📄 Wettekst
23 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende de vaststelling van een kader voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit voor te leggen voorziet in de omzetting, voor wat betreft de federale bevoegdheden, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid en van richtlijn 2008/105 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG. De eerstgenoemde Richtlijn 2000/60/EG dateert van 23 oktober 2000, trad in werking op 22 december 2000 en diende uiterlijk op 22 december 2003 omgezet te zijn in Belgisch recht. De federale Staat heeft deze omzetting verricht door de volgende omzettingsteksten : -de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; - de
wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
sluiten betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid; - het OSPAR-Verdrag; - de Internationale Schelde- en Maasverdragen.
Het aannemen van de Richtlijn 2008/105, een « dochterrichtlijn » van de Richtlijn 2000/60, op datum van 16 december 2008, geeft ons de kans om de bestaande omzetting van de richtlijn 2000/60 door te lichten en waar nodig te optimaliseren. De nauwe verwevenheid tussen beide richtlijnen maakt dat de omzetting in één koninklijk besluit verricht zal worden, met als uiterste datum 13 juli 2010, opgelegd als deadline voor de omzetting van de Richtlijn 2008/105.
Deze keuze heeft tot gevolg dat een balans moet gevonden worden tussen enerzijds het instellen van een nationaal/federaal proces dat in de toekomst moet leiden tot het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand en anderzijds het voldoende afdekken van de in de het verleden al gemaakte inspanningen, op basis van voormelde regelgeving, om tot deze goede oppervlaktewatertoestand te komen. Dit heeft onvermijdelijk tot gevolg dat een aantal bepalingen in het voorliggende ontwerp van besluit deadlines bevatten die gelegen zijn in de periode voor de inwerkingtreding van dit besluit. Dit heeft evenwel geen impact op de rechtsonderhorigen, aangezien de verplichtingen die opgenomen zijn in het voorliggende ontwerp van besluit enkel rusten op de federale bevoegde diensten, zoals omschreven in artikel 2 van dit besluit. Deze deadlines zijn in belangrijke mate gerespecteerd in de praktijk door de bevoegde federale diensten, met als belangrijkste actie het vaststellen van een maatregelenprogramma op 22 december 2009, zoals bepaald in artikel 22, § 1.
Het betreffende maatregelenprogramma is in december 2009 enkel ondertekend door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, bevoegd voor het Mariene Milieu, omdat enkel voor wat betreft de federale bevoegdheid betreffende het mariene milieubeleid nieuwe engagementen aangegaan zijn. De andere engagementen die opgenomen zijn in dit maatregelenprogramma waren reeds aangegaan vóór 22 december 2009.
De nationale samenwerking met de andere bevoegde overheden, met in het bijzonder de gewesten, zal plaatsvinden binnen het kader van het « Samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met betrekking tot het internationaal milieubeleid ». In artikel 1, lid 2, 3° van dit samenwerkingsakkoord is voorzien dat overleg gepleegd moet worden « om te komen tot een gecoördineerde uitvoering van de aanbevelingen en beslissingen van internationale organisaties ». De internationale samenwerking, met name de samenwerking met Nederland en Frankrijk in het kader van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, gebeurt dan weer binnen het Scheldeverdrag. Deze samenwerkingsmodaliteiten worden voor het goede begrip van deze procedure nog eens expliciet vermeld in artikel 3, § 3.
Er wordt afgeweken van het advies 48.135/3 van de Raad van State wat betreft paragraaf 7, aangezien artikel 12 wel degelijk de verplichtingen van de bevoegde federale diensten bepaalt en aldus omgezet moet worden.
Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer trouwe dienaars, De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE
23 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende de vaststelling van een kader voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de Grondwet, artikel 37;
Gelet op de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, artikel 6, gewijzigd bij de wet van 17 september 2005;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 maart 2010;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, d.d. 30 maart 2010;
Gelet op advies 48.135/3 van de Raad van State, gegeven op 11 mei 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Eerste Minister, de Minister van Landsverdediging, de Minister van Wetenschapsbeleid, de Minister van Klimaat en Energie, de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, de Staatssecretaris voor Mobiliteit en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid en van Richtlijn 2008/105 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « kaderrichtlijn water » : Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader van communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;2° « oppervlaktewateren » : de kustwateren en, voor zover het de chemische toestand betreft, ook de territoriale zee;3° « kustwateren » : de wateren binnen de zeegebieden gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn; 4°« goede oppervlaktewatertoestand » : de toestand van de oppervlaktewateren waarvan zowel de ecologische als de chemische toestand ten minste « goed » zijn; 5°« oppervlaktewatertoestand » : de algemene aanduiding van de toestand van de oppervlaktewateren, bepaald door de ecologische of de chemische toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden; 6° « stroomgebiedsdistrict » : het gebied van land en zee, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren, dat overeenkomstig artikel 3, § 1, als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedsbeheer is omschreven;7° « stroomgebied » : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;8° « Scheldeverdrag » : Scheldeverdrag van 3 december 2002;9° « DG Leefmilieu » : het directoraat-generaal Leefmilieu van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;10° « milieudoelstellingen » : de doelstellingen vermeld in artikel 4;11° « sterk veranderd waterlichaam » : een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard zoals door de minister is aangeduid overeenkomstig de bepalingen van bijlage I;12° « oppervlaktewaterlichaam » : een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een strook kustwater;13° « goed ecologisch potentieel » : de toestand van een sterk veranderd waterlichaam, aldus ingedeeld overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van bijlage IV;14° « goede ecologische toestand » : de toestand van de overeenkomstig bijlage IV als zodanig ingedeelde kustwateren;15° « ecologische toestand » : een aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met de kustwateren zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig bijlage IV;16° « goede chemische toestand » : de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor de territoriale zee, vastgesteld in artikel 4, zijnde de chemische toestand van de territoriale zee waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven de milieukwaliteitsnormen liggen die zijn : a) vermeld in deel A van bijlage VIII, zoals toegepast overeenkomstig de in deel B van bijlage VIII vastgestelde voorschriften;of b) in de plaats van de in deel A van bijlage VIII vermelde normen, voor bepaalde categorieën oppervlaktewateren, vastgesteld voor sediment en/of biota, overeenkomstig de in deel C van bijlage VIII opgenomen voorschriften;17° « verontreinigende stof » : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de in bijlage VII genoemde stoffen; 18°« milieukwaliteitsnorm » : de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mag worden overschreden; 19° « prioritaire stoffen » : stoffen vermeld in bijlage IX, inclusief de prioritaire gevaarlijke stoffen;20° « gevaarlijke stoffen » : toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;21° « beschermde mariene gebieden » : de gebieden aangeduid overeenkomstig de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;22° « waterdiensten » : alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlaktewater;23° « watergebruik » : waterdiensten, alsmede elke andere overeenkomstig artike1 13 en bijlage I geïdentificeerde activiteit met significante gevolgen voor de toestand van water. Deze definitie geldt voor de economische analyse overeenkomstig artikel 13 en bijlage II, b) ; 24° « emissiegrenswaarde » : de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden.De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld.
De grenswaarden voor de emissies van stoffen gelden normaliter op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de installatie rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringsstation, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu; 25° « emissiebeheersingsmaatregelen » : beheersingsmaatregelen die een specifieke emissiebeperking vereisen, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde, of anderszins grenzen of voorwaarden stellen aan de gevolgen, de aard of andere kenmerken van emissies of bedrijfsomstandigheden die de emissies beïnvloeden;26° « CCIM » : coördinatiecomité op basis van het samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het internationaal milieubeleid;27° « BMM » : de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-estuarium, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 29 september 1997 houdende overdracht van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en Schelde-estuarium naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;28° « bevoegde federale diensten » : de BMM, de Marinecomponent, de Algemene Directie Energie en de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie, het DG Leefmilieu, het directoraat-generaal Maritiem Vervoer van de FOD Mobiliteit en elke andere federale dienst met bevoegdheden die een impact hebben op de doelstellingen vermeld in artikel 4, § 1. Art. 3.§ 1. De oppervlaktewateren behoren tot het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, zoals bepaald in artikel 1, d) van het Scheldeverdrag. § 2. De minister is belast met de federale coördinatie van de vaststelling en de uitvoering van de nodige maatregelen voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand.
Het DG Leefmilieu is belast met de administratieve voorbereiding van de federale coördinatie van de vaststelling en de uitvoering van de nodige maatregelen voor het bereiken door de bevoegde federale diensten van een goede oppervlaktewatertoestand.
Het DG Leefmilieu en de bevoegde federale diensten kunnen zich laten bijstaan door elke publieke of private natuurlijke persoon of rechtspersoon die zij nuttig achten bij de uitvoering van de hun door de wet en dit besluit toegewezen bevoegdheden. § 3. Het DG Leefmilieu en de bevoegde federale diensten werken samen met de bevoegde regionale diensten binnen het CCIM en met de partijen van het Scheldeverdrag bij de uitvoering van dit besluit. Art. 4.§ 1. De op basis van artikel 17 op te stellen maatregelenprogramma's zijn erop gericht : 1° de achteruitgang van de toestand van de oppervlaktewateren te voorkomen;2° de oppervlaktewateren te beschermen, verbeteren en herstellen teneinde een goede toestand van de oppervlaktewateren overeenkomstig bijlage IV te bereiken tegen uiterlijk 22 december 2015, verlengbaar volgens de bepalingen van dit besluit;3° in voorkomend geval, de oppervlaktewateren als sterk veranderd waterlichaam te beschermen en te verbeteren teneinde een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater overeenkomstig bijlage IV te bereiken tegen uiterlijk 22 december 2015, verlengbaar volgens de bepalingen van dit besluit;4° de verontreiniging door prioritaire stoffen geleidelijk te doen verminderen tegen uiterlijk 22 december 2015 en de emissies, lozingen en verliezen van gevaarlijke prioritaire stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. § 2. De bevoegde federale diensten houden rekening met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, met inachtneming van de economische analyse volgens bijlage II, en met het beginsel dat de vervuiler betaalt. Art. 5.Voor de beschermde mariene gebieden wordt uiterlijk tegen 22 december 2015 voldaan aan alle normen en doelstellingen in dit besluit, voor zover niet anders is bepaald in de wet marien milieu en de uitvoeringsbesluiten tot aanduiding van de beschermde mariene gebieden.. Art. 6.Wanneer meer dan een van de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 betrekking heeft op de oppervlaktewateren is de strengste doelstelling van toepassing.
De minister zorgt ervoor dat ingeval van toepassing van de artikelen 7, 8, 9, 11 en 12 ten minste hetzelfde beschermingsniveau wordt gewaarborgd als de bestaande Gemeenschapswetgeving. Art. 7.§ 1. De minister kan de oppervlaktewateren als sterk veranderd aanduiden indien : 1° de voor het bereiken van een goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken van dit waterlichaam significante negatieve effecten zouden hebben op : a) het milieu in bredere zin;b) de scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie;c) de waterhuishouding, de bescherming tegen overstromingen, de afwatering;d) andere even belangrijke duurzame activiteiten voor de menselijke ontwikkeling;2° het nuttige doel dat met de veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten redelijkerwijs niet kan worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen;3° de aanduiding het bereiken van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water in andere waterlichamen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde niet blijvend verhindert of bemoeilijkt en verenigbaar is met de andere regelgeving tot uitvoering van gemeenschapsvoorschriften op milieugebied. § 2. Het stroomgebiedsbeheersplan, vermeld in artikel 24, vermeldt het aanduiden van de oppervlaktewateren als kunstmatig of sterk veranderd en de redenen daarvoor en herziet de aanduiding ervan om de zes jaar. Art. 8.§ 1. De minister kan de termijnen vermeld in artikel 4 verlengen mits de toestand van de aangetaste oppervlaktewateren niet verder verslechtert en aan de voorwaarden in § 2 wordt voldaan. § 2. De voorwaarden waaraan de verlenging van de termijnen cumulatief moet voldoen, zijn : 1° alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van de oppervlaktewateren kunnen redelijkerwijs niet binnen de termijnen vermeld in artikel 4 worden bereikt om ten minste één van de volgende redenen : a) de vereiste verbeteringen zijn technisch slechts haalbaar in perioden die de gestelde termijn overschrijden;b) de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de termijn zou onevenredig kostbaar zijn;c) de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van de oppervlaktewateren;d) de aanduiding verhindert of bemoeilijkt het bereiken van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water in andere waterlichamen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde niet en is verenigbaar met de andere regelgeving tot uitvoering van gemeenschapsvoorschriften op milieugebied;2° de minister beperkt de verlengingen tot maximaal twee bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan, vermeld in artikel 24, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt;3° het stroomgebiedsbeheersplan, vermeld in artikel 24, vermeldt : a) de verlenging van de termijn en de redenen;b) de maatregelen die noodzakelijk zijn om de oppervlaktewateren vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;c) de redenen van de vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen;d) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen;4° in de bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan, neemt de minister een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen alsmede een overzicht van eventuele bijkomende maatregelen op. Art. 9.§ 1. De minister kan voor de oppervlaktewateren minder strenge milieudoelstellingen vaststellen dan de doelstellingen vermeld in artikel 4, wanneer : 1° de oppervlaktewateren in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast zoals bepaald in artikel 11, § 1, of 2° hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn. § 2. De minister kan voor de oppervlaktewateren minder strenge milieudoelstellingen vastleggen wanneer aan de volgende voorwaarden cumulatief wordt voldaan : 1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door de menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich meebrengen;2° de bevoegde federale diensten dragen er zorg voor dat voor de oppervlaktewateren de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;3° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van de aangetaste oppervlaktewateren;4° het stroomgebiedsbeheersplan, vermeld in artikel 24, vermeldt de vaststelling van minder strenge milieudoelstellingen en de redenen daarvoor;5° de minister toetst om de zes jaar de milieudoelstellingen;6° de aanduiding verhindert of bemoeilijkt het bereiken van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water in andere waterlichamen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde niet blijvend en is verenigbaar met de andere regelgeving tot uitvoering van gemeenschapsvoorschriften op milieugebied. § 3. De minister kan aan lozingspunten grenzende mengzones aanduiden.
In die mengzones mogen de concentraties van één of meer stoffen die zijn opgenomen in deel A van bijlage VIII de desbetreffende milieukwaliteitsnormen overschrijden, mits : 1° dit geen gevolgen heeft voor de naleving van deze normen in de rest van het oppervlaktewaterlichaam;2° de omvang van elke mengzone beperkt is tot de nabijheid van het lozingspunt en proportioneel is, rekening houdend met de concentraties van de verontreinigende stoffen op het lozingspunt en de voorwaarden voor de emissies van verontreinigende stoffen in de voorafgaande reguleringen, zoals toestemming en/of vergunningen. Art. 10.§ 1. De bevoegde federale diensten maken geen inbreuk op hun verplichtingen uit hoofde van dit besluit in geval van een overschrijding van milieukwaliteitsnormen indien aangetoond kan worden dat : 1° de overschrijding te wijten is aan een buiten de nationale rechtsmacht gelegen verontreinigingsbron;en 2° ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging geen effectieve maatregelen genomen konden worden om de betrokken milieukwaliteitsnormen na te leven, en 3° de in artikel 3 bepaalde coördinatiemechanismen toegepast zijn en in voorkomend geval de bepalingen van de artikelen 8, 9 en 11 gebruikt zijn voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen oppervlaktewateren. § 2. Het DG Leefmilieu gebruikt het in artikel 23 bepaalde mechanisme om de Europese Commissie, via de geëigende kanalen, in de paragraaf 1 bedoelde omstandigheden de nodige informatie te verstrekken en een overzicht te geven van de maatregelen die in verband met de grensoverschrijdende verontreiniging in het betrokken stroomgebiedsbeheersplan zijn genomen, in overeenstemming met de rapporteringsverplichtingen uit artikel 26. Art. 11.§ 1. Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van de oppervlaktewateren is niet strijdig met de bepalingen van dit besluit, indien de achteruitgang : 1° het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen en uitzonderlijk is of niet redelijkerwijze was te voorzien, bijvoorbeeld extreme overstromingen of lange droogteperioden;2° het gevolg is van omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen. § 2. De tijdelijke achteruitgang zoals omschreven in paragraaf 1, is niet strijdig met de bepalingen van dit besluit, indien de volgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan : 1° de bevoegde federale diensten ondernemen alle haalbare stappen om verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen teneinde het bereiken van de doelstellingen van dit besluit voor andere, niet door die omstandigheden getroffen waterlichamen niet in het gedrang te brengen;2° het stroomgebiedsbeheersplan vermeldt de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren;3° de bevoegde federale diensten nemen de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moeten worden genomen, in het maatregelenprogramma op.De maatregelen mogen het herstel van de kwaliteit van de oppervlaktewateren niet in de weg staan wanneer die omstandigheden niet meer bestaan; 4° de minister evalueert jaarlijks de gevolgen van de uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden.Onder voorbehoud van de redenen vermeld in artikel 8, § 2, 1°, nemen de bevoegde federale diensten alle haalbare maatregelen om de oppervlaktewateren zo snel als redelijkerwijs haalbaar te herstellen in de toestand waarin zij zich bevonden voordat de effecten van die omstandigheden intraden; 5° de tijdelijke achteruitgang verhindert of bemoeilijkt het bereiken van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water in andere waterlichamen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde niet blijvend en is verenigbaar met de andere regelgeving tot uitvoering van Gemeenschapsvoorschriften op milieugebied;6° in de volgende bijwerking van het stroomgebiedsbeheersplan staat een overzicht van de effecten van de omstandigheden en van de maatregelen die zijn of zullen worden genomen. Art. 12.§ 1. De volgende gevallen vormen geen inbreuk op de bepalingen van dit besluit : 1° het niet-bereiken van een goede ecologische toestand, of, in voorkomend geval, een goed ecologisch potentieel, of het niet voorkomen van de achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam is het gevolg van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van het oppervlaktewaterlichaam;2° het niet-voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand is het gevolg van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling. § 2. De volgende voorwaarden moeten daarbij cumulatief worden voldaan : 1° de bevoegde federale diensten ondernemen alle haalbare stappen om de negatieve effecten op de toestand van het waterlichaam tegen te gaan;2° de minister vermeldt de redenen voor die veranderingen of wijzigingen en licht deze toe in het stroomgebiedsbeheersplan, vermeld in artikel 22, en toetst de doelstellingen om de zes jaar;3° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen zijn van hoger openbaar belang of het nut van het bereiken van de in paragraaf 1 vermelde doelstellingen voor milieu en samenleving wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling;4° het nuttige doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het waterlichaam wordt gediend, kan vanwege technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen;5° deze gevallen verhinderen of bemoeilijken het bereiken van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water in andere waterlichamen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde niet blijvend en zijn verenigbaar met de andere regelgeving tot uitvoering van Gemeenschapsvoorschriften op milieugebied. Art. 13.§ 1. Het DG Leefmilieu maakt voor de oppervlaktewateren, overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen I en II en uiterlijk op 22 december 2005 : 1° een analyse van de kenmerken van de oppervlaktewateren;2° een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van de oppervlaktewateren;3° een economische analyse van het watergebruik. § 2. De BMM toetst de analyse en de beoordeling, zoals vermeld in paragraaf 1, ten laatste op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar. Indien nodig worden de analyse en de beoordeling bijgewerkt. Art. 14.Het DG Leefmilieu legt een register aan van binnen de oppervlaktewateren gelegen beschermde mariene gebieden. Het register omvat minstens de in bijlage III bedoelde beschermde mariene gebieden en wordt voortdurend bijgewerkt. Art. 15.§ 1. De BMM stelt de monitoringprogramma's voor de voortgaande beoordeling van de milieutoestand van het mariene milieu op en voert deze uit. § 2. De BMM pleegt overleg met het DG Leefmilieu teneinde de monitoringprogramma's af te stemmen op de andere fasen voor het bereiken door de bevoegde federale diensten van een goede oppervlaktewatertoestand. Art. 16.§ 1. Het monitoringprogramma houdt inzake de oppervlaktewateren de volgende elementen in : 1° het volume en het niveau of snelheid van de stroming, voor zover van belang voor de ecologische en chemische toestand en het ecologische potentieel;2° de ecologische en chemische toestand en het ecologisch potentieel;3° de aanzet tot een analyse van de langetermijntendenzen binnen de concentraties van de in deel A van bijlage VII vermelde prioritaire stoffen die de tendens hebben te accumuleren in sediment en/of biota, met bijzondere aandacht voor de stoffen 2, 5, 6, 7, 12, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 26, 28 en 30, teneinde, indien nodig, maatregelen te kunnen nemen die erop gericht zijn dat dergelijke concentraties niet significant toenemen in sediment en/of de betrokken biota.De meetfrequentie in sediment en/of biota wordt zodanig vastgesteld dat zij voldoende gegevens voor een betrouwbare analyse van langetermijntendenzen oplevert. Als richtsnoer geldt dat de monitoring elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een andere tussenperiode rechtvaardigen. § 2. Het monitoringprogramma houdt inzake de beschermde mariene gebieden de aanvullende specificaties van de uitvoeringsregelgeving van de communautaire wetgeving in krachtens welke de afzonderlijke beschermde mariene gebieden zijn ingesteld. § 3. De monitoring gebeurt volgens de voorschriften vermeld in bijlage IV. Art. 17.§ 1. Het DG Leefmilieu coördineert de federale opstelling van een ontwerp van maatregelenprogramma om de doelstellingen in artikel 4 te bereiken. Vervolgens legt het DG Leefmilieu dit ontwerp voor aan de minister ter ondertekening. Indien nieuwe maatregelen genomen worden, leggen de bevoegde federale diensten dit ontwerp voor aan hun voogdijminister(s) ter ondertekening. § 2. Het maatregelenprogramma houdt rekening met de resultaten van de door artikel 13 voorgeschreven analyses en kan verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit andere federale reglementeringen. Art. 18.§ 1. De maatregelenprogramma's omvatten de basismaatregelen die gelden als minimumvereisten. Deze omvatten de maatregelen vermeld in bijlage V, delen A en B. § 2. De maatregelenprogramma's omvatten tevens de aanvullende maatregelen, die gelden als aanvulling op de basismaatregelen. Deze omvatten de maatregelen vermeld in bijlage V, deel C, zonder limitatief te zijn. Art. 19.§ 1. Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de doelstellingen vermeld in artikel 4 voor de oppervlaktewateren vermoedelijk niet kunnen worden bereikt : 1° zorgt het DG Leefmilieu ervoor dat : a) de oorzaken van het eventuele falen worden onderzocht;b) de verleende vergunningen, machtigingen en gebruikersvoorwaarden onderzocht en zo nodig een herziening voorgesteld wordt aan de bevoegde minister;2° coördineert het DG Leefmilieu de federale opstelling van een voorstel van eventuele aanvullende maatregelen, waaronder indien nodig de vaststelling van strengere milieukwaliteitsnormen, overeenkomstig de procedures van bijlage IV.Daarna leggen de bevoegde federale diensten dit ontwerp voor aan hun voogdijminister(s) ter ondertekening. § 2. Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de doelstellingen vermeld in artikel 4 voor de oppervlaktewateren vermoedelijk niet kunnen worden bereikt, zorgt de BMM ervoor dat de monitoringsprogramma's getoetst en zo nodig bijgesteld worden. Art. 20.Indien de doelstellingen vermeld in artikel 4 vermoedelijk niet zullen worden bereikt ingevolge redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, kan de minister besluiten dat aanvullende maatregelen niet haalbaar zijn, onder voorbehoud van artikel 11. Art. 21.Ter uitvoering van de basismaatregelen vermeld in artikel 18 en bijlage V, nemen de bevoegde federale diensten alle passende maatregelen opdat de verontreiniging van de oppervlaktewateren niet toeneemt, zonder dat dit direct of indirect tot meer verontreiniging van de oppervlaktewateren mag leiden. De laatstgenoemde voorwaarde geldt evenwel niet indien daardoor meer verontreiniging aan het milieu in zijn geheel aangebracht zou worden. Art. 22.§ 1. De bevoegde ministers ondertekenen het eerste maatregelenprogramma uiterlijk op 22 december 2009, op voorlegging van het DG Leefmilieu. De maatregelen moeten ten laatste op 22 december 2012 in uitvoering zijn. § 2. Vervolgens toetst de minister het maatregelenprogramma om de zes jaar. In voorkomend geval herzien de bevoegde federale diensten het maatregelenprogramma. De nieuwe of herziene maatregelen moeten ten laatste drie jaar na de vaststelling operationeel zijn.
Indien de bevoegde federale diensten in het kader van een herzien programma nieuwe of herziene maatregelen nemen, moeten deze binnen drie jaar na hun vaststelling in uitvoering zijn. Art. 23.Wanneer het DG Leefmilieu of een andere bevoegde federale dienst, binnen het kader van zijn bevoegdheidspakket, een probleem constateert dat gevolgen heeft voor de oppervlaktewateren, maar dat niet op nationaal niveau kan worden opgelost, kan hij dat probleem, via de geëigende kanalen, voorleggen aan de Europese Commissie en eventuele andere betrokken lidstaten en daarbij aanbevelingen doen voor de oplossing ervan. Art. 24.§ 1. De bevoegde federale diensten dragen bij aan de opstelling van een enkel internationaal stroomgebiedsbeheersplan, binnen het Scheldeverdrag, of van een nationaal stroomgebiedsbeheersplan, binnen het CCIM. Indien geen uniek stroomgebiedsheersplan tot stand komt op internationaal of op nationaal niveau, stellen de bevoegde federale diensten een stroomgebiedsbeheersplan op voor de oppervlaktewateren. § 2. Het stroomgebiedsbeheersplan vermeldt de in bijlage VI opgenomen informatie. § 3. Het stroomgebiedsbeheersplan kan aangevuld worden met een meer gedetailleerd programma en beheersplan voor de oppervlaktewateren of per sector, aangelegenheid of watertype, waarin specifieke aspecten van het waterbeheer behandeld worden. § 4. Het stroomgebiedsbeheersplan wordt uiterlijk op 22 december 2009 gepubliceerd bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad en in volledige vorm op de portaalsite van de federale overheid en via minstens één bijkomend medium, waarna het om de zes jaar getoetst en bijgesteld wordt. Art. 25.Het DG Leefmilieu publiceert de volgende documenten op de federale portaalsite en door een bijkomend communicatiemiddel en legt ze voor aan het publiek voor schriftelijke opmerkingen, gedurende een periode van zes maanden : a) een tijdschema en werkprogramma voor de opstelling van het plan, met inbegrip van de vermelding van de te nemen raadplegingsmaatregelen, minstens drie jaar vóór het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft;b) een tussentijds overzicht van de belangrijke waterbeheerskwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied, minstens twee jaar vóór het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft;c) kopieën van het ontwerp van stroomgebiedsbeheersplan, minstens één jaar vóór het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft;d) de hierboven vermelde documenten in het kader van de bijwerking van stroomgebiedsbeheersplannen. Te dien einde wordt een publieksraadpleging aangekondigd, uiterlijk vijftien dagen voor de aanvang ervan, door een bericht in het Belgisch Staatsblad, op de federale portaalsite en via het bijkomend communicatiemiddel.
Op schriftelijk verzoek wordt inzage gegeven in de bij de opstelling van het ontwerp van stroomgebiedsbeheersplan gebruikte achtergronddocumenten en -informatie. Art. 26.§ 1. Het DG Leefmilieu zendt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie en eventuele andere betrokken lidstaten afschriften van het stroomgebiedsbeheersplan van de oppervlaktewateren en alle latere bijgestelde versies binnen drie maanden na publicatie daarvan toe. § 2. Het DG Leefmilieu legt, via de geëigende kanalen beknopte verslagen aan de Europese Commissie voor met betrekking tot de vereiste analyses vermeld in artikel 13 en de monitoringsprogramma's vermeld in artikel 15 die ten behoeve van het eerste stroomgebiedsbeheersplan zijn uitgevoerd binnen drie maanden na hun voltooiing. § 3. Binnen de drie jaar na de publicatie van elk stroomgebiedsbeheersplan of van elke bijstelling overeenkomstig artikel 22, legt het DG Leefmilieu, via de geëigende kanalen, een tussentijds verslag voor over de vooruitgang in de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma. Art. 27.§ 1. Op basis van de overeenkomstig artikelen 13 en 15, krachtens Verordening (EG) nr. 166/2006 verzamelde informatie, alsook andere beschikbare gegevens, stelt BMM voor de oppervlaktewateren een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in deel A van bijlage VII vermelde prioritaire stoffen en verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van hun concentraties in sedimenten en biota. § 2. De referentieperiode voor de schatting van de waarden van verontreinigende stoffen die in de in paragraaf 1 bedoelde inventarissen worden opgenomen, is één jaar tussen 2008 en 2010. Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die onder het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik vallen, kunnen deze waarden echter worden berekend als gemiddelde over de jaren 2008, 2009 en 2010. § 3. Het DG Leefmilieu stelt de Europese Commissie, via de geëigende kanalen, in overeenstemming met de rapporteringsverplichtingen uit hoofde van artikel 26, in kennis van de overeenkomstig paragraaf 1 opgestelde inventarissen met inbegrip van de desbetreffende referentieperioden. § 4. Het DG Leefmilieu actualiseert de inventaris als onderdeel van de toetsing van de in artikel 13 bedoelde analyses. De referentieperiode voor de vaststelling van de waarden in de bijgestelde inventarissen is het jaar vóór de afronding van die analyse. Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die onder de omzettingsregelgeving van Richtlijn 91/414/EEG vallen, mogen de waarden worden berekend als het gemiddelde van de drie jaren vóór de afronding van die analyse. Het DG Leefmilieu publiceert de geactualiseerde inventarissen in hun geactualiseerde stroomgebiedsbeheersplannen zoals bepaald in artikel 24, § 4. Art. 28.De Minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid, de Minister bevoegd voor Landsverdediging, de Minister bevoegd voor Leefmilieu en Energie, de Minister bevoegd voor Ondernemen, de Minister bevoegd voor Mobiliteit en het Mariene Milieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 23 juni 2010.
ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE
Bijlage I 1. OPPERVLAKTEWATEREN 1.1. Karakterisering van de oppervlaktewateren De bevoegde federale diensten maken een eerste karakterisering van de oppervlaktewateren, als oppervlaktewaterlichaam, overeenkomstig de hiernavolgende methodiek. De bevoegde federale diensten kunnen de oppervlaktewateren ten behoeve van die eerste karakterisering in een groep onderbrengen : i) De oppervlaktewateren vallen onder de categorie kustwateren of worden aangemerkt als sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam. ii) Voor elke oppervlaktewatercategorie worden de relevante oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict onderscheiden in typen. Het gaat hierbij om de typen die worden bepaald gebruikmakend van ofwel systeem A ofwel systeem B bepaald in punt 1.2. iii) Indien systeem A wordt gebruikt, worden de oppervlaktewaterlichamen binnen het stroomgebiedsdistrict eerst onderscheiden naar ecoregio volgens de geografische gebieden die in punt 1.2 zijn onderscheiden. De waterlichamen in iedere ecoregio worden vervolgens onderscheiden in typen oppervlaktewaterlichamen volgens de descriptoren in de tabellen van systeem A. iv) Indien systeem B wordt gebruikt, moeten een minstens even sterke mate van differentiatie bereikt worden als met systeem A zou zijn bereikt. De oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict worden onderscheiden in typen met behulp van de waarden voor de verplichte descriptoren en die facultatieve descriptoren, of combinaties van descriptoren, welke nodig zijn voor een betrouwbare afleiding van de voor dat type specifieke biologische referentieomstandigheden. v) Sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden gedifferentieerd met behulp van de descriptoren voor de oppervlaktewatercategorie die het meest lijkt op het betrokken sterk veranderde waterlichaam. vi) Het DG Leefmilieu legt de Commissie, via de geëigende kanalen een kaart of kaarten voor (in een GIS-formaat) van de geografische ligging van de typen voor met de uit hoofde van systeem A vereiste differentiatiegraad. 1.2. Ecoregio's en typen oppervlaktewaterlichamen Kustwateren
Systeem A
Vaste typering
Descriptoren
Ecoregio
Het volgende gebied :
Noordzee
Type
Op basis van het jaargemiddelde van het zoutgehalte
0,5 tot 5 tot 18 tot 30 tot Op basis van gemiddelde diepte
Ondiep : Middeldiep : 30 tot 200 m
Diep : > 200 m
Systeem B
Alternatieve karakterisering
Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het kustwater en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische gemeenschap
Verplichte factoren
Breedtegraad
Lengtegraad
Getijverschil
Zoutgehalte
Facultatieve factoren
Stroomsnelheid
Golfslag
Gemiddelde watertemperatuur
Mengkarakteristieken
Turbiditeit
Verblijftijd (van omsloten inhammen)
Gemiddelde samenstelling van het substraat
Bereik van de watertemperatuur
1.3. Vaststellen van typespecifieke referentieomstandigheden voor typen oppervlaktewaterlichamen i) Voor elk overeenkomstig punt 1.1 gekarakteriseerd type oppervlaktewaterlichaam worden typespecifieke hydromorfologische en fysisch-chemische omstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1.1 van bijlage IV genoemde hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen, welke voor dat type oppervlaktewaterlichaam behoren bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 1.2 van bijlage IV. Verder worden typespecifieke biologische referentieomstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1.1 van bijlage IV genoemde biologische kwaliteitselementen voor dat type oppervlaktewaterlichaam bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 1.2 in bijlage IV. ii) Bij de toepassing van de in dit punt omschreven procedures op sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden verwijzingen naar zeer goede ecologische toestand opgevat als verwijzingen naar het maximale ecologische potentieel zoals omschreven in de tabel in bijlage IV, B, 2°. De waarden voor het maximale ecologische potentieel voor een waterlichaam worden om de zes jaar getoetst. iii) Typespecifieke omstandigheden zoals bedoeld in i) en ii), en typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen ruimtelijk of op modellen gebaseerd zijn, of worden afgeleid door een combinatie van die methoden te gebruiken. Wanneer het niet mogelijk is om die methoden te gebruiken, kunnen de bevoegde federale diensten voor het bepalen van dergelijke omstandigheden het advies van deskundigen inwinnen. Voor het bepalen van een zeer goede ecologische toestand met betrekking tot de concentraties van specifieke synthetische verontreinigende stoffen gelden de detectielimieten die haalbaar zijn met de technieken welke beschikbaar zijn op het tijdstip dat de typespecifieke omstandigheden moeten worden bepaald. iv) Voor op ruimte gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden vormen de bevoegde federale diensten voor de oppervlaktewateren een referentienet. Het net bevat een voldoende aantal locaties met een zeer goede toestand zodat een voldoende betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden kan worden bereikt, gelet op de variabiliteit van de waarden van de kwaliteitselementen die voor dat type oppervlaktewaterlichaam overeenkomen met een zeer goede ecologische toestand en de krachtens punt v) toe te passen modelleringstechnieken. v) Op modellen gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen worden afgeleid met voorspellingsmodellen of terugrekenmethoden.Bij die methoden worden historische, paleologische en andere beschikbare gegevens gebruikt. De betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden moet voldoende hoog zijn opdat de aldus afgeleide omstandigheden consistent en geldig voor elk type oppervlaktewaterlichaam zijn. vi) Wanneer het voor een kwaliteitselement in een type oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is om betrouwbare typespecifieke referentieomstandigheden vast te stellen, omdat de natuurlijke variabiliteit in dat element hoog is, niet alleen ten gevolge van seizoensschommelingen, behoeft dat element niet te worden opgenomen in de beoordeling van de ecologische toestand voor dat type oppervlaktewater. In dat geval motiveren de bevoegde federale diensten die uitsluiting in het stroomgebiedsbeheersplan. 1.4. Beoordeling van de belasting van wateren De bevoegde federale diensten verzamelen informatie over soort en omvang van de significante antropogene belastingen waaraan de oppervlaktewateren onderhevig kunnen zijn, en houden die informatie bij.
Het betreft met name : schatting en identificatie van significante verontreiniging uit puntbronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard in het kader van andere toepasselijke regelgeving; schatting en identificatie van significante verontreiniging uit diffuse bronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard in het kader van andere toepasselijke regelgeving; schatting en identificatie van de effecten van significante regulering van de waterstroming, met inbegrip van overbrenging en omleiding van water, op de stromingskenmerken en waterbalansen in hun geheel; identificatie van significante morfologische veranderingen van waterlichamen; schatting en identificatie van andere significante antropogene invloeden op de toestand van oppervlaktewateren, en schattingen van bodemgebruikspatronen, waaronder de identificatie van de belangrijkste industriële gebieden en visgronden. 1.5. Beoordeling van effecten De bevoegde federale diensten beoordelen in hoeverre de oppervlaktewatertoestand van lichamen gevoelig is voor de bovenvermelde vormen van belasting.
Bovenvermelde informatie die zij verzameld hebben, en alle andere relevante informatie met inbegrip van bestaande milieumonitoringsgegevens, wordt gebruikt om een beoordeling te maken van de kans dat oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict niet zullen voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen die artikel 4 aan die lichamen stelt. De bevoegde federale diensten kunnen bij die beoordeling modelleringstechnieken gebruiken.
Voor lichamen waarvan is gebleken dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen moet, voorzover dienstig, een verdere karakterisering plaatsvinden om het ontwerp van de bij artikel 15 voorgeschreven monitoringsprogramma's en de bij artikel 17 voorgeschreven maatregelenprogramma's te optimaliseren.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de vaststelling van een kader voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand.
ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE
Bijlage II ECONOMISCHE ANALYSE De economische analyse omvat voldoende informatie die voldoende gedetailleerd moet zijn (rekening houdend met de kosten voor het verzamelen van de relevante gegevens) voor : a) de relevante berekeningen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 4, § 2, rekening te houden met het beginsel van de terugwinning van de kosten voor waterdiensten;b) een oordeel over de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen op het gebied van watergebruik die moeten worden opgenomen in het programma van maatregelen overeenkomstig artikel 18, gebaseerd op ramingen van de potentiële kosten van dergelijke maatregelen. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de vaststelling van een kader voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand.
ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE
Bijlage III BESCHERMDE GEBIEDEN 1. Het overeenkomstig artikel 14 voorgeschreven register van beschermde gebieden dient de volgende soorten beschermde gebieden te omvatten : i) gebieden die voor de bescherming van economisch significante in het water levende planten- en diersoorten zijn aangewezen; ii) waterlichamen die als recreatiewater zijn aangewezen, met inbegrip van de gebieden die als zwemwater overeenkomstig de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België zijn aangewezen. iii) nutriëntengevoelige gebieden, met inbegrip van die welke overeenkomstig de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België zijn aangewezen als kwetsbare zones en kwetsbare gebieden, en iv) gebieden die voor de bescherming van habitats of van soorten zijn aangewezen, wanneer het behoud of de verbetering van de watertoestand bij de bescherming een belangrijke factor vormt, met inbegrip van de relevante, Natura 2000-gebieden. 2. De samenvatting van het als onderdeel van het stroomgebiedsbeheersplan vereiste register dient kaarten te omvatten waarop de ligging van elk beschermd gebied is aangegeven, alsmede een beschrijving van de communautaire, nationale of lokale wetgeving krachtens welke zij zijn aangewezen. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2010 betreffende de vaststelling van een kader voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand.
ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE
Bijlage IV OPPERVLAKTEWATERTOESTAND A. Kwaliteitselementen voor de klasse-indeling naar ecologische toestand 1° Kustwater Biologische elementen Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton Samenstelling en abundantie van de overige waterflora Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna Hydromorfologische elementen ter ondersteuning van de biologische elementen Morfologische elementen Dieptevariatie Structuur en substraat van de kustbodem Structuur van de getijdenzone Getijdenregime Overheersende stroomrichtingen Golfslag Chemische en fysisch-chemische elementen ter ondersteuning van de biologische elementen Algemeen Doorzicht Thermische omstandigheden Zuurstofhuishouding Zoutgehalte Nutriënten Specifieke verontreinigende stoffen Verontreiniging door alle prioritaire stoffen waarvan is vastgesteld dar zij in het waterlichaam worden geloosd. Verontreiniging door andere stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd. 2° sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen Voor sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen gelden de kwaliteitselementen van de voornoemde categorie natuurlijk oppervlaktewater, en wel die waarmee het betrokken sterk veranderd waterlichaam de grootste overeenkomst vertoont. B. Normatieve definities van ecologische toestandsklassen Tabel Algemene definitie voor kustwateren In de volgende tekst wordt een algemene definitie gegeven van ecologische kwaliteit. Ten behoeve van de klasse-indeling staan de waarden voor de kwaliteitselementen van de ecologische toestand voor de kustwateren hieronder.
Definitie
Zeer goed
Goed
Matig
Algemeen
Er zijn geen of slechts zeer geringe antropogene wijzigingen in de waarden van de fysisch-chemische en hydromorfologische Kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van wat normaal is voor dat type in onverstoorde staat.
De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het oppervlakte-waterlichaam zijn normaal voor dat type in onverstoorde staat, en er zijn geen of slechts zeer geringe tekenen van verstoring.
Dit zijn de typespecifieke omstandigheden en gemeenschappen.
De waarden van de bio-logische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam vertonen een geringe mate van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten, maar wijken slechts licht af van wat normaal is voor het type oppervlakte-waterlichaam in onverstoorde staat.
De waarden van de bio-logische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam wijken matig af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. De waarden vertonen matige tekenen van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten en zijn significant meer verstoord dan bij een goede toestand.
Wateren waarvan de toestand minder dan matig is, worden als ontoereikend of slecht ingedeeld : a) wateren die tekenen van sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin de relevante biologische gemeenschappen sterk afwijken van wat normaal is voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat, worden als ontoereikend ingedeeld;b) wateren die tekenen van zeer sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin grote delen van de relevante biologische gemeenschappen die normaal zijn voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat ontbreken, worden als slecht ingedeeld.1° Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in kustwateren Biologische kwaliteitselementen
Element
Zeer goed
Goed
Matig
Fytoplankton
Samenstelling en abundantie van fytoplanktontaxa komen overeen met de onverstoorde staat. De gemiddelde fyto-planktonbiomassa komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.
Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.
Samenstelling en abundantie van fytoplanktontaxa vertonen lichte tekenen van verstoring.
Er zijn lichte veranderingen in de biomassa ten opzichte van de typespecifieke omstandigheden. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde algengroei die leidt tot een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de waterkwaliteit.
Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.
Samenstelling en abundantie van de planktontaxa vertonen tekenen van matige verstoring.
De algenbiomassa ligt aanzienlijk buiten wat normaal is voor de typespecifieke omstandigheden, zodat zij effecten heeft op de overige biologische kwaliteitselementen.
Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de planktonbloei. In de zomermaanden kan een persistente bloei voorkomen.
Macroalgen en angiospermen
Alle voor verstoring gevoelige macroalgen- en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onver-stoorde staat zijn aanwezig.
De macroalgen-bezetting en de abundantie van angiospermen komen overeen met de onverstoorde staat.
De meeste voor verstoring gevoelige macroalgen- en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.
De macroalgen-bezetting en de abundantie van angiospermen vertonen lichte tekenen van verstoring.
Een matig aantal voor verstoring gevoelige macro-algen en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat, ontbreken.
De macroalgen-bezetting en de abundantie van angiospermen zijn matig verstoord en kunnen van dien aard zijn dat zij een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen ten gevolge hebben.
Bentische ongewervelde fauna
De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Alle voor verstoring gevoelige taxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.
De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa liggen enigszins buiten de grenzen die normaal zijn voor de typespecifieke omstandigheden.
De meeste gevoelige taxa van de typespecifieke gemeenschappen zijn aanwezig.
De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa liggen matig buiten de gr …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.