Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt de procedures voor het plaatsen en uitvoeren van concessieovereenkomsten in België, zowel voor diensten als voor werken. Het zet de Europese Richtlijn 2014/23/EU om in Belgisch recht en vervangt eerdere regels.

Wat het regelt

  • De procedures voor het plaatsen van concessies voor werken en diensten.
  • De algemene uitvoeringsregels van deze concessieovereenkomsten.
  • De bekendmaking van concessieaankondigingen en gegunde concessies.
  • De regels voor elektronische en mondelinge communicatie binnen concessieprocedures.

Wie het aanbelangt

  • Overheidsinstanties en overheidsbedrijven die concessieovereenkomsten afsluiten.
  • Bedrijven die inschrijven op concessies voor werken en diensten.

Kernpunten

  • Het besluit is van toepassing op alle concessies die vallen onder de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten.
  • Het voorziet in specifieke bepalingen voor concessies in fraudegevoelige sectoren, zoals activiteiten die vallen onder de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden.
  • Vertragingsboetes zijn forfaitaire vergoedingen voor het niet naleven van uitvoeringstermijnen, maar dekken niet noodzakelijk de totale schade van de aanbestedende overheid.
  • Het introduceert het "Document van voorlopig bewijs (DVB)" als een specifiek Belgisch instrument voor het bewijs en nazicht van uitsluitingsgronden en selectievoorwaarden.
Wettekst
Wettekst

25 JUNI 2017. - Koninklijk besluit betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten betreffende de concessieovereenkomsten, hierna "de wet" genaamd, beoogt de omzetting van de Richtlijn 2014/23/EU betreffende de concessieovereenkomsten in Belgisch recht. De wet heeft zowel betrekking op de concessies van diensten als op de concessies voor werken. Zij heft bijgevolg de bepalingen betreffende de concessies voor openbare werken opgenomen in de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling type wet prom. 15/06/2006 pub. 31/07/2006 numac 2006009550 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot juridische bijstand sluiten betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op. Dit ontwerp van koninklijk besluit geeft uitvoering aan de wet, zowel wat betreft haar bepalingen inzake de plaatsing van concessies van werken en van diensten (titel 2 van dit ontwerp) als voor de regels inzake uitvoering (titel 3 van dit ontwerp). Het bevat tevens de bepalingen inzake de inwerkingtreding. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor een ingrijpende herziening van de bepalingen betreffende de plaatsing en de uitvoering van de concessies voor openbare werken die thans zijn opgenomen in het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 15 juli 2011 en in het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten1 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. Wat de concessies voor diensten betreft bevat dit koninklijk besluit geheel nieuwe regels voor de plaatsing en de uitvoering van de concessies (op heden zijn deze concessies niet onderworpen aan de wetgeving "overheidsopdrachten"). Dit ontwerp is geïnspireerd op de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten inzake overheidsopdrachten (met name wat de overheidsopdrachten voor werken betreft), zonder deze echter letterlijk over te nemen : inzake concessies bestaat het oogmerk van Richtlijn 2014/23/EU en van de wet die ze omzet erin een zo groot mogelijke rechtszekerheid te waarborgen met behoud van de nodige flexibiliteit voor de plaatsing en de uitvoering van contracten die per definitie complex en van lange duur zijn. Deze flexibiliteit moet aanwezig zijn zowel in de plaatsingsprocedure als in de regels die de uitvoering van de concessies omkaderen ten einde de aanbesteders toe te laten concessiedocumenten op te stellen die aangepast zijn aan de complexiteit, aan de aard van de concessies en aan de specificiteit van elke afzonderlijke concessie. Tenslotte en behoudens andersluidende vermelding in de artikelsgewijze commentaar, werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State zoals geformuleerd in het advies nr. 61.559/1 van 13 juni 2017. Inhoudstafel TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied van de wet Afdeling 1. - Inleidende bepaling Article 1er Afdeling 2. - Definities Art. 2 Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde Art. 3 Afdeling 4. -- Toepassingsgebied van de wet en drempels Art. 4 en 6 TITEL 2. - Bepalingen betreffende de plaatsing van concessies HOOFDSTUK 1. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels Art. 7, 8 en 9 Afdeling 2. - De concessieaankondiging Art. 10 Afdeling 3. - De aankondiging van gegunde concessie Art. 11 Afdeling 4. - De concessies voor sociale en andere specifieke diensten bedoeld in artikel 34 van de wet Art. 12 en 13 HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Elektronische communicatie Art. 14 Mondelinge communicatie Art. 15 HOOFDSTUK 3. - Procedurele waarborgen Afdeling 1. - Concessiedocumenten Art. 16 en 17 Afdeling 2. - Modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes Vorm, ondertekening en communicatie van de aanvragen tot deelneming en offertes Art. 18 tot 21 Modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes Art. 22 tot 24 Indiening en verdaging Art. 25 tot 26 Indiening en opening Art. 27 tot 29 Afdeling 3. - Analyse van de offertes Art. 30 HOOFDSTUK 3. - Selectie van de kandidaten en van de inschrijvers Afdeling 1. - Uitsluitingsgronden Definitie van de uitsluitingsgronden Art. 31 en 33 Bewijs- en nazicht op de afwezigheid van uitsluitingsgronden Art. 34 tot 36 Afdeling 2. - Selectiecriteria en -voorwaarden Definitie van de selectiecriteria en -voorwaarden Art. 37 en 38 Bewijs- en nazichtsmodaliteiten Art. 39 tot 41 Draagkracht van derden Art. 42 Onderaanneming Art. 43 Afdeling 3. - Recht op informatie van de aanbesteder Art. 44 TITEL 3. - Bepalingen betreffende de uitvoering van de concessies HOOFDSTUK 1. - De concessiedocumenten Art. 45 HOOFDSTUK 2. - Algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten Afdeling 1. - Elektronische communicatiemiddelen Art. 46 Afdeling 2. - Leidend ambtenaar Art. 47 Afdeling 3. - Waarborgen van goede uitvoering Art. 48 Afdeling 4. - Onderaanneming Art. 49 tot 56 Afdeling 5. - Betalingen Prijs van de concessie en voorschotten Art. 57 Nadere regels en betalingstermijnen van de prijs van de concessie Art. 58 Betalingsachterstand van de prijs van de concessie Art. 59 Onbillijke bedingen en praktijken Art. 60 Afdeling 6. - Wijzigingen aan de concessie Art. 61 Herzieningsclausules Art. 62 tot 63 Aanvullende werken of diensten Art. 64 Onvoorzienbare omstandigheden in hoofde van de aanbesteder Art. 65 Vervanging van de concessiehouder Art. 66 De minimis-regel Art. 67 Niet-wezenlijke wijziging Art. 68 Afdeling 7. - Tienjarige aansprakelijkheid van de concessiehouder Art. 69 Afdeling 8. - Nadere regels voor de uitvoering van de concessie Art. 70 Afdeling 9. - Contractuele tekortkomingen van de concessiehouder en actiemiddelen van de aanbestedende overheid of het overheidsbedrijf dat optreedt in het kader van de taken van openbare dienst Art. 71 en 72 Afdeling 10. - Verbreking van de concessie Art. 73 Afdeling 10. - Gerechtelijk optreden Art. 74 TITEL 4. - Eind-, opheffings- en inwerkingtredingsbepalingen Art. 75 tot 78 TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied van de wet Afdeling 1. - Inleidende bepaling Artikel 1.Dit ontwerp heeft geen ander toepassingsgebied dan dit van de wet: het is van toepassing op alle concessies die binnen het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten betreffende de concessieovereenkomsten vallen. Echter is in een uitzondering voorzien voor de concessies die worden geplaatst ofwel door personen die genieten van bijzondere of exclusieve rechten, ofwel door overheidsbedrijven voor concessies die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie. Deze laatste concessies zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de titels 1, 2 en 4, alsook aan de artikelen 49, 50, eerste lid, 2°, 51, 57, § 2, 1°, 61, 62, eerste en tweede lid, 64 tot 68 en 73, § 2. Daarnaast is het zo dat sommige bepalingen enkel van toepassing zijn op de aanbestedende overheden en, eventueel, de overheidsbedrijven in het kader van hun taken van algemeen belang. Afdeling 2. - Definities Art 2. Dit artikel definieert de begrippen die in dit ontwerp gebruikt worden, onverminderd de definities die in de wet reeds gegeven zijn. De meerderheid van de definities stemmen overeen met deze voorzien in de wetgeving overheidsopdrachten die de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU omzet. Zes commentaren dringen zich echter op : - het ontwerp omvat specifieke bepalingen voor de concessies in een fraudegevoelige sector. Het gaat om de concessies van werken en de concessies van diensten geplaatst in het kader van de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde activiteiten die onder het toepassingsgebied vallen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden. De volgende link laat toe om de betreffende uitvoeringsbesluiten van de voormelde wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten te vinden (tab "uitvoeringen") : http://reflex.raadvst-consetat.be - De vertragingsboete is uiteraard een forfaitaire vergoeding die de niet-eerbiediging door de concessiehouder van de in de contractuele documenten voorziene uitvoeringstermijnen sanctioneert, maar zij stelt geen compensatie voor van de totaliteit van het nadeel dat de aanbestedende overheid zou lijden om reden van het overschrijden van de uitvoeringstermijnen. De concessiedocumenten kunnen voorzien dat deze boetes vastgesteld worden onverminderd het recht van de aanbesteder om zich te laten vergoeden voor de totaliteit van het door hem geleden nadeel, onder meer de schadevergoeding die hij aan een derde zou verschuldigd zijn om reden van de vertraging veroorzaakt door de concessiehouder; - Het Document van voorlopig bewijs (DVB) is een definitie die eigen is aan de concessies en aan het Belgisch recht. De Richtlijn 2014/23/EU omvat geen "Uniform concessiedocument" dat in alle lidstaten van toepassing is. Het staat de lidstaten vrij om zelf de modaliteiten van bewijs en nazicht van de uitsluitingsgronden en van de selectievoorwaarden (desgevallend met inbegrip van de objectieve criteria voor de beperking van het aantal geselecteerde kandidaten) te bepalen. De wet laat het aan de Koning over om deze aspecten te regelen en voorziet eveneens, voor wat de selectievoorwaarden betreft, dat de aanbesteders een werkmethode voor het voorlopig bewijs moeten opleggen. Dit ontwerp voorziet in het gebruik van een DVB door middel van een verwijzing naar bijlage 6 bij dit ontwerp, die een standaardformulier bevat voor de verklaringen van de ondernemers met betrekking tot de uitsluitingsgronden vermeld in de artikelen 50, 51 en 52 van de wet en tot de voorwaarden en criteria voor de selectie. Dit gedeelte van het formulier zal door de aanbesteder echter moeten ingevuld worden voor elke concessie, op basis van de selectievoorwaarden (en van de rechtvaardigende stukken) die hij in de concessiedocumenten zal vermelden, met inachtneming van de in artikel 48, § 1, van de wet voorziene beperkingen. Inzake concessies, en in tegenstelling tot de overheidsopdrachten, bepalen de Richtlijn 2014/23/EU en bijgevolg ook de wet geen selectiecriteria die door de aanbesteders kunnen gebruikt worden; - de wijzigingen aan de concessies zijn op dezelfde wijze gedefinieerd als voor de overheidsopdrachten. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de wijzigingen de contractuele documenten betreffen, ttz een wijziging in de loop van de uitvoering van de concessie, aan de concessiedocumenten en/of aan de definitieve offerte goedgekeurd door de concessiehouder. De contractuele voorwaarden zijn immers bepaald in de contractuele documenten. De afdeling 6 van het tweede hoofdstuk van titel 3 van dit ontwerp geeft omzetting aan artikel 43 van de Richtlijn 2014/23/EU en bepaalt bijgevolg de wijzigingen die aan de contractuele concessiedocumenten kunnen worden aangebracht zonder dat een nieuwe plaatsingsprocedure nodig is. Ze zijn van tweeërlei aard: de wijzigingen voorzien in de concessiedocumenten (herzieningsbepalingen) en deze die toegelaten worden door de Richtlijn en omgezet zijn in dit ontwerp. De bepalingen van de afdeling 6 van het tweede hoofdstuk van titel 3 hebben zowel betrekking op de eenzijdig door de aanbesteder opgelegde wijzigingen als op deze die onder partijen werden overeengekomen, ware het als dading (EHVJ, arrest van 7 september 2016, zaak C-549/14, "Finn Frogne A/S »). Het Belgisch administratief recht kent immers het principe van de veranderlijkheid van de administratieve contracten en in dit kader, het recht voor een administratieve overheid om een administratief contract eenzijdig te wijzigen met het oog op het algemeen belang, maar zo nodig mits een billijke compensatie. De werking van dit principe is voortaan ook omkaderd, voor wat betreft de concessies bedoeld in de wet, door de regels van afdeling 6 van het tweede hoofdstuk van titel 3. De formalisering van de wijzigingen wordt niet opgelegd, noch bepaald in dit ontwerp. De concessiedocumenten of de contractuele documenten kunnen dit doen. Bij gebrek daaraan zal de wijziging in principe doorgaan via een wijzigingsclausule (bijakte) die door beide partijen ondertekend wordt. Zij kan ook gerealiseerd worden door middel van briefwisseling, die voor akkoord wordt ondertekend door de partijen; - het begrip "contractuele documenten" is niet bepaald in de reglementering overheidsopdrachten. Het begrip heeft betrekking op de documenten betreffende de uitvoering van de concessie (hoofdzakelijk de concessiedocumenten en de definitieve offerte die door de concessiehouder zijn goedgekeurd). Over het algemeen zullen de aanbesteders er over waken dat tevens wordt voorzien dat, ingeval van tegenspraak tussen de bepalingen van de contractuele documenten, deze van de concessiedocumenten primeren op de offerte van de concessiehouder; - het begrip "dag" werd gedefinieerd met verwijzing naar het begrip "kalenderdag", behalve uitdrukkelijke andersluidende bepaling in dit ontwerp en dit overeenkomstig artikel 60 van de wet dat bepaalt dat de termijnen die door of krachtens de wet worden opgelegd, berekend worden volgens de Verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde Art. 3.Deze bepaling verduidelijkt dat alle bedragen in dit ontwerp in principe zonder belasting over de toegevoegde waarde begrepen moeten worden. De aandacht wordt echter gevestigd op de bepalingen van artikel 59, § 4, van dit ontwerp wat betreft de berekening van de verwijlintresten in geval van laattijdige betaling. Afdeling 4. - Toepassingsgebied van de wet en drempels Art. 4.Dit artikel bepaalt het financieel toepassingscriterium van de wet voor (

  1. i)de concessies van diensten en de (
  2. ii)concessies van werken van de overheidsbedrijven die niet optreden in het kader van hun taken van openbare dienst, alsook van de entiteiten die genieten van bijzondere of exclusieve rechten. In dit opzicht wordt omzetting gegeven van artikel 8.1 van Richtlijn 2014/23/EU dat de drempel vastlegt op 5.186.000 euro en wordt uitvoering gegeven aan artikel 3, § 1, van de wet. Deze drempel werd inmiddels aangepast, overeenkomstig artikel 9 van de voormelde Richtlijn en evolueerde naar 5.225.000 euro. Het is bijgevolg deze drempel die in dit ontwerp is opgenomen. Deze door de Richtlijn opgelegde drempel kan slechts herzien worden door de bevoegde minister, op basis van de door de Europese Commissie besliste herzieningen met eerbiediging van artikel 9 van de Richtlijn 2014/23/EU. Daar wordt aan herinnerd in het derde lid van dit artikel. Voor de concessies van werken van de aanbestedende overheden en overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst, wordt de wet toegepast ongeacht het geraamde bedrag van de concessie. Voor deze concessies is de voormelde drempel van 5.225.000 euro een drempel voor de bekendmaking: hij bepaalt de toepassing van de Europese regels voor bekendmaking (zie infra, commentaar bij artikel 7). De voornaamste bedragen waarvan sprake in dit ontwerp verwijzen naar de geraamde waarde van de concessies met het oog op het bepalen van de drempel voor de toepassing van de wet of van de Europese bekendmaking. Voor de concessies verwijst de geraamde waarde naar het geheel van het omzetcijfer en bijgevolg naar alle types van inkomsten die de concessiehouder uit de concessie zal halen, behalve de belasting over de toegevoegde waarde, overeenkomstig artikel 35 van de wet. Het gaat dus meestal niet (alleen) over de prijs die door de aanbesteder betaald wordt. Vergeten we echter niet dat de concessies, krachtens de wettelijke definitie ervan, zich in tegenstelling tot de overheidsopdrachten kenmerken door een overdracht van exploitatierisico van de werken of diensten en niet (alleen) door de wijze waarop de ondernemer wordt vergoed. In dat opzicht preciseert de Memorie van toelichting onder meer hetgeen volgt : "Het is niet nodig dat de ondernemer wordt beloond, al was het maar gedeeltelijk, door de gebruikers van het werk of van de dienst. Met andere woorden, het feit dat de concessiehouder uitsluitend door de aanbesteder wordt beloond, sluit op zich niet uit dat er sprake is van een concessie (...) voor zover hij het recht heeft om het volledig of gedeeltelijk te exploiteren en zijn vergoeding niet garandeert dat hij zijn investeringen en kosten zal kunnen terugverdienen op grond van de werkelijke vraag of het werkelijke aanbod voor het gebruik van het werk of van de diensten". Art. 5.De onderhavige bepaling stelt de drempel vast voor de concessies van werken van aanbestedende overheden en overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst die, gezien hun beperkte waarde, aan geen enkele voorafgaande bekendmaking zijn onderworpen. De drempel werd vastgesteld op 1.750.000 euro. Het betreft een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde. Het verwijst bijgevolg naar de raming van de totaliteit van het omzetcijfer dat voortvloeit uit de concessie gedurende de looptijd ervan, buiten belasting over de toegevoegde waarde. Deze drempel werd niet door de Europese Commissie opgelegd en is niet herzienbaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 9 van de Richtlijn 2014/23/EU. Deze uitzondering op de bekendmaking is nieuw ten opzichte van de huidige reglementering voor de concessies van openbare werken ( wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling type wet prom. 15/06/2006 pub. 31/07/2006 numac 2006009550 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot juridische bijstand sluiten en koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0). De vrijstelling van bekendmaking is geen vrijstelling van in mededingingstelling, zoals voorzien in artikel 43, § 2, van de wet dat de toepasselijke procedureregels bepaalt. De bekendmaking van een aankondiging van gunning van een concessie enkel op Belgisch niveau, is nog steeds vereist. Art. 6.Deze bepaling heeft betrekking op het tweede toepassingscriterium van de wet, in die zin dat het bijdraagt aan de omschrijving van het begrip aanbesteder. Meer bepaald stelt dit artikel, door middel van een verwijzing naar bijlage 1, een niet-exhaustieve lijst vast van publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, 1°, c), van de wet en van overheidsbedrijven als bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet. Het gaat om niet-exhaustieve lijsten: het feit dat een onderneming of entiteit niet is opgenomen in deze lijsten betekent bijgevolg niet noodzakelijk dat deze niet beantwoordt aan de wettelijke bepaling van een publiekrechtelijke instelling of overheidsbedrijf. TITEL 2. - Bepalingen betreffende de plaatsing van concessies HOOFDSTUK 1. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels Art. 7.Dit artikel omvat de algemene regels die van toepassing zijn op de bekendmaking van concessies, in uitvoering van de artikelen 42 en 44 van de wet. De concessies die, krachtens de wet, onderworpen zijn aan bekendmaking, worden bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Dit principe in de eerste paragraaf herinnert overigens aan het feit dat de Europese bekendmaking de nationale bekendmaking voorafgaat, dat de inhoud van beide bekendgemaakte aankondigingen identiek moet zijn en dat enkel deze bekendmakingen een officiële waarde hebben. De tweede paragraaf voorziet in een uitzondering op het principe van de publicatie op Europees en op Belgisch niveau. Hier worden alle aankondigingen bedoeld betreffende de concessies van werken van de aanbestedende overheden en van de overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst en die de drempel van 5.225.000 euro niet bereiken. Deze concessies zijn immers onderworpen aan de wet, maar bevinden zich niet in het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/23/EU. Uiteraard kan elke aanbesteder die dit wenst eveneens vrijwillig een aankondiging bekendmaken op Europees niveau. De aandacht wordt gevestigd op het geval bedoeld in artikel 43, § 2, achtste lid, van de wet dat de bekendmaking van een aankondiging van gunning van de concessie voorziet, enkel op Belgisch niveau, voor de concessies van werken van beperkte waarde, die zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van concessie kunnen geplaatst worden. We herinneren er ook aan dat krachtens artikel 35, derde lid, van de wet, in het geval waarin de waarde van de concessie van werken op het ogenblik van de gunning hoger ligt dan 20 % van zijn geraamde waarde (bekendmaking van de aankondiging), het de waarde is op het moment van de gunning die de "gepaste" waarde is. Een onderschatting van de waarde van de concessie van werken door een aanbestedende overheid of overheidsbedrijf dat optreedt in het kader van zijn taken van openbare dienst, zou dus aanleiding kunnen geven tot een onregelmatigheid in een procedure waarbij de aankondiging van de concessie slechts in het Bulletin der Aanbestedingen werd bekendgemaakt. Volgens de derde paragraaf van dit artikel kan geen enkele bekendmaking gebeuren vooraleer een officiële bekendmaking opgenomen werd in het Bulletin der Aanbestedingen en (behoudens de uitzondering in de tweede paragraaf) in het Publicatieblad van de Europese Unie. Geen enkele andere bekendmaking mag overigens een andere inhoud hebben dan deze van de officiële publicaties. De datum die als referentiepunt wordt gebruikt is deze van de publicatie zelf en niet deze van de verzending naar het Publicatiebureau. De vierde paragraaf herinnert eraan dat de aankondigingen gepubliceerd worden op basis van de standaardformulieren die opgesteld worden door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op basis van de verordening 2015/1986 van de Commissie van 30 november 2015. De vijfde paragraaf is nieuw ten opzichte van de op de concessies van toepassing zijnde bepalingen van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, aangezien in deze paragraaf wordt bepaald dat de aankondigingen elektronisch opgesteld en bekendgemaakt worden. Art 8. Krachtens dit artikel gebeurt elke rechtzetting of aanvulling bij een gepubliceerde aankondiging door middel van de bekendmaking van een rechtzettingsbericht volgens de standaardformulieren. Het is niet meer mogelijk een volledig nieuwe aankondiging bekend te maken. Art. 9.Dit artikel stemt overeen met artikel 31 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, dat van toepassing was op de concessies van openbare werken. Voortaan is het de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning die bevoegd is voor de bekendmaking van de aankondigingen. Afdeling 2. - De concessieaankondiging Art. 10.Dit artikel herinnert eraan dat, behoudens voor de uitzonderingen voorzien in de wet, de lancering van een plaatsingsprocedure voor een concessie het voorwerp uitmaakt van een concessieaankondiging. Dit artikel stemt overeen met artikel 149 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. De wet voorziet twee uitzonderingen: voor de in artikel 34 van de wet bedoelde sociale en andere specifieke diensten vormen de concessies die daar betrekking op hebben slechts het voorwerp van een vooraankondiging ad hoc. De tweede uitzondering, bepaald in artikel 43 van de wet, heeft betrekking op de gevallen van vrijstelling van bekendmaking omwille van bijzondere omstandigheden: één bepaalde ondernemer, een eerste vruchteloze procedure en de concessies voor werken van beperkte waarde van aanbestedende overheden en overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst. Afdeling 3. - De aankondiging van gegunde concessie Art. 11.Dit artikel bepaalt de verplichtingen inzake bekendmaking a posteriori in uitvoering van artikel 44, § 1, eerste lid, van de wet. Het gaat om de bekendmaking van een aankondiging van gegunde concessie. Deze verplichting bestaat zelfs in de gevallen waarin, krachtens artikel 43 van de wet, de aanbesteder vrijgesteld is van voorafgaande bekendmaking. Afdeling 4. - De concessies voor sociale en andere specifieke diensten bedoeld in artikel 34 van de wet Art. 12.De artikelen 12 en 13 beogen de specifieke verplichtingen inzake bekendmaking voor de concessies van sociale en andere specifieke diensten bedoeld in artikel 34 van de wet. Ter herinnering : deze concessies moeten het voorwerp uitmaken van een specifieke vooraankondiging. Dit is de enige vorm van bekendmaking die a priori vereist is. Art. 13.Artikel 13 geeft uitvoering aan de verplichting tot bekendmaking a posteriori voorzien in artikel 44, § 1, tweede lid, van de wet voor de concessies van sociale en andere specifieke diensten. De vermeldingen in de aankondiging van gegunde concessie zijn niet identiek met deze die opgelegd worden voor de aankondigingen van gegunde concessie van de "overige" concessies. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Elektronische communicatie Art. 14.Ingevolge artikel 32 van de wet gebruiken de aanbesteders in principe elektronische communicatiemiddelen. Het principe dat in dit artikel wordt opgelegd beoogt zowel de plaatsing als de uitvoering van de concessies. De elektronische middelen waarvan sprake in artikel 32 van de wet (zie de definitie in artikel 2, 12°, van de wet) omvatten ook het gebruik van e-mail. Er geldt dus geen verplichting om beroep te doen op elektronische platformen als bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet overheidsopdrachten. De e-mail biedt echter niet dezelfde waarborgen als deze van het elektronisch platform. De aanbesteder doet er goed aan om bij de keuze van de modaliteiten erover te waken dat de voorschriften van de wet worden nageleefd, te weten: "dat bij elke mededeling, uitwisseling en opslag van informatie de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en aanvragen tot deelneming gewaarborgd zijn" en "pas na het verstrijken van de uiterste termijn voor de indiening kennis [genomen wordt]... van de inhoud van de offertes en aanvragen tot deelneming". Artikel 32 van de wet machtigt de Koning om de gevallen te bepalen waarin de elektronische communicatiemiddelen niet verplicht zijn. Deze gevallen zijn vervat in het onderhavige artikel wat betreft de plaatsing van concessies. Voor de fase van de uitvoering is artikel 46 van titel 3 van toepassing. De gevallen die zijn opgelijst in dit artikel laten echter niet toe af te wijken van de verplichting om elektronische middelen te gebruiken voor de redactie en publicatie van de aankondigingen betreffende de concessies (cf. artikel 7, § 5, van dit ontwerp), noch van de verplichtingen voorzien in artikel 45 van de wet betreffende het ter beschikking stellen van concessiedocumenten via elektronische weg. Bij het formuleren van de uitzonderingen op het gebruik van de elektronische middelen opgesomd in het onderhavige artikel, werd inspiratie gezocht bij de hypotheses waarvan sprake in artikel 14 van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten betreffende de overheidsopdrachten. Ze zijn echter niet identiek onder meer omdat Richtlijn 2014/23/EU geen beroep op elektronische middelen oplegt voor concessies die in haar toepassingsgebied vallen en omdat de wet de concessies beoogt die eveneens geplaatst worden in het domein van defensie en veiligheid. Het laatste lid bepaalt de communicatiemiddelen die gebruikt mogen worden in de gevallen waarin de elektronische middelen niet verplicht zijn. Het geeft gedeeltelijk omzetting aan artikel 29 van de Richtlijn 2014/23/EU. Worden bedoeld : de mondelinge communicatie, met inbegrip van de telefoon, de post, de fax of nog het in eigen handen afleveren mits ontvangstbewijs. Deze laatste werkwijze omvat de afgifte door middel van vervoersdiensten. Deze communicatiemethoden kunnen onderling gecombineerd worden of gecombineerd worden met elektronische middelen. Afdeling 2. - Mondelinge communicatie Art. 15.Dit artikel bepaalt de grenzen en voorwaarden waarin de mondelinge communicatie, met inbegrip van telefoon, kan gebruikt worden, ongeacht of de elektronische middelen al dan niet verder gebruikt worden in de plaatsing van de concessies. Deze grenzen en voorwaarden geven omzetting aan de bepalingen van artikel 29 van de Richtlijn 2014/23/EU. De mondelinge communicatie kan slechts betrekking hebben op niet-essentiële elementen van een plaatsingsprocedure van een concessie. In de wet "overheidsopdrachten" is dit begrip bepaald door middel van een verwijzing naar de opdrachtdocumenten, de offerte en/of de aanvraag tot deelneming (zie ook overweging 59 van Richtlijn 2014/23/EU). Men kan er van uitgaan dat dit eveneens van toepassing is op de concessies. Verder moet de inhoud van het mondeling/telefonisch gesprek, om geldig te zijn, op een voldoende wijze worden opgenomen op een duurzame drager. Het spreekt voor zich dat deze mondelinge communicatie overigens niet tot doel of tot gevolg kan hebben dat de fundamentele principes die gelden voor de plaatsing van concessies (zie artikel 24 van de wet) geschonden worden, onder meer de principes van gelijkheid van behandeling, niet-discriminatie en transparantie. Deze beperking van de mondelinge communicatie heeft een weerslag op de informatiesessies of bezoeken die voorafgaand aan de indiening van de offertes georganiseerd worden. Zoals gezegd in artikel 14, § 4, van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten blijven dergelijke bezoeken en sessies mogelijk. In de loop van deze sessies of bezoeken zal het echter niet mogelijk zijn om informatie omtrent essentiële elementen door te geven, tenzij het een loutere herhaling betreft van hetgeen zich reeds in de concessiedocumenten bevindt. Het feit dat een proces-verbaal van deze vergadering wordt opgesteld volstaat niet. Deze schriftelijke informatie moet ook verspreid worden met eerbiediging van het gelijkheidsprincipe en dit volgens de toegelaten en van toepassing zijnde communicatiemethoden, die de bekendmaking van een rechtzettingsbericht kunnen inhouden. Tenslotte moet dit artikel in parallel bekeken worden met artikel 46, § 5, van de wet dat de aanbesteder verplicht tot het waarborgen van "een passende documentatie van de verschillende fasen van de plaatsingsprocedure op de manier die hij geschikt acht, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 31, §§ 1 en 2, van de wet met betrekking tot de vertrouwelijkheid.". Zoals de Memorie van Toelichting het bevestigt verplicht artikel 46, § 5, van de wet de aanbesteder onder meer tot "het opstellen van de notulen van de onderhandelingen of van analyses van de aanvragen tot deelneming en offertes. (...) Ze zullen met name dienen voor het opstellen van de gemotiveerde beslissingen bedoeld in de "rechtsbeschermingswet"". HOOFDSTUK 3. - Procedurele waarborgen Afdeling 1. - Concessiedocumenten Art. 16.De onderhavige bepaling die genomen wordt in uitvoering van artikel 46, § 7, van de wet, zoals voor de overige artikelen van dit hoofdstuk 3, lijst de verplichte vermeldingen op die de concessiedocumenten moeten bevatten voor de fases van de plaatsing en van de uitvoering. Deze lijsten gelden onverminderd de minimale vermeldingen in de concessieaankondigingen of in de vooraankondigingen. We herinneren eraan dat, wanneer het gaat over de looptijd van de concessie, deze vermelding slechts in de aankondiging van de concessie dient opgenomen te worden "voor zover mogelijk". Uit de overweging 52 van de Richtlijn 2014/23/EU blijkt overigens dat de aanbesteder zich kan beperken tot het ramen van de looptijd van de concessie op het moment van de lancering ervan. Hij zal aldus een indicatieve looptijd vermelden in de concessiedocumenten, terwijl de (reële/vaste) looptijd van de concessie zal kunnen bepaald worden ofwel door de aanbesteder en de inschrijvers (in het kader van onderhandelingen), ofwel door de concessiehouder (indien de looptijd een gunningscriterium is). Deze appreciatieruimte maakt de raming van de waarde van de concessie echter alleen maar delicater of nog zorgt ervoor dat een wijziging van deze waarde op het einde van de procedure meer waarschijnlijk wordt. Om het risico om de procedure te moeten herbeginnen krachtens de regel van de twintig procent (zie artikel 35, § 2, van de wet) in te perken, zal de aanbesteder op nuttige wijze een niet-onderhandelbare maximale duur van de concessie vastleggen (minimumeis) in de concessiedocumenten en op basis hiervan de waarde van de concessie berekenen. De "reële (vaste) duur" zal tijdens de onderhandelingen bepaald worden, zo nodig op basis van de offertes van de inschrijvers (indien de looptijd een gunningscriterium is). Zoals eerder gezegd, veronderstelt dit een goede voorbereiding van de concessie die de aanbesteder toelaat de maximale duur op een adequate manier te bepalen. De concessiedocumenten moeten alle nodige inlichtingen omvatten om de ondernemers toe te laten een offerte in te dienen en ter zake tevens aangeven welke (elektronische) middelen opgelegd of toegelaten zijn, alsook in functie daarvan bepalen welke al dan niet de vereisten zijn voor de indiening, neerlegging en ondertekening. Dit ontwerp legt immers te dien einde enkel eisen op voor wat betreft de offertes neergelegd via elektronische platformen. De concessiedocumenten zullen in het bijzonder waken over de identificatie van de minimale eisen, of volgens de definitie van artikel 46, § 1, 1°, van de wet "de kenmerken en voorwaarden, met name op technisch, materieel, functioneel of juridisch vlak, waaraan elke offerte moet voldoen of moet omvatten." Zelfs al is het zo dat de Richtlijn 2014/23/EU zegt dat de minimale eisen "desgevallend" moeten bepaald worden, zal de aanbesteder dat in de realiteit in alle omstandigheden moeten doen. Hij moet aandachtig zijn voor een goede bepaling van de minimale eisen want deze kunnen niet gewijzigd worden in de loop van de procedure. Er dient bijgevolg over gewaakt te worden dat de doelstellingen en dwingende eisen daarin aan bod komen, eerder dan de oplossingen, dat de aandacht meer uitgaat naar de materiële eisen dan de formele eisen, enz. Deze minimale eisen kunnen zowel in een "procedurereglement" opgenomen worden, als in de uitvoeringsvoorwaarden of nog in de technische specificaties. Zullen idealiter onder de minimale eisen moeten voorkomen, het (
  3. de)kenmerk(
  4. en)van het contract die de overdracht van het exploitatierisico verzekert of verzekeren. In ieder geval kunnen deze kenmerken slechts marginaal gewijzigd worden, zelfs al werden ze niet opgenomen in de concessiedocumenten als minimale eisen, op straffe van ontkrachting van de concessie en van het risico op een onregelmatige plaatsingsprocedure. De concessiedocumenten zullen tevens de verbintenissen omvatten die door de inschrijvers werden aangegaan door het neerleggen van hun (initiële, opeenvolgende, definitieve) offerte(s). Deze verbintenissen worden niet bepaald door de reglementering. Aldus kunnen de concessiedocumenten perfect voorzien dat de initiële offertes niet bindend zijn wat betreft de financiering en/of dat de financiële offertes kunnen neergelegd worden onder bepaalde voorbehouden. De concessiedocumenten moeten steeds de omschrijving omvatten van de organisatie van de procedure. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting in verband met artikel 46, § 5, van de wet, bedoelt men hier het "procedurereglement" dat onder meer de modaliteiten of nog het voorwerp van de onderhandelingen zal bepalen, het aantal opeenvolgende offertes, de eventuele beperkingen van het aantal offertes waarover kan onderhandeld worden, enz. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting betreffende de wet, laat artikel 37 van de Richtlijn 2014/23/EU de aanbesteder toe wijzigingen aan te brengen aan de regels voor de organisatie van de procedure. Deze mogelijkheid laat niet toe de minimale eisen die daarin zouden opgenomen zijn te wijzigen, noch de gunningscriteria, en evenmin de regels die door dit ontwerp worden opgelegd. In ieder geval moet van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden met eerbiediging van de regels inzake transparantie en gelijke behandeling: de aanbesteder moet zichzelf bijgevolg uitdrukkelijk de mogelijkheid voorbehouden om zijn "procedurereglement" te herzien (op straffe van verwijt dat hij zijn eigen regels niet heeft geëerbiedigd), binnen de voormelde grenzen en deze wijzigingen meedelen aan alle betrokken ondernemers. Uiteraard zullen de concessiedocumenten de gunningscriteria van de concessie vastleggen. Er wordt aan herinnerd dat de criteria moeten verbonden zijn met het voorwerp van de concessie, verifieerbaar en niet-discriminatoir. Zij mogen aan de aanbesteder geen discretionaire keuzevrijheid geven en moeten deze laatste toelaten een globaal economisch voordeel vast te stellen. Deze criteria moeten niet gewogen zijn, maar moeten wel in dalende volgorde van belang worden vermeld. Voor wat betreft de uitzonderingsgevallen waarin deze orde wel kan worden gewijzigd wordt verwezen naar artikel 55, § 3, van de wet. De concessiedocumenten zullen steeds de modaliteiten voor de sluiting van de concessie moeten aangeven, met eerbiediging van de bepalingen betreffende onder meer de wachttijd, bedoeld in de wet van 17 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2013 pub. 21/06/2013 numac 2013203640 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, gewijzigd door de wet van 16 februari 2017. De sluiting van een concessie kan op verschillende wijzen georganiseerd worden, waaronder de kennisgeving van de goedkeuring van de (definitieve) offerte of de ondertekening van een contract. De concessiedocumenten zullen, ten titel van uitvoeringsvoorwaarden, verplicht en in ieder geval het volgende bepalen : - de algemene verplichtingen (onder andere en vooral deze bedoeld onder artikel 27 van de wet betreffende de verplichtingen die van toepassing zijn inzake milieu- sociaal en arbeidsrecht) en de bijzondere verplichtingen (voor elke fase van de concessie) voor de concessiehouder; - de uitvoeringsmodaliteiten van de werken en/of diensten. In dit kader en in het bijzonder voor de concessies van werken, zal de aanbesteder de verplichtingen op het vlak van de erkenning van de aannemers bedoeld in artikel 55 van dit ontwerp hernemen en kan hij zich verder laten inspireren door de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten1 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, meer bepaald de specifieke bepalingen omtrent de opdrachten voor werken, waarbij er evenwel over gewaakt moet worden dat deze aangepast worden om ze van toepassing te kunnen maken, ongeacht wie ze uitvoert; - de waarborgen voor een goede uitvoering die door de concessiehouden dienen gegeven te worden. Daartoe kan de borgtocht, zoals bepaald en geregeld door het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten1 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten gebruikt worden, maar de concessiedocumenten zullen wel het bedrag (de aanpassingsmodaliteiten) en de modaliteiten van vrijgave ervan moeten bepalen, onder meer in geval van eenzijdige verbreking van de concessie; - de bepalingen betreffende de contractuele inbreuken en de sancties die er op staan. De documenten zullen de nadere regels voor de berekening en toepassing van de algemene of bijzondere straffen omschrijven, alsook de nadere regels voor de berekening en toepassing van de vertragingsboetes. De aanbestedende overheden en de overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst beschikken voor de bestraffing van de ernstige contractuele inbreuken (en schendingen van de verplichte wettelijke en reglementaire verplichtingen die hiermee worden gelijkgesteld) over maatregelen van ambtswege die in dit ontwerp worden bepaald en waarvan ook de toepassingsvoorwaarden worden opgegeven. De eenzijdige verbreking is een maatregel die onder deze categorie valt. Deze sanctie kan eveneens opgenomen worden in de concessiedocumenten van de andere aanbesteders, mits eerbiediging van het Burgerlijk Wetboek zoals toegepast in de rechtspraak; - de draagwijdte van zijn aansprakelijkheid, onder meer de tienjarige aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 69 van dit ontwerp en de verzekeringen die hij moet aangaan voor de dekking van deze aansprakelijkheden; - de concessiedocumenten zullen ook de rechten van elkeen bepalen wat betreft de terreinen en/of werken die ter beschikking gesteld of opgetrokken moeten worden door de concessiehouder of aanbesteder gedurende de concessie en aan de beëindiging ervan. De gevallen kunnen variëren van concessie tot concessie, maar deze rechten alsook de verplichtingen en rechten die er uit voortvloeien voor hun titularis, moeten nauwkeurig vastgelegd worden; - de modaliteiten voor de oplevering van de prestaties omtrent de werken moeten eveneens bepaald worden; - tenslotte moeten de modaliteiten en gevolgen van de beëindiging van de concessie vermeld worden. Het gaat er om de verschillende gevallen te bepalen (verbreking om reden van contractuele inbreuk van de concessiehouder, verbreking om redenen van algemeen belang, verbreking zonder fout van de concessiehouder, verbreking ingevolge overmacht, enz.) en per geval de modaliteiten voor de berekening van de vergoedingen en compensaties die door de aanbesteder of concessiehouder verschuldigd zijn, in de onderscheiden fases van de concessie, te bepalen. Art. 17.Dit artikel heeft het over de vermeldingen die desgevallend moeten voorkomen in de concessiedocumenten, meer bepaald in functie van het type procedure (in één fase of in meerdere fasen), het type concessie, het voorwerp van de concessie, de vorm van de concessiehouder, enz. Wat de plaatsing van de concessie betreft zal aldus het volgende in de concessiedocumenten moeten opgenomen worden: - de beschrijving van de percelen en modaliteiten voor de indiening van de offertes voor deze percelen (één, alle, meerdere), alsook de bepalingen die de varianten en de opties omkaderen zodat een inschrijver niet meerdere offertes indient voor één enkele concessie; - de eventuele vertrouwelijkheidsverplichtingen ten opzichte van de informatie die de aanbesteder ter beschikking stelt van de inschrijvers, onder welke vorm ook (via een data room of in bijlage van de concessiedocumenten); - ongeacht of de procedure in twee fases (indiening van de aanvragen tot deelneming op basis van de concessieaankondiging) of in één fase (indiening van de offertes op basis van de concessieaankondiging), moeten de concessiedocumenten, in aanvulling van de concessieaankondiging, alle inlichtingen omvatten betreffende de toepasselijke uitsluitingsgronden (zoals bepaald in de artikelen 50, 51 en 52 van de wet), de selectievoorwaarden (vrij bepaald door de aanbesteder mits eerbiediging van de principes vermeld in artikel 48 van de wet), of nog de criteria voor het beperken van het aantal geselecteerde kandidaten, het DVB, de modaliteiten van nazicht en de rechtvaardigende stukken. De concessiedocumenten zullen voor wat betreft de procedures in twee fases, ook de formele modaliteiten van indiening, neerlegging, ondertekening of nog opening verduidelijken. Niets belet in de procedures met twee fases, dat de aanbesteder deze informatie aanvult met een selectiedocument dat ter beschikking wordt gesteld met inachtneming van artikel 45 van de wet; - in de procedures in twee fases zullen de concessiedocumenten de uitzonderingen en nuances vermelden op de regel dat enkel de geselecteerde kandidaten (geldig) een offerte kunnen indienen. Wat dit punt betreft herneemt dit ontwerp een uitzondering en een nuance die vermeldingen vergt in de concessiedocumenten. Het gaat aan de ene kant om de wijziging van de samenstelling van een combinatie van ondernemers tussen de selectiebeslissing en de indiening van de offerte. Dit ontwerp voorziet dat zulks mogelijk is voor zover de combinatie nog steeds één van de geselecteerde leden omvat en dat dit is toegestaan in de concessiedocumenten (zie artikel 24). Deze laatste zullen overigens moeten verduidelijken dat de offerte slechts ontvankelijk is voor zover er in hoofde van de nieuwe leden geen uitsluitingsgronden bestaan, onverminderd de corrigerende maatregelen en de regularisatie voorzien in de artikelen 51 en 53 van de wet. De combinatie zal, ondanks de wijziging nog steeds moeten beantwoorden aan de selectievoorwaarden gesteld in de concessieaankondiging. Artikel 46 van de wet bepaalt immers dat de concessie moet worden gegund aan een inschrijver die de selectievoorwaarden vervult en niet is uitgesloten krachtens de artikelen 50 tot 52 van de wet, onder voorbehoud van artikel 53. Daarenboven voorziet dit ontwerp dat de concessiedocumenten de indiening van een gemeenschappelijke offerte door afzonderlijk geselecteerde kandidaten kunnen beperken of verbieden, met het oog op een voldoende niveau van mededinging. Bij gebrek aan een dergelijk verbod, zal de aanbesteder verplicht zijn de indiening van gemeenschappelijke offertes door afzonderlijk geselecteerde kandidaten toe te laten; - tenslotte wordt aanbevolen, in de gevallen waarin de deelneming aan de procedure een zware investering vergt vanwege de inschrijvers en met het oog op het aanmoedigen van innoverende offertes, in de concessiedocumenten een vergoeding te voorzien voor de niet weerhouden inschrijvers. In principe wordt deze vergoeding slechts voorzien in het stadium van de offerte: zij is niet bestemd voor de niet-geselecteerde kandidaten. Er wordt trouwens ook aangeraden het recht op deze vergoeding te beperken tot de inschrijvers die een "goede" (regelmatige) offerte hebben ingediend, die minstens overeenstemt met de minimale vereisten, of meer nog die een minimum aantal punten behaalden op de verschillende criteria. Deze vergoeding kan progressief zijn in functie van het stadium van eliminatie van de (initiële of definitieve) offerte. Ook moet het tijdstip bepaald worden waarop de betaling van de premie kan geëist worden (sluiting van de concessie en niet de gunning) en de modaliteiten en termijnen voor de betaling (schuldvordering, factuur, enz.). Tevens zal moeten gezegd worden of een vergoeding wordt betaald en aan wie in geval van afstand van de procedure/ project, zo nodig met een onderscheid al naargelang de hypotheses. Wat de uitvoeringsvoorwaarden van de concessies betreft, worden in punt 6° van artikel 17 de volgende clausules opgelijst : - de juridische vorm die de aanbesteder wenst op te leggen voor de uitvoering van de concessie aan de inschrijvers die de vorm aannamen van een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid. Er wordt aan herinnerd dat geen bijzondere vormen worden opgelegd voor de plaatsingsprocedure van de concessie (onder meer niet deze van de tijdelijke vereniging), maar dit ontwerp voorziet dat deze combinaties hoofdelijk verbonden zijn door de offerte die zij indienen. Daarentegen, voor de uitvoering van de concessie laat artikel 30, § 3, van de wet toe dat de aanbesteders een welbepaalde juridische vorm opleggen in de mate waarin deze omvorming nodig is voor de goede uitvoering van de concessie. Er wordt ook aan herinnerd dat artikel 58 van de wet de aanbesteder toelaat bijzondere voorwaarden te voorzien indien aan de combinatie geen specifieke vorm werd opgelegd; - het behoort tot de goede praktijken om tevens bepalingen te voorzien om de onderaanneming te omkaderen en de verbodsbepalingen, rechten en plichten die ter zake voorzien zijn in dit ontwerp te hernemen of in werking te stellen; - de concessiedocumenten moeten ook de problematiek onder ogen zien van de wijzigingen aan de concessie, ten einde duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige (herzienings)bepalingen te voorzien die toelaten wijzigingen aan te brengen die niet voorkomen onder de gevallen van de Richtlijn 2014/23/EU en niet omgezet zijn in dit ontwerp (zie afdeling 6 van hoofdstuk 2 van titel 3). In de mate waarin de concessies per definitie complex zijn en van lange duur, met overdracht van risico naar de concessiehouder, zou de aanbesteder altijd herzieningsbepalingen moeten opnemen in de concessiedocumenten; - de bepalingen betreffende de vertrouwelijkheidsverplichtingen en de rechten inzake intellectuele eigendom van beide partijen. De concessiedocumenten zullen vastleggen welke "vertrouwelijke inlichtingen" niet door de partijen mogen verspreid worden. Wat betreft sommige concessies van diensten zullen de concessiedocumenten er steeds voor zorgen dat de rechten inzake intellectuele eigendom en aanverwante rechten worden geregeld, bijvoorbeeld geïnspireerd op de bepalingen van de algemene uitvoeringsregels voor de overheidsopdrachten die daarop betrekking hebben; - de bepalingen betreffende de verplichtingen van openbare dienst. Niet alle concessies houden een exploitatie en/of beheerslast van een openbare dienst in voor de concessiehouder. Maar indien dit wel zo is legen de concessiedocumenten een hele reeks verplichtingen en dwingende eisen op onder meer qua tarieven, gebruik van talen in de betrekkingen met de gebruikers, gelijkheid van behandeling van de gebruikers, verbod van bepaalde handels- of publiciteitsoperaties, communicatiewijzen en informatie van de gebruikers, enz.; - de bepalingen betreffende het personeel van de concessiehouder of van bepaalde personen die toegewezen werden aan de uitvoering van de concessie om verplichtingen op te leggen inzake hun aantal, hun bevoegdheden, kwalificaties en taalkundige vaardigheden, enz. en om hun vervanging te eisen telkens de aanbesteder vaststelt dat en bewijst dat aan de voormelde verplichtingen niet is voldaan; - de aanbestedende overheden en de overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst bepalen de modaliteiten voor de keuring van de totaliteit van de prestaties die het voorwerp vormen van de concessie op het einde van de looptijd; - tenslotte worden in de concessiedocumenten die samengaan met een prijs die door de aanbesteder moet worden betaald de modaliteiten voor de herziening en de betaling van deze prijs verduidelijkt, met inachtneming van de bepalingen van titel 3 van dit ontwerp. Wanneer de concessie gepaard gaat met de betaling van honoraria door de concessiehouder aan de aanbesteder, zullen de concessiedocumenten dezelfde preciseringen inhouden, zonder gehouden te zijn door de bepalingen van de wet of van dit ontwerp. Niettemin moeten de termijnen voor de betaling en de straffen in geval van niet-eerbiediging van deze termijnen voorzien worden overeenkomstig de wetgeving inzake de strijd tegen de betalingsachterstand. In de mate dat in artikel 17 verwezen wordt naar elementen die reeds moeten voorkomen in de concessieaankondiging, adviseert de Raad van State om de mogelijkheid om deze informatie aan te vullen in de concessiedocumenten, te schrappen. Dit advies werd evenwel slechts gedeeltelijk gevolgd. Inderdaad, aangezien de verduidelijkingen op het vlak van de uiterste datum reeds in de concessieaankondiging terug te vinden zijn, kunnen de concessiedocumenten geen bijkomende informatie verschaffen. Het is anders gesteld met een reeks andere verduidelijkingen, met name omtrent de toepasselijke uitsluitingsgronden, de selectievoorwaarden, de criteria voor de beperking van het aantal geselecteerde kandidaten, de modaliteiten voor het bewijs en de controle door de aanbesteder. Deze verduidelijkingen zijn vaak nodig omwille van de beperkte beschikbare plaats in de concessieaankondiging. Bijvoorbeeld zijn in formulier 24, onder punt III.1.1), maximum 1 000 karakters voorzien, hetgeen overeenkomt met minder dan een halve pagina A4. Daarnaast wordt in bijlage V van Richtlijn 2014/23/EU vereist dat de beschrijving in de concessieaankondiging kort zou gehouden worden. Echter is het in veel gevallen nochtans noodzakelijk om meer gedetailleerd de betreffende informatie te omschrijven om de naleving te kunnen verzekeren van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. Bovendien is aangegeven dat de inlichtingen slechts "in voorkomend geval" aangebracht moeten worden in de concessiedocumenten. Zodoende zullen deze slechts aangebracht worden in de concessiedocumenten wanneer de aanbesteder oordeelt dat het nuttig is om iets toe te voegen naast hetgeen voorzien is in de concessieaankondiging (en dus om bijkomende informatie te geven). Afdeling 2. - Modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes Vorm, ondertekening en communicatie van de aanvragen tot deelneming en offertes Art. 18.Dit artikel is enkel van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van een elektronisch platform. In een dergelijk geval moeten de documenten die de aanvraag tot deelneming of de offerte uitmaken niet individueel ondertekend zijn. Wanneer het gaat om aanvragen tot deelneming kan het indieningsrapport ondertekend worden. Alhoewel facultatief, brengt de ondertekening van dit verslag een voordeel met zich mee voor de ondernemer. Het laat hem toe zijn DVB slechts één enkele keer voor te leggen. Immers, wanneer blijkt dat de eerste DVB niet ondertekend was of niet op een juiste manier ondertekend was door middel van het indieningsrapport dat samengaat met de aanvraag tot deelneming, zal de ondernemer zijn DVB een tweede keer moeten voorleggen samen met zijn offerte en haar bijlagen. Wanneer het gaat om offertes is er een verplichting tot ondertekening van het indieningsrapport en dit met inachtneming van de bepalingen van de volgende paragrafen. In de vierde paragraaf wordt bepaald welk type van elektronische handtekening moet voorkomen op het indieningsrapport, te weten een gekwalificeerde elektronische handtekening. De aanbesteder kan een ander type van elektronische handtekening voorzien, maar deze waarvan sprake in dit ontwerp biedt zekere veiligheidswaarborgen. In vijfde paragraaf wordt verduidelijkt dat deze handtekening in ieder geval de handtekening moet zijn van de perso(o)n(
  5. en)die de inschrijver geldig kunnen verbinden. Hier worden in het bijzonder deze offertes bedoeld die door rechtspersonen of combinaties van ondernemers worden ingediend. In dit geval zal de offerte of aanvraag tot deelneming de bewijzen omvatten van de bekwaamheid van de gemachtigde(
  6. n)om de inschrijver geldig te vertegenwoordigen. Het betreft ofwel een authentieke akte, ofwel een onderhandse akte. Gelet op het feit dat het onderhavige artikel van toepassing is wanneer gebruik wordt gemaakt van elektronische platformen, zullen de voormelde akten elektronisch doorgestuurd moeten worden (nadat zij gescand zijn). Wanneer de inschrijver bestaat uit een combinatie van ondernemers, is deze verplichting van toepassing op elk lid van de combinatie van ondernemers, zonder dat dit betekent dat elk lid zal vertegenwoordigd/verbonden worden door een andere gemachtigde. Voor de statutaire vertegenwoordigers, kan de bekwaamheid tot ondertekening bewezen worden via de publicaties in het Belgisch Staatsblad. Voor de niet-statutaire vertegenwoordigers zal aan de aanbesteder een (kopie van) volmacht of een mandaat afgegeven worden of desgevallend de referenties van de publicatie. Wanneer het bewijs van de bekwaamheid niet is toegevoegd aan de offerte, kan de aanbesteder dit later opvragen, voor zover het document aantoont dat de gemachtigden, op het tijdstip van de ondertekening van het indieningsrapport, beschikten over de nodige macht (zie commentaar bij artikel 30 van dit ontwerp inzake de analyse van de offertes). In de zesde paragraaf is gesteld dat de offerte die werd neergelegd door een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid in principe elk van de leden ervan hoofdelijk verbindt. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid is in ieder geval niet van toepassing op architecten die een combinatie vormen met één of meerdere aannemers. Deze verduidelijking geeft gevolg aan het arrest nr. 225.191 van de Raad van State volgens hetwelk een architect niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden voor de fouten begaan door een aannemer met wie hij heeft ingeschreven. Tenslotte heeft de zevende paragraaf het over de wijziging of intrekking van een ingediende offerte (indieningsrapport ondertekend) vóór de uiterste datum (en uur) voor de neerlegging zoals bepaald in de concessiedocumenten. Er wordt vereist dat deze wijzigingen of de intrekking het voorwerp vormen van de verzending van een nieuw indieningsrapport dat moet ondertekend worden overeenkomstig de vierde en zesde paragrafen. Bij gebrek daaraan zijn deze wijzigingen of intrekking onbestaande. Deze nietigheid heeft geen effect op de initieel ingediende offerte. Art. 19.Dit artikel herneemt de bepalingen die van toepassing zijn wanneer geen gebruik wordt gemaakt van elektronische platformen. In dit geval zijn het de concessiedocumenten die de formele modaliteiten vastleggen voor de indiening van de offertes en aanvragen tot deelneming, met inbegrip van de vereisten inzake ondertekening. In dit geval wordt het principe aangehouden van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden van een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid die een offerte indient. Hetzelfde geldt voor de uitzondering waarvan sprake in artikel 18 betreffende de architect. Er werd geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om te verduidelijken dat de offerte ondertekend moet worden en om de nadere regels in dit verband de omschrijven. Inderdaad werd het raadzaam geacht om de aanbesteders de vrijheid te laten om te kiezen of een handtekening verplicht is, het type en de nadere regels in dit verband. Het spreekt voor zich dat het aanbeveling verdient om te eisen dat de offerte ondertekenend wordt. Echter is het zo dat bij sommige communicatiemiddelen het moeilijk is voor de ondernemers om de handtekening aan te brengen (bijvoorbeeld bij de email). De aanbesteder kan in de concessiedocumenten opleggen dat de aanvraag tot deelneming ondertekend wordt, zelfs als is deze handtekening niet voorzien wanneer gebruik wordt gemaakt van de elektronische platformen. Art. 20.Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, die van toepassing zijn op de concessies van openbare werken. Het bepaalt het lot dat moet worden voorbehouden aan een geschreven stuk dat met behulp van elektronische middelen wordt opgesteld en een macro, computervirus of andere schadelijke instructie vertoont in de ontvangen versie. Het is mogelijk dat de ontvangen versie in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien dit nodig is om technische redenen kan het document als niet ontvangen worden beschouwd. De verzender van dit geschreven stuk wordt daarvan onmiddellijk op de hoogte gesteld. De bestemmeling kan ook beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij van mening is dat hij het kan lezen of desinfecteren zonder risico, niet alleen voor zijn eigen informaticasystemen maar ook voor de integriteit van dit document. De bestemmeling die dit overweegt moet zeker zijn dat deze operatie de inhoud van het document niet zal wijzigen. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet waken over de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel. Indien dit document een aanvraag tot deelneming of offerte is wordt de aanvraag tot deelneming of offerte in geval van technische noodzaak geweerd. De selectie- of gunningsbeslissing zal de wering motiveren. Indien de macro of infectie wordt vastgesteld, mag de aanbestedende overheid er de kandidaat of inschrijver niet onmiddellijk over inlichten. Aan de betrokken kandidaten of inschrijvers kan immers geen mogelijkheid geboden worden om een document neer te leggen dat overeenstemt met de vereisten en aldus hun aanvraag tot deelneming of offerte te regulariseren. Art. 21.Deze bepaling herneemt artikel 52, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, dat van toepassing is op de concessies voor openbare werken. Ze blijft noodzakelijk want ze is onontbeerlijk voor de registratie van de activiteiten van het dispositief voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes. Dit artikel laat onder meer toe dat de voorschriften van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de private levenssfeer worden geëerbiedigd. Modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes Art. 22.Deze bepaling herneemt met enige wijziging de bepalingen van de artikelen 53 en 59 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 die van toepassing zijn op de concessies voor openbare werken. Zij stemt overeen met artikel 53 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. Paragraaf 1, eerste lid bepaalt dat de aanbesteder in de concessieaankondiging of, bij ontstentenis daarvan, in de andere concessiedocumenten één of meer talen moet vermelden die de kandidaten of inschrijvers mogen gebruiken voor het opstellen van hun aanvraag tot deelneming of hun offerte, met inbegrip van de eventuele bijlagen, en dit onverminderd de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Het tweede lid preciseert dat de aanbesteder een vertaling kan vragen van de bijlagen wanneer deze opgesteld zijn in een andere taal dan deze gebruikt in de aankondiging van de concessie of bij gebrek daaraan, in de concessiedocumenten. Het derde lid laat de aanbesteder toe de kandidaten of inschrijvers een vertaling te vragen van de documenten die bij hun aanvraag tot deelneming of offerte zijn gevoegd. Zo kan hij een vertaling vragen van de documenten betreffende de uitsluitingsgronden, de selectiecriteria, het beperken van het aantal kandidaten, de statuten en handelingen van de vennootschap en elke wijziging van de inlichtingen betreffende diens raadsleden en beheerders. Van dit principe wordt evenwel afgeweken wanneer de documenten in één van de Belgische landstalen zijn opgesteld. Paragraaf 2 heeft betrekking op de concessiedocumenten die in verschillende talen zijn opgesteld. De interpretatie van de stukken gebeurt bijgevolg in de taal van de aanvraag tot deelneming of van de offerte, mits de concessiedocumenten in die taal zijn opgesteld. Art. 23.Dit artikel herneemt met enige wijziging de bepalingen van artikel 54 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 (die van toepassing zijn op de concessies voor openbare werken). Deze bepaling herneemt enkel de regel van "één inschrijver = één offerte", met de verduidelijking dat deze regel geldt onverminderd de eventuele varianten of opeenvolgende en definitieve offertes die tijdens de onderhandelingen worden ingediend. Inzake concessies zijn de varianten niet gereglementeerd. De aanbesteder zal, ongeacht of het om toegelaten of opgelegde varianten gaat, waken over de verduidelijking van de indieningsvoorwaarden, zowel op formeel als op materieel vlak, ten einde toe te laten dat een basisofferte kan onderscheiden worden van een variante en de vergelijkbaarheid van de varianten te verzekeren ten opzichte van de gunningscriteria. Behoudens in de concessiedocumenten behoorlijk gemotiveerde afwijking voor wat betreft de toepassing van dit artikel, wordt elk lid van een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid beschouwd als een inschrijver. Met andere woorden is het in principe niet toegelaten dat een ondernemer een offerte alleen indient en ook offerte indient als lid van één of meerdere combinaties. Hij mag evenmin een offerte indienen als lid van meerdere combinaties. In sommige specifieke gevallen kan het echter aangewezen zijn om van het voormelde principe af te wijken, bijvoorbeeld wanneer slechts één of een erg beperkt aantal ondernemers capabel zijn om de concessie of een deel daarvan uit te voeren. De regel volgens dewelke een ondernemer slechts één kandidatuur kan indienen werd niet weerhouden. Art. 24.Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 55 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, mits aanpassing aan het feit dat de reglementering, wat de concessie betreft, geen plaatsingsprocedure omschrijft maar enkel de procedurele waarborgen met inachtneming waarvan de aanbesteder de plaatsingsprocedure vastlegt. Deze bepaling roept geen bijzondere commentaar op, andere dan deze die reeds gegeven is hiervoor omtrent artikel 17 en die de vermeldingen beoogt die de concessiedocumenten moeten bevatten ten opzichte van het gestelde in dit artikel. Indiening en verdaging Art. 25.Dit artikel herneemt, met enige wijziging, artikel 90, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Deze bepalingen waren niet van toepassing op de concessies van openbare werken. Het is echter van belang ze in dit ontwerp te hernemen met enige wijziging, in de mate waarin de aanbesteder de elektronische platformen kan gebruiken voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes. Dit artikel laat toe om de uiterste datum en uur voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of offertes te verdagen, ongeacht de wijze waarop de aanbesteder kennis heeft gekregen van de niet-beschikbaarheid van het platform. De duur van de verdaging wordt niet bepaald in dit ontwerp. De aanbesteder zal deze bepalen met inachtneming van het principe van de gelijkheid. De verdaging moet minstens zes dagen zijn voor de concessies waarvan het geraamde bedrag lager ligt dan de drempel voor de Europese bekendmaking en minstens acht dagen voor de concessies waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan de voormelde drempel. De tweede paragraaf heeft betrekking op het aanvaarden van "laattijdige" offertes voor concessies waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de elektronische platformen, voor zover de aanbesteder de concessie nog niet heeft gesloten en de offerte ten laatste vier kalenderdagen vóór de opening van de offertes als aangetekende zending is verzonden. Het betreft een overname van artikel 90, § 2, lid 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. In tegenstelling tot de voormelde bepaling gaat het hier voortaan over een aangetekende zending en niet meer over een aangetekende brief. Art. 26.Dit artikel is een nieuwe bepaling die de aanbesteders toelaat de uiterste datum en uur van de neerlegging van de aanvragen tot deelneming en van de offertes te verdagen. Ze heeft betrekking op de gevallen waarin bijkomende inlichtingen bij de concessiedocumenten door de aanbesteder worden meegedeeld (wat ten laatste zes dagen vóór de uiterste datum en uur van de neerlegging van de aanvragen tot deelneming en van de offertes moet gebeuren krachtens artikel 45 van de wet) of, in de gevallen waarin aanpassingen moeten gebeuren in de concessiedocumenten, eventueel door middel van een rechtzettingsbericht. In deze gevallen kan de aanbesteder de uiterste datum en uur van de neerlegging van de aanvragen tot deelneming en van de offertes verdagen. Hij zal dit doen wanneer de inlichtingen of de rechtzetting een belangrijke weerslag heeft op de redactie van aanvragen tot deelneming of van de offertes en in ieder geval indien de rechtzetting na de voormelde termijn van zes dagen wordt aangebracht. Neerlegging en opening Art. 27.Dit artikel herneemt, met enige wijziging, de bepalingen van artikel 90, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Deze bepalingen waren zeker niet van toepassing op de concessies van openbare werken, maar het was nodig bepalingen te voorzien voor de neerlegging van laattijdige offertes (en van de kandidaturen) en voor het lot dat aan deze kandidaturen en offertes wordt gereserveerd in geval van gebruik van elektronische platformen. In dit geval voorziet deze bepaling dat de aanvragen tot deelneming en offertes moeten neergelegd worden vóór de uiterste datum en uur voorzien in de concessiedocumenten, onverminderd de bepalingen van artikel 25 betreffende de niet-beschikbaarheid van het platform waarvan de aanbesteder kennis heeft. De laattijdige aanvragen tot deelneming en offertes moeten verworpen worden. Art. 28.Dit artikel handelt over de opening van de offertes in geval van indiening via elektronische platformen. Het herneemt met enige wijziging de bepalingen van artikel 92 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Deze bepalingen waren zeker niet van toepassing op de concessies van openbare werken, maar het was nodig bepalingen te voorzien betreffende de opening van de offertes in geval van gebruik van elektronische platformen. Deze bepaling stemt overeen met artikel 84 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. Art. 29.Dit artikel bepaalt, ingeval geen gebruik wordt gemaakt van elektronische platformen, dat het de aanbesteder is die in de concessiedocumenten de modaliteiten van neerlegging en opening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes vastlegt. In dit kader zal de aanbesteder op duidelijke en nauwkeurige wijze de uiterste datum en uur van de neerlegging moeten bepalen, het lot van de laattijdige aanvragen tot deelneming/offertes, de manier waarop de aanvragen tot deelneming/offertes kunnen ingediend worden (zie ter zake het arrest nr. 236.072 van de Raad van State van 12 oktober 2016) alsook de modaliteiten voor de opening van de aanvragen tot deelneming/offertes. De aanbesteder zal bepalingen voorzien die het gelijkheidsprincipe eerbiedigen, in het bijzonder de gelijkheid van behandeling en de bepalingen van artikel 32 van de wet die verplichten te waken over de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens bij het opstellen van de modaliteiten voor communicatie/ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes. Er dient ook over gewaakt dat de kennisneming van de inhoud van de offertes niet kan gebeuren vóór de afloop van de termijn voorzien voor de indiening van de offertes. Afdeling 3. - Analyse van de offertes Art. 30.Dit artikel is nieuw. In het kader van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling type wet prom. 15/06/2006 pub. 31/07/2006 numac 2006009550 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot juridische bijstand sluiten en van het koninklijk besluit van 15 juni 2011 was het regime van de regelmatigheid van de offertes niet van toepassing op de plaatsing van de concessies van openbare werken. Gezien de wet voorziet, verder dan wat door de Richtlijn 2014/23/EU wordt voorgeschreven (ttz de eis om de concessie te gunnen aan een inschrijver die een offerte heeft ingediend die beantwoordt aan de minimale eisen van het concessiedocument) dat de concessie niet kan gegund worden dan aan een regelmatige offerte, moet dit ontwerp een regime van regelmatigheid van de offertes inhouden. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op de offertes en niet op de aanvragen tot deelneming. De Raad van State heeft omtrent de bepaling waarvoor het advies werd ingewonnen een voorbehoud geformuleerd die betrekking heeft op de overeenstemming met de Europese rechtspraak (met name het arrest C-561/12 van 5 december 2013 Nordecon AS). De bepalingen van dit artikel zijn in grote mate geïnspireerd op artikel 76, §§ 1 tot 4, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. Er werden belangrijke aanpassingen aangebracht ten opzichte van het de tekst die werd verstuurd voor advies aan de Raad van State, zodat dichter bij de voormelde bepalingen wordt gebleven van het koninklijk besluit van 18 april 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten2 waaromtrent geen inhoudelijke opmerkingen werden geformuleerd door de Raad van State in haar advies nr. 60.903/1 van 13 maart 2017. Voor nadere inlichtingen omtrent de eventuele regularisatie en het nazicht op de regelmatigheid van de offertes, wordt verwezen naar het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 18 april 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten2. Aangezien onderhandelingen zijn toegelaten wat de concessies betreft, werd de mogelijkheid tot regularisatie in sommige gevallen behouden, maar de beoordelingsruimte waarover de aanbesteder beschikt is strikter omkaderd ten opzichte van de tekst die werd verstuurd voor advies. In de hypothesen bedoeld in paragraaf 3, moet de aanbesteder verplicht de mogelijkheid geven aan de inschrijver om de onregelmatigheden te regulariseren vóór de onderhandelingen worden aangevat. Bij afwezigheid van een dergelijke regularisatie, moet de aanbesteder de offerte nietig verklaren. Hieruit volgt dat de beginselen van gelijkheid en transparantie geëerbiedigd worden. De onderhandelingen kunnen pas worden opgestart als in de betreffende hypothesen een aangepaste offerte wordt ingediend die niet langer behept zou zijn met een substantiële onregelmatigheid of, in het geval van een offerte met meerdere niet-substantiële onregelmatigheden, de cumul of combinatie van deze onregelmatigheden die de offerte nog steeds bevat, de in paragraaf 1, derde lid bedoelde gevolgen niet teweeg brengt. Op die wijze wordt gegarandeerd dat de dwingende voorwaarden worden nageleefd door de inschrijvers, dat niet wordt onderhandeld over de dwingende eisen en dat de onderhandelingen op voet van gelijkheid worden gevoerd. Deze aanpak is dan ook in overeenstemming met de Europese rechtspraak. Het feit dat de regularisatie uitdrukkelijk wordt toegelaten in bepaalde hypothesen valt uit te leggen door het feit dat het gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling in Richtlijn 2014/24/EU aan minder voorwaarden is onderworpen en dus vaker aangewend zal worden dan het geval is voor de onderhandelingsprocedure met bekendmaking van de Richtlijn 2004/18/EG. Zoals in overweging 45 van de Richtlijn 2014/24/EU toegelicht zijn de onderhandelingen net gericht op het aanbrengen van verbeteringen aan de offertes. Aangezien in het kader van de onderhandelingsprocedures meerdere opeenvolgende offertes worden ingediend, is het logisch om de regularisatiemogelijkheid te omkaderen, om te garanderen dat dwingende eisen worden nageleefd, dat niet wordt onderhandeld over de minimumeisen en dat het gelijkheidsbeginsel wordt gerespecteerd. Het feit dat de regularisatie uitdrukkelijk wordt toegelaten in bepaalde hypothesen ligt ook meer in lijn met het proportionaliteitsbeginsel dat voor het eerst uitdrukkelijk werd erkend in de nieuwe Richtlijnen. HOOFDSTUK 3. - Selectie van de kandidaten en van de inschrijvers Afdeling 1. - Uitsluitingsgronden Definitie van de uitsluitingsgronden Art. 31.Dit artikel verduidelijkt de inbreuken bedoeld in artikel 50 van de wet die gelden als uitsluitingsgronden. Deze verduidelijkingen en definities zijn identiek met deze voorzien in artikel 61 van het koninklijk besluit plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. Art. 32.Deze bepaling bepaalt, in uitvoering van artikel 51 van de wet, de schulden inzake de sociale zekerheidsverplichtingen die in aanmerking genomen worden voor de kandidaten en inschrijvers. Deze verduidelijkingen zijn identiek met deze voorzien in artikel 62 van het koninklijk besluit plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. De eerste vijf paragrafen zijn van toepassing op de concessies geplaatst door aanbestedende overheden. De zesde paragraaf verduidelijkt dat de overheidsbedrijven en de personen die genieten van bijzondere of exclusieve rechten dit artikel eveneens kunnen toepassen. Deze laatsten worden aangespoord om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Ze hebben er overigens belang bij dit te doen. Art. 33.Dit artikel bepaalt, in uitvoering van artikel 51 van de wet, de fiscale schulden die in aanmerking genomen worden voor de kandidaten en inschrijvers. Deze verduidelijkingen zijn identiek met deze voorzien in artikel 63 van het koninklijk besluit plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017. De eerste vijf paragrafen zijn van toepassing op de concessies geplaatst door aanbestedende overheden. De zesde paragraaf verduidelijkt dat de overheidsbedrijven en de personen die genieten van bijzondere of exclusieve rechten dit artikel eveneens kunnen toepassen. Deze laatsten worden aangespoord om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Ze hebben er overigens belang bij dit te doen. Bewijs- en nazichtsmodaliteiten voor de afwezigheid van uitsluitingsgronden Art. 34.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 54, § 2, van de wet. Het voorziet het beroep op het DVB dat de aanbesteder toelaat zich in een eerste periode tevreden te stellen met de verklaringen, inlichtingen en verbintenissen van de kandidaten of inschrijvers in het kader van dit DVB. Dit laatste viseert enkel de uitsluitingsgronden in haar deel A. Gezien de wet voorziet, dat wanneer de inschrijver of kandidaat een combinatie van ondernemers is, de uitsluitingsgronden van toepassing zijn op alle leden van deze combinatie, moet de afwezigheid van uitsluitingsgronden bijgevolg in hoofde van elk lid ervan worden nagegaan: artikel 34 voorziet dan ook dat het DVB (deel A) moet ingevuld worden door en aangeleverd voor elke lid van de combinatie. Art. 35.De eerste paragraaf verduidelijkt het moment van het nazicht van de in het DVB bedoelde verklaringen. Het betreft de verificaties die minstens plaats moeten vinden. Het nazicht moet plaatsvinden in hoofde van de voorgenomen inschrijver. Indien de plaatsingsprocedure in verschillende opeenvolgende fasen plaatsvindt, gaat de aanbesteder eveneens deze verklaringen na op een vroeger moment van de procedure, meer bepaald in hoofde van de geselecteerde kandidaten. Deze machtiging is gegeven onverminderd artikel 44 dat de aanbesteder toelaat het nazicht te doen en de rechtvaardigende stukken op te vragen in hoofde van alle of meerdere kandidaten of inschrijvers (en niet alleen deze bedoeld in artikel 35, § 1) en dit in alle fases van de procedure indien het goed verloop van de procedure dit vergt of rechtvaardigt. De tweede paragraaf definieert de rechtvaardigende stukken die toelaten de afwezigheid van de in de artikelen 50 tot 52 van de wet bedoelde uitsluitingsgronden vast te stellen. Voor de Belgische ondernemers gaat het over een uittreksel uit het strafregister, een RSZ-attest, een attest van de FOD Financiën en de attesten van afwezigheid van faling afgeleverd door de handelsrechtbanken. Het tweede lid definieert de alternatieve rechtvaardigende stukken die kunnen afgegeven worden indien de voormelde documenten niet beschikbaar zijn voor de kandidaten of inschrijvers in de staat waarin ze gevestigd zijn. Desgevallend kan de aanbesteder aan de bevoegde overheden vragen een verklaring af te leveren volgens dewelke de documenten of certificaten bedoeld in § 2 niet afgeleverd worden of niet alle gevallen bedoeld in § 1 dekken. Zo kan een Belgische kandidaat/inschrijver die geen handelaar is van de handelsrechtbank bijvoorbeeld een verklaring verkrijgen die bevestigt dat hij geen handelaar is. De derde paragraaf herinnert eraan dat wanneer certificaten, attesten of documenten die toelaten de afwezigheid van uitsluitingsgronden na te gaan via gratis toegankelijke nationale databanken, de aanbesteder de kandidaten/inschrijvers vrijstelt van het voorleggen van de in tweede paragraaf bedoelde documenten. In hoofde van de Belgische kandidaten en inschrijvers die personeel tewerkstellen dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betekent dit dat de aanbesteder overgaat tot het nazicht via de Telemarc-toepassing voor deze uitsluitingsgronden waarvoor inlichtingen beschikbaar zijn via deze toepassing. Thans beoogt dit de verplichtingen die via de FOD Financiën, de RSZ, de falingen of de procedure van gerechtelijke reorganisatie. Het nazicht bestaat er voor de aanbesteder in, op basis van het DVB en door middel van alle informatiemiddelen waarover hij beschikt en met voorkeur van gratis toegankelijke on line-databanken indien deze bestaan, vast te stellen of de ondernemer zich al dan niet bevindt in een uitsluitingssituatie in de zin van de artikelen 50 tot 52 van de wet. Aldus gaat het, ingeval van sociale en fiscale schulden, over de zekerheid dat er een schuld is die gelijk is aan of hoger dan 3.000 euro en indien dit zo is, of er één of meer schuldvorderingen zijn ten opzichte van aanbestedende overheden of overheidsbedrijven die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn, die deze schuld "compenseren". Indien de ondernemer zich in een uitsluitingssituatie bevindt, zal de aanbesteder hem uitnodigen om dit te regulariseren binnen de door de wet gestelde termijn. Er wordt aan herinnerd, krachtens artikel 51, § 3, van de wet, dat de betaling van de schulden (intresten of boetes inbegrepen) of het sluiten van een dwingend akkoord vóór de indiening van de aanvraag tot deelneming of offerte inhoudt dat de ondernemer zich niet bevindt in een uitsluitingssituatie in de zin van artikel 51, § 1, van de wet. Art. 36.Dit artikel impliceert praktisch dat het DVB (deel A) eveneens moet ingevuld worden door de derden op wiens draagkracht beroep wordt gedaan door de kandidaat/inschrijver ten einde te beantwoorden aan de criteria en selectievoorwaarden. De aanvraag tot deelneming of offerte moet de kandidaat of inschrijver toelaten deze derde te identificeren. Een verklaring van verbintenis van deze derde of elk ander bewijsstuk dat de kandidaat/inschrijver over deze capaciteiten zal beschikken moet toegevoegd worden aan de aanvraag tot deelneming of offerte. Tenslotte zal de derde het DVB moeten invullen dat aan de aanvraag tot deelneming of offerte zal worden toegevoegd. Afdeling 2. - Selectiecriteria en -voorwaarden Definitie van de selectiecriteria en -voorwaarden Art. 37.Onverminderd de gevallen waarin de wet de aanbesteder vrijstelt van het voorzien van selectievoorwaarden, moet deze laatste in de concessiedocumenten de selectievoorwaarden aangeven en desgevallend, wanneer het gaat om een procedure in meerdere fases, de objectieve en niet-discriminerende criteria voor de beperking van het aantal te selecteren kandidaten. De aanbesteder duidt tevens aan welke rechtvaardigende stukken moeten geleverd worden ten einde aan te tonen dat de kandidaten of inschrijvers beantwoorden aan de selectievoorwaarden en desgevallend in de procedures in meerdere fases, aan de objectieve en niet-discriminerende criteria voor de beperking van de geselecteerde kandidaten. Wat de beperking van het aantal geselecteerde kandidaten betreft in de procedures in meerdere fase, legt de wet geen minima, noch maxima op. Artikel 46, § 3, van de wet voorziet dat de aanbesteder in dit geval, ten einde een reële mededinging te waarborgen, een "gepast niveau" moet voorzien voor de beperking van het aantal geselecteerde kandidaten. Het spreekt voor zich dat indien een procedure in meerdere fases wordt gebruikt, deze veelal slechts zin heeft indien de aanbesteder het aantal geselecteerde kandidaten beperkt. Het woord "desgevallend" in artikel 37 moet in die zin geïnterpreteerd worden. Indien de aanbesteder het aantal geselecteerde kandidaten tot drie beperkt, beantwoordt hij aan de eis van een voldoende aantal kandidaten om een reële mededinging te waarborgen, zeker indien de aanbesteder, in toepassing van artikel 24, derde lid, van dit ontwerp, de indiening van een gemeenschappelijke offerte door afzonderlijk geselecteerde kandidaten beperkt of verbiedt (in de concessiedocumenten). De tweede paragraaf legt op dat elke selectievoorwaarde of criterium voor de beperking van het aantal geselecteerde kandidaten voldoende duidelijk geformuleerd moet zijn om toe te laten over te gaan tot de selectie van kandidaten of inschrijvers. De term « selectievoorwaarde » en de voormelde verplichting tot verduidelijking houden in principe in, voor elk gebruikt criterium, dat de aanbesteder een aangepast eisenniveau vaststelt. Bijvoorbeeld : indien de aanbesteder een criterium (van financiële capaciteit) gebruikt met betrekking tot het zakencijfer, zal hij verduidelijken welke boekjaren in aanmerking genomen moeten worden, rekening houdend met de datum van oprichting van de ondernemers. Wat dit criterium betreft zal de aanbesteder, met het oog op het stellen van een nauwkeurige selectievoorwaarde, een vereist minimum zakencijfer bepalen om geselecteerd te kunnen worden en dit per boekjaar of over een gemiddeld aantal boekjaren. Hij zal tenslotte ook de rechtvaardigende stukken aanduiden die geleverd moeten worden ten einde de verklaringen in het deel B van het DVB (de gepubliceerde of beschikbare jaarrekeningen) na te trekken. Tevens zal hij er over waken dat de ondernemers aangeven of deze documenten "online" beschikbaar zijn (site van de Nationale Bank van België voor de Belgische bedrijven). Wat de objectieve en niet-discriminatoire criteria betreft voor de beperking van het aantal kandidaten in de procedures in één fase, moeten deze toelaten, boven de minimumdrempels voor elk criterium, een klassement van de kandidaten te realiseren met het oog op de selectie van de besten onder hen. Dit klassement zal bijvoorbeeld gebeuren op basis van het aantal of van de hoeveelheid van de gevraagde referentieprojecten bovenop de minimumdrempels om geselecteerd te kunnen worden. De derde paragraaf herinnert er aan dat, wanneer de kandidaat of inschrijver bestaat uit een combinatie van ondernemers, deze in principe in haar geheel moet beantwoorden aan de selectiecriteria. Deze aanpak moet als volgt worden begrepen : elke voorwaarde en elk criterium moet volledig voldaan zijn door ten minste één deelnemer aan de combinatie. In het tweede lid wordt echter in een uitzondering voorzien wanneer objectieve redenen dit rechtvaardigen en mits eerbiediging van het proportionaliteitsbeginsel. Het past eraan te herinneren dat de objectieve redenen geval per geval moeten worden beoordeeld. Art. 38.Dit artikel handelt over de erkenning van aannemers die, in de concessies voor werken van aanbestedende overheden of overheidsbedrijven die optreden in het kader van hun taken van openbare dienst, kan gebruikt worden als enige selectievoorwaarde wanneer de werken die het voorwerp vormen van de concessie, krachtens de wetgeving inzake de erkenning, slechts door erkende aannemers kunnen gerealiseerd worden. Behoudens tegenstrijdige bepaling in de concessiedocumenten (zie artikel 42, § 3), kan de kandidaat of inschrijver te dien

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.