← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en a

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering wijzigt verschillende bestaande besluiten over leefmilieu om ze aan te passen aan nieuwe technische ontwikkelingen en de CLP-verordening, en om Europese regels en studies te implementeren. Het doel is om de milieubescherming te verbeteren en de regelgeving te actualiseren.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
VLAAMSE OVERHEID 16 MEI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Verslag aan de leden van de Vlaamse Regering Betreft: Ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening Algemene toelichting Dit ontwerpbesluit wijzigt grotendeels titel I en titel II van het VLAREM en de bijlagen, en in beperkte mate het VLAREL ( besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu) en het VLAREL-BIS ( besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten9 tot wijziging van het VLAREL en tot wijziging van diverse andere besluiten wat betreft erkenningen met betrekking tot het leefmilieu). Ook worden de volgende besluiten van de Vlaamse Regering met dit besluit gewijzigd: - het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (MER-besluit) - het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater (Stooktoestellenbesluit) - het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten3 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Milieuhandhavingsbesluit) - het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici - het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 van diverse andere besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen (VLAREM-trein 2012) Hieronder worden de voornaamste wijzigingen algemeen toegelicht. 1. Uitvoering geven aan verordening nr.708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur Via dit besluit worden de Europese Verordening (EG) nr. 708/2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet voorkomende soorten in aquacultuur en de Europese Verordening (EG) nr. 535/2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 708/2007, uitvoerbaar gemaakt. Deze Verordening heeft in essentie het voorkomen van veranderingen in de ecosystemen en negatieve biologische interactie met inheemse populaties tot doel. Met onderhavige VLAREM-wijziging wordt het voor exploitanten van aquacultuurvoorzieningen mogelijk gemaakt om een vergunningsaanvraag, zoals vereist in de betreffende Verordening, in te dienen voor verplaatsingen van uitheemse soorten of plaatselijk niet voorkomende soorten. Er werden eveneens sectorale voorwaarden in titel II van het VLAREM opgenomen voor gesloten en open aquacultuurvoorzieningen. 2. Vertaling van Vlaamse BBT-studies Sinds de VLAREM-trein 2011 ( besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7) wordt er bij elke VLAREM-wijziging werk van gemaakt om de laatste nieuwe BBT-studies telkens systematisch te vertalen naar het VLAREM.Met onderhavige VLAREM-wijziging gebeurt dit voor de volgende Vlaamse BBT-studies: a. voor de houtverwerkende nijverheid (aanpassen van artikel 5.19.1.4, § 2bis, van titel II van het VLAREM) b. voor de droogkuissector (aanpassen van afdeling 5.41.2 "Inrichtingen voor het chemisch reinigen van textiel" van titel II van het VLAREM) c. voor de laboratoria (aanpassen van hoofdstuk 5.24 van titel II van het VLAREM en de bijhorende sectorale lozingsnormen) d. voor de (mest)covergistingsinstallaties (het bepalen van specifieke voorwaarden voor vergistingsinstallaties in het VLAREM) 3.Wijzigingen aan hoofdstuk 5.60 "Opvulling met niet-verontreinigde uitgegraven bodem" van titel II van het VLAREM" ingevolge de studie "Onderzoek stabiliteitsrisico's ontginningen" (2010, bvba Geolab in samenwerking met prof. J. Maertens van de K.U. Leuven) De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (ALBON) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie beschikt over een advies- en toezichtbevoegdheid wat betreft het gevaar voor stabiliteitsproblemen bij inrichtingen vergund in het kader van de VLAREM-rubriek 60 (Opvulling met niet-verontreinigde uitgegraven bodem). Tien jaar ervaring in de uitoefening van deze advies- en toezichtbevoegdheid (sinds de invoering van rubriek 60 in 2002) doet ALBON concluderen dat de huidige sectorale voorwaarden in hoofdstuk 5.60 van titel II van het VLAREM ontoereikend zijn om het gevaar voor stabiliteitsproblemen in deze inrichtingen op een voldoende wijze in te perken. Getuige hiervan de bressen die tijdens deze periode bij de opvulling van verschillende ontginningsputten in Vlaanderen zijn ontstaan, waaronder een paar zeer aanzienlijke in 2003 en 2004. Stabiliteitsrisico's dienen op een wetenschappelijk onderbouwde wijze te worden aangepakt. Het is hierbij niet aangewezen om telkens ad hoc bijzondere voorwaarden inzake stabiliteit in de vergunningen te laten opnemen. Ter evaluatie van de huidige VLAREM-bepalingen en in functie van de opmaak van een voorstel tot aanpassing ervan, werd in 2010 in opdracht van ALBON een studie "Onderzoek stabiliteitsrisico's ontginningen" uitgevoerd door de bvba Geolab in samenwerking met professor Jan Maertens van de K.U. Leuven. De resultaten van deze studie vormden al de basis voor een grondige aanpassing van de sectorale voorwaarden in hoofdstuk 5.18 "Ontginningen" van titel II van het VLAREM via de VLAREM-trein 2012 ( Besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1). De studie formuleerde echter ook uitgebreide aanbevelingen tot aanpassing van de sectorale voorwaarden in hoofdstuk 5.60 "Opvulling met niet-verontreinigde uitgegraven bodem". Het voorliggende ontwerp tot aanvulling van hoofdstuk 5.60 vormt hier de weerslag van. De huidige sectorale voorwaarden in hoofdstuk 5.60 van titel II van het VLAREM hebben enkel betrekking op de kwaliteit, de herkomst en de aanvaardingsprocedure van de uitgegraven bodem die gebruikt wordt bij de opvulling van groeven, graverijen, uitgravingen of andere putten, en het toezicht daarop, en op maatregelen inzake de grondwaterkwaliteit. Van sectorale voorwaarden die de stabiliteit van de opvulling moeten garanderen, ontbreekt echter elk spoor. Het voorliggende ontwerp tot aanvulling van hoofdstuk 5.60 wil deze lacune opvullen, dit op basis van de resultaten van de hogervermelde studie. 4. Wijziging aangaande verbranding van biomassa-afval in open lucht en in residentiële houtkachels Deze VLAREM-wijziging omvat de invoering in VLAREM van een verbod op de verbranding in open lucht, uitgezonderd voor welomschreven doeleinden.De invoering van het verbod op verbranding in open lucht is een uitvoering van een actie uit het nieuwe Vlaamse luchtkwaliteitsplan dat op 30 maart 2012 door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd. Het verbod op de verbranding in open lucht beoogt een vermindering van de uitstoot van fijn stof naar de omgeving en dus een daling van de concentratie van fijn stof in de lucht. Daarnaast wordt ook een reductie van de emissie van de erg gezondheidsschadelijke producten van onvolledige verbranding vooropgesteld. Door deze VLAREM-wijziging worden volgende doelen bereikt: (1) Een verbetering van de luchtkwaliteit, zoals beoogd door de Europese richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht, vervangen door de richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa.(2) De inconsistenties worden opgeheven die momenteel bestaan tussen enerzijds de indelingslijst van titel I van het VLAREM, waarin afvalverbranding steeds als een vergunningsplichtige activiteit wordt beschouwd, en anderzijds bepalingen in deel 4 van titel II van het VLAREM, waarin het verbranden van een aantal strikt gedefinieerde afvalstoffen onder welbepaalde voorwaarden wel toegelaten is.(3) De milieuwetgeving wordt in overeenstemming gebracht met het Afvalstoffendecreet en het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), waarin een verbrandingsverbod voor selectief ingezamelde stromen is vastgelegd, uitgezonderd wanneer deze verbranding dient voor de opwekking van hernieuwbare energie (in casu groene stroom of groene warmte). 5. Uitvoering van de TWOL Schouwspelzalen De huidige sectorale voorwaarden voor rubrieken 32.1 (inrichtingen met muziekactiviteiten) en 32.2 (schouwspelzalen) zijn niet meer geheel actueel, in het bijzonder de bepalingen aangaande de bescherming van het publiek. Voornamelijk worden een aantal bepalingen met betrekking tot brandvoorkoming, brandbestrijding en evacuatie gebundeld en geactualiseerd in de algemene bepalingen. Hierdoor zijn deze bepalingen niet enkel van toepassing op de schouwspelzalen (zoals voorheen vaak het geval was), maar ook op de inrichtingen met muziekactiviteiten. Het is immers noodzakelijk dat voor inrichtingen met muziekactiviteiten, die gekenmerkt zijn door een groot aantal aanwezige personen op een beperkte ruimte, een minimale bescherming wordt geboden voor dit publiek inzake brandvoorkoming, -bestrijding en evacuatie. Voor nieuwe inrichtingen (in nieuwe én bestaande gebouwen), vergund na 1 juli 2014, wordt geëist dat deze steeds minimaal aan de federale basisnormen brandveiligheid voldoen, voor wat betreft de constructie-eisen en brandveiligheidsvoorschriften. Dit ongeacht het toepassingsgebied beschreven in de federale basisnorm. Er worden een aantal wijzigingen doorgevoerd voor de brandbestrijding in de inrichtingen met muziekactiviteiten en schouwspelzalen. Deze wijzigingen hebben tot doel om enerzijds in deze inrichting een snelle bestrijding van de brand mogelijk te maken en anderzijds een vlottere evacuatie te bekomen door een betere organisatie van de branddetectie, waarschuwing en alarmering. De minimaal te gebruiken branddetectie- en waarschuwingsmiddelen is afhankelijk van het aantal mogelijke bezoekers in de inrichting. 6. Uitvoering van de TWOL LPG-installaties De huidige sectorale voorwaarden voor LPG-installaties (brandstofverdeelinstallaties) zijn niet meer geheel actueel, in het bijzonder de bepalingen aangaande de risicoafstanden.Er werden via een TWOL-studie, uitgevoerd door een erkend VR-deskundige, nieuwe risicoafstanden voor LPG-stations bepaald. Deze risicoafstanden zijn gebaseerd op een kwantitatieve risicoberekening, uitgaande van de huidige stand der techniek voor LPG-stations en gebaseerd op de richtlijnen van de dienst Veiligheidsrapportering. Tijdens het TWOL-onderzoek werd de sector maximaal betrokken om een groot draagvlak te creëren voor de nieuwe voorwaarden en om de laatste informatie betreffende de stand der techniek te leveren. Er wordt een wijziging van het aanvraagformulier doorgevoerd waarbij gegevens gevraagd worden betreffende parameters die relevant zijn om de risicoafstanden op generieke wijze te kunnen bepalen, op de aanwezige beveiligingen en op het groepsrisico. In de huidige VLAREM-bepalingen wordt het groepsrisico van een LPG-station eerder impliciet getoetst, nu zal dit systematisch bij de milieuvergunningsaanvraag gebeuren. De exploitant kan kiezen tussen de berekening van het groepsrisico opgesteld door een erkend VR-deskundige die aantoont dat er een aanvaardbaar groepsrisico is, of voor de toetsing via de tabellen die in de toelichtingsbijlage zijn opgenomen. Bij deze tabellen zijn de voorwaarden waarbij deze van toepassing vermeld en wordt een onderscheid gemaakt tussen het volume van de houder, de doorzet van het LPG-station en tussen ondergrondse en bovengrondse houders. De toetsing van het groepsrisico is tweeledig: zowel voor de naburige woonpopulatie, als voor publiek bezochte locaties en puntlocaties, moet het LPG-station aan het groepsrisico voldoen. De sectorale voorwaarden worden aangepast aan de huidige stand der techniek voor LPG-stations en waar nodig is de bestaande tekst verduidelijkt. Een andere belangrijke wijziging is dat bijlage 5.16.6 "Standaardcriteria en minimale technische eisen voor LPG-stations" vervangen wordt door drie nieuwe bijlagen, namelijk, bijlage 5.16.6.1 "Standaardcriteria", bijlage 5.16.6.2 "Minimale technische eisen voor LPG-stations" en bijlage 5.16.6.3 "Risicoafstanden voor LPG-stations". Dit is nodig omdat de bestaande bijlage verouderd en onduidelijk is. Nieuwe stations zullen dadelijk moeten voldoen aan de nieuwe risicoafstandsregels. Voor bestaande stations is de overgangstermijn om te voldoen aan de nieuwe risicoafstandsregels vastgelegd op 1 januari 2019. 7. Uitvoering geven aan de CLP-verordening (EG) Nr.1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 De indeling van gevaarlijke producten in het VLAREM, alsook sectorale voorwaarden ivm gevaarlijke producten zijn gebaseerd op de indeling van gevaarlijke producten volgens de Europese stoffen- en preparaten- of mengselrichtlijn. In Europa wordt het door UNECE uitgevaardigd Globally Harmonised System doorgevoerd via de CLP-verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006. In de CLP-verordening is er sprake van 29 gevarenklassen en een 60-tal gevarencategorieën; in de huidige richtlijnen is er sprake van 15 gevarencategorieën waarvan er maar twaalf vertaald zijn naar de indelingslijst en waarbij er ook nog rubrieken zijn toegevoegd voor P3- en P4-producten. De indeling volgens CLP wordt bijgevolg veel uitgebreider. Krachtens artikel 60 van deze verordening worden de stoffenrichtlijn en prepa-ratenrichtlijn met ingang van 1 juni 2015 ingetrokken. Gelet op de intrekking van de Stoffen- en preparatenrichtlijn en de verschillende manier van indeling van gevaarlijke producten t.o.v. de huidige richtlijnen, zal het VLAREM waar het zich baseert op deze Europese richtlijnen moeten aangepast worden. Om deze verandering te onderzoeken is er een TWOL studie "Evaluatie van de impact van de CLP-verordening op de Vlaamse milieuvergunningenwetgeving, en voorstellen van beleidsopties met inbegrip van impactanalyse" uitgevoerd. Om een gedragen voorstel uit te werken zaten er in de stuurgroep naast vertegenwoordigers van de overheid ook vertegenwoordigers van Essenscia, Agoria en VOKA en is er tweemaal een publieke bevraging geweest. De resultaten van de TWOL-studie zijn het vertrekpunt voor de voorgestelde aanpassing. De aanpassingen aan de indelingslijst t.g.v. de CLP-verordening en SEVESO III-richtlijn worden ingevoerd vanaf 1 juni 2015, een scharnierdatum van de CLP-verordening vanaf wanneer alle gevaarlijke producten over een indeling volgens de CLP-verordening dienen te beschikken. Tot die datum moet nog steeds de indeling volgens de stoffen- en preparatenrichtlijn vermeld worden op de MSDS-fiches van de gevaarlijke producten. De veranderingen aan het VLAREM als gevolg van de CLP-verordening zijn terug te vinden in de artikelen 3, 32 (5°, a; 12°, a, b en c; 13°, a en b; 14°, 15°, 22° ), 37 (3° ), 40 (10° en 13° ), 41 (3° ), 43, 44, 45 (3°, 6°, 7° en 12° ), 58, 59, 60, 63, 64, 87, 95, 96, 99 (1° en 2° ), 100, 101, 102, 127, 146, 148, 149, 155, 156 (1° ), 157, 158, 159, 183, 187, 188, 193, 197, 198 (3° ), 199, 200, 201 (2° en 3° ), 206 (1° ), 208 (2° ), 211 (2° en 3° ), 213 (1° ), 255, 260, 265, 271, 325, 340, 342, 343, 355, 360, 364, 367, 413 (1° ), 423, 424, 425 (10° ), 426, 429, 432, 433, 443 tot en met 447, 449 tot en met 459, 468, 469, 470 (9° ), 471, 480, 485 tot en met 491, 493 tot en met 502, 515, 545, 547 tot en met 549, 552 tot en met 554, 556, 559, 560, 562 tot en met 564, 572, 573, 634 en 635.. 8. Uitvoering geven aan de SEVESO III-richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 04/07/2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad) Naast de CLP-verordening wordt het VLAREM (de indelingslijst en bijlage 5 en 6 van titel I van het VLAREM en titel II van het VLAREM) ook aangepast aan de Seveso III-richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad).De Seveso III-richtlijn is de aanpassing van de SEVESO-wetgeving aan de CLP-verordening. 9. Wijzigingen aan het VLAREL De belangrijkste wijzigingen aan het VLAREL kaderen binnen het uniformiseren van de opleiding van erkend technicus gasvormige brandstof tussen de Gewesten.De opleiding van een erkend technicus gasvormige brandstof wordt modulair georganiseerd. In het Vlaams Gewest bestaat de opleiding van erkend technicus gasvormige brandstof momenteel uit drie modules: een basismodule (module G1) en twee uitbreidingsmodules (module G2 en module G3). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest wordt de opleiding ingedeeld in respectievelijk de modules G1 en G2 en de modules GI en GII. Om te evolueren naar een meer uniforme wetgeving binnen het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest worden in het Vlaams Gewest de huidige modules G1 en G2 samengevoegd in de module GI en wordt de uitbreidingsmodule G3 vervangen door de uitbreidingsmodule GII. Hierdoor worden twee niveaus van technici gasvormige brandstof gecreëerd: technici niveau GI met certificaat niveau GI en technici niveau GII met certificaat niveau GII. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel bepaalt dat dit besluit onder andere voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad, zijnde de Seveso III-richtlijn. Artikel 2 Dit artikel bepaalt dat dit besluit onder andere voorziet in de omzetting van artikel 8, lid 4, en artikel 14, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG. HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel I van het VLAREM Artikel 3 Dit artikel voegt voor de volgende begrippen een definitie toe aan artikel 1 van titel I van het VLAREM: De begrippen "verordening Aquacultuur" (87° ), "aquacultuur" (88° ), "open aquacultuurvoorziening (89)" en "gesloten aquacultuurvoorziening (90)" en dit om de leesbaarheid te verhogen van de nieuwe bepalingen (nieuwe rubriek 62 en nieuwe sectorale voorwaarden in hoofdstuk 5.62, zie verder) die worden doorgevoerd in het kader van het uitvoerbaar maken van deze verordening. Voor het begrip dierlijke bijproducten wordt een definitie ingevoerd. De verkorte citeerwijze verhoogt immers de leesbaarheid van de bepalingen van het VLAREM. Dit geldt eveneens voor het verdrag van Helsinki (92° ) en de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportering (93° ). Met het oog op de invoering van een adviesbevoegdheid van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) bij de behandeling van milieuvergunningsaanvragen voor bepaalde inrichtingen en de beroepen hierover wordt het "ARBIS" (94° ) gedefinieerd. De begrippen "ingrijpende renovatie" (95° ) en "kosten-batenanalyse" (97° ) worden ingevoerd en dit voor de omzetting van de Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG.De definitie van ingrijpende renovatie, zoals vastgelegd in de Energie-efficiëntie-richtlijn (artikel 2, lid 44), wordt letterlijk overgenomen teneinde ze als selectiecriterium te kunnen hanteren bij het opleggen van een KBA in geval van renovatie. Daarnaast wordt een definitie van kosten-batenanalyse vastgelegd, waarin wordt verwezen naar de verdere uitwerking in punt F19 van bijlage 4.B van titel I van het VLAREM (zie verder). Hier wordt naar teruggegrepen in de verschillende bepalingen voor stookinstallaties (zie verder, wijzigingen aan hoofdstuk 5.43). Er worden definities toegevoegd voor aardgasopslag (98° ), aardgasaflevereenheden (99° ) en aardgasafleverinstallaties (100° ). Deze definities zijn noodzakelijk voor een correcte bepaling van de indeling van inrichtingen voor de bevoorrading van voertuigen met aardgas in de juiste subrubriek van 16.9. Deze definities worden ook in overeenstemming gebracht met de nieuwe Belgische norm NBN D 60-001 voor installaties voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen. Dit artikel voegt ook voor de begrippen "CLP-verordening" (98° ), "gevaarlijke producten" (99° ), "gevaarlijke gassen" (100° ), "brandbare vloeistoffen" (101° ), gevarenklasse (102° ), gevarencategorie (103° ), gevarenpictogram (104° ), en opslagplaats (105° ) definities toe.Door het toevoegen van deze nieuwe begrippen wordt enerzijds het toepassingsgebied van nieuwe bepalingen verduidelijkt en anderzijds de leesbaarheid van nieuwe bepalingen verhoogd, door o.a. citeerwijzen te verkorten. De definitie van opslagplaats wordt verplaatst vanuit titel II van het VLAREM omdat dit ook van belang is voor de indelingslijst. Deze definitie wordt aangepast zodat "winkelruimten, voor het publiek toegankelijk, voor de verkoop van gevaarlijke producten in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 l of 30 kg" nu ook duidelijk uitgesloten worden als opslagplaats. De definities voor gevaar, risico en zwaar ongeval worden geschrapt aangezien deze in het kader van het DABM ook gedefinieerd worden Artikel 4 Dit artikel wijzigt artikel 5 van titel I van het VLAREM. Punt 1° Aan artikel 5, § 3, van titel I van het VLAREM wordt een punt 8° toegevoegd. Hierin wordt gesteld dat er bij de milieuvergunningsaanvraag voor een LPG-station een beschrijving van de uitvoering van het LPG-station en een bewijs waarin aangetoond wordt dat het groepsrisico aanvaardbaar is door de tabellen ingevoegd in de toelichtingsbijlage F16 in te vullen of door het toevoegen van een berekening van het groepsrisico opgesteld door een erkend VR-deskundige. Hierdoor kan bij de aanvraag dadelijk getoetst worden of voldaan is aan de standaardcriteria, de minimale technische eisen en het groepsrisico. Punt 2° Dit punt wijzigt paragraaf 8 (in verband met het toevoegen van een energiestudie aan de vergunningsaanvraag). a) het woord "energiegebruik" wordt tekens vervangen door de woorden "primair energiegebruik".b) In het eerste lid wordt punt b vervangen.Dit punt stelt wanneer er een energiestudie bij de aanvraag moet gevoegd worden als het een verandering van een inrichting betreft en wordt met deze wijziging conform gesteld aan de bepalingen van het milieuvergunningsaanvraagformulier, punt F8 (zie verder). Punt 3° Aan artikel 5 van titel I van het VLAREM wordt voor de uitvoering van de Verordening Aquacultuur ook een paragraaf 11 toegevoegd. Bij de milieuvergunningsaanvraag voor een introductie van een uitheemse soort of een translocatie van een plaatselijk niet voorkomende soort in een open aquacultuurvoorziening, moeten verschillende bijlagen verplicht toegevoegd worden: - Voor een gesloten aquacultuurinrichting: een bijlage die aantoont dat voldaan wordt aan de definitie van een gesloten aquacultuurinrichting, conform artikel 3.3 van de verordening aquacultuur. - Voor een open aquacultuurinrichting: o een bijlage conform artikel 6.2 van de verordening aquacultuur, en in het geval van een niet routinematige verplaatsing een bijlage conform artikel 9.2 van de Verordening Aquacultuur; o een noodplan voor niet-routinematige introducties en voor proefuitzettingen voorafgaand aan het uitzetten van een aquatisch organisme, opgesteld conform artikel 17 van de verordening aquacultuur; o een bijlage die aantoont dat voldaan wordt aan richtlijnen 2006/88/EG en 2000/29/EG, conform artikel 13 en 19 van de verordening aquacultuur. Artikel 5 Dit artikel wijzigt artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM. De laatste zin wordt opgeheven. Artikel 6 Dit artikel wijzigt artikel 7 van titel I van het VLAREM. Paragraaf 1 en 2 worden opgeheven en vervangen door een verwijzing naar het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), waarin deze definities (ook) opgenomen zijn. Artikel 7 Dit artikel wijzigt artikel 8 van titel I van het VLAREM. Punten 1° en 2° Deze punten wijzigen paragraaf 1. De inhoud van het veiligheidsrapport wordt geregeld in het DABM en dient in VLAREM niet herhaald te worden. Dit is omwille van wetgevingstechnische redenen af te raden en kan enkel leiden tot verwarring en tegenstrijdigheden. Punten 3° en 4° Paragraaf 2 en paragraaf 3 worden opgeheven, en een nieuwe paragraaf 2 wordt toegevoegd. Dit vermijdt dubbele bepalingen in zowel het VLAREM als het DABM, maar behoudt noodzakelijke bepalingen voor de leesbaarheid en de duidelijkheid van het VLAREM. Artikel 8 . Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Door deze artikels worden artikels 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, en 16 van titel I van het VLAREM opgeheven. Hoofdstuk IV (Preventie van zware ongevallen) van titel I van het VLAREM bevat bepalingen die (ook) in het DABM zijn opgenomen. Bijgevolg zijn deze bepalingen overbodig. Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 17, § 3, van titel I van het VLAREM. 1° Het betreft louter het rechtzetten van een materiële vergissing (lidwoord te veel).2° Deze bepaling heft de verplichting op om de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg in het openbaar onderzoek over milieuvergunningsaanvragen te betrekken.Voormelde verplichting werd overgenomen uit het ARAB en is doelloos geworden sinds de regelgeving over het welzijn op het werk enerzijds en de bescherming van mens en leefmilieu anderzijds in afzonderlijke regelingen zijn opgenomen. Artikel 17 Dit artikel voegt een nieuw artikel 19ter in titel I van het VLAREM in. Dit artikel bepaalt dat wanneer er bij de exploitatie van een zwaar ongeval waarschijnlijk betekenisvolle effecten kunnen zijn voor mens of milieu van een ander Gewest of van een andere EU-lidstaat of een Verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki de vergunningsaanvraag en de bijhorende bijlagen, door de bevoegde vergunningverlenende overheid, aan de bevoegde autoriteiten van de mogelijke getroffen Gewest, EU lidstaat of Verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki worden overgemaakt en kunnen deze deelnemen aan het openbaar onderzoek. De opmerkingen van deze partijen worden binnen een termijn van twee maanden na toezending aan de betrokken vergunningverlenende overheid overgemaakt. Artikel 18 Dit artikel wijzigt artikel 20 van titel I van het VLAREM. De wijzigingen voorzien in de punten 1° 2° en 5° 3° voegen het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle toe aan de lijst van overheidsorganen die advies uitbrengen over een vergunningsaanvraag die tot de bevoegdheid van de deputatie behoort en over beroepen tegen de beslissingen van de deputatie en het college van burgemeester en schepenen over een milieuvergunningsaanvraag. Het advies van voormeld Federaal Agentschap is vereist wanneer de vergunningsaanvraag of het beroep een van de volgende nucleaire inrichtingen, vermeld in het ARBIS, betreft: inrichtingen van klasse I, vermeld in artikel 3.1, a), van het ARBIS; de inrichtingen, vermeld in artikel 3.1, b), 1, van het ARBIS; de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS waar zich een of meerdere deeltjesversnellers bevinden die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden met uitzondering van elektronische microscopen alsook de inrichtingen waar deze deeltjesversnellers worden vervaardigd of getest; de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS waar zich bestralingsinstallaties bevinden (van voedingsmiddelen, medisch materiaal, polymeren,...) met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven (gebruik, onderhoud, ontwerpongevallen); de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden. Op de website van de afdeling Milieuvergunningen wordt een lijst ter beschikking gesteld met de inrichtingen die onder voormelde omschrijving vallen. Met de aanpassing, vermeld in punt 3°, worden woorden die overbodig zijn geworden na vorige aanpassingen van het VLAREM weggelaten. Punt 4° voegt een punt 2bis in paragraaf 2 in. Hierdoor wordt het advies van de afdeling Milieuvergunningen verplicht gesteld voor milieuvergunningsaanvragen voor tijdelijke inrichtingen. Tijdelijke inrichtingen worden ongeacht de klasse waartoe ze behoren door het college van burgemeester en schepenen vergund. De deputatie is bevoegd in tweede administratieve aanleg. Punt 6° wijzigt het eerste lid van paragraaf 3. Hierdoor wordt het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle expliciet aangeduid als overheidsdienst waaraan de afdeling Milieuvergunningen subadvies kan vragen in het kader van haar advisering van een milieuvergunningsaanvraag of een beroep hierover. Dit zal onder meer het geval zijn bij milieuvergunningsaanvragen voor SEVESO-inrichtingen die gelegen zijn op een afstand van minder dan 2 kilometer van een, op grond van federale regelgeving vergunde nucleaire inrichting, die volgens art. 3.1, a), van het koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende Algemeen Reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (ARBIS), is ingedeeld in de klasse I. Punt 7° wijzigt het eerste lid van paragraaf 3. Het woord "energie" wordt toegevoegd aan de beleidsdomeinen waarbinnen overheidsdiensten gevraagd kunnen worden om subadviezen op te stellen. Dit moet toelaten het advies van het Vlaams Energieagentschap in te winnen rond kosten-batenanalyses die uitgevoerd worden in het kader van een (nieuw) verwarmings- of koelingsnetwerk (Richtlijn Energie-efficiëntie). Artikel 19 Punt 1° van dit artikel voegt een punt 3° toe aan artikel 21 van titel I van het VLAREM. Dit artikel specifieert de adviesrol van het Vlaams Energieagentschap inzake de kosten-batenanalyses die uitgevoerd worden voor installaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW. Bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag met betrekking tot elektriciteitscentrales of afvalverbrandingsinstallaties wordt rekening gehouden met de totale benutting van de restwarmte en het advies van het Vlaams Energieagentschap daaromtrent. (Richtlijn Energie-efficiëntie) Punt 2° voegt een paragraaf 12 toe waarin geëxpliciteerd wordt wat het advies dat door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle bij de behandeling van vergunningsaanvragen en beroepen voor bepaalde inrichtingen vereist is, moet inhouden. Artikel 20 Dit artikel wijzigt artikel 30, § 2, van titel I van het VLAREM in het kader van het uitvoerbaar maken van de verordening aquacultuur. De vergunningstermijn voor de introductie van een uitheemse soort of een translocatie van een plaatselijk niet voorkomende soort in een open aquacultuurvoorziening wordt conform artikel 6.1 van de verordening aquacultuur beperkt tot maximum zeven jaar. Artikel 21 Dit artikel wijzigt artikel 31, § 2, 3°, a), van titel II van het VLAREM. Dit artikel zet een kleine vergissing recht. Artikel 22 Dit artikel voegt een nieuw artikel 31ter in titel I van het VLAREM in. Met dit artikel wordt de bevoegde autoriteit van het betrokken Gewest, de betrokken EU-lidstaat of Verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki in kennis gesteld van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag. Het artikel 31ter bepaalt de nadere regels van deze in kennis stelling. Artikel 23 Dit artikel wijzigt artikel 35, 5°, c), van titel I van het VLAREM. 1° Deze bepaling heft de verplichting op om de beslissing van de deputatie over milieuvergunningsaanvragen aan de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bekend te maken.Voormelde verplichting werd overgenomen uit het ARAB en is doelloos geworden sinds de regelgeving over het welzijn op het werk enerzijds en de bescherming van mens en leefmilieu anderzijds in afzonderlijke regelingen zijn opgenomen (zie ook de wijziging van artikel 17, § 3, van titel I van het VLAREM bij dit besluit). 2° Het betreft louter het rechtzetten van een materiële vergissing (lidwoord te veel).3° Dit punt voegt twee punten aan artikel 35, 5°, c), van titel I van het VLAREM toe, hetgeen betrekking heeft op de bekendmaking van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag inzake klasse I-inrichtingen.Deze toevoeging heeft tot gevolg dat de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag in bepaalde welomschreven gevallen ook verzonden wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportering en veiligheidsrapportering. Artikel 24 Dit artikel wijzigt artikel 36, 5°, b) van titel I van het VLAREM, hetgeen betrekking heeft op de bekendmaking van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag inzake klasse II-inrichtingen. 1° Deze bepaling heft de verplichting op om de beslissing van de gemeente over milieuvergunningsaanvragen aan de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bekend te maken.Voormelde verplichting werd overgenomen uit het ARAB en is doelloos geworden sinds de regelgeving over het welzijn op het werk enerzijds en de bescherming van mens en leefmilieu anderzijds in afzonderlijke regelingen zijn opgenomen (zie ook de wijziging van artikel 17, § 3, van titel I van het VLAREM bij dit besluit). 2° Deze toevoeging heeft tot gevolg dat de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag in bepaalde welomschreven gevallen ook verzonden wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportering. Artikel 25 Dit artikel voegt een artikel 37bis in in titel I van het VLAREM in het kader van het uitvoerbaar maken van de Verordening Aquacultuur. De termijn van uitspraak is conform artikel 10.1 van de Verordening Aquacultuur uiterlijk 6 maanden na indiening van de milieuvergunningsaanvraag. In de uitzonderlijke gevallen bepaald in de artikelen 10.1, 10.2 en 11 van de Verordening Aquacultuur, kan de termijn afwijkend zijn. Artikel 26 Dit artikel wijzigt artikel 41 van titel I van het VLAREM. Punt 1° vervangt paragraaf 1 en punt 2° heft paragraaf 2 op. De wijzigingen hebben betrekking op het verwijderen van de bepalingen die werden opgenomen ter omzetting van de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, de richtlijn van de Europese Gemeenschappen 80/68/EEG van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen. Deze richtlijnen worden immers ingetrokken door artikel 22 van de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid en dit met ingang van 22 december 2013. Er wordt gekozen om niet meer te spreken van gevaarlijke stoffen zoals bedoeld in de richtlijn 76/464/EG en 80/68/EEG. Een loutere verwijzing naar de rubrieken 3.4. en 3.6.3 zou te ruim zijn, omdat ook lozingen zonder gevaarlijke stoffen (3.4.1° a) 3.6.3.1° a)) daaronder vallen. Aangezien de lijsten 2B en 2C behouden blijft, wordt er best naar deze bijlage verwezen. Door het weglaten van de verwijzing naar voormelde rubrieken wordt de volgende zinsnede best toegevoegd: `in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom "indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)" van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het VLAREM'. Deze verduidelijking is immers terug te vinden in voormelde rubrieken. Door het schrappen van de termijn van vier jaar blijft het mogelijk om het onderzoek te laten plaatsvinden, gekoppeld aan het maatregelenprogramma conform de Kaderrichtlijn Water. Het is wenselijk dat hier de volledige procedure van artikel 45 van titel I van het VLAREM toepasbaar is en niet enkel een ambtshalve onderzoek. Op die manier is artikel 45, 2°, ook van toepassing, zodat het onderzoek eveneens kan geschieden op verzoek van de VMM, die ter zake de bevoegde adviesinstantie is. Vandaar ook dat een verplichte termijn niet meer noodzakelijk is, zoals momenteel om de vier jaar. Er is enkel verplicht advies bij een ambtshalve onderzoek van de bevoegde overheid. Als het initiatief immers uitgaat van de adviesinstanties zelf is verder advies van hen niet langer vereist. Artikel 27 Dit artikel voegt een artikel 41quater in in titel I van het VLAREM. Dit voegt de verplichting in tot regelmatige toetsing van afval(mee)verbrandingsinstallaties conform artikel 45, lid 4, van de Richtlijn Industriële Emissies. Artikel 28 Dit artikel wijzigt artikel 42, § 3, van titel I van het VLAREM. Dit artikel regelt de procedure bij overname van een milieuvergunning door een andere exploitant. Paragraaf 3 van dit artikel stelt in de laatste zin dat de bevoegde overheid bij dit soort dossiers het advies kan inwinnen van de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen. Dit advies biedt geen meerwaarde en in het kader van administratieve vereenvoudiging kan deze bepaling dan ook opgeheven worden. Artikel 29 Dit artikel wijzigt artikel 45, § 3, 1°, eerste lid, van titel I van het VLAREM. In voormelde bepaling worden de gegevens opgelijst die in een verzoek tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden moeten worden vermeld. Een dergelijk verzoek kan zowel door de exploitant als de adviesverlenende instanties, de gehinderden en de milieuverenigingen worden ingediend. De lijst van op te nemen gegevens strookt niet met de verschillende hoedanigheden van de verzoekers. Die incoherentie wordt hierbij rechtgezet. Ook worden de gegevens met betrekking tot het gebruiksrecht van de exploitant over de percelen die irrelevant zijn voor de milieutechnische beoordeling van het verzoek tot wijziging voorwaarden niet langer opgevraagd. Dit geldt ook voor de gegevens die al in het bezit zijn van de vergunningverlenende overheden. Met de aanpassing van deze bepaling wordt dus eveneens een vermindering van de administratieve lasten beoogd. Artikel 30 Dit artikel wijzigt artikel 45, § 4bis, van titel I van het VLAREM om te verhelpen aan de interpretatieproblemen met betrekking tot de modaliteiten van het openbaar onderzoek dat georganiseerd moet worden voor een aanvraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden (Er is geen openbaar onderzoek in geval van een ambtshalve beslissing tot wijziging van voorwaarden van een inrichting die geen GPBV-installatie is, of geen inrichting is die is ingedeeld in rubriek 2.3.11 van de indelingslijst, met uitzondering van wat betrekking heeft op het inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van titel II van het VLAREM). Gelet op het feit dat het hier enkel gaat om een mogelijke wijziging van de vergunningsvoorwaarden, wordt de schriftelijke kennisgeving van eigenaars en gebruikers van gebouwen binnen een straal van 100 m, vermeld in artikel 17, § 3, 1°, van VLAREM I, in deze niet noodzakelijk geacht. Deze individuele schriftelijke kennisgeving is overigens ook niet verplicht gesteld door boven vermelde EG-inspraakrichtlijn. Artikel 31 Dit artikel wijzigt artikel 50, 4°, c) en 52, 4°, c) van titel I van het VLAREM. Deze bepaling heft de verplichting op om de beslissing van de deputatie en de Minister over een beroep dat wordt aangetekend tegen een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag aan de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bekend te maken. Voormelde verplichting werd overgenomen uit het ARAB en is doelloos geworden sinds de regelgeving over het welzijn op het werk enerzijds en de bescherming van mens en leefmilieu anderzijds in afzonderlijke regelingen zijn opgenomen (zie ook de wijziging van artikel 17, § 3, van titel I van het VLAREM bij dit besluit). Artikel 32 Dit artikel wijzigt de indelingslijst van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt de zin "verklaring van de symbolen aangegeven in de kolommen 4 tot en met 7:" daar er acht kolommen zijn in de indelingslijst en er voor de achtste kolom ook symbolen worden verklaard. Dit punt wijzigt de verklaring van de symbolen aangegeven in de kolom 8 "Vlarebo" boven de indelingslijst. Vooreerst wordt de verwijzing naar het bodemdecreet en het VLAREBO verkort geformuleerd voor de symbolen O, A, B en S. Vervolgens wordt zowel een A* en een B* -symbool toegevoegd (vanaf 1 juni 2015) om bij de opslag van brandbare vloeistoffen in rubriek 6.4 en ontvlambare vloeistoffen in rubriek 17.3.2.1 en rubriek 17.3.2.2. de indelingslijst terug drastisch te vereenvoudigen, doch het onderscheid te kunnen behouden tussen uitsluitend bovengrondse opslag en de combinatie van zowel bovengrondse als ondergrondse opslag. Punt 2° Dit punt wijzigt rubriek 2 (Afvalstoffen) van de indelingslijst. a) en b) Op 23 december 2012 werd het Materialendecreet goedgekeurd. Dit decreet vervangt het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981. Op 17 februari 2012 werd het uitvoeringsbesluit hiervan, het Vlaams Reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Dit nieuw uitvoeringsbesluit vervangt het Vlaams Reglement voor Afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) volledig. Deze wijzigingen vervangen de verwijzingen naar het Afvalstoffendecreet en het VLAREA in de indelingslijst door verwijzingen naar het Materialendecreet en het VLAREMA. c) in rubriek 2.1.1 inzake de opslag van afvalstoffen niet aan een verwerking verbonden, wordt in de uitzonderingsbepaling het punt c) `de opslag van gerecupereerde bouwmaterialen' geschrapt. Dit betreft een overbodig punt, gezien gerecupereerde bouwmaterialen geen afvalstoffen betreffen indien aan de toepasselijke criteria wordt voldaan. d) In rubriek 2.1.2, a), (***) wordt in de VLAREBO-kolom (kolom 8) de letter "O" opgeheven. De decretale grondslag voor de lijst van risico-inrichtingen ligt in de artikelen 2 en 6 van het Bodemdecreet. Dit krijgt verdere uitwerking in artikel 21 van het VLAREBO. De effectieve aanduiding van de risico-inrichtingen gebeurt echter in de kolom 8 van de indelingslijst van bijlage 1 van VLAREM I. In 2012 heeft de OVAM een studie laten uitvoeren rond de mogelijke optimalisatie van de lijst van risico-inrichtingen. Op basis van deze studie wordt nu voor een resem rubrieken de VLAREBO-verplichting opgeheven. e) in het verleden is geopteerd om de verbranding van afvalstoffen in alle gevallen onder de rubriek 2.3 in te delen (opslag en verwijdering van afvalstoffen), ook al betrof het nuttige toepassing. Deze wijziging heeft als doel om dit verder te verduidelijken bij de rubriek 2.2 (opslag en nuttige toepassing van afvalstoffen). f) g) De mogelijke risico's op bodemverontreiniging kunnen bij de rubriek 2.2.1, c), 2° hoger ingeschat worden dan bij de rubriek 2.2.1, d), 2°. Daarom wordt voor rubriek 2.2.1, c), 2° in kolom 8 een B voorzien (i.p.v. de letter A) en in de rubriek 2.2.1, d), 2° in kolom 8 een A voorzien (i.p.v. de letter B). h) Dit punt wijzigt rubriek 2.2.1, e), 1°, door in de VLAREBO-kolom de letter "A" te schrappen (zie d)). i) j) Deze punten wijzigen de rubrieken 2.2.2, b) en f). De mogelijke risico' sop bodemverontreiniging kunnen bij de rubriek 2.2.2, b), hoger ingeschat worden dan bij de rubriek 2.2.2, f). Daarom wordt voor rubriek 2.2.2, b), 2°, in kolom 8 een B voorzien (in plaats van de letter A) en in de rubriek 2.2.2, f), 2°, een A (in plaats van de letter B). k) Dit punt wijzigt rubriek 2.2.2, g), 1°, door in de VLAREBO-kolom de letter "A" te schrappen (zie d)). l) Dit punt wijzigt rubriek 2.2.2, g), 2° "opslag en mechanische behandeling van andere gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1 ton". Met het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten2, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2009, werd de gehele indelingslijst vervangen, en werd per vergissing de letter "A" bij deze rubriek in de kolom "Milieucoördinator" niet mee overgenomen. Dit erratum wordt met dit punt rechtgezet. m) in rubriek 2.2.3 wordt in de uitzonderingsbepaling (nuttige toepassing op de plaats van productie, inclusief thuiscompostering, alsook boerderijcompostering wanneer er gewerkt wordt met uitsluitend bedrijfseigen uitgangsmateriaal en de compost uitsluitend bestemd is voor de eigen percelen, wordt niet als een opslag of behandeling van afvalstoffen beschouwd) de term "nuttige toepassing" vervangen door "nuttige aanwending" omdat het begrip "nuttige toepassing" in dit geval geen duidelijke woordkeuze betreft. Men spreekt namelijk van "nuttige toepassing" in het geval van afvalstoffen en met deze uitzonderingsbepaling wordt er juist duidelijk gemaakt dat het geen afvalstoffen betreffen. n) tot en met o) Deze punten schrappen de letter "O" in de VLAREBO-kolom van de rubrieken 2.2.3, a), 3°, 2.2.3, b), 2°, 2.2.3, b), 3°, 2.2.3, c), 2° en 2.2.3, c), 3° (zie d)). q) Dit punt schrapt de letters "O" en "T" in de kolom "bemerkingen" van rubriek 2.2.3, c), 1°. Deze rubriek werd ingevoegd door de VLAREM-trein 2011, maar het toevoegen van de letters "O" en "T" in de kolom "bemerkingen" betreft een materiële vergissing die hierbij wordt rechtgezet. u) Dit punt schrapt de letter "A" in de VLAREBO-kolom van rubriek 2.2.3, f) (zie d)). v) Dit punt vervangt de rubriek 2.2.4, dit in het kader van de Verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende Verordening (EU) nr. 142/2011, gezien onder meer de gehanteerde terminologie niet meer overeenstemt. Een verordening is rechtstreeks van toepassing. Er moet enkel over gewaakt worden dat de Vlaamse regelgeving geen tegenstrijdigheden met deze verordeningen bevat. De wijziging houdt een vereenvoudiging van de gebruikte indeling van de rubriek in, zonder de bestaande indeling uit het oog te verliezen. Hierbij wordt er rechtstreeks verwezen naar de definities uit de verordening in plaats van deze in de indelingslijst opnieuw op te nemen. Ook wordt er expliciet vermeld dat de verwijdering van krengen van gezelschapsdieren door begraving, de verwijdering van dierlijk afval door verbranding en het composteren en vergisten van dierlijk afval onder de toepassing vallen van de rubrieken 2.3.12, 2.3.4 en 2.2.3. De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag wordt in deze rubriek geschrapt. In het kader van de omzetting van de Richtlijn Industriële Emissies is er geopteerd om alle GPBV-rubrieken van rubriek 2 te groeperen onder de nieuwe GPBV-rubriek 2.4; in dit geval zal dit de rubriek 2.4.7 worden. w) Dit punt schrapt de letter "O" in de VLAREBO-kolom van rubriek 2.2.5, e), 1° (zie d)). x) Dit punt schrapt de letter "A" in de VLAREBO-kolom van rubriek 2.2.5, f), 1° (zie d)). y) in het verleden is geopteerd om de verbranding van afvalstoffen in alle gevallen onder de rubriek 2.3 in te delen (opslag en verwijdering van afvalstoffen), ook al betrof het nuttige toepassing. Deze wijziging heeft als doel om dit verder te verduidelijken bij de rubriek 2.3. z) en bb) en cc) deze punten schrappen de letter "A" in de VLAREBO-kolom van de rubrieken 2.3.3, a), 2.3.4.1, g) en i). (zie d)). aa) Dit punt vervangt de uitzonderingen onder rubriek 2.3.4 "Opslag en verbranding of meeverbranding, al dan niet als experiment, met of zonder energiewinning en met of zonder terugwinning van stoffen" Verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties waarin afvalstoffen worden verwerkt, zijn ingedeeld in rubriek 2.3.4. Onder rubriek 2.3.4 wordt actueel een uitzondering gemaakt voor het verbranden van onbehandeld stukhout in houtkachels voor de verwarming van woonverblijven en werkplaatsen, in sfeerverwarmers en gelijksoortige toestellen met een nominaal thermisch vermogen van maximaal 300 kW. Om enerzijds beter te verduidelijken welke afvalstoffen mogen verbrand worden in de toestellen vermeld onder uitzondering 1, en om anderzijds de uitzonderingen van rubriek 2.3.4. uit te breiden met de uitzonderingen waaronder wel nog in open lucht mag verbrand worden, worden de uitzonderingen vervangen. Wat betreft de huidige eerste uitzondering wordt de term `onbehandeld stukhout' vervangen, omdat dit strikt gezien geen afvalstof is maar een brandstof. In de plaats komt de omschrijving `onbehandeld houtafval met een watergehalte van maximaal 20 %, uitgezonderd zaagsel, krullen, schaafsel, stof en spanen'. Aangaande de verbranding in open lucht, worden als uitzonderingen toegevoegd: (1) een verwijzing naar de bepalingen van artikel 99 van het Bosdecreet, (2) het maken van vuur in natuurgebieden, wanneer dat noodzakelijk is, (3) de verbranding van landbouwproducten als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is, of als dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is (de zinsnede "als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is" werd toegevoegd naar aanleiding van de publieke consultatie na een opmerking afkomstig van de Boerenbond), (4) het verbranden van droog onbehandeld hout bij het maken van een open vuur, (5) het verbranden van droog onbehandeld hout of een vaste fossiele brandstof in een sfeerverwarmer, (6) het verbranden van dierlijk afval conform artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende dierlijke bijproducten en afgewerkte producten, (7) het verbranden van hout in het kader van folkloristische evenementen. De vermelde uitzonderingen worden weerhouden omwille van twee redenen. Enerzijds omdat ze betrekking hebben op activiteiten die noodzakelijk zijn in het kader van bos- en natuurbeheer, fytosanitaire redenen en de verwerking van dierlijk afval, en die voortvloeien uit reeds bestaande wetgeving. Anderzijds omdat het niet wenselijk wordt geacht om specifieke folkloristische activiteiten of activiteiten waarbij hout wordt verbrand voor de gezelligheid (kampvuren, sfeerverwarmers) te verbieden; in het kader van folkloristische activiteiten (bijvoorbeeld kerstboomverbrandingen) wordt wel rekening gehouden met de mogelijke hinder en blootstelling van omwonenden door het invoeren van een afstandsregel van 100 meter. De eerste uitzondering op rubriek 2.3.4 werd bijgesteld na de publieke consultatie van onderhavig besluit. In de versie van de publieke consultatie was onder de eerste uitzondering van rubriek 2.3.4. het volgende opgenomen: "onbehandeld houtafval, uitgezonderd zaagsel, krullen, schaafsel, stof, spanen, plaketten en chips" Hieraan zijn bijkomend enkele verfijningen aangebracht, namelijk: 1) Het woord `plaketten' is geschrapt: Deze term is niet eenduidig gedefinieerd, en daarom ook niet controleerbaar en handhaafbaar.2) Het woord `chips' is geschrapt: Enerzijds omdat houtchips niet te beschouwen zijn als een afvalstof of restproduct zoals bv.houtstof, schaafsel, en dergelijke, omdat ze specifiek worden aangemaakt voor verbranding. Daarom is het juridisch gezien niet correct om de houtchips te vermelden onder rubriek 2.3.4. Anderzijds is er geen reden om aan te nemen dat houtchips tot meer emissies zouden leiden dan gewoon stukhout. Wel integendeel, omdat houtchips normaal gezien worden verbrand in specifiek ontworpen ketels die beter presteren dan een gewone stukhoutkachel of - ketel. Voor zaagsel, krullen, schaafsel, stof en spanen is wel geweten dat deze leiden tot hogere emissies. Tot slot wordt hierdoor vermeden dat een resem bestaande houtchipsketels (vaak bij landbouwers) plots vergunningsplichtig zouden worden. 3) Er is toegevoegd dat het watergehalte van het onbehandeld houtafval maximaal 20 % mag bedragen: Dat komt overeen enerzijds met luchtdroog gedroogd stukhout (twee jaar gedroogd).Anderzijds komt het overeen met houtchips die luchtdroog werden gedroogd of op kortere termijn gedroogd met mechanische ventilatie. Dat stemt overeen met de afbakening die gebruikt wordt in de Oostenrijkse ÖNorm M7133 voor het classificeren van houtchips (klasse w20) die voor verbranding worden aangeboden. Het toevoegen van het maximaal watergehalte garandeert lagere emissies van stof wegens betere verbranding (temperatuur, zuurstof) en minder producten van onvolledige verbranding. Op die manier wordt een goede en realistische controle ingebouwd van de verbrandingsomstandigheden en dus emissies bij de installaties onder 300 kWth. Punt 3° Dit punt wijzigt de rubrieken 3.4 en 3.6.3. De redenering dat de rapportagegrens gehanteerd wordt als het indelingscriterium lager ligt staat nu reeds vermeld in bijlage 2.3.1, artikel 3, van titel II van het VLAREM. Aangezien hiervan de vergunningsplicht vanaf kan hangen is het juridisch niet correct dat dit vermeld wordt in een bijlage van titel II van het VLAREM, en moet dit in de indelingslijst worden opgenomen in bijlage 1 van titel I van het VLAREM. Punt 4° Dit punt schrapt de letter "O" in de VLAREBO-kolom van rubriek 4.1.1 (zie punt 1°, d)). Punt 5° Dit punt wijzigt rubriek 6 (Brandstoffen) van de indelingslijst: a) en c) Aan de hoofding "Brandstoffen" wordt "en vloeibare brandstoffen" toegevoegd.Door de aanpassing van VLAREM aan de CLP-verordening, wordt de huidige rubriek 17 integraal vervangen en zal naar de toekomst enkel nog van toepassing zijn voor de opslag en aanwezigheid van gevaarlijke producten. Omdat de CLP-indeling slechts geldt voor vloeistoffen met een vlampunt tot 60° C, zal rubriek 17 dus tot die producten beperkt blijven. P3 en P4 -producten zonder gevarenindeling en brandstofverdeelinstallaties (geen opslag, voorheen rubriek 17.3.9.) vallen bijgevolg niet langer onder de aangepaste rubriek 17. Om voor de opslag van deze "brandbare vloeistoffen" en de brandstofverdeelinstallaties de vergunnings- of meldingsplicht te behouden …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.