordt voor experimenten, als een bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die gebruikt wordt voor één of meer experimenten; - bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie : een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die vóór 28 december 2002 over een milieuvergunning beschikt en vóór 28 december 2002 in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen; - nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie : een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een milieuvergunning beschikt voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen; - nominale capaciteit : de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de installatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van in het bijzonder de calorische waarde van de afvalstoffen, uitgedrukt als de hoeveelheid afvalstoffen die per uur kan worden verbrand of meeverbrand; - totale capaciteit : de nominale capaciteit per jaar berekend, rekening houdend met de calorische waarde van de afvalstoffen en de gemiddelde beschikbaarheid van de installatie. Deze totale capaciteit wordt bij voorkeur afgeleid uit het stookdiagram; - emissie : directe of indirecte lozing van stoffen, trillingen, warmte of geluid, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, in de lucht, het water of de bodem; - emissiegrenswaarde : de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden; - residu : een vloeibaar of vast materiaal (met inbegrip van bodemas, slakken, vliegas en ketelas, vaste reactieproducten die ontstaan bij de gasreiniging, zuiveringsslib van de zuivering van afvalwater, afgewerkte katalysatoren en afgewerkte actieve kool) dat valt onder de omschrijving van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en dat wordt geproduceerd bij het verbrandings- of meeverbrandingsproces, de zuivering van rookgassen of afvalwater of andere processen in de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie; » 4° bij de definities afvalstoffen-verwerking (hoofdstuk 5.2) « Verbrandingsinrichtingen voor houtafval » worden de definities bestaande en de definitie nieuwe inrichting voor de verbranding van houtafval opgeheven. 5° na de definities van « verbrandings-inrichtingen voor houtafval » worden definities ingevoegd, die luiden als volgt : « verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor BIOMASSA-AFVAL : - bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval : een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die vóór 28 december 2002 over een milieuvergunning beschikt en in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval; - nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval : een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een milieuvergunning beschikt voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval; - nominaal thermisch vermogen : de warmte-inhoud van de nominale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie, uitgedrukt in MW, en die is vermeld in de milieuvergunning voor de installatie in kwestie; - biomassa : producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, die kunnen worden gebruikt om de energie-inhoud terug te winnen, alsmede biomassa-afval; - biomassa-afval : één of meer van de volgende afvalstoffen, die kunnen worden gebruikt om energie terug te winnen : - plantaardig afval van land- en bosbouw; - plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie; - vezelachtig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, dat op de plaats van productie wordt meeverbrand en waarvan de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen; - onbehandeld houtafval : natuurlijk hout, schors inbegrepen, dat alleen een mechanische behandeling heeft ondergaan; - kurkafval; - niet verontreinigd behandeld houtafval : behandeld houtafval, met uitzondering van hout dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een bedekkingslaag gehalogeneerde organische verbindingen, PAK's, dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van bouw- en sloopafval. Voor dit houtafval gelden de samenstellingseisen vermeld in artikel 5.2.3bis .4.14 als richtwaarden; - verontreinigd behandeld houtafval : hout dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een bedekkingslaag gehalogeneerde organische verbindingen, PAK's, dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van bouw- en sloopafval, waarbij een of meer samenstellingseisen zoals vermeld in artikel 5.2.3bis . 4.14 overschreden worden; » 6° bij de definities luchtverontreiniging (hoofdstuk 5.43) « STOOKINSTALLATIES »wordt de definitie "onbehandeld houtafval en houtafval vergelijkbaar met onbehandeld houtafval" vervangen door de definities van "biomassa" en "biomassa-afval", die luiden als volgt : - biomassa : producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, die kunnen worden gebruikt om de energie-inhoud terug te winnen, alsmede biomassa-afval; - biomassa-afval : één of meer van de volgende afvalstoffen, die kunnen worden gebruikt om energie terug te winnen : - plantaardig afval van land- en bosbouw; - plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie; - vezelachtig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, dat op de plaats van productie wordt meeverbrand en waarvan de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen; - onbehandeld houtafval : natuurlijk hout, schors inbegrepen, dat alleen een mechanische behandeling heeft ondergaan; - kurkafval; - niet verontreinigd behandeld houtafval : behandeld houtafval, met uitzondering van hout dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een bedekkingslaag gehalogeneerde organische verbindingen, PAK's, dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van bouw- en sloopafval. Voor dit houtafval gelden de samenstellingseisen vermeld in artikel 5.2.3bis .4.14 als richtwaarden; Art. 5.In artikel 4.1.7.4 van hetzelfde besluit, worden aan de eerste zin de woorden « en moet zodanig uitgerust zijn dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig al dan niet ter plaatse kan worden onderzocht en gezuiverd » toegevoegd. Art. 6.In artikel 5.2.1.5, § 1, van hetzelfde besluit, worden vóór de eerste zin de woorden « Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en » ingevoegd. Art. 7.In artikel 5.2.3.1.3, § 2, van hetzelfde besluit, wordt het woord « nieuwe » geschrapt. Art. 8.Artikel 5.2.3.1.9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 maart 1998 en 19 januari 1999, wordt vervangen door wat volgt : "Artikel 5.2.3.1.9. Bij normoverschrijding en storingen en bij abnormale werkomstandigheden gelden respectievelijk de bepalingen van artikelen 5.2.3bis .1.33 en 5.2.3bis .1.34. » Art. 9.In artikel 5.2.3.2.4 van hetzelfde besluit gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 29/01/1999 numac 1998036468 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden en de regels inzake de toekenning van subsidies voor exportbevorderende activiteiten sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° De concentratie van koolstofmonoxide (CO) in de verbrandingsgassen mag niet hoger zijn dan de volgende normen, behalve tijdens het opstarten en stilleggen van de installatie : a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3;b) 150 mg/Nm3 voor de bepalingen van 10-minutengemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden »;2° in 2° wordt in de tabel het woord « bestaand » vervangen door de woorden « vergund vóór 1 januari 1995 » en wordt het woord « nieuw » vervangen door de woorden « vergund op of na 1 januari 1995 », 3° in 3° worden de woorden « vanaf 1 januari 1997 tenzij de richtlijnen van de Europese Unie voor die datum anders vermelden » en « tot 1 januari 1997 geldt de waarde als richtwaarde » geschrapt. Art. 10.In artikel 5.2.3.2.5, § 1, van hetzelfde besluit wordt een § 1bis ingevoegd, die luidt als volgt : « § 1bis . Aan de emissiegrenswaarden voor CO wordt geacht te zijn voldaan indien : 1° 97 % van de daggemiddelden over het jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde voor het daggemiddelde en 2° ofwel tenminste 95% van alle bepalingen van de 10-minutengemiddelden, ofwel alle bepalingen van halfuurgemiddelden gedurende een willekeurige periode van 24 uren voldoen aan de respectievelijke emissiegrenswaarden.» Art. 11.Aan artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 20/04/2001 pub. 10/07/2001 numac 2001035738 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 20/04/2001 pub. 31/08/2001 numac 2001035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten, wordt een d) toegevoegd die luidt als volgt : « d) aanvullend op c) moeten de dioxinen en furanen vanaf 1 januari 2004 op continue wijze worden bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses. Het rapport met de resultaten van die metingen wordt binnen een maand na het einde van de bemonsteringsperiode aan de toezichthoudende overheid bezorgd. Voor de continue bemonstering geldt een drempelwaarde van 0,1 ng TEQ/Nm3. De vergunningverlenende overheid kan, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de milieuvergunning toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie mag worden verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van die toelating bestaat erin dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering). » Art. 12.In artikel 5.2.3.2.6, § 1, 2°, b) van hetzelfde besluit, worden de woorden « voor bestaande inrichtingen ten minste eenmaal na de eventuele heraanpassing van de inrichting en in elk geval vóór 1 december 1995 » geschrapt. Art. 13.Onder subafdeling 5.2.3.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 maart 1998 en 19 januari 1999, wordt vóór artikel 5.2.3.3.1 dat artikel 5.2.3.3.1.bis wordt, een nieuw artikel 5.2.3.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 5.2.3.3.1 De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op inrichtingen ingedeeld volgens rubrieken 2.3.4.1, e), f), g), j), l) en m) . » Art. 14.In artikel 5.2.3.3.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 29/01/1999 numac 1998036468 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden en de regels inzake de toekenning van subsidies voor exportbevorderende activiteiten sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° De concentratie van koolstofmonoxide (CO) in de verbrandingsgassen mag niet hoger zijn dan de volgende normen, behalve tijdens het opstarten en stilleggen van de installatie : a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbrandingsgas;b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalingen van 10-minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden »;2° de bepaling onder 3° wordt vervangen door wat volgt : « 3° Voor de concentratie van polychloordibenzodioxinen (PCDD's) en polychloordibenzofuranen (PCDF's) (uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3)) mogen alle in een bemonsteringstijd van minimaal zes en maximaal acht uur gemeten gemiddelde waarden niet hoger zijn dan 0,1 ng TEQ/Nm3.» Art. 15.In artikel 5.2.3.3.5, van hetzelfde besluit wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Aan de emissiegrenswaarden voor CO wordt geacht te zijn voldaan indien : 1° 97 % van de daggemiddelden over het jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde voor het daggemiddelde en 2° ofwel tenminste 95 % van alle bepalingen van de 10-minutengemiddelden, ofwel alle bepalingen van halfuurgemiddelden gedurende een willekeurige periode van 24 uur voldoen aan de respectievelijke emissiegrenswaarden.» Art. 16.In artikel 5.2.3.3.6, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 en 19 januari 1999, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1° wordt d) vervangen door wat volgt : « d) Aanvullend bij c) moeten de dioxinen en furanen op continue wijze worden bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses;voor de aldus bkomen meetresultaten geldt een drempelwaarde van 0,1 ng TEQ/m3. Behalve voor verbrandingsinstallaties voor huishoudelijke afvalstoffen kan de vergunningverlenende overheid, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid,in de milieuvergunning toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie mag worden verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van die toelating is dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering). » 2° in 2°, b) worden de woorden « voor bestaande inrichtingen ten minste eenmaal na de eventuele heraanpassing van de inrichting en in elk geval vóór 1 december 1995 » geschrapt. Art. 17.In hetzelfde besluit wordt na afdeling 5.2.3 een afdeling 5.2.3bis, bestaande uit artikel 5.2.3bis .1.1 tot en met 5.2.3bis .4.22 ingevoegd, die luidt als volgt : « AFDELING 5.2.3bis VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES VOOR AFVALSTOFFEN Subafdeling 5.2.3bis .1 Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties Art. 5.2.3bis .1.1. Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen ingedeeld volgens volgende rubrieken : 1° 2.3.4.1.b,c,e,f,g,h,j,k,l,m; 2° 2.3.4.2.b,c,d,e,f,g; 3° 2.3.5. aanvaarding en inontvangstneming van de afvalstoffen Art. 5.2.3bis .1.2. De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige voorzorgsmaatregelen om schadelijke gevolgen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsmede stankoverlast en geluidshinder, en directe risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, zover als haalbaar is, te beperken. Art. 5.2.3bis .1.3. § 1. In een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatievoor afvalstoffenkunnen enkel die afvalstoffenworden verbrand of meeverbrand die uitdrukkelijk vermeld zijn in de milieuvergunning. § 2. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffenmogen worden verbrand of meeverbrand, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffendie in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. § 3. De vergunning is beperkt tot de gegevens die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld indien in de milieuvergunning van een meeverbrandingsinstallatie voor gevaarlijke afvalstoffen geen gegevens zijn vermeld over : 1° de minimale en de maximale toevoer van de afvalstoffen;2° de laagste en de hoogste calorische waarde van de afvalstoffen;3° de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen (PCB's, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen) in de afvalstoffen. Art. 5.2.3bis .1.4. § 1. Vooraleer afvalstoffenbij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ontvangst worden genomen, volgt de exploitantvan de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedures : 1° controle van de vereiste documenten;2° controle van de conformiteit van de aangevoerde afvalstoffenmet de schriftelijke gegevens.Indien relevant worden de afvalstoffendaartoe op een representatieve wijze bemonsterd en geanalyseerd, waarbij de te analyseren parameters zo worden bepaald dat een sluitende conformiteitscontrole is verzekerd. De daartoe genomen monsters worden tot ten minste één maand na de verbranding bewaard. § 2. Vooraleer gevaarlijke afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie kunnen worden aanvaard, moet de exploitant daarenboven over een beschrijving van de afvalstoffenbeschikken waarin de volgende gegevens zijn vermeld : 1° de oorsprong en de herkomst van de afvalstof;2° de fysische en chemische samenstelling van de afvalstoffen, alsmede alle benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het bedoelde verbrandingsproces, gebaseerd onder meer op analyse van de afvalstoffen;3° de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee ze niet mogen worden gemengd en de bij de behandeling van de afvalstof te treffen voorzorgsmaatregelen; De aanvaarding gebeurt op basis van documenten die de voormelde gegevens bevatten. Art. 5.2.3bis .1.5. De exploitant stelt de massa van elke afvalcategorie per vracht vast, en indien mogelijk de categorie overeenkomstig de afvalstoffenlijst, voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbrandings-installatie in ontvangst wordt genomen. Art. 5.2.3bis .1.6. In de milieuvergunning kunnen afwijkingen van artikel 5.2.3bis .1.4 en 1.5 worden toegestaan voor industriële installaties en ondernemingen die uitsluitend de door henzelf geproduceerde afvalstoffen verbranden of meeverbranden op de plaats waar ze werden geproduceerd, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze afdeling. UITBATING Art. 5.2.3bis .1.7. De locaties van verbrandings- en meeverbrandings-installaties, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen. Art. 5.2.3bis .1.8. § 1. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning mogen de afvalstoffenniet buiten de daartoe bestemde overdekte opslagruimte worden opgeslagen. De opslagruimte wordt dermate beveiligd dat ongevallen tijdens het afladen van de afvalstoffenworden vermeden. § 2. Voor verbrandingsinstallaties waar afval in bulk wordt opgeslagen, is de grootte van de opslagruimte berekend op een hoeveelheid afvalstoffendie overeenkomt met ten minste achtenveertig bedrijfsuren van de installatie, om continu bedrijf te garanderen. Om stankontwikkeling en andere hinder te voorkomen worden te lange opslagtijden van het geheel of van een gedeelte van de afvalstoffenin de opslagruimte evenwel vermeden. Er wordt rekening gehouden met de bedrijfsvoering en de stilstanden voor herstelling en onderhoud. De opslagruimte wordt in onderdruk gehouden ten opzichte van de omgeving. Hiertoe wordt de verbrandingslucht aangezogen uit de opslagruimte. Een goede verluchting van deze ruimte wordt verzekerd. De wanden van de opslagruimte zijn zodanig uitgevoerd dat de afzetting van stof en afval voorkomen wordt. De opslagruimte is bovendien zo gebouwd dat ze volledig mechanisch kan geledigd worden. Ze is uitgerust met een afvoermogelijkheid voor water. § 3. Voor verbrandingsinstallaties van huishoudelijke afvalstoffenis het aantal stortopeningen voldoende om ook gedurende de piekuren de aanvoer van afvalstoffenmogelijk te maken. Enkel de poorten, noodzakelijk voor de aanvoer van afvalstoffen, mogen geopend zijn. § 4. Gevaarlijke afvalstoffenmoeten in afwachting van verbranding worden opgeslagen overeenkomstig de voorwaarden van subafdeling 5.2.2.5. Art. 5.2.3bis .1.9. § 1. De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de afvalstoffen steeds zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden verbrand en de emissieminimaal is. Indien nodig worden de afvalstoffen voorbehandeld en in geval van heterogene afvalstoffen worden ze zo goed mogelijk gemengd en homogeen gemaakt. § 2. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning is voor verbrandings-installaties een continue uitbating verplicht, met uitzondering van de periodes voor nazicht of onderhoud en periodes van stilstand. De voeding van de oven gebeurt in de meest veilige omstandigheden. De vulopening wordt luchtdicht afgesloten als de oven niet gevuld wordt. De onderdruk in de oven is zodanig dat het ontsnappen van rookgassen via de vulopening niet kan optreden, ook niet tijdens de vuloperaties. Het toevoermechanisme naar de installatie is zo opgevat dat een regelmatige voeding wordt gewaarborgd. Art. 5.2.3bis .1.10. Risicohoudend medisch afval moet in de voorgeschreven recipiënten rechtstreeks in de oven worden gebracht, dat wil zeggen zonder dat het eerst met afvalstoffen van andere categorieën wordt vermengd. Art. 5.2.3bis .1.11. § 1. De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) afkomstig van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en de ontijzerde bodemas minder bedraagt dan 3 % of waarbij het gloeiverlies ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, conform het compendium voor monsterneming en analyse, zoals goedgekeurd bij ministerieel besluit. § 2. De verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C, gemeten gedurende twee seconden dichtbij de binnenwand of op een door de toezichthoudende overheid toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit. § 3. Elke verbrandingslijn van de verbrandingsinstallatie wordt uitgerust met tenminste één brander die automatisch wordt ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht daalt tot onder de temperatuur, genoemd in § 2. De branders moeten ook worden gebruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de genoemde minimumtemperatuur gehandhaafd blijft, zolang zich onverbrande afvalstoffenin de verbrandingskamer bevinden. Tijdens het starten en stilleggen of wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas daalt tot beneden de temperatuur, genoemd in § 2, mogen naar de branders geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissieskunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van vloeibaar gas, van aardgas of van gasolie, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011114 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011115 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor de zeescheepvaart sluiten betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming. § 4. Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit. § 5. De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt uitgerust met en maakt gebruik van een automatisch systeem waarmee de toevoer van afvalstoffenwordt belet : 1° bij het starten,totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1100 °C is bereikt;2° wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang vanhet geval, 1 100° C niet behouden blijft;3° wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaardewordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstallaties. § 6. In de milieuvergunning kan van § 1 tot en met § 4, en wat de temperatuur betreft van § 5, worden afgeweken voor bepaalde thermische processen of bepaalde categorieën afval op voorwaarde dat in de verbrandings- of meeverbrandingsoven of in de installatie voor de behandeling van de verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast. Bij toepassing van deze technieken moeten de emissieniveaus van dioxinen en furanen overeenkomen met of lager zijn dan de niveaus die onder de voorwaarden van § 2 of § 4 worden bereikt, moet ten minste aan al de emissiegrenswaarden zijn voldaan en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, genoemd in § 1 tot en met § 4. Art. 5.2.3bis .1.12. De warmte die door het verbrandings- of meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt volgens de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk nuttig gebruikt. Schoorsteenhoogte en rookgasemissies Art. 5.2.3bis .1.13. § 1. De verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissiesin de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen. § 2. De rookgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd. § 3. De schoorsteenhoogte wordt zodanig berekend dat de menselijke gezondheid en het milieu voor gevaar worden behoed. De exploitantberekent de schoorsteenhoogte volgens de algemene schoorsteenhoogteberekenings-methode vermeld in bijlage 4.4.1 of volgens een gelijkwaardig systeem. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de milieuvergunning. § 4. De schoorsteen en de afvoerkanalen worden uitgerust met meetopeningen en een meetplatform overeenkomstig de norm NBN T95-001 of een equivalente norm. De meetopeningen hebben een diameter van tenminste 12 cm. § 5. De exploitant treft de nodige schikkingen om het werkelijke debiet van de rookgassen, geloosd door de schoorsteen, te registreren. Het werkelijke debiet van de rookgassen is het debiet zonder de eventuele verdunningslucht. § 6. De berekening van de schoorsteenhoogte en de debietgegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar. Emissies in de lucht : voorwaarden voor verbrandingsinstallaties Art. 5.2.3bis .1.14. § 1. De emissiegrenswaarden voor in de lucht geloosde stoffen hebben steeds betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273°K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 11 %, droog gas. Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt : temperatuur 273°K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 3 %, droog gas. Alle meetresultaten worden steeds herrekend tot die omstandigheden. § 2. Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de milieuvergunning vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt. § 3. De omrekening voor de in § 1 en § 2 vermelde zuurstofgehaltes geschiedt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte dat gemeten wordt tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte. In afwijking hiervan gebeurt voor de bestaande roosterovens de omrekening altijd naar 11%, ongeacht het gemeten zuurstofgehalte. Art. 5.2.3bis .1.15. Elke verbrandingsinstallatie voor afvalstoffen moet, als ze in bedrijf is, aan volgende voorwaarden voldoen : 1° volgende emissiegrenswaarden gelden voor CO (behalve tijdens het opstarten en stilleggen van de installatie) : a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbrandingsgas;b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalingen van tien minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden. In de milieuvergunning kan van die emissiegrenswaarden worden afgeweken voor verbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) bepaald is die een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3 niet overtreft. 2° volgende emissiegrenswaarden gelden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (x) : Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde.Indien voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een milieuvergunning vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de milieuvergunning, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen. Als in de installatie uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand, kunnen in de milieuvergunning strengere verbrandingsomstandigheden opgelegd worden die aanleiding geven tot meer thermische NOx, te weten een minimale verbrandingstemperatuur hoger dan 1 100 °C, een hogere zuurstofconcentratie of een langere verblijftijd. In de milieuvergunning kan dan in minder strenge zin worden afgeweken van de emissiegrenswaarde voor NOx, zonder dat een maximum van 400 mg/Nm3 als daggemiddelde wordt overschreden. 3° volgende emissiegrenswaarden gelden als gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal 8 uur : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal acht uur.De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip 'toxische equivalentie'. Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. Emissies in de lucht : voorwaarden voor meeverbrandingsinstallaties Art. 5.2.3bis .1.16. § 1. De emissiegrenswaarden voor in de lucht geloosde stoffen, hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273°K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte zoals in artikel 5.2.3bis .1.19 tot en met 1.22 is bepaald, droog gas. Alle meetresultaten worden herrekend tot die omstandigheden. § 2. Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de milieuvergunning vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt. § 3. De omrekening voor de in § 1 en § 2 vermelde zuurstofgehaltes geschiedt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte, dat wordt gemeten tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte. Art. 5.2.3bis .1.17. § 1. Als in een meeverbrandingsinstallatie onbehandeld ongesorteerd huishoudelijk afval of ermee vergelijkbaar bedrijfsafval wordt verbrand, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties, van toepassing. § 2. Als in een meeverbrandingsinstallatie meer dan 40 % van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties van toepassing. Art. 5.2.3bis .1.18. § 1. Als artikel 5.2.3bis .1.17 niet van toepassing is moet elke meeverbrandingsinstallatie, die in bedrijf is, aan de emissiegrenswaarden voldoen zoals omschreven in artikel 5.2.3bis 1.19 tot en met 1.22. § 2. De berekende emissiegrenswaarden worden van toepassing vanaf de eerste meeverbranding en blijven dan gelden, ook als geen afvalstoffen worden meeverbrand. Art. 5.2.3bis .1.19. Als een specifieke totale emissiegrenswaarde "Ctotaal" niet in een tabel van artikel 5.2.3bis .1.20, 1.21 of 1.22 is opgenomen, moet de onderstaande formule (mengregel) worden toegepast. De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, opgesomd in artikel 5.2.3bis 1.15, en voor koolstofmonoxide in het rookgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarin : Vafvalstoffen : volume rookgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen(bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde) en naargelang het geval herleid tot de in artikel 5.2.3bis .1.16 vermelde omstandigheden. Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afvalstoffenminder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafvalstoffen worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffendie bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren. Cafvalstoffen : emissiegrenswaardengeldend voor verbrandingsinstallaties zoals vermeld in artikel 5.2.3bis .1.15. Vproces : het volume rookgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpende proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de installatiegebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het zuurstofgehalte waartoe de emissiesvolgens de geldende regelgeving moeten worden herleid. Ingeval er geen voorschriften voor de installatie bestaan, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het rookgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt. Cproces : de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis .1.20 tot en met 1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vastgesteld of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze installaties gelden, bij verbranding van de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen). Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de milieuvergunning vermelde emissiegrenswaarden gebruikt. Indien in de milieuvergunning geen grenswaarden worden vermeld, worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt. Indien de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis .1.20 tot en met 1.22 worden vermeld, soepeler zijn dan de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze industriële sectoren zijn vastgesteld, dan gelden voor Cproces de meest strenge emissiegrenswaarden. Ctotaal : de totale emissiegrenswaarde en het zuurstofgehalte die in de tabellen bij artikel 5.2.3bis .1.20 tot en met 1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vastgesteld, of, indien een dergelijke tabel of waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in de tabel van artikel 5.2.3bis .1.20 tot en met 1.22 genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes. Art. 5.2.3bis .1.20. Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand. De resultaten van de metingen, verricht als controle op de naleving van de emissiegrenswaarden, worden tot de volgende condities herleid : temperatuur 273°K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 10 %, droog gas. Volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden. 2° de emissiegrenswaarde voor CO wordt in de milieuvergunning vastgesteld. Art. 5.2.3bis .1.21. Bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand volgende proces-emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden : Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden. Cproces voor vaste brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (O2-gehalte 6 %) : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Cproces voor producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, uitgedrukt in mg/Nm3 (O2-gehalte 11 %) : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) Voor installaties met een nominaal thermisch vermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 400 mg/Nm3. Voor installaties met een nominaal thermisch vermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 200 mg/Nm3. Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (O2-gehalte 3 %) : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° volgende totale emissiegrenswaarden gelden : Ctotaal, uitgedrukt in mg/Nm3 (O2-gehalte 6 %).Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Ctotaal uitgedrukt in ng TEQ/Nm3 (O2-gehalte 6 %). Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. Art. 5.2.3bis .1.22. Bijzondere voorschriften gelden voor industriële sectoren die afvalstoffen meeverbranden en niet onder artikel 5.2.3bis .1.20 of 1.21 vallen. Volgende totale emissiegrenswaarden gelden : Ctotaal uitgedrukt in mg/Nm3. Alle gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Ctotaal uitgedrukt in ng TEQ/Nm3. Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. Emissies : water Art. 5.2.3bis .1.23. § 1. Lozingen van afvalwater, afkomstig van de reiniging van rookgassen, moeten voorzover doenlijk worden beperkt. § 2. Onverminderd de in de vergunning opgelegde emissiegrenswaarden voor het lozen van afvalwatervan de installatie, moet het afvalwater dat ontstaat bij de reiniging van de rookgassen worden gezuiverd zodat aan de volgende emissiegrenswaarden wordt voldaan : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 3. Om de naleving van de in § 2 genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van rookgasreiniging te controleren, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen overeenkomstig artikel 5.2.3bis 1.30, § 2, hoe groot het aandeel is van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater, dat kan worden toegeschreven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen. § 4. Als het afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen dat de in § 2 genoemde verontreinigende stoffen bevat, buiten de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiveringsinstallatie die uitsluitend voor de verwijdering van dit type afvalwater is bestemd, moeten de emissiegrenswaarden van § 2 worden toegepast op het punt waar het afvalwater de zuiveringsinstallatie verlaat. Indien die zuiveringsinstallatie die zich op een andere plaats bevindt niet uitsluitend is bestemd voor de zuivering van afvalwater dat bij verbranding ontstaat, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen overeenkomstig artikel 5.2.3bis .1.30, § 2 hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen, om zo de naleving van de in § 2 genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van rookgasreiniging te controleren. § 5. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welk debiet mag worden geloosd, is de vergunning beperkt tot het debiet dat in de vergunningsaanvraag is vermeld. § 6. In geen geval mag afvalwater worden verdund om aan de emissie-grenswaarden te voldoen. Metingen : lucht Art. 5.2.3bis .1.24. § 1. Meetapparatuur wordt geïnstalleerd en technieken worden gebruikt voor de bewaking van de parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces. § 2. Alle meet- en analyseresultaten worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Maandelijks bezorgt de exploitant het overzicht van de resultaten aan de toezichthoudende overheid. De resultaten van de discontinue metingen van dioxinen en furanen moeten zo snel mogelijk en liefst binnen een maand na uitvoering van de metingen bezorgd worden. Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthoudende overheid kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd. § 3. De procedures, methodes en vast opgestelde apparatuur voor monsterneming en metingen worden gekeurd door een hiervoor erkend laboratorium. Deze keuring gebeurt conform een code van goede praktijk, vastgesteld door de Vlaamse minister. Dit omvat minstens om de drie jaar een uitgebreide keuring, met onder meer vergelijkende emissiemetingen overeenkomstig de referentiemethoden, en een jaarlijkse beperkte keuring. De exploitant bezorgt jaarlijks een kopie van de keuringsrapporten aan de toezichthoudende overheid. Art. 5.2.3bis .1.25. § 1. Metingen ter bepaling van de concentratie van in de lucht geloosde stoffen moeten representatief zijn. § 2. De bemonstering en analyse van alle in de lucht geloosde stoffen, met inbegrip van dioxinen en furanen, alsmede de referentiemetingen ter ijking van automatische meetsystemen, moeten worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, bepaald in bijlage 4.4.2 of in deze subafdeling. Indien geen meetmethoden zijn vermeld, moeten CEN-normen worden gevolgd. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen of internationale normen worden toegepast, die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. § 3. De waarde van het 95 %-betrouwbaarheidsinterval, bepaald bij de daggemiddelde-emissiegrenswaarden, mag de volgende percentages van de emissiegrenswaardenniet overschrijden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 5.2.3bis .1.26. § 1. In de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden op initiatief en op kosten van de exploitant de volgende metingen verricht : 1° continumetingen van de volgende stoffen in de rookgassen : CO, totaal stof, TOC, HCl, NOx, HF en SO2;2° continumetingen van de volgende procesparameters : temperatuur dichtbij de binnenwand of op een door de vergunningverlenende overheid toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, debiet, temperatuur en waterdampgehalte van het rookgas. De continumeting van het debiet kan vervangen worden door een berekening op basis van relevante parameters volgens een door de toezichthoudende overheid goedgekeurde methode; 3° ten minste twee metingen van zware metalen in de rookgassen per jaar;gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de drie maanden een meting worden verricht; 4° ten minste twee metingen van dioxinen en furanen in de rookgassen per jaar;gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de twee maanden een meting worden verricht; § 2. In de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden op initiatief en op kosten van de exploitant bijkomend de dioxinen en furanen op continue wijze bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses. Bij meeverbrandingsinstallaties moet die continue bemonstering worden uitgevoerd telkens als er afvalstoffen worden meeverbrand. Bij verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties kan de analysefrequentie van de monsters worden verminderd volgens het schema, vermeld in bijlage 5.2.3bis .1. Behalve voor verbrandingsinstallaties voor huishoudelijke afvalstoffen kan de vergunningverlenende overheid, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, toestaan dat de continue bemonstering wordt beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie wordt verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van deze toelating is dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering). § 3. De meetcampagnes die zes keer per jaar of minder worden uitgevoerd, worden gelijkmatig gespreid over de werkingsperioder tijdens het jaar. De toezichthoudende overheid moet vooraf op de hoogte worden gebracht van de uitvoerder en de data van de discontinue metingen van dioxinen en furanen. § 4. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen worden op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer als de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld en één keer onder de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden. § 5. Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt overschreden. In dit dat geval worden de emissies van HF ten minste tweemaal per jaar gemeten. Gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de drie maanden een meting worden verricht. § 6. Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte rookgassen worden gedroogd vooraleer de emissies worden geanalyseerd. § 7. In de milieuvergunning kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetingen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen worden verricht met een frequentie van ten minste twee metingen per jaar en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is enkel toegestaan indien de exploitant in de milieuvergunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden kan aantonen dat de emis …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.