Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels

Kort samengevat

Dit besluit regelt de aanvullende voorwaarden en verplichtingen voor het houden, identificeren en registreren van bepaalde landdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels, ter uitvoering van Europese diergezondheidswetgeving. Het doel is het waarborgen van voedselveiligheid en het bestrijden van dierziekten.

Wat het regelt

  • Het houden van bepaalde landdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels.
  • De identificatie van deze dieren.
  • De registratie van deze dieren.
  • De toepassing van dit besluit op eendagskuikens en uitkipeieren, en op konijnen en andere lagomorfen voor vleesproductie of uitzetting in het wild.

Wie het aanbelangt

  • Exploitanten die bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels houden.
  • Handelaren die dieren verhandelen.

Kernpunten

  • Dit besluit is een aanvulling op de Europese verordening (EU) 2016/429 betreffende overdraagbare dierziekten.
  • Het is niet van toepassing op paardachtigen.
  • De definities van termen zoals "SANITEL", "vereniging", "beslag" en "capaciteit" zijn vastgelegd.
  • Gereglementeerde dierenziekten zijn die welke door de Koning zijn aangewezen.
Wettekst
Wettekst
Obsah (4)Art. 56Art. 60Art. 80Art. 89

20 MEI 2022. - Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hiern

Art. 56.§ 1.

Exploitanten identificeren hun varkens overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt

  1. §
  2. Het identificeren van varkens gebeurt naargelang het geval met een van de volgende erkende identificatiemiddelen die steeds de beslagcode vermelden:
  3. een beslagoormerk, zijnde een conventioneel of een elektronisch oormerk;
  4. een slachtmerk, zijnde ofwel: a.een vuurvast beslagoormerk; of b. een vuurvaste slachtclip;
  5. de klophamerstempel, zoals bedoeld in en gebruikt overeenkomstig artikel
  6. Art. 57.De exploitant die varkens houdt en op zijn inrichting varkens verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging daarover binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij voert de identificatie en registratie van deze ingevoerde varkens uit onder direct toezicht en in aanwezigheid van de vereniging. Van elke ontvangen zending ingevoerde varkens registreert de exploitant de identificatienummers van het derde land in het beslagregister. Afdeling
  7. - Hermerken van varkens Art. 58.De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn varkens in de in artikel 59 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel
  8. Art. 59.§
  9. Op de inrichting waar bij meer dan 10% van de varkens in een categorie het beslagoormerk onleesbaar is, mag de exploitant bij deze varkens een nieuw beslagoormerk plaatsen. §
  10. Elk geïdentificeerd varken, ander dan een voor de slacht bestemd varken, waarvan op moment van de afvoer uit het beslag het beslagoormerk onleesbaar is, moet ten laatste op het moment van het laden door de exploitant hermerkt worden met een nieuw beslagoormerk. §
  11. Bij een lot voor de slacht bestemde varkens mag bij maximaal 5% van de geïdentificeerde dieren het erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit ze vertrekken onleesbaar zijn. Indien bij meer dan 5% van de dieren in een lot voor de slacht bestemde varkens het erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit ze vertrekken onleesbaar is, moet de exploitant deze ten laatste op het moment van het laden hermerken met een nieuw erkend identificatiemiddel van het beslag. Bij loten geïdentificeerde voor de slacht bestemde varkens van minder dan 20 stuks, dient elk varken drager te zijn van een leesbaar erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit het vertrekt. Indien de klophamerstempel wordt gebruikt, mag bij maximaal één varken de tatoeage onleesbaar zijn. §
  12. Bij een lot geïdentificeerde voor de slacht bestemde varkens dat bestemd is voor het buitenland of dat passeert via een verzamelplaats, mag bij geen enkel varken het erkend identificatiemiddel van het beslag van vertrek onleesbaar zijn. In voorkomend geval moet de exploitant deze varkens ten laatste op moment van het laden hermerken met een nieuw erkend identificatiemiddel van het beslag. HOOFDSTUK IX. - Identificatie en registratie van runderen Afdeling
  13. -

Art. 60

.Exploitanten identificeren hun runderen die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, A, en registreren deze runderen individueel: 1. in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, B.2. in het in artikel 22, § 2 bedoelde beslagregister met de gegevens over hun identiteit. Art. 61.De exploitant die runderen houdt en op zijn inrichting runderen verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging daarover binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij laat de eerste identificatie en registratie van deze ingevoerde runderen op zijn inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging gaat binnen de zeven dagen na de in lid 1 bedoelde oproep over tot het identificeren en het registreren van een uit een derde land ingevoerd rund. Dit artikel is niet van toepassing op exploitanten van verzamelplaatsen. Op de in lid 1 bedoelde runderen kan artikel 77 enkel worden toegepast voor de rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis. Art. 62.§ 1. De exploitant, andere dan een handelaar, registreert elke sterfte, aanvoer en afvoer van een rund van een beslag op zijn inrichting: 1. in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, C,D, E en F.2. in het in artikel 22, § 2 bedoelde beslagregister. Voor de handelaar gelden de bepalingen in artikel 66. § 2. De exploitant van een slachthuis registreert elke aanvoer van runderen in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, G. De exploitant van het slachthuis die fouten vaststelt met betrekking tot de identiteit van een rund of op het begeleidende verplaatsingsdocument, identificatiedocument of gezondheidscertificaat, informeert de dierenarts-keurder onverwijld van elke onregelmatigheid. Art. 63.Exploitanten die de identificatie van runderen en de registraties met betrekking tot elk rund laat uitvoeren door een derde, blijft verantwoordelijk voor de correctheid van de gegevens en voor het respecteren van de termijnen die op hem van toepassing zijn. Art. 64.§ 1. Elke exploitant die een in de artikelen 60, 62 en 66, bedoelde registratie van een rund uitvoert, verifieert eerst de correcte identiteit van dit rund en desgevallend van de gegevens in de begeleidende documenten. De exploitant die fouten vaststelt met betrekking tot de identiteit van een rund of op de begeleidende documenten, meldt dit aan de vereniging en volgt de procedures en instructies van de vereniging om tot een correctie te komen of corrigeert waar mogelijk zelf deze fouten op elektronische wijze in SANITEL. § 2. De exploitant die fouten vaststelt met betrekking tot de historiek van een verworven rund, kan aan de vereniging vragen om de historiek te corrigeren. De vereniging onderzoekt de in lid 1 bedoelde gemelde fout, corrigeert desgevallend de gegevens in SANITEL en verhaalt de kosten daarvoor op diegene die de fout heeft gemaakt indien de fout binnen de veertien dagen na het ontvangen van het verplaatsingsdocument van het rund werd gemeld en zo niet, bij de in lid 1 bedoelde exploitant. Art. 65.Een exploitant mag in de volgende gevallen een rund verplaatsen zonder een vertrekmelding uit te voeren: 1. bij een verplaatsing op het Belgisch grondgebied naar:

  1. a)diergeneeskundige praktijken en klinieken in het kader van de diergeneeskundige verzorging, onder de voorwaarden van artikel 50;
  2. b)een verzamelplaats - klasse 3 of 4;2. bij de verplaatsingen in het kader van de normale bedrijfsvoering, op voorwaarde dat de dieren niet van beslag veranderen. Art. 66.§ 1. De handelaar registreert de in paragrafen 2, 3 en 4, bedoelde gegevens steeds op elektronische wijze in SANITEL, hetzij rechtstreeks, hetzij via een elektronische interface en is daardoor vrijgesteld van het houden van een beslagregister op papier. § 2. De handelaar registreert voor elk in SANITEL geregistreerd rund de aanvoer in zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis en eerder indien het rund eerder het beslag verlaat. Hij registreert daarbij de volgende gegevens over elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van de aankomst, het SANITEL-nummer van de inrichting van herkomst en van de overlater. § 3. De handelaar registreert het vertrek van elk rund uit zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis. Hij registreert daarbij de volgende gegevens voor elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van de vertrek, het SANITEL-nummer van de inrichting van bestemming en van de overnemer. De handelaar registreert de sterfte van elk rund in zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis. Hij registreert daarbij de volgende gegevens voor elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van sterfte en het destructiebedrijf als overnemer. § 4. De handelaar houdt voor elk rund dat op de handelaarsstal wordt aangevoerd of afgevoerd ook de volgende gegevens bij: 1. het unieke registratienummer van de vervoerder die een rund aanvoert of afvoert;2. het kenteken van het vervoermiddel waarmee elk rund wordt aangevoerd of afgevoerd. § 5. De handelaar registreert elke aanvoer van runderen afkomstig uit een andere lidstaat op zijn handelaarsstal zoals beschreven in bijlage IV, punt 4, E. De handelaar mag de in lid 1 bedoelde runderen niet eerder afvoeren uit zijn handelaarsstal dan nadat hij in het bezit is van het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument. Vanaf dat moment registreert hij de afvoer van deze runderen overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3. Art. 67.§ 1. Indien de exploitant, andere dan de handelaar, het vertrek van een rund uit een beslag op zijn inrichting niet geregistreerd heeft in SANITEL voordat dit rund vertrekt, overhandigt hij aan de vervoerder voor dit rund het in artikelen 75 en 76 bedoelde overeenstemmend verplaatsingsdocument op papier waarop hij de volgende items heeft ingevuld: zijn handtekening, de vertrekdatum, de naam en het uniek registratienummer van de overnemer. De in lid 1 bedoelde vermeldingen moeten duidelijk leesbaar zijn en het verplaatsingsdocument mag geen wijzigingen, correcties of schrappingen bevatten. Indien wijzigingen, correcties of schrappingen nodig zijn, dient de exploitant een nieuw verplaatsingsdocument te gebruiken. Het in lid 1 bedoelde papieren verplaatsingsdocument vergezelt het rund tot aan zijn eerstvolgende bestemming, tenzij de vervoerder zelf deze afvoer op elektronische wijze registreert in SANITEL voor hij vertrekt uit de laadplaats. § 2. Wanneer een exploitant een rund overlaat aan een persoon die geen exploitant is en die niet gekend is in SANITEL en die de particuliere slachting van dit rund als doel heeft en teneinde de traceerbaarheid van dit rund te waarborgen, dan vult hij de in punt 3 bedoelde gegevens van bijlage IV, punt 4, F, aan met het identificatienummer van het Rijksregister van de overnemer en geeft hij aan dat het gaat om een afvoer naar het slachthuis. Hij geeft bovendien aan de overnemer een naar behoren ingevuld papieren verplaatsingsdocument van dit rund. Afdeling 2. - Hermerken van runderen Art. 68.De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn runderen in de in artikel 69 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel 47. Een rund waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, ook niet in toepassing van artikel 72, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap. Art. 69.Onder hermerken van een rund wordt verstaan: het vervangen van een erkend identificatiemiddel bij een rund met behoud van de oorspronkelijke identificatiecode wanneer: 1. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;2. een erkend identificatiemiddel van een ander type, zoals bedoeld in bijlage III van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, gewenst is. Het hermerken bedoeld in lid 1, onder punt 2, is niet toegelaten in een handelaarsstal. Art. 70.§ 1. De exploitant die bij een rund de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw erkend identificatiemiddel voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij indien artikel 72 wordt toegepast. De exploitant hermerkt het rund binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel, of onder de voorwaarden van paragraaf 2. § 2. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van het rund binnen de zeven dagen uit te voeren, meldt dit aan de vereniging op het moment van de bestelling. De vereniging registreert deze melding in SANITEL. De hermerking van dit rund moet in ieder geval uitgevoerd zijn voor zijn vertrek uit het beslag. De exploitant is verplicht om het uitvoeren van de hermerking te melden aan de vereniging voordat het rund vertrekt uit het beslag. Art. 71.De exploitant die bij zijn runderen het type identificatiemiddel wil wijzigen zoals vermeld onder artikel 69, punt 2, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en een bestelling plaatsen van het gewenste type identificatiemiddel per rund voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren. De exploitant hermerkt elk rund binnen de zeven dagen na ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort. De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde oormerken. Art. 72.§ 1. In de in artikel 70, § 1, bedoelde situatie en indien het rund bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht, mag de exploitant het rund laten vertrekken met één erkend identificatiemiddel indien er nog geen identificatiemiddel voor het hermerken van dit rund werd besteld en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. bij de elektronische melding van het vertrek zoals bepaald in bijlage IV, onder punt F, 1, is bijkomend geregistreerd dat het rund de inrichting verlaat met slechts één erkend identificatiemiddel en dat het bestemd is voor de rechtstreekse afvoer naar een slachthuis;2. bij het vertrek van het rund zoals bedoeld in artikel 67, § 1, heeft de exploitant op het papieren verplaatsingsdocument een geel slachthuisetiket aangebracht;3. het rund moet rechtstreeks naar een binnenlands slachthuis afgevoerd worden, zonder te passeren via een verzameling of handelaarsstal. § 2. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat het rund binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis. Afdeling 3. - Slachthuisetiketten Art. 73.Exploitanten kunnen voor beslagen, uitgezonderd voor de handelaarsstal, slachthuisetiketten bestellen bij de vereniging voor de toepassing van artikel 72, § 1, punt 2. De exploitant bewaart de slachthuisetiketten samen met de erkende identificatiemiddelen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 2. Afdeling 4. - Identificeren van een niet geïdentificeerd rund Art. 74.De exploitant die bij een rund de onleesbaarheid van beide erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een rund niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, doet hiervan onverwijld aangifte bij de vereniging. In afwachting van de tussenkomst van de vereniging dient de exploitant het in lid 1 bedoelde rund onmiddellijk op te stallen op zijn inrichting, tenzij op een veehouderij waar de dieren buiten worden gehouden. Indien daarvoor een transport nodig is op de openbare weg, gaat het rund vergezeld van het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument. De exploitant is vrij om de middelen aan te wenden die de identiteit en de traceerbaarheid van het betrokken rund eenduidig kunnen aantonen. Hij laat zich daartoe bijstaan door de vereniging. Alvorens een bewijs over te maken aan het Agentschap, laat de exploitant minstens één bezoek op de inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging volgt bij het uitvoeren van dit bezoek de instructies van het Agentschap en brengt schriftelijk verslag uit bij het Agentschap. Indien het Agentschap oordeelt dat de identiteit van het in lid 1 bedoelde rund bewezen is, op basis van het verslag van de vereniging en de door de exploitant aangeleverde bewijzen, geeft het de toelating aan de vereniging om dit rund zo snel als mogelijk te hermerken met behoud van de identificatiecode. Het Agentschap beslist geval per geval over de bestemming van een niet identificeerbaar en/of niet traceerbaar rund. Al de kosten die gepaard gaan met de in dit artikel bedoelde of noodzakelijke onderzoeken en bezoeken zijn ten laste van de exploitant. Afdeling 5. - Het verplaatsingsdocument voor runderen Art. 75.Een verplaatsingsdocument voor runderen is een document dat gegenereerd wordt uit SANITEL en dat de gegevens bevat over een rund en over zijn exploitant. Het model en de inhoud van het verplaatsingsdocument voor runderen wordt vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap. Elk verplaatsingsdocument voor runderen vermeldt steeds het laatste beslag waarin het rund werd gehouden en bevat een unieke veiligheidscode welke wijzigt na elke registratie van een rund in een nieuw beslag. Wanneer dit besluit voorziet in het gebruik van het verplaatsingsdocument, is enkel een verplaatsingsdocument met de meest recente veiligheidscode een geldig document. Art. 76.§ 1. De exploitant kan voor elk rund in een beslag op zijn inrichting beschikken over een verplaatsingsdocument nadat de registratie van de geboorte of de aankomst zijn uitgevoerd en mits voldaan is aan alle volgende voorwaarden: 1. de wettelijk voorgeschreven gezondheidsonderzoeken zijn gunstig gevalideerd, naargelang het geval door de vereniging en/of door het Agentschap;2. de periode van stilstand, zoals bedoeld in paragraaf 3, is verstreken. Het Agentschap en, volgens haar richtlijnen, de vereniging kunnen in SANITEL de beschikbaarheid van het verplaatsingsdocument voor een rund uitstellen indien de chronologie van de verplaatsingen (`de traceerbaarheid') van het rund niet correct of niet volledig is. § 2. De exploitant die toegang heeft tot SANITEL kan het verplaatsingsdocument zelf produceren vanaf dat het beschikbaar is. De exploitant die geen toegang heeft tot SANITEL kan dit verplaatsingsdocument bestellen bij de vereniging vanaf dat het beschikbaar is. Het verplaatsingsdocument op papier wordt niet kleiner afgedrukt dan in het papierformaat A5. § 3. Onder periode van stilstand wordt verstaan: het aantal dagen, zoals vermeld in lid 2, dat een dier aanwezig moet zijn in een beslag alvorens dit dier weer mag vertrekken uit dit beslag, tenzij in toepassing van artikel 77. De periode van stilstand bedraagt voor runderen: 1. tien dagen na een geboorte, te rekenen vanaf de dag na de melding of registratie van de geboorte zoals voorzien in artikel 60;2. een dag na een aankomst in een beslag, te rekenen vanaf de dag na de melding of registratie van de aankomst in dit beslag zoals voorzien in de artikel 62. § 4. Tenzij in toepassing van artikel 77, mag een exploitant een rund pas afvoeren nadat hij beschikt over het geldig verplaatsingsdocument. Art. 77.§ 1. De exploitant mag per uitzondering een recent op zijn inrichting aangevoerd rund waarvoor hij nog niet beschikt over het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument, vervroegd afvoeren, onder de voorwaarden vermeld in lid 2. Een vervroegde afvoer kan enkel worden toegepast op een rund waarvoor: 1. de aanvoer geregistreerd is in SANITEL en de vereniging het rund vrijgeeft in SANITEL;2. de afvoer in SANITEL geregistreerd wordt door de vereniging op de dag van het vertrek en voordat het rund vertrekt;3. de bestemming een binnenlands slachthuis is of de overnemer van het rund ook de overlater van dit rund is. De registratie van een vervroegd vertrek bevat de volgende items over dit rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van het vertrek uit de inrichting en de overnemer. § 2. De paragraaf 1 kan niet worden toegepast: 1. voor runderen die afkomstig zijn uit het buitenland, tenzij ze rechtstreeks worden afgevoerd naar een binnenlands slachthuis na overleg met de vereniging of met het Agentschap;2. wanneer dit niet toegelaten is in het kader van een programma voor de bestrijding of de bewaking van een gereglementeerde dierenziekte. § 3. De paragraaf 1 is niet van toepassing op de runderen in de handelaarsstal. Afdeling 6. - Het identificatiedocument voor runderen Art. 78.§ 1. Een identificatiedocument voor runderen is een document, voorgeschreven in toepassing van artikel 112, b), van verordening (EU) 2016/429 en dat gegenereerd wordt uit SANITEL. Het model en de inhoud van het identificatiedocument voor runderen wordt vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap. Elk identificatiedocument voor runderen vermeldt steeds het laatste beslag waarin het rund werd gehouden en bevat een unieke veiligheidscode welke wijzigt na elke registratie van een rund in een nieuw beslag. Enkel een identificatiedocument met de meest recente veiligheidscode is een geldig document voor de verplaatsing van een rund naar het buitenland. Naast de in lid 3 vermelde gegevens, vermeldt het identificatiedocument desgevallend ook elke inrichting waar het rund is verzameld nadat het laatste beslag werd verlaten. Enkel een identificatiedocument met een datum van de selectie van de gegevens van maximaal 10 dagen geleden mag gebruikt worden voor de verplaatsing van een rund naar het buitenland. § 2. Enkel een rund waarvan de vertrekdatum uit het laatste beslag, ander dan uit een handelaarsstal, gekend is, kan aangeboden worden voor de certificatie. Deze vertrekdatum is daartoe: 1. gekend door middel van het overeenstemmend verplaatsingsdocument, ingevuld in overeenstemming met artikel 67 en mede voorgelegd bij de certificatie;ofwel 2. reeds geregistreerd in SANITEL voordat de certificatie plaatsvindt. Art. 79.Een exploitant kan pas beschikken over een identificatiedocument voor een rund, wanneer hij voor dit rund kan beschikken over een verplaatsingsdocument in toepassing van artikel 76. De exploitant die toegang heeft tot SANITEL kan dit identificatiedocument zelf produceren. De exploitant die geen toegang heeft tot SANITEL kan dit identificatiedocument bestellen bij de vereniging. Het Agentschap en, volgens haar richtlijnen, de vereniging kunnen in SANITEL de beschikbaarheid van het identificatiedocument voor een rund uitstellen indien de chronologie van de verplaatsingen (`de traceerbaarheid') van het rund niet correct of niet volledig zijn. Het identificatiedocument op papier wordt niet kleiner afgedrukt dan in het papierformaat A4. Het gebruik van het identificatiedocument is enkel toegelaten voor de verplaatsing van runderen naar het buitenland. HOOFDSTUK X. - Identificatie en registratie van schapen en geiten Afdeling 1. -

Art. 80.§ 1.

Exploitanten identificeren hun schapen en geiten die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt

  1. §
  2. In toepassing van artikel 48, lid 1 en lid 2, van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, en tot 1 juli 2023, mogen de exploitanten hun schapen en geiten die voor die datum op hun inrichting worden geboren nog identificeren met conventionele oormerken die zij nog in hun voorraad hebben in toepassing van artikel 25 van koninklijk besluit van 3 juni 2007 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen. Art. 81.De exploitant die schapen en geiten houdt en op zijn inrichting schapen en geiten verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij laat de eerste identificatie en registratie van deze ingevoerde schapen en geiten op zijn inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging gaat binnen de zeven dagen na de in lid 1 bedoelde oproep over tot het identificeren en het registreren van een uit een derde land ingevoerd schaap of geit. Dit artikel is niet van toepassing op exploitanten van verzamelplaatsen. De exploitant mag de in lid 1 bedoelde schapen en geiten niet eerder afvoeren van hun inrichting dan nadat zij voldoen aan de bepalingen van verordening (EU) 2016/429, tenzij voor de rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis. Art. 82.§
  3. Exploitanten die schapen en geiten houden die individueel geïdentificeerd zijn, houden het in artikel 22, § 2, bedoelde beslagregister bij per individueel geïdentificeerd dier. Exploitanten, bedoeld in lid 1, registreren de volgende gegevens in het beslagregister:
  4. voor elk nieuwgeboren schaap en geit: de identificatiecode en het jaar en de maand van geboorte;
  5. de datum van sterfte van een schaap of geit;
  6. voor elk aangevoerd schaap en geit: de datum van aanvoer en de verwijzing naar het verplaatsingsdocument en de gegevens onder punt 1;
  7. voor elk afgevoerd schaap en geit: de datum van vertrek en de verwijzing naar het verplaatsingsdocument. §
  8. Wanneer een exploitant een schaap of geit overlaat aan een persoon die geen exploitant is en die niet gekend is in SANITEL en die de particuliere slachting van dit dier als doel heeft en teneinde zijn traceerbaarheid te waarborgen, dan vult hij voor dit dier het beslagregister aan met het identificatienummer van het Rijksregister van de overnemer en geeft hij aan dat het gaat om een particuliere slachting. Hij geeft bovendien aan de overnemer een naar behoren ingevuld papieren verplaatsingsdocument mee over dit dier, met vermelding van het nummer van het Rijksregister van de overnemer. Afdeling
  9. - Hermerken van schapen en geiten Art. 83.De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn schapen en geiten in de in artikel 84 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel
  10. Een schaap of geit waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap. Art. 84.Onder hermerken van een schaap of geit wordt verstaan: het vervangen van een identificatiemiddel bij een schaap of geit met behoud van de oorspronkelijke identificatiecode wanneer:
  11. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;
  12. een erkend identificatiemiddel van een ander type, zoals bedoeld in bijlage III van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, gewenst is;
  13. een erkend beslagoormerk wordt vervangen door een erkend oormerk bij een overstap van de in artikel 45, lid 1, a), van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 bedoelde methode van identificatie naar een in artikel 45, lid 2 van diezelfde gedelegeerde verordening bedoelde methode van identificatie. Art. 85.§
  14. De exploitant die bij een schaap of een geit de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw erkend identificatiemiddel voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij in het in paragraaf 3 bedoelde geval of indien artikel 87 wordt toegepast. De exploitant hermerkt het schaap of de geit binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel, of onder de voorwaarden van paragraaf
  15. §
  16. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van het schaap of de geit binnen de zeven dagen uit te voeren, plaatst bij dit dier op het moment van de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling een beslagoormerk in afwachting van de hermerking. De hermerking moet in ieder geval uitgevoerd zijn voordat het dier vertrekt uit het beslag. Op het moment van de hermerking mag de exploitant het beslagoormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort. Het in lid 1 bedoelde dier moet steeds 2 erkende identificatiemiddelen dragen en het volgnummer van het beslagoormerk wordt in het beslagregister genoteerd bij het overeenstemmende dier. §
  17. De exploitant die de onleesbaarheid van een beslagoormerk vaststelt, mag bij deze dieren een nieuw beslagoormerk plaatsen. Art. 86.De exploitant die bij zijn schapen en geiten het type identificatiemiddel wil wijzigen zoals vermeld onder artikel 84, punt 2, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en een bestelling plaatsen van het gewenste type identificatiemiddel per dier voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren. De exploitant hermerkt elk dier binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort. De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde identificatiemiddelen. Art. 87.§
  18. In de in artikel 85, § 1, bedoelde situatie en indien het schaap of de geit bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht in een binnenlands slachthuis, mag de exploitant het dier laten vertrekken met één erkend identificatiemiddel indien hij het onleesbare identificatiemiddel vervangt door een beslagoormerk. §
  19. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat het schaap of de geit binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis. Afdeling
  20. - Identificeren van een niet geïdentificeerd schaap of een niet geïdentificeerde geit Art. 88.De exploitant die bij een schaap of geit de onleesbaarheid van beide erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een schaap of geit niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, doet hiervan onverwijld aangifte bij de vereniging. In afwachting van de tussenkomst van de vereniging dient de exploitant het in lid 1 bedoelde dier onmiddellijk op te stallen op zijn inrichting, tenzij op een veehouderij waar de dieren buiten worden gehouden. De exploitant is vrij om de middelen aan te wenden die de identiteit en de traceerbaarheid van het betrokken dier eenduidig kunnen aantonen. Hij laat zich daartoe bijstaan door de vereniging. Alvorens een bewijs over te maken aan het Agentschap, laat de exploitant minstens één bezoek op de inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging volgt bij het uitvoeren van dit bezoek de instructies van het Agentschap en brengt schriftelijk verslag uit bij het Agentschap. Indien het Agentschap oordeelt dat de identiteit van het in lid 1 bedoelde dier bewezen is, op basis van het verslag van de vereniging en de door de exploitant aangeleverde bewijzen, geeft het toelating aan de vereniging om dit dier zo snel als mogelijk te hermerken met behoud van de identificatiecode. Het Agentschap beslist geval per geval over de bestemming van een niet identificeerbaar en/of niet traceerbaar schaap of een niet identificeerbare en/of niet traceerbare geit. Al de kosten die gepaard gaan met de in dit artikel bedoelde of noodzakelijke onderzoeken en bezoeken zijn ten laste van de exploitant. HOOFDSTUK XI. - Identificatie en registratie van gehouden hertachtigen Afdeling
  21. -

Art. 89

.Exploitanten identificeren hun hertachtigen die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt

  1. Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden hertachtigen te identificeren met een combinatie van erkende identificatiemiddelen, mag hij dit enkel doen indien elk identificatiemiddel dezelfde unieke identificatiecode draagt. Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden hertachtigen te identificeren met een erkend elektronisch oormerk, wordt dit gebruikt onder dezelfde voorwaarden als een conventioneel oormerk. Art. 90.De bepalingen in artikel 81 voor schapen en geiten, gelden ook voor de exploitant die op zijn inrichting hertachtigen verwerft uit een derde land. Art. 91.Gehouden hertachtigen die worden verplaatst, gaan vergezeld van een verplaatsingsdocument zoals bedoeld in artikel
  2. Art. 92.De bepalingen in artikel 82 over het houden van een beslagregister voor schapen en geiten, gelden ook voor de exploitanten die hertachtigen houden. Afdeling
  3. - Hermerken van gehouden hertachtigen Art. 93.De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn hertachtigen in de in artikel 94 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel
  4. Een hertachtige waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap. Art. 94.Onder hermerken van een gehouden hertachtige wordt verstaan: het vervangen van een erkend identificatiemiddel bij een gehouden hertachtige wanneer:
  5. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;
  6. een erkend identificatiemiddel van een ander type gewenst is, zoals bedoeld in artikel 73, lid 2 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035;
  7. een erkend identificatiemiddel wordt toegevoegd op het dier. Art. 95.§
  8. De exploitant die bij een gehouden hertachtige de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw oormerk voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij indien artikel 97 wordt toegepast. De exploitant hermerkt de hertachtige binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde oormerk, of onder de voorwaarden van paragraaf
  9. §
  10. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van de hertachtige binnen de zeven dagen uit te voeren, plaatst bij dit dier op het moment van de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling een beslagoormerk in afwachting van de hermerking. De hermerking moet in ieder geval uitgevoerd zijn voordat het dier vertrekt uit het beslag. Op het moment van de hermerking mag de exploitant het beslagoormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de sluiting. Het in lid 1 bedoelde dier moet steeds 2 erkende identificatiemiddelen dragen en het volgnummer van het beslagoormerk wordt desgevallend in het beslagregister genoteerd bij het overeenstemmende dier. Art. 96.De exploitant die bij zijn hertachtigen het type identificatiemiddel wil wijzigen of toevoegen zoals vermeld onder artikel 94, punten 2 en 3, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en bestelt het gewenste type identificatiemiddel per dier voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren. De exploitant hermerkt elk dier binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort. De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde identificatiemiddelen. Art. 97.§
  11. Enkel in de in artikel 94, punt 1, bedoelde situatie en indien de gehouden hertachtige bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht in een binnenlands slachthuis, mag de exploitant het dier laten vertrekken met één leesbaar erkend identificatiemiddel. §
  12. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat de hertachtige binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis. Afdeling
  13. - Identificeren van een niet geïdentificeerde gehouden hertachtige Art. 98.De exploitant die bij een gehouden hertachtige de onleesbaarheid van alle aanwezige erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een hertachtige niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, volgt dezelfde bepalingen als voor schapen en geiten in artikel
  14. HOOFDSTUK XII. - Identificatie en registratie van gehouden kameelachtigen Art. 99.De bepalingen in de artikelen 89 tot en met 98 die van toepassing zijn op de exploitanten die hertachtigen houden, zijn ook van toepassing op de exploitanten die kameelachtigen houden. Art. 100.Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden kameelachtigen te identificeren met een combinatie van erkende identificatiemiddelen, mag hij dit enkel doen indien elk identificatiemiddel dezelfde unieke identificatiecode draagt. Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden kameelachtigen te identificeren met een erkend elektronisch oormerk, wordt dit gebruikt onder dezelfde voorwaarden als een conventioneel oormerk. HOOFDSTUK XIII. - Telling van schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen Art. 101.De exploitant dient elk jaar per beslag het aantal schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen te tellen dat hij houdt op 15 december. Hij dient deze aantallen voor 15 januari daaropvolgend te registreren in zijn beslagregister en in SANITEL volgens de instructies van de vereniging. De in lid 1 bedoelde telling op 15 december omvat volgende twee aantallen:
  15. het totaal aantal geïdentificeerde dieren dat op dat moment gehouden wordt in elk beslag;
  16. het aantal vrouwelijke dieren met een leeftijd van 6 maanden of ouder, die deel uitmaken van het in punt 1 bedoelde aantal. HOOFDSTUK XIV. - De toelating voor het houden van varkens, pluimvee en vleeskalveren Afdeling
  17. - De toelating Art. 102.De exploitant van een broederij en de exploitant die zich laat registreren voor het houden van varkens, pluimvee of vleeskalveren, maakt tegelijkertijd met zijn aanvraag voor registratie een aanvraag tot het bekomen van de toelating over aan de vereniging die dit overmaakt aan het Agentschap. Enkel het Agentschap oordeelt over de toelating. Art. 103.Het Agentschap kan de toelating voor een broederij of voor het houden van varkens, vleeskalveren en pluimvee op een inrichting schorsen of intrekken indien de exploitant de in artikelen 104, 106, 108, 109 en 110 bedoelde voorwaarden, voorschriften en verplichtingen niet naleeft. Afdeling
  18. - De toelating voor het houden van varkens Art. 104.De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de toelating voor een inrichting voor het houden van varkens zijn:
  19. de voorwaarden in artikel 22;
  20. de voorwaarden zoals vastgelegd in het koninklijk besluit van 18 juni 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/06/2014 pub. 09/07/2014 numac 2014018229 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit houdende maatregelen ter voorkoming van aangifteplichtige varkensziekten sluiten houdende maatregelen ter voorkoming van aangifteplichtige varkensziekten. Art. 105.De exploitant die maximaal 3 varkens houdt die behoren tot de categorie vleesvarkens en die enkel bestemd zijn voor de particuliere slachting, is vrijgesteld van het hebben van de toelating voor zijn inrichting voor het houden van varkens. Afdeling
  21. - De toelating voor het houden van vleeskalveren Art. 106.De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de toelating voor een vleeskalverhouderij zijn:
  22. de voorwaarden in artikel 22;
  23. de voorwaarden in bijlage V, punt A. Art. 107.Runderen die geregistreerd worden op een vleeskalverhouderij krijgen in SANITEL het specifieke en niet omkeerbare statuut van vleeskalf. Met het oog op de nationale handel mogen vleeskalveren uitsluitend verplaatst worden tussen vleeskalverhouderijen onderling en naar een slachthuis. Afdeling
  24. - De toelating voor een broederij en voor het houden van pluimvee Art. 108.§
  25. De exploitant moet voor de volgende inrichtingen de toelating 10.1, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten, bekomen voor de aanvang van de activiteiten:
  26. voor een inrichting met een productie-eenheid van het type broederij, selectiebedrijf, vermeerderingsbedrijf en opfokbedrijf voor fokpluimvee, behalve in het geval als bedoeld in artikel 111, punt 1;
  27. voor een inrichting met een productie-eenheid waar gebruikspluimvee wordt gehouden en van waaruit men deze ook in de handel naar het buitenland wil brengen. §
  28. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.1 zijn:
  29. de voorwaarden in artikel 22;
  30. de voorwaarden in bijlage V, punt B;
  31. de voorwaarden in de artikelen 7 en 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/
  32. Art. 109.§
  33. Wanneer het pluimvee enkel in de nationale handel wordt gebracht, moet de exploitant voor de volgende inrichtingen de toelating 10.2, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten, bekomen voor de aanvang van de activiteiten:
  34. voor een inrichting met een productie-eenheid waar gebruikspluimvee gehouden wordt met uitzondering van deze in artikelen 110 en 111;
  35. voor een opfokbedrijf voor gebruikspluimvee. §
  36. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.2 zijn:
  37. de voorwaarden in artikel 22;
  38. de voorwaarden in bijlage V, punt B, met uitzondering van punt 1, A, 4, punt 1, E, 2, en punt 2, G. Art. 110.§
  39. Voor een inrichting met een pluimveebedrijf met geringe capaciteit van waaruit pluimvee enkel in de nationale handel wordt gebracht, moet de toelating 10.2, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten, bekomen worden voor de aanvang van hun activiteiten. §
  40. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.2 zijn de voorwaarden zoals bepaald in bijlage V, punt B, met uitzondering van punt 1, A, 4, van punt 1, E, 2, en van punt 2, F, G, H en I. §
  41. Een pluimveebedrijf met geringe capaciteit dient een bedrijfsplan op te stellen waarin de samenstelling van de productieronden wordt vastgelegd. Art. 111.De toelating is niet vereist voor de volgende inrichtingen van waaruit geen pluimvee of producten van pluimvee vertrekken naar het buitenland:
  42. voor een inrichting met een productie-eenheid van het type broederij en een productie-eenheid waar broedeieren worden geproduceerd en eendagskuikens worden gehouden die de exploitant uitsluitend wil leveren aan inrichtingen bedoeld in punten 2 en 3;
  43. voor een inrichting met een productie-eenheid waar minder dan 200 stuks ander pluimvee dan vermeld in punt 3, gehouden wordt;
  44. voor een inrichting met een productie-eenheid waar minder dan vier struisvogels of minder dan zes emoes, nandoes en kasuarissen gehouden worden;
  45. voor een inrichting waar het aangevoerde pluimvee onmiddellijk wordt uitgezet in het wild;
  46. voor een inrichting met een productie-eenheid waar uitsluitend sportduiven en sierduiven gehouden worden zoals bedoeld in artikel 51, § 1, lid
  47. Art. 112.§
  48. Wanneer een productie-eenheid uitgebaat wordt met een toelating 10.1, dienen alle andere productie-eenheden op dezelfde inrichting met dezelfde toelating 10.1 uitgebaat te worden. Wanneer een inrichting uitgebaat wordt met een toelating 10.1, moet al het pluimvee afkomstig zijn van inrichtingen met een toelating 10.
  49. §
  50. Wanneer een productie-eenheid uitgebaat wordt met een toelating 10.2, dienen alle andere productie-eenheden op dezelfde inrichting met dezelfde toelating 10.2 uitgebaat te worden. Wanneer een inrichting uitgebaat wordt met een toelating 10.2, moet al het pluimvee afkomstig zijn van inrichtingen met een toelating 10.1 of 10.
  51. HOOFDSTUK XV. - Het houden van in gevangenschap levende vogels Art. 113.Dit hoofdstuk geldt enkel voor het houden van in gevangenschap levende vogels van de soorten die opgesomd worden in bijlage I, deel B, van verordening (EU) 2016/429, uitgezonderd de duiven. Art. 114.§
  52. Met het oog op de in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 bedoelde registratie, richt de exploitant die de in artikel 113 bedoelde in gevangenschap levende vogels houdt, zijn aanvraag voor zijn registratie als houder en voor het registreren van zijn inrichting voor het houden van deze dieren, alsook voor elke aanvraag tot wijziging daarin, aan een vereniging naar keuze. De in lid 1 bedoelde registratie, is niet verplicht voor de exploitant die minder dan 200 stuks van de in artikel 113 bedoelde in gevangenschap levende vogels, andere dan loopvogels, houdt. De procedure inzake de registratie van exploitanten die de in gevangenschap levende vogels houden en van de inrichtingen voor het houden van deze dieren, verloopt overeenkomstig artikel 2, § 1quater, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten maar wordt uitgevoerd door de vereniging. §
  53. Met het oog op de in paragraaf 1 bedoelde registratie worden de te verstrekken gegevens bedoeld in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 aangevuld met de gegevens in bijlage II. §
  54. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag tot registratie volledig is, registreert de vereniging de exploitant en de inrichting in SANITEL en wordt zij de in artikel 4 bedoelde vereniging. §
  55. Als bewijs van de registratie van de exploitant en zijn inrichting in SANITEL of van een wijziging daarin, ontvangt de exploitant van de vereniging binnen de 30 dagen een beslagfiche die de geregistreerde gegevens over de exploitant en over zijn inrichting samenvat. §
  56. Op eenzelfde inrichting wordt slechts één exploitant en één beslagnummer geregistreerd voor alle in gevangenschap levende vogels. Art. 115.Wanneer een exploitant op een inrichting voor het houden van vogels zoals bedoeld in artikel 113 ook pluimvee houdt, gelden ook de bepalingen van artikel 9, § 1, lid
  57. HOOFDSTUK XVI. - Het houden van gezelschapsvarkens Art. 116.§
  58. Dit hoofdstuk geeft afwijkende bepalingen voor het houden van gezelschapsvarkens en geldt enkel voor het houden van gezelschapsvarkens op een inrichting zonder andere categorieën varkens. Een gezelschapsvarken is een varken dat wordt gehouden, zonder ermee te kweken, noch er handel mee te drijven. Noch dit dier, noch de producten ervan mogen in de voedselketen komen, noch voor eigen verbruik bestemd zijn. Een gezelschapsvarken waarmee wordt gekweekt, wordt beschouwd als een fokvarken. Wanneer gezelschapsvarkens worden gehouden op een inrichting waar ook andere categorieën varkens gehouden worden, gelden voor de gezelschapsvarkens dezelfde regels van dit besluit als voor de andere varkens. §
  59. De volgende bepalingen van dit besluit gelden niet voor exploitanten van een inrichting voor gezelschapsvarkens:
  60. artikel 13;
  61. artikelen 56 tot en met 59;
  62. artikelen 102 tot en met
  63. §
  64. De exploitant mag in afwijking op artikel 116, § 1, lid 2, zijn gezelschapsvarken occasioneel verhandelen, indien dit varken:
  65. hetzij drager is van zijn origineel identificatiemiddel;
  66. hetzij hermerkt wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 59, § 2;
  67. hetzij geïdentificeerd wordt door een erkende dierenarts overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 wanneer hij het in lid 2 bedoelde gezondheidsonderzoek uitvoert. De exploitant laat het in lid 1 bedoelde gezelschapsvarken dat hij occasioneel wil verhandelen onderzoeken door een erkend dierenarts. Het varken mag pas verhandeld worden nadat deze dierenarts een attest heeft afgeleverd waarin, op basis van een klinisch onderzoek van het te verhandelen dier, verklaard wordt dat het dier klinisch gezond is en er geen tekens zijn die een besmetting met een aangifteplichtige ziekte doen vermoeden. Dit attest vermeldt ook het identificatienummer van het varken. Het attest dient opgesteld te worden in 2-voud en is maximaal 7 dagen geldig vanaf de datum van opmaak. De overlater houdt één exemplaar van dit attest en overhandigt het andere exemplaar aan de overnemer van het gezelschapsvarken. Beiden bewaren het attest gedurende 3 jaar. Het model en de inhoud van het attest worden vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap. Art. 117.Wanneer een exploitant op eenzelfde inrichting zowel gezelschapsvarkens als varkens wil houden, gelden de bepalingen van artikel
  68. HOOFDSTUK XVII. - Maatregelen Art. 118.Het Agentschap kan aan de exploitant de bevoegdheid tot het identificeren of het hermerken van dieren tijdelijk ontzeggen indien hij het identificeren en het registreren niet, onvolledig of onjuist uitvoert, of indien herhaaldelijk vastgesteld is dat hij naar het oordeel van het Agentschap niet langer handelt in overeenstemming met dit besluit. Gedurende de periode dat deze bevoegdheid aan de exploitant is ontzegd, doet hij binnen de termijnen die zijn vastgelegd bij dit besluit, beroep op de vereniging voor elke identificatie, hermerking en registratie op de inrichting. Indien aan de exploitant de bevoegdheid is ontzegd, levert hij onmiddellijk alle nog niet gebruikte identificatiemiddelen in bij het Agentschap die ze overmaakt aan de vereniging. Art. 119.Onder een beperking van de verplaatsingen zoals vermeld in artikel 1, eerste lid, artikel 2, tweede lid, en artikel 4 van verordening (EG) nr. 494/98 van de Commissie van 27 februari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad wat de toepassing van de minimale administratieve sancties in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen betreft, wordt verstaan: een verbod op de afvoer van alle runderen vanaf de inrichting, behoudens het vertrek naar een binnenlands slachthuis van de runderen die volledig voldoen aan de bepalingen inzake de identificatie, de registratie en de traceerbaarheid zoals opgelegd door de verordening (EU) 2016/429 en door dit besluit. Deze maatregel blijft van kracht tot dat alle runderen volledig aan de bepalingen van dit besluit voldoen. Art. 120.Het Agentschap kan op kosten van de exploitant de afmaking bevelen, van een dier of groep van dieren met het oog op hun vernietiging, wanneer deze in het geheel niet geïdentificeerd, noch geregistreerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit voor de betrokken diersoort of wanneer vastgesteld is dat deze drager is of zijn van omgewisselde en/of vervalste identificatiemiddelen. De exploitant is gehouden deze maatregel na te leven en uit te voeren binnen de door het Agentschap opgelegde termijn. Art. 121.Wanneer het Agentschap op basis van de feiten ter plaatse of op basis van een gerechtelijke uitspraak vaststelt dat de geregistreerde exploitant van een beslag de taken als verantwoordelijke, zoals vermeld in artikel 7, lid 3, niet meer uitoefent of kan uitoefenen, geeft het opdracht aan de vereniging om een nieuwe exploitant te registreren in SANITEL, die het aanduidt in overeenstemming met de realiteit op de inrichting. HOOFDSTUK XVIII. - Overgangsbepalingen Art. 122.Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit mag het papieren verplaatsingsdocument van een rund zoals bedoeld in artikel 67, § 1, nog vervangen worden door het overeenstemmend paspoort van dit rund, onderdeel van het identificatiedocument dat uitgereikt werd in toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit van 23 maart 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/2011 pub. 15/04/2011 numac 2011018125 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen sluiten tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen, voor zover de exploitant er dezelfde items op aanbrengt als voorzien in artikel 67, §
  69. Het gebruik van het in lid 1 bedoelde identificatiedocument komt te vervallen op een door de Minister te bepalen datum. Art. 123.Tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit mag het model van bedrijfsregisters zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 7 januari 2003Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 07/01/2003 pub. 14/01/2003 numac 2003022017 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Ministerieel besluit houdende uitvoeringsbepalingen in het kader van koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen type ministerieel besluit prom. 07/01/2003 pub. 20/11/2015 numac 2015000661 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Ministerieel besluit houdende uitvoeringsbepalingen in het kader van koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen. - Duitse vertaling sluiten houdende uitvoeringsbepalingen in het kader van koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen nog gebruikt worden als beslagregister op inrichtingen met slechts één beslag runderen. Art. 124.De vervanging van de toelating van de handelaarsstal voor runderen door de in artikel 17 bedoelde toelating als handelaar en een specifiek beslagnummer voor de handelaarsstal, door de vereniging uitgevoerd volgens de instructies van het Agentschap, zal voor elke handelaar plaatsvinden tegen de in artikel 128, lid 2, vermelde datum. HOOFDSTUK XIX. - Slotbepalingen Art. 125.§
  70. Het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van de dieren, die ten laste komen van de exploitanten die deze dieren houden, is vastgelegd in het koninklijk besluit van 14 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/05/2012 pub. 07/06/2012 numac 2012018255 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de retributies inzake identificatie en registratie van dieren sluiten betreffende de retributies inzake identificatie en registratie van dieren. §
  71. De kosten voor het uitvoeren van de volgende onderzoeken in toepassing van de artikelen 7 en 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 zijn, met uitzondering van de eventuele tussenkomsten van de bedrijfsdierenarts, ten laste van het Agentschap binnen de perken van de begrotingskredieten:
  72. de onderzoeken in bijlage VI, onder punt 3 op de inrichtingen waar fokpluimvee wordt gehouden;
  73. eenmaal per jaar het onderzoek in bijlage VI, onder punt 1 en uitgevoerd door de vereniging. Art. 126.De in artikel 102 bedoelde toelatingen worden door het Agentschap afgeleverd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4 en 8 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten. Tegen de beslissing van het Agentschap om de in artikel 17 en artikel 102 bedoelde toelating in te trekken, te schorsen of aan specifieke beperkingen te onderwerpen, wordt beroep aangetekend volgens de procedure bepaald in artikel 16, § 5, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten. Art. 127.De Minister kan de bijlagen wijzigen. De minister kan voor de goede toepassing van dit besluit en van verordening (EU) 2016/429, zijn gedelegeerde verordeningen en zijn uitvoeringsverordeningen, modellen van documenten en registers en de modaliteiten voor het gebruik ervan vastleggen. Art. 128.Dit besluit treedt in werking op 13 juni 2022 met uitzondering van artikel 17, §
  74. Artikel 17, § 1, treedt in werking op 1 juli
  75. De overige bepalingen welke door dit besluit zijn vastgelegd voor de handelaar en voor zijn handelaarsstal zijn integraal van toepassing. Tot de datum van 1 juli 2023 blijven de handelaarsstallen inrichtingen zonder specifiek beslagnummer maar met een toelating 12.4.1, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2006 pub. 02/03/2006 numac 2005023114 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten. Art. 129.De minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 20 mei
  76. FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.