Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit tot bepaling van de data van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 apri

Kort samengevat

Dit Koninklijk besluit bepaalt de precieze ingangsdata van specifieke onderdelen van de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006, die wijzigingen aanbrengen in de jeugdbescherming en de aanpak van minderjarigen die misdrijven hebben gepleegd. Het zorgt ervoor dat deze nieuwe regels en procedures op vastgestelde data van kracht worden.

Wat het regelt

  • De inwerkingtreding van bepaalde artikelen van de wet van 15 mei 2006 betreffende jeugdbescherming, strafvordering, strafwetboek, burgerlijk wetboek, gemeentewet en adoptie.
  • De inwerkingtreding van bepaalde artikelen van de wet van 13 juni 2006 betreffende jeugdbescherming en de aanpak van minderjarigen die misdrijven hebben gepleegd.
  • De noodzaak voor jeugdrechters om adequaat te reageren op jeugddelinquentie.
  • De realisatie van nieuwe rechtswaarborgen voor slachtoffers, minderjarigen en hun verantwoordelijken.

Wie het aanbelangt

  • Jeugdrechters en de jeugdrechtbanken.
  • Minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, hun ouders en personen die hen in bewaring hebben.

Kernpunten

  • Artikelen 1, 3, 4, 5 en 10 van de wet van 15 mei 2006 treden in werking op 2 april 2007.
  • Artikelen 2 en 15 van de wet van 15 mei 2006 treden in werking op 2 april 2007.
  • Artikelen 6, 8 punt 1, 12, 20 en 22 van de wet van 15 mei 2006 treden in werking op 1 oktober 2007.
  • Artikelen 1, 13, 20, 22 punt 2° en 25 van de wet van 13 juni 2006 treden in werking op 2 april 2007.
Wettekst
Wettekst
Obsah (17)Art. 1Art. 2Art. 3Art. 4Art. 5Art. 6Art. 29Art. 30Art. 31Art. 34Art. 36Art. 37Art. 39Art. 41Art. 42Art. 52Art. 53

wet van 15 mei 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2006 pub. 02/06/2006 numac 2006009443 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeu

Art. 1.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

1.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 1.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Het jeugdbeschermingscomité heeft tot doel op te treden wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van een minderjarige gevaar loopt wegens het milieu waarin hij leeft of wegens zijn bezigheden of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van degenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren. In dit geval kan het in het belang van de minderjarige een preventieve sociale actie doen voeren, voor zover zijn hulp is gevraagd of aanvaard door de personen die over de minderjarige de ouderlijke macht uitoefenen of hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het jeugdbeschermingscomité heeft bovendien taak : 1° aan de bevoegde overheden zijn medewerking te verlenen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald;2° de feiten die op de lichamelijke gezondheid of de zedelijkheid van de jeugd nadelig kunnen inwerken, ter kennis van de bevoegde overheden te brengen;3° in plaatselijk of gewestelijk verband alle initiatieven voor een betere bescherming van de jeugd te bevorderen, te oriënteren en te coördineren.

Art. 2.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

2.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 2.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 3. Het jeugdbeschermingscomité bestaat uit twaalf tot vierentwintig leden, door de Minister van Justitie voor een hernieuwbare termijn van (vijf jaar) benoemd uit vertegenwoordigers van diensten, instellingen of organisaties die zich actief met de jeugd, de jeugdbescherming en het gezin bezighouden. Een derde van die leden worden benoemd op de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort; een derde, op de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid en het gezin behoren. Onder de wegens hun bevoegdheid of verdiensten inzake jeugdbescherming bekende personen kunnen er ten hoogste drie door het comité zelf met een twee derde meerderheid voor een duur van (vijf jaar) gecoöpteerd worden. De Minister van Justitie benoemt uit de leden van het comité een voorzitter en twee ondervoorzitters. De Koning regelt de werkwijze van het comité en stelt de vergoedingen van de leden vast. In het comité kan Hij afdelingen oprichten, waarvan Hij de samenstelling bepaalt met inachtneming van het bovenstaande.

Art. 3.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

3.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 3.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Er wordt een nationale raad voor jeugdbescherming opgericht. Deze raad bestaat uit eenentwintig tot vierentwintig leden, door de Minister van Justitie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar benoemd volgens de regels die gelden voor het samenstellen van de jeugdbeschermingscomités. De Minister van Justitie benoemt uit de leden van de raad een voorzitter en twee ondervoorzitters. De Minister van Justitie en de Ministers tot wier respectieve bevoegdheid de nationale opvoeding en de volksgezondheid en het gezin behoren, worden elk in de raad vertegenwoordigd door een bijzitter of diens plaatsvervanger, die raadgevende stem heeft. De directeur-generaal van de dienst voor jeugdbescherming neemt het ambt van secretaris-generaal van de raad waar. De nationale raad voor jeugdbescherming heeft tot taak : 1° de actie van de jeugdbeschermingscomités aan te moedigen, de Minister van Justitie ter zake van advies te dienen en voorstellen te doen;2° de Ministers die recht van voordracht hebben voor de samenstelling van de raad, van advies te dienen omtrent elke kwestie betreffende de sociale bescherming van de jeugd, en wel op verzoek van de genoemde Ministers of uit eigen beweging;3° jaarlijks verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de behoeften van de sociale bescherming van de jeugd. De Koning regelt de werkwijze van de raad en van het vast bureau dat in de raad wordt opgericht. Hij stelt de aan hun leden toe te kennen vergoedingen vast.

Art. 4.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

4.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 4.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

  1. De Minister van Justitie organiseert en stelt ter beschikking van de jeugdbeschermingscomités : 1° een administratief secretariaat, belast met de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen van het comité;2° een afdeling van de sociale dienst bedoeld in artikel
  2. De Minister van Justitie stelt bovendien, in ieder gerechtelijk arrondissement of in iedere provincie, ter beschikking van de comités : 1° een medisch-psychologisch centrum;2° een centrum voor eerste onthaal voor het onderbrengen van minderjarigen. Hij kan daartoe met openbare of private instellingen, alsmede met particulieren, overeenkomsten aangaan. Mocht hij geen overeenkomsten hebben kunnen aangaan die het mogelijk maken in de bestaande centra de onontbeerlijke onderzoeken te verzekeren, dan neemt de Minister van Justitie de maatregelen om de nodige raadplegingen te organiseren.

Art. 5.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

5.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 5.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 6. De werkingskosten van de nationale raad voor jeugdbescherming en van de jeugdbeschermingscomités komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie. Dit is eveneens het geval met de uitgaven die voortvloeien uit de maatregelen van de comités en die niet door een openbare of private instelling worden gedekt. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de comités die uitgaven mogen doen. De bijdrage van de minderjarigen en van de onderhoudsplichtige personen wordt door de comités vastgesteld onverminderd het recht van de betrokkenen zich bij verzoekschrift tot de jeugdrechtbank te wenden.

Art. 6

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) (NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt, in art. 6, het woord "comités" vervangen door de woorden « bureaus voor bijzondere jeugdbijstand » ) Art. 6.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 6.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) TITEL II. - Gerechtelijke bescherming. HOOFDSTUK I. - Jeugdrechtbanken en jeugdkamers van de hoven van beroep. Art. 7.(Opgeheven) Art.

  1. Het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdrechtbank wordt uitgeoefend door een of meer magistraten van het parket, die door de procureur des Konings worden aangewezen. Deze magistraten oefenen eveneens het ambt van openbaar ministerie bij de (burgerlijke rechtbank) uit telkens wanneer deze rechtbank te beslissen heeft over de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goederen van niet ontvoogde minderjarige kinderen van ouders die wegens echtscheiding of scheiding van tafel en bed in rechte staan. Art.
  2. Een of meer door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters worden speciaal belast met de zaken die tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank behoren. Art.
  3. Elke beslissing, ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. Art.
  4. In het hof van beroep wordt het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdkamers uitgeoefend door een of meer magistraten van het parket-generaal, die door de procureur-generaal worden aangewezen. HOOFDSTUK II. - Burgerrechtelijke bepalingen betreffende de minderjarigen. Art.
  5. Art.
  6. Art.
  7. Art.
  8. Art.
  9. Art.
  10. Art.
  11. Art.
  12. Art.
  13. Art.
  14. Art.
  15. Art.
  16. Art.
  17. Art.
  18. Art.
  19. Art.
  20. Art.
  21. HOOFDSTUK III. - Maatregelen ter bescherming van de minderjarigen. Afdeling I. - Maatregelen ten aanzien van de ouders. Art.
  22. Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. Het jeugdbeschermingscomité kan daartoe worden aangewezen. Wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan het jeugdbeschermingscomité daartoe aangewezen.

Art. 29

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) kan daartoe worden aangewezen. Wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) daartoe aangewezen. Art. 29.(FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Lid 2 opgeheven) Inwerkingtreding : 24-12-1991> Wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon (...) daartoe aangewezen. Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 29.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand) kan daartoe worden aangewezen. Wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand) daartoe aangewezen. Art. 29bis Wanneer de jeugdrechtbank een als misdrijf omschreven feit waarvoor een minderjarige vervolgd werd, bewezen verklaart, kan ze, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, het volgen van een ouderstage bevelen aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over deze minderjarige, indien ze zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige. Dit kan enkel als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. Art. 30. Wanneer de gezondheid, de veiligheid, de zedelijkheid van een minderjarige gevaar lopen, of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed, gevaar opleveren, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een maatregel voor opvoedingsbijstand bevelen ten aanzien van degenen die hem onder hun bewaring hebben.

Art. 30.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

30.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 30.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 31. De opvoedingsbijstand verzekert aan de personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, de hulp van het jeugdbeschermingscomité of van een afgevaardigde bij de jeugdbescherming. Die maatregel kan, daarenboven, naar gelang van de omstandigheden, voor dezelfde personen een of meer van de volgende verplichtingen inhouden : 1° de minderjarige onderwerpen aan het toezicht van het jeugdbeschermingscomité of van een afgevaardigde bij de jeugdbescherming;2° hem onderwerpen aan de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke hygiëne;3° hem geregeld een school voor gewoon of bijzonder onderwijs doen bezoeken;4° uitzonderlijk, hem plaatsen bij een betrouwbaar persoon of in een geschikte inrichting met het oog op zijn huisvesting, behandeling, opvoeding, onderrichting of beroepsopleiding. Het jeugdbeschermingscomité of de afgevaardigde bij de jeugdbescherming belast met de opvoedingsbijstand, waakt voor de vervulling van deze verplichtingen onder het toezicht van de jeugdrechtbank. Tot opvoedingsbijstand kan worden besloten afgezien van enigerlei rechtspleging ten opzichte van de minderjarige.

Art. 31.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

31.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art. 31.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) Art.

  1. Van (het ouderlijk gezag) ten aanzien van alle kinderen, of van één of meer onder hen, kan geheel of ten dele worden ontzet : 1° de vader of de moeder die is veroordeeld tot een criminele of correctionele straf wegens enig feit gepleegd op de persoon of met behulp van een van de kinderen of afstammelingen;2° de vader of de moeder die, door slechte behandeling, misbruik van gezag, kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid, de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar brengt. Hetzelfde geldt voor de vader of de moeder die huwt met een persoon die van (het ouderlijk gezag) is ontzet. De ontzetting wordt uitgesproken door de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie. Art.
  2. Volledige ontzetting slaat op alle rechten die uit (het ouderlijk gezag) voortvloeien. (Ze slaat evenwel enkel op het recht om toe te stemmen in de adoptie van het kind wanneer het vonnis dit uitdrukkelijk bepaalt.) Voor degene die erdoor getroffen wordt, betekent ze ten aanzien van het betrokken kind en van diens afstammelingen : 1° uitsluiting van het recht van bewaring en opvoeding;2° onbekwaamheid om ze te vertegenwoordigen, tot hun handelingen toestemming te verlenen en hun goederen te beheren;3° uitsluiting van het recht van genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek;4° uitsluiting van het recht om levensonderhoud te vorderen;5° uitsluiting van het recht om hun nalatenschap geheel of ten dele te verkrijgen overeenkomstig artikel 746 van het Burgerlijk Wetboek. (Volledige ontzetting brengt bovendien algemene onbekwaamheid mede om voogd, pleegvoogd, toeziend voogd of curator te zijn.) Gedeeltelijke ontzetting slaat op de rechten die de rechtbank bepaalt. Art.
  3. Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan het jeugdbeschermingscomité, dat iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige.

Art. 34

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan (de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank), die iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34.(FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe (aan de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd), die iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan (dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand), dat iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art.

  1. Onverminderd de regels bepaald in het Burgerlijk Wetboek inzake toestemming tot het huwelijk (tot de adoptie en tot (de volle adoptie)), oefent de persoon die ingevolge artikel 34 is aangewezen, de rechten uit die hem werden verleend, eventueel met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 373 en 374 van het Burgerlijk Wetboek. Hij waakt ervoor dat de inkomsten van de minderjarige aan diens onderhoud en opvoeding worden besteed. In alle gevallen gelden voor het beheer van de goederen van de minderjarige de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende (de werking van de voogdij en de voogdijrekeningen). De niet ontzette ouder heeft slechts het recht op wettelijk genot van de goederen van de minderjarige, indien hij is bekleed met de machten bedoeld in artikel
  2. Afdeling II. - Maatregelen ten aanzien van de minderjarigen. Art.
  3. De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° van de klachten ingediend door de personen die de ouderlijke macht uitoefenen, of in rechte of in feite een minderjarige beneden de leeftijd van achttien jaar onder hun bewaring hebben, die door zijn wangedrag of onbuigzaamheid ernstige redenen tot ontevredenheid geeft;2° van de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende minderjarigen wier gezondheid, veiligheid of zedelijkheid gevaar loopt hetzij wegens het milieu waarin zij leven hetzij wegens hun bezigheden, of wanneer de omstandigheden waarin zij worden opgevoed, gevaar opleveren door het gedrag van degenen die hen onder hun bewaring hebben;3° van de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende minderjarigen beneden de volle leeftijd van achttien jaar die bedelend of zwervend worden aangetroffen of van bedelarij of landloperij een gewoonte maken; 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) 5°(van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten); (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.)

Art. 36

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) 2° (...) 3° (...) 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereik op het tijdstip van de feiten;) (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) (tweede lid opgeheven) Inwerkingtreding : 01-01-2004> Art. 36.(FRANSE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) 2° (...) 3° (...) 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-01-1993> 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereik op het tijdstip van de feiten;) (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) Art. 36.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) 2° (...) 3° (...) 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereik op het tijdstip van de feiten;) (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) Art. 36bis. In afwijking van artikel 36, 4°, en behoudens samenhang met vervolgingen wegens andere misdrijven dan die hieronder bepaald, nemen de gerechten, bevoegd op grond van het gemene recht, kennis van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens (personen ouder dan zestien jaar en beneden en beneden achttien jaar), op het ogenblik van de feiten, vervolgd wegens overtreding van : 1° de bepalingen van de wetten en verordeningen betreffende het wegverkeer;2° de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek voorzover er samenhang is met een overtreding van de onder 1° bedoelde wetten en verordeningen;3° (de wet van 21 november 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten0) betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (...). (Indien uit de debatten voor die gerechten) blijkt dat een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikter is, kunnen die gerechten de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op de vorderingen voor de jeugdrechtbank als daartoe grond bestaat. De wet betreffende de voorlopige hechtenis is niet toepasselijk op de in dit artikel (bedoelde personen), tenzij bij vluchtmisdrijf. Art.

  1. §
  2. De jeugdrechtbank kan de voor haar gebrachte personen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding opleggen. Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren : 1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;2° zijn leefomgeving;3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;5° de veiligheid van de betrokkene;6° de openbare veiligheid. Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. §
  3. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze : 1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers; 6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater.Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus
  4. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt. In geval van plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling, geldt de procedure vermeld in artikel 52quater, derde tot en met zesde lid, negende en tiende lid, inzake het verlaten van de instelling; 9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1990 pub. 22/07/2009 numac 2009000474 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke sluiten betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel
  5. Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit. Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling; Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag. De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur. Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd. Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst : 1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;9° het naleven van een huisarrest;10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen. De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen : 1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies ;4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten. Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien : 1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd.Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank; 5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening. De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien : 1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd.Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank. Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. § 2quinquies.-Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden. Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. §
  6. De onder § 2, 2° tot 11° bedoelde maatregelen worden geschorst wanneer de betrokkene onder de wapens is. Ze nemen een einde wanneer hij de leeftijd van achttien jaar bereikt. Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen kunnen deze maatregelen, onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60, evenwel : 1° op verzoek van de betrokkene dan wel, indien de betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar ministerie, bij vonnis voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, worden verlengd.Het verzoek of de vordering moet binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de dag waarop de betrokkene meerderjarig wordt, bij de rechtbank worden ingesteld; 2° bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. In geval van hoger beroep tegen deze vonnissen, doet de jeugdkamer van het hof van beroep onverwijld uitspraak. Het hoger beroep heeft geen schorsende werking. De vonnissen en arresten uitgesproken met toepassing van dit artikel zijn niet vatbaar voor verzet. §
  7. De maatregel van berisping bedoeld in § 2, 1°, is van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit gepleegd hebben vóór de leeftijd van achttien jaar, zelfs indien zij op het tijdstip van het vonnis deze leeftijd overschreden hebben. De in het vorige lid bedoelde personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt op het ogenblik van het vonnis, worden met minderjarigen gelijkgesteld voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van deze titel, alsmede van artikel (433bis van het Strafwetboek).

Art. 37

.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voorzover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 37bis. §

  1. De rechter of rechtbank kan een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;2° de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;3° een slachtoffer is geïdentificeerd. Een herstelrechtelijk aanbod kan enkel worden toegepast indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt. §
  2. De bemiddeling heeft tot doel de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben alsook het slachtoffer, de mogelijkheid te bieden om samen en met hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een als misdrijf omschreven feit tegemoet te komen. De rechter of de rechtbank stelt aan de personen bedoeld in het eerste lid schriftelijk voor om deel te nemen aan een bemiddeling. §
  3. Het herstelgericht groepsoverleg strekt ertoe aan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, aan het slachtoffer, aan hun sociale omgeving, alsook aan alle dienstige personen, de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, in overleg uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. De rechter of de rechtbank stelt een herstelgericht groepsoverleg voor aan de persoon die voor hem wordt gebracht en ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, aan de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en aan de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het of de slachtoffers worden schriftelijk op de hoogte gebracht

(1). §
  1. De rechter of de rechtbank brengt de in § 2, eerste lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen ervan op de hoogte dat zij : 1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens in te gaan op het herstelrechtelijk aanbod;2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat vanaf het ogenblik dat het akkoord dat de in § 2, eerste lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen bereiken wordt vastgelegd. Artikel 37ter. §
  2. De rechter of rechtbank laat een afschrift van haar beslissing toekomen aan de door de bevoegde overheden erkende bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg, die georganiseerd wordt door de gemeenschappen of beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. Deze dienst wordt belast met de tenuitvoerlegging van het herstelrechtelijk aanbod. §
  3. Indien de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid, binnen acht werkdagen te rekenen vanaf het voorstel van de rechtbank geen contact opnemen met de bemiddelingsdienst of de dienst voor herstelgericht groepsoverleg, neemt deze dienst contact op met genoemde personen om hen een herstelrechtelijk aanbod te doen. §
  4. De dienst voor herstelgericht groepsoverleg neemt in overleg met de personen bedoeld in artikel 37bis, § 3, tweede lid, contact op met de personen uit hun sociale omgeving en alle andere dienstige personen. De bemiddelingsdienst kan, met akkoord van de in artikel 37bis, § 2, eerste lid bedoelde personen, ook andere personen met een direct belang bij de bemiddeling betrekken. Art. 37quater. §
  5. Indien de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg leidt tot een akkoord, wordt het door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het slachtoffer, ondertekende akkoord bij het gerechtelijk dossier gevoegd. Bij een herstelgericht groepsoverleg wordt ook een intentieverklaring toegevoegd van de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd. Hierin verklaart deze welke concrete stappen hij zal ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om verdere feiten in de toekomst te voorkomen. Het bereikte akkoord moet door de rechter of de rechtbank worden gehomologeerd. Deze kan de inhoud ervan niet wijzigen. De rechter of de rechtbank kan de homologatie slechts weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde. §
  6. Ingeval het herstelrechtelijk aanbod niet tot een akkoord leidt, kunnen door de gerechtelijke overheden of de bij het herstelrechtelijk aanbod betrokken personen noch de erkenning door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd van de werkelijkheid van het als misdrijf omschreven feit, noch het verloop of het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod worden gebruikt ten nadele van de jongere. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig verslag op over het verloop en over het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod. Dit verslag wordt ter advies voorgelegd aan de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. §
  7. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Art. 37quinquies. §
  8. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het akkoord en richt het aan de rechter of de rechtbank evenals aan de bevoegde sociale dienst. §
  9. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels geschiedt vóór de uitspraak van het vonnis, moet de rechtbank rekening houden met dat akkoord en zijn uitvoering. §
  10. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 60, teneinde de ten opzichte van de persoon die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, bevolen definitieve maatregel of maatregelen te verlichten. Art. 38 Indien de persoon die wegens een als misdrijf gekwalificeerd feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit ouder dan zestien jaar was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor het gerecht bevoegd krachtens het gemeen recht als daartoe grond bestaat. De vorige bepaling kan toegepast worden zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van deze titel, alsmede van artikel (433bis van het Strafwetboek). Iedere persoon die het voorwerp is geweest van een beslissing tot uit handen geven, genomen met toepassing van dit artikel, wordt met betrekking tot feiten gepleegd de dag na zijn definitieve veroordeling door het bevoegde gerecht onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter. Art. 38bis Aan minderjarigen kan een administratieve sanctie worden opgelegd als bedoeld in : 1° artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1°, van de nieuwe gemeentewet, als de minderjarige de volle leeftijd van 16 jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten;2° artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid sluiten betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, als de minderjarige de volle leeftijd van 14 jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten. Art.
  11. Indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel zijn uitwerking mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking van de Regering wordt gesteld. (Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)

Art. 39

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij , behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) Indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel zijn uitwerking mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking van de (Vlaamse Executieve) wordt gesteld. (Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) Art. 39.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 40.(Opgeheven) Art. 41. Wanneer de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de Regering is gesteld, beslist de Minister van Justitie op hem een van de in artikel 37, § 2, 2°, 7° en 8° en § 2bis bepaalde maatregelen toe te passen of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting waar hij aan een bijzonder regime onderworpen zal worden. (Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)

Art. 41

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd ) Wanneer de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de (Vlaamse Executieve) is gesteld, beslist de (Gemeenschapsminister die de bijzondere jeugdbijstand onder zijn bevoegdheid heeft) op hem een van de in artikel 37, 2° tot 4°, bepaalde maatregelen toe te passen of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting waar hij aan een bijzonder regime onderworpen zal worden. (Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) Art. 41.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 42. Buiten de in artikel 41 bepaalde gevallen staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank wijst (de bevoegde sociale dienst) aan om dit toezicht uit te oefenen.

Art. 42.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) (NOTA : Bij arrest nr.

40/91 van 19 december 1991 (B.St. 17-01-1992, p. 844) heeft het Arbitragehof art.22, 4° vernietigd, in de mate dat die bepaling betrekking heeft op minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 42.(FRANSE GEMEENSCHAP) Buiten de in artikel 41 bepaalde gevallen staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, 3° en 4°

(2)bedoelde maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank (draagt dit toezicht aan de dienst voor gerechtelijke bescherming op.) Inwerkingtreding : 24-12-1991 Art. 42.(DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 43. Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd de toepassing van de wet van 26 juni 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1990 pub. 22/07/2009 numac 2009000474 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke sluiten betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. In geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1990 pub. 22/07/2009 numac 2009000474 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke sluiten op de personen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1990 pub. 22/07/2009 numac 2009000474 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke sluiten genomen is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht. Art. 43bis (Opgeheven) HOOFDSTUK IV. - Territoriale bevoegdheid en rechtspleging. Art. 44. Onverminderd (bijzondere bepalingen inzake adoptie), wordt de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank bepaald door de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de achttien jaar onder hun bewaring hebben. Wanneer dezen geen verblijfplaats in België hebben of wanneer hun verblijfplaats onbekend is of niet vaststaat, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, van de plaats waar hij wordt aangetroffen of van de plaats waar de persoon verblijft of waar de inrichting gevestigd is aan wie hij door de bevoegde instanties werd toevertrouwd. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat de betrokkene de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft of, indien deze onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het als misdrijf omschreven feit werd gepleegd. De bevoegde jeugdrechtbank is echter : 1° die van de verblijfplaats van de verzoeker, wanneer de artikelen 477 van het Burgerlijk Wetboek en 63, vijfde lid, van deze wet, worden toegepast; (2° in het rechtsgebied waarvan de voogdij wordt georganiseerd overeenkomstig de artikelen (353-10, 354-2,) 478 en 479 van het Burgerlijk Wetboek.) Indien de ouders, voogden of degenen die een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar onder hun bewaring hebben tegen wie een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding is genomen, van verblijfplaats veranderen, moeten zij daarvan, op straffe van geldboete van een frank tot vijfentwintig frank, onverwijld bericht geven aan de jeugdrechtbank onder wier bescherming deze persoon is gesteld. De verandering van verblijfplaats brengt mede dat de zaak wordt onttrokken aan deze rechtbank en verwezen naar de jeugdrechtbank van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats gelegen is. Het dossier wordt haar toegezonden door de griffier van de rechtbank waaraan de zaak is onttrokken. De rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, blijft echter bevoegd om uitspraak te doen in geval van verandering van verblijfplaats tijdens het geding. Art. 45. De zaak wordt bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt : 1. (in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van deze wet en (in de artikelen 353-10 en 354-2) van het Burgerlijk Wetboek, en (onverminderd (de artikelen 145, 478 en 479 van het hetzelfde Wetboek en de artikelen 1231-3, 1231-24, 1231-27 en 1231-46 van het Gerechtelijk Wetboek)), bij een verzoekschrift ondertekend, (al naar het geval door de minderjarige, door de vader), de moeder, de voogd, de toeziende voogd, de curator, (...), het familielid of het lid van (het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn), of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie; 2. in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III :
  1. a)op de vordering van het openbaar ministerie of de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking tot verwijzing, ten einde de onderzoekingen bedoeld in artikel 50 te verrichten en in voorkomend geval (de in artikel 52) bepaalde voorlopige maatregelen van bewaring te bevelen;
  2. b)door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing van het openbaar ministerie of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie ten einde over de zaak zelf te beslissen, (of ten einde de zaak uit handen te geven overeenkomstig artikel 38) na de partijen in hun middelen gehoord te hebben. (
  3. c)door het verzoekschrift bedoeld in de artikelen 37, § 3, 1° en 60, in welk geval de partijen worden opgeroepen bij gerechtsbrief, bezorgd op de wijze bepaald in artikel 46, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.) Art. 45bis. Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen. Dit kan enkel wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. Art. 45ter. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de vermoedelijke pleger van het als misdrijf omschreven feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij kennis heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige vaststaan en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren. Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt bezorgd aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. De procureur des Konings kan de vermoedelijke dader van het als misdrijf omschreven feit en zijn wettelijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die zij lopen. Art. 45quater. § 1. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;2° de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;3° een slachtoffer is geïdentificeerd. De beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren. Behalve in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank. Ingeval een voorstel tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij : 1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling;2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt vastgelegd. De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen. Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling loopt. § 2. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang van de bemiddeling op. Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer, en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen. Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde. § 3. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. Als de in artikel 36, 4°, bedoelde persoon het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering vervallen. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. § 4. Indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt ten nadele van de jongere. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Art. 46. (NOTA : Het Arbitragehof heeft door zijn arrest nr. 122/98 van 3 december 1998 voor recht gezegd dat dit artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre dat in de in artikel 36, 2°, van de voormelde wet bedoelde procedures, de opvangouders niet in de zaak worden opgeroepen en hun tussenkomst niet is toegestaan. B.St. 20-01-1999, p. 1635-1638) De dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing die het geeft moet, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, opvangouders, voogden of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben en aan de minderjarige zelf indien de rechtsvordering tot doel heeft zijn ontvoogding te doen intrekken of ten aanzien van hem een van de maatregelen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, te doen nemen of wijzigen en hij ten minste twaalf jaar oud is. (Als een persoon bedoeld in artikel 36, 4°, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld, zal de in het vorige lid bedoelde dagvaarding of waarschuwing worden gericht aan die persoon die, wegens zijn minderjarigheid, voor hem burgerrechtelijk aansprakelijk waren. Onverminderd de bepaling van artikel 184, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, moet, op straffe van nietigheid van het vonnis dat door de rechtbank ten aanzien van de gedagvaarde partij bij verstek wordt uitgesproken, tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste tien dagen in acht worden genomen die niet kan worden verlengd wegens de afstand.) Art. 46bis. Ten aanzien van de persoon bedoeld in artikel 36, 4° die voor de procureur des Konings wordt gebracht of die zich bij hem meldt, alsook ten aanzien van enig ander persoon bedoeld in artikel 46 die zich bij hem meldt, kan de in artikel 45, 2, b), bedoelde dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie worden gedaan door de kennisgeving van een oproeping tot verschijning voor de jeugdrechtbank binnen een termijn welke niet korter mag zijn dan die bepaald in artikel 46, derde lid, en twee maanden niet te boven mag gaan, en door de overhandiging aan de betrokkene van een kopie van het proces-verbaal waarin die kennisgeving is vermeld. In de oproeping worden de feiten vermeld waarop de rechtsvordering is gegrond, alsook de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. Art. 47. Het is niet geoorloofd zich burgerlijke partij te stellen bij rechtstreekse dagvaarding voor de jeugdrechtbank. Ten aanzien van minderjarigen die onder de jeugdrechtbank ressorteren, kunnen de openbare besturen de vervolgingen die tot hun bevoegdheid behoren, slechts instellen door klacht in te dienen bij de procureur des Konings; deze alleen kan de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken. Het verval van de strafvordering ten aanzien van de in artikel 36, 4, bedoelde persoon, ingevolge de tenuitvoerlegging van een in artikel 45quater bedoelde bemiddeling doet geen afbreuk aan de rechten van de slachtoffers en van de in hun rechten gesubrogeerde personen om een schadevergoeding te verkrijgen, mits het slachtoffer niet heeft deelgenomen aan de bemiddeling of heeft deelgenomen aan een bemiddeling waarvan het akkoord uitdrukkelijk aangeeft dat niet volledig tegemoetgekomen is aan de materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. Tegenover hen wordt de fout van de dader van het als misdrijf omschreven feit onweerlegbaar vermoed. Art. 48. § 1. In de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, maakt iedere ouder of persoon die een jongere onder zijn bewaring heeft, het voorwerp uit van een onderscheiden rechtspleging. Die rechtsplegingen kunnen alleen tijdens de voorbereidende rechtspleging met andere rechtsplegingen worden samengevoegd. De stukken welke gegevens bevatten betreffende elk van de ouders of personen die de betrokkene onder hun bewaring hebben, moeten gescheiden blijven van de andere procedurestukken. Zij mogen niet aan de andere partijen worden medegedeeld. Tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging kan het openbaar ministerie de mededeling van deze stukken aan de partijen weigeren, indien het oordeelt dat deze mededeling de belangen van de betrokken personen kan schaden. § 2. Indien in de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling 2, het feit gepleegd door de persoon beneden de achttien jaar samenhangt met een misdrijf dat begaan zou zijn door een of meer personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden de vervolgingen gesplitst zodra zulks zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden. De vervolgingen kunnen worden samengevoegd indien de jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 38 de zaak uit handen heeft gegeven. Art. 48bis. § 1. Ingeval een minderjarige ingevolge zijn aanhouding van zijn vrijheid is beroofd of in vrijheid is gesteld tegen de belofte om te verschijnen of tegen een ondertekende verbintenis, moet de voor zijn vrijheidsberoving verantwoordelijke politieambtenaar zo snel mogelijk de vader en de moeder van de minderjarige, diens voogd of de personen die hem in rechte of in feite in bewaring hebben, schriftelijk of mondeling in kennis stellen of laten stellen van de aanhouding, van de redenen hiervoor, alsook van de plaats waar de minderjarige wordt opgesloten. Indien de minderjarige gehuwd is, moet het bericht aan diens echtgenoot worden gegeven in plaats van aan bovengenoemde personen. § 2. Als het bericht niet conform dit artikel is gegeven en niemand van degenen aan wie het had kunnen zijn gegeven, zich bij de jeugdrechtbank, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, heeft aangemeld, kan de jeugdrechtbank hetzij de zaak uitstellen en bevelen dat bericht wordt gegeven aan de persoon die zij aanwijst, hetzij de zaak behandelen als zij dergelijk bericht niet noodzakelijk acht. In dit geval vermeldt zij in haar vonnis de redenen die aan haar beslissing ten grondslag liggen. Art. 49. Alleen in uitzonderingsomstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak wordt de zaak bij vordering van het openbaar ministerie bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt of treedt deze ambtshalve op in geval van ontdekking op heterdaad. (In spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon (die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,) een van de in (de artikel 52) bedoelde maatregelen van bewaring nemen, onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank, die alsdan haar bevoegdheden uitoefent en binnen twee werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig de artikelen 52ter en 52quater.) De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. Als het onderzoek is geëindigd, neemt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank. (Deze beschikking wordt uitgesproken na een debat tussen de partijen en nadat de persoon beneden de achttien jaar, de vader en de moeder en de burgerlijke partijen inzage hebben kunnen nemen van het dossier met betrekking tot de feiten, neergelegd ter griffie ten minste 48 uren vóór de debatten.) (Het derde lid verhindert niet dat het openbaar ministerie een vordering tot uit handen geven als bedoeld in 38 aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank vonnist in de staat van de procedure.) Art. 50. De jeugdrechtbank treft alle maatregelen en doet het onderzoek verrichten dat nodig is om de persoonlijkheid van de betrokkene en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, te kennen en om uit te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn. Zij kan een maatschappelijk onderzoek doen verrichten, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, en de betrokkene aan een medisch-psychologisch onderzoek onderwerpen, indien zij het haar meegedeelde dossier niet voldoende acht. Indien de jeugdrechtbank een maatschappelijk onderzoek doet verrichten, kan zij, behoudens in spoedeisende gevallen, haar beslissing eerst nemen of wijzigen, na kennis genomen te hebben van het advies van de bevoegde sociale dienst, tenzij dit advies haar niet bereikt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan vijfenzeventig dagen mag bedragen. Art. 51. § 1. Zodra een als misdrijf omschreven feit bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, informeert de rechtbank de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, teneinde hen de mogelijkheid te bieden aanwezig te zijn. § 2. (Wanneer de zaak eenmaal aanhangig is bij de jeugdrechtbank, kan deze te allen tijde de betrokkene, de ouders, de voogden, degenen die hem onder hun bewaring hebben, evenals iedere andere persoon oproepen, onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, artikel 156 van het Wetboek van strafvordering en artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek.) In de aangelegenheden bedoeld (in de artikelen 145, 148, 302, 353-10, 354-2,) 373, 374, (375, 376, 377, 379), en 477 van het Burgerlijk Wetboek, worden de vader, de moeder en eventueel de persoon aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd, voor de rechtbank opgeroepen door de griffier. In de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 485 van het Burgerlijk Wetboek, (...), (43, 45, 46 en 46bis van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten op de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1981), worden de verzoeker, de vader, de moeder of de voogd en de minderjarige voor de rechtbank opgeroepen door de griffier; bij de oproeping van degene of degenen van hen die geen verzoek heeft of hebben ingediend, wordt een gelijkluidend afschrift van de vordering gevoegd. Indien, in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderdvijftig euro. De in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. Art. 52. Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een der maatregelen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, neemt de jeugdrechtbank voorlopig ten aanzien van betrokkene de nodige maatregelen van bewaring. Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, § 2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze. De maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 9°, wordt steeds genomen met het oog op een medisch-psychologische evaluatie. Teneinde de in artikel 50 bedoelde onderzoeksmaatregelen te kunnen uitvoeren, kan de rechtbank de voorlopige maatregel van bewaring die erin bestaat de betrokkene in zijn leefomgeving te laten en te onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2° bedoelde toezicht, gepaard laten gaan met de voorwaarde een prestatie van algemeen nut te leveren in verhouding tot zijn leeftijd en zijn vaardigheden. De prestatie van algemeen nut, opgelegd overeenkomstig dit artikel, mag niet meer dan 30 uur bedragen. Om de in het tweede lid bedoelde beslissing te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de in artikel 37, § 1, tweede lid bedoelde factoren. Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. Deze voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel op geen andere manier kan worden bereikt. Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang. (Wanneer de jeugdrechtbank ten aanzien van een persoon die een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd, voorlopig een van de maatregelen neemt bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, kan zij, omwille van de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek en voor een hernieuwbare termijn van maximum drie kalenderdagen, bij gemotiveerde beslissing de jongere vrij verkeer verbieden met de personen die zij bij naam aanwijst, zijn advocaat uitgezonderd. (Wanneer bij de jeugdrechtbank de zaak aanhangig is van een persoon die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, kan zij, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, voorlopige maatregelen opleggen of handhaven die uiterlijk kunnen duren tot de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt.) (De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de kinderen van personen wier ontzetting van het ouderlijk gezag wordt vervolgd.)

Art. 52

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) Art. 52.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen, met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd.) (NOTA : Bij arrest nr 4/93 van 21 januari 1993 (B.St. 04-02-1993, p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art.

  1. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover de bepaling geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 52bis. Buiten de gevallen bedoeld in artikel 52quater, zevende en achtste lid, is de duur van de voorbereidende rechtspleging beperkt tot zes maanden, te rekenen van de vordering bedoeld in artikel 45.2.a), tot aan de mededeling van het dossier aan het openbaar ministerie na het afsluiten van de navorsing. Het openbaar ministerie beschikt vervolgens over een termijn van twee maanden om de betrokkene te dagvaarden om voor de jeugdrechtbank te verschijnen. De termijn van zes maanden wordt geschorst tussen de akte van hoger beroep en het arrest. Art. 52ter. In de gevallen bedoeld in artikel 52 moet de jongere die de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen. De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig artikel 45.2.b) of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. De beschikking omvat een samenvatting van de elementen die betrekking hebben op zijn persoonlijkheid of op zijn milieu, welke de beslissing rechtvaardigen, en, in voorkomend geval, een samenvatting van de ten laste gelegde feiten. Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord of van de redenen waarom dit niet gebeurde. Na het verhoor van de betrokkene, wordt hem een afschrift van de beschikking overhandigd, evenals zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatshebben, wordt de beslissing bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift van de beschikking vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan evenals de vormen en termijnen die terzake moeten worden nageleefd. De termijn voor hoger beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief kennis heeft gekregen van de kennisgeving. De maatregelen bedoeld in artikel 52 zijn niet vatbaar voor verzet. In geval van hoger beroep doet de jeugdkamer van het hof van beroep uitspraak binnen uiterlijk twee maanden, te rekenen van de akte van hoger beroep. Art. 52quater. Voor wat betreft de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de rechter of de jeugdrechtbank, naar gelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen 52, 52bis en 52ter, een maatregel van bewaring bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maanden, in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is;3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. Bovendien is het verlaten van de instelling door de betrokkene onderworpen aan volgende voorwaarden : 1° het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of jeugdrechtbank.De instelling informeert de jeugdrechter of de jeugdrechtbank evenwel voorafgaandelijk per fax van elke uitstap in deze zin. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen; 2° de soorten uitstappen die beschreven staan in het pedagogisch project dat de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank meedeelt met vermelding van de soorten omkadering per soort uitstap, kunnen worden verboden door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, bij gemotiveerde beslissing voor één of meer van de redenen genoemd in het vierde lid.Het verbod kan ook beperkt worden tot slechts enkele soorten activiteiten en kan verband houden met een onvoldoende omkadering; 3° voor het verlaten van de instelling in het kader van activiteiten die niet uitdrukkelijk deel uitmaken van het pedagogisch project van de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet geval per geval een verzoek aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank worden gericht, waarin de voorziene soort omkadering nader wordt omschreven. De aanvraag gebeurt uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de activiteit. De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet uitspraak binnen de vier werkdagen. Een afschrift van het verzoek wordt onverwijld door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wordt aan de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming kennis gegeven per fax. Een afschrift van de beslissing wordt binnen de 24 uur door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Ingeval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verbiedt om de instelling te verlaten, vermeldt hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende redenen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is;2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden;3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan de dienst slachtofferonthaal verzoeken om een slachtofferfiche op te stellen. Het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2° of 3°, is opschortend gedurende vijftien dagen te rekenen vanaf de akte van hoger beroep. Hoger beroep tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2°, moet worden ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uren, die begint te lopen vanaf de mededeling van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank om de jongere toe te vertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, in gesloten opvoedingsafdeling. Het openbaar ministerie brengt de betrokken openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming er onverwijld van op de hoogte. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ten allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op vordering van het openbaar ministerie, de beslissing bedoeld in het derde lid, 2° en 3°, wijzigen. Deze maatregelen kunnen slechts eenmaal en na kennisgeving van het door de instelling opgestelde medisch-psychisch verslag worden verlengd nadat de betrokkene en zijn raadsman werden gehoord. Niettemin kunnen de voormelde maatregelen elke maand worden verlengd bij gemotiveerde beslissing van, naar gelang van het geval, de rechter of de jeugdrechtbank. De beslissing moet gegrond zijn op ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid van de betrokkene en die de handhaving van deze maatregelen noodzakelijk maken. De betrokkene, zijn raadsman en de directeur van de instelling worden vooraf gehoord. Hoger beroep tegen de beschikkingen of vonnissen bedoeld in de vorige leden moet ingesteld worden binnen een termijn van achtenveertig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie loopt vanaf de mededeling van de beschikking of van het vonnis en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten bedoeld in artikel 52ter, vierde lid. Het beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van de instelling of aan de persoon die de directeur hiertoe aanstelt. De directeur schrijft de beroepen in een genummerd en geparafeerd register in. Hij geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende brief een uittreksel van het register. De jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet uitspraak binnen vijftien werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging. (De termijn van dagvaarding voor het Hof bedraagt drie dagen.) Art. 52quinquies. Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een van de in titel II, hoofdstuk III, bedoelde maatregelen, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen overeenkomstig de bij de artikelen 37bis tot 37quinquies bepaalde regels. Art.
  2. (NOTA : opgeheven ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd.) Indien het feitelijk onmogelijk is een particulier of een instelling te vinden die de minderjarige dadelijk kan opnemen, en alzo de in artikel 52 bedoelde maatregelen niet kunnen worden ten uitvoer gelegd, mag de minderjarige voorlopig, maar voor niet langer dan vijftien dagen, in een huis van arrest worden bewaard. (De maatregel bedoeld in het eerste lid kan slechts toegepast worden ten aanzien van personen die ervan verdacht worden een feit te hebben gepleegd, strafbaar met een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of met een zwaardere straf, in de zin van het Strafwetboek of van de aanvullende wetten en voorzover zij, op het ogenblik van de feiten, de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt. In geval van hoger beroep zijn de bepalingen van artikel 52quater, zesde en zevende lid, van toepassing, behalve dat de termijn waarbinnen uitspraak in beroep moet worden gedaan, teruggebracht wordt tot vijf werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. (De termijn van dagvaarding voor het Hof bedraagt één dag.) De maatregel van bewaring bedoeld in het eerste lid kan door de jeugdrechter slechts éénmaal bevolen worden in de loop van een zelfde procedure, afgezien van de mogelijkheid van de jeugdrechtbank om andere voorlopige maatregelen te bevelen. Dit artikel is mede van toepassing op de personen bedoeld in artikel 37, § 3, 2°.) De minderjarige die in een huis van arrest wordt bewaard, wordt van de aldaar gedetineerde volwassenen afgezonderd.

Art. 53

.(VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) Art. 53.(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen, met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd) (NOTA : Bij arrest nr 4/93 van 21 januari 1993 (B.S. 04-02-1993, p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art.53. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voorzover de bepaling geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 53bis (Opgeh

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.