← België

Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing

Kort samengevat

Dit samenwerkingsakkoord regelt de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, met als doel de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. Het vervangt een eerder akkoord en zet een Europese richtlijn om in Belgisch recht.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
5 JUNI 2015. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming van de instellingen, artikel 6, § 1, I en II, gewijzigd door de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993 en de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, en artikel 92bis, § 3, b), ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993; Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, artikelen 4 en 42, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en van 27 maart 2006, de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet, de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming en de bijzondere wet van 6 januari 2014. tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen; Gelet op het advies nr. 1.912 van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 30 september 2014; Gelet op het advies van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, gegeven op 26 november 2014; Gelet op het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken vervangt, gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006; Overwegende dat krachtens artikel 92bis, § 3, b) van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, de Federale Staat en de Gewesten gehouden zijn een samenwerkingsakkoord te sluiten voor de toepassing op federaal en gewestelijk vlak van de regelen die de Europese Unie heeft vastgesteld inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten; Overwegende dat die materie het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG; Overwegende dat het Verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend te Helsinki op 17 maart 1992, en het Verdrag nr. 174 betreffende de voorkoming van zware industriële ongevallen, aangenomen te Genève op 22 juni 1993 door de Internationale Arbeidsorganisatie tijdens haar tachtigste zitting, betrekking hebben op dezelfde materie en dat het derhalve aangewezen is de tenuitvoerlegging ervan te verzekeren door middel van hetzelfde samenwerkingsakkoord; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van die bepalingen deels tot de bevoegdheid van de Federale Staat en deels tot deze van de Gewesten behoort en dat sommige bepalingen tot beider bevoegdheid behoren; Overwegende dat een gecoördineerde en doeltreffende tenuitvoerlegging van die bepalingen enerzijds, en de noodzaak de exploitanten van de door die bepalingen beoogde inrichtingen niet te confronteren met onvoldoende op elkaar afgestemde of overlappende regelgeving anderzijds, vereist dat dat gebeurt door middel van een samenwerkingsakkoord dat rechtstreeks van toepassing is; Overwegende dat alleen een samenwerkingsakkoord met kracht van wet een voldoende garantie biedt om voor het hele Belgische grondgebied een optimaal gecoördineerde regeling te treffen; Overwegende dat, met name om te beantwoorden aan de eisen van de voormelde richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 en om de nieuwe en aangepaste bepalingen op een duidelijke en samenhangende wijze te integreren, er reden is om het voormelde samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, op te heffen en te vervangen door dit samenwerkingsakkoord; Overwegende dat sinds de aanname van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 de regelgeving inzake inspectie van verschillende diensten geëvolueerd en gemoderniseerd is; Overwegende dat door de relevante bepalingen van de federale en gewestelijke regelgeving inzake inspectie te importeren in dit samenwerkingsakkoord rekening wordt gehouden met die evolutie en modernisering, zonder afbreuk te doen aan de samenwerkingsgedachte; Overwegende dat met het oog op een uniforme toepassing van het samenwerkingsakkoord en een optimale informatie-uitwisseling tussen de bevoegde overheden de permanente overlegstructuur, die werd opgezet onder het voormeld samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, bestendigd wordt; Overwegende dat dit samenwerkingsakkoord niet belet dat de Gewesten in hun wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven de verplichting kunnen opleggen om een veiligheidsrapport of een veiligheidsstudie op te stellen met het oog op het beoordelen van een aanvraag voor het verkrijgen van een in die wetgeving bedoelde vergunning en dit op grond van de op dat ogenblik beschikbare en benodigde gegevens; Overwegende dat de Gewesten erover waken dat in een dergelijk geval het rapport of de studie op zodanige manier wordt opgevat dat het rapport of de studie later kan worden aangevuld tot het veiligheidsrapport zoals het in dit samenwerkingsakkoord wordt bedoeld; Overwegende dat krachtens artikel 31 van de voormelde richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012, de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om er uiterlijk op 31 mei 2015 aan te voldoen; Overwegende dat de partijen bij dit samenwerkingsakkoord zich ertoe verbinden om onmiddellijk na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord een gezamenlijke studie uit te voeren naar de financiering van de opdrachten van de federale en gewestelijke overheden zoals bedoeld in dit samenwerkingsakkoord; De Federale Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk en Economie, de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de Minister van Leefmilieu; Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van haar Minister-President en de Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw; Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door de Waalse Regering, in de persoon van haar Minister-President en de Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening; Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in de persoon van haar Minister-President, belast met Territoriale Ontwikkeling, en de Minister belast met Leefmilieu; Zijn overeengekomen wat volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. Dit samenwerkingsakkoord voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG. § 2. Dit samenwerkingsakkoord is rechtstreeks toepasselijk. § 3. Dit samenwerkingsakkoord heeft betrekking op de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en de beperking van de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu, teneinde op coherente en doeltreffende wijze een hoog niveau van bescherming in het hele land te waarborgen. Art. 2.Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord wordt verstaan onder : 1° inrichting : het gehele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; inrichtingen zijn ofwel lagedrempelinrichtingen ofwel hogedrempelinrichtingen; 2° lagedrempelinrichting : een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 2 van deel 1 of kolom 2 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, die evenwel niet gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 3 van deel 1 of in kolom 3 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, in voorkomend geval gebruikmakend van de in noot 4 bij bijlage 1 bedoelde sommatieregel;3° hogedrempelinrichting : een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 3 van deel 1 of kolom 3 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, in voorkomend geval gebruikmakend van de in noot 4 bij bijlage 1 bedoelde sommatieregel;4° naburige inrichting : een inrichting die zich zodanig dicht bij een andere inrichting bevindt dat het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval worden vergroot;5° nieuwe inrichting : a) een inrichting die in bedrijf wordt gesteld op of na de datum van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord;b) een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord komt door wijzigingen van haar installaties of activiteiten die leiden tot een wijziging van haar inventaris van gevaarlijke stoffen;c) een lagedrempelinrichting die een hogedrempelinrichting wordt, of omgekeerd, door wijzigingen van haar installaties of activiteiten die leiden tot een wijziging van haar inventaris van gevaarlijke stoffen;6° bestaande inrichting : een inrichting die a) de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord onder het toepassingsgebied viel van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, en b) vanaf de datum van inwerkingtreding van het huidig samenwerkingsakkoord onder het toepassingsgebied van dit akkoord valt zonder wijziging van haar indeling als lagedrempelinrichting of hogedrempelinrichting;7° andere inrichting : een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord komt of een lagedrempelinrichting die een hogedrempelinrichting wordt, of omgekeerd, om andere redenen dan die welke zijn bedoeld in 5° ;8° installatie : een technische eenheid binnen een inrichting, boven- of ondergronds, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, behandeld of opgeslagen, en die alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, spoorwegaftakkingen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies, omvat die nodig zijn voor de werking van die installatie;9° exploitant : iedere natuurlijke of rechtspersoon die de inrichting exploiteert;10° gevaarlijke stof : een onder deel 1 van bijlage 1 vallende of in deel 2 van bijlage 1 opgenomen stof of mengsel, onder meer onder de vorm van grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct;11° mengsel : een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;12° aanwezigheid van gevaarlijke stoffen : de werkelijke of verwachte aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de inrichting, of van gevaarlijke stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze zouden kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen, met inbegrip van opslagactiviteiten, in installaties binnen de inrichting, in hoeveelheden, die gelijk zijn aan of groter dan de in deel 1 of deel 2 van bijlage 1 vermelde drempelwaarden;13° zwaar ongeval : een gebeurtenis, zoals een zware emissie, brand of explosie die het gevolg is van ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de exploitatie van een inrichting waarop dit samenwerkingsakkoord van toepassing is, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu, binnen of buiten de inrichting ontstaat en waarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn;14° gevaar : de intrinsieke eigenschap van een gevaarlijke stof of van een fysische situatie die potentieel tot schade voor de menselijke gezondheid of het milieu kan leiden;15° risico : de waarschijnlijkheid dat een bepaald effect zich binnen een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden voordoet;16° opslag : de aanwezigheid van een hoeveelheid gevaarlijke stoffen voor opslag, veilige bewaring of voorraadbewaring;17° het publiek : een of meer natuurlijke of rechtspersonen, alsook hun verenigingen, organisaties of groepen;18° inspectie : alle door de inspecteurs ondernomen acties, met inbegrip van bezoeken ter plaatse, controles van de interne maatregelen, systemen en rapporten en vervolgdocumenten, en alle noodzakelijke follow-up, om de naleving van de voorschriften van dit samenwerkingsakkoord door de exploitanten te controleren, te bevorderen en indien nodig af te dwingen;19° inspecteur : een overeenkomstig artikel 4, § 4, aangewezen personeelslid van een inspectiedienst bedoeld in artikel 4, § 3;20° inspectieteam : alle inspecteurs bevoegd voor de inspectie van de inrichtingen gelegen op het grondgebied van een gewest;21° extern noodplan : het bijzonder nood- en interventieplan bedoeld in artikel 2ter van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en in artikel 9 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;22° noodplanningszone : de zone die gedefinieerd wordt krachtens artikelen 2 en 2ter van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en artikelen 8 en 9 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;23° gouverneur : de provinciegouverneurs;24° samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 en opgeheven door het huidig samenwerkingsakkoord. Art. 3.§ 1. Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 2, 1°. De artikelen 8, 12, 13, 14, tweede lid, 15, 21, 28 en 29 zijn uitsluitend van toepassing op hogedrempelinrichtingen. § 2. Dit samenwerkingsakkoord is niet van toepassing op : 1° militaire inrichtingen, installaties of opslagplaatsen;2° gevaren die samenhangen met ioniserende straling afkomstig van stoffen;3° het vervoer van gevaarlijke stoffen - en de daaraan rechtstreeks gerelateerde tijdelijke opslag - over de weg, per spoor, over binnenwateren of over zee of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar en van een andere vervoerswijze in havens, op kaden of op spoorwegemplacementen, buiten de door dit samenwerkingsakkoord bestreken inrichtingen;4° het vervoer van gevaarlijke stoffen door pijpleidingen, met inbegrip van de pompstations, buiten de onder dit samenwerkingsakkoord begrepen inrichtingen;5° de exploitatie, namelijk de exploratie, winning en verwerking, van mineralen in mijnen en groeven, ook door middel van boringen;6° de offshore exploratie en exploitatie van mineralen, met inbegrip van koolwaterstoffen;7° de offshore ondergrondse gasopslag, met inbegrip van zowel specifieke opslaglocaties als locaties waar eveneens aan exploratie en exploitatie van mineralen, met inbegrip van koolwaterstoffen, wordt gedaan;8° stortplaatsen voor afval, met inbegrip van ondergrondse opslag van afval. § 3. In afwijking van paragraaf 2, 5° en 8°, vallen onder het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord : 1° onshore ondergrondse gasopslag in natuurlijke aardlagen, waterhoudende grondlagen, zoutholtes en niet meer gebruikte mijnen;2° chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die samenhangt met die activiteiten, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn;3° operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen, waaronder residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten. Art. 4.§ 1. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als "coördinerende dienst" : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn;2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn;3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn. § 2. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als "beoordelingsdienst" : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn;2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn;3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn;4° de met het toezicht op de arbeidsveiligheid belaste dienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg; 5° voor inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van het algemeen reglement op de springstoffen, van de wetgeving inzake ondergrondse opslag van gas of van de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie; 6° de door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken aangewezen dienst;7° de bevoegde hulpverleningszone of de bevoegde brandweerdienst als die nog niet geïntegreerd is in een hulpverleningszone. § 3. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als "inspectiedienst" : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn;2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn;3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn;4° de met het toezicht op de arbeidsveiligheid belaste dienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg; 5° voor inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van het algemeen reglement op de springstoffen, de wetgeving inzake ondergrondse opslag van gas en de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. § 4. De federale en gewestelijke Ministers die bevoegd zijn voor de diensten, bedoeld in paragrafen 1 tot 3, wijzen ieder voor zich, de personeelsleden van die diensten aan die in het bijzonder belast zijn met de aan deze diensten toegewezen opdrachten. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Iedere wijziging wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt. § 5. Moeilijkheden die zouden rijzen tussen de bevoegde diensten worden, op vraag van één of meer bij dit samenwerkingsakkoord betrokken partijen, opgelost door het Overlegcomité, bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/08/1980 pub. 11/10/2010 numac 2010000561 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gewone wet tot hervorming der instellingen sluiten tot hervorming der instellingen. HOOFDSTUK 2. - Preventie van zware ongevallen Art. 5.De exploitant neemt alle nodige maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. De exploitant is te allen tijde in staat om aan de bevoegde diensten, in het bijzonder aan de inspectiediensten, aan te tonen dat hij alle in dit samenwerkingsakkoord aangegeven noodzakelijke maatregelen heeft genomen. Art. 6.§ 1. De exploitant stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dit beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen. § 2. De exploitant stelt een document op waarin hij dit beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten. § 3. Paragraaf 2, eerste en tweede lid, is niet van toepassing indien de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in het document beantwoordt aan paragraaf 2, tweede lid, en ongewijzigd is gebleven. § 4. De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem, in overeenstemming met bijlage 2. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico's en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting. § 5. Onverminderd artikel 10, herziet de exploitant het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Indien nodig stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past het document, bedoeld in paragraaf 2, aan overeenkomstig deze bijsturing. Art. 7.§ 1. De exploitant dient een kennisgeving in bij de bevoegde coördinerende dienst, die de volgende informatie bevat : 1° de naam van de exploitant, het volledige adres van de inrichting in kwestie en haar vestigingseenheidsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen;2° de maatschappelijke zetel van de exploitant, het volledige adres ervan en het ondernemingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen;3° de naam en de functie van de persoon die met de leiding van de inrichting belast is, als dat een andere is dan de persoon bedoeld in 1° ;4° voldoende gegevens om de gevaarlijke stoffen en de categorie van de gevaarlijke stoffen te identificeren die aanwezig zijn of kunnen zijn;5° de hoeveelheid en de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen;6° de activiteit die in de installatie of op de opslagplaats wordt uitgeoefend of is gepland;7° de onmiddellijke omgeving van de inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met inbegrip van, in voorkomend geval, gegevens over naburige inrichtingen, alsook van bedrijven die buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen, gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval en van domino-effecten zouden kunnen vergroten. § 2. De exploitant dient de kennisgeving of de actualisering ervan in binnen de volgende termijnen : 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk vier maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c);2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord;3° voor andere inrichtingen : uiterlijk drie maanden na de datum waarop de inrichting beantwoordt aan artikel 2, 7°. § 3. Paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de exploitant een kennisgeving heeft ingediend bij de coördinerende dienst vóór de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in deze kennisgeving beantwoordt aan paragraaf 1 en ongewijzigd is gebleven. § 4. De exploitant dient de kennisgeving en de actualiseringen ervan in op papier in acht exemplaren of in elektronisch formaat. De bevoegde gewestregering kan het model, het formaat en de indieningsmodaliteiten van de kennisgeving bepalen. § 5. Zodra hij er kennis van heeft, brengt de exploitant de coördinerende dienst onmiddellijk op de hoogte van : 1° veranderingen aan de informatie bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3° ;2° de definitieve sluiting of de buitengebruikstelling van de inrichting. Art. 8.§ 1. De exploitant van een hogedrempelinrichting dient bij de coördinerende dienst een veiligheidsrapport in om : 1° aan te tonen dat er een preventiebeleid voor zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem voor het uitvoeren daarvan zijn ingevoerd overeenkomstig de in bijlage 2 genoemde punten;2° aan te tonen dat de gevaren van zware ongevallen en scenario's voor mogelijke zware ongevallen geïdentificeerd zijn en dat de nodige maatregelen zijn getroffen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken;3° aan te tonen dat het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van alle met de werking van de inrichting samenhangende installaties, opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die verband houden met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn;4° aan te tonen dat er een intern noodplan bedoeld in artikel 11 werd opgesteld en de nodige gegevens te verstrekken voor de opstelling van het extern noodplan bedoeld in artikel 13;5° te waarborgen dat voldoende gegevens aan de coördinerende dienst worden verschaft, zodat hij adviezen kan geven over de vestiging van nieuwe activiteiten of over nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen. § 2. In het veiligheidsrapport worden ten minste de in bijlage 3 vermelde gegevens en inlichtingen opgenomen. Het rapport vermeldt tevens de relevante organisaties die betrokken zijn bij de opstelling van het rapport. § 3. De exploitant dient het veiligheidsrapport of de actualisering ervan in binnen de volgende termijnen : 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk drie maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c);2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk op 1 juni 2016;3° voor andere inrichtingen : binnen een termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum waarop de inrichting een hogedrempelinrichting is geworden;4° onverwijld na de herzieningen bedoeld in paragraaf 6. § 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing indien de exploitant al een veiligheidsrapport bij de coördinerende dienst heeft ingediend vóór de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in dit veiligheidsrapport beantwoordt aan de paragrafen 1 en 2 en ongewijzigd is gebleven. § 5. De exploitant dient het veiligheidsrapport en de actualiseringen ervan in op papier in acht exemplaren of in elektronisch formaat. De bevoegde gewestregering kan het model, het formaat en de indieningsmodaliteiten van het veiligheidsrapport bepalen. § 6. Onverminderd artikel 10, herziet de exploitant het veiligheidsrapport en werkt het indien nodig bij : 1° periodiek en ten minste om de vijf jaar;2° na een zwaar ongeval in de inrichting;3° op enig ander tijdstip, op eigen initiatief of op verzoek van de coördinerende dienst, als nieuwe feiten het rechtvaardigen of om rekening te houden met nieuwe technische kennis aangaande veiligheid die bijvoorbeeld verkregen is na analyse van ongevallen of, voor zover mogelijk, van bijna-ongevallen, of met ontwikkelingen in de kennis inzake de evaluatie van gevaren. Art. 9.§ 1. De coördinerende dienst bepaalt aan de hand van de door de exploitant overeenkomstig de artikelen 7 en 8 verstrekte informatie en, in voorkomend geval, de informatie verstrekt door de coördinerende diensten van de andere gewesten of door een inspectiedienst, voor welke lagedrempel- en hogedrempelinrichtingen of groepen inrichtingen het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval groter kunnen zijn ten gevolge van de geografische situatie, de nabijheid van die inrichtingen en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. § 2. Als de coördinerende dienst over bijkomende informatie beschikt naast de overeenkomstig artikel 7, § 1, 7°, door de exploitant verstrekte informatie, stelt hij deze informatie ter beschikking van die exploitant, als dit nodig is voor de toepassing van dit artikel. § 3. De exploitanten van de overeenkomstig paragraaf 1 aangewezen inrichtingen wisselen toereikende informatie uit om elkeen in staat te stellen rekening te houden met de aard en de omvang van het totale gevaar van een zwaar ongeval in hun preventiebeleid voor zware ongevallen, hun veiligheidsbeheersysteem, hun kennisgeving, hun veiligheidsrapport en hun intern noodplan. Art. 10.Alvorens over te gaan tot een wijziging van de installaties, van de processen of van de aard, de fysische vorm of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen, die voor de gevaren van zware ongevallen belangrijke gevolgen kan hebben, herziet de exploitant het preventiebeleid voor zware ongevallen, het veiligheidsbeheersysteem, de kennisgeving en het veiligheidsrapport opnieuw en werkt ze indien nodig bij. De exploitant dient de bijwerking van de kennisgeving en het veiligheidsrapport in bij de coördinerende dienst voorafgaand aan de wijziging. Als door de wijziging de lagedrempelinrichting een hogedrempelinrichting wordt, of omgekeerd, gelden in afwijking van het tweede lid de indieningstermijnen voor nieuwe inrichtingen, bedoeld in de artikelen 7 en 8. HOOFDSTUK 3. - Noodplannen Art. 11.§ 1. De exploitant stelt een intern noodplan op om : 1° incidenten te bedwingen en te beheersen om de effecten ervan tot een minimum te herleiden en de schade voor de menselijke gezondheid, milieu en goederen te beperken;2° de binnen de inrichting te nemen maatregelen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van zware ongevallen uit te voeren;3° aan de betrokken interventiediensten en overheden de vereiste informatie te verstrekken;4° na een zwaar ongeval in herstel en schoonmaak van het milieu te voorzien. De interne noodplannen van de hogedrempelinrichtingen bevatten de in bijlage 4, 1°, bedoelde gegevens. § 2. De exploitant stelt het intern noodplan binnen de volgende termijnen op : 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk drie maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c);2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk op 1 juni 2016;3° voor andere inrichtingen : binnen een termijn van één jaar, gerekend vanaf de datum waarop de inrichting beantwoordt aan artikel 2, 7°. § 3. Onverminderd de wettelijke bevoegdheden van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk krachtens de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, raadpleegt de exploitant dit Comité bij het opstellen van het intern noodplan. Bij ontstentenis van een comité, raadpleegt de exploitant de vakbondsafvaardiging en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging de werknemers zelf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet, bedoeld in het eerste lid. De exploitant raadpleegt tevens het betrokken personeel van onderaannemers met langlopende contracten bij het opstellen van het intern noodplan. § 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing indien de exploitant een intern noodplan heeft opgesteld krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in dat plan beantwoordt aan paragraaf 1 en ongewijzigd is gebleven. Art. 12.Met het oog op het vaststellen van de noodplanningszone, bepaalt de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, na het advies van de gewestregeringen te hebben gevraagd, met welke grenswaarden, ongevallentypes, weersomstandigheden en scenario's de exploitant moet rekening houden bij het afbakenen, in het veiligheidsrapport, van de zones die door een zwaar ongeval zouden kunnen worden getroffen, overeenkomstig bijlage 3, 2, d). Art. 13.§ 1. Binnen een termijn van twee jaar, te tellen vanaf het doorsturen van het veiligheidsrapport, zoals bepaald in artikel 27, stelt de gouverneur voor elke hogedrempelinrichting op zijn grondgebied een extern noodplan op voor de buiten de inrichting te nemen maatregelen. Wanneer de noodplanningszone zich uitstrekt tot op het grondgebied van andere gouverneurs, werken de betrokken gouverneurs samen bij het opstellen van het extern noodplan, in voorkomend geval, overeenkomstig de instructies van de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken met een gemotiveerde beslissing, in het licht van de gegevens die zijn vervat in het veiligheidsrapport, de gouverneur vrijstelling verlenen van de verplichting tot het opstellen van een extern noodplan. Als de betrokken inrichting zich dicht bij het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, brengt de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken de bevoegde overheid van de betrokken Staat op de hoogte van zijn gemotiveerde beslissing. § 3. De externe noodplannen worden opgesteld om : 1° incidenten te bedwingen en te beheersen, de effecten ervan tot een minimum te herleiden en de schade voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen te beperken;2° maatregelen ten uitvoer te leggen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van zware ongevallen;3° aan het publiek en aan de betrokken diensten en overheden relevante informatie te verstrekken;4° na een zwaar ongeval in herstel en schoonmaak van het milieu te voorzien. De externe noodplannen bevatten de informatie bedoeld in bijlage 4, 2°, en worden opgesteld overeenkomstig de onderrichtingen van de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en, wat het in het eerste lid, 4°, vermelde betreft, overeenkomstig de onderrichtingen verstrekt door de bevoegde gewestregering. § 4. De gouverneur zorgt ervoor dat het publiek dat kan worden getroffen door een zwaar ongeval in een vroeg stadium zijn advies kan geven bij de opstelling of de substantiële wijziging van de extern noodplannen, overeenkomstig de onderrichtingen van de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. § 5. Als de noodplanningszone zich uitstrekt tot buiten de grenzen van het Rijk, deelt de gouverneur de noodzakelijke gegevens mee aan de bevoegde overheid van de betrokken Staat en zorgt hij ervoor dat het extern noodplan in overeenstemming gebracht wordt met het noodplan van deze Staat. Zo mogelijk wordt een gemeenschappelijk noodplan opgesteld als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992. § 6. De federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken waakt erover dat er in de externe noodplannen rekening wordt gehouden met de noodzaak om versterkte samenwerking te vergemakkelijken tussen de lidstaten in het kader van civiele veiligheid bij ernstige noodsituaties. Art. 14.De exploitant herziet, test en werkt, indien nodig, het intern noodplan bij met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar, en waakt in het geval van een hogedrempelinrichting daarbij steeds over de samenhang met het extern noodplan. De gouverneur herziet, test en werkt, indien nodig, de externe noodplannen bij met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar. Deze herzieningen houden rekening met veranderingen die zich in de betrokken inrichtingen of bij de betrokken diensten of overheden hebben voorgedaan, met nieuwe technische kennis en met inzichten omtrent de maatregelen die moeten worden genomen bij zware ongevallen. Art. 15.§ 1. De exploitant van een hogedrempelinrichting werkt samen met de gouverneur : 1° bij de opstelling van het extern noodplan;2° bij oefeningen en actualiseringen van het extern noodplan;3° als het extern noodplan wordt afgekondigd. De federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken bepaalt de modaliteiten van deze samenwerking na het advies van de gewestregeringen te hebben gevraagd. § 2. De exploitant van een hogedrempelinrichting bezorgt aan de gouverneur, op diens vraag en in aanvulling op het veiligheidsrapport, alle voor de opstelling van het extern noodplan noodzakelijke gegevens. De gouverneur stelt de termijn vast waarbinnen de exploitant de gevraagde gegevens bezorgt. HOOFDSTUK 4. - Optreden bij en na een zwaar ongeval Art. 16.§ 1. De exploitant voert onverwijld het intern noodplan uit, wanneer er : 1° zich een zwaar ongeval voordoet;2° zich een onbeheerste gebeurtenis van zodanige aard voordoet dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij tot een zwaar ongeval leidt. § 2. Als het zware ongeval of de onbeheerste gebeurtenis een gecoördineerde actie van de hulp- en interventiediensten vergt, kondigt de gouverneur het extern noodplan af en stelt het in werking overeenkomstig de wetgeving betreffende de civiele veiligheid en de ter zake geldende onderrichtingen van de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. Art. 17.§ 1. In de in artikel 16, § 1, 1° of 2° bedoelde omstandigheden, verwittigt de exploitant onmiddellijk het 112-centrum en het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering. De operator van het 112-centrum verwittigt de overheden en de hulp- en interventiediensten die meewerken aan het betrokken extern noodplan, volgens de procedure zoals bepaald in dat plan. § 2. Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering verwittigt minstens : 1° de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken;2° de federale Minister bevoegd voor Arbeidsveiligheid;3° de federale Minister bevoegd voor Economie, in het geval van een inrichting die onder het toepassingsgebied valt van het algemeen reglement op de springstoffen, van de wetgeving inzake ondergrondse opslag van gas of van de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen;4° van het betrokken gewest, de gewestelijke Minister bevoegd voor Leefmilieu;5° de bevoegde coördinerende dienst;6° de bevoegde inspectiediensten. § 3. Als het zwaar ongeval of de onmiddellijke dreiging daarvan gevolgen buiten de grenzen van het Rijk heeft of zou kunnen hebben, brengt het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering onverwijld de bevoegde overheid van de betrokken Staat op de hoogte. Als het zwaar ongeval of de onmiddellijke dreiging daarvan gevolgen heeft of zou kunnen hebben op het grondgebied van meer dan één gewest, brengt het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering onverwijld de bevoegde overheid van elk betrokken gewest op de hoogte. Art. 18.§ 1. De exploitant verstrekt zo spoedig mogelijk na een zwaar ongeval het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten de volgende inlichtingen : 1° de omstandigheden van het ongeval;2° de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen;3° de beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het ongeval voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen kunnen worden geëvalueerd;4° de getroffen noodmaatregelen. Na het ongeval te hebben onderzocht, stelt de exploitant het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten ook in kennis van de voorgenomen maatregelen om : 1° de gevolgen op middellange en lange termijn van het ongeval te beperken;2° herhaling van het ongeval te voorkomen. De exploitant werkt de verstrekte informatie bij, als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die die informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen en bezorgt de bijwerkte informatie aan het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten. § 2. Het bevoegde inspectieteam zorgt ervoor dat de inspecteurs overeenkomstig artikelen 31 en 33 : 1° de benodigde gegevens verzamelen voor een volledige analyse van de technische, organisatorische en beheersaspecten van het ongeval;2° passende stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat de exploitant de noodzakelijke corrigerende acties neemt;3° aanbevelingen doen voor toekomstige preventieve maatregelen;4° erop toe zien dat de exploitant alle nodige dringende maatregelen alsook de nodige maatregelen op middellange en lange termijn treft. § 3. Na een zwaar ongeval verschaft de gouverneur de betrokken personen informatie over het ongeval dat zich heeft voorgedaan en, in voorkomend geval, over de getroffen maatregelen om de gevolgen ervan te beperken. Art. 19.§ l. Het bevoegde inspectieteam brengt de Europese Commissie in kennis van zware ongevallen die zich in het Rijk hebben voorgedaan en die beantwoorden aan de criteria van bijlage 5. Het inspectieteam verstrekt daarbij de volgende gegevens : 1° de lidstaat en naam en adres van de voor de opstelling van het rapport verantwoordelijke inspectiedienst;2° datum, tijd en plaats van het zware ongeval, met de volledige naam van de exploitant en het adres van de inrichting in kwestie;3° een beknopte beschrijving van de omstandigheden van het ongeval, met vermelding van de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen en de onmiddellijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu;4° een beknopte beschrijving van de getroffen noodmaatregelen en van de onmiddellijk te treffen maatregelen om herhaling van het ongeval te voorkomen;5° de resultaten van hun analyse en aanbevelingen. § 2. Het bevoegde inspectieteam verstrekt, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een jaar na het ongeval, de in paragraaf 1 bedoelde informatie gebruikmakend van de databank van de Europese Commissie. De mededeling van die gegevens kan slechts uitgesteld worden om de uitkomst van een gerechtelijke procedure af te wachten, als verstrekking van de gegevens die procedure kan beïnvloeden. Voor de in paragraaf 1, tweede lid, 5° bedoelde informatie, wanneer enkel voorlopige informatie verstrekt kan worden binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, werkt het bevoegde inspectieteam deze informatie bij wanneer de resultaten van verdere analyses of aanbevelingen beschikbaar zijn. § 3. Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering stelt de Europese Commissie in kennis van de naam en het adres van elke in artikel 4 bedoelde dienst die over informatie betreffende zware ongevallen zou kunnen beschikken en die aan de bevoegde overheden van andere lidstaten die bij een dergelijk ongeval moeten ingrijpen advies kan verlenen. HOOFDSTUK 5. - Informatie voor het publiek Art. 20.De volgende diensten houden de informatie bedoeld in bijlage 6 permanent beschikbaar voor het publiek, onder meer elektronisch : 1° de coördinerende dienst : de punten 1 tot 4 en 7 van deel 1 alsook het punt 1 van deel 2 van bijlage 6;2° de aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken : het punt 5 van deel 1 en de punten 2 tot 4 van deel 2 van bijlage 6;3° de aangewezen inspectiedienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg : het punt 6 van deel 1 van bijlage 6. Deze diensten werken waar nodig de informatie bij, onder meer als deze diensten in kennis worden gesteld van een wijziging bedoeld in artikel 10. Art. 21.§ 1. Voor de hogedrempelinrichtingen draagt de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken er zorg voor dat duidelijke en begrijpelijke informatie over de bij een zwaar ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn regelmatig en in de meest aangewezen vorm ambtshalve wordt verstrekt aan alle personen die kunnen worden getroffen door een zwaar ongeval, alsook aan alle door het publiek gebruikte gebouwen en gebieden, met inbegrip van scholen en ziekenhuizen, en aan alle naburige inrichtingen in geval van inrichtingen bedoeld in artikel 9. Wanneer de gevolgen zich kunnen uitstrekken buiten de grenzen van het Rijk, stelt de federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken deze informatie ter beschikking van de bevoegde overheid van de Staat die erdoor zou kunnen worden getroffen. De informatie bedoeld in het eerste lid omvat ten minste de informatie bedoeld in bijlage 6. § 2. De federale Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken draagt er zorg voor dat de informatie : 1° ten minste om de 5 jaar wordt verstrekt;2° periodiek wordt herzien en, indien nodig, wordt bijgewerkt, in elk geval na wijzigingen in de zin van artikel 10. Art. 22.Ter wille van de transparantie stellen de bevoegde diensten de informatie, die zij op grond van dit samenwerkingsakkoord in hun bezit hebben, ter beschikking van alle natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. De openbaarmaking van de informatie kan door de bevoegde diensten worden geweigerd of beperkt onder de voorwaarden zoals voorzien in de in het eerste lid bedoelde toepasselijke wetgeving. Art. 23.§ 1. De veiligheidsrapporten, met inbegrip van de inventaris van gevaarlijke stoffen, zijn bij de coördinerende dienst op verzoek ter beschikking van het publiek. § 2. De coördinerende dienst kan de openbaarheid van een deel van de informatie weigeren om redenen zoals voorzien in de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. De exploitant kan de coördinerende dienst verzoeken om bepaalde delen van het veiligheidsrapport of de inventaris van gevaarlijke stoffen niet openbaar te maken om redenen zoals voorzien in de wetgeving zoals bedoeld in het eerste lid. § 3. In het geval bepaalde delen niet openbaar worden gemaakt in toepassing van paragraaf 2, verstrekt de exploitant de coördinerende dienst een aangepast veiligheidsrapport of een aangepaste inventaris waaruit die delen zijn weggelaten. Het aangepaste veiligheidsrapport bevatten ten minste algemene informatie over gevaren van zware ongevallen en hun mogelijke effecten op de menselijke gezondheid en het milieu. Art. 24.Iedereen die verzoekt om informatie in toepassing van de artikelen 22, eerste lid, of 23, § 1, kan beroep instellen tegen een weigering of bij een ontstentenis van een beslissing overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. HOOFDSTUK 6. - Ruimtelijke ordening en betrokkenheid van het publiek bij de besluitvorming Art. 25.§ 1. De Gewesten zorgen ervoor dat de ten doel gestelde preventie van zware ongevallen en beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of in andere relevante beleidsdomeinen in aanmerking worden genomen. Zij streven die doelstellingen na door toezicht op : 1° de vestiging van nieuwe inrichtingen;2° de in artikel 10 bedoelde wijzigingen van inrichtingen;3° nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen zoals transportroutes, door het publiek bezochte plaatsen en woongebieden, wanneer de locatie van of de ontwikkelingen zelf de bron kunnen zijn van een zwaar ongeval of het risico ervan kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken. § 2. De Gewesten zorgen ervoor dat er in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of hun beleid op andere relevante domeinen alsmede in de procedures voor de uitvoering van die beleidsdomeinen rekening wordt gehouden met de noodzaak om op lange termijn : 1° een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan tussen enerzijds de onder dit akkoord vallende inrichtingen en anderzijds woongebieden, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, recreatiegebieden en, voor zover mogelijk, grote transportroutes;2° waardevolle natuurgebieden en bijzonder kwetsbare gebieden in de nabijheid van inrichtingen te beschermen, indien nodig door een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan of door andere passende maatregelen;3° voor bestaande en andere inrichtingen, aanvullende technische maatregelen te treffen overeenkomstig artikel 5, teneinde de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu niet te vergroten. § 3. De Gewesten voeren passende adviesprocedures in om de tenuitvoerlegging van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgestelde beleidsmaatregelen te vergemakkelijken. Deze procedures worden zodanig opgezet dat de exploitanten voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico's en dat technisch advies inzake deze risico's beschikbaar is, hetzij op basis van een studie van het specifieke geval, hetzij op basis van algemene criteria, op het tijdstip waarop de beslissingen worden genomen. De Gewesten zorgen ervoor dat de exploitanten van lagedrempelinrichtingen, op verzoek van de bevoegde overheid, voor de doeleinden van de ruimtelijke ordening voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico's. Art. 26.§ 1. De Gewesten treffen maatregelen zodat het betrokken publiek in een vroeg stadium de kans krijgt zijn mening te geven over specifieke individuele projecten met betrekking tot : 1° de vestiging van nieuwe inrichtingen overeenkomstig artikel 25;2° aanzienlijke wijzigingen van inrichtingen als bedoeld in artikel 10, indien op de voorgenomen wijzigingen de in artikel 25 vervatte verplichtingen van toepassing zijn;3° nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen wanneer de locatie ervan of de ontwikkelingen zelf het risico van een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, overeenkomstig artikel 25. Met betrokken publiek wordt het publiek bedoeld dat wordt getroffen of waarschijnlijk zal worden getroffen door, of dat een belang heeft bij de besluitvorming inzake een van de aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid. Niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van het milieu en die aan de toepasselijke voorwaarden volgens de gewestelijke regelgeving voldoen, worden geacht belanghebbende te zijn. De Gewesten treffen eveneens maatregelen opdat het betrokken publiek in de gevallen bedoeld in het eerste lid toegang heeft tot beroepsprocedures. § 2. Wanneer er algemene plannen of programma's worden opgesteld met betrekking tot kwesties als bedoeld in paragraaf 1, 1° of 3°, treffen de Gewesten maatregelen zo dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden krijgt deel te nemen aan de voorbereiding en wijziging of herziening hiervan. De Gewesten wijzen het publiek aan dat voor de toepassing van het eerste lid recht op inspraak heeft, waaronder betrokken niet-gouvernementele organisaties die aan relevante voorschriften krachtens de gewestelijke regelgeving voldoen, zoals die welke zich inzetten voor milieubescherming. HOOFDSTUK 7. - Gegevensdoorstroming Art. 27.De coördinerende dienst bezorgt, onmiddellijk na ontvangst van een kennisgeving of een veiligheidsrapport, een exemplaar aan : 1° de bevoegde beoordelingsdiensten;2° de bevoegde inspectiediensten;3° de bevoegde gouverneur;4° de bevoegde burgemeester. De gegevens in deze documenten kunnen ter beschikking gesteld worden in een databank die toegankelijk is voor alle betrokken diensten. Art. 28.§ 1. De beoordelingsdiensten beoordelen, ieder wat hen betreft, de ontvangen veiligheidsrapporten en bezorgen de coördinerende dienst hun gebeurlijke opmerkingen : 1° in het geval van een nieuwe inrichting : binnen een termijn van twee maanden nadat zij het veiligheidsrapport hebben ontvangen;2° in de andere gevallen : binnen de door de coördinerende dienst bepaalde termijn van ten minste drie maanden. § 2. De coördinerende dienst bezorgt de exploitant de conclusies van de beoordeling van het veiligheidsrapport : 1° in het geval van een nieuwe inrichting : uiterlijk drie maanden nadat de coördinerende dienst het veiligheidsrapport heeft ontvangen;2° in de andere gevallen : binnen een termijn van negen maanden nadat de coördinerende dienst het veiligheidsrapport heeft ontvangen. In voorkomend geval geeft de coördinerende dienst aan welke wijzigingen of aanvullingen moeten aangebracht worden binnen een redelijke termijn die hij bepaalt. De coördinerende dienst bezorgt de conclusies en de gevraagde wijzigingen en aanvullingen ter informatie aan de diensten bedoeld in artikel 27. § 3. De exploitant bezorgt het in toepassing van paragraaf 2, derde lid, gewijzigde of aangevulde veiligheidsrapport aan de coördinerende dienst, die voor verspreiding zorgt op de wijze bepaald in artikel 27. Het gewijzigde of aangevulde veiligheidsrapport wordt beoordeeld overeenkomstig de paragrafen 1 en 2. § 4. In het kader van de beoordeling van een veiligheidsrapport roept de coördinerende dienst een beoordelingscommissie samen : 1° als hij dat nodig acht;2° op vraag van een beoordelingsdienst;3° als een beoordelingsdienst aangeeft dat, wat hem betreft, de maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken, duidelijk onvoldoende zijn. De beoordelingscommissie is samengesteld uit de betrokken beoordelingsdiensten. De coördinerende dienst kan, indien nodig, ook de bevoegde inspectiediensten uitnodigen. Het voorzitterschap en het secretariaat van de beoordelingscommissie worden waargenomen door de coördinerende dienst. De beoordelingscommissie onderzoekt de ontvangen opmerkingen en stelt gemeenschappelijke conclusies vast. De exploitant wordt op zijn vraag gehoord. § 5. Binnen de termijnen vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bezorgt de coördinerende dienst in voorkomend geval en overeenkomstig artikel 34, de bevoegde vergunningverlenende overheid het gemotiveerd verzoek van de beoordelingscommissie of van een beoordelingsdienst om de inbedrijfstelling of de voortzetting van de exploitatie van de betrokken inrichting of een deel ervan te verbieden. § 6. De beoordelingsdiensten plegen op regelmatige basis overleg met het oog op een zo eenvormig mogelijke toepassing van dit samenwerkingsakkoord. Art. 29.Als de gevolgen van een zwaar ongeval in een hogedrempelinrichting zich kunnen uitstrekken tot buiten de grenzen van het Rijk, bezorgt de coördinerende dienst een exemplaar van het veiligheidsrapport aan de bevoegde overheid van de betrokken Staat indien deze laatste partij is bij het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992 en zulks met het oog op de toepassing van de procedure als bedoeld in Bijlage III van dat Verdrag, tenzij die procedure al werd toegepast in het kader van de vergunningverlening. Als de gevolgen zich kunnen uitstrekken tot buiten het grondgebied van het Gewest waar de inrichting is gelegen, bezorgt de coördinerende dienst een exemplaar van het veiligheidsrapport aan de coördinerende dienst van het Gewest of van de Gewesten die kunnen worden getroffen. Art. 30.Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering treedt op als verbindingsorgaan voor meldingen van industriële ongevallen overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992 en als verbindingsorgaan, voor de wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 12 van dat verdrag. HOOFDSTUK 8. - Inspectie Art. 31.§ 1. De inspecteurs zien toe op de naleving van de voorschriften van dit samenwerkingsakkoord door de exploitanten. Ze bevorderen de naleving en dwingen die, indien nodig, af. § 2. Om niet-naleving te vermijden of te stoppen kunnen zij : 1° de exploitanten aansporen tot het nemen van noodzakelijke corrigerende acties;2° ten aanzien van de exploitant dwingende maatregelen treffen of daartoe verzoeken aan de bevoegde overheid;3° inbreuken vaststellen in een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. § 3. Voor de uitoefening van de opdracht en voor de bevoegdheden van de inspecteurs, bedoeld in paragrafen 1 en 2, en voor het beroep tegen de dwingende maatregelen zijn : 1° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 1°, de bepalingen van de artikelen 16.3.10 tot en met 16.3.22, de artikelen 16.3.24 tot en met 16.3.27, de artikelen 16.4.1 tot en met 16.4.17 met betrekking tot de bestuurlijke maatregelen, de artikelen 16.5.1 tot en met 16.5.4 wat de kosten betreft voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen en de veiligheidsmaatregelen, en de artikelen 16.7.1 tot en met 16.7.9 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en zijn uitvoeringsbesluiten van overeenkomstige toepassing; 2° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 2°, de bepalingen van boek I van het Milieuwetboek, decretaal deel, deel VIII en zijn uitvoeringsbesluiten van toepassing;3° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 3°, de bepalingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu en haar uitvoeringsbesluiten van overeenkomstige toepassing;4° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de diensten, bedoeld in artikel 4, § 3, 4° en 5°, de bepalingen van boek I van het Sociaal Strafwetboek en van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/06/2010 pub. 01/07/2010 numac 2010009590 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende bepalingen van het sociaal strafrecht sluiten houdende bepalingen van het sociaal strafrecht en hun uitvoeringsbesluiten van overeenkomstige toepassing. Art. 32.§ 1. De inspectiediensten richten een inspectieteam per Gewest op. § 2. De inspectiedienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg verzekert de coördinatie binnen elk inspectieteam en de algemene coördinatie over de verschillende inspectieteams. De modaliteiten van deze coördinatie zijn nader omschreven in bijlage 7. Art. 33.§ 1. De inspectieteams zetten in overleg een inspectiesysteem op, dat de elementen bedoeld in de paragrafen 2 tot 8, omvat. § 2. De inspectieteams stellen een inspectieplan op dat alle inrichtingen bestrijkt en de volgende elementen omvat : 1° een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;2° het geografische gebied dat het inspectieplan bestrijkt;3° de lijst van de inrichtingen die onder het plan vallen;4° de lijst van groepen inrichtingen met mogelijke domino-effecten;5° de lijst van inrichtingen waar specifieke externe risico's of gevarenbronnen het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval zouden kunnen vergroten;6° de programma's voor de routinematige controles, bedoeld in paragraaf 3, en procedures voor dergelijke controles;7° procedures voor de niet-routinematige controles, bedoeld in paragraaf 6;8° bepalingen inzake de samenwerking tussen de inspectiediensten. De inspectieteams herzien het inspectieplan geregeld en werken het indien nodig bij. § 3. Op basis van het inspectieplan stellen de inspectieteams programma's voor routinematige controles voor alle inrichtingen op. De programma's maken ten minste melding van : 1° de aard van de geplande controles en de toe te passen methodiek;2° de voorziene frequentie voor de bezoeken t …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.