← België

Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor de biomethaniseringsinstallaties bedoeld in rubriek 90.23.15 en tot wijz

Kort samengevat

Dit besluit van de Waalse Regering stelt specifieke voorwaarden vast voor biomethaniseringsinstallaties en wijzigt een eerder besluit over milieuvergunningen. Het doel is om de regelgeving te stroomlijnen en te vereenvoudigen voor deze installaties.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
24 APRIL 2014. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor de biomethaniseringsinstallaties bedoeld in rubriek 90.23.15 en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027817 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005 en het decreet van 22 november 2007, artikel 4, gewijzigd bij het decreet van 24 oktober 2013, artikel 5, artikel 7, gewijzigd bij het decreet van 22 november 2007, artikel 7bis, ingevoegd bij het decreet van 24 oktober 2013, artikel 8, gewijzigd bij het decreet van 24 oktober 2013, artikel 9, artikel 17, gewijzigd bij de decreten van 19 september 2002 en 21 juni 2012, artikel 55, § 1, en artikel 83; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027817 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning; Gelet op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater; Gelet op het advies van de adviescel voor duurzame ontwikkeling, gegeven op 10 april 2014; Gelet op het advies nr. 55.430/4 van de Raad van State, gegeven op 26 maart 2014, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de voorschriften van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, die aanvankelijk zijn genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, nu opgeheven, voortaan hun wettelijke grondslag vinden in de bepalingen van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning op grond waarvan de Regering bevoegd is om algemene voorwaarden in de zin van hoofdstuk I, afdeling III, van dat decreet vast te leggen; Overwegende dat de Regering, wanneer ze sectorale voorwaarden vastlegt, krachtens artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten slechts van de algemene voorwaarden mag afwijken voor zover ze die afwijking motiveert; Overwegende dat sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 zijn opgenomen in Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt (hoofdstuk VI - Algemeen reglement voor de sanering van het stedelijk afvalwater) wat betreft het huishoudelijk afvalwater en in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027817 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitaie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning; Overwegende tot slot dat de niet-toepassing van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 tot gevolg heeft dat het aantal reglementaire teksten die op een inrichting toepasselijk zijn beperkt kan worden en zodoende beantwoordt aan de wil van de Waalse Regering om een programma voor administratieve rationalisering en vereenvoudiging aan te nemen; Op de voordracht van de Minister van Leefmilieu; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld en begripsomschrijving Artikel 1.Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de biomethaniseringsinstallaties bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027817 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° additief : elke niet afbreekbare stof die dient om de biomethanisering te verbeteren;2° biogas : gas dat ontstaat uit het biologische rottingsproces van biomaterie door gebrek aan zuurstof in de gistingstank;3° « CWEA » : het « Compendium wallon des méthodes d'échantillonnage et d'analyse » (Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes) opgemaakt door de Waalse Regering en bevattende het geheel van de methodes inzake afneming en monsterneming, bewaring, voorbehandeling en analyse van de monsters alsook de analytische procedures tot bepaling van de gehalten aan verontreinigende stoffen. Het « CWEA » heeft een indicatieve waarde; 4° digestaat : de stof die voortkomt uit een anaëroob biologisch transformatieproces van biomaterie in gecontroleerde omstandigheden in een gistingstank;5° bruto digestaat : het digestaat aan de uitgang van de gistingstank;6° behandeld digestaat : het digestaat dat één of meer nabehandelingen heeft ondergaan na de gistingstank te hebben verlaten;7° bestaande inrichting : inrichting die behoorlijk is vergund vóór de inwerkingtreding van dit besluit.De ombouw of uitbreiding van een biomethaniseringsinstallatie die de exploitant vóór de inwerkingtreding van dit besluit vermeld heeft in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning wordt met een bestaande biomethaniseringsinstallatie gelijkgesteld. De inrichting waarvoor een vergunningsaanvraag vóór de inwerkingtreding van dit besluit is ingediend, wordt gelijkgesteld met een bestaande inrichting als de vergunning op basis van die aanvraag is verleend. 8° partij : een bepaalde hoeveelheid digestaat die in gelijksoortige omstandigheden en op dezelfde productieplaats voortgebracht wordt en die een eenheid vormt waarvan verondersteld wordt dat de kenmerken eenvormig zijn;9° materie : elke stof die bij de nabehandeling gebruikt wordt;10° vergunning : een milieuvergunning of eenmalige vergunning in de zin van van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning;11° nabehandeling : de handeling betreffende de behandeling van het digestaat tot wijziging van de kenmerken van het bruto digestaat, met uitzondering van de compostering;12° voorbehandeling van het biogas : de zuivering van het biogas vooraleer het als brandstof in de inrichting gebruikt wordt;13° voorafgaande behandeling: het geheel van de handelingen die voorafgaan aan de biomethanisering met betrekking tot de ontvangst, de voorbereiding en de opslag van biomaterie;14° zonering ATEX : de afbakening van de zones waar explosieve atmosferen in een locatie aanwezig zijn, op basis van de artikelen 105 tot 113 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard. HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw Afdeling 1. - Ontwerp van de installatie en toegankelijkheid Art. 3.§ 1. De afstand tussen elk deel van de biomethaniseringsinstallatie die minder dan 830 Nm[00b3] inhoudt, in het bijzonder de gistingstank, de nagistingstank, de infrastructuur voor de opslag van biogas, de biogasleidingen en de door derden bewoonde woningen bedraagt 50 meter of meer. De woningen betrokken door de exploitant, het personeel van de installatie of de leveranciers van biomaterie bestemd voor biomethanisering worden niet beschouwd als door derden bewoonde woningen. § 2. De afstand tussen elk deel van de biomethaniseringsinstallatie dat 830 Nm3 biogas of meer inhoudt en de door derden bewoonde woningen wordt in de bijzondere vergunningsvoorwaarden bepaald op basis van de risico-analyse bedoeld in bijlage XXXI bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027817 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning. Art. 4.De toegang tot de biomethaniseringsinstallatie wordt beperkt tot de personen die toegelaten worden door de exploitant of diens aangestelde. Art. 5.De biomethaniseringsinstallatie wordt gescheiden van de andere installaties die door de exploitant op dezelfde site beheerd worden zodat de voor de andere installaties bestemde biomateriestromen niet transiteren langs de zone voorbehouden aan de biomethaniseringsinstallatie. Art. 6.De biomethaniseringsinstallatie beschikt op zijn minst over : 1° een parkeerruimte voor de voertuigen die wachten om geleegd of gelost te worden;2° een ruimte om de inkomende biomaterie op te vangen;3° een ruimte voor de installatie tot bereiding van het mengsel van biomaterie, desgevallend met additieven, dat in de gistingstanks geïnjecteerd zal worden;4° een ruimte voor de gistingstanks;5° een infrastructuur voor de opslag van het biogas;6° een infrastructuur voor de opslag van het bruto of behandelde digestaat;7° een infrastructuur voor de opslag van de geweigerde biomaterie, duidelijk daartoe geïdentificeerd;8° een infrastructuur voor de opslag van de inkomende biomaterie als de opslag ervan voorzien wordt;9° een ruimte voor de nagistingstanks als nagistingshandelingen voorzien worden;10° een infrastructuur voor de nabehandeling van het digestaat als die handeling voorzien wordt. Art. 7.Elke biomethaniseringsinstallatie met een dagelijkse behandelingscapaciteit boven 100 ton wordt uitgerust met een afzonderingsbassin of elke andere gelijksoortige voorziening voor de opvang van de wateren die mogelijk verontreinigd worden bij een ongeval of een brand, met inbegrip van de wateren gebruikt om te blussen of voor het digestaat of de biomaterie in behandeling in geval van overloop of van verlies van dichtheid van de gistingstank of van de kuip voor de opslag van het digestaat. De voorziening bedoeld in het eerste lid kan bestaan in een aanberming voor zover ze uitgevoerd wordt om de retentie toe te laten van alle wateren die mogelijk verontreinigd worden bij een ongeval of een brand. De verontreinigde wateren kunnen in het ontvangend milieu geloosd worden na een geschikte behandeling waarbij de naleving van de lozingsnormen bedoeld in de artikelen 45 en 46 van dit besluit gewaarborgd kan worden. Zo niet worden ze afgevoerd overeenkomstig de afvalwetgeving. Art. 8.§ 1. De bodem van de ruimtes en de infrastructuren bedoeld in artikel 6, 1° tot 4° en 6° tot 10° is bedekt met een dicht materiaal om insijpelingen in de grond te voorkomen en is hellend genoeg om de verontreinigende afvloeisels en afvloeiende wateren, de reinigingswateren, de toevallig verspreide materies en het eventuele brandbluswater gravitair op te vangen. § 2. De binnenwegen van de installation zijn van een bedekking voorzien. Art. 9.De parkeerruimte, de binnenwegen alsook de in- en uitgang van de biomethaniseringsinstallatie worden ontworpen om belemmering en ongevalrisico's in de installatie en op de openbare weg te voorkomen. Art. 10.De biomethaniseringsinstallatie waarvan het verwerkingsvermogen 100 ton per dag overschrijdt, beschikt over een geijkte weegbrug met automatische registratie of over elke ander hulpmiddel om de biomaterie, materies, additieven en digestaten die de installatie binnenkomen of verlaten precies te kwantificeren. Afdeling 2. - Opslag Art. 11.De eventuele afvloeisels uit de opgeslagen biomaterie kunnen de rioleringen of de grond- of oppervlaktewateren niet bereiken en worden in een opslaginfrastructuur opgeslagen of door een absorberende materie opgevangen. Art. 12.De infrastructuren voor de opslag van teelteffluenten zoals omschreven in artikel R.188, 11°, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de ruimtes voor de opslag van digestaten zijn dicht en chemisch inert t.o.v. de opgeslagen effluenten. Die infrastructuren worden beschouwd als dicht en chemisch inert t.o.v. de opgeslagen effluenten als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007. Art. 13.De opslaginfrastructuren worden duidelijk geïdentificeerd volgens de inhoud en capaciteit ervan. De richting van de inkomende en uitgaande stromen is aangegeven. Art. 14.§ 1. Het digestaat en de biomaterie worden in opslaginfrastructuren opgeslagen. De infrastructuren voor de opslag van de biomaterie en het digestaat worden gebruikt zodat elke lozing in het natuurlijke milieu voorkomen wordt. § 2. De capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van het digestaat volstaat om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is. Het aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat volstaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt. Als de capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van digestaat zoals bedoeld in het eerste lid of het aantal ervan overeenkomstig het tweede lid niet volstaat, sluit de exploitant een overeenkomst tot huur van een behoorlijk vergunde opslaginstallatie die uitsluitend voor de opslag van digestaat bestemd is, die dicht en chemisch inert is en die voldoet aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 december 2004. De huurcontracten worden door de exploitant ter beschikking van de toezichthoudend ambtenaar gelegd om aan te tonen dat hij door het sluiten van de huurcontracten beschikt over een voldoende capaciteit om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is en over een voldoend aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt. De huurcontracten bevatten op zijn minst de volgende elementen : 1° de identificatie van de medecontractanten;2° de handtekening van de partijen bij de overeenkomst;3° de hoeveelheid digestaat die opgeslagen kan worden;4° de verplichtingen van de partijen in geval van opslag van digestaat dat niet voldoet aan de toepasselijke wetgeving;5° de lokalisering van de infrastructuur;6° de duur van de overeenkomst. § 3. De kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat zijn dicht en chemisch inert. Die kuipen worden beschouwd als dicht en chemisch inert als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007. De dichtheid van de kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat kan makkelijk en voortdurend gecontroleerd worden. § 4. De digestaten bestemd om in of op de grond te worden gebruikt worden in partijen verdeeld met het oog op de analytische karakterisering ervan. Wat de vaste digestaten betreft, staat elke partij gelijk met een hoeveelheid die niet groter mag zijn dan 1 000 ton of met één jaar productie indien de jaarlijkse productie lager is dan 1 000 ton. Wat de vloeibare digestaten betreft, staat een partij gelijk met de inhoud van een opslagkuip die niet meer bevoorraad kan worden. De producent neemt maatregelen om de kwaliteit en de homogenëiteit van de partijen digestaat te waarborgen. Art. 15.Een draineersysteem wordt aangelegd onder de infrastructuren voor de opslag van de vloeibare biomaterie of digestaten om waterverzading in de fundering te voorkomen en een eventuele gebrekkige dichtheid aan het licht te brengen. Een periferische drain of ringdrain wordt aan de basis van de wand (buitenkant) geplaatst. Het drainagenetwerk komt via een verzamelriool voor draineerwater in een waterdichte inspectieput terecht. De inspectieput wordt ontworpen zodat het waterpeil minstens 10 cm hoog is. Afdeling 3. - Biogas Art. 16.§ 1. Elke andere rechtstreekse lozing van biogas in de lucht dan de lozingen die zich in geval van toevallige overdruk kunnen voordoen, is verboden. § 2. De biomethaniseringsinstallatie beschikt over een uitrusting voor de vernietiging van niet gevaloriseerd biogas, zoals een torchère, of over elk ander systeem waarmee een gelijkwaardig veiligheidsniveau bereikt kan worden. De uitrusting is meer dan 10 meter verwijderd van de biogasopslaginstallaties. De uitrusting kan de totale nominale productie van de biomethaniseringsinstallatie opvangen. § 3. Wat betreft de installaties die minder dan 100 Nm3/u biogas produceren, kan de in paragraaf 2 bedoelde uitrusting, in geval van verlengde stopzetting van de uitrustingen voor biogasvalorisering, bestaan in een voorziening waarmee het mobiele en mobiliseerbare biogas binnen het uur vernietigd wordt. § 4. De leiding tot toelating van het biogas in de uitrusting waarmee het niet gevalorisserde biogas vernietigd kan worden, beschikt over een vlamterugslagklep, stop- en veiligheidskleppen waarmee de injectie van biogas onderbroken wordt bij gebrek aan vlam. § 5. Om het niet gevaloriseerde biogas te kunnen vernietigen plaatst de exploitant een omheining rondom de uitrusting op een afstand waarbuiten de thermische radiatie kleiner is dan 6,4 kW/m2 en op minimum 5 meter van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden. In afwijking van het eerste lid wordt de omheining niet geëist als de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden zich niet op de grond bevindt, voor zover is aangetoond dat de op grondniveau gemeten thermische radiatie niet hoger is dan 6.4 kW/m2 op de plekken waar personen aanwezig kunnen zijn. Art. 17.§ 1. De veiligheidskleppen van de gistingstanks en van de infrastructuren voor de opslag van biogas worden gekalibreerd zodat het geproduceerde biogas in geval van overdruk eerst afgevoerd wordt naar een uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden. § 2. In geval van verzadiging van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden, worden de veiligheidskleppen geopend. De veiligheidskleppen worden aangebracht zodat het biogas in de lucht gelost wordt op een plek waar geen brand- of ontploffingsrisico bestaat. § 3. De gistingstanks, de nagistingstanks en de infrastructuren voor de opslag van biogas beschikken over een onderdrukklep en een een meetvoorziening van hoog niveau met sturing van de bevoorrading in biomaterie of biogas. In elke biomethaniseringsinstallatie waarvan de dagelijkse verwerkingscapaciteit 100 ton overschrijdt, wordt de bevoorrading automatisch afgesloten en de lediging van het digestaat onderbroken in geval van depressie van de gistingstanks. Art. 18.Om de gevolgen van een plotse overdruk te beperken, worden de uitrustingen waarin de biomethanisering plaatsvindt voorzien van een toestel zoals een soepel membraan, een breukschijf, een ontploffingspijp of elke andere gelijkwaardige apparatuur. Art. 19.Als er een apparatuur bestaat voor de injectie van lucht in het biogas om er het H2S-gehalte per oxidatie te beperken, dan wordt ze ontworpen om gevaar voor vorming van een explosieve atmosfeer te voorkomen of is ze voorzien van veiligheidssystemen waarmee dat risico voorkomen kan worden. Art. 20.Als de biomethaniseringsinstallatie beschikt over een installatie voor de valorisatie van biogas die dient om te voldoen aan de interne behoeften van de inrichting, is ze uitgerust met de volgende veiligheidssystemen : 1° een voorziening voor de gedwongen verluchting van de verbrandingsinstallatie;2° een vlamterugslagklep aangebracht tussen de installatie en de uitrustingen voor de productie van het biogas;3° explosiemeters die in twee drempels voorzien : a) een drempel van 20 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, een alarmsysteem in werking zet;b) een drempel van 40 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, de installatie automatisch buiten werking zet en de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie automatisch afsluit;4° gekalibreerde rook- en branddetectoren die het sein geven van de buitenbedrijfstelling van de installatie voor de valorisatie van biogas en tot de afsluiting van de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie. HOOFDSTUK III. - Exploitatie Afdeling 1. - Algemeenheden Art. 21.De exploitant neemt maatregelen tot beperking van ongedierte, insecten en knaagdieren door het gebruik van erkende bestrijdingsmiddelen, van strikken of toegelaten gifmiddelen voor knaagdieren, door voorzieningen zoals dun roosterwerk, muggennetten, elektrische insectenbestrijdingsmiddelen of elk ander gelijkwaardig systeem. Art. 22.De wielen van de voertuigen die de biomethaniseringsinstallatie verlaten worden gereinigd om de openbare wegen schoon te houden. Art. 23.De contracten of overeenkomsten gesloten tussen de exploitant en de firma's of instellingen belast met de afvoer, valorisatie of verwijdering van de afval, behalve de digestaten gedekt door een gebruikscertificaat, bevatten de gegevens van de installaties waar ze verwijderd of gevaloriseerd worden. Art. 24.§ 1. De volgende procedures, documenten en instructies worden door de exploitant opgemaakt en ter beschikking van zijn bedienden gelegd : 1° de lijst van de te voeren controles, bij een normale werking, bij het opstarten en na een stopzetting;2° het programma en de tijdstippen van de controle op alle uitrustingen;3° de lijsten met de veiligheidsgegevens betreffende de producten die zich in de installatie bevinden;4° de plannen van de lokalen en van de plaats van de alarm- en hulpapparatuur alsook de netwerken tussen uitrustingen met de handkleppen en drukknoppen die gebruikt moeten worden in geval van stoornissen, ongeval of brand; 5° het plan met de lokalisatie van de risico's en alle nuttige elementen betreffende de risico's i.v.m. de exploitatie van de installatie; 6° de maatregelen tot voorkoming van incidenten, ongevallen of brand, ondermeer i.v.m. : a) de vorming van explosieve atmosferen gedurende de overgangsfasen van de exploitatie, met name bij het opstarten of heropstarten, de stopzetting of lediging van een gedeelte of van het geheel van de installatie, alsook tijdens overdrachts- of onderhoudshandelingen;b) het gebruik en de opslag van chemische producten;c) de dichtheid van de gistingstank(s), de leidingen en de retentievoorzieningen;7° de instructies voor het personeel in geval van ongeval of brand. § 2. De exploitant maakt voor het beheer van de biomaterie een werkplan op dat de nodige instructies en procedures bevat met het oog op : 1° de organisatie van de aanneming, toelating, opslag en voorafgaande behandeling van de biomaterie;2° de traceerbaarheid van de stromen biomaterie, digestaat en afval binnen de biomethaniseringsinstallatie en stroomafwaarts;3° de organisatie van de nabehandeling, karakterisering en opslag van het digestaat en van de verwijdering van biomaterie, digestaat en afval;4° de afvoer van de opgeslagen biomaterie en digestaten als de installatie of een deel ervan niet meer operationeel is. De exploitant kan de « Office wallon des Déchets » (Waalse dienst voor afvalstoffen) vragen stellen over de in dit plan te verstrekken informatie. § 3. De procedures, documenten en instructies alsook het werkplan bedoeld in de paragrafen 1 en 2 liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar. Afdeling 2. - Toegelaten biomaterie en stoffen Art. 25.Als het digestaat dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de biomethanisering alleen de additieven en de biomaterie toegelaten voor zover : 1° ze opgenomen zijn in de vergunning voor de biomethaniseringsinstallatie;2° ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27;3° ze op de in bijlage 1 opgenomen lijst vermeld worden, wat betreft de additieven en de biomaterie die afval vormen. Als het digestaat dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de nabehandeling alleen de in de vergunning van de biomethaniseringsinstallatie vermelde materies toegelaten voor zover ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27. Art. 26.Als het digestaat niet dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de biomethanisering en de nabehandeling alleen de in de vergunning van de biomethaniseringsinstallatie vermelde biomaterie en materies toegelaten die voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 1, 4 en 9 van artikel 27 van dit besluit. Art. 27.§ 1. Alleen de biomaterie die ongevaarlijk geacht wordt overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 30/07/1997 numac 1997027374 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van een afvalcatalogus type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 23/07/1997 numac 1997027369 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot aanvulling van artikel 22 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 december 1990 houdende vaststelling van de modaliteiten en van de procedure voor het bekomen van het veiligheidsattest voor de logiesverstrekkende inrichtingen die op 1 januari 1991 bestaan en houdende vaststelling van de veiligheidsnormen inzake brandbeveiliging, die specifiek zijn voor deze logiesverstrekkende inrichtingen sluiten tot vaststelling van een afvalcatalogus en de desbetreffende wijzigingen wordt in de biomethanisering toegelaten. Alleen de materies die ongevaarlijk geacht worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 30/07/1997 numac 1997027374 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van een afvalcatalogus type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 23/07/1997 numac 1997027369 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot aanvulling van artikel 22 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 december 1990 houdende vaststelling van de modaliteiten en van de procedure voor het bekomen van het veiligheidsattest voor de logiesverstrekkende inrichtingen die op 1 januari 1991 bestaan en houdende vaststelling van de veiligheidsnormen inzake brandbeveiliging, die specifiek zijn voor deze logiesverstrekkende inrichtingen sluiten tot vaststelling van een afvalcatalogus en de desbetreffende wijzigingen worden tot de nabehandeling toegelaten. § 2. De biomatierie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling vertonen concentraties van metaalspoorelementen, « ETM » genoemd, die lager zijn dan de volgende grenswaarden : Element grenswaarde in mg/kg M.S. Cd 5 Cu 600 Ni 100 Pb 500 Zn 2 000 Hg 5 Cr 500 § 3. Het slib uit zuiveringsstations dat tot de biomethanisering toegelaten wordt beschikt over een gebruikscertificaat afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 12 januari 1995 houdende reglementering van het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib of slib afkomsting van behandelingscentra voor slijk uit septische putten. § 4. De teelteffluenten die tot de biomethanisering toegelaten worden zijn het voorwerp van een strooicontract, zoals omschreven in hoofdstuk IV van Boek van het Milieuwetboek, dat het Waterboek inhoudt, tussen het landbouwbedrijf dat ze voortbrengt en de exploitant van de biomethaniseringsinstallatie. § 5. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling bevatten minder dan 0,2 percent gewicht aan vuildeeltjes zoals glas, kunststof, metaal. In geval van onmogelijkheid van technische aard wordt de biomethaniseringsinstallatie uitgerust met een zuiveringsinstallatie waarmee die norm betreffende het eindproduct nageleefd kan worden. § 6. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling bevatten minder dan 2 percent gewicht aan stenen. In geval van onmogelijkheid van technische aard wordt de biomethaniseringsinstallatie uitgerust met een zuiveringsinstallatie waarmee die norm betreffende het eindproduct nageleefd kan worden. § 7. Het hout dat bij de biomethanisering gebruikt wordt is niet behandeld. § 8. De additieven verbeteren de biomethanisering zonder de kwaliteit van het digestaat aan te tasten. § 9. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling mogen geen contaminanten bevatten in een dergelijke hoeveelheid dat ze de biomethanisering, de keten van de valorisatie of verwijdering van het digestaat op het spel zou kunnen zetten. § 10. Enkel de bepalingen van de paragrafen 1, 4 en 9 zijn van toepassing op de biomethaniseringsinstallaties die een digestaat voortbrengen dat niet voor valorisatie op of in de grond bestemd is. Afdeling 3. - Procedure tot eerste toelating van een biomaterie of materie Art. 28.§ 1. Vooraleer een biomaterie of een materie van een bepaalde producent of houder de eerste keer in de biomethaniseringsinstallatie wordt toegelaten, gaat de exploitant, op grond van de gegevens verstrekt door de producent of de houder van de biomaterie of materie, na of de materie of de biomaterie voldoet aan de voorschriften van de artikelen 25, 26 en 27, paragrafen 1 tot 4 en 7 tot 9 van dit besluit. Het betreft minimum de volgende gegevens : 1° de personalia van de producent;2° de personalia van de ophaler;3° de bestemmingslokatie;4° de jaarlijkse hoeveelheden, de frequentie van de aankomsten, het geschatte aantal ton in kubiekmeter;5° de aard en de benaming van de biomaterie of de materie en de referentiecode ervan op de in bijlage 1 opgenomen lijst van de afvalvormende biomaterie of, bij gebreke daarvan, de code zoals bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 30/07/1997 numac 1997027374 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van een afvalcatalogus type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 23/07/1997 numac 1997027369 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot aanvulling van artikel 22 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 december 1990 houdende vaststelling van de modaliteiten en van de procedure voor het bekomen van het veiligheidsattest voor de logiesverstrekkende inrichtingen die op 1 januari 1991 bestaan en houdende vaststelling van de veiligheidsnormen inzake brandbeveiliging, die specifiek zijn voor deze logiesverstrekkende inrichtingen sluiten tot vaststelling van een afvalcatalogus;6° de omschrijving van het productieproces;7° de kenmerken van de biomaterie of van de materie, alsook de lijst van de potentiële vervuilingselementen die niet bedoeld worden in artikel 27, § 2;8° de resultaten van analyses verricht door een laboratorium erkend krachtens het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en betreffende op zijn minst de metaalspoorelementen bedoeld in artikel 27 en, desgevallend, bovenbedoelde potentiële vervuilingselementen;9° een rapport van het referentielaboratorium van het Waalse Gewest waaruit blijkt dat elke besmette biomaterie of materie ongevaarlijk is voor de gebruiks- of valorisatieketen. In geval van twijfel over de kenmerken van de biomaterie of de materie of de toe te passen code, verzoekt de exploitant de « Office wallon des Déchets » om advies. De exploitant mag de biomaterie of de materies van de producent of houder ervan niet aannemen als uit de in paragraaf 1 bedoelde gegevens blijkt dat ze niet voldoen aan de bepalingen van de artikelen 25, 26 en 27 van dit besluit. De exploitant geeft de producent of de houder van de biomaterie of materies schriftelijk kennis van zijn beslissing. Die kennisgeving kan beperkt worden tot de aangenomen biomaterie en materies. § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de procedure tot voorafgaande aanneming niet van toepassing op : 1° groenafval;2° onbehandeld boshout en houtafval van eerste verwerking;3° gewassen en resten van gewassen;4° huisafval uit selectief sorteren, noch op elke bereiding die eruit voortvloeit;5° slib uit zuiveringsstations waarvoor een gebruiksattest wordt afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 12 januari 1995 houdende reglementering van het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib of slib afkomsting van behandelingscentra voor slijk uit septische putten;6° afval gedekt door een gebruiksattest tot landbouwkundige valorisatie afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 14 juni 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 14/06/2001 pub. 10/07/2001 numac 2001027388 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering waarbij de nuttige toepassing van sommige afvalstoffen bevorderd wordt sluiten waarbij de nuttige toepassing van sommige afvalstoffen bevorderd wordt;7° teelteffluenten. Afdeling 4. - Toelating tot de biomethaniseringsinstallatie Art. 29.Met uitzondering van de biomaterie die als gevolg van een noodinterventie toegelaten wordt, mogen de opname van de biomaterie, materies of additieven in de biomethaniseringsinstallatie, de afvoer van de afval en de levering van het digestaat niet plaatsvinden buiten de openingstijden waarin de bijzondere voorwaarden voorzien. Art. 30.Als een weegbrug vereist wordt krachtens artikel 10, worden de voertuigen die de biomethaniseringsinstallatie binnnenrijden of verlaten op de weegbrug gewogen. Een afschrift van de weegstaat wordt aan de bestuurder van het voertuig afgegeven. Art. 31.Bij hun opname in de biomethaniseringsinstallatie worden de krachtens de artikelen 25 tot 27 toegelaten en krachtens artikel 28 vooraf aangenomen biomaterie of materies gecontroleerd door de exploitant of door zijn aangestelde. De controle slaat op : 1° de door de registratie van de afvalvervoerders opgelegde documenten vereist krachtens artikel 10 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;2° de documenten vereist krachtens Verordening EG nr.1013/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 3° de inhoud van het aankomende voertuig om de aard en de herkomst van de biomaterie of materies te controleren. De exploitant of zijn aangestelde kan die biomaterie of materies desnoods aan analyses onderwerpen. Art. 32.§ 1. Als de biomaterie of de materies niet toegelaten worden in de biomethaniseringsinstallatie, verwittigt de exploitant zo spoedig mogelijk de « Office wallon des Déchets » per fax of e-mail, overeenkomstig het tweede lid van dit artikel. De exploitant verstrekt de volgende informatie : 1° de aard, hoeveelheid en herkomst van de geweigerde biomaterie of materies en de code ervan;2° de reden voor de weigering;3° de naam en het adres van de vervoerder, de producent en, desgevallend, de houder van de biomaterie of materies;4° her inschrijvingsnummer van het voertuig of elk middel tot identificering ervan;5° desgevallend, een afschrift van het document "commission marchandise par route" (« CMR » genoemd) of elk ander document opgemaakt door de exploitant van de biomethaniseringsinstallatie waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie of materies gegarandeerd wordt;6° de overwogen bestemming van de geweigerde biomaterie of materies. De geweigerde biomaterie of materies blijven drie uur lang staan in een daartoe bestemde dichte ruimte bedoeld in artikel 6, te rekenen vanaf de verzending van de fax of de e-mail naar de « Office wallon des déchets », of worden onmiddellijk afgevoerd naar een vergund sorteer-, hergroeperings-, valorisatie- of verwijderingscentrum. § 2. Bij gebrek aan reactie van de « Office wallon des Déchets » binnen drie uur na de verzending van de fax of de e-mail, wordt de afvoer van de afval toegelaten. Art. 33.De exploitant houdt een register van de biomaterie en materies die in de biomethaniseringsinstallatie aankomen, waarin dagelijks de volgende gegevens opgenomen worden : 1° het volgordenummer van elke aanvoer;2° de aanvoerdatum;3° de aard/benaming en de code, met verwijzing naar de in bijlage opgenomen lijst van de biomaterie die afval vormt;4° de personalia van de producent, ophaler en vervoerder;5° het registratienummer van de ophaler en de vervoerder;6° desgevallend de gegevens van de installatie waar de biomaterie tijdelijk opgeslagen of behandeld wordt en het soort behandeling;7° het nettogewicht als het berekend werd, de weegstaat of het volume van elke aanvoer; 8° desgevallend, de melding en de reden voor de weigering alsook elk evenement i.v.m. de milieubescherming en de veiligheid van de buurt, samen met de overwogen bestemming; 9° desgevallend, het nummer van het vervoersdocument "CMR" of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie gegarandeerd wordt. Afdeling 5. - Traceerbaarheid in de biomethaniseringsinstallatie Art. 34.§ 1. De exploitant voert een systeem in voor de opvolging van de bewegingen van de biomaterie, materies en digestaten binnen de biomethaniseringsinstallatie. Het systeem zogt ervoor dat de verschillende exploitatiefasen binnen de installatie gescheiden worden en garandeert de traceerbaarheid wat betreft de herkomst en de bestemming van de biomaterie, materies en digestaten. § 2. De exploitant is elk ogenblijk in staat : 1° om de samenstelling te bepalen inzake biomaterie en materies van de gistingstanks, de opslagkuipen en de partijen digestaat in afwachting van afvoer;2° om de kwalitatieve en kwantitatieve kenmerken van de partijen digestaat te bepalen. Afdeling 6. - Opvolging van de biomethanisering Art. 35.§ 1. Voor de fasen van voorafgaande behandeling, biomethanisering en nabehandeling wordt voorzien in een technologische opvolging die minimum de volgende parameters betreft : 1° de temperatuur gemeten in C° en continu, behalve gedurende de preliminaire vermalingsfase;2° de verblijfstijd;3° de biogasstroom, continu gemeten;4° de biogasdruk, continu gemeten. § 2. De bijzondere voorwaarden kunnen opleggen dat de resultaten van de monitoring geregistreerd, verwerkt en voorgesteld worden zodat de toezichthoudend ambtenaar kan nagaan of de exploitatievoorwaarden en de in de vergunning voorgeschreven emissiegrenswaarden nageleefd worden. Afdeling 7. - Digestaat Art. 36.§ 1. Elke partij digestaat bestemd om in of op de grond te worden gebruikt wordt door een analyse gekarakteriseerd. Als de digestaten opgeslagen worden in een opslagkuip met een inhoud van meer dan 3 000 m3, wordt de partij gekarakteriseerd door het gemiddelde van twee analyses. § 2. De afnemingen en monsternemingen worden uitgevoerd overeenkomstig de modaliteiten omschreven in het « CWEA ». De methodes inzake de afneming, monsterneming, bewaring, voorbereiding en analyse van de monsters worden door het « CWEA » bepaald. De analyses worden verricht door een laboratorium dat voor afvalanalyse in het Waalse Gewest erkend is overeenkomstig de artikelen R.95 en volgende van Boek I van het Milieuwetboek, met inachtneming van de modaliteiten omschreven in het « CWEA ». § 3. De analyses betreffen op zijn minst de parameters omschreven in bijlage 2. De analyseverslagen waarvan de minimuminhoud in bijlage 2 omschreven wordt, worden door de exploitant op de bedrijfszetel bewaard. Afdeling 8. - Afvoer Art. 37.De exploitant houdt een register van de partijen digestaat en van de afval die afgevoerd worden, met dagelijks, per afvoer en per datum, de volgende gegevens : 1° de aard, de benaming, de code van de afval zoals vastgelegd bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 30/07/1997 numac 1997027374 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van een afvalcatalogus type besluit van de waalse regering prom. 10/07/1997 pub. 23/07/1997 numac 1997027369 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot aanvulling van artikel 22 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 december 1990 houdende vaststelling van de modaliteiten en van de procedure voor het bekomen van het veiligheidsattest voor de logiesverstrekkende inrichtingen die op 1 januari 1991 bestaan en houdende vaststelling van de veiligheidsnormen inzake brandbeveiliging, die specifiek zijn voor deze logiesverstrekkende inrichtingen sluiten tot opstelling van een afvalcatalogus;2° het afvoernummer van de partij digestaat;3° het gewicht of volume en, desgevallend, het nummer van de weegbon;4° de personalia van de vervoerder;5° de volledige personalia van de bestemmeling(en) met gewichtsverdeling;6° desgevallend, het nummer van het "CMR"-vervoer of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid gegarandeerd wordt;7° de bestemming. De analyseverslagen betreffende de partijen digestaat worden door de exploitant opgenomen in het afvoerregister bedoeld in het eerste lid zodra ze in ontvangst genomen worden. HOOFDSTUK IV. - Preventie van ongevallen en brand Art. 38.Voor de tenuitvoerlegging van het project en voor elke wijziging van de plaats en de omstandigheden raadpleegt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst over de te treffen maatregelen en tot stand te brengen uitrustingen inzake brandpreventie en -bestrijding en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van het publiek en het leefmilieu. De exploitant richt zich naar de aanbevelingen van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De door de territoriaal bevoegde brandweerdienst opgemaakte rapporten worden door de exploitant ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar gelegd. Art. 39.De exploitant vergewist zich van de dichtheid van de gistingstank(s), van de leidingen van de gistingstank(s) waar biogas langs komt en van de beschermingsuitrustingen tegen over- en onderdruk voor of bij het opstarten alsook bij elk heropstarten na een interventie die de dichtheid ervan kan aantasten. De uitvoering van de controle en de resultaten ervan worden op schrift gesteld. Art. 40.Bij het opstarten of heropstarten alsook bij de stillegging of de lediging van het geheel of van een gedeelte van de installatie neemt de exploitant de nodige maatregelen om gevaar voor vorming van explosieve atmosferen te beperken. Gedurende die fasen is elke handeling of interventie verboden die het ontploffingsrisico kan verhogen. Alle toevallige uitstoten in de lucht van ontvlambare gassen zoals de uitgangen van veiligheidsorganen worden overeenkomstig artikel 24 opgespoord. Om de risico's i.v.m. het toevallig vrijmaken van ontvlambare gassen te voorkomen, vergewist de exploitant zich ervan dat de uitstroomopening ontworpen en uitgevoerd is om een snelle dilutie mogelijk te maken bij een concentratie lager dan de ontvlambaarheidsgrens. Art. 41.De gesloten lokalen waarin biogas aangetroffen kan worden zijn het voorwerp van een luchtkwaliteitscontrole die minstens op de opsporing van CH4 betrekking kan hebben. HOOFDSTUK V. - Water Afdeling 1. - Algemeenheden Art. 42.De exploitant treft de nodige maatregelen om zijn waterverbruik te beperken. Hij hergebruikt zoveel mogelijk behandeld afvalwater en gebruikt regenwater. Art. 43.Het systeem voor de opvang van de digestaten en het systeem voor de opvang van de wateren uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren die verontreinigd zijn of zouden kunnen worden zijn strikt gescheiden van het systeem voor de opvang van de wateren die niet verontreinigd zijn of het niet zouden kunnen worden, zoals dakwater, afvloeiend water van waterafstotend gemaakte oppervlaktes die niet door materies vervuild zijn. De wateren uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, die verontreinigd zijn of zouden kunnen worden, worden bij voorkeur opnieuw geïnjecteerd in het biomethaniseringsproces. Bij gebreke daarvan voldoen de geloosde wateren aan de grenswaarden bepaald bij de artikelen 45 en 46. De industriële afvalwateren die al dan niet behandelde digestaten of verontreinigde wateren bevatten uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, mogen niet in de grondwateren geloosd worden. Art. 44.Een schema van alle netten voor de verzamling van de effluenten en een plan van de rioleringen worden door de exploitant opgemaakt, regelmatig bijgewerkt na elke noemenswaardige wijziging ervan en gedateerd. Het plan van de netten voor de inzameling van effluenten vermeldt de sectoren waar ingezameld wordt, de aansluitingspunten, de kijkgaten, de rioleringen, de pompposten, de meetposten, de handbediende en automatische afsluiters. De plannen liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar alsook van de brandweer- en hulpdiensten. Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Voorwaarden om in gewoon oppervlaktewater en in kunstmatige afwateringswegen te lozen Art. 45.Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvloeiingsweg wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden, uitgedrukt in maximale ogenblikkelijke concentratie: 1° de pH ligt tussen 6,5 en 9;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;3° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 20 mg zuurstof per liter;4° de chemische behoefte aan oplosbare zuurstof bij de lozing is niet hoger dan 1,2 maal de chemische zuurstofbehoefte, « DCO » genoemd, oplosbaar niet afbreekbaar;5° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;6° de diameter van de zwevende stoffen bedraagt niet meer dan 2 mm;7° het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 0,5 ml per liter tijdens een statische bezinking van 2 uren;8° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;9° het gehalte aan totale metalen is niet hoger dan 3 mg per liter.10° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 5 mg N per liter;11° het gehalte aan nitrieten is niet hoger dan 1 mg N per liter;12° het gehalte aan nitraten is niet hoger dan 15 mg N per liter;13° het gehalte aan totaal fosfor is niet hoger dan 5 mg P per liter;14° een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere drijvende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een drijflaag vormen 15° het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter; 17° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter; 9° het gehalte aan totaal chroom is niet hoger dan 1 mg/l;19° het te lozen water wordt ontsmet als het zulke hoeveelheden pathogene organismen bevat dat het ontvangende water ernstig besmet dreigt te worden.De grenswaarden voor de pathogene kiemen die in het geloosde water toegelaten worden liggen vast in de bijzondere voorwaarden; 20° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden. Onderafdeling 2. - Voorwaarden om in openbare rioleringen te lozen Art. 46.De inrichtingen die industrieel afvalwater in openbare rioleringen lozen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de pH ligt tussen 6 en 9,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 45 °C;3° het gehalte aan zwevende stoffen, « MES » genoemd, is niet hoger dan 1 000 mg per liter;4° de diameter van de « MES » bedraagt hoogstens 10 mm;5° de zwevende stoffen mogen vanwege hun structuur de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;6° het gehalte aan totale detergenten is niet hoger dan 15 mg per liter;6° het gehalte aan chloriden is niet hoger dan 2 000 mg per liter;7° het gehalte aan sulfaten bedraagt hoogstens 1 500 mg per liter;9° het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;10° het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;11° het geloosde water mag geen wasem uitstoten die het leefmilieu beschadigt;12° het afvalwater bevat geen stoffen die: a) gevaar kunnen inhouden voor het personeel dat de rioleringen en installaties onderhoudt;b) de leidingen zouden kunnen beschadigen of verstoppen;c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties zouden kunnen hinderen;d) een ernstige vervuiling van het ontvangende oppervlaktewater waarin de openbare riolering loost zou kunnen veroorzaken;9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter; 14° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter voor de installaties bedoeld in rubriek 93.23.15.02, die betrekking heeft op biomethaniseringsinstallaties voor biomaterie die afval vormt; 15° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in Bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden. HOOFDSTUK VI. - Lucht Afdeling 1. - Algemeenheden Art. 47.Er is voldoende voorraad aan producten en materialen die gebruikt worden voor de bescherming van de omgevingslucht, zoals filtermouwen, neutralisatieproducten, remvloeistoffen, absorberende middelen. Art. 48.De exploitant brengt openingen in de afvoerbuizen aan om controlemetingen te kunnen doorvoeren. De openingen bevinden zich in een ongestoorde zone van de schoorstenen of buizen, op een afstand van de laatste storing - uitgang van de stookplaats, bocht - die minstens gelijk is aan viermaal de diameter van bedoelde schoorsteen of buis. De openingen en de omgeving ervan zijn vlot toegankelijk zodat de metingen in alle veiligheid en elk ogenblik uitgevoerd kunnen worden. Afdeling 2. - Reukhinder Art. 49.§ 1. De installatie voor de bereiding van de vermenging van biomaterie en, desgevallend, additieven, voor de injectie in de gistingtanks en de gistingtanks worden gedurende een minimumtijd of volgens een gesloten proces bevoorraad om reukhinder te beperken. § 2. De inkomende stromen van vloeibare biomaterie worden langs een gesloten systeem in de opslagkuip gelost. Art. 50.Een reuknorm en de modaliteiten voor de controle op de naleving ervan liggen vast in de bijzondere voorwaarden. Afdeling 3. - Emissies van verbrandingsgassen Art. 51.Als het biogas als brandstof gevaloriseerd wordt, worden de emissiewaarden van de installaties vastgelegd als volgt : Parameters Emissiewaarden Niet methanische VOS De gemeten waarden worden in verband gebracht met de volgende voorwaarden : 1° drooggas; 2° druk : 1.013 hPa; 3° temperatuur : 273 °K;4° zuurstofgehalte van 5 percent. De modaliteiten voor de controle op de verbrandingsgassen liggen vast in de bijzondere voorwaarden. De NOx- en CO-grenswaarden liggen vast in de bijzondere voorwaarden. Afdeling 4. - F …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.