📄 Wettekst
29 FEBRUARI 2024. - Wet tot invoering van boek II van het Strafwetboek (1)
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1 - Voorafgaande bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 - Boek II van het Strafwetboek Art. 2.De hiernavolgende bepalingen vormen boek II van het Strafwetboek: "Boek II. De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen Voorafgaande titel. Gemeenschappelijke bepalingen Art. 79.Algemene definities Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder: 1° minderjarige: elke persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;2° persoon in een kwetsbare toestand: elke persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van zijn leeftijd, een zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek duidelijk was of de dader bekend was;3° partner: de persoon waarmee de dader of het slachtoffer is gehuwd of een duurzame affectieve en intieme lichamelijke relatie heeft, alsook de persoon waarmee de dader of het slachtoffer gehuwd is geweest of een duurzame affectieve en intieme lichamelijke relatie heeft gehad indien de strafbare feiten enigszins verband houden met dit ontbonden huwelijk of de beëindigde relatie;4° persoon met een maatschappelijke functie: - een parlementslid; - een minister of staatssecretaris; - een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie, een jurylid of een getuige; - een provinciegouverneur, een lid van een deputatie, een arrondissementscommissaris, een burgemeester of schepen, een lid van de gemeente- of provincieraad; - een lid van de politiediensten, zoals bedoeld in artikel 3, 1°, van de
wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
29/05/2000
pub.
09/08/2000
numac
2000009606
bron
ministerie van justitie
Wet houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
sluiten6 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, een personeelslid door de Federale Overheidsdienst Justitie tewerkgesteld in een penitentiaire inrichting, een personeelslid aangesteld voor het onthaal bij de politiediensten of enige andere persoon met een openbare functie; - een lid van de brandweer, een lid van de civiele bescherming, een persoon die een gezondheidszorgberoep uitoefent zoals bedoeld in de gecoördineerde
wet van 10 mei 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/12/1998
pub.
02/02/1999
numac
1999009006
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem
sluiten7 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, een lid van het personeel aangesteld voor het onthaal in de spoeddiensten van de verzorgingsinstellingen, een maatschappelijk werker of een psycholoog van een openbare dienst; - een lid van het personeel of van de directie van een onderwijsinstelling, een persoon die de opvang van leerlingen verzorgt in een medisch-pedagogisch instituut dat door een gemeenschap wordt ingericht of gesubsidieerd, of een externe actor die door de gemeenschapsoverheden belast is met het voorkomen en het oplossen van geweld op school; - een postbode; - een chauffeur, begeleider, controleur of loketbediende van een uitbater van een netwerk van openbaar vervoer; - een bedienaar van een eredienst of een voorganger in plechtigheden van een niet-confessionele levensbeschouwing; - een journalist: een persoon die een activiteit uitoefent als bedoeld in artikel 24, § 1, van de
wet van 30 juli 2018Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
29/05/2000
pub.
09/08/2000
numac
2000009606
bron
ministerie van justitie
Wet houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
sluiten7 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens; - een advocaat; - een notaris; - een gerechtsdeurwaarder; - een VDAB-, FOREM-, ACTIRIS- en ADG-bemiddelaar; - een lid van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. 5° persoon met een openbare functie: - een persoon die op basis van een wet, een besluit of een rechterlijke beslissing: - de openbare orde moet handhaven; - de naleving van bepaalde normen of beslissingen van een overheidsorgaan moet controleren; - de naleving van bepaalde normen of beslissingen van een overheidsorgaan moet afdwingen; - een persoon die een openbare dienst of opdracht uitoefent waarbij zijn handelingen zijn bepaald en gereglementeerd door een wet, besluit of rechterlijke beslissing; 6° parlementslid: een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, een senator, een lid van een parlement van een gemeenschap of een gewest of een lid van het Europees Parlement;7° minister of staatssecretaris: een lid van de federale regering, van een regering van een gemeenschap of een gewest;8° magistraat: een rechter in het Grondwettelijk Hof, een raadsheer of rechter in een hof of rechtbank van de rechterlijke orde, een lid van het openbaar ministerie, een plaatsvervangende of toegevoegde magistraat, een lid van de Raad van State of het auditoraat bij de Raad van State, een lid van het Rekenhof, een lid van een administratief rechtscollege of een lid van een internationaal rechtscollege waarbij België partij is;9° juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie: een magistraat in opleiding, een kandidaat magistraat, een parketjurist als bedoeld in artikel 162, paragraaf 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek of een griffier;10° jurylid: een lid van de jury in het hof van assisen;11° getuige: elke persoon die door een rechter wordt gehoord, zonder dat hij partij is in het betrokken geding of verdacht wordt van het plegen van het strafbaar feit;12° scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd: elke persoon die is aangesteld om beslissingen te nemen in het kader van de bij de officiële sportfederaties aangegeven wedstrijden en iedere persoon die optreedt als seingever bij een sportwedstrijd op de openbare weg;13° in het kader van de uitoefening van deze functie: situatie waarin de dader het misdrijf pleegt tijdens de uitoefening van deze functie of door gebruik te maken van deze functie;14° naar aanleiding van de uitoefening van deze functie: situatie waarin de aanleiding voor het misdrijf ligt in een handeling die het slachtoffer heeft gesteld, stelt of zal stellen en die deel uitmaakt van de uitoefening van zijn functie;15° integriteitsaantasting van de eerste graad: elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die niet resulteert in een integriteitsaantasting van de tweede graad, een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood;16° integriteitsaantasting van de tweede graad: elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van maximum vier maanden of een geneeslijk lijkende ziekte die niet meer dan vier maanden ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk heeft veroorzaakt;17° integriteitsaantasting van de derde graad: elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van meer dan vier maanden, een ongeneeslijk lijkende ziekte, het volledig verlies van een orgaan of een lichaamsfunctie, een zware verminking, dan wel een zwangerschapsverlies.18° zwangerschapsverlies: onder zwangerschapsverlies wordt begrepen het voortijdig een einde stellen aan een zwangerschap, tegen de wil van de zwangere persoon en ongeacht de daarvoor gebruikte middelen;19° bedreiging: alle middelen van morele dwang waardoor vrees voor een dreigend kwaad wordt verwekt;20° foltering: de gedraging omschreven in artikel 112;21° voorbedachtheid: situatie waarbij de dader, in een voldoende stabiele gemoedstoestand en op een overwogen en geplande wijze, besluit tot het plegen van een misdrijf en er een voldoende tijdsverloop is tussen het besluit en de uitvoering ervan opdat de dader op zijn besluit zou kunnen terugkomen;22° in het openbaar: - hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen; - hetzij in aanwezigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; - hetzij om het even welke plaats, in aanwezigheid van de geviseerde persoon en voor een derde; - hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden; - hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden, die niet openbaar worden gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden; 23° wapen: ieder voorwerp dat ter hand wordt genomen om te doden, te verwonden of te slaan of daarmee te dreigen, alsook ieder verboden wapen zoals bedoeld in artikel 3 van de
wet van 8 juni 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/03/1998
pub.
02/04/1998
numac
1998009266
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter
sluiten8 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;24° nacht: de periode na negen uur `s avonds en voor vijf uur `s morgens;25° wet: de wet, het decreet of de ordonnantie;26° wetgevende vergadering: de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, een gewest- of gemeenschapsparlement, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie of de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;27° munt: de in België of in het buitenland wettelijk gangbare biljetten, de biljetten uitgedrukt in euro, de biljetten waarvan de uitgifte is toegelaten door of krachtens een wet of door een wet van een andere Staat of op grond van een bepaling die in die andere Staat kracht van wet heeft, alsook de in België of in het buitenland wettelijk gangbare muntstukken en de muntstukken uitgedrukt in euro;28° radioactief materiaal: alle kernmateriaal of andere radioactieve stoffen met nucliden die spontaan worden gespleten, proces dat gepaard gaat met de emissie van een of meer soorten ioniserende straling, zoals alfa-, bèta-, gamma- en neutronenstraling, en die wegens de radiologische of splijtbare eigenschappen ervan de dood, ernstig lichamelijk letsel of aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu zouden kunnen veroorzaken;29° kernmateriaal: plutonium, met uitzondering van plutonium waarvan de concentratie van de isotoop plutonium 238 hoger is dan 80 procent, uranium 233, uranium verrijkt in uranium 235 of 233, uranium dat het mengsel van isotopen bevat in de natuur aanwezig onder een andere vorm dan erts of ertsresidu, en iedere stof die één of meer van de hierboven genoemde isotopen bevat.Hierbij moet onder "uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233" worden begrepen: uranium dat hetzij uranium 235 hetzij uranium 233 bevat, dan wel deze beide isotopen in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van beide isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium; 30° nucleair instrument: a) alle nucleaire explosiemiddelen, of;b) alle instrumenten ter verspreiding van radioactief materiaal of alle instrumenten die straling uitzenden en die, wegens de radiologische eigenschappen ervan, de dood, ernstig lichamelijk letsel of aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu veroorzaken;31° nucleaire installatie: a) alle kernreactoren, daaronder begrepen een reactor aan boord van een vaartuig, van een voertuig, van een luchtvaartuig of van een ruimtevaartuig als energiebron die dient om voornoemd vaartuig, voertuig, luchtvaartuig of ruimtevaartuig voort te stuwen, of voor enig ander doeleinde;b) alle apparatuur of vervoersinstrumenten om radioactief materiaal te vervaardigen, op te slaan, op te werken of te vervoeren;32° exploitant van een installatie waar nucleair materiaal wordt vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen: elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een installatie waar nucleair materiaal wordt vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen;33° persoon die extern is aan installatie waar nucleair materiaal wordt vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen: de natuurlijke persoon die niet rechtstreeks of onrechtstreeks door een arbeidsovereenkomst, een stage- of opleidingsovereenkomst of een contract voor de uitvoering van werken of diensten verbonden is aan een installatie waarin kernmateriaal vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen wordt. Art. 80.Bijzondere definities Voor de toepassing van titel 4, hoofdstuk 2, en titel 8, hoofdstukken 1 tot 3, wordt verstaan onder: 1° aanslag: elke opzettelijk gestelde materiële handeling die bestaat uit of gepaard gaat met geweld of de bedreiging met geweld, die minstens een begin van uitvoering uitmaakt en die wordt gesteld teneinde het door de wet bepaalde rechtsgoed aan te tasten of te vernietigen;2° samenspanning: elk opzettelijk gezamenlijk genomen besluit van verscheidene personen om een aanslag in de zin van de bepaling onder 1° te plegen. Art. 81.Adoptie Voor de toepassing van dit Wetboek worden onder "bloedverwant" ook de adoptant, de geadopteerde en de bloedverwanten van de adoptant begrepen in de gevallen waarin de wet verwantschap doet ontstaan.
Titel I. Ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht Art. 82.Misdaad van genocide De misdaad van genocide, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaalrechtelijke misdaad en wordt bestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Internationaal Verdrag van 9 december 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, en onverminderd de strafrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op misdrijven door nalatigheid, wordt onder de misdaad van genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met het oogmerk om, geheel of gedeeltelijk, een nationale, etnische of godsdienstige groep of rassengroep uit te roeien, en wel door het: 1° doden van leden van de groep;2° toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;3° opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden bedoeld om de lichamelijke vernietiging van de gehele groep of van een gedeelte ervan te veroorzaken;4° opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;5° gewelddadig overbrengen van kinderen van een groep naar een andere groep. Deze misdaad wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 83.Misdaad tegen de mensheid De misdaad tegen de mensheid, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaalrechtelijke misdaad en wordt bestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Statuut van het Internationaal Strafhof wordt onder misdaad tegen de mensheid verstaan een van de volgende opzettelijke handelingen gepleegd in het kader van een veralgemeende of stelselmatige aanval op de burgerbevolking en met kennis van bedoelde aanval: 1° doodslag;2° uitroeiing;3° verlaging tot slavernij;4° gedwongen deportatie of overbrenging van bevolking;5° gevangenneming of elke andere vorm van ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid met schending van de fundamentele bepalingen van het internationaal recht;6° foltering;7° verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld met een vergelijk-bare ernst;8° vervolging van enige groep of van enige identificeerbare collectiviteit wegens politieke, raciale, nationale, etnische, culturele, godsdienstige of seksistische redenen of wegens andere universeel als onaanvaardbaar erkende criteria voor het internationaal recht, in samenhang met iedere handeling bedoeld in de artikelen 82 en 84 tot 88;9° gedwongen verdwijningen van personen;10° apartheid;11° andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt. Deze misdaad wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 84.Oorlogsmisdaden De oorlogsmisdaden zijn internationaalrechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel bestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven.
Zij worden onderverdeeld in vier categorieën op grond van de straf die erop van toepassing is. Art. 85.Oorlogsmisdaden van categorie 1 De oorlogsmisdaden van categorie 1 zijn: 1° de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten: a) doodslag;b) foltering of andere onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische experimenten;c) opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transporten, alsmede op personeel dat overeenkomstig het internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van het internationaal humanitair recht;d) opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire opdrachten of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voor zover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of goederen van burgerlijke aard wordt verleend krachtens het internationaal recht inzake gewapende conflicten;e) opzettelijk aanvallen van de burgerbevolking of van individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden;f) opzettelijk richten van aanvallen op plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voor zover deze plaatsen geen militaire doelen zijn;g) opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en milieu zal aanrichten, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd het misdadig karakter van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het collectieve rechtsbewustzijn;h) uitvoeren van een aanval op werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd het misdadig karakter van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het collectieve rechtsbewustzijn;i) aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van gedemilitariseerde zones of van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelen zijn;j) aanvallen van een persoon in de wetenschap dat hij buiten gevecht verkeert, op voorwaarde dat zulks de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;k) op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger of van een vijandelijke strijder;l) verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;2° de ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals gedefinieerd in voornoemd artikel 3, bestaande uit inbreuken gericht tegen het leven en de lichamelijk integriteit inzonderheid alle vormen van doodslag, verminkingen, wrede behandeling en foltering, wanneer die opzettelijke schendingen door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan personen is gewaarborgd door die Verdragen. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 8. Art. 86.Oorlogsmisdaden van categorie 2 § 1. De oorlogsmisdaden van categorie 2 zijn de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten: a) moedwillig veroorzaken van hevig lijden of toebrengen van ernstig lichamelijk letsel dan wel van ernstige schade aan de gezondheid;b) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van Genève of een ernstige schending van het gemeenschappelijke artikel 3 van die Verdragen oplevert;c) opzettelijk gebruik maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, daaronder begrepen het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van Genève;d) gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of van een andere persoon beschermd door het internationaal humanitair recht teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;e) behalve als ze gerechtvaardigd zijn of gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen, de handelingen die erin bestaan aan de personen beschermd door het internationaal humanitair recht, zelfs met hun toestemming, lichamelijke verminkingen toe te brengen, op hen geneeskundige of wetenschappelijke experimenten uit te voeren of bij hen weefsels of organen weg te nemen voor transplantatie, tenzij het gaat om het geven van bloed voor transfusie of het afstaan van huid voor transplantatie, mits zulks vrijwillig en zonder enige dwang of overreding en voor therapeutische doeleinden geschiedt;f) gebruiken van gif of giftige wapens;g) gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;h) gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen;i) gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering die van die aard zijn om overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of zonder onderscheid te treffen in strijd met het internationaal recht inzake gewapende conflicten, voor zover dergelijke wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algemeen verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij het Statuut van het Internationaal Strafhof;j) perfide gebruik van het embleem van het rode kruis of de rode halve maan of van andere beschermende emblemen erkend door het internationaal humanitair recht, op voorwaarde dat zulks een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft;k) op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, op voorwaarde dat zulks een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft;l) gebruiken van wapens die werken met microbiologische of andere biologische agentia of toxines, ongeacht hun oorsprong of wijze van vervaardiging;m) gebruiken van wapens waarvan de voornaamste uitwerking is dat ze een letsel toebrengen door middel van deeltjes die niet met röntgenstralen in het menselijk lichaam kunnen worden ontdekt;n) gebruiken van laserwapens die dusdanig zijn ontworpen dat zij in de strijd worden ingezet met als enig doel of onder meer als doel blijvende blindheid te veroorzaken bij personen zonder geassisteerd zicht, met andere woorden personen die met het blote oog kijken of corrigerende lenzen dragen. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 7. § 2. De misdrijven bedoeld in paragraaf 1 worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen. Art. 87.Oorlogsmisdaden van categorie 3 § 1. De oorlogsmisdaden van categorie 3 zijn: 1° de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten: a) vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand in geval van een internationaal gewapend conflict, of van een tegenstander in geval van een gewapend conflict dat niet van internationale aard is, tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende militaire noodzaak;b) vernieling en de toe-eigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak zoals aanvaard in het volkenrecht en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en willekeurige wijze;c) opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire doelen zijn;d) plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;2° de ernstige schendingen gedefinieerd in artikel 15 van het Tweede Protocol inzake het Verdrag van `s-Gravenhage van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, goedgekeurd te `s-Gravenhage op 26 maart 1999, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals omschreven in artikel 18, §§ 1 en 2, van het Verdrag van `s-Gravenhage van 1954 en in artikel 22 van voornoemd Tweede Protocol, wanneer deze schendingen opzettelijk, door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan goederen is gewaarborgd door dit Verdrag en Protocol: a) een aanval richten op een cultureel goed onder versterkte bescherming;b) een cultureel goed onder versterkte bescherming of de onmiddellijke omgeving ervan aanwenden ter ondersteuning van een militaire actie;c) de door het Verdrag en het Tweede Protocol beschermde culturele goederen op grote schaal vernietigen of zich toe-eigenen;d) een aanval richten op een cultureel goed beschermd door het Verdrag en het Tweede Protocol;e) de diefstal, de plundering of de verduistering van culturele goederen beschermd door het Verdrag en daden van vandalisme tegen de culturele goederen beschermd door het Verdrag. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 5. § 2. De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden bestraft met een straf van niveau 7 indien zij een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben. § 3. De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen. Art. 88.Oorlogsmisdaden van categorie 4 § 1. De oorlogsmisdaden van categorie 4 zijn: 1° de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten: a) dwingen van een krijgsgevangene, van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, om te dienen bij de strijdkrachten of bij gewapende groepen van de vijandelijke mogendheid of van de tegenpartij;b) onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de strijdkrachten of gewapende groepen of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;c) onthouden aan een krijgsgevangene, aan een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of aan een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, van het recht op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de voorschriften van die bepalingen;d) onrechtmatige deportatie, overbrenging of verplaatsing, de onrechtmatige gevangenhouding van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in dezelfde opzichten beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949;e) nemen van gijzelaars;f) rechtstreeks of onrechtstreeks overbrengen naar een bezet gebied van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende mogendheid in geval van een internationaal gewapend conflict, of van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende autoriteit in geval van een niet-internationaal gewapend conflict;g) andere schendingen van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;h) ongerechtvaardigd vertragen van de repatriëring van krijgsgevangenen of burgers;i) aanwenden van praktijken van apartheid of van andere onmenselijke of onterende praktijken, die op rassendiscriminatie gebaseerd zijn en een aanval op de menselijke waardigheid vormen;j) aanvallen van duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of spirituele erfgoed van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling, wanneer er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van het verbod die goederen te gebruiken om het militaire optreden te ondersteunen, en wanneer die goederen niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;k) opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten of ziekenhuizen, voor zover deze geen militaire doelen zijn;l) onrechtmatige handelingen en nalatigheden, niet wettelijk gerechtvaardigd, die de gezondheid en de fysieke of psychische integriteit van de personen beschermd door het internationaal humanitair recht in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder alle geneeskundige handelingen die niet gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen;m) gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk verklaren van de rechten en handelingen van de personen die tot de vijandige partij behoren;2° de hierna beschreven ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals gedefinieerd in voornoemd artikel 3, wanneer deze schendingen opzettelijk, door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan personen is gewaarborgd door die Verdragen: a) aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en onterende behandeling;b) uitspreken van veroordelingen en ten uitvoer leggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld rechtscollege dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend;c) nemen van gijzelaars. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 4, onverminderd, voor de misdrijven gedefinieerd onder 1°, g) tot k), en 2°, de toepassing van de strengere strafbepalingen tot bestraffing van ernstige schendingen van de waardigheid van de persoon. § 2. Het misdrijf bedoeld in paragraaf 1, 1°, l), wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien het heeft geleid tot ernstige gevolgen voor de volksgezondheid. § 3. De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) tot f), en in paragraaf 1, 2°, c), worden bestraft met een straf van niveau 7 indien zij een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben. § 4. De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) tot f), en in paragraaf 1, 2°, c), worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen. Art. 89.Gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de menselijkheid vormt § 1. De gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de menselijkheid vormt is de opzettelijke arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van opzettelijke vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6. § 2. De gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de menselijkheid vormt wordt bestraft met een straf van niveau 4 indien de persoon verantwoordelijk voor de gedwongen verdwijning vrijwillig het slachtoffer terug in vrijheid stelt binnen de vijf dagen na de vrijheidsberoving. § 3. De gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de menselijkheid vormt wordt bestraft met een straf van niveau 7: 1° indien het misdrijf de dood heeft veroorzaakt;2° indien de persoon wiens vrijheid werd ontnomen, werd onderworpen aan foltering;3° ingeval het misdrijf werd gepleegd jegens een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand. Art. 90.Voorbereidende handelingen Zij die opzettelijk een werktuig, een toestel of enig voorwerp voortbrengen, onder zich houden of vervoeren, een bouwwerk oprichten of een bestaand bouwwerk veranderen, in de wetenschap dat het werktuig, het toestel, het voorwerp, het bouwwerk of de verandering bestemd is om een van de in deze titel genoemde misdrijven te plegen of het plegen ervan te vergemakkelijken, worden gestraft met de straf bepaald voor het misdrijf waarvan zij het plegen hebben mogelijk gemaakt of vergemakkelijkt. Art. 91.Strafbare poging De poging om een van de in deze titel bedoelde misdrijven te plegen wordt bestraft met dezelfde straf als het voltooide misdrijf. Art. 92.Strafbare deelneming en aansprakelijkheid van de meerdere Worden met de op het voltooide misdrijf gestelde straf bestraft: 1° het bevel, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad, om een van de misdrijven bedoeld in de voorgaande artikelen van deze titel te plegen;2° het voorstel of het aanbod om een dergelijk misdrijf te plegen en het aanvaarden van zulk een voorstel of aanbod;3° het aanzetten tot het plegen van een dergelijk misdrijf, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;4° de deelneming in de zin van artikel 19 aan een dergelijk misdrijf, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;5° het verzuim gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen vanwege hen die kennis hebben van bevelen, gegeven met het oog op de uitvoering van een dergelijk misdrijf, of van feiten die een begin van uitvoering hiervan vormen, ofschoon zij de voltooiing ervan konden verhinderen of konden doen ophouden. Art. 93.Uitsluiting van de rechtvaardiging en verschoning § 1. Onverminderd de in artikel 85, 1°, g) en h), en artikel 88, § 1, 1°, l), genoemde uitzonderingen kan geen enkel belang, geen enkele noodzaak van politieke, militaire of nationale aard de in deze titel omschreven misdrijven, zelfs bij wijze van represaille gepleegd, rechtvaardigen. § 2. Het feit dat de betrokkene heeft gehandeld op bevel van zijn regering of van een meerdere, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid indien, in de gegeven omstandigheden, het bevel duidelijk het plegen van een van de misdrijven bedoeld in deze titel ten gevolge kon hebben.
Titel 2. Misdaad van ecocide Art. 94.Misdaad van ecocide § 1. De misdaad van ecocide, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, wordt bestraft volgens de bepalingen van deze titel.
De misdaad van ecocide is het opzettelijk plegen, door handelen of nalaten, van een illegale handeling, die ernstige, grootschalige en langdurige schade aan het milieu veroorzaakt, wetende dat deze handeling dergelijke schade toebrengt, voor zover deze handeling betrekking heeft op een inbreuk op federale wetgeving of internationale wetgeving die bindend is voor de federale overheid of zover de handeling niet in België kan gelokaliseerd worden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder: a) ernstige schade : schade die leidt tot negatieve zeer nadelige veranderingen, verstoringen of effecten aan enigerlei onderdeel van het milieu, met inbegrip van aanzienlijke gevolgen voor het leven of de gezondheid van de mens, op de biodiversiteit of op natuurlijke, culturele of economische hulpbronnen voor de samenleving;b) grootschalige schade: schade die zich uitstrekt tot buiten een beperkt geografisch gebied, die de grenzen van een regio of een staat overschrijdt of die wordt geleden door een volledig ecosysteem of een volledige soort of door een aanzienlijk aantal mensen;c) langdurige schade: schade die onomkeerbaar is of niet binnen een redelijke termijn door natuurlijke regeneratie kan worden hersteld;d) milieu: de aarde, haar ecosystemen, haar biosfeer, haar criosfeer, haar lithosfeer, haar hydrosfeer en haar atmosfeer alsmede de kosmische ruimte. § 2. Deze misdaad wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Titel 3. Misdrijven tegen de persoon Art. 95.Toepassingsgebied Als slachtoffer van de misdrijven uit deze titel kunnen worden beschouwd alle natuurlijke personen vanaf hun geboorte als levend wezen.
Natuurlijke personen kunnen slachtoffer zijn van alle misdrijven uit deze titel.
Rechtspersonen kunnen slachtoffer zijn van de volgende misdrijven bedoeld in deze titel: 1° bedreiging, bedoeld in hoofdstuk 6, afdeling 1;2° laster en belediging, bedoeld in hoofdstuk 6, afdeling 3;3° misdrijven betreffende het geheim van communicatie, privégegevens van een informaticasysteem en brieven bedoeld in hoofdstuk 9, afdeling 1;4° schending van plaatsen die tot woning dienen bedoeld in hoofdstuk 9, afdeling 2;5° schending van het beroepsgeheim bedoeld in hoofdstuk 9, afdeling 3. Hoofdstuk 1. Misdrijven tegen het leven Afdeling 1. Doden met het oogmerk om te doden
Art. 96.Doodslag Doodslag is het doden van een ander persoon met het oogmerk om hem te doden.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
De rechter kan geen straf onder elektronisch toezicht, probatiestraf of werkstraf uitspreken in geval van poging van doodslag. Art. 97.Moord Moord is doodslag gepleegd met voorbedachtheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 98.Doodslag gepleegd in het kader van een ander misdrijf De doodslag gepleegd om het plegen van een ander misdrijf of de poging daartoe te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren, dan wel gepleegd als gevolg van de weerstand die werd geboden door het slachtoffer of een derde, wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 99.Doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer De doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 100.Doodslag gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand De doodslag gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, dan wel een bloed- of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont of heeft samengewoond. Art. 101.Intrafamiliale doodslag De doodslag gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 8. Art. 102.Doodslag gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie Doodslag gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 8 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie. Art. 103.Uitgelokte doodslag De doodslag is uitgelokt indien deze werd gepleegd onder de onmiddellijke invloed van opzettelijk gepleegd, onrechtmatig, ernstig en ogenblikkelijk fysiek of psychisch geweld tegen zijn persoon of tegen een derde.
Indien de doodslag werd uitgelokt, wordt de op het misdrijf gestelde straf vervangen door een straf van niveau 3. Art. 104.Bijkomende straf Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter bij de veroordeling voor een misdrijf omschreven onder deze afdeling, met uitzondering van de uitgelokte doodslag, ook de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling uitspreken. Art. 105.Verzwarende factoren Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging het feit dat: 1° de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;2° het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;3° het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie;4° het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;5° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optreden;6° het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;7° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer". Afdeling 2. Doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of
voorzichtigheid Art. 106.Doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid wordt bestraft met een straf van niveau 2. Art. 107.Dodelijk verkeersongeval Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van een verkeersongeval wordt bestraft met een straf van niveau 3. Art. 108.Verzwarende factor Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor de in de artikelen 106 en 107 bedoelde misdrijven neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige. Afdeling 3. Aanzetting tot zelfdoding
Art. 109.Aanzetting tot zelfdoding Aanzetting tot zelfdoding is het opzettelijk stellen van een handeling die van aard is om een persoon ertoe te brengen zichzelf van het leven te beroven. De aanzetting tot zelfdoding is slechts strafbaar indien zij een zelfdoding door het slachtoffer of een poging daartoe tot gevolg heeft.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. Art. 110.Verzwaarde aanzetting tot zelfdoding Aanzetting tot zelfdoding wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer: 1° de feiten gepleegd zijn op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;2° de feiten gepleegd zijn vanuit een discriminerende drijfveer;3° de dader de partner of een bloedverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn is van het slachtoffer. Art. 111.Verzwarende factoren Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging: 1° het feit dat de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;2° indien het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is, het feit dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;3° het feit dat het misdrijf werd gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;4° het feit dat het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;5° het feit dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;6° het feit dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer". Hoofdstuk 2. Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling Afdeling 1. Foltering
Art. 112.Foltering Foltering is elke opzettelijke gedraging waarmee hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden wordt veroorzaakt bij een persoon, onder meer om van hem of van derde inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem of derden te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren, dan wel om eender welke reden van discriminatoire aard.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4. Art. 113.Foltering met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg De foltering die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 5. Art. 114.Foltering door een persoon met een openbare functie De foltering gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, wordt bestraft met een straf van niveau 5. Art. 115.Foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand De foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Indien de foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 6.
Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont. Art. 116.Foltering van een persoon met een maatschappelijke functie Foltering gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie. Art. 117.Intrafamiliale foltering De foltering van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Indien de foltering zoals gedefinieerd in het eerste lid een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6. Art. 118.Foltering met de dood tot gevolg De foltering die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 7. Art. 119.Uitsluiting van rechtvaardigingsgronden De foltering kan door geen enkele rechtvaardigingsgrond worden gerechtvaardigd. Afdeling 2. Onmenselijke behandeling
Art. 120.Onmenselijke behandeling Onmenselijke behandeling is elke opzettelijke gedraging waarmee ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3. Art. 121.Onmenselijke behandeling met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg De onmenselijke behandeling die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4. Art. 122.Onmenselijke behandeling door een persoon met een openbare functie De onmenselijke behandeling gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, wordt bestraft met een straf van niveau 4. Art. 123.Onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand De onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Indien de onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5.
Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont. Art. 124.Onmenselijke behandeling van een persoon met een maatschappelijke functie Onmenselijke behandeling gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie. Art. 125.Intrafamiliale onmenselijke behandeling De onmenselijke behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Indien de onmenselijke behandeling zoals gedefinieerd in het eerste lid een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5. Art. 126.Onmenselijke behandeling met de dood tot gevolg De onmenselijke behandeling die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 6. Art. 127.Uitgesloten rechtvaardigingsgrond De onmenselijke behandeling kan niet worden gerechtvaardigd door het bevel van de overheid. Afdeling 3. Onterende behandeling
Art. 128.Onterende behandeling Onterende behandeling is het opzettelijk onderwerpen van een persoon aan een behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. Art. 129.Onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand De onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont. Art. 130.Intrafamiliale onterende behandeling De onterende behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 3. Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling
Art. 131.Verzwarende factoren Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in dit hoofdstuk neemt de rechter in overweging het feit dat: 1° het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;2° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optreden;3° het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;4° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer". Hoofdstuk 3. Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden Afdeling 1. Aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme,
niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud en verkrachting Onderafdeling 1. Toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht Art. 132.Definitie van toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gegeven. Dit wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak. De toestemming kan niet worden afgeleid uit de loutere ontstentenis van verweer van het slachtoffer. De toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik voor of tijdens de seksuele handeling.
Toestemming is er niet wanneer de seksuele handeling is gepleegd door gebruik te maken van de kwetsbare toestand van het slachtoffer ten gevolge van onder meer angst, invloed van alcohol, verdovende middelen, psychotrope stoffen of enige andere substantie met een soortgelijke uitwerking, een ziekte of een handicapsituatie, waardoor de vrije wil is aangetast.
Toestemming is er in ieder geval niet indien de seksuele handeling het gevolg is van een bedreiging, fysiek of psychisch geweld, dwang, verrassing, list of van enige andere strafbare gedraging.
Toestemming is er in ieder geval niet wanneer de seksuele handeling is gepleegd ten nadele van een bewusteloos of slapend slachtoffer. Art. 133.Beperkingen aan de mogelijkheid tot toestemming door de minderjarige § 1. Onder voorbehoud van paragraaf 2 wordt een minderjarige die de volle leeftijd van zestien jaar niet heeft bereikt, niet geacht uit vrije wil te kunnen toestemmen. § 2. Een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, kan uit vrije wil toestemmen indien het leeftijdsverschil met de andere persoon niet meer dan drie jaar bedraagt.
Er is geen misdrijf tussen minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt en die met wederzijdse toestemming handelen wanneer het onderlinge leeftijdsverschil meer dan drie jaar bedraagt. § 3. Een minderjarige kan nooit uit vrije wil toestemmen indien: 1° de dader een bloedverwant of aanverwant is in de rechte opgaande lijn of een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin of ongeacht welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die over die minderjarige gezag heeft, of 2° de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader gebruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige, of 3° de daad wordt beschouwd als een daad van ontucht of prostitutie als bedoeld in afdeling 2, onderafdeling 2, luidende "Seksuele uitbuiting van minderjarigen met het oog op prostitutie". Onderafdeling 2. Basismisdrijven Art. 134.Aantasting van de seksuele integriteit Aantasting van de seksuele integriteit is het opzettelijk stellen van een seksuele handeling op een persoon die daar niet in toestemt, al dan niet met behulp van een derde persoon die daar niet in toestemt, dan wel het laten stellen van een seksuele handeling door een persoon die daar niet in toestemt. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Wordt met aantasting van de seksuele integriteit gelijkgesteld het opzettelijk bewerkstelligen dat een persoon die daarmee niet instemt, getuige is van seksuele handelingen, of van seksueel misbruik, ook zonder dat deze daaraan hoeft deel te nemen.
Aantasting bestaat zodra er een begin van uitvoering is. Art. 135.Voyeurisme Voyeurisme is het opzettelijk observeren of doen observeren van een persoon of opzettelijk van deze persoon een beeld- of geluidsopname maken of doen maken, - rechtstreeks of door middel van een technisch of ander hulpmiddel; - zonder de toestemming van die persoon of buiten zijn medeweten; - terwijl die persoon ontbloot is of een expliciete seksuele daad stelt, en; - terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt, waarin hij redelijkerwijs mag verwachten beschut te zijn voor ongewenste blikken.
Onder ontblote persoon wordt begrepen de persoon die zonder toestemming of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont dat op grond van zijn seksuele integriteit verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld- of geluidsopname van hem werd gemaakt.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Voyeurisme bestaat, zodra er begin van uitvoer …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.