← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepa

Kort samengevat

Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening vast, die regels bevat voor bouwwerken en hun omgeving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om de leefkwaliteit, toegankelijkheid en energie-efficiëntie te verbeteren en de hinder van bouwplaatsen te beperken.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
3 JUNI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Gelet op de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw, inzonderheid op artikelen 164 tot 173; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031200 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende organisatie van een uitwisseling van wegen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeente Etterbeek type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031199 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende organisatie van een uitwisseling van wegen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Stad Brussel type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031201 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende indeling van gemeentewegen bij de gewestwegen voor de Gemeente Vorst sluiten tot vastlegging van titels I tot VII van het ontwerp van de Gewestelijke stedenbouwkundige Verordening, met name : Titel I. Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving; Titel II. Bewoonbaarheidsnormen voor woningen; Titel III. Bouwplaatsen; Titel IV. Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met een beperkte mobiliteit; Titel V. Thermische isolatie van de gebouwen; Titel VI. Reclame en uithangborden; Titel VII. De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan. Gelet op de bezwaarschriften en de bemerkingen naar aanleiding van de openbare onderzoeken die plaatshadden van 19 november tot en met 21 december 1998 en die zijn gevoegd bij dit besluit; Gelet op de adviezen van de gemeenteraden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die werden uitgebracht binnen de wettelijke termijn bedoeld in artikel 165, §§ 2 en 4, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, met name Oudergem, Koekelberg, Etterbeek, Evere, Brussel, Schaarbeek, Watermaal-Bosvoorde, Sint-Lambrechts-Woluwe en Ukkel; Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 19 januari 1999, van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 11 januari 1999, van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 14 januari 1999 en van de Adviescommissie voor de Studie en de Verbetering van het Openbaar Vervoer van 14 januari 1999; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, uitgebracht op 22 februari 1999; Gelet op het advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 februari 1999, ingevolge de bekendmaking van titels III en V overeenkomstig richtlijn 98/34/EG van 22 juni 1998 betreffende de procedure voor technische normen en technische regelgeving; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 26 mei 1999, krachtens artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; I. MEMORIE VAN TOELICHTING A. ALGEMENE CONTEXT De talrijke stedenbouwkundige verordeningen die in Brussel door de verschillende overheden zijn goedgekeurd, handelden over uiteenlopende onderwerpen zoals : - de bewoonbaarheid, het behoud en de esthetiek van de bouwwerken, de installaties en hun naaste omgeving; - de veiligheid ervan en meer bepaald de bescherming tegen brand en waterschade. Hierbij komen nog de beschouwingen over de thermische en geluidskwaliteit van de bouwwerken, over de energie en de energiebesparing, de wegen, de aansluiting van de woningen op het water- en electriciteitsnet, enz Sommige van deze zeer oude verordeningen zijn thans niet meer up-to-date en worden niet meer systematisch gebruikt, hoewel zij juridisch in voege blijven. Zo zijn er bijvoorbeeld de gemeentelijke verordeningen van Watermaal-Bosvoorde (1902, nooit bijgewerkt), van Sint-Gillis (1911, gewijzigd in 1965) of van Vorst (1911, bijgewerkt in 1927). De gewestelijke stedenbouwkundige verordening, de hoogste wettelijke referentie terzake in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vormt de aanvulling van een hedendaags juridisch arsenaal waarmee in 1991met de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw werd begonnen. Meerdere aspecten moeten op gewestelijk niveau worden gereglementeerd. De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening (GSV) bestaat uit de volgende titels : Titel I. Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving; Titel II. Bewoonbaarheidsnormen van de woningen; Titel III. Bouwplaatsen; Titel IV. Toegankelijkheid van de gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit; Titel V. Thermische isolatie van de gebouwen; Titel VI. Reclame-inrichtingen en uithangborden; Titel VII. De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan; De GSV vervangt de Bouwverordening van de Brusselse agglomeratie, die door dit besluit wordt opgeheven. In de hiërarchie van de juridische normen, zoals opgesteld bij de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, is de GSV ondergeschikt aan de plannen van aanleg (Gewestelijk Ontwikkelingsplan, Gewestelijk Bestemmingsplan en Bijzondere Bestemmingsplannen) en staat ze boven de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Met andere woorden, de GSV is enkel van toepassing bij ontstentenis van een tegenstrijdige bepaling in de geldende plannen van aanleg (artikel 170 van de ordonnantie). Bovendien worden de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die niet in overeenstemming zijn met de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening beschouwd als zijnde opgeheven (artikel 171 van de ordonnantie). Overeenkomstig artikel 172 van de ordonnantie moeten de gemeenteraden de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen aanpassen aan de inhoud van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening binnen de termijn van 3 jaar die hen door de regering is toegekend. B. TITELS I tot V I. De hoofddoelstellingen Titel I Titel I verzekert de naleving van het architecturaal karakter van de stadswijken door de bestaande bouwstructuur te eerbiedigen om zo een zekere harmonie te behouden en stadsgedeelten te scheppen die op elkaar aansluiten. Het streven naar het behoud en de verbetering van de leefkwaliteit is eveneens een hoofddoel van deze titel. Op het binnenterrein van het huizenblok wordt de leefkwaliteit gewaarborgd door regels inzake de maximumdiepte van de bouwwerken, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de afmetingen van het terrein als met de diepte van de naastliggende bouwwerken. De regels over de naaste omgeving van de bouwwerken en, meer bepaald, over de inspringstroken, dragen tevens bij tot de bescherming van de leefkwaliteit : het aanmoedigen van beplanting en groen, de beperking van parkeerplaatsen op de inspringstrook,... Sommige maatregelen doelen op de bescherming van het uitzicht en het aangenaam karakter van de gevels (verwerking van de regenpijpen, verschillende draden en kabels in de gevels, verbod op blinde beneden-verdiepingen...) zonder evenwel de creativiteit van de architecten te beknotten door al te beperkende normen. Via andere bepalingen wordt, in bepaalde winkelbuurten, de strijd aangebonden tegen de groei van echte kankers op de bovenverdiepingen, te wijten aan de leegstand boven deze winkels : titel I verplicht hiertoe een aparte ingang naar de bovenverdiepingen bij de bouw of de inrichting van een commerciële benedenverdieping, behalve wanneer de uitbater bewijst dat hij de bovenverdieping bewoont. Titel II Deze titel legt, wat betreft de eisen voor een zekere leefkwaliteit, bewoonbaarheidsnormen op voor nieuwe woningen alsook voor de verbouwingen aan oude woningen. De Regering ontvangt thans immers meer en meer aanvragen voor de verbouwing van woningen en lokalen die niet langer beantwoorden aan de hedendaagse bewoonbaarheidsnormen. Wat betreft de minimumoppervlakten voor woningen zijn de gekozen normen gebaseerd op de sociale huisvestingscriteria. Andere maatregelen hebben betrekking op gebouwen met meer dan een woning waar specifieke problemen rijzen wegens de geringe grootte van de beoogde woningen (gebrek aan opbergruimten zoals een kelder of een zolder) en de nood om gezamenlijk bepaalde zaken te beheren (huisvuil, schoonmaak van de gemeenschappelijke delen,...). Titel III Titel III bepaalt de regels inzake het beheer van de bouwplaatsen, hun voorzieningen, de bescherming van het voetgangersverkeer, de opslag van materialen en de plaatsing van bouwmachines en -voertuigen die niet vallen onder de toepassing van de regels die zijn genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit alles om de hinder die de bouwplaatsen veroorzaken, in te perken zowel ten aanzien van de onwonenden als van het verkeer. Titel IV Deze titel, die zowel betrekking heeft op de openbare als privé-gebouwen (winkels, kantoorgebouwen,...), legt verscheidene normen op inzake de toegang en sommige voorzieningen in gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit, met een kinderwagen, een handicap of mensen die zich moeilijk kunnen verplaatsen. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat deze mensen beter geïntegreerd raken in het moderne leven. De toegang van personen met beperkte mobiliteit wordt opgelegd zowel wat betreft de verplaatsingen naar deze gebouwen als daarbinnen. Men moet bouwen voor iedereen, met het doel de andere beter te begrijpen en maatschappelijke uitsluiting van alle actoren te vermijden. Titel V Deze titel zet de Europese richtlijn 93/76/EEG van 13 september 1993 inzake de beperking van koolstofdioxide-emmissies door een betere energie-efficiëntie, om naar Belgisch recht. De thermische isolatie van de gebouwen maakt het mogelijk energie te besparen, wat goed is voor wereldecologie, uitgaven te verminderen (nationale economie en privé-budgetten) alsook meer comfort te hebben. De gekozen normen zijn gebaseerd op de NBN B 62-norm, die door de mensen uit de bouwsector gebruikt worden. Deze normen worden trouwens reeds toegepast in het Waals en het Vlaams Gewest. Komen ter sprake de schoolgebouwen, de woongebouwen (individuele en collectieve woningen, ziekenhuizen, gevangenissen, kazernes,...) en de kantoorgebouwen (besturen, dienstenbedrijven,...) II. Het toepassingsgebied II.1. Titels I, II, IV en V II.1.1. Algemene regel Alle werken en handelingen De meeste handelingen en werken in Brussel gebeuren aan bestaande gebouwen. De stedelijke sanerings- en verfraaiingsdoeleinden die door de GSV worden nagestreefd, zouden niet bereikt worden als de toepassing enkel beperkt zou blijven tot de nieuwbouw. Titels I, II, IV en V van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zijn dus van toepassing op alle handelingen en werken bedoeld in artikel 84 van de OPS, met inbegrip van de verbouwingswerken, de bestemmingswijziging en de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is. In titel V betreffende de thermische isolatie van de gebouwen is evenwel geen sprake van de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is, omdat deze werken in principe geen invloed hebben op de thermische isolatie. Het toepassingsgebied van titels IV en V is verder uitgewerkt naargelang de nagestreefde doelstellingen : enkel de handelingen en werken voor bepaalde categorieën bouwwerken worden erin bedoeld. Alleen de handelingen en werken Titels I, II, IV en V hebben alleen betrekking op de handelingen en werken; dit betekent dat bij werken aan een bestaand gebouw, dit gebouw niet volledig aan de verordening moet worden aangepast. Als deze handelingen en werken evenwel tot gevolg hebben dat andere delen van het gebouw niet in overeenstemming zijn met de verordening, kan de overheid die de stedenbouwkundige vergunning uitreikt op grond van het beginsel van de goede ruimtelijke ordening ofwel de stedenbouwkundige vergunning weigeren, ofwel de afgifte ervan koppelen aan voorwaarden die de negatieve invloed van de handelingen en werken op de andere delen van het gebouw beperken of wegwerken. Bijvoorbeeld : Als de werken aan een woning voor de toevoeging van een kamer en suite, uitbreiding vinden naar de tuin, is het mogelijk dat door deze werken minder licht doorgelaten wordt in de andere vertrekken in het midden van het gebouw, zodat de eisen in titel II (Bewoonbaarheidsnormen van de gebouwen) niet meer worden nageleefd. In dit geval kan de overheid ofwel de vergunning weigeren, hoewel de werken zelf perfect in overeenstemming kunnen zijn met de verordening, ofwel een voorwaarde koppelen aan de afgifte van de vergunning, namelijk dat de oppervlakte wordt vergroot zodat er meer natuurlijk licht binnenvalt. II.1.2. Afzwakking van de algemene regel voor werken aan bestaande bouwwerken Beginsel van de verworven rechten Bij verbouwingswerken aan een bestaand bouwwerk is de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening dus van toepassing, onder voorbehoud van het beginsel van de verworven rechten. Titels I, II en IV van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zijn niet van toepassing op de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk voor zover de werken bestemd zijn voor het behoud ervan en voor zover ze dit bouwwerk niet ingrijpend wijzigen. Wat verstaat men onder « ingrijpend wijzigen » ? Het is evident dat alle werken aan een bestaand bouwwerk dit iets of wat wijzigen. Onder het begrip « ingrijpend wijzigen » verstaat men alle handelingen en werken die het gebouw zodanig wijzigen dat het niet meer overeenstemt met wat oorspronkelijk is toegelaten zoals weergegeven bijvoorbeeld in de plannen die gevoegd zijn bij de eerste stedenbouwkundige vergunnings-aanvraag. Dit is onder meer het geval bij uitbreidingen of bij de bouw van een bijkomende verdieping, de inrichting van nieuwe kamers, de wijziging van de bestemmingen of van de indeling ervan,... Deze werken, die het bouwwerk « ingrijpend wijzigen », worden in de verordening bedoeld. De werken en handelingen voor het behoud van het bestaand bouwwerk, zonder dit ingrijpend te wijzigen, vallen daarentegen niet onder het toepassingsgebied van de GSV. Dit is zo bij handelingen en werken zoals de herstelling van het dak of het onderhoud van de gevel of nog de renovatie zonder wijziging van de structuur van het gebouw noch van de bestemming van de lokalen. Bijzondere regels in bepaalde artikelen van titel II (Bewoonbaarheidsnormen van de gebouwen) Sommige artikelen van titel II voorzien in bijzondere regels bij verbouwingswerken aan een bestaand bouwwerk. Men wil vermijden dat bepaalde renovatiewerken die onder het toepassingsgebied van de GSV vallen (werken die niet louter streven naar het behoud van het bouwwerk) en die de woning zichtbaar kunnen verbeteren, hoewel zij niet conform bepaalde normen van titel II zijn op de helling komen te staan. Het gaat om de minimum oppervlaktenormen voor iedere kamer van de woning en de vrije hoogte onder het plafond : bij verbouwingswerken zijn deze normen meer een streefdoel dan een absolute norm. II.2. Titel III Titel III is van toepassing op alle bouwplaatsen, met uitzondering van deze waarop de regels van toepassing zijn genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.. Titel III behandelt niet de uitbatingsvoorwaarden van de bouwplaatsen inzoverre deze zijn vastgesteld krachtens artikel 6 van de ordonnantie betreffende de milieuvergunningen. C. TITEL VI I. De doelstellingen van de verordening Titel VI van de GSV heeft als doel om, voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de beginselen te bepalen wat betreft de organisatie van de reclame-inrichtingen en de uithangborden die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, en die het stadsbeeld een bepaald karakter geven. Hij streeft naar een integratie van de reclame in het stedelijk landschap en wil de gezichtshinder vermijden, geheel rekening houdend met de gevolgen van deze sector voor de gewestelijke economie. Deze titel draagt, door de regels die hij uitvaardigt, bij tot het doel van de Regering om het stedelijk erfgoed te beschermen. De bescherming van de bewoonbaarheid van de woningen werd eveneens behandeld in sommige bepalingen (bij de uithangborden, inachtneming van een zekere afstand ten aanzien van de mandelige grenzen; verbod van reclame of uithangborden op gehelen of delen van gevelopeningen; verbod van lichtgevende reclame in de buurt van een venster van een woning, ... ). II. Het toepassingsgebied Titel VI beoogt alle handelingen en werken aangaande de plaatsing van reclame-inrichtingen en uithangborden, met inbegrip van de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen voorafgaande stedenbouwkundige vergunning vereist is. Hij is van toepassing op de handelingen en werken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, zelfs wanneer deze zich op een privaat terrein bevinden. Reclame is gedefinieerd als een opschrift, vorm of beeld, met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut. Een uithangbord is gedefinieerd als een opschrift, vorm of beeld geplaatst op een onroerend goed en dat betrekking heeft op de activiteit die er uitgeoefend wordt, uitgezonderd de vermeldingen ten gunste van derden, zoals de aanduiding van een merknaam of de producten ervan. Alle reclameboodschappen en die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, en die geplaatst zijn op een drager, een bouwwerk of een vaste inrichting uithangborden worden aldus bedoeld, uitgezonderd de reclameboodschappen op voertuigen of vliegtuigen die niet vallen onder stedenbouw. III. De bestaande reglementering Voor de reclame-inrichtingen en de uithangborden is een stedenbouwkundige vergunning van beperkte duur nodig krachtens artikelen 84 § 1, 1° en 88, 1° van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. Deze materie werd tot op heden al dan niet rechtstreeks geregeld door verscheidene bepalingen met al dan niet verordenende waarde. Voor het Gewest zijn dit onder meer de volgende bepalingen : het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP) (richting-gevende bepalingen : Bijlage I, « Krachtlijnen », punt 6.1.1, blz. 82); de ordonnantie van 4 maart 1993 betreffende de bescherming van het onroerend erfgoed; de koninklijke besluiten van 5 december 1957, 8 januari 1958, 14 december 1959 en 1 maart 1960 tot regeling van de aanplakking en van de reclame; het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 26 november 1992 betreffende de stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur; de omzendbrief nr. 007 van 1 oktober 1997 aangaande de richtlijnen voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur voor reclame-inrichtingen en uithangborden. Op gemeentelijk vlak vindt men : de bijzondere bestemmingsplannen en de verkavelingsvergunningen; de algemene bouwverordening voor de wijken rond de Ambiorixsquare en het Jubelpark; de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Het GewOP brengt de kwestie ter sprake in het raam van de herinrichting van de structurerende ruimten. Deze bepalingen hebben evenwel een richtinggevende waarde en gelden slechts voor een deel van het gewestelijk grondgebied. De ordonnantie van 4 maart 1993 haalt de kwestie slechts onrechtstreeks aan en dit enkel via de bescherming van het onroerend erfgoed dat beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven is. De koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960 regelen de reclame en de aanplakking op bepaalde plaatsen en openbare wegen (« toeristische verkeerswegen ») die zijn aangeduid door de Koning. Het besluit van de Executieve van 26 november 1992 regelt slechts de duur van de stedenbouwkundige vergunningen voor reclame en uithangborden. De bestaande reglementen op gemeentelijk vlak (BBP's en verkavelingsvergunningen, gemeentelijke stedenbouwkun-dige verordeningen) behandelenen de materie voornamelijk op lokaal vlak. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestond er derhalve geen duidelijke en uniforme definitie voor de verordenende beginselen die op het hele grondgebied zouden worden toegepast inzake reclame en uithangborden. Door het plaatselijk optreden van de overheden ter zake kon daarenboven, bij gebrek aan een algemene aanpak van de kwestie, geen rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen van de reglementering op de gewestelijke economie; Rekening houdend met de rol van Brussel op internationaal vlak (zetel van de Europese instellingen en van talrijke andere internationale instellingen en organen, internationale economische markt, toeristisch centrum) en met de economische belangen aangaande de reclame, is het onontbeerlijk de bestaande normen op elkaar af te stemmen en de algemene beginselen voor het hele grondgebied vast te leggen; Om de hoofdbeginselen voor het Gewest in een geheel te gieten, is het met name aangewezen over te gaan tot de opheffing van de koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960, van de bepaling van het besluit van 26 november 1992 betreffende de reclame-inrichtingen en de uithangborden en deze te vervangen door één tekst. IV. De beginselen II.1. De inhoud Titel VI van de GSV vult de door het GewOP, in het richtinggevend luik, onder de titel « herinrichting van de structurerende ruimten » aangehaalde beginselen aan en verduidelijkt deze. Met het oog op de bescherming van de stadsvolumes voorziet Titel VI dat de reclame-inrichtingen en de uithangborden moeten passen in de stad en de vormen van de gebouwen niet mogen overschrijden noch wijzigen. Reclame op een topgevel mag aldus de uiteinden ervan niet overschrijden en moet gelijk lopen met de topgevel. In de openbare ruimte zal de reclame beperkt zijn in aantal en grootte en moet ze voldoen aan criteria voor het behoud van het stedelijk landschap. Het ontwerp verbiedt, in de regel, reclame op beschermde of op de bewaarlijst ingeschreven monumenten of landschappen, evenals in hun beschermingsperimeter, in de groene ruimten en op bomen. Titel VI houdt voorts een bijzondere plaats vrij voor gelegenheidsreclame. Wat betreft de uithangborden, onderscheidt de verordening vier soorten uithangborden : de uithangborden die gelijklopen met een gevel of topgevel; de uithangborden die haaks op de gevel staan; de uithangborden op daken of dakterrassen ervan; de uithangborden op een voet of in de grond vastgemaakt. Voor elk van deze categorieën van uithangborden bepaalt titel VI regels die in hoofdzaak dienen voor de harmonieuze integratie van de uithangborden in de stad (hetzij ten aanzien van de verhoudingen van het gebouw waarop ze zijn aangebracht of ten aanzien van het type wijk) en voor de bescherming van de woonomgeving. Titel VI bevat eveneens normen voor de plaatsing van tijdelijke uithangborden of reclame, zoals vastgoed- en werfpanelen of schragen. Deze normen streven dezelfde doelstellingen na als deze voor de uithangborden. II.2. De gebieden van het gewestelijk grondgebied De reglementering is aangepast aan de functies die elke wijk vervult : zelfde maatregelen zijn niet verantwoord in een winkelbuurt, bijvoorbeeld, of in een perimeter van cultureel, historisch of esthetisch belang of voor stadsverfraaiing, zoals bedoeld in het GewOP of het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP); Titel VI past de reglementering daartoe stelselmatig aan in functie van de vier gebieden van het gewestelijk grondgebied, waarin de voorschriften van zeer beperkend tot zeer soepel gaan; 1° het verboden gebied;2° het beperkt gebied;3° het algemeen gebied;4° het uitgebreid gebied. Het verboden gebied omvat onder meer het merendeel van de toeristische verkeerswegen in de zin van de koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960 en de wegen langsheen of doorheen de groene ruimten, met uitzondering van de uithangborden in de linten voor handelskernen van het GBP; Reclame is in dit gebied verboden en de uithangborden zijn sterk gereglementeerd; Het beperkt gebied omvat volgens het GewOP en het GBP de perimeters van cultureel, historisch of esthetisch belang of voor stadsverfraaiing, uitgezonderd van de uithangborden die volgens het GBP in linten voor handelskernen liggen; Dit gebied onderscheidt zich door kwantitatieve criteria (bijvoorbeeld : vermindering van het aantal panelen per oppervlakte-eenheid, vermindering van de oppervlakte per eenheid of door kwalitatieve criteria (bijvoorbeeld : inrichtingen plaatsen op 0.5meter van het uiteinde van de topgevel) van de andere twee gebieden waar reclame wel toegelaten is; Het algemeen gebied beslaat het hele grondgebied van het Gewest dat niet tot de andere drie gebieden behoort en, wat betreft de uithangborden, de linten voor handelskernen van het ontwerp van GBP; Het uitgebreid gebied omvat de delen van het grondgebied met een industrieel of gemengd karakter; Het uitgebreid gebied hanteert dezelfde principes qua goede aanleg als het algemeen gebied, met verschillen van kwantitatieve aard : het aantal toegelaten panelen per oppervlakte-eenheid ligt hoger, de oppervlakte per eenheid ligt hoger. Kwalitatief gezien zijn reclamepanelen toegelaten op niet-bebouwde terreinen, hetgeen niet het geval is in het algemeen gebied; D. TITEL VII I. Doelstellingen van de regelgeving De goede aanleg van de openbare ruimten is essentieel voor de evenwichtige ontwikkeling van de stad. Het gewestelijk ontwikkelingsplan ziet deze aanleg op basis van twee assen : de herinrichting van de structurerende ruimten; de specialisatie van de wegen. Het geeft eveneens een reeks aanbevelingen voor de « goede plaatselijke aanleg » door bijvoorbeeld rekening te houden met de adviezen uit het « Handboek van de openbare ruimten ». Titel VII wil, op basis van het GewOP, minimale basisregels opleggen die in acht moeten worden genomen opdat de weg juist zou worden aangelegd voor alle weggebruikers. Deze titel is dus geen nieuwe catalogus met adviezen en aanbevelingen noch een handboek of gebruiksaanwijzing voor de inrichters van de openbare ruimten. II. Toepassingsgebied Titel VII is van toepassing op de handeling en werken aan de wegen, dit wil zeggen de landwegen die dienen voor het verkeer van personen, met uitzondering van de spoorwegen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is. De controle op de uitvoering van de regels voor de goede aanleg der wegen gebeurt immers in hoofdzaak bij de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen. In de vergunning kunnen met redenen omklede afwijkingen worden toegestaan wanneer de plaatselijke omstandigheden dit noodzakelijk maken. Voorts zijn een groot aantal werken van geringe omvang vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning bij het besluit van de Regering van 11 januari 1996 en zijn dus niet aan controle onderworpen. Deze kleine werken komen voor het overgrote deel ten goede van de inrichting van de openbare ruimten en het is niet aangewezen om deze aanpassingen af te remmen door een stedenbouwkundige vergunning op te leggen. Er wordt evenwel vastgesteld dat sommige werken van geringe omvang in zekere mate niet ten goede komen van de kwaliteit van de openbare ruimte. Titel VII is eveneens van toepassing op deze handelingen en werken.. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van het besluit van 11 januari 1996 zijn de handelingen en werken van geringe omvang aan wegen immers enkel vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning als deze niet afwijken van de wettelijke en reglementaire bepalingen. Als de handelingen en werken de voorschriften van titel VII naleven, blijven ze vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning en kunnen ze zonder verdere vormvereisten worden uitgevoerd. De handelingen en werken van geringe omvang die de voorschriften van deze titel daarentegen niet naleven, zelfs als er een geldige reden voor is, zijn onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning. Worden deze uitgevoerd vóór de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning waarin uitdrukkelijk toelating gegeven wordt voor de afwijkingen die omwille van de plaatselijke omstandigheden noodzakelijk zijn, dan zijn deze in overtreding. III. De bestaande regelgeving Thans bestaat er nog geen enkele algemene regelgeving voor de aanleg van de wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan, genomen met toepassing van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1985 houdende de uitvaardiging van een algemene bouwverordening betreffende de aanleg van de voetgangerswegen is evenwel van toepassing op de wegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het overgrote deel van de bepalingen van dit besluit, dat derhalve is opgeheven, is overgenomen in titel VII. Het ministerieel besluit van 12 augustus 1982 tot vaststelling, voor het Brussels Gewest, van de voorwaarden voor de toegankelijkheid voor alle weggebruikers van de voetgangerswegen die door de gemeenten worden gesubsidieerd, heeft als doel de gemeenten te verplichten hun trottoirs aan te passen om de toegankelijkheid voor de personen met beperkte mobiliteit tijdens door het gewest gesubsidieerde werken te vergemakkelijken. De bepalingen van dit besluit, dat is opgeheven, zijn overgenomen in de titel en zijn voortaan verplicht voor alle werken aan trottoirs, of deze nu gesubsidieerd zijn of niet. IV. De inhoud Afdeling 1. - Algemeen Voor een goede aanleg van de wegen dient eerst gekeken te worden naar de doelstellingen van deze aanleg. Artikel 3 bepaalt hiervan het kader. De overheid die de stedenbouwkundige vergunningen uitreikt moet in haar motiviatie rekening houden met de inhoud van dit artikel wanneer zij een stedenbouwkundige vergunning uitreikt of weigert. Afdeling 2. - Voetgangersweg De bepalingen van artikel 4 zijn overgenomen uit het besluit van 21 oktober 1985 en streven naar een minimum aan comfort en veiligheid voor de voetgangers door de trottoirs vrij van hindernissen te maken. Artikel 5 bepaalt de maximumhoogte van de stoepranden, hoewel betrouwbaardere waarden doorgaans aanbevolen zijn. In sommige oude wijken van het stadscentrum of in enkele zeldzame gevallen waar het reliëf dit noodzakelijk maakt, is een trap tussen het trottoir en de rijweg verplicht zodat de stoepranden niet hoger zijn dan 0,18m. Artikel 6 zorgt voor het comfort en de veiligheid van de voetgangers die de rijweg moeten oversteken op een zebrapad dat is aangeduid volgens de bepalingen van het verkeersreglement. Het wil tevens omleggingen voor voetgangers vermijden, maar het is niet altijd mogelijk of wenselijk om een perfect rechte weg te hebben. De verbreding van het trottoir is beperkt tot 1,70m. De verbreding van het trottoir op de hoeken van kruispunten is immers een uitstekende methode om het zicht van de voetganger die gaat oversteken te verbeteren, maar een te grote verbreding op de rijweg hindert het normale traject van de fietser. De bepalingen aangaande de overgang tussen het trottoir en de rijweg hebben als doel de toegang naar het trottoir te verzekeren voor personen met beperkte mobiliteit en vinden hun oorsprong in de inhoud van het ministerieel besluit van 12 augustus 1982. De bepalingen van artikel 7 hebben als doel de trottoirs langs de berijdbare opritten naar de onroerende goederen van de buurtbewoners uniform te maken en te zorgen dat de doorgang van voetgangers comfortabel verloopt; het trottoir moet op zijn zelfde niveau behouden, waarbij de aanleg de bereikbaarheid van de berijdbare opritten voor autovoertuigen garandeert. Afdeling 3. - Snelheidsbeperkende voorzieningen Artikel 8 moet ervoor zorgen dat de snelheidsbeperkende voorzieningen die niet conform het verkeersreglement en het reglement van de beheerder zijn, in de stedenbouwkundige regelgeving worden ingevoegd. Gezien deze voorzieningen inmers vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, is er geen inbreuk op de stedenbouwkundige regelgeving voor een voorziening die niet conform het reglement van de politie op het wegverkeer is als deze terzelfdertijd ook niet afwijkt van een bepaling uit de stedenbouwkundige verordening. Dit artikel synchroniseert dus de inbreuken op twee regelgevingen met een verschillend toepassingsgebied. Artikel 8 heeft eveneens betrekking op de ligging van de snelheidsbeperkende voorzieningen en de kwaliteit van hun aanleg, twee domeinen die tot het toepassingsgebied van de stedenbouwkundige verordening behoren. Afdeling 4. - Lichte tweewielers Titel VII is geen norm die moet worden gevolgd voor de uitvoering van voorzieningen voor lichte tweewielers. De bedenker van een dergelijke voorziening zal zich hiervoor baseren op de publicaties van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid. Wat betreft de tweewielers heeft Titel VII als doel de fietspaden te beschermen tegen de plaatsing van hindernissen zoals verkeerstekens of wegwijzers, verlichtingspalen, kasten van concessiehouders, enz.; hierbij wordt een centrale zuil geplaatst aan de paden als bescherming tegen rijdende of stilstaande voertuigen. Dit heeft als gevolg dat iedere hindernis op een fietspad een overtreding vormt als hiervoor geen stedenbouwkundige vergunning met een gemotiveerde afwijking is uitgereikt. Dit deel gaat tevens over de invoeging van de tweewielers in het algemeen verkeer op het einde van een fietspad. Deze invoeging is gevaarlijk als de overgang niet correct gebeurt Het is ook verplicht dat de overgang van de rijweg naar het trottoir moet gebeuren zonder enig hoogteverschil. Afdeling 5. - Parkeren De verplichte ligging van de afvoergoot tussen de parkeerstrook en de rijweg gebeurt met het oog op de gemakkelijkere reiniging van deze afvoergoot en de straatkolken, die minder goed bereikbaar zijn indien ze gelegen zijn langs het trottoir. Bij schuin of loodrecht parkeren langs een trottoir gebeurt het vaak dat een onachtzame bestuurder zijn voertuig te ver naar voren rijdt en zo komt te staan op het zebrapad, zoals beschreven in artikel 4. Artikel 14 voorziet in de bescherming van de voetgangersweg aan de hand van een anti-parkeervoorziening. De meest verscheidene anti-parkeervoorzieningen duiken op in de openbare ruimte. Artikel 15 wil de plaatsing van deze voorzieningen reglementeren om de gevolgen ervan op de zichtbaarheid te beperken; ze moeten evenwel een doeltreffend middel blijven vormen tegen foutief parkeren. Afdeling 6. - Openbaar vervoer Artikel 16 handelt over de aanleg van haltes zoals voor de MIVB, met plaatselijke onderbreking van de parkeerstrook, een verbreding van het trottoir, de ophoging van de stoeprand en de plaatsing van een wachthuisje voor de reizigers ter bescherming tegen het slechte weer. Artikel 17 streeft naar een grotere veiligheid van de tweewielers. Wanneer er tramsporen lopen in een smalle weg, dan moeten de fietsers vaak tussen de sporen rijden. Hierdoor houden ze het verkeer op en komen ze onder druk te staan om af te stappen aan het trottoir en de voertuigen voorbij te laten rijden. Dit manoeuver kan enkel maar veilig gebeuren als de afstand tussen het tramspoor en de stoeprand van het trottoir 0.80m bedraagt. Als door de plaatselijke omstandigheden deze breedte niet haalbaar is, kan via een vergunning een afwijking worden toegestaan. Afdeling 7. - Hoogstammige bomen Bomen hoger dan 6m langs de weg hebben een esthetische waarde en spelen een belangrijke rol in het behoud van de flora in de stad. Het is dus noodzakelijk hiervoor de minimumvoorwaarden te bepalen voor de planting ervan (art. 18), de verzorging van deze planting (art. 19) en de bescherming ervan (art. 20) zodat deze bomen op een juiste wijze groeien. Kleinere bomen worden niet aangehaald in de regelgeving, omdat de ervaring heeft geleerd dat de wegbeheerders erin slagen kleine bomen op het trottoir te planten in zeer moeilijke omstandigheden. Deze kleine bomen kennen over het algemeen een normale groei en hebben een grote decoratieve waarde. Daarom is het niet aangewezen beperkende regels op te leggen die de planting van deze kleine bomen op de trottoirs kunnen afremmen. Afdeling 8. - Wegbebakening Het verkeersreglement en het reglement van de wegbeheerder bepalen de minimumafmetingen en de bijzondere voorwaarden voor de plaatsing van verkeerstekens. De bepalingen van deze reglementen geven de overheid die de weg beheert vaak een zekere vrijheid. De voorwerpen die zijn vastgemaakt in de grond of op gebouwen en waarop de verkeerstekens komen, zijn onderworpen aan de stedenbouwkundige regelgeving. Het doel van deze bepalingen is te zorgen voor meer fraaiheid in de stad aan de hand van regels die de vrijheidsmarge in het verkeersreglement en het reglement van de beheerder opvullen. Wat betreft de bewegwijzering, wil men hier de wegbeheerders een algemeen plan laten aannemen voor de bewegwijzering op alle wegen die onder hun beheer vallen. Zolang dit plan niet is aangenomen, is voor de plaatsing van bewegwijzering een stedenbouwkundige vergunning nodig. Afdeling 9. - Stadsmeubilair Artikel 24 streeft naar het behoud van de veiligheid en het comfort van de weggebruikers bij de plaatsing van stadsmeubilair, met name door de oplegging van een minimumafstand vanaf de rand van de rijweg zodat contact met de voertuigen vermeden wordt. Met artikel 25 wil men de wegbeheerders verplichten enkele minimumbepalingen in acht te nemen voor de bescherming van de stedelijke esthetiek bij de plaatsing van dit meubilair. Afdeling 10. - Verlichting De verlichting dient niet enkel voor de openbare veiligheid, maar wordt ook meer en meer gezien als een middel om het imago van de stad te verbeteren. Met de verplichte maximumhoogte van 9m voor de lichten wil men de aanbevelingen uit het « Handboek van de openbare ruimten » en van het « Lichtplan », die door het Gewest zijn goedgekeurd, als norm hanteren. In sommige gevallen is een grotere hoote verantwoord, maar dit kan enkel via een gemotiveerde afwijking in een stedenbouwkundige vergunning toegestaan worden. Afdeling 11. - Gelegenheidsdecoratie Volgens de definitie uit artikel 2 is de gelegenheidsdecoratie niet de drager van reclame; in dit geval is ze gedefinieerd als gelegenheidsreclame onderworpen aan de bepalingen uit titel VI. Bij dit soort gelegenheidsdecoratie hoort bijvoorbeeld de eindejaarsdecoratie die krachtens artikel 27 toegelaten is van 25 november tot 16 januari. II. MOTIVATIE A DE GEWESTELIJKE VERORDENING EN TITELS I TOT V I. Algemene opmerkingen Overwegende dat de Regering in het aan de Raad van State verstuurde ontwerpbesluit van oordeel was dat de adviezen van de gemeenteraden die zijn uitgebracht buiten de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 165, § 2, tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, gunstig geacht zouden moeten worden; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies daarentegen van oordeel is dat artikel 165, § 2, tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw opgesteld is in die zin dat de adviezen enkel uitgebracht moeten worden binnen de termijn van dertig dagen en binnen een redelijke termijn moeten worden verzonden; dat de adviezen van de gemeenten Oudergem, Schaarbeek en Watermaal-Bosvoorde bijgevolg in aanmerking moeten worden genomen; Overwegende dat de Regering derhalve rekening heeft genomen met deze adviezen; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies de vraag stelt of de adviezen van deze drie gemeenten naar de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (hierna de Commissie genoemd) zijn verzonden; Terwijl deze adviezen wel degelijk zijn verzonden; dat hieraan niet mag getwijfeld worden inzoverre enerzijds in de briefwisseling van 2 april van de Commissie gemeld wordt dat het volledig dossier op 27 januari 1999 is ontvangen en anderzijds het advies zelf van de Commissie (zowel het eentalig advies verzonden op 25 februari 1999 als het tweetalig advies verzonden op 22 april 1999) uitdrukkelijk verwijst naar de adviezen van de gemeenten Oudergem, Schaarbeek en Watermaal-Bosvoorde; Overwegende dat de Regering in het ontwerpbesluit dat zij verzond naar de Raad van State stelde dat zij van oordeel was dat het advies van de Commissie als gunstig moest worden beschouwd inzoverre de tweetalige en ondertekende versie van het advies niet was verzonden binnen de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 165, § 2, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies daarentegen van oordeel is dat artikel 165, § 2, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw opgesteld is in de zin dat het advies enkel uitgebracht moet worden binnen de termijn van dertig dagen zodat de tweetalige en ondertekende versie ervan pas later mag verzonden worden binnen een redelijke termijn; dat dit hier wel degelijk het geval was, gezien de tweetalige ondertekende versie verzonden is op 2 april 1999; Overwegende dat de regering, zoals blijkt uit volgende motivatie, rekening heeft gehouden met dit advies; Overwegende dat de Regering in het ontwerpbesluit dat ze verzond aan de Raad van State uiteenzette dat het geen gevolg had gegeven aan de grondige wijzigingsvoorstellen van de gemeenteraden en zij dit, rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State, niet kon doen inzoverre deze voorstellen niet het logisch of noodzakelijk gevolg waren van een bezwaarschrift geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek; Overwegende dat de Raad van State van oordeel is dat de rechtspraak van het hoogste administratieve rechtscollege verstaan moet worden in de zin dat de Regering gevolg kan geven aan de grondige wijzigingsvoorstellen vanwege de gemeenteraden, maar dat in die veronderstelling een nieuw openbaar onderzoek moet worden gehouden; Overwegende dat de Regering, zoals blijkt uit volgende motivatie, de redenen waarom deze voorstellen niet zijn gevolgd derhalve heeft uiteengezet; Overwegende dat de Commissie betreurt dat de Regering zich tevreden stelde door enkel de oorspronkelijke teksten van titels I tot VI opnieuw formeel ter openbaar onderzoek te onderwerpen in plaats van verbeterde en juistere versies van de ontwerpverordening die zijn gewijzigd op basis van de talrijke adviezen en opmerkingen die werden geuit tijdens het eerste openbaar onderzoek; Terwijl het eerste openbaar onderzoek aangaande Titels I tot V plaats had van 17 maart tot en met 18 april 1997, waarna de Gewestelijke Ontwikkelingscommisse op 25 september 1997 een eerste advies uitbracht; dat het eerste openbaar onderzoek betreffende Titel VI plaats had van 1 tot en met 30 januari 1998 waarover de Commissie op 18 mei 1998 een advies uitbracht; Dat de Raad van State, in zijn advies van 3 juni 1998 over Titels I tot V, gewag maakt van de niet-naleving, door sommige gemeenten, van de wettelijke vormvereisten inzake het openbaar onderzoek. De Raad van State gaf als voorbeeld dat het aanplakbiljet van het openbaar onderzoek de plaats noch de uren vermelde waarop de documenten konden worden ingekeken, enz. Dat eveneens is gebleken dat het openbaar onderzoek over titel VI onregelmatigheden bevatte, dat één gemeente helemaal geen openbaar onderzoek had georganiseerd; Dat, inzoverre deze procedure ongeldig was, besloten werd het openbaar onderzoek over te doen zodat geen enkele procedurefout nog kon worden gemaakt; dat het overigens nodig was om dezelfde teksten ter onderzoek voor te leggen zodat de bevolking ditmaal correct en in de beste omstandigheden deze teksten zou kunnen beoordelen; Dat, gezien de hoogdringendheid, het niet wenselijk was te wachten totdat titel VI was verbeterd, hetgeen de goedkeuring van de tekst met enkele maanden zou doen vertragen; Overwegende dat er, volgens de Commissie, uit het ontbreken van de voorafgaande raadpleging van de professionele milieus een discrepantie ontstaan is tussen theorie en praktijk in de formulering van bepaalde artikelen evenals een te groot aantal en te gedetailleerde bepalingen die niet aan de huidige stedenbouwkundige kenmerken zijn aangepast; Dat de Commissie bijvoorbeeld aanhaalt dat het onmogelijk is bepaalde renovatiewerken uit te voeren overeenkomstig de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat, volgens de Commissie, de gewestelijke stedenbouwkundige verordening opgesteld zou zijn uit gestandaardiseerde situaties (percelen van 5 tot 7 meter breed) en geen rekening houdt met de talrijke uitzonderlijke situaties in het Gewest; Terwijl de professionele milieus hun bemerkingen hebben kunnen formuleren tijdens en na het openbaar onderzoek; Dat het ontwerp rekening houdt met een deel van deze bemerkingen, inzoverre dit verenigbaar is met het doel ervan; Dat een zekere verduidelijking van de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening noodzakelijk is met het oog op de eenvormigheid van de stedenbouwkundige regels geldend op het gewestelijk grondgebied en eveneens tegemoetkomt aan de wens om de behandeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen voor projecten die conform de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zijn, te vereenvoudigen en te versnellen; Dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de renovatie of verbouwing van het bestaand bebouwd weefsel vaker voorkomt dan nieuwbouw; Dat bijgevolg, indien de verordening slechts van toepassing zou zijn op nieuwbouw, ze haar doel zou voorbijschieten; Dat de verordening evenwel niet van toepassing is op de werken met het oog op het behoud van een bestaand bouwwerk en die dit niet grondig wijzigen; Dat de verordening aldus zorgt voor een evenwicht tussen de vereisten voor het behoud van het bestaand bebouwd weefsel en de nodige inachtneming van de regels die zij uitvaardigt voor verbouwingswerken; Dat aangaande de stedenbouwkundige kenmerken, de stedenbouwkundige verordening, die van toepassing is in het hele Gewest, zich niet inlaat met elk bijzondere situatie, daar dit de taak is van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en/of de bijzondere bestemmingsplannen, maar wel met het uitvaardigen van regels die gelden voor het merendeel van de gevallen; Dat het vergeefs is om, langs een gewestelijke stedenbouwkundige verordening, alle mogelijke speciale situaties aan te kaarten, waardoor men het gevaar loopt in een te strikt kader te vervallen; Dat deze bijzondere situaties vaak afzonderlijk moeten worden beoordeeld; Dat deze beoordeling meer bepaald gericht is op de tussenkomst van de gemachtigde ambtenaar die krachtens de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw gemachtigd is om eventueel af te wijken van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening wanneer, in een bijzondere situatie, de goede ruimtelijke ordening dit vereist; Overwegende dat de Commissie betreurt dat de tekst die ter openbaar onderzoek werd voorgelegd, niet vergezeld ging van een gedetailleerde commentaar die de nagestreefde doelstellingen en de wijzigingen ten aanzien van de geldende verordeningen verduidelijkt; Overwegende dat reclamanten een gebrek aan samenhang van het geheel van het ontwerp vaststellen, daar slechts sommige titels van de verordening ter openbaar onderzoek werden voorgelegd en dat dermate belangrijke titels zoals die over het parkeren nog niet werden afgerond; Terwijl de onstentenis van een memorie van toelichting niet betekent dat het ontwerp een gebrek aan samenhang van het geheel vertoont; dat de door de gewestelijke stedenbouwkundige verordening aangekaarte verscheidenheid aan materies een afzonderlijk onderzoek van enkele ervan rechtvaardigt; Overwegende dat de Commissie betreurt dat, met uitzondering van Titel III, de voorgestelde teksten niet werden voorafgegaan door een evaluatie van de toepassing en de inhoud van de bestaande verordeningen : Bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie (BBA), gemeentelijke verordeningen,...; Dat, volgens de Commissie, de verordening niet op afdoende wijze de meest recente bestaande normen integreert en niet duidelijk aangeeft welke worden opgeheven; Dat de Commissie ten slotte vraagt te verduidelijken welke de wijzigingen zijn die zullen moeten worden aangebracht aan de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw voor de vereenvoudiging van de afgifte van de vergunningen; Terwijl de hiërarchie tussen de verschillende bedoelde juridische normen reeds is ingesteld bij artikelen 170 en 171 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Dat het de taak van de gemeenteraden is om, overeenkomstig artikel 171, de niet-conforme gemeentelijke verordeningen aan te passen aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat de mechanismen voor de vereenvoudigde en snellere procedures voor de afgifte van de vergunningen reeds werden ingevoerd door het opleggen van uiterlijke termijnen bij de behandeling van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, de coördinatie van de procedures in stedenbouwkundige en milieu-aangelegenheden en door de wijziging van het besluit van de Regering met betrekking tot de handelingen en werken van geringe omvang en dit bij besluit van de Regering van 11 januari 1996; Dat de inhoud van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, die de gewestelijke stedenbouwkundige opties vertaalt, los staat van het verloop van de procedures voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen; Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat er specifieke en zeer uitvoerige studies hadden moeten worden verricht over meerdere kwesties waaronder meer bepaald de juridisch regeling van de binnenterreinen van de huizenblokken, de relaties tussen de binnen- en buitenzijde van de bouwwerken, de behandeling van de hoekpercelen; Terwijl het begrip binnenterrein van een huizenblok meer behoort tot de planning en het meer bepaald bestudeerd wordt in het raam van het gewestelijk bestemmingsplan; Dat dit begrip enkel vermeld wordt in titel I van de verordening in verband met de bouwdiepte en de materialen voor de gevelbekleding; Dat wat betreft de verhouding tussen de binnenzijde en de buitenzijde van de bouwwerken, enkel titel II (over de bewoonbaarheid van de woningen) deze problematiek aankaart; Dat afgezien van deze titel, de inrichting van de binnenzijde van de bouwwerken niet ter sprake komt in de verordening; Dat de gewijzigde Titel II beantwoordt aan de vragen die zich hieromtrent stellen in geval van renovatie van een oud gebouw, waarbij het merendeel van de bewoonbaarheidsnormen slechts van toepassing zijn als na te streven doelstellingen; Dat wat betreft de behandeling van hoekpercelen, hieraan op een gepaste wijze tegemoet gekomen wordt in artikel 4 § 2 van de verordening, die de moeilijkheden voortvloeiend uit de kleine afmeting van deze percelen en de inrichting van een voldoende open ruimte, wil verhelpen; Dat de bijzondere situatie van deze terreinen die de structuur van het huizenblok vormen en vanuit meerdere invalshoeken zichtbaar zijn, de verbeelding en de creativiteit van de ontwerpers zal stimuleren; Dat de verordening deze creativiteit voor de behandeling van de hoekpercelen enkel zou kunnen inperken middels de reeds bestaande beperkingen die een zekere harmonie ten aanzien van de naastliggende bouwwerken moeten waarborgen; Overwegende dat de gemeenten gewezen hebben op het risico dat zij de controle op een te gedetailleerde verordening niet meer kunnen waarborgen; Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening een synthese maakt van de verspreide en moeilijk toepasbare reglementeringen; Dat zij voor het Gewest een harmonieus stedenbouwkundig concept uitdenkt; Dat de controle erop door de gemeenten bijgevolg vereenvoudigd zou moeten worden; Dat, wanneer er geen verkavelingsvergunning noch een bijzonder bestemmingsplan bestaat, de gemeenten bij de controle bijgestaan worden door de gemachtigde ambtenaar; Dat door een gebrek aan een gewestelijke verordening het oordeel van de gemeenten bemoeilijkt wordt; Overwegende dat meerdere reclamanten de korte duur van het openbaar onderzoek betreuren; Terwijl het openbaar onderzoek gehouden werd overeenkomstig de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw en de toepassingsbesluiten ervan; Overwegende dat de Commissie kritiek heeft op de wijziging van artikel 171 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw door een ordonnantie van 23 november 1993 die een einde stelde aan de verplichting tot opsomming van de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die niet in overeenstemming zijn met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Terwijl het mechanisme zoals ingesteld bij de ordonnantie van 23 november 1993 niet wettelijk kan worden gewijzigd door de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat dit nieuw mechanisme overigens gerechtvaardigd is door de verscheidenheid en de veelheid aan verordenende bepalingen op gemeentelijk niveau; Dat het in die context vergeefs is er van uit te gaan dat een uitdrukkelijke opsomming van alle op te heffen of te wijzigen bepalingen gevrijwaard is van fouten of hiaten; Dat een dergelijk systeem, in de bijzondere context van talrijke en verscheidene gemeentelijke verordeningen, veel rechtsonzekerheid zou meebrengen; Dat het derhalve wijselijker zou zijn om de gemeenten in staat te stellen zich zelf te richten naar de gewestelijke verordening en bovendien te verwijzen naar artikel 171 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Dat er aldus natuurlijkerwijs een synthese van de bestaande gemeentelijke verordeningen tot stand zal komen; Overwegende dat de Commissie vreest dat de gemeenten door de invoering van nieuwe gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen opnieuw zorgen voor een complex karakter daar waar de gewestelijke stedenbouwkundige verordening precies een zekere eenheid van opvatting wou herstellen; Terwijl de verduidelijking van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening daarentegen inhoudt dat de gemeenten niet langer een aantal kwesties moeten reglementeren die reeds in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening vermeld staan en die derhalve in één instrument voor het Gewest vervat zitten; Dat de gemeenten de inhoud van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening moeten verfijnen of verduidelijken wanneer bijzonderheden op gemeentelijk vlak dit vereisen; Overwegende dat de Commissie vreest dat een te grote precisie van de voorschriften van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening leidt tot een toename van de aanvragen om afwijking die worden voorgelegd aan de gemachtigde ambtenaar en dat laatstgenoemde, die zijn advies moet uitbrengen binnen een uiterlijke termijn, wegens tijdsgebrek niet in staat zal zijn om in alle sereniteit een oordeel te vellen over de aanvragen waarover hij een voorafgaand advies moet uitbrengen, en nadien uitgereikte vergunningen moet opschorten waardoor de termijnen worden verlengd; Terwijl deze redenering berust op twee onjuiste vooronderstellingen; Dat het onjuist is dat de graad van detail van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening noodzakelijkerwijs zal leiden tot een toename van het aantal aanvragen om afwijking; Dat de betekenis van het begrip « detail » juist omschreven moet zijn; Dat een verordening gedetailleerd moet zijn om toepassing te vinden en om geen rechtsonzekerheid te doen ontstaan en dat deze precisie niet noodzakelijk staat voor een gebrek aan soepelheid; Dat afwijkingen slechts mogen worden aangevraagd in de onderstelling dat een aanvraag niet kan worden behandeld binnen het strikte kader van de verordening omwille van een bijzondere situatie; Dat dit soort situaties een uitzondering op de regel zijn, omdat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening opgemaakt is voor het merendeel der gevallen die zich kunnen voordoen; Dat het ten tweede onjuist is te veronderstellen dat de gemachtigde ambtenaar zich inderhaast moet uitspreken omwille van de uiterlijke termijn van 45 dagen waarover hij beschikt krachtens de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Overwegende dat de Commissie een aantal voorstellen formuleert met het oog op de versoepeling van de procedure tot afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen, met name door een vermindering van het aantal afwijkingen die onderworpen zijn aan het oordeel van de gemachtigde ambtenaar; Dat de Commissie aldus voorstelt een link te leggen tussen de begrippen « aantasting van de binnenterreinen van de huizenblokken » en « stedenbouwkundig karakter van het huizenblok of van het gebied », en misschien meer in het algemeen van « de goede ruimtelijke aanleg » en de overeenstemming met de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat de Commissie tevens het onontbeerlijk acht om een onderscheid te maken tussen de kleine en grote afwijkingen op de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Dit om te vermijden dat op een ietwat ongepaste wijze, alle dossiers die een aanvraag om afwijking omvatten naar de gemachtigde ambtenaar worden gestuurd; Terwijl die voorstellen, die zeker aandacht verdienen, in werkelijkheid een wijziging van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw vereisen; Dat zij niet kunnen worden opgenomen in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat niettemin daarmee rekening zal worden gehouden bij de wijziging van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw in de zin van een bijkomende vereenvoudiging van de procedures voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen; Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening gebaseerd is op een traditionele architecturale en stedenbouwkundige opvatting (huizenblok opgebouwd uit huizen met mandelige muren) die het niet voldoende mogelijk maakt rekening te houden met toestanden die kunnen verschillen in functie van de gemeenten en dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zich had kunnen inspireren op het schema van kaart 2 van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan dat bestaat in de opdeling van het gewestelijk grondgebied in grote stedelijke gebieden en de stedenbouwkundige werkelijkheid van elkeen van deze gebieden had kunnen integreren. Overwegende dat deze kritiek voornamelijk betrekking heeft op titel I betreffende de kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving en meer bepaald op de normen inzake de inplanting en het bouwprofiel van de bouwwerken; Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening geen planningsinstrument is; Dat aan het merendeel van die bijzonderheden kan worden tegemoet gekomen via bijzondere bestemmingsplannen waarvan krachtens artikel 170 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, de bepalingen voorrang hebben op die van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat voorts de grote stedelijke gebieden zoals aangeduid op kaart nr. 2 van het gewestelijk ontwikkelingsplan niet eenvormig zijn wat betreft het bouwprofiel en de inplanting van de bouwwerken; Dat binnen eenzelfde « groot stedelijk gebied » een geheel van open huizenblokken naast bouwwerken in gesloten bebouwing wel degelijk te vinden is; Dat derhalve de reglementering over het bouwprofiel en de inplanting van bouwwerken niet kan worden overgenomen voor de grote stedelijke gebieden die zijn aangeduid op kaart nr. 2 van het gewestelijk ontwikkelingsplan; Dat dezelfde opmerking opgaat voor de verdeling van de bestemmingen : een hoofdbestemming voor huisvesting en hoofdbestemming voor handel kunnen naas …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.