Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit tot vaststelling van de procedure van de goedkeuring van de alarmsystemen en alarmcentrales, bedoeld in de wet van 10 april 1990 op

Kort samengevat

Dit Koninklijk besluit regelt de procedure voor de goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales, met als doel de consument te beschermen door te zorgen voor betrouwbare producten die misdrijven tegen personen of goederen voorkomen en vaststellen. Het vervangt een eerder besluit uit 1994 en past de vereisten aan aan nieuwe technologieën en Europese regelgeving.

Wat het reguleert

  • De procedure voor de goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales.
  • De samenstelling van de Commissie Materieel, die verantwoordelijk is voor de goedkeuring van elektrotechnisch materiaal.
  • De vereisten voor alarmsystemen en alarmcentrales, inclusief die welke gebruik maken van hoogfrequentie-verbindingen (draadloze systemen).
  • De preventieve controle van alarmsystemen en alarmcentrales op conformiteit met artikel 314bis van het strafwetboek, met betrekking tot afluisterapparatuur.

Wie het aanbelangt

  • Fabrikanten en leveranciers van alarmsystemen en alarmcentrales die deze in België op de markt willen brengen.
  • Consumenten die alarmsystemen en alarmcentrales gebruiken, door het waarborgen van betrouwbare producten.

Kernpunten

  • Het besluit vervangt het Koninklijk besluit van 31 maart 1994.
  • De Commissie Materieel krijgt een vertegenwoordiger van het Belgisch Elektrotechnisch Comité.
  • Alarmsystemen en alarmcentrales die gebruik maken van hoogfrequentie-verbindingen (draadloze systemen) moeten voldoen aan specifieke vereisten, opgenomen in bijlage 6.
  • De goedkeuring kan geweigerd worden voor beveiligingsmateriaal dat is uitgerust met een afluisterapparaat in overtreding met artikel 314bis van het strafwetboek.
Wettekst
Wettekst

wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingson

§ 5

.2.1.1.2 is van toepassing op het proefmonster (temperatuur 40 °C gedurende 16 uur). Voor de proefmonsters die buiten worden geplaatst, bedraagt de belasting : temperatuur 70 °C gedurende 16 uur. De gevraagde belastingen kunnen worden gewijzigd door de door de fabrikant verklaarde belastingen indien deze strenger zijn. 5.2.1.1.4 Eisen Tijdens de proef is geen enkele verandering van staat of staatombinatie toegelaten. Tijdens en na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. 5.2.1.2 Koude 5.2.1.2.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-1

(1974), Proef Ad. 5.2.1.2.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef A-2. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 5.2.1.2.3 Belastingen De eis 6

§ 5

.2.1.2.2 is van toepassing op het proefmonster (temperatuur -10 °C gedurende 16 uur). Voor de proefstukken die buiten worden geplaatst, bedraagt de belasting : temperatuur -25 °C gedurende 16 uur. De gevraagde belastingen kunnen worden gewijzigd door de belastingen door de fabrikant verklaard indien deze strenger zijn. 5.2.1.2.4 Eisen Tijdens de proef is geen enkele verandering van staat of staatcombinatie toegelaten. Tijdens en na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Het proefmonster wordt opnieuw in de omstandigheden van het laboratorium geplaatst. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. 5.2.1.3 Continue proef met vochtige warmte 5.2.1.3.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-3

(1969), Proef Ca. 5.2.1.3.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef A-6. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 5.2.1.3.3 Belastingen De eis 2

§ 5

.2.1.3.2 is van toepassing op het proefmonster (temperatuur 40 °C - constante relatieve vochtigheid 93% gedurende 4 dagen). 5.2.1.3.4 Eisen Tijdens de proefneming is geen enkele verandering van staat of staatcombinatie toegelaten. Tijdens en na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Het proefmonster wordt opnieuw in de omstandigheden van het laboratorium geplaatst. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. 5.2.1.4 Cyclische proef met vochtige warmte 5.2.1.4.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-30

(1980), Proef Db. 5.2.1.4.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef A-7. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 5.2.1.4.3 Belastingen De eis 3

§ 5.2.1.4.2 is van toepassing op het proefmonster.

Voor deze proef wordt het proefmonster onderworpen aan cyclische temperatuurvariaties tussen 25 en 55 °C. Tijdens de temperatuurvariatie en de fasen van lage temperatuur wordt de relatieve vochtigheid boven 95% gehouden, en tijdens de fasen van hogere temperatuur op 93% (+ 3%). Een cyclus bedraagt 12 uur + 12 uur. Er worden twee cyclussen uitgevoerd. 5.2.1.4.4 Eisen Tijdens de proef is geen enkele verandering van staat of staatcombinatie toegelaten. Tijdens en na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Het proefmonster wordt opnieuw in de omstandigheden van het laboratorium geplaatst. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. 5.2.2 Klimatologische proeven op het uithoudingsvermogen 5.2.2.1 Continue proef met vochtige warmte 5.2.2.1.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-3

(1969), Proef Ca. 5.2.2.1.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef B-2. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EA. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 5.2.2.1.3 Belastingen De eis 1

§ 5

.2.2.2.2 is van toepassing op het proefmonster (temperatuur 40 °C - constante relatieve vochtigheid 93% gedurende 21 dagen). 5.2.2.1.4 Eisen Het proefmonster wordt opnieuw in de omstandigheden van het laboratorium geplaatst. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. 5.2.2.2 Cyclische proef met vochtige warmte 5.2.2.2.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-30

(1980), Proef Db. 5.2.2.2.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef B-3. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EA. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 5.2.2.2.3 Belastingen De eis 4

§ 5.2.2.3.2 is van toepassing op het proefmonster.

Voor deze proef wordt het proefmonster onderworpen aan cyclische temperatuurvariaties tussen 25 en 55 °C. Tijdens de temperatuurvariatie en de fasen van lage temperatuur wordt de relatieve vochtigheid boven 95% gehouden, en tijdens de fasen van hogere temperatuur op 93% (+ 3%). Een cyclus bedraagt 12 uur + 12 uur. De proef duurt 6 dagen. 5.2.2.2.4 Eisen Het proefmonster wordt opnieuw in de omstandigheden van het laboratorium geplaatst. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Tijdens de proef is geen enkele verandering van stand of standcombinatie toegelaten. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. 5.2.2.3 Corrosie 5.2.2.3.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 68-2-42

(1982), Proef Kc. 5.2.2.3.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef B-6. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EA. 5.2.2.3.3 Belastingen De eis 6

§ 5

.2.2.4.2 is van toepassing op het proefmonster (temperatuur 25 °C - relatieve vochtigheid 93% gedurende 21 dagen - constante concentratie (vol/vol) van 25 ppm SO2). 5.2.2.3.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven.

  1. ELEKTRISCHE PROEVEN 6.1 Doel Het doel van deze proeven is de kwaliteit en de stabiliteit te beoordelen van de elektrische en/of elektronische componenten van alarmsystemen in omstandigheden van wijzigende elektrische voedingen. Ze zijn eveneens bedoeld om de ongevoeligheid van de componenten na te gaan wanneer deze onderworpen zijn aan storingen van elektromagnetische oorsprong, en om de efficiëntie van secundaire elektrische voedingen te evalueren. 6.2 Tabel van de elektrische proeven Zie tabel
  2. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Tabel 2 : Tabel van de elektrische proeven. 6.2.1 Voeding 6.2.1.1 Apparatuur De apparatuur bestaat uit een gestabiliseerde voeding die gebruikt wordt in het laboratorium. 6.2.1.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3

(1988), Proef A-8. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. 6.2.1.3 Belastingen De eis 1

§ 6.2.1.2 is van toepassing op het proefmonster (voedingsspanning Vnom.

+10%/Vnom. -15%). De proef duurt 1 uur na de thermische stabiliteit. De gevraagde belastingen kunnen worden gewijzigd door de belastingen verklaard door de fabrikant indien deze strenger zijn. 6.2.1.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Tijdens de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Geen enkele ontijdige signalisatie en geen enkele verandering van stand of standcombinatie mag zich voordoen noch tijdens de stabilisatietijd, noch tijdens de proef. 6.2.2 Elektrostatische ontlading 6.2.2.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 801-2

(1991), tweede deel. 6.2.2.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de norm IEC 839-1-3
(1988), Proef A-11. Er worden tien punten voorgeselecteerd voor de toepassing van de proef. De proef wordt uitgevoerd wanneer het proefmonster zich in de standcombinatie EB en EC bevindt. De proeven bevatten de directe toepassing van de elektrostatische ontladingen op de externe geleidende oppervlakken en de toepassing van de indirecte ontladingen op de externe niet geleidende oppervlakken van de uitrusting. 6.2.2.3 Belastingen De eis 3

§ 6.2.2.2 is van toepassing op het proefmonster (spanning 8 k

V voor de indirecte ontladingen, 6 kV voor de directe ontladingen). De tussentijd tussen de opeenvolgende ontladingen bedraagt minstens 5 s. Een ontlading moet worden toegepast op elk van de 10 voorgeselecteerde punten. Positieve polariteit. De gevraagde belastingen kunnen worden gewijzigd door de belastingen verklaard door de fabrikant indien deze strenger zijn. 6.2.2.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Geen enkele aanhoudende standverandering mag zich voordoen tijdens de proeven in de verschillende standcombinaties. 6.2.3 Snelle in salvo's voorbijgaande verschijnselen 6.2.3.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 801-4

(1988). 6.2.3.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de publicatie vermeld in § 6.2.3.
  1. De proef wordt uitgevoerd wanneer het proefmonster zich in de standcombinatie EB en EC bevindt. 6.2.3.3 Belastingen De opgelegde eisen zijn de volgende : - 2 kV tussen de ingangsklemmen van de voeding en de beveiligingsaarding door middel van een net van schakeling/uitschakeling; - 1 kV op de ingangs-/uitgangsklemmen van gegevenssignalen en bedieningen, door middel van een capaciteit koppelingsklem. 6.2.3.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Geen enkele aanhoudende standverandering mag zich voordoen tijdens de proeven in de verschillende standcombinaties. 6.2.4 Netstroomonderbreking 6.2.4.1 Apparatuur De apparatuur bestaat uit een generator die in staat is de vereiste onderbrekingen van de wisselspanning van het net te veroorzaken. 6.2.4.2 Proefmethode Het proefmonster wordt gemonteerd conform § 3.1.2 en 3.1.
  2. De lengte van de kabel tussen de generator en de klemmen van het wisselstroomnet moet 3 m bedragen. De proef wordt uitgevoerd wanneer het proefmonster zich in de standcombinatie EB en EC bevindt. 6.2.4.3 Belastingen De opgelegde eisen zijn de volgende : - spanningsvermindering 100%; - duur van de onderbrekingen 10 semi-cyclussen (100 ms). Elke onderbreking moet tien keer worden uitgevoerd met een tussentijd van minstens één seconde. 6.2.4.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Geen enkele aanhoudende standverandering mag zich voordoen tijdens de proeven in de verschillende standcombinaties. 6.2.5 Lading- en ontladingsproef van de batterijen 6.2.5.1 Apparatuur De apparatuur bestaat uit een multimeter die gedurende een tijd van minimum 48 uur de spanning en de stroom meet die door de lader van het proefmonster aan de batterij worden geleverd. 6.2.5.2 Proefmethode De proefmethode bestaat erin de geladen batterij aangewezen door de fabrikant - met een spanning tussen 13,6 en 13,8 V bij 20 °C - te onderwerpen aan een cyclus ontlading/oplading. De lading gebeurt door de lader van het proefmonster, in normale atmosferische proefomstandigheden. De proef wordt uitgevoerd wanneer het proefmonster zich in de standcombinatie EC bevindt. 6.2.5.3 Belastingen De batterij wordt ontladen in 20 uur tot de eindontladingsspanning die eigen is aan de gebruikte batterij en die als dusdanig door de constructeur van de batterij wordt aangeduid. De lader die wordt gevoed via de nominale voedingsspanning, moet deze batterij laden. Hij moet tevens het vermogen verstrekken dat nodig is voor de goede werking van het proefmonster en zijn hulpmiddelen. 6.2.5.4 Eisen Tijdens de proef is de standverandering van EC naar EC2 aanvaardbaar. De batterij moet na 24 uur 80% van haar nominale capaciteit hebben, en minstens 100% van deze capaciteit na 48 uur. Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. 6.2.5.5 Autonomie van de batterijen De autonomie van het systeem bedraagt minimum 48 uur en minimum 24 uur met doorzending van het alarm en van gebreken in de elektrische voeding (batterij-net) naar een centraal bewakingsstation. Het evaluatieverslag moet, per batterijlader, de maximaal toelaatbare stroom Im geven, evenals het optimaal vermogen van de Cb-batterijen voor de hierboven weergegeven autonomieën. 6.2.6 Elektromagnetische interferentie 6.2.6.1 Apparatuur De apparatuur wordt beschreven in de publicatie IEC 801-3
(1984). Het frequentiegamma moet toelaten de frequenties tussen 1 MHz en 1 GHz te bestrijken. 6.2.6.2 Proefmethode De proefmethode wordt beschreven in de publicatie vermeld in § 6.2.6.
  1. Het proefmonster wordt gemonteerd conform § 3.1.2 en 3.1.
  2. De proef wordt uitgevoerd wanneer het proefmonster zich in de standcombinatie EB en EC bevindt. De proef wordt uitgevoerd op het proefmonster in zijn maximale configuratie. 6.2.6.3 Belastingen De opgelegde eisen zijn de volgende : - frequentiegamma van 1 MHz tot 1000 MHz; - veldsterkte 10 V/m. 6.2.6.4 Eisen Na afloop van de proef wordt de externe en interne mechanische schade visueel gecontroleerd en mag het proefmonster geen schade of wijziging vertonen die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Na de proef voldoet het proefmonster aan de herleide functionele proeven. Geen enkele aanhoudende standverandering mag zich voordoen tijdens de proeven in de verschillende standcombinaties.
  3. EFFICIENTIEPROEVEN 7.1 Doel Deze proeven zijn bestemd voor de evaluatie van de gevoeligheid en de reproductibiliteit van de prestaties van de componenten van de alarmsystemen, en van hun ongevoeligheid voor valse alarmen in normale werkings- en plaatsingsomstandigheden. 7.2 Tabel van de efficiëntieproeven Zie tabel
  4. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Tabel 3 : Tabel van de efficiëntieproeven. 7.2.1 Proeven op fraudemogelijkheden 7.2.1.1 Apparatuur De proeven op fraudemogelijkheden worden in geen enkele norm of specificatie weergegeven. Ze worden uitgevoerd met goede kennis van de te beproeven component en met behulp van eenvoudige instrumenten, met uitsluiting van elk elektrisch aangedreven of thermisch instrument. Er mag een beroep worden gedaan op elektrische meetapparaten op voorwaarde dat deze draagbaar zijn (digitale multimeters, bijvoorbeeld) en op elektrische en elektronische componenten die in de handel beschikbaar zijn. 7.2.1.2 Proefmethode Het principe van de proef bestaat uit het overlopen van de toegangen, zowel de mechanische als de elektrische, van het proefmonster naar zijn componenten om één of meer functies van het proefmonster te neutraliseren. Deze neutralisatie kan ook het gevolg zijn van een opeenvolging of een combinatie van manipulaties voor functionele proeven, voor zover de toelatingsprocedure voor toegang niet wordt gevolgd. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB en vervolgens in EC. 7.2.1.3 Belastingen De proeven moeten van niet-destructieve aard zijn en het moet mogelijk zijn het proefmonster terug in zijn oorspronkelijke stand te brengen zonder dat een spoor of bewijs van fraude achterblijft. 7.2.1.4 Eisen Het proefmonster wordt als « vatbaar voor fraude » verklaard indien, na de belasting, de neutralisering van een van zijn functies een verlaging van het beveiligingsniveau veroorzaakt. 7.2.2 Controle van de gevoeligheid en van de detectiereikwijdte 7.2.2.1 Apparatuur De proeven worden uitgevoerd in een lokaal met minimale afmetingen van 28 m lengte, 11 m breedte en 4 m hoogte, bij een temperatuur tussen 18 en 25 °C. Deze temperatuur moet constant blijven tijdens het uitvoeren van de proeven. Ze moet uniform verdeeld zijn. De totale temperatuurvariatie over de hele oppervlakte van de muren van het lokaal mag 2,5 °C niet overschrijden. Een parallellepipedumvormig referentiedoel met als afmetingen 300 mm x 1500 mm x 235 mm wordt in beweging gezet; de diameter van de circulaire beweging bedraagt 1 m + 0,2 m. Het doel is bekleed met katoen. Het referentiedoel heeft een eenvormig verdeelde temperatuur over de horizontale omtrek en de gemiddelde totale temperatuurvariatie mag niet 1 °C overschrijden op zijn oppervlak. De gemiddelde temperatuur van het referentiedoel is 4 °C hoger dan de temperatuur van de muren van het proeflokaal. Het referentiedoel is een toestel waarvan de karakteristieken van infrarode uitzending, van dikte en van golfweerkaatsing gelijk zijn aan deze van een persoon van gemiddelde grootte. De referentienormen voor deze proeven zijn de normen IEC 839-2-6, IEC 839-2-4 en IEC 839-2-
  5. 7.2.2.2 Proefmethode Het doel van deze proef is het nagaan van de geometrie van de gevoelige sectoren van het proefmonster; deze wordt vermeld in de specificaties van de constructeur. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. Het proefmonster wordt gemonteerd op de hoogte aanbevolen door de constructeur en conform zijn instructies. Indien er bedieningen zijn voorzien voor het tellen van de impulsen, worden de proeven uitgevoerd met deze bedieningen in hun laagste posities. Indien de gevoeligheid kan worden geregeld, zal deze worden geregeld in functie van de detectiezones. De proeven worden uitgevoerd voor een bepaald optisch systeem en worden herhaald voor elke variant van het optisch systeem. De proeven worden uitgevoerd binnen de buitenste grens van de detectiezone opgegeven door de constructeur. 7.2.2.3 Belastingen 7.2.2.3.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met passief infrarood Het referentiedoel wordt in een draaiende beweging gebracht met een zijdelingse bewegingssnelheid van 1 m/s. De tolerantie van de snelheden bedraagt + 0,l m/s. De proef wordt herhaald met een snelheid van 0,3 m/s en 3 m/s voor een horizontale hoekpositie van de detector van 0°. Het referentiedoel wordt opgewarmd conform § 7.2.2.
  6. 7.2.2.3.2 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven Het referentiedoel wordt in een draaiende beweging gebracht met een zijdelingse bewegingssnelheid van 1 m/s. 7.2.2.4 Eisen 7.2.2.4.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met passief infrarood Een standcombinatie EB1 moet worden gegenereerd binnen de 10 s na het begin van de beweging van het doel, binnen de detectiezone opgegeven door de constructeur. De grafische voorstelling van de detectiereikwijdte wordt vergeleken met de voorstelling die de constructeur aflevert over de volledige beveiligingshoek opgegeven door de constructeur. Volgens de aangekondigde prestaties bedraagt de gecontroleerde maximumreikwijdte 25 m. 7.2.2.4.2 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven Een standcombinatie EB1 moet worden gegenereerd binnen de 3 s na het begin van de beweging van het doel, voor een gegeven regeling van de reikwijdte, binnen de detectiezone opgegeven door de constructeur. De grafische voorstelling van de detectiezone wordt vergeleken met de voorstelling die de constructeur aflevert over de volledige beveiligingshoek opgegeven door de constructeur. Volgens de aangekondigde prestaties bedraagt de gecontroleerde maximumreikwijdte 25 m. 7.2.3 Ongevoeligheid voor valse alarmen 7.2.3.1 Apparatuur De gebruikte apparatuur wordt weergegeven in § 7.2.2.
  7. Voor de infrarode detectoren wordt het parallellepipedumvormige referentiedoel vervangen door een secundair cilindervormig referentiedoel van 30 mm diameter en 150 mm lengte. De karakteristieken van infrarode uitstraling zijn vergelijkbaar met die van een klein dier. De referentienormen voor deze proeven zijn de normen IEC 839-2-6, IEC 839-2-4 en IEC 839-2-
  8. 7.2.3.2 Proefmethode Met deze proefneming wil men nagaan of de maximale gevoeligheid van de detector niet een stand EB1 genereert, wanneer de detector onderworpen is aan de beweging van een doel dat de doorgang van een dier simuleert, of aan golfweerkaatsingen afkomstig van een beweging met beperkte lengte en lage snelheid. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. Het proefmonster wordt gemonteerd op de hoogte aanbevolen door de constructeur en conform zijn instructies. Indien er bedieningen zijn voorzien voor het tellen van de impulsen of voor het regelen van de gevoeligheid, worden de proeven uitgevoerd met deze bedieningen op hun grootste gevoeligheid. De proeven worden uitgevoerd voor een bepaald optisch systeem en worden herhaald voor elke variant van het optisch systeem. De proeven worden uitgevoerd binnen de detectiezone opgegeven door de constructeur. 7.2.3.3 Belastingen 7.2.3.3.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met passief infrarood Het secundaire referentiedoel wordt in een draaiende beweging gebracht met een zijdelingse bewegingssnelheid van 1 m/s. De tolerantie van de snelheid bedraagt + 0,1 m/s. De proef wordt uitgevoerd voor een horizontale hoekpositie van de detector van 0°. Het secundaire referentiedoel wordt opgewarmd conform § 7.2.2.
  9. 7.2.3.3.2 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven De proef verloopt in 4 fasen : 1) Het referentiedoel wordt met een snelheid van 0,08 m/s unidirectioneel in stappen van 0,2 m naar de detector gebracht.2) De eerste fase wordt herhaald met een snelheid van 0,16 m/s.3) Het referentiedoel wordt met een snelheid van 0,08 m/s unidirectioneel in een ononderbroken beweging naar de detector gebracht.4) De derde fase wordt herhaald met een snelheid van 0,16 m/s. 7.2.3.4 Eisen 7.2.3.4.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met passief infrarood Geen standcombinatie EB1 mag worden gegenereerd wanneer de detector op zijn maximale gevoeligheid is geregeld. 7.2.3.4.2 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven Een standcombinatie EB1 mag worden gegenereerd in maximum één van de drie volgende gevallen : - 0,2 m met een snelheid van 0,08 m/s, - 0,2 m met een snelheid van 0,16 m/s, - met een snelheid van 0,16 m/s; ononderbroken beweging. Een standcombinatie EB1 mag niet worden gegenereerd voor een ononderbroken beweging met een snelheid van 0,08 m/s. 7.2.4 Efficiëntie 7.2.4.1 Apparatuur 7.2.4.1.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven De proeven worden uitgevoerd met een apparatuur zoals beschreven in § 7.2.2.
  10. De referentienormen voor deze proeven zijn de normen IEC 839-2-6, IEC 839-2-4 en IEC 839-2-
  11. 7.2.4.1.2 Glasbreukdetectoren De proeven worden uitgevoerd met behulp van een dubbele ruit gemonteerd in een raam en van een snijtang die toelaat de glasbreuk te simuleren. 7.2.4.2 Proefmethode 7.2.4.2.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven Het doel van deze proef is het nagaan van het vermogen van de detector om lange en snelle bewegingen of intermitterende bewegingen te detecteren. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. Het proefmonster wordt gemonteerd op de hoogte aanbevolen door de constructeur en conform zijn instructies. Indien er bedieningen zijn voorzien voor het tellen van de impulsen of voor het regelen van de gevoeligheid, worden de proeven uitgevoerd met deze bedieningen in hun posities die door de fabrikant worden aangeraden. De proeven worden uitgevoerd voor een bepaald systeem en worden herhaald voor elke variant van het systeem. 7.2.4.2.2 Glasbreukdetectoren Het doel van deze proef is het nagaan van de doeltreffendheid van een glasbreukdetector. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. Het proefmonster wordt gemonteerd op een van de ruiten conform de instructies afgeleverd door de constructeur. Indien er regelingen voor gevoeligheid zijn voorzien, worden de proeven uitgevoerd met deze regelingen in hun meest en minst gevoelige posities. 7.2.4.3 Belastingen 7.2.4.3.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven De proefneming verloopt in 3 fasen : 1) Het referentiedoel wordt met een snelheid van 0,3 m/s unidirectioneel in stappen van 3 m recht naar de detector gebracht.2) De eerste fase wordt herhaald met een snelheid van 1 m/s.3) De tweede fase wordt, hetzij door het referentiedoel, hetzij door een persoon, met een pas van 1 m en een wachttijd van 5 s tussen elke pas herhaald. 7.2.4.3.2 Glasbreukdetectoren De ruit wordt belast door de snijtang. 7.2.4.4 Eisen 7.2.4.4.1 Volumetrische bewegingsdetectoren met ultrasonore trillingen of met microgolven Een standcombinatie EB1 moet worden gegenereerd voor de twee eerste verplaatsingen voordat het doel 3 m heeft afgelegd binnen de detectiezone gemeten volgens § 7.2.
  12. Voor de derde verplaatsing moet de standcombinatie EB1 zich voordoen voordat het doel 5 m heeft afgelegd binnen de detectiezone gemeten volgens § 7.2.
  13. 7.2.4.4.2 Glasbreukdetectoren Een standcombinatie EB1 moet worden gegenereerd voor minstens 10 belastingen. 7.2.5 Verblinding 7.2.5.1 Apparatuur De proeven worden uitgevoerd met een apparatuur zoals weergegeven in § 6.2.5 van de norm IEC 839-2-
  14. De bewegingsdetector met infrarood wordt in een kubusvormige doos geplaatst waarvan de 5 binnenzijden zwart zijn. De zesde zijde bestaat uit twee glazen ruiten van 4 mm dikte gescheiden door een luchtlaag van 10 mm. Een koplicht van een auto met de lenzen en de reflecterende wand is voorzien van een gloeilamp van het type H4 van 60 W. 7.2.5.2 Proefmethode Het doel van deze proef is het beoordelen van de ongevoeligheid van de detector voor vals alarm dat kan worden veroorzaakt door de verlichting van het koplicht van een auto. Het proefmonster bevindt zich in de standcombinatie EB. Het proefmonster wordt gemonteerd op een hoogte van 250 mm vanaf de grond. Het koplicht wordt op 3 m van het proefmonster geplaatst en geeft een intensiteit van 600 lux. De proeven worden uitgevoerd voor een bepaald optisch systeem en worden herhaald voor elke variant van het optisch systeem. 7.2.5.3 Belastingen Voor deze proef wordt het proefmonster eerst 2 s belicht en vervolgens 2 s in het donker gelaten. Dit wordt 5 keer herhaald. 7.2.5.4 Eisen Een standcombinatie EB1 mag niet worden gegenereerd.
  15. SAMENVATTENDE TABEL VAN DE PROEVEN De componenten worden als volgt geïnventariseerd (zie tabel 4) : A : A1 interne volumetrische bewegingsdetectoren A2 externe volumetrische bewegingsdetectoren A3 andere interne A4 andere externe B : B1 interne signalisatie-inrichtingen B2 externe signalisatie-inrichtingen C : C1 interne codeerinrichtingen, toetsenborden of inrichtingen voor het in- of uitschakelen van de waakstand C2 externe codeerinrichtingen, toetsenborden of inrichtingen voor het in- of uitschakelen van de waakstand D : D1 interne bedieningseenheden D2 externe bedieningseenheden E : E1 interne doorzenders E2 externe doorzenders Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Tabel 4 : Samenvattende tabel van de proeven. BIJLAGE A : LIJST VAN DE PROEFPROCEDURES Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De procedures kunnen op aanvraag in de laboratoria van de instellingen die gespecialiseerd zijn in het uitvoeren van de proeven worden geraadpleegd. BIJLAGE B : HERLEIDE FUNCTIONELE PROEVEN OP ALLE COMPONENTEN BEHALVE DE CENTRALES A. Herleide functionele proeven op alle componenten behalve de centrales
  16. Vóór de belasting 1.1 ln dienst stellen. 1.2 Een alarm veroorzaken en de stand van de uitgangen controleren. 1.3 Een reset uitvoeren (indien het materieel een geheugen heeft). 1.4 Het materieel openen (alarm sabotage) en de stand van de uitgangen controleren.
  17. Tijdens de belasting 2.1 De component is in werking. 2.2 De component bliift in werking en geeft geen enkel alarm. 2.3 De component is in werking en geeft geen enkel alarm sabotage.
  18. Na de belasting 3.1 De component is in werking en geeft geen enkel alarm. 3.2 De component is in werking en geeft geen enkel alarm sabotage.
  19. De component vertoont geen beschadiging of wijziging die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. B. Herleide functionele proeven op centrales
  20. Vóór de belasting 1.1 Alle voedingen uitschakelen, de signalisatie-uitgangen op afstand en de externe signalisatie-uitgangen bevinden zich in de veiligheidsstand. 1.2 De sector en de batterij inschakelen, het proefmonster beheert correct zijn ingangen en voert zijn programma uit. 1.3 Een reset uitvoeren (acknowledge en uitschakeling van de alarm- en storingsaanwijzing). 1.4 De testprocedure starten : - de (verplichte) visuele of sonore aanwijzing wordt gegeven; - de externe signalisatie-uitgangen worden geactiveerd. 1.5 ln totale bewaking zetten. 1.6 Het ingangssignaal Alarm binnendringing, in bewaking, veranderen; nagaan of de (verplichte) signalisatie-uitgangen op afstand en de externe signalisatie-uitgangen worden gegeven. 1.7 Een reset uitvoeren (acknowledge en uitschakeling van de alarm- en storingsaanwijzing). 1.8 Buiten totale bewaking zetten. 1.9 Het Monitoring signaal veranderen : Tamper Alarm; nagaan of de (verplichte) signalisatie-uitgangen op afstand en de externe signalisatie-uitgangen worden gegeven. 1.10 Een reset uitvoeren (acknowledge en uitschakeling van de alarm- en storingsaanwijzing). Nagaan of : - de visuele alarm- en storingsaanwijzingen worden uitgeschakeld vanaf het lage toelatingsniveau; - de « Tampers », geregistreerd vóór de reset, worden uitgeschakeld vanaf het hoge toelatingsniveau.
  21. Tijdens de belasting 2.1 De component is in werking en uit bewaking. 2.2 De component blijft in werking en uit bewaking (indien ja, overgaan tot punt 3). 2.3 De component bevindt zich in de werkingsstand en is uit bewaking maar geeft een alarm sabotage.
  22. Na de belasting 3.1 De component bevindt zich in de werkingsstand en is uit bewaking (indien ja, overgaan tot punt 4). 3.2 De component bevindt zich in de werkingsstand en is uit bewaking maar geeft een alarm sabotage.
  23. De component vertoont geen beschadiging of wijziging die de goede werking ervan in gevaar kan brengen. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 april
  24. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE Bijlage 6 1 BESTEK Deze bijlage heeft betrekking op alarmapparaturen tegen binnendringing die gebruik maken van hoogfrequentie- verbindingen. Deze standaard definieert de termen die gehanteerd worden op het vlak van alarmapparatuur tegen binnendringing die gebruik maakt van hoogfrequentie-verbindingen en de voorschriften waaraan deze apparatuur moet voldoen. Het moet gebruikt worden in kombinatie met de andere bijlagen waarin de funktionele vereisten van de apparatuur worden gedefinieerd, ongeacht het gebruikte type van verbindingen. 2 NORMATIEVE REFERENTIES Die bijlage refereert naar andere publikaties op gedateerde of ongedateerde wijze. Deze normatieve publicaties worden in de tekst aangehaald wanneer ze van toepassing zijn en worden eveneens hieronder vermeld. Wat betreft de gedateerde referenties zijn de opeenvolgende revisies of interpretaties alleen zonder beperking van toepassing op de huidige bijlage als de huidige bijlage eveneens is geamendeerd of herzien. Wat betreft de ongedateerde referenties, is de meest recente uitgave van de publikatie waarnaar gerefereerd wordt van toepassing. I-ETS 300 220
(1993): Radio Equipment and Systems (RES); Short Range Devices Technical characteristics and test methods for radio equipment to be used in the 25 Mhz to 1.000 Mhz frequencie range with power levels ranging up to 500 mW. prETS 300 683
(1997): Radio Equipment and Systems (RES); ElectroMagnetic Compatibility (EMC) standard for Short Range Devices (SRD) operating on frequencies between 9 kHz and 25 GHz. EN 50131-1
(1997): Alarmsystemen - Alarmsystemen tegen inbraak - Deel 1 : Algemene voorschriften. 3 DEFINITIES 3.1 Kommunikatieverbinding : alle lokale apparatuur, media and protokollen die worden gebruikt voor het doorgeven van berichten. 3.2 HF : afkorting voor hoogfrequent. 3.3 HF-verbinding : kommunikatieverbinding die gebruik maakt van het HF-spektrum. 3.4 HF-kommunikatietoestel : toestel dat gebruik maakt van een HF-zend/ontvangstsmedium. 3.5 Identifikatiekode : deel van een bericht dat wordt gebruikt om het tot het systeem behorende zendtoestel te identificeren. 3.6 Storing : gebeurtenissen die hun oorsprong binnen of buiten het systeem kunnen hebben en die de uitzending/ontvangst en/of de verwerking van gegevens binnen het systeem kunnen verstoren. Deze kunnen onopzettelijk of opzettelijk schadelijk zijn. De storingen kunnen de signalen op verschillende manieren beïnvloeden: 1 - Geen verminking van het HF-signaal 2 - Verminking van het HF-signaal die niet gepaard gaat met een verminking van het bericht 3 - Verminking van het HF-signaal met een gedeeltelijke verminking van het bericht 4 - Het HF-signaal wordt volledig uitgewist (geen ontvangst mogelijk). Een storing kan veroorzaakt worden door demping, botsing, HF-interferentie, de onopzettelijke en opzettelijke vervanging van berichten. 3.7 Demping : verzwakking van het HF-signaal ten gevolge van een verandering in de passieve omgeving van het systeem na de installatie (bijv. de bijplaatsing, de verplaatsing of de verandering van de reflektie van absorberende materialen). 3.8 Botsing : gelijktijdige uitzendingen van twee of meer HF-kommunikatietoestellen die tot hetzelfde systeem behoren, met een signaalsterkte die groot genoeg is om de HF-signalen te verminken of uit te wissen. 3.9 Opzettelijke vervanging van berichten : opzettelijke uitzendingen van een HF-kommunikatietoestel dat hetzelfde korrekte protokol gebruikt met de bedoeling om de veiligheid van het systeem te verlagen. 3.10 Onopzettelijke vervanging van berichten : onopzettelijke uitzendingen van een HF-kommunikatietoestel dat hetzelfde korrekte protokol gebruikt, afkomstig van een ander systeem zonder de bedoeling om de veiligheid van het systeem te verlagen. 3.11 Botsingskans : de waarschijnlijkheid dat een deel van de informatie of alle informatie van twee of meer berichten zich gelijktijdig op de verbinding bevindt. 3.12 Kommunikatiestoring : het onvermogen om een bericht door te geven. 3.13 HF-interferentie : HF-straling die afkomstig is van een andere bron en die de gewenste signalen kan verminken of uitwissen en die niet beantwoordt aan de definitie van botsing of vervanging van berichten. 3.14 Apparatuurlegitimatie : uitwisseling van kodes waarmee een zender zich op unieke wijze legitimeert ten opzichte van een ontvanger. 3.15 Berichtlegitimatie : kodering, vertaling of een andere wijziging van de informatie om vervanging van het bericht te vermijden. 3.16 WSV : afkorting voor werkzaam stralingsvermogen. 3.17 GO : afkorting voor gevoeligheid van de ontvanger. 3.18 KIA : afkorting voor kontrole- en indikatieapparatuur. 3.19 WA : afkorting voor waarschuwingsapparaat. 3.20 ADA : afkorting voor automatische doorzendapparatuur. 3.21 RN : afkorting voor referentieniveau. 3.22 VA : Voedingsapparaat 4 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 4.1 Immuniteit voor demping Het budget van de HF-verbinding wordt onder meer bepaald door het werkzaam stralingsvermogen (WSV) van de zender, de gevoeligheid van de ontvanger (GO) en het openluchtverlies. Om er zeker van te zijn dat de signaalsterkte tijdens de normale werking groot genoeg zal zijn, moet het mogelijk zijn om dit budget ten tijde van de installatie met tenminste 3 dB te verminderen. De fabrikant moet specificeren welke middelen hij op zijn apparatuur toegepast heeft om aan dit voorschrift te voldoen. 4.2 Immuniteit voor botsing 4.2.1 Voorschrift betreffende de botsingskans Het doel van dit voorschrift is een hoge betrouwbaarheid van de overdracht van de alarm- en statusberichten te verzekeren door de kans te verlagen dat apparatuur van hetzelfde systeem storingen veroorzaakt die leiden tot het verlies of de verminking van informatie. Waarde van de botsingskans per 120s H 10 E-2 Indien één alarmbericht met één statusbericht botst, zal de alarminformatie in ieder geval binnen de 10s ontvangen worden. OPMERKING : hierbij wordt aangenomen dat de HF-kommunikatietoestellen overeenkomstig de richtlijnen voor het gebruik geïnstalleerd werden. 4.2.2 Voorschrift betreffende de ontvangstkans Het doel van dit voorschrift is om te meten in hoeverre de ontvanger in staat is om korrekte alarmberichten akkuraat te interpreteren en uit te voeren. Dit voorschrift is van toepassing op ontvangers en luidt als volgt : 9.999 van de 10.000 alarmberichten moeten leiden tot een alarm op de ontvanger. 4.3 Immuniteit voor opzettelijke en onopzettelijke vervanging van berichten Een opzettelijk vervanging van berichten tracht in het algemeen de veiligheid van het systeem te verlagen door het ongeoorloofd uit te schakelen. Een onopzettelijke vervanging van berichten veroorzaakt in het algemeen een vals alarm of een sabotage-alarm en is daarom hinderlijk. Om zowel de onopzettelijke als de opzettelijke vervanging van berichten te voorkomen, moet elk zendtoestel door middel van een identifikatiekode als een onderdeel van het systeem geïdentificeerd worden. Het aantal mogelijke identifikatiekodes moet tenminste 1.000.000 bedragen. De apparatuur moet van een apparatuurlegitimatiesysteem voorzien zijn. Bovendien moet de kans dat een indringer de identifikatiekode in minder dan een uur ontdekt, kleiner dan 0,5% zijn. 4.4 Immuniteit voor interferentie Het doel van dit voorschrift is om te kontroleren in hoeverre de ontvanger in staat is om het gewenste signaal te onderscheiden van elk ander interfererend HF signaal. Voor radioapparatuur wordt er in de overeenkomstige EMC normen gebruik gemaakt van uitgesloten frequentiebanden (`exclusion band' in de norm ETS 300-683). Hoewel in het geval van beveiligingsapparatuur tegen binnendringing dat gebruik maakt van HF-verbindingen, levert dit geen bijdrage aan de immuniteit voor interferentie binnen de uitsluitingsband. Daarom houdt dit voorschrift geen rekening met dergelijke frequentiebanden en zal de ontvangstapparatuur korrekt moeten funktioneren binnen deze frequentieband. Dit voorschrift is van toepassing op alle apparatuur die gebruik maakt van een HF-ontvanger. Elk van de volgende storingssignalen zal gedurende 60s aktief zijn en geen enkele zal de oorzaak zijn van een vals alarm en/of een indikatie van kommunikatiestoring tot gevolg hebben. Gedurende deze storingstijd zullen alle 20 alarmberichten ( uitgezonden door het testzendtoestel) correct ontvangen en verwerkt worden. 4.4.1. Immuniteit buiten de band De ontvangstapparatuur zal correct werken wanneer een storing B (zie bijlage B) van 3 V/m gedurende 60s achtereenvolgens op de frequentie F1 en F2 aktief is. F1 is de lagere frequentie van de uitgesloten frequentieband, F2 is de hogere zoals bepaald in ETS 300-683. Indien de ontvanger in meerdere banden kan werken, dan zal er aan dit voorschrift voldaan worden voor elke uitgesloten frequentieband van elke werkband afzonderlijk. 4.4.2. Immuniteit in de band De ontvangstapparatuur zal correct werken wanneer een storing C (zie bijlage B) ter grootte van (A-3) dBm gedurende 60s achtereenvolgens op de frequentie Ft aktief is. Deze frequentie Ft wordt als volgt berekend : - indien de ontvangstapparatuur gebruik maakt van één enkele frequentie Fw dan is de testfrequentie Ft gelijk aan Fw - indien de ontvangstapparatuur gebruik maakt van twee of meer frequenties in dezelfde band, dan is Ft gelijk aan (Fmin + Fmax)/2, waarbij Fmin de kleinste en Fmax de grootste frequentie is van het apparaat; - indien de ontvangstapparatuur gebruik maakt van twee of meer frequenties in verschillende banden, dan zal de proef voor elke band afzonderlijk uitgevoerd worden met Ft gelijk aan (Fmin + Fmax)/2 en waarbij Fmin de kleinste en Fmax de grootste frequentie van die band is; - indien de ontvangstapparatuur gebruik maakt van één frequentie in verschillende banden, dan zal de proef voor elke band afzonderlijk uitgevoerd worden met Ft gelijk aan de door het apparaat gebruikte frequentie Fw.. 4.5 Voorschrift betreffende de kontrole van de HF-verbindingen De HF-verbindingen moeten gekontroleerd worden door de KIA, het WA en de ADA. Het resultaat moet zowel in de gewapende als in de ontwapende toestand bijgehouden worden. De indikatie of waarschuwing is afhankelijk van de apparatuur en de soort storing die door de monitorfunktie ontdekt werd. De volgende storingen moeten gedetekteerd worden : faling van de kommunikatieverifikatie en interferentie. 4.5.1 Voorschrift betreffende de detektie van een faling der periodieke kommunikatieverifikatie De HF-apparatuur (KIA, WA of ADA) moet een faling van de kommunikatieverifikatie met een zender van het systeem melden en identificeren binnen de tijden die in de onderstaande tabel aangegeven worden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld * : Voor buitenapparatuur dient dan te worden voldaan aan § 4.4. De waarde van het interferentieniveau D (zie bijlage B) wordt toegepast volgens bijlage A en is als volgt : D (dBm) KIA WA of ADA IN +7 IN + 21 4.6 Voorschriften betreffende antennes Apparaten die antennes buiten de behuizing gebruiken, moeten aan de volgende voorschriften voldoen : Opzettelijk verlaging van de antennewerkingen KIA Foutindikatie en verhinderen om te wapenen WA Lokale waarschuwing door het apparaat ADA Lokale waarschuwing door het apparaat De antennes mogen enkel gedemonteerd worden na het openen van de behuizing. 4.7 Wettelijke voorschriften Alle apparaten die gebruik maken van HF-verbindingen moeten voldoen aan de van toepassing zijnde Europese en nationale wettelijke voorschriften betreffende telekommunikatie. 4.8 Kontrole van de batterijspanning Met uitzondering van de KIA, moet de spanning van de batterij steeds gekontroleerd worden. Deze batterijen moeten voldoen aan de voorschriften van IEC Publikatie 86, behalve waar technisch verschillende types worden gespecificeerd. Er moet een 'Lage batterijspannings' signaal gegeven worden wanneer de batterijspanning onder een door de fabrikant aangegeven waarde zakt. Deze waarde moet hoger zijn dan de minimale voedingsspanning. Hierbij dient de autonomie van de batterij nog 2 maand te bedragen. 5 ONTWERP 5.1 Bescherming tegen sabotage Als het VA in dezelfde behuizing van één of meerdere onderdelen van een alarmsysteem ondergebracht is, is het voorschrift betreffende de sabotagebescherming voor het VA dezelfde als die van toepassing is voor deze andere onderdelen. Als het VA in een aparte behuizing ondergebracht is, moet deze behuizing stevig genoeg zijn om te voorkomen dat men zich ongemerkt en zonder zichtbare schade toegang kan verschaffen tot de inwendige komponenten. De behuizing moet bovendien aan de TN 120 voldoen. In geval van een onafhankelijk VA moeten de inwendige elementen beveiligd worden door middel van een sterke, mechanische bescherming. Voor een normale toegang is het gebruik van het juiste gereedschap vereist. 5.2 Sabotagedetektie Als het VA in een andere behuizing dan de alarmsysteemapparatuur ondergebracht is, moet het openen van de behuizing gedetekteerd worden zoals voorzien in de TN 120. 6 PRODUKTDOKUMENTATIE De fabrikant moet de volgende informatie leveren:
  1. a)Instrukties betreffende de installatie, het in werking stellen, onderhoud en gebruik.
  2. b)De toelaatbare spanning en de vereiste frequentie van de stroombron voor het VA, bijv.de gegevens van de netvoeding.
  3. c)De maximale kontinustroom voor elke uitgang van het voedingsapparaat.
  4. d)De uitgangsspanning (en tolerantie) die wordt geleverd door het voedingsapparaat voor een ingangsspanning die tussen de 90% en de 110% van de nominale waarde in
  5. b)ligt en een stroomafgifte tussen 0 en de waarde die wordt aangegeven in c).
  6. e)De maximale uitgangsrimpelspanning.
  7. f)Het type batterij, de maximale kapaciteit (V, Ah) en de maximale oplaadtijd.
  8. g)Identifikatie van de klemmen.
  9. h)De karakteristieken van de aanwezige kontrolefunkties.
  10. i)De elektrische karakteristieken van de monitorsignalen (bijv.open kollektor, spanningsvrij kontakt).
  11. j)De limieten van de bedrijfstemperatuur.
  12. k)Als er onderdelen (bijv.zekeringen) zijn die door de gebruiker of de installateur moeten onderhouden worden, moeten type en waarde vermeld worden.
  13. l)Zend- en ontvangstfrequentie en hun bandbreedte bij -3 dB.
  14. m)Vermogen van het zendtoestel 7 MARKERING EN LABELS Het VA moet met de volgende gegevens gemarkeerd worden : - De naam van de fabrikant of leverancier - De produktiedatum, het nummer van de partij of het serienummer - De specifikaties van het VA, bijv.de nominale spanning en stroom. - Konnektoren en aansluitdraden moeten genummerd of op een andere wijze gemerkt zijn. De markering moet leesbaar, duurzaam en ondubbelzinnig zijn. Als er voor de markering slechts een beperkte ruimte op het VA beschikbaar is, mag er gebruik gemaakt worden van kodes op voorwaarde dat deze in de bijhorende dokumentatie beschreven worden. Als er voor kodes niet voldoende ruimte beschikbaar is, moet het VA zodanig geïdentificeerd worden dat verwijzing mogelijk is. 8 PROEFNEMINGEN 8.1 HF-storingsproefnemingen Tenzij anders vermeld, moeten alle niveaumetingen uitgevoerd worden met een meetontvanger. Bovendien moet ervoor gezorgd worden dat het HF-verlies vanaf de uitgang van de signaalverzwakker tot aan de ingang van de meetontvanger gelijk is aan het HF-verlies van de signaaluitgang tot aan de ingang van de spectrumanalysator. Alle kabels moeten een karakteristieke impedantie van 50 Ohm hebben. De te testen ontvanger en één of meerdere zenders die in staat zijn om alarm, monitor- en kontroleberichten voor testdoeleinden over te dragen of de te testen zender met een testontvanger, zullen door de fabrikant geleverd worden. Als de te testen apparatuur alleen een batterij als voeding gebruikt, moeten de batterijen volledig opgeladen zijn. De ontvanger moet zodanig gericht worden dat zijn gevoeligheid maximaal is. 8.1.1 Bepaling van het referentieniveau RN Als eerste moet het RN van de te testen ontvanger bepaald worden. Deze waarde zal dan gebruikt worden als een basis voor de andere proefnemingen. Deze meting moet uitgevoerd worden volgens de metode die wordt beschreven in ETS 300-220 Bijlage A, maar met een anechoïsche kamer die groot genoeg is om zender en ontvanger 3 meter uit mekaar te zetten. De in bijlage A getoonde opstelling moet gebruikt worden, maar de signaalgenerator moet worden vervangen door een belasting van 50 Ohm. Om het RN te bepalen, moet de signaalverzwakker zodanig afgesteld worden tot er van de 20 uitgezonden berichten er 5 (of meer) door ontvanger niet meer ontvangen worden. Het RN is de waarde die op de meetontvanger afgelezen wordt, gemeten in dBm, en vermeerderd met 6 dBm. Voorbeeld : De waarde die de spectrumanalysator aangeeft is -110 dBm RN = -110 + 3 = -107 dBm 8.1.2 Proefneming van de immuniteit voor demping De immuniteit voor demping moet gekontroleerd worden met behulp van dezelfde testmetode die voor het bepalen van het RN gebruikt wordt, zoals gespecificeerd in 8.1. Voor de doelstelling van deze proefneming moet de apparatuur opgesteld worden volgens de installatie- of onderhoudsvoorschriften van de fabrikant. Meetprocedure voor de WSV van de zender : 1 - De te testen zender wordt in de anechoïsche kamer geplaatst, zie bijlage C 2 - Meet de WSV van de zender in dBmV onder normale omstandigheden (WSVn) 3 - Meet de WSV van de zender in dBmV terwijl de dempingsfunktie geaktiveerd is (WSVi). Meetprocedure voor het RN van de ontvanger : 1 - De te testen ontvanger wordt in een anechoïsche kamer geplaatst, zie bijlage A 2 - Meet het RN van de ontvanger in dBmV onder normale omstandigheden (RNn). 3 - Meet het RN van de ontvanger in dBmV terwijl de dempingsfunktie geaktiveerd is (RNi). Kontroleer het volgende resultaat : (WSVn - WSVi) - (RNn - RNi) g 3 dBm 8.1.3 Verifikatie van de immuniteit voor botsing De botsingskans voor een bepaald systeem moet berekend worden als een funktie van het maximum aantal zenders, de duur van de individuele uitzendingen, het aantal uitzendingen en de koderingstruktuur. Het maximum aantal zenders dat in de berekening gebruikt wordt, moet gelijk zijn aan de aanbevolen waarde van de fabrikant. Als er geen specifiek aantal aanbevolen wordt, moet men uitgaan van een maximum van 100. Een rekenvoorbeeld vindt men in bijlage F. 8.1.4 Proefneming van de ontvangstkans De ontvangstkans van de ontvanger moet met behulp van de volgende testprocedure bepaald worden. De proefneming moet in de anechoïsche kamer uitgevoerd worden. 1 - De ontvanger/zender kombinatie moet in de RN-toestand gebracht worden zoals vastgelegd in 8.1.1 2 - Een teller moet aangesloten worden op de zender om het aantal uitzendingen te registreren. Deze aansluiting mag geen invloed hebben op de uitzending van de zender. 3 - De zender moet op een kontinue uitzending van 10.000 alarmberichten met een geldige identifikatiekode ingesteld worden. Als er twee of meer alarmberichten verloren gaan, moet de proefneming herhaald worden en dan mag er geen enkel alarmbericht verloren gaan. 8.1.5 Proefneming van de immuniteit voor vervanging van berichten De verifikatie gebeurt volgens de metode beschreven in bijlage D. 8.1.6 Proefneming van de immuniteit voor interferentie In bijlage A wordt de vereiste opstelling getoond. 8.1.6.1. Proefneming van de immuniteit buiten de band Om te beginnen wordt er geen interferentiesignaal aangelegd en moet de signaalverzwakker ingesteld worden op een waarde die gelijk is aan het RN van de ontvanger plus 12 dBm. Dit wordt niveau A genoemd en wordt gemeten in dBm op de meetontvanger. Vervolgens wordt er een kontinu interferentiesignaal aangelegd door middel van de signaalgenerator zoals getoond in bijlage A. Dit signaal moet gebruik maken van hetzelfde modulatieschema als de originele zender en moet worden gemoduleerd door de binaire kombinatie "..01010101... » . De modulatie-herhalingsfrequentie in baud wordt berekend volgens de formule R=1/t waarbij t de kortste signifikante duur van het originele uitgezonden signaal is. Het interferentiesignaal zal gedurende 60 seconden worden aangelegd op de frequenties F1 en F2 met een waarde van 3 V/m. De proefneming wordt uitgevoerd voor elke gebruikte band. De proefneming is geslaagd indien de ontvangsapparatuur telkens op correcte wijze de drie volgende berichten verwerkt : in bewaking zetten, alarm, uit bewaking zetten. 8.1.6.2. Proefneming van de immuniteit in de band Om te beginnen wordt er geen interferentiesignaal aangelegd en moet de signaalverzwakker ingesteld worden op een waarde die gelijk is aan het RN van de ontvanger plus 12 dBm. Dit wordt niveau A genoemd en wordt gemeten in dBm op de meetontvanger. Vervolgens wordt er een kontinu interferentiesignaal aangelegd door middel van de signaalgenerator zoals getoond in bijlage A. Dit signaal moet gebruik maken van hetzelfde modulatieschema als de originele zender en moet worden gemoduleerd door de binaire kombinatie "..01010101... » . De modulatie-herhalingsfrequentie in baud wordt berekend volgens de formule R=1/t waarbij t de kortste signifikante duur van het originele uitgezonden signaal is. Het interferentiesignaal zal gedurende 60 seconden worden aangelegd op de frequentie Ft met een waarde van (A-3) dBm. De proefneming wordt uitgevoerd voor elke gebruikte band. De proefneming is geslaagd indien de ontvangsapparatuur telkens op correcte wijze de drie volgende berichten verwerkt : in bewaking zetten, alarm, uit bewaking zetten. 8.1.7 Testen van de kontrole van de HF-verbindingen 8.1.7.1 Testen van de detektie van een faling van de kommunikatieverifikatie op een verbinding Een faling van de kommunikatieverifikatie wordt veroorzaakt bij drie verschillende soorten verbindingen A) verbinding tussen een detektor en de KIA B) verbinding tussen de KIA en een WA C) verbinding tussen de KIA en de ADA Deze proefneming moet in de anechoïsche kamer uitgevoerd worden, zoals getoond in bijlage A. De hierna volgende procedure zal in de drie gevallen A, B en C gebruikt worden. Voor elke zend/ontvangstkombinatie zal de ontvanger in de RN-positie gezet worden. Vervolgens wordt nagegaan of de statusberichten op een korrekte wijze ontvangen worden. Daarna zal de voeding van de zender losgekoppeld worden en de ontvanger zal een faling van de kommunikatieverifikatie aangeven binnen de 2h. A - Proefneming van een verbinding tussen een zender en de KIA De KIA is uit bewaking en zal een fout aangeven. Daarna wordt de proef opnieuw uitgevoerd maar de KIA is in bewaking en zal een sabotagesignaal gegenereerd worden. Dan wordt de voeding weer aangekoppeld, de KIA is uit bewaking en geeft geen foutindikatie. Daarna wordt de voeding losgekoppeld juist nadat er een verifikatiebericht verzonden werd en na 15 minuten is het niet mogelijk om de KIA in bewaking te zetten. B - Proefneming van een verbinding tussen de KIA en een WA De KIA is - indien mogelijk - uit bewaking en zal een fout aangeven. Daarna wordt de proef opnieuw uitgevoerd maar de KIA is in bewaking en zal een sabotage genereren. Dan wordt de voeding weer aangekoppeld, de KIA en de WA zijn uit bewaking en geven geen foutindikatie. De KIA wordt in bewaking gezet en er wordt een visuele of hoorbare indikatie van de beschikbaarheid van de verbindingen gegeven. C - Proefneming van een verbinding tussen de KIA en de ADA De KIA is - indien mogelijk - uit bewaking en zal een fout aangeven. Daarna wordt de proef opnieuw uitgevoerd maar de KIA is in bewaking en zal een sabotagesignaal genereren. 8.1.7.2 Proefneming van interferentiedetektie De ontvanger wordt in de RN-positie gezet zoals getoond in bijlage A samen met een gewone zender. De fabrikant zal een aangepaste zender leveren die in staat is om kontinue te zenden gebruikmakend van hetzelfde transmissieprotocol. Deze zender heeft evenwel een andere identifikatiekode die niet aanvaard wordt door de ontvanger. Bovendien zal de aangepaste zender simultaan op alle frequenties kunnen zenden of hij zal volledig synchroon met de gewone zender kunnen zenden. De signaalgenerator wordt vervangen door deze aangepaste zender die bovendien uitgerust wordt met een signaalverzwakker. Het niveau van de verzwakking zal aangepast worden tot er 5 van de 20 of meer alarmberichten, gezonden door de gewone zender, niet meer ontvangen worden. Dit niveau noemen we het interferentieniveau IN. Tenslotte wordt de gewone zender losgekoppeld en wordt het IN verhoogd met 7 dBm voor de KIA of 21 dBm voor de WA of de ADA met respektievelijk een foutindikatie of een sabotagedetektie. De proefnemingen in bijlage E zullen uitgevoerd worden. 8.2 Antenneproefneming De antenne wordt eraf geknipt en de reaktie van de apparatuur wordt nagegaan. Bovendien is het niet mogelijk om de antenne los te maken zonder de behuizing te openen. 8.3 Omgevingsproefnemingen Alle apparaten die gebruik maken van HF-verbindingen moeten voldoen aan de omgevingsproeven beschreven in bijlage 5 van het Koninklijk Besluit. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage 7 Andere wettelijke bepalingen waaraan de alarmsystemen en centrales dienen te voldoen : - Wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving en haar uitvoeringsbesluiten; - Wet van 11 juli 1961 betreffende de onontbeerlijke veiligheidswaarborgen welke de machines, de onderdelen van machines, het materieel, de werktuigen, de toestellen en recipïënten moeten bieden, inzonderheid op artikel 1, § 1, eerste lid, gewijzigd door de wet van 3 december 1969, en haar uitvoeringsbesluiten inzake elektromagnetische compatibiliteit, inzonderheid op het koninklijk besluit van 18 mei 1994 betreffende de elektromagnetische compatibiliteit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 januari 1996; - artikel 314bis van het Strafwetboek Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 april 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken L. VAN DEN BOSSCHE

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.