← België

Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen

Kort samengevat

Deze wet regelt de activiteiten van betalingsdienstaanbieders, het statuut van betalingsinstellingen en de toegang tot betalingssystemen in België. Ze zorgt voor de omzetting van Europese regels over betalingsdiensten in de interne markt.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
21 DECEMBER 2009. - Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL 1. - Doel. - Definities Betalingsdienstaanbieders Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2.Deze wet voorziet in de omzetting van de titels I en II en de artikelen 83, 86 (1) en (2), 88, 92 en 94 van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG. Art. 3.Deze wet regelt het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, het statuut van betalingsinstelling en de toegang tot betalingssystemen, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Art. 4.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° betalingsdienst : elke bedrijfsactiviteit bedoeld in bijlage I; de activiteiten bedoeld in bijlage II vallen niet onder de toepassing van deze wet; 2° betalingstransactie : een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;3° betalingsopdracht : een door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;4° betaalrekening : een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;5° betalingssysteem : geldovermakingssysteem met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, verrekening en/of afwikkeling van betalingstransacties;6° betalingsdienstaanbieders : de in artikel 5 bedoelde instellingen en overheden die betalingsdiensten verrichten;7° betalingsdienstgebruiker : natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;8° betalingsinstelling : een instelling als bedoeld in titel II;9° betaler : hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;10° begunstigde : natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;11° geldmiddelen : bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld in de zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet;12° geldtransfer : een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee overeenstemmende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder, en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld; domiciliëring : een betalingsdienst voor het debiteren van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde, aan de belatingsdienstaanbieder van de begunstigde of aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler verstrekte instemming; 13° betaalinstrument : gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen een betalingsopdracht te initiëren;14° bijkantoor : een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een betalingsinstelling, en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een betalingsinstelling;verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een betalingsinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één bijkantoor beschouwd; 15° agent : natuurlijke of rechtspersoon die bij de uitvoering van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;16° nauwe banden : a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat, of b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn, of c) een band van dezelfde aard als bedoeld in de bovenstaande bepalingen onder a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;17° uitbesteding : een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een betalingsinstelling en een dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener een proces, een dienst of een activiteit verricht die anders door de betalingsinstelling zelf zou worden verricht;18° belangrijke operationele taak : een taak die bij een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk nadelige gevolgen zou hebben voor de voortdurende inachtneming door de betalingsinstelling van de vergunningsvoorwaarden en -verplichtingen of andere verplichtingen waaraan zij uit hoofde van wettelijke verplichtingen onderworpen is, dan wel voor haar financiële resultaten, haar soliditeit of de continuïteit van haar diensten;19° een gereglementeerde onderneming : een gereglementeerde onderneming als bedoeld in artikel 1, 7°, van het koninklijk besluit van 21 november 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0 over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen;20° een groep : een groep als bedoeld in artikel 49bis, § 1, 1°, van de bankwet;21° lidstaat van herkomst : i) de lidstaat waar de statutaire zetel van de betalingsinstelling gelegen is; ii) indien de betalingsinstelling overeenkomstig zijn nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is; 22° bankwet : wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;23° wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999 (2) type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten : wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999 (2) type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;24° EER : Europese Economische Ruimte;25° Richtlijn 2007/64/EG : Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG;26° CBFA : Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Art. 5.Enkel de hiernavolgende instellingen en overheden mogen betalingsdiensten in België aanbieden : 1° de in België gevestigde kredietinstellingen in de zin van de bankwet en de kredietinstellingen die zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat van de EER waarvoor de regeling geldt van artikel 66 van de bankwet;2° de in België gevestigde instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 1, derde lid, van de bankwet en de instellingen voor elektronisch geld die zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat van de EER waarvoor de regeling geldt van artikel 66bis van de bankwet;3° De Post NV van publiek recht;4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank;5° de Belgische federale, regionale en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België;6° de betalingsinstellingen bedoeld in titel II met inbegrip van de rechtspersonen aan wie geheel of gedeeltelijk vrijstelling verleend is als bedoeld in artikel 48. De in het eerste lid, 3°, 4° en 5°, bedoelde overheden en instellingen zijn gerechtigd betalingsdiensten in België aan te bieden, voor zover zij krachtens de wetgeving die hun opdrachten regelt of hun statuten daartoe bevoegd of gerechtigd zijn. TITEL 2. - De betalingsinstellingen HOOFDSTUK 1. - De betalingsinstellingen naar Belgisch recht Afdeling 1. - Vereiste van bedrijfsvergunning Art. 6.Iedere rechtspersoon waarvan België de lidstaat van herkomst is en die betalingsdiensten wil aanbieden in de hoedanigheid van betalingsinstelling, moet alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, van de CBFA een vergunning verkrijgen ongeacht de overige plaatsen waar hij werkzaam is. Art. 7.Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aanvrager de volgende gegevens : 1° een programma van werkzaamheden, met opgaaf van de voorgenomen betalingsdiensten en de in artikel 21, §§ 1 en 2, bedoelde andere werkzaamheden;2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financiële planning voor de eerste drie boekjaren, welke aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passende systemen, middelen en procedures om een gezonde bedrijfsvoering inzake betalingsdiensten te garanderen;3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 11 bedoelde aanvangskapitaal;4° voor de betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 21, een beschrijving van de maatregelen die de instelling overeenkomstig artikel 22, § 1, heeft genomen ter bescherming van de middelen van de betalingsdienstgebruikers;5° een beschrijving van de door de aanvrager genomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en interne controlemechanismen, daarin begrepen de van toepassing zijnde procedures inzake administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van artikel 14, §§ 1 tot en met 3;6° een beschrijving van de interne controlemechanismen die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen aan de verplichtingen bepaald bij de Verordening (EG) nr.1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/01/1993 pub. 29/07/2013 numac 2013000488 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; 7° een beschrijving van de organisatiestructuur van het betalingsdienstenbedrijf van de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van het voorgenomen gebruik van agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvrager, een gekwalificeerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3°, van de bankwet, alsmede de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/05/2007 pub. 12/06/2007 numac 2007003215 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen type wet prom. 02/05/2007 pub. 04/08/2008 numac 2008000628 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling sluiten op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; 9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de betalingsinstelling, en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van het betalingsdienstenbedrijf in een betalingsinstelling, alsmede het bewijs van hun professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring in de zin van artikel 13;10° de identiteit van de commissaris-revisor of commissarisen-revisoren;11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;12° het bewijs van toetreding tot een buitengerechtelijke klachtenregeling inzake betalingsdiensten.Hij dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de financiering van bedoelde klachtenregeling; de Koning kan een buitengerechtelijke klachtenregeling oprichten met als opdracht geschillen tussen, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en, anderzijds, betalingsdienstgebruikers en andere belanghebbenden, met inbegrip van consumentenverenigingen te helpen oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar; 13° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager. Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betalingsdiensten te garanderen. De aanvrager moet de CBFA op haar vraag alle verdere aanvullende inlichtingen verstrekken om de CBFA toe te laten na te gaan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid, en haar toe te laten zich een passend oordeel te vormen. Art. 8.De CBFA verleent de aangevraagde vergunning aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 7 en afdeling II, en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt. Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier spreekt de CBFA zich uit over de aanvraag en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een ter post aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De CBFA kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergunning voorwaarden stellen aan de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden. De CBFA informeert onverwijld de Nationale Bank van België telkenmale zij een vergunning aan een betalingsinstelling verleent. Deze informatieverstrekking gebeurt onverminderd artikel 8 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België. Art. 9.De instellingen die krachtens dit hoofdstuk vergund zijn als betalingsinstelling, worden ingeschreven in een daartoe door de CBFA bijgehouden register. De CBFA maakt de lijst van de vergunningverleende betalingsinstellingen bekend op haar website. De CBFA zorgt voor een regelmatige actualisering van de op de website verstrekte informatie. De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere betalingsinstelling minstens de volgende informatie : - de betalingsdiensten waarvoor een vergunning verleend is; - het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 19 en 20. Afdeling 2. - Bedrijfsvergunningsvoorwaarden Art. 10.De betalingsinstellingen naar Belgisch recht moeten worden opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon. Art. 11.Elke betalingsinstelling moet op het tijdstip waarop haar vergunning wordt verleend, over een aanvangskapitaal beschikken dat : a) ten minste 20.000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 6 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht; b) ten minste 50.000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 7 of de in punten 6 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht; c) ten minste 125.000 euro bedraagt, wanneer de instelling een of meerdere van de in de punten 1 tot en met 5 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aanmerking : het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend geval van de cumulatief preferente aandelen en de herwaarderingsreserves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill. Art. 12.De vergunning wordt geweigerd wanneer de CBFA, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 7, eerste lid, 8°, bedoelde natuurlijke of rechtspersonen. Art. 13.§ 1. De effectieve leiding van een betalingsinstelling moet toevertrouwd worden aan ten minste twee natuurlijke personen. De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van een betalingsinstelling, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van het betalingsdienstenbedrijf in een betalingsinstelling, moeten over de voor de uitoefening van hun taken inzake betalingsdiensten vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring beschikken. § 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing. Art. 14.§ 1. Iedere betalingsinstelling moet beschikken over een voor haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden inzake betalingsdiensten en activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°, passende beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle. Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico's. § 2. Iedere betalingsinstelling dient te beschikken over een passende beleidsstructuur, waaronder inzonderheid dient te worden verstaan : een coherente en transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de betalingsinstelling loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden. § 3. Iedere betalingsinstelling dient een passende interne controle te organiseren, waarvan de werking minstens jaarlijks dient te worden beoordeeld. Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering. Iedere betalingsinstelling neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interne auditfunctie. Iedere betalingsinstelling werkt een passend integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd. Iedere betalingsinstelling dient te beschikken over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie. § 4. De CBFA kan, onverminderd het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passend integriteitsbeleid en een passende risicobeheerfunctie. § 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3. Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstelling, in voorkomend geval via het auditcomité, dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen. De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de CBFA en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen. De informatieverstrekking aan de CBFA en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de CBFA bepaalt. § 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, tijdig verslag uit over de belangrijke kwesties die aan het licht zijn gekomen bij de wettelijke controleopdracht, in het bijzonder over ernstige tekortkomingen in het financiële verslaggevingproces m.b.t. de werkzaamheden inzake betalingsdiensten en activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°. § 7. Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de betalingsinstelling. Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de betalingsinstelling. Art. 15.Het hoofdbestuur van een betalingsinstelling moet in België gevestigd zijn. Afdeling 3. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden Art. 16.De betalingsinstellingen moeten te allen tijde voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de artikelen 10, 13, 14 en 15. Wanneer de overeenkomstig artikel 7 bij de vergunningsaanvraag verstrekte gegevens wijzigen of gewijzigd zijn, brengt de betalingsinstelling de CBFA hiervan onverwijld op de hoogte. Art. 17.§ 1. Het eigen vermogen van een betalingsinstelling mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het bij artikel 11 vastgestelde aanvangskapitaal. § 2. De CFBA bepaalt, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2007/64/EG, bij reglement de verplichtingen inzake solvabiliteit die door alle betalingsinstellingen of per categorie van betalingsinstellingen moeten nageleefd worden. Het reglement kan voorzien in verschillende methodes om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te berekenen. De CBFA is gemachtigd om te bepalen welke methode van toepassing is op een of meerdere betalingsinstellingen of categorieën van betalingsinstellingen. Wanneer een betalingsinstelling samen met andere betalingsinstellingen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van een groep, neemt de CBFA maatregelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. De CBFA kan nader bepalen volgens welke methodes het meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing in het geval een betalingsinstelling rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht als bedoeld in artikel 21. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de CBFA aanvullende maatregelen nemen in het geval van een betalingsinstelling die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingdiensten verricht als bedoeld in artikel 21, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling. In bijzondere gevallen kan de CBFA met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepassing van dit artikel genomen reglementen. De in het eerste lid bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999 (2) type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten, na advies van de Nationale Bank van België. Art. 18.De toestemming van de CBFA is vereist voor fusies tussen betalingsinstellingen of voor fusies tussen betalingsinstellingen en andere financiële instellingen. Worden voor de toepassing van dit artikel met fusies gelijkgesteld, overdrachten van het bedrijf en integrale of gedeeltelijke overdrachten van het net. De CBFA kan haar toestemming enkel weigeren binnen drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling. Als zij niet binnen voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen. Art. 19.Iedere betalingsinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER, hetzij een bijkantoor wenst te vestigen om er alle of een deel van de als bijlage I opgesomde betalingsdiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, hetzij voornemens is, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de als bijlage I opgesomde betalingsdiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de CBFA daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen betalingsdiensten en andere werkzaamheden bedoeld bij artikel 21, § 2, vermeld wordt, alsook in geval van oprichting van een bijkantoor, de gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor. De CBFA kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of de controle van de betalingsinstelling. De beslissing van de CBFA wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de betalingsinstelling. De CBFA deelt, voor zover zij zich niet verzet, binnen een maand na ontvangst van de in het eerste bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee aan de toezichthoudende autoriteit voor betalingsinstellingen in het betrokken land. Dit artikel geldt, met uitzondering van het derde lid, eveneens voor de opening van bijkantoren in een Staat die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werkzaamheden van deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de CBFA in overleg met de toezichthoudende autoriteiten voor betalingsinstellingen van dat land, regels vaststellen voor de opening en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling tussen de beide autoriteiten. Iedere betalingsinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de CBFA ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform het tweede lid verstrekte gegevens. Art. 20.§ 1. Onverminderd artikel 8, derde lid, is het de betalingsinstellingen toegelaten betalingsdiensten te verrichten via een agent. Wanneer een betalingsinstelling voornemens is betalingsdiensten te verrichten via een agent, verstrekt zij de CBFA voorafgaandelijk de volgende gegevens in verband met de agent : a) de naam, voornamen, woon- en verblijfplaats en geboortedatum van de agent die een fysiek persoon is;b) de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel of het hoofdbestuur van de agent die een rechtspersoon is;c) de voorgenomen betalingsdiensten;d) een beschrijving van de interne controlemechanismen die de agent heeft opgezet om te voldoen aan de verplichtingen bepaald bij de Verordening (EG) nr.1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/01/1993 pub. 29/07/2013 numac 2013000488 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; e) de naam, voornamen, woon- en verblijfplaats en geboortedatum van de personen belast met het bestuur en de effectieve leiding;f) het bewijs van de vereiste professionele betrouwbaarheid en de voor de uitoefening van hun taak vereiste deskundigheid voor de in a) en e) bedoelde personen;g) de organisatiestructuur. De betalingsinstellingen verstrekken de CBFA op diens verzoek alle nuttige informatie teneinde haar toe te laten de juistheid en volledigheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens te verifiëren. § 2. Na ontvangst en verificatie van de in paragraaf 1 bedoelde gegevens, en voor zover deze geen bemerkingen inzake juistheid en volledigheid oproepen, schrijft de CBFA de agent in in het in artikel 9 bedoelde register. Het bepaalde bij artikel 9, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Een agent mag niet optreden zonder te zijn ingeschreven in het in het eerste lid bedoelde register. § 3. In geval een betalingsinstelling in een ander land betalingsdiensten wil verrichten, via een agent gevestigd in dat land, is artikel 19 van overeenkomstige toepassing. Zo nodig houdt de CBFA rekening met het standpunt van de toezichthoudende autoriteit voor betalingsinstellingen in het betrokken land alvorens de agent in te schrijven overeenkomstig paragraaf 2. § 4. De betalingsinstellingen mogen enkel beroep doen op agenten die zijn ingeschreven in de zin van paragraaf 2. De betalingsinstellingen zijn volledig verantwoordelijk voor de handelingen die door hun agenten worden gesteld. Indien betalingsinstellingen niettegenstaande het in het eerste lid bedoelde verbod beroep zouden doen op niet ingeschreven agenten zijn zij burgerrechtelijk aansprakelijk voor de handelingen van deze laatsten. De betalingsinstellingen zorgen ervoor dat de agenten die voor hun rekening handelen, de betalingsdienstgebruikers hierover duidelijk informeren. § 5. De betalingsinstellingen brengen de CBFA op de hoogte zodra zich een wijziging voordoet met betrekking tot de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde gegevens. Wanneer een betalingsinstelling geen beroep meer doet op een ingeschreven agent, informeert zij onmiddellijk de CBFA die de inschrijving van de betrokken agent in het in artikel 9 bedoelde register schrapt. Art. 21.§ 1. De betalingsinstellingen mogen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verrichten, mits de voorafgaande toestemming van de CBFA. Indien de CBFA er in toestemt dat een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan zij, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door of de vereisten voor een passend prudentieel toezicht op de betalingsinstelling, de uitoefening van het bedrijf van betalingsdiensten of van de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen. De CBFA kan met name eisen dat het verrichten van betalingsdiensten ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onverminderd artikel 8, voorlaatste lid, mogen betalingsinstellingen eveneens de volgende werkzaamheden uitoefenen : 1° het verrichten van operationele en daarmee nauw samenhangende nevendiensten van betalingsdiensten, zoals de afhandeling van betalingstransacties, valutawisseldiensten, bewaringsactiviteiten en de opslag en verwerking van gegevens;2° het exploiteren van betalingssystemen, onverminderd artikel 49. § 3. Betalingsinstellingen mogen met betrekking tot de in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten alleen onder de hiernavolgende voorwaarden een krediet verlenen : a) het krediet is aanvullend en uitsluitend verstrekt in uitvoering van een betalingstransactie;b) niettegenstaande andere bepalingen inzake kredietverlening via kredietkaarten, wordt een krediet dat wordt uitbetaald in het kader van het vrij verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging in een andere lidstaat van de EER, terugbetaald binnen een termijn die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;c) het krediet wordt niet verleend uit middelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties;d) het eigen vermogen van de betalingsinstelling staat te allen tijde, naar tevredenheid van de CBFA, in redelijke verhouding tot het totale bedrag van het verleende krediet. De in het eerste lid bedoelde kredieten zijn onderworpen aan de wetgeving inzake het consumentenkrediet. § 4. Betalingsinstellingen mogen in het kader van betalingsdiensten enkel betaalrekeningen aanhouden die uitsluitend voor betalingstransacties gebruikt worden. de geldmiddelen die betalingsinstellingen in het kader van betalingsdiensten van betalingsdienstgebruikers ontvangen, zijn geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet, noch elektronisch geld in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet. § 5. Betalingsinstellingen mogen geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen, of betaalinstrumenten in de vorm van elektronisch geld in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet uitgeven. § 6. Betalingsinstellingen mogen geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, tenzij met de voorafgaande toestemming van de CBFA. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde werkzaamheden inzake betalingsdiensten, nevendiensten van betalingsdiensten en exploiteren van betalingsystemen uitoefenen, of in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van participaties in dergelijke vennootschappen. Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing kan de CBFA het nemen van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen. § 7. Wanneer een betalingsinstelling deviezenverrichtingen aanbiedt of verricht, als bedoeld bij artikel 137, 2e lid, van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, is artikel 139 van die wet niet op haar van toepassing. Onverminderd het eerste lid, worden bedoelde betalingsinstellingen voor wat het voormelde bedrijf van deviezenverrichtingen betreft, opgenomen op de lijst van de wisselkantoren geregistreerd in België met de vermelding « betalingsinstelling die verrichtingen doet als bedoeld in artikel 137, 2e lid, van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ». § 8. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, is artikel 25, laatste lid, van toepassing. Art. 22.§ 1. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt : a) in haar boekhouding afzonderlijk te kunnen worden geïdentificeerd en op geen enkel tijdstip te worden vermengd met andere geldmiddelen, en b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog steeds door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt, te worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde rekening bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van : 1° kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER, of 2° kredietinstelling met vestiging in de EER die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of 3° erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 77, § 2, van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake het statuut en het toezicht op de beleggingsondernemingen;c) ofwel naar tevredenheid van de CBFA gedekt te zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, en welke verzekeringsonderneming of kredietinstelling niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waarborg, betaalbaar ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen. De in het eerste lid, b), bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. De CBFA kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en zonder vestiging in de EER, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat die geen lid is van de EER en zonder vestiging in de EER, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthoudende autoriteit van buiten de EER uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving. § 2. Wanneer een gedeelte van de in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen bestemd is voor toekomstige betalingstransacties terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de vereisten van paragraaf 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel of niet tevoren bekend is, kunnen de betalingsinstellingen dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de CBFA redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd. § 3. Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de betalingsinstelling, worden de gelden die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen die zijn ontvangen voor de uitvoering van betalingstransacties. Art. 23.De betalingsinstellingen kunnen belangrijke operationele taken met betrekking tot betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hiernavolgende voorwaarden : a) zij stellen de CBFA hiervan voorafgaandelijk in kennis;b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding van de betalingsinstelling haar verantwoordelijkheden delegeert;c) de relatie en verplichtingen van de betalingsinstelling jegens betalingsdienstgebruikers uit hoofde van deze wet en de in uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en van de andere wettelijke bepalingen houdende omzetting van de Richtlijn 2007/64/EG worden niet gewijzigd;d) de naleving van de voorwaarden waaraan de betalingsinstelling moet voldoen om een vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd;e) geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de betalingsinstelling is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd;f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling en aan het vermogen van de CBFA om de naleving door de betalingsinstelling van haar verplichtingen te controleren. Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de betalingsinstellingen volledig verantwoordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener. Art. 24.De betalingsinstellingen leggen periodiek aan de Nationale Bank van België en aan de CBFA een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die, na advies van de Nationale Bank van België, zijn vastgesteld door de CBFA die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de CBFA voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd. De effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de CBFA dat voornoemde periodieke staten die zij in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten volledig zijn, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juist zijn, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de CBFA opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. De Koning bepaalt, na advies van de CBFA en van de Nationale Bank van België, volgens welke regels alle betalingsinstellingen of categorieën van betalingsinstellingen : 1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken. Voor bepaalde categorieën van betalingsinstellingen of in bijzondere gevallen kan de CBFA met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle betalingsinstellingen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. Afwijkingen voor bepaalde categorieën van betalingsinstellingen worden pas na advies van de Nationale Bank van België toegestaan. De betalingsinstellingen leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Nationale Bank van België. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de betalingsinstellingen, in voorkomend geval via hun represen-tatieve beroepsverenigingen. Afdeling 4. - Toezicht op betalingsinstellingen Art. 25.De betalingsinstellingen zijn onderworpen aan het toezicht van de CBFA. De CBFA ziet erop toe dat elke betalingsinstelling doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Het toezicht door de CBFA dient evenredig en passend te zijn, in het licht van de aard, de omvang en de complexiteit van de door de betalingsinstelling verrichte betalingsdiensten, en de eraan verbonden risico's. De CBFA kan zich door de betalingsinstellingen alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de CBFA zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten van betalingsinstellingen, dienstverleners als bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed. De CBFA kan bij betalingsinstellingen ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in het bezit van de betalingsinstelling, 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen op het statuut van de betalingsinstellingen zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de betalingsinstelling voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de betalingsinstelling;3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de betalingsinstelling gezond en voorzichtig is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. Met dat doel kan de CBFA ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten van betalingsinstellingen, dienstverleners als bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in hun bezit. Het toezicht van de CBFA slaat evenwel niet op de door een betalingsinstelling verrichte andere werkzaamheden dan betalingsdiensten, activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°, en aandelenbezit bedoeld in artikel 21, § 6, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de betalingsinstelling van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Art. 26.Relaties tussen een betalingsinstelling of haar agent en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de CBFA, tenzij het toezicht op de betalingsinstelling dit vergt. Art. 27.De CBFA kan bij de bijkantoren van de betalingsinstellingen naar Belgisch recht, de agenten, dienstverleners bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die toezicht houden op de betalingsinstellingen van het betrokken land, de in artikel 25, vierde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de betalingsinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar financiële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle. Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan zij een door haar aangestelde deskundige gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de betalingsinstelling gedragen. Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten. Art. 28.De opdracht van commissaris zoals bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen mag in een betalingsinstelling enkel worden toevertrouwd aan één of meer revisoren of één of meer revisorenvennootschappen die daartoe door de CBFA erkend zijn overeenkomstig artikel 52 van de bankwet. Artikel 141, 2°, van het Wetboek van Vennootschappen is niet van toepassing op betalingsinstellingen. De betalingsinstellingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 29 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers. De overeenkomstig dit artikel aangestelde commissarissen certificeren de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van de betalingsinstellingen. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten, besteden de commissarissen in hun schriftelijk verslag, bedoeld in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen, afzonderlijke aandacht aan de bedrijvigheid inzake betalingsdiensten. Art. 29.Een erkende revisorenvennootschap doet, voor de uitoefening van de opdracht van de commissaris bedoeld in artikel 28, een beroep op een erkende revisor die zij aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen. De bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de taak, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen, alsmede de voor hen geldende andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkende revisoren die hen vertegenwoordigen. Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden. Art. 30.Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de CBFA op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn taak bij een betalingsinstelling, alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap, met opgave van de motivering. Art. 31.Voor de aanstelling van commissarissen en plaatsvervangende commissarissen bij betalingsinstellingen is de voorafgaande instemming vereist van de CBFA. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger. Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht. Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van koophandel of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkende revisoren, die door de CBFA is goedgekeurd. Art. 32.De CBFA kan haar instemming met een commissaris, plaatsvervangend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van zo een vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkende revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van revisor. Vooraleer een commissaris ontslag neemt, worden de CBFA en de betalingsinstelling hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering. Het erkenningsreglement bedoeld in artikel 52 van de bankwet regelt de procedure. Bij afwezigheid van een plaatsvervangende commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de betalingsinstelling, met naleving van artikel 31, binnen twee maanden voor zijn vervanging. Het voorstel om een commissaris in een betalingsinstelling van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen wordt ter advies voorgelegd aan de CBFA. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering. Art. 33.De commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de CBFA op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de CBFA. Daartoe : 1° beoordelen zij de interne controlemaatregelen die de betalingsinstellingen hebben getroffen overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid, en delen zij hun bevindingen mee aan de CBFA;2° brengen zij verslag uit bij de CBFA over : a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de CBFA bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de CBFA werden opgesteld.Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de CBFA kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het boekjaar aan de CBFA bezorgen waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de CBFA.Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekenin …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.