📄 Wettekst
20 JULI 2016. - Decreet tot opheffing van het
decreet van 24 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1956
pub.
06/07/2011
numac
2011000414
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen
sluiten3 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (1)
Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Waalse Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Volgende tekst vormt het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling : BOEK I. - Algemene bepalingen ENIGE TITEL. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen Artikel D.I.1. § 1. Het grondgebied van Wallonië behoort tot het gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners.
Het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in het Frans afgekort tot "CoDT", hier : "het Wetboek", beoogt een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling.
Deze ontwikkeling komt tegemoet aan en speelt op een evenwichtige manier in op de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, demografisch vlak, op vlak van energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit, rekening houdend, zonder discriminatie, met de ruimtelijke dynamiek en specificiteit, alsook met de sociale cohesie. § 2. Het Gewest, de gemeenten en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met het Gewest, de actoren, de beheerders en de vrijwaarders van deze ontwikkeling.
Daarvoor ontwikkelen ze beleidsinstrumenten voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals volgt : 1° het gewestplan;2° de ontwikkelingsplannen;3° de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;4° de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;5° de operationele omtrekken;6° de grondbeleidsinstrumenten. De inwoners en de publieke en privé-actoren dragen bij tot een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling door hun inspraak bij de uitwerking van die instrumenten, de ontwikkeling van projecten en de adviezen die zij uitbrengen.
Art. D.I.2. § 1. Door de Regering wordt driejaarlijks op het bureau van het Parlement een verslag neergelegd over : 1° de toestand en de verwachtingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw;2° de opvolging van de aanzienlijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn, op het leefmilieu. Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse, voor het publiek toegankelijke publicatie. § 2. De coördinatie van de bepalingen van het Wetboek en hun vertaling in de Duitse taal zijn een taak van de Regering. HOOFDSTUK II. - Delegaties vanwege de Regering Art. D.I.3. De Regering wijst, voor elk deel van het grondgebied, de ambtenaren van het Operationeel Directoraat-Generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Patrimonium en Energie van de Waalse Overheidsdienst, hierna "DGO4", aan om de in dit Wetboek nader bepaalde opdrachten te vervullen. Deze ambtenaren worden hierna "gemachtigde ambtenaren" genoemd. HOOFDSTUK III. - Commissies Afdeling 1. - « Pôle "Aménagement du territoire" » (Beleidsgroep
Ruimtelijke Ordening) Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten Art. D.I.4. § 1. De « Pôle "Aménagement du territoire" » (hierna Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening) brengt de adviezen uit : 1° overeenkomstig het Wetboek uitgebracht ten opzichte van de doelen, vermeld in artikel D.I.1, § 1, meer bepaald wat betreft de instrumenten inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, evenals wat betreft de vergunningen waarvoor er dringende motieven van algemeen belang bestaan, uitgaande van de Regering; 2° over het plattelandsontwikkelingsprogramma, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van het
decreet van 11 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1956
pub.
06/07/2011
numac
2011000414
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen
sluiten2 betreffende de plattelandsontwikkeling;3° over de oprichting van natuurparken, overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken;4° over de opmaak en de herziening van het gewestelijk plan voor handelsontwikkeling, overeenkomstig artikel 13 van het
decreet van 5 februari 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1956
pub.
06/07/2011
numac
2011000414
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen
sluiten4 betreffende de handelsvestigingen; 5° over de doelstellingen van het project ten opzichte van de doelstellingen bedoeld in artikel D.I.1., § 1, en over de kwaliteit van het effectenonderzoek: i) voor de aanvragen van vergunningen voor windturbines, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu; ii) voor de andere aanvragen voor vergunningen, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu, bij ontstentenis van een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit.
De Regering kan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling elke vraag voorleggen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling kan op eigen initiatief adviezen uitbrengen over ieder vraagstuk met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ten opzichte van de doelen vermeld in artikel D.I.1, § 1.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemene draagwijdte dat onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw ressorteert. § 2. Wanneer de Regering het advies bedoeld in paragraaf 1 inwint, wordt (worden) de afdeling(en) aangewezen die ermee belast worden, genoemd advies aan het bureau voor te leggen.
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking Art. D.I.5.De Beleidspool Ruimtelijke Ordening is, naast de voorzitter, samengesteld uit 24 gewone leden, verdeeld als volgt : 1° acht zetels voor de sociale gesprekspartners zoals vertegenwoordigd in de "Conseil économique et social de Wallonie" (Sociaal-economische raad van Wallonië);2° zestien zetels, verdeeld als volgt : twee vertegenwoordigers van de lokale besturen, twee vertegenwoordigers van de milieuorganisaties, twee vertegenwoordigers van de ontwikkelingsintercommunales, één vertegenwoordiger uit de steengroevensector, twee vertegenwoordigers uit de huisvestingssector, één vertegenwoordiger van de "Fondation rurale de Wallonie", één vertegenwoordiger uit de stadsontwikkeling, één vertegenwoordiger van de stedenbouwkundigenverenigingen, twee vertegenwoordigers van de architectenverenigingen, één vertegenwoordiger uit de landbouwsector, één vertegenwoordiger van de "Conférence permanente du développement territorial" (Permanente conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling). De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening is onderverdeeld in twee afdelingen : 1° de afdeling "Gewestelijke Ruimtelijke Ordening";2° de afdeling "Operationele Ruimtelijke Ordening". Het bureau van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening bestaat uit de voorzitter, twee ondervoorzitters en twee leden per afdeling. De Regering benoemt de voorzitter buiten de afdelingen om, evenals een ondervoorzitter per afdeling.
De Regering wijst de leden van de Beleidspool Ruimtelijke Ordening en zijn afdelingen aan en stelt er de werkingsregels van vast. Afdeling 2. - Adviescommissie over de beroepen
Art. D.I.6. § 1. De adviescommissie over de beroepen, hierna adviescommissie genoemd, zetelt te Namen en brengt ten overstaan van de Regering advies uit over de beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen betreffende de vergunningsaanvragen en aanvragen betreffende de stedenbouwkundige attesten nr. 2, genomen door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar. § 2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie worden door de Regering benoemd. De voorzitter vertegenwoordigt de Regering.
Naast de voorzitter bestaat de adviescommissie uit vier leden: twee personen onder de personen voorgedragen door de Orde van de Architecten en twee personen onder de personen voorgedragen door de "Chambre des Urbanistes de Belgique". Indien het beroep betrekking heeft op een goed bedoeld in artikel D.IV.17, eerste lid, 3°, zetelt er in de adviescommissie een vijfde lid, dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest vertegenwoordigt.
Indien het beroep betrekking heeft op een goed, gelegen in de gemeenten van de Duitstalige Gemeenschap, of indien het beroep verband houdt met een dossier dat overeenkomstig de regels inzake het taalgebruik in de Duitse taal is ingediend, en betrekking heeft op een goed gelegen in de gemeenten Malmedy en Waimes, is één van de twee leden gekozen onder de personen voorgedragen door de Orde van de Architecten, een Duitstalige. § 3. De commissie vergadert slechts rechtsgeldig als ten minste de voorzitter en twee andere leden aanwezig zijn. § 4. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door DGO4.
De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze. Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de adviescommissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden. Afdeling 3. - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening
en mobiliteit Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten Art. D.I.7. De gemeenteraad kan een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit oprichten, hierna « gemeentelijke commissie » genoemd, en haar huishoudelijk reglement aannemen.
De gemeentelijke commissie kan zich in afdelingen splitsen.
Art. D.I.8. De gemeenteraad beslist over de hernieuwing van de gemeentelijke commissie binnen de drie maanden na zijn eigen installatie en neemt er het huishoudelijk reglement van aan.
Art. D.I.9. De oprichting of de hernieuwing van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, haar afdelingen, evenals haar huishoudelijk reglement, worden door de Regering goedgekeurd.
Naast de adviezen die ze vanwege het Wetboek moet geven, kan de gemeentelijke commissie op eigen initiatief adviezen uitbrengen over de onderwerpen die zij relevant acht.
Het gemeentecollege of de gemeenteraad kan elk dossier dat relevant geacht wordt of elk vraagstuk inzake ruimtelijke ontwikkeling in zowel stedelijke als landelijke gebieden, inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw aan bedoelde commissie voorleggen.
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking Art. D.I.10. § 1. Het aantal leden wordt vastgesteld in verhouding tot het inwonertal van de gemeente. Eén kwart van de leden vertegenwoordigt de gemeenteraad. De andere leden en de voorzitter stellen zich kandidaat na een openbare oproep. Onder de voorgedragen kandidaten kiest de gemeenteraad de leden met inachtneming van : 1° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente;2° een evenwichtige geografische verspreiding;3° een evenwichtige indeling op grond van de leeftijdscategorieën van de gemeentelijke bevolking;4° een evenwichtige verspreiding tussen mannen en vrouwen. De openbare oproep heeft een duur van minstens één maand. § 2. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Bij de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen worden in acht genomen : 1° een evenwichtige geografische verspreiding;2° een evenwicht in de vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen van de gemeente. § 3. Het advies van de Commissie is het advies van haar gezamenlijke leden en haar voorzitter. Stemgerechtigd zijn de voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervanger van elk afwezig gewoon lid.
De commissie vergadert regelmatig en stelt minstens één maal om de zes jaar een activiteitenverslag op.
Bij kennelijk wangedrag of ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen kunnen een lid of de voorzitter geschorst of uit het ambt ontzet worden. § 4. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen, haar werkingswijze, de oproep tot de kandidaten en de aanwijzing van de voorzitter.
De Regering wijst onder de ambtenaren van DGO4 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden. HOOFDSTUK IV. - Erkenningen Art. D.I.11. De gewestplannen, de ontwikkelingsplannen en de leidraden worden door een erkende projectontwerper opgemaakt dan wel herzien.
De Regering is erkend voor de opmaak of de herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en de gewestelijke leidraad voor stedenbouw.
De Regering erkent, volgens de door haar bepaalde criteria en procedure, de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met : 1° de opmaak of de herziening van het (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan;2° de opmaak of de herziening van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan en de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw. Voor het milieueffectenverslag dat in het kader van de opmaak of de herziening van een gewestplan wordt opgesteld, worden vereist : de erkenning toegekend overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek en de erkenning toegekend overeenkomstig lid 3, 1°.
De Regering kan de gevallen bepalen waarin, rekening houdend met het betrokken gebied of de betrokken oppervlakte, de projectontwerper niet noodzakelijk over de erkenning moet beschikken om een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een in het derde lid bedoelde gemeentelijke leidraad op te maken of te herzien. Er wordt geen enkele erkenning vereist voor de opheffing van een ontwikkelingsplan of een leidraad.
De Regering kan de projectontwerper die de hem door het Wetboek opgelegde verplichtingen niet nakomt, vóór de intrekking van zijn erkenning waarschuwen.
De Regering bepaalt de nadere regels en de voorwaarden voor het richten van de waarschuwing en het intrekken van de erkenning. HOOFDSTUK V. - Toelagen Art. D.I.12. De Regering kan onder de door haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen: 1° aan de gemeenten, voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan;2° aan de gemeenten, voor de opmaak of de gehele of gedeeltelijke herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;3° aan de gemeenten, voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan of een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan;4° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de opmaak van een onderzoek van algemeen belang voor de ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw;5° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de regeling van de informatie inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw;6° aan de gemeenten, voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;7° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of van een vereniging van gemeenten, van één of meerdere adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw;8° aan de universitaire instellingen, voor algemene onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, met name aan de "Conférence permanente du développement territorial", welke optreedt in het kader van het jaarlijks door de Regering vastgelegde actieprogramma. Bij het vaststellen van de wijze waarop de subsidie bedoeld in lid 1, 7°, wordt toegekend en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten die de voorwaarden verenigen voor de toepassing van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, of waarin tot de opmaak van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan besloten is. HOOFDSTUK VI. - Nadere regels voor verzendingen en het berekenen van termijnen Art. D.I.13. Op straffe van nietigheid moet elk schrijven met vaste dagtekening van de verzending en de ontvangst van de akte gebeuren, ongeacht de uitreikingsdienst die gebruikt wordt.
De Regering kan een lijst opstellen van de verzendingsprocédés die zij aanvaardt om elke verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. Elk schrijven moet ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden.
De aangetekende elektronische berichten moeten de bepalingen van het
decreet van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1956
pub.
06/07/2011
numac
2011000414
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen
sluiten1 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, in acht nemen.
Lid 1 geldt niet voor de in Boek IV bedoelde verzendingen met de projectontwerper als bestemmeling.
Art. D.I.14.De dag van verzending of ontvangst van de akte, die als begindatum van de termijn geldt, wordt niet meegerekend.
Art. D.I.15.De vervaldag is in de termijn inbegrepen. Indien die dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de volgende werkdag.
Art. D.I.16. § 1. De bijzondere bekendmakingsmaatregelen worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari.
Wanneer de laatste dag van het openbaar onderzoek of van de periode waarin bemerkingen of bezwaren bij aankondiging van een project aan het gemeentecollege gericht kunnen worden, een zaterdag, een zondag of wettelijke feestdag is, wordt het openbaar onderzoek dan wel de periode verlengd tot de volgende werkdag.
Bij opschorting of verlenging van de termijn zoals bedoeld in leden 1 en 2, worden de termijnen voor de raadpleging van het gemeentecollege, voor de aanneming, de goedkeuring, de uitgifte van een machtiging of de verzending van een beslissing zoals bedoeld in het Wetboek verlengd met de duur van de opschorting of de verlenging. § 2. De termijnen bedoeld in de artikelen D.IV.50 en D.IV.51 worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus. § 3. Behoudens andersluidende bepaling worden de adviezen van de diensten en commissies binnen de dertig dagen van de verzending van de adviesaanvraag verzonden, zoniet worden ze gunstig geacht. HOOFDSTUK VII. - Overgangsrecht Afdeling 1. - Commissies
Art. D.I.17. De "Commission régionale d'aménagement du territoire" (Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening), opgericht voor de inwerkingtreding van het Wetboek, blijft geldig samengesteld totdat de leden zetelend in de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening zijn aangewezen. De Gewestelijke Commissie wordt de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en oefent de opdrachten bedoeld in artikel D.I.4., § 1, uit.
De adviescommissie opgericht vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan en oefent de opdrachten uit bedoeld in artikel D.I.6, § 1.
De oprichting of de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, aangenomen door de gemeenteraad voor de inwerkingtreding van dit Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de vóór die datum vigerende procedure.
Een gemeentelijk commissie waarvan de samenstelling door de Regering is goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan overeenkomstig artikel D.I.9. Afdeling 2. - Erkenningen
Art. D.I.18. De private of publieke natuurlijke of rechtspersonen die erkend zijn voor de opmaak of de herziening van ontwikkelingsplannen, van plannen van aanleg en stedenbouwkundige verordeningen op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek worden erkend in de zin van artikel D.I.11 onder de voorwaarden van hun erkenning.
De erkenning voor de opmaak of de herziening van gemeentelijk structuurplannen en van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geldt als erkenning voor de opmaak of de herziening van meergemeentelijke ontwikkelingsplannen, gemeentelijke ontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw.
De erkenning voor de opmaak en de herziening van gemeentelijke plannen van aanleg geldt als erkenning voor de opmaak en de herziening van plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw. Afdeling 3. - Toelagen
Art. D.I.19. § 1. De subsidies, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 5° tot 8°, toegekend op basis van de vigerende wetgeving en die in uitvoering zijn vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren toen ze toegekend werden. § 2. Het recht op de subsidie, toegekend voor de opmaak of de bijwerking van een gemeentelijk structuurplan of een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op grond van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 april 1990 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor het opstellen van een gemeentelijk structuurplan en van een gemeentelijk reglement inzake stedebouw, dooft uit. § 3. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 25 januari 2001 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium wat betreft de regels voor de toekenning van subsidies aan gemeenten voor de werking van de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening, voor de opstelling of totale herziening van een gemeentelijk structuurplan, van een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement of van een gemeentelijk plan van aanleg of voor de opstelling van een effectonderzoek over een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk één jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek.
Zoniet dooft het recht op de subsidie uit. § 4. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2008 tot vervanging van hoofdstuk Iter en tot wijziging van hoofdstuk Iquater van titel I van Boek IV van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk drie jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet dooft het recht op de subsidie uit.
Voor de subsidie die vanaf 1 juni 2013 toegekend wordt, kan de Regering evenwel één enkele keer de in de lopende subsidie bedoelde termijn op gemotiveerd voorstel van de gemeenteraad let drie jaar verlengen.
BOEK II. - Planificatie TITEL I. - De ontwikkelingsplannen Art. D.II.1. De doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en, in voorkomend geval, stedenbouw worden op grond van een contextueel onderzoek in het betrokken gebied opgesplitst in vier schalen : 1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan voor Wallonië;2° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor een geheel of delen van gebieden in meerdere gemeenten;3° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied;4° het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied. HOOFDSTUK I. - Het ruimtelijk ontwikkelingsplan Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Art. D.II.2. § 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan omschrijft op gewestelijke schaal, op grond van een contextueel onderzoek, de opties inzake ruimtelijk beleid voor Wallonië.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is. § 2. In de opties inzake ruimtelijk beleid van het ruimtelijke ontwikkelingsplan worden omschreven : 1° de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, en de wijze waarop deze ingebed zijn in de supraregionale context;2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;3° de ruimtelijke structuur. De gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe : 1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van gebieden en hulpbronnen te bevorderen;2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het grondgebied te bevorderen;3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;4° de mobiliteit te beheren. Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht : 1° de kernen;2° de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden;3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen. In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de
wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1973
pub.
24/08/2010
numac
2010000473
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie
sluiten inzake natuurbehoud, evenals de door de Regering aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een grondgebiedomvattende dichte ecologische vermazing. § 3. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan kan : 1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;2° voorstellen tot herziening van gewestplannen verwoorden;3° ruimtelijke projecten verwoorden met betrekking tot de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden. Afdeling 2. - Procedure
Art. D.II.3. § 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
De voorstellen voor gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling zoals bedoeld in artikel D.II.2, § 2, lid 1, 1°, worden ter advies voorgelegd aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de Beleidsgroep Leefmilieu, de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en aan de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht. Die adviezen worden binnen de dertig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
Van het ruimtelijk ontwikkelingsplan maakt de Regering een milieueffectenverslag op. § 2. Het ontwerp van ontwikkelingsplan wordt door de Regering aangenomen en samen met het milieueffectenverslag publiekelijk voorgesteld en aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De adviezen van de gemeenteraden, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en van de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig geacht wordt, worden binnen de zestig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht. § 3. De Regering neemt het plan definitief aan.
De beslissing van de Regering wordt bekendgemaakt. Afdeling 3. - Herziening
Art. D.II.4. De bepalingen tot regeling van de opmaak van het ruimtelijk ontwikkelingsplan zijn van toepassing op de herziening ervan.
In het herzieningsdossier worden evenwel enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen. HOOFDSTUK II. - Meergemeentelijk ontwikkelingsplan Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Art. D.II.5. Samen met één of meerdere andere gemeenten kan een gemeente één of meerdere meergemeentelijke ontwikkelingsplannen tot stand brengen, waarin hun aangrenzende gebieden geheel of gedeeltelijk opgenomen worden.
Als er meerdere meergemeentelijke ontwikkelingsplannen voorhanden zijn, moeten zij afzonderlijke delen van het gemeentelijk grondgebied behandelen. Een gemeentelijk grondgebied kan nooit, noch geheel noch gedeeltelijk, tegelijk het voorwerp uitmaken van een meergemeentelijk en van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
Art. D.II.6. § 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het dienovereenkomstig gebied op schaal van dat gebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen. § 2. In de beleidsopties inzake het meergemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven : 1° de meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op bovengemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;3° de ruimtelijke structuur. De gewestelijke doelstellingen, bedoeld in lid 1, 1°, worden betrokken bij het betreffende gebied en de voornaamste beleidskeuzes voor dat gebied liggen er in het verlengde van.
De meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe : 1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van gebieden en hulpbronnen te bevorderen;2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;4° de mobiliteit te beheren. Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht : 1° de kernen;2° de ontwikkelingsgebieden;3° de landschapsstructuur;4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen. In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de
wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1973
pub.
24/08/2010
numac
2010000473
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie
sluiten inzake natuurbehoud, evenals de door de Regering aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een, over het meergemeentelijk gebied heen, dichte ecologische vermazing. § 3. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan : 1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden. Afdeling 2. - Procedure
Art. D.II.7. § 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de gemeenten opgemaakt, volgens de nadere regels die zij bepalen.
In die nadere regels wordt met name ingegaan op de criteria of grenswaarden krachtens of vanaf welke van de procedure wordt afgezien bij weigeren of afbreken van het ontwerp van plan of van het plan zelf door de gemeenteraad van één of van meerdere gemeenten, op de termijnen die iedere gemeenteraad moet naleven om het ontwerp van plan of het plan zelf aan te nemen, op de regels die gevolgd dienen te worden indien een gemeenteraad in gebreke blijft, en op de nadere werkingsregels van het begeleidingscomité.
Per schrijven lichten de gemeenten de aangrenzende gemeenten die niet bij hun initiatief betrokken zijn, over bedoeld initiatief in. § 2. Er wordt een begeleidingscomité opgericht en belast met de opvolging van het ontwikkelingsplan zodra de ontwerper ervan aangewezen is. Er wordt slechts één ontwerper voor de opmaak van het ontwikkelingsplan aangewezen.
Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de territoriaal betrokken gemeenten en uit de ontwerper van het ontwikkelingsplan. Er wordt met raadgevende stem aan deelgenomen door de vertegenwoordigers van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4 en door de betrokken gemachtigde ambtenaar (ambtenaren). Elke persoon of instantie die nuttig geacht wordt voor de opmaak van het plan kan door het comité opgeroepen worden.
Het comité vergadert minstens : 1° na de aanwijzing van de erkende projectontwerper;2° voor de aanneming van het ontwerp van plan door de gemeenteraden;3° voor de definitieve aanneming van het plan door de gemeenteraden. Afgezien van gevallen van vrijstelling wordt voor het voorontwerp van plan een milieueffectenrapport opgemaakt. § 3. Op basis van een verslag van het begeleidingscomité nemen de gemeenteraden, elk wat hem betreft, het ontwerp-ontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Elk gemeentecollege onderwerpt ze, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, aan een openbaar onderzoek. Die procedures worden op het grondgebied van elke betrokken gemeente binnen dezelfde termijnen georganiseerd.
De gemeentecolleges belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwerp en de lijst, bedoeld in lid 1, samen met het milieueffectenverslag, ter advies voor te leggen aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de gemeentelijke commissies, aan de personen en instanties die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen, en aan de gemeenteraden van de aangrenzende gemeenten die niet bij het plan betrokken zijn. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na versturen van de aanvraag ingediend, behoudens de adviezen van de aangrenzende gemeenten, welke in een termijn van zestig dagen na versturen van de aanvragen overgemaakt worden. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht. § 4. Elk wat hem betreft, nemen de gemeenteraden definitief het ontwikkelingsplan aan en, in voorkomend geval, heffen ze de plannen en leidraden, vermeld in de lijst bedoeld in paragraaf 3, op.
Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan het grondgebied van een gemeente afdekt die onderworpen is aan een gemeentelijk ontwikkelingsplan, heft de gemeenteraad het gemeentelijk ontwikkelingsplan op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een grondgebied afdekt dat reeds onder een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraden belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt(en) de gemachtigd(e) ambtenaar (-aren) zijn (hun) advies aan de Regering. Zoniet wordt hun advies gunstig geacht. § 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of geweigerd, per besluit verstuurd binnen de honderdenvijf dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4. Het weigeren van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout of om reden van niet-inachtneming van één van de voorwaarden van paragraaf 6. § 6. Wanneer één of meerdere gemeenteraden het meergemeentelijk ontwikkelingsplan niet hebben aangenomen, kan de Regering na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, beslissen om goedkeuring te verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad tot definitieve aanneming van het plan voor zover : 1° de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, niet bedreigd zijn; 2° de nadere regels bedoeld in paragraaf 1 in acht worden genomen;3° de gemeentelijke grondgebieden waarop het aangenomen plan van toepassing is aangrenzend zijn en betrekking hebben op het grondgebied of deel ervan, van meerdere gemeenten. De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening maakt zijn advies binnen de dertig dagen na versturen van het verzoek van de Regering over. Zoniet wordt het advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening gunstig geacht.
Als het grondgebied waarop het aangenomen plan van toepassing is, enkel het gehele grondgebied van één enkele gemeente afdekt, kan de Regering beslissen om de beslissing van de gemeenteraad en het plan goed te keuren als gemeentelijk ontwikkelingsplan. § 7. Zodra de termijn bedoeld in paragraaf 5 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de ontwikkelingsplannen en leidraden bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig de paragrafen 5 of 6 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslissing, van het begeleidingscomité de documenten vragen tot wijziging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het plan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het derde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
De beslissingen van de gemeenteraden en van de Regering worden bekendgemaakt. Afdeling 3. - Herziening
Art. D.II.8. § 1. De regels voor de opmaak van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan.
Wanneer de herziening een gemeente betreft, zijn, in afwijking van lid 1, de bepalingen tot regeling van de opmaak van gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de herziening goed te keuren. § 2. Als het een gedeeltelijke herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier worden enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen. HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen Afdeling 1. - Algemeen
Art. D.II.9. Een gemeente kan een gemeentelijk ontwikkelingsplan aannemen, dat het geheel van het gemeentelijk grondgebied afdekt, alsook één of meerdere lokale beleidsontwikkelingsplannen. Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud
Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan Art. D.II.10. § 1. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het geheel van het gemeentelijk grondgebied op schaal van het gemeentelijk grondgebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen. § 2. In de beleidsopties inzake het gemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven : 1° de gemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op gemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;3° de ruimtelijke structuur. De gewestelijke of meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, hebben betrekking op het gemeentelijk grondgebied en liggen ten grondslag aan de voornaamste oriëntaties ervan.
De gemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, beogen : 1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van het grondgebied en de hulpbronnen te bevorderen;2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;4° de mobiliteit te beheren. Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht : 1° de gebouwde structuur, met inbegrip van de te versterken kernen;2° de landschapsstructuur;3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen. In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de
wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1973
pub.
24/08/2010
numac
2010000473
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie
sluiten inzake natuurbehoud, evenals de door de Regering aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een over het gemeentelijk gebied heen samenhangende dichte vermazing. § 3. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kan : 1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het betrokken gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden. Onderafdeling 2. - Lokaal beleidsontwikkelingsplan Art. D.II.11. § 1. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan bepaalt de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor een deel van het gemeentelijk grondgebied. § 2. Op grond van een contextueel onderzoek op schaal van het betrokken gebied, dat de voornaamste ruimtelijke vraagstukken bevat, evenals het potentieel van het gebied en de factoren die erop wegen, omvat dit beleidsontwikkelingsplan: 1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken gebied;2° de beleidskaart, met : a) het wegennet;b) de technische infrastructuren en netten, met inbegrip van de infrastructuren voor het beheer van afval- en hemelwater;c) de openbare ruimten en de groengebieden;d) de bestemmingen per gebied en, voor de woonbestemmingen, de vooropgestelde dichtheid voor de onbebouwde of te herstellen terreinen, of voor de bebouwde gehelen van meer dan twee hectare die geherstructureerd dienen te worden;e) de ecologische structuur;f) in voorkomend geval, de krachtlijnen van het landschap; g) wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, de grenzen van de op te richten kavels; h) in voorkomend geval, de fasering van de ontsluiting van het ontwikkelingsplan; 3° wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, alle informatie met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen. § 3. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan kan : 1° informatie bevatten met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen;2° de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden, oplijsten. Afdeling 3. - Procedure
Art. D.II.12. § 1. Behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 en D.II.42 wordt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan op initiatief van de gemeenteraad vastgesteld.
Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen van meer dan twee hectare uit één stuk kan de gemeenteraad een voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan voorstellen.
Binnen de zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan stemt de gemeenteraad al dan niet in met het vervolg van de procedure en licht er de natuurlijke of rechtspersoon over in; bij instemming wordt de procedure voor de aanneming van het lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 voortgezet. Bij ontstentenis van een bericht binnen een termijn van zestig dagen, wordt het voorstel verworpen geacht. § 2. Behoudens in geval van vrijstelling wordt er een milieueffectenverslag over het voorontwerp van beleidsontwikkelingsplan opgemaakt, in voorkomend geval op initiatief en op kosten van de natuurlijke of rechtspersoon. § 3. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan of lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Hij belast het college ermee, het samen met het milieueffectenverslag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de opmaak van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, worden de gegevens bedoeld bij het
decreet van 11 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/2004
pub.
08/04/2004
numac
2004200991
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid
sluiten betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek van het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
De adviezen van de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu, en van de personen en instanties wier raadpleging de gemeenteraad nuttig acht, worden binnen de vijfenveertig dagen na verzending van het verzoek van het college overgemaakt.
Zoniet worden de adviezen gunstig geacht. § 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, en heft, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad, opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1 op.
Wanneer er een meergemeentelijk ontwikkelingsplan voorhanden is, dat het grondgebied van de gemeente geheel of gedeeltelijk afdekt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraad belast het gemeentecollege ermee, het ontwikkelingsplan, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt de gemachtigd ambtenaar het samen met zijn advies aan de Regering. Bij ontstentenis wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar gunstig geacht. § 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of verworpen, per besluit verstuurd binnen de negentig dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4. Het verwerpen van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout.
Zodra de termijn bedoeld in lid 1 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig lid 1 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslisising, van het gemeentecollege de documenten vragen tot wijziging van het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het ontwikkelingsplan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
Het regeringsbesluit dat de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt als erkenningsomtrek in de zin van het
decreet van 11 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/2004
pub.
08/04/2004
numac
2004200991
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid
sluiten betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van het
decreet van 11 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/2004
pub.
08/04/2004
numac
2004200991
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid
sluiten betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De beslissingen van de gemeenteraad en van de Regering worden bekendgemaakt. Afdeling 4. - Herziening
Art. D.II.13. De regels voor de opmaak van het gemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan.
Als het een gedeeltelijke herziening van het ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen. HOOFDSTUK IV. - Opvolging van de milieueffecten Art. D.II.14. Het gemeentecollege richt minstens één keer in haar ambtsperiode een globaal verslag aan de gemeenteraad over de opvolging van de significante milieueffecten van de tenuitvoerlegging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieubeoordeling, alsook over de eventueel te treffen correctiemaatregelen. Het publiek wordt voorgelicht volgens de nadere regels bedoeld in artikel L1133-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie. HOOFDSTUK V. - Opheffing Art. D.II.15. § 1. Wanneer zij achten dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kunnen de gemeenteraden ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.50, D.II.51 en D.II.52. § 2. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd en de opheffing één enkele gemeente betreft, kan de gemeenteraad ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel D.II.8, § 1, lid 2, zijn van toepassing op de opheffing.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel gedeeltelijk bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikelen D.II.7 of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.12 opgeheven worden.
In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.7, § 5, en D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de opheffing goed te keuren. § 3. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een gemeentelijk ontwikkelingsplan of van een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 en D.II.52. § 4. In geval van opheffing blijven de bestemmingen van een lokaal beleidsontwikkelingsplan tot nadere omschrijving van een recreatiegebied, tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied met een bedrijfskarakter, tot nadere omschrijving van een parkgebied of tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied van toepassing en die gebieden blijven ontsloten in de zin van de artikelen D.II.27, D.II.32, § 1, lid 2, en § 2, D.II.40 en D.II.42, § 2. § 5. De doelstellingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 worden voorbijgestreefd geacht na achttien jaar te rekenen van de bekendmaking per uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het regeringsbesluit tot goedkeuring van het ontwikkelingsplan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan goedgekeurd wordt geacht. HOOFDSTUK VI. - Juridische gevolgen en hiërarchie Afdeling 1. - Rechtsgevolgen
Art. D.II.16. Ontwikkelingsplannen zijn enkel van informatieve aard.
Het ruimtelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, op de ontwikkelingsplannen en de leidraden, evenals, in afwijking van lid 6, op de lokalisering van de projecten ten opzichte van artikel D.II.2, § 2, 3°, in het kader van de aanvragen voor desbetreffende stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2 ofwel : 1° met betrekking tot bouwwerken of nuts- of gemeenschapsvoorzieningen ofwel : a) bedoeld in artikel D.IV.25; b) betreffende een lijninfrastructuur beoogd bij de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan;c) opgenomen in het ruimtelijk ontwikkelingsplan ten opzichte van zijn afstraling op schaal van een ontwikkelingsruimte;2° met het oog op de bebouwing van de gronden van meer dan 15 ha en met betrekking tot: a) de bouw van woningen;b) een oppervlakte bestemd voor de verkoop van kleinhandelsgoederen;a) de bouw van kantoren;d) een ontwerp dat twee of drie van deze bestemmingen combineert. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het gemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan is van toepassing op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
De instrumenten voor ruimtelijk beleid worden naar de schaal van het betrokken grondgebied ingezet. Afdeling 2. - Hiërarchie
Art. D.II.17. § 1. De instrumenten voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik richten zich naar de instrumenten voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, indien bestaand.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het lokaal beleidsontwikkelingsplan kunnen van het (de) instrument(en) voor ruimtelijk beleid met een groter bereik afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan : 1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, vervat in het instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, niet bedreigt;2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer en de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen. § 2. Bij onverenigbaarheid tussen een reeds bestaand instrument voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik en een instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik dat later in werking treedt, geldt het instrument waarvan het bereik het grootst is.
Onverminderd de toepassing van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, houdt het gemeentelijk ontwikkelingsplan op effect te sorteren op dat deel van het grondgebied dat valt onder een meergemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de aanneming recenter is dan die van eerstgenoemd ontwikkelingsplan.
TITEL II. - Gewestplannen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. D.II.18. Het gewestplan bepaalt de inrichting van het grondgebied dat erdoor afgedekt wordt.
De Regering kan de indeling van het grondgebied in sectoren herzien volgens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk III. Art. D.II.19. Behalve voor de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens waarvoor geen bestemming is voorzien, legt de Regering, na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de gebieden vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt. HOOFDSTUK II. - Inhoud Afdeling 1. - Algemeen
Art. D.II.20. Het gewestplan richt zich naar het ruimtelijk ontwikkelingsplan.
Het gewestplan kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan mits een motivering waaruit blijkt dat het gewestplan : 1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde of onbebouwde landschappen. Het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, is van toepassing op het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de leidraden, op de stedenbouwkundige vergunning en op het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Art. D.II.21. § 1. Het gewestplan bevat : 1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;2° het bestaande en het geplande tracé of de plaatsvervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verkeerswegen en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen, water uitgezonderd, en brandstoffen. Onder reserveringsomtrek wordt dat deel van het grondgebied verstaan dat voorbehouden wordt voor de aanleg, de bescherming of de instandhouding van verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen of energie. De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden.
De Regering kan het net van de vo …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.