Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepa
Kort samengevat
Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening vast, die regels bevat voor bouwwerken en hun omgeving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om de leefkwaliteit, toegankelijkheid en energie-efficiëntie te verbeteren en de hinder van bouwplaatsen te beperken.
Wat het reguleert
- Kenmerken van bouwwerken en hun directe omgeving.
- Normen voor de bewoonbaarheid van woningen.
- Regels voor bouwplaatsen en de bescherming van voetgangers.
- Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit.
- Thermische isolatie van gebouwen.
- Reclame-inrichtingen en uithangborden.
- De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan.
Wie het aanbelangt
- Alle personen en entiteiten die handelingen en werken uitvoeren aan gebouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
- Gemeenteraden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die hun gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen moeten aanpassen.
Kernpunten
- De verordening is van toepassing op alle handelingen en werken, inclusief verbouwingen en bestemmingswijzigingen, en niet enkel op nieuwbouw.
- De verordening is ondergeschikt aan de plannen van aanleg (zoals het Gewestelijk Ontwikkelingsplan) en staat boven gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen.
- Gemeentelijke verordeningen die niet in overeenstemming zijn met deze Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening worden als opgeheven beschouwd.
- Gemeenteraden moeten hun verordeningen binnen 3 jaar aanpassen aan de inhoud van deze Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening.
- Titels I, II en IV zijn niet van toepassing op werken die enkel dienen voor het behoud van een bestaand bouwwerk, zolang deze het bouwwerk niet ingrijpend wijzigen.
Wettekst
3 JUNI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Gelet op de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw, inzonderheid op artikelen 164 tot 173; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031200 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende organisatie van een uitwisseling van wegen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeente Etterbeek type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031199 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende organisatie van een uitwisseling van wegen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Stad Brussel type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/04/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999031201 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende indeling van gemeentewegen bij de gewestwegen voor de Gemeente Vorst sluiten tot vastlegging van titels I tot VII van het ontwerp van de Gewestelijke stedenbouwkundige Verordening, met name : Titel I. Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving; Titel II. Bewoonbaarheidsnormen voor woningen; Titel III. Bouwplaatsen; Titel IV. Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met een beperkte mobiliteit; Titel V. Thermische isolatie van de gebouwen; Titel VI. Reclame en uithangborden; Titel VII. De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan. Gelet op de bezwaarschriften en de bemerkingen naar aanleiding van de openbare onderzoeken die plaatshadden van 19 november tot en met 21 december 1998 en die zijn gevoegd bij dit besluit; Gelet op de adviezen van de gemeenteraden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die werden uitgebracht binnen de wettelijke termijn bedoeld in artikel 165, §§ 2 en 4, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, met name Oudergem, Koekelberg, Etterbeek, Evere, Brussel, Schaarbeek, Watermaal-Bosvoorde, Sint-Lambrechts-Woluwe en Ukkel; Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 19 januari 1999, van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 11 januari 1999, van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 14 januari 1999 en van de Adviescommissie voor de Studie en de Verbetering van het Openbaar Vervoer van 14 januari 1999; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, uitgebracht op 22 februari 1999; Gelet op het advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 februari 1999, ingevolge de bekendmaking van titels III en V overeenkomstig richtlijn 98/34/EG van 22 juni 1998 betreffende de procedure voor technische normen en technische regelgeving; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 26 mei 1999, krachtens artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; I. MEMORIE VAN TOELICHTING A. ALGEMENE CONTEXT De talrijke stedenbouwkundige verordeningen die in Brussel door de verschillende overheden zijn goedgekeurd, handelden over uiteenlopende onderwerpen zoals : - de bewoonbaarheid, het behoud en de esthetiek van de bouwwerken, de installaties en hun naaste omgeving; - de veiligheid ervan en meer bepaald de bescherming tegen brand en waterschade. Hierbij komen nog de beschouwingen over de thermische en geluidskwaliteit van de bouwwerken, over de energie en de energiebesparing, de wegen, de aansluiting van de woningen op het water- en electriciteitsnet, enz Sommige van deze zeer oude verordeningen zijn thans niet meer up-to-date en worden niet meer systematisch gebruikt, hoewel zij juridisch in voege blijven. Zo zijn er bijvoorbeeld de gemeentelijke verordeningen van Watermaal-Bosvoorde (1902, nooit bijgewerkt), van Sint-Gillis (1911, gewijzigd in 1965) of van Vorst (1911, bijgewerkt in 1927). De gewestelijke stedenbouwkundige verordening, de hoogste wettelijke referentie terzake in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vormt de aanvulling van een hedendaags juridisch arsenaal waarmee in 1991met de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw werd begonnen. Meerdere aspecten moeten op gewestelijk niveau worden gereglementeerd. De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening (GSV) bestaat uit de volgende titels : Titel I. Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving; Titel II. Bewoonbaarheidsnormen van de woningen; Titel III. Bouwplaatsen; Titel IV. Toegankelijkheid van de gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit; Titel V. Thermische isolatie van de gebouwen; Titel VI. Reclame-inrichtingen en uithangborden; Titel VII. De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan; De GSV vervangt de Bouwverordening van de Brusselse agglomeratie, die door dit besluit wordt opgeheven. In de hiërarchie van de juridische normen, zoals opgesteld bij de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, is de GSV ondergeschikt aan de plannen van aanleg (Gewestelijk Ontwikkelingsplan, Gewestelijk Bestemmingsplan en Bijzondere Bestemmingsplannen) en staat ze boven de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Met andere woorden, de GSV is enkel van toepassing bij ontstentenis van een tegenstrijdige bepaling in de geldende plannen van aanleg (artikel 170 van de ordonnantie). Bovendien worden de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die niet in overeenstemming zijn met de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening beschouwd als zijnde opgeheven (artikel 171 van de ordonnantie). Overeenkomstig artikel 172 van de ordonnantie moeten de gemeenteraden de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen aanpassen aan de inhoud van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening binnen de termijn van 3 jaar die hen door de regering is toegekend. B. TITELS I tot V I. De hoofddoelstellingen Titel I Titel I verzekert de naleving van het architecturaal karakter van de stadswijken door de bestaande bouwstructuur te eerbiedigen om zo een zekere harmonie te behouden en stadsgedeelten te scheppen die op elkaar aansluiten. Het streven naar het behoud en de verbetering van de leefkwaliteit is eveneens een hoofddoel van deze titel. Op het binnenterrein van het huizenblok wordt de leefkwaliteit gewaarborgd door regels inzake de maximumdiepte van de bouwwerken, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de afmetingen van het terrein als met de diepte van de naastliggende bouwwerken. De regels over de naaste omgeving van de bouwwerken en, meer bepaald, over de inspringstroken, dragen tevens bij tot de bescherming van de leefkwaliteit : het aanmoedigen van beplanting en groen, de beperking van parkeerplaatsen op de inspringstrook,... Sommige maatregelen doelen op de bescherming van het uitzicht en het aangenaam karakter van de gevels (verwerking van de regenpijpen, verschillende draden en kabels in de gevels, verbod op blinde beneden-verdiepingen...) zonder evenwel de creativiteit van de architecten te beknotten door al te beperkende normen. Via andere bepalingen wordt, in bepaalde winkelbuurten, de strijd aangebonden tegen de groei van echte kankers op de bovenverdiepingen, te wijten aan de leegstand boven deze winkels : titel I verplicht hiertoe een aparte ingang naar de bovenverdiepingen bij de bouw of de inrichting van een commerciële benedenverdieping, behalve wanneer de uitbater bewijst dat hij de bovenverdieping bewoont. Titel II Deze titel legt, wat betreft de eisen voor een zekere leefkwaliteit, bewoonbaarheidsnormen op voor nieuwe woningen alsook voor de verbouwingen aan oude woningen. De Regering ontvangt thans immers meer en meer aanvragen voor de verbouwing van woningen en lokalen die niet langer beantwoorden aan de hedendaagse bewoonbaarheidsnormen. Wat betreft de minimumoppervlakten voor woningen zijn de gekozen normen gebaseerd op de sociale huisvestingscriteria. Andere maatregelen hebben betrekking op gebouwen met meer dan een woning waar specifieke problemen rijzen wegens de geringe grootte van de beoogde woningen (gebrek aan opbergruimten zoals een kelder of een zolder) en de nood om gezamenlijk bepaalde zaken te beheren (huisvuil, schoonmaak van de gemeenschappelijke delen,...). Titel III Titel III bepaalt de regels inzake het beheer van de bouwplaatsen, hun voorzieningen, de bescherming van het voetgangersverkeer, de opslag van materialen en de plaatsing van bouwmachines en -voertuigen die niet vallen onder de toepassing van de regels die zijn genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit alles om de hinder die de bouwplaatsen veroorzaken, in te perken zowel ten aanzien van de onwonenden als van het verkeer. Titel IV Deze titel, die zowel betrekking heeft op de openbare als privé-gebouwen (winkels, kantoorgebouwen,...), legt verscheidene normen op inzake de toegang en sommige voorzieningen in gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit, met een kinderwagen, een handicap of mensen die zich moeilijk kunnen verplaatsen. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat deze mensen beter geïntegreerd raken in het moderne leven. De toegang van personen met beperkte mobiliteit wordt opgelegd zowel wat betreft de verplaatsingen naar deze gebouwen als daarbinnen. Men moet bouwen voor iedereen, met het doel de andere beter te begrijpen en maatschappelijke uitsluiting van alle actoren te vermijden. Titel V Deze titel zet de Europese richtlijn 93/76/EEG van 13 september 1993 inzake de beperking van koolstofdioxide-emmissies door een betere energie-efficiëntie, om naar Belgisch recht. De thermische isolatie van de gebouwen maakt het mogelijk energie te besparen, wat goed is voor wereldecologie, uitgaven te verminderen (nationale economie en privé-budgetten) alsook meer comfort te hebben. De gekozen normen zijn gebaseerd op de NBN B 62-norm, die door de mensen uit de bouwsector gebruikt worden. Deze normen worden trouwens reeds toegepast in het Waals en het Vlaams Gewest. Komen ter sprake de schoolgebouwen, de woongebouwen (individuele en collectieve woningen, ziekenhuizen, gevangenissen, kazernes,...) en de kantoorgebouwen (besturen, dienstenbedrijven,...) II. Het toepassingsgebied II.1. Titels I, II, IV en V II.1.1. Algemene regel Alle werken en handelingen De meeste handelingen en werken in Brussel gebeuren aan bestaande gebouwen. De stedelijke sanerings- en verfraaiingsdoeleinden die door de GSV worden nagestreefd, zouden niet bereikt worden als de toepassing enkel beperkt zou blijven tot de nieuwbouw. Titels I, II, IV en V van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zijn dus van toepassing op alle handelingen en werken bedoeld in artikel 84 van de OPS, met inbegrip van de verbouwingswerken, de bestemmingswijziging en de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is. In titel V betreffende de thermische isolatie van de gebouwen is evenwel geen sprake van de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is, omdat deze werken in principe geen invloed hebben op de thermische isolatie. Het toepassingsgebied van titels IV en V is verder uitgewerkt naargelang de nagestreefde doelstellingen : enkel de handelingen en werken voor bepaalde categorieën bouwwerken worden erin bedoeld. Alleen de handelingen en werken Titels I, II, IV en V hebben alleen betrekking op de handelingen en werken; dit betekent dat bij werken aan een bestaand gebouw, dit gebouw niet volledig aan de verordening moet worden aangepast. Als deze handelingen en werken evenwel tot gevolg hebben dat andere delen van het gebouw niet in overeenstemming zijn met de verordening, kan de overheid die de stedenbouwkundige vergunning uitreikt op grond van het beginsel van de goede ruimtelijke ordening ofwel de stedenbouwkundige vergunning weigeren, ofwel de afgifte ervan koppelen aan voorwaarden die de negatieve invloed van de handelingen en werken op de andere delen van het gebouw beperken of wegwerken. Bijvoorbeeld : Als de werken aan een woning voor de toevoeging van een kamer en suite, uitbreiding vinden naar de tuin, is het mogelijk dat door deze werken minder licht doorgelaten wordt in de andere vertrekken in het midden van het gebouw, zodat de eisen in titel II (Bewoonbaarheidsnormen van de gebouwen) niet meer worden nageleefd. In dit geval kan de overheid ofwel de vergunning weigeren, hoewel de werken zelf perfect in overeenstemming kunnen zijn met de verordening, ofwel een voorwaarde koppelen aan de afgifte van de vergunning, namelijk dat de oppervlakte wordt vergroot zodat er meer natuurlijk licht binnenvalt. II.1.2. Afzwakking van de algemene regel voor werken aan bestaande bouwwerken Beginsel van de verworven rechten Bij verbouwingswerken aan een bestaand bouwwerk is de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening dus van toepassing, onder voorbehoud van het beginsel van de verworven rechten. Titels I, II en IV van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zijn niet van toepassing op de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk voor zover de werken bestemd zijn voor het behoud ervan en voor zover ze dit bouwwerk niet ingrijpend wijzigen. Wat verstaat men onder « ingrijpend wijzigen » ? Het is evident dat alle werken aan een bestaand bouwwerk dit iets of wat wijzigen. Onder het begrip « ingrijpend wijzigen » verstaat men alle handelingen en werken die het gebouw zodanig wijzigen dat het niet meer overeenstemt met wat oorspronkelijk is toegelaten zoals weergegeven bijvoorbeeld in de plannen die gevoegd zijn bij de eerste stedenbouwkundige vergunnings-aanvraag. Dit is onder meer het geval bij uitbreidingen of bij de bouw van een bijkomende verdieping, de inrichting van nieuwe kamers, de wijziging van de bestemmingen of van de indeling ervan,... Deze werken, die het bouwwerk « ingrijpend wijzigen », worden in de verordening bedoeld. De werken en handelingen voor het behoud van het bestaand bouwwerk, zonder dit ingrijpend te wijzigen, vallen daarentegen niet onder het toepassingsgebied van de GSV. Dit is zo bij handelingen en werken zoals de herstelling van het dak of het onderhoud van de gevel of nog de renovatie zonder wijziging van de structuur van het gebouw noch van de bestemming van de lokalen. Bijzondere regels in bepaalde artikelen van titel II (Bewoonbaarheidsnormen van de gebouwen) Sommige artikelen van titel II voorzien in bijzondere regels bij verbouwingswerken aan een bestaand bouwwerk. Men wil vermijden dat bepaalde renovatiewerken die onder het toepassingsgebied van de GSV vallen (werken die niet louter streven naar het behoud van het bouwwerk) en die de woning zichtbaar kunnen verbeteren, hoewel zij niet conform bepaalde normen van titel II zijn op de helling komen te staan. Het gaat om de minimum oppervlaktenormen voor iedere kamer van de woning en de vrije hoogte onder het plafond : bij verbouwingswerken zijn deze normen meer een streefdoel dan een absolute norm. II.2. Titel III Titel III is van toepassing op alle bouwplaatsen, met uitzondering van deze waarop de regels van toepassing zijn genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.. Titel III behandelt niet de uitbatingsvoorwaarden van de bouwplaatsen inzoverre deze zijn vastgesteld krachtens artikel 6 van de ordonnantie betreffende de milieuvergunningen. C. TITEL VI I. De doelstellingen van de verordening Titel VI van de GSV heeft als doel om, voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de beginselen te bepalen wat betreft de organisatie van de reclame-inrichtingen en de uithangborden die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, en die het stadsbeeld een bepaald karakter geven. Hij streeft naar een integratie van de reclame in het stedelijk landschap en wil de gezichtshinder vermijden, geheel rekening houdend met de gevolgen van deze sector voor de gewestelijke economie. Deze titel draagt, door de regels die hij uitvaardigt, bij tot het doel van de Regering om het stedelijk erfgoed te beschermen. De bescherming van de bewoonbaarheid van de woningen werd eveneens behandeld in sommige bepalingen (bij de uithangborden, inachtneming van een zekere afstand ten aanzien van de mandelige grenzen; verbod van reclame of uithangborden op gehelen of delen van gevelopeningen; verbod van lichtgevende reclame in de buurt van een venster van een woning, ... ). II. Het toepassingsgebied Titel VI beoogt alle handelingen en werken aangaande de plaatsing van reclame-inrichtingen en uithangborden, met inbegrip van de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen voorafgaande stedenbouwkundige vergunning vereist is. Hij is van toepassing op de handelingen en werken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, zelfs wanneer deze zich op een privaat terrein bevinden. Reclame is gedefinieerd als een opschrift, vorm of beeld, met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut. Een uithangbord is gedefinieerd als een opschrift, vorm of beeld geplaatst op een onroerend goed en dat betrekking heeft op de activiteit die er uitgeoefend wordt, uitgezonderd de vermeldingen ten gunste van derden, zoals de aanduiding van een merknaam of de producten ervan. Alle reclameboodschappen en die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, en die geplaatst zijn op een drager, een bouwwerk of een vaste inrichting uithangborden worden aldus bedoeld, uitgezonderd de reclameboodschappen op voertuigen of vliegtuigen die niet vallen onder stedenbouw. III. De bestaande reglementering Voor de reclame-inrichtingen en de uithangborden is een stedenbouwkundige vergunning van beperkte duur nodig krachtens artikelen 84 § 1, 1° en 88, 1° van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. Deze materie werd tot op heden al dan niet rechtstreeks geregeld door verscheidene bepalingen met al dan niet verordenende waarde. Voor het Gewest zijn dit onder meer de volgende bepalingen : het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP) (richting-gevende bepalingen : Bijlage I, « Krachtlijnen », punt 6.1.1, blz. 82); de ordonnantie van 4 maart 1993 betreffende de bescherming van het onroerend erfgoed; de koninklijke besluiten van 5 december 1957, 8 januari 1958, 14 december 1959 en 1 maart 1960 tot regeling van de aanplakking en van de reclame; het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 26 november 1992 betreffende de stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur; de omzendbrief nr. 007 van 1 oktober 1997 aangaande de richtlijnen voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur voor reclame-inrichtingen en uithangborden. Op gemeentelijk vlak vindt men : de bijzondere bestemmingsplannen en de verkavelingsvergunningen; de algemene bouwverordening voor de wijken rond de Ambiorixsquare en het Jubelpark; de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Het GewOP brengt de kwestie ter sprake in het raam van de herinrichting van de structurerende ruimten. Deze bepalingen hebben evenwel een richtinggevende waarde en gelden slechts voor een deel van het gewestelijk grondgebied. De ordonnantie van 4 maart 1993 haalt de kwestie slechts onrechtstreeks aan en dit enkel via de bescherming van het onroerend erfgoed dat beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven is. De koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960 regelen de reclame en de aanplakking op bepaalde plaatsen en openbare wegen (« toeristische verkeerswegen ») die zijn aangeduid door de Koning. Het besluit van de Executieve van 26 november 1992 regelt slechts de duur van de stedenbouwkundige vergunningen voor reclame en uithangborden. De bestaande reglementen op gemeentelijk vlak (BBP's en verkavelingsvergunningen, gemeentelijke stedenbouwkun-dige verordeningen) behandelenen de materie voornamelijk op lokaal vlak. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestond er derhalve geen duidelijke en uniforme definitie voor de verordenende beginselen die op het hele grondgebied zouden worden toegepast inzake reclame en uithangborden. Door het plaatselijk optreden van de overheden ter zake kon daarenboven, bij gebrek aan een algemene aanpak van de kwestie, geen rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen van de reglementering op de gewestelijke economie; Rekening houdend met de rol van Brussel op internationaal vlak (zetel van de Europese instellingen en van talrijke andere internationale instellingen en organen, internationale economische markt, toeristisch centrum) en met de economische belangen aangaande de reclame, is het onontbeerlijk de bestaande normen op elkaar af te stemmen en de algemene beginselen voor het hele grondgebied vast te leggen; Om de hoofdbeginselen voor het Gewest in een geheel te gieten, is het met name aangewezen over te gaan tot de opheffing van de koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960, van de bepaling van het besluit van 26 november 1992 betreffende de reclame-inrichtingen en de uithangborden en deze te vervangen door één tekst. IV. De beginselen II.1. De inhoud Titel VI van de GSV vult de door het GewOP, in het richtinggevend luik, onder de titel « herinrichting van de structurerende ruimten » aangehaalde beginselen aan en verduidelijkt deze. Met het oog op de bescherming van de stadsvolumes voorziet Titel VI dat de reclame-inrichtingen en de uithangborden moeten passen in de stad en de vormen van de gebouwen niet mogen overschrijden noch wijzigen. Reclame op een topgevel mag aldus de uiteinden ervan niet overschrijden en moet gelijk lopen met de topgevel. In de openbare ruimte zal de reclame beperkt zijn in aantal en grootte en moet ze voldoen aan criteria voor het behoud van het stedelijk landschap. Het ontwerp verbiedt, in de regel, reclame op beschermde of op de bewaarlijst ingeschreven monumenten of landschappen, evenals in hun beschermingsperimeter, in de groene ruimten en op bomen. Titel VI houdt voorts een bijzondere plaats vrij voor gelegenheidsreclame. Wat betreft de uithangborden, onderscheidt de verordening vier soorten uithangborden : de uithangborden die gelijklopen met een gevel of topgevel; de uithangborden die haaks op de gevel staan; de uithangborden op daken of dakterrassen ervan; de uithangborden op een voet of in de grond vastgemaakt. Voor elk van deze categorieën van uithangborden bepaalt titel VI regels die in hoofdzaak dienen voor de harmonieuze integratie van de uithangborden in de stad (hetzij ten aanzien van de verhoudingen van het gebouw waarop ze zijn aangebracht of ten aanzien van het type wijk) en voor de bescherming van de woonomgeving. Titel VI bevat eveneens normen voor de plaatsing van tijdelijke uithangborden of reclame, zoals vastgoed- en werfpanelen of schragen. Deze normen streven dezelfde doelstellingen na als deze voor de uithangborden. II.2. De gebieden van het gewestelijk grondgebied De reglementering is aangepast aan de functies die elke wijk vervult : zelfde maatregelen zijn niet verantwoord in een winkelbuurt, bijvoorbeeld, of in een perimeter van cultureel, historisch of esthetisch belang of voor stadsverfraaiing, zoals bedoeld in het GewOP of het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP); Titel VI past de reglementering daartoe stelselmatig aan in functie van de vier gebieden van het gewestelijk grondgebied, waarin de voorschriften van zeer beperkend tot zeer soepel gaan; 1° het verboden gebied;2° het beperkt gebied;3° het algemeen gebied;4° het uitgebreid gebied. Het verboden gebied omvat onder meer het merendeel van de toeristische verkeerswegen in de zin van de koninklijke besluiten van 1957, 1958, 1959 en 1960 en de wegen langsheen of doorheen de groene ruimten, met uitzondering van de uithangborden in de linten voor handelskernen van het GBP; Reclame is in dit gebied verboden en de uithangborden zijn sterk gereglementeerd; Het beperkt gebied omvat volgens het GewOP en het GBP de perimeters van cultureel, historisch of esthetisch belang of voor stadsverfraaiing, uitgezonderd van de uithangborden die volgens het GBP in linten voor handelskernen liggen; Dit gebied onderscheidt zich door kwantitatieve criteria (bijvoorbeeld : vermindering van het aantal panelen per oppervlakte-eenheid, vermindering van de oppervlakte per eenheid of door kwalitatieve criteria (bijvoorbeeld : inrichtingen plaatsen op 0.5meter van het uiteinde van de topgevel) van de andere twee gebieden waar reclame wel toegelaten is; Het algemeen gebied beslaat het hele grondgebied van het Gewest dat niet tot de andere drie gebieden behoort en, wat betreft de uithangborden, de linten voor handelskernen van het ontwerp van GBP; Het uitgebreid gebied omvat de delen van het grondgebied met een industrieel of gemengd karakter; Het uitgebreid gebied hanteert dezelfde principes qua goede aanleg als het algemeen gebied, met verschillen van kwantitatieve aard : het aantal toegelaten panelen per oppervlakte-eenheid ligt hoger, de oppervlakte per eenheid ligt hoger. Kwalitatief gezien zijn reclamepanelen toegelaten op niet-bebouwde terreinen, hetgeen niet het geval is in het algemeen gebied; D. TITEL VII I. Doelstellingen van de regelgeving De goede aanleg van de openbare ruimten is essentieel voor de evenwichtige ontwikkeling van de stad. Het gewestelijk ontwikkelingsplan ziet deze aanleg op basis van twee assen : de herinrichting van de structurerende ruimten; de specialisatie van de wegen. Het geeft eveneens een reeks aanbevelingen voor de « goede plaatselijke aanleg » door bijvoorbeeld rekening te houden met de adviezen uit het « Handboek van de openbare ruimten ». Titel VII wil, op basis van het GewOP, minimale basisregels opleggen die in acht moeten worden genomen opdat de weg juist zou worden aangelegd voor alle weggebruikers. Deze titel is dus geen nieuwe catalogus met adviezen en aanbevelingen noch een handboek of gebruiksaanwijzing voor de inrichters van de openbare ruimten. II. Toepassingsgebied Titel VII is van toepassing op de handeling en werken aan de wegen, dit wil zeggen de landwegen die dienen voor het verkeer van personen, met uitzondering van de spoorwegen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is. De controle op de uitvoering van de regels voor de goede aanleg der wegen gebeurt immers in hoofdzaak bij de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen. In de vergunning kunnen met redenen omklede afwijkingen worden toegestaan wanneer de plaatselijke omstandigheden dit noodzakelijk maken. Voorts zijn een groot aantal werken van geringe omvang vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning bij het besluit van de Regering van 11 januari 1996 en zijn dus niet aan controle onderworpen. Deze kleine werken komen voor het overgrote deel ten goede van de inrichting van de openbare ruimten en het is niet aangewezen om deze aanpassingen af te remmen door een stedenbouwkundige vergunning op te leggen. Er wordt evenwel vastgesteld dat sommige werken van geringe omvang in zekere mate niet ten goede komen van de kwaliteit van de openbare ruimte. Titel VII is eveneens van toepassing op deze handelingen en werken.. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van het besluit van 11 januari 1996 zijn de handelingen en werken van geringe omvang aan wegen immers enkel vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning als deze niet afwijken van de wettelijke en reglementaire bepalingen. Als de handelingen en werken de voorschriften van titel VII naleven, blijven ze vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning en kunnen ze zonder verdere vormvereisten worden uitgevoerd. De handelingen en werken van geringe omvang die de voorschriften van deze titel daarentegen niet naleven, zelfs als er een geldige reden voor is, zijn onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning. Worden deze uitgevoerd vóór de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning waarin uitdrukkelijk toelating gegeven wordt voor de afwijkingen die omwille van de plaatselijke omstandigheden noodzakelijk zijn, dan zijn deze in overtreding. III. De bestaande regelgeving Thans bestaat er nog geen enkele algemene regelgeving voor de aanleg van de wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan, genomen met toepassing van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1985 houdende de uitvaardiging van een algemene bouwverordening betreffende de aanleg van de voetgangerswegen is evenwel van toepassing op de wegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het overgrote deel van de bepalingen van dit besluit, dat derhalve is opgeheven, is overgenomen in titel VII. Het ministerieel besluit van 12 augustus 1982 tot vaststelling, voor het Brussels Gewest, van de voorwaarden voor de toegankelijkheid voor alle weggebruikers van de voetgangerswegen die door de gemeenten worden gesubsidieerd, heeft als doel de gemeenten te verplichten hun trottoirs aan te passen om de toegankelijkheid voor de personen met beperkte mobiliteit tijdens door het gewest gesubsidieerde werken te vergemakkelijken. De bepalingen van dit besluit, dat is opgeheven, zijn overgenomen in de titel en zijn voortaan verplicht voor alle werken aan trottoirs, of deze nu gesubsidieerd zijn of niet. IV. De inhoud Afdeling 1. - Algemeen Voor een goede aanleg van de wegen dient eerst gekeken te worden naar de doelstellingen van deze aanleg. Artikel 3 bepaalt hiervan het kader. De overheid die de stedenbouwkundige vergunningen uitreikt moet in haar motiviatie rekening houden met de inhoud van dit artikel wanneer zij een stedenbouwkundige vergunning uitreikt of weigert. Afdeling 2. - Voetgangersweg De bepalingen van artikel 4 zijn overgenomen uit het besluit van 21 oktober 1985 en streven naar een minimum aan comfort en veiligheid voor de voetgangers door de trottoirs vrij van hindernissen te maken. Artikel 5 bepaalt de maximumhoogte van de stoepranden, hoewel betrouwbaardere waarden doorgaans aanbevolen zijn. In sommige oude wijken van het stadscentrum of in enkele zeldzame gevallen waar het reliëf dit noodzakelijk maakt, is een trap tussen het trottoir en de rijweg verplicht zodat de stoepranden niet hoger zijn dan 0,18m. Artikel 6 zorgt voor het comfort en de veiligheid van de voetgangers die de rijweg moeten oversteken op een zebrapad dat is aangeduid volgens de bepalingen van het verkeersreglement. Het wil tevens omleggingen voor voetgangers vermijden, maar het is niet altijd mogelijk of wenselijk om een perfect rechte weg te hebben. De verbreding van het trottoir is beperkt tot 1,70m. De verbreding van het trottoir op de hoeken van kruispunten is immers een uitstekende methode om het zicht van de voetganger die gaat oversteken te verbeteren, maar een te grote verbreding op de rijweg hindert het normale traject van de fietser. De bepalingen aangaande de overgang tussen het trottoir en de rijweg hebben als doel de toegang naar het trottoir te verzekeren voor personen met beperkte mobiliteit en vinden hun oorsprong in de inhoud van het ministerieel besluit van 12 augustus 1982. De bepalingen van artikel 7 hebben als doel de trottoirs langs de berijdbare opritten naar de onroerende goederen van de buurtbewoners uniform te maken en te zorgen dat de doorgang van voetgangers comfortabel verloopt; het trottoir moet op zijn zelfde niveau behouden, waarbij de aanleg de bereikbaarheid van de berijdbare opritten voor autovoertuigen garandeert. Afdeling 3. - Snelheidsbeperkende voorzieningen Artikel 8 moet ervoor zorgen dat de snelheidsbeperkende voorzieningen die niet conform het verkeersreglement en het reglement van de beheerder zijn, in de stedenbouwkundige regelgeving worden ingevoegd. Gezien deze voorzieningen inmers vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, is er geen inbreuk op de stedenbouwkundige regelgeving voor een voorziening die niet conform het reglement van de politie op het wegverkeer is als deze terzelfdertijd ook niet afwijkt van een bepaling uit de stedenbouwkundige verordening. Dit artikel synchroniseert dus de inbreuken op twee regelgevingen met een verschillend toepassingsgebied. Artikel 8 heeft eveneens betrekking op de ligging van de snelheidsbeperkende voorzieningen en de kwaliteit van hun aanleg, twee domeinen die tot het toepassingsgebied van de stedenbouwkundige verordening behoren. Afdeling 4. - Lichte tweewielers Titel VII is geen norm die moet worden gevolgd voor de uitvoering van voorzieningen voor lichte tweewielers. De bedenker van een dergelijke voorziening zal zich hiervoor baseren op de publicaties van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid. Wat betreft de tweewielers heeft Titel VII als doel de fietspaden te beschermen tegen de plaatsing van hindernissen zoals verkeerstekens of wegwijzers, verlichtingspalen, kasten van concessiehouders, enz.; hierbij wordt een centrale zuil geplaatst aan de paden als bescherming tegen rijdende of stilstaande voertuigen. Dit heeft als gevolg dat iedere hindernis op een fietspad een overtreding vormt als hiervoor geen stedenbouwkundige vergunning met een gemotiveerde afwijking is uitgereikt. Dit deel gaat tevens over de invoeging van de tweewielers in het algemeen verkeer op het einde van een fietspad. Deze invoeging is gevaarlijk als de overgang niet correct gebeurt Het is ook verplicht dat de overgang van de rijweg naar het trottoir moet gebeuren zonder enig hoogteverschil. Afdeling 5. - Parkeren De verplichte ligging van de afvoergoot tussen de parkeerstrook en de rijweg gebeurt met het oog op de gemakkelijkere reiniging van deze afvoergoot en de straatkolken, die minder goed bereikbaar zijn indien ze gelegen zijn langs het trottoir. Bij schuin of loodrecht parkeren langs een trottoir gebeurt het vaak dat een onachtzame bestuurder zijn voertuig te ver naar voren rijdt en zo komt te staan op het zebrapad, zoals beschreven in artikel 4. Artikel 14 voorziet in de bescherming van de voetgangersweg aan de hand van een anti-parkeervoorziening. De meest verscheidene anti-parkeervoorzieningen duiken op in de openbare ruimte. Artikel 15 wil de plaatsing van deze voorzieningen reglementeren om de gevolgen ervan op de zichtbaarheid te beperken; ze moeten evenwel een doeltreffend middel blijven vormen tegen foutief parkeren. Afdeling 6. - Openbaar vervoer Artikel 16 handelt over de aanleg van haltes zoals voor de MIVB, met plaatselijke onderbreking van de parkeerstrook, een verbreding van het trottoir, de ophoging van de stoeprand en de plaatsing van een wachthuisje voor de reizigers ter bescherming tegen het slechte weer. Artikel 17 streeft naar een grotere veiligheid van de tweewielers. Wanneer er tramsporen lopen in een smalle weg, dan moeten de fietsers vaak tussen de sporen rijden. Hierdoor houden ze het verkeer op en komen ze onder druk te staan om af te stappen aan het trottoir en de voertuigen voorbij te laten rijden. Dit manoeuver kan enkel maar veilig gebeuren als de afstand tussen het tramspoor en de stoeprand van het trottoir 0.80m bedraagt. Als door de plaatselijke omstandigheden deze breedte niet haalbaar is, kan via een vergunning een afwijking worden toegestaan. Afdeling 7. - Hoogstammige bomen Bomen hoger dan 6m langs de weg hebben een esthetische waarde en spelen een belangrijke rol in het behoud van de flora in de stad. Het is dus noodzakelijk hiervoor de minimumvoorwaarden te bepalen voor de planting ervan (art. 18), de verzorging van deze planting (art. 19) en de bescherming ervan (art. 20) zodat deze bomen op een juiste wijze groeien. Kleinere bomen worden niet aangehaald in de regelgeving, omdat de ervaring heeft geleerd dat de wegbeheerders erin slagen kleine bomen op het trottoir te planten in zeer moeilijke omstandigheden. Deze kleine bomen kennen over het algemeen een normale groei en hebben een grote decoratieve waarde. Daarom is het niet aangewezen beperkende regels op te leggen die de planting van deze kleine bomen op de trottoirs kunnen afremmen. Afdeling 8. - Wegbebakening Het verkeersreglement en het reglement van de wegbeheerder bepalen de minimumafmetingen en de bijzondere voorwaarden voor de plaatsing van verkeerstekens. De bepalingen van deze reglementen geven de overheid die de weg beheert vaak een zekere vrijheid. De voorwerpen die zijn vastgemaakt in de grond of op gebouwen en waarop de verkeerstekens komen, zijn onderworpen aan de stedenbouwkundige regelgeving. Het doel van deze bepalingen is te zorgen voor meer fraaiheid in de stad aan de hand van regels die de vrijheidsmarge in het verkeersreglement en het reglement van de beheerder opvullen. Wat betreft de bewegwijzering, wil men hier de wegbeheerders een algemeen plan laten aannemen voor de bewegwijzering op alle wegen die onder hun beheer vallen. Zolang dit plan niet is aangenomen, is voor de plaatsing van bewegwijzering een stedenbouwkundige vergunning nodig. Afdeling 9. - Stadsmeubilair Artikel 24 streeft naar het behoud van de veiligheid en het comfort van de weggebruikers bij de plaatsing van stadsmeubilair, met name door de oplegging van een minimumafstand vanaf de rand van de rijweg zodat contact met de voertuigen vermeden wordt. Met artikel 25 wil men de wegbeheerders verplichten enkele minimumbepalingen in acht te nemen voor de bescherming van de stedelijke esthetiek bij de plaatsing van dit meubilair. Afdeling 10. - Verlichting De verlichting dient niet enkel voor de openbare veiligheid, maar wordt ook meer en meer gezien als een middel om het imago van de stad te verbeteren. Met de verplichte maximumhoogte van 9m voor de lichten wil men de aanbevelingen uit het « Handboek van de openbare ruimten » en van het « Lichtplan », die door het Gewest zijn goedgekeurd, als norm hanteren. In sommige gevallen is een grotere hoote verantwoord, maar dit kan enkel via een gemotiveerde afwijking in een stedenbouwkundige vergunning toegestaan worden. Afdeling 11. - Gelegenheidsdecoratie Volgens de definitie uit artikel 2 is de gelegenheidsdecoratie niet de drager van reclame; in dit geval is ze gedefinieerd als gelegenheidsreclame onderworpen aan de bepalingen uit titel VI. Bij dit soort gelegenheidsdecoratie hoort bijvoorbeeld de eindejaarsdecoratie die krachtens artikel 27 toegelaten is van 25 november tot 16 januari. II. MOTIVATIE A DE GEWESTELIJKE VERORDENING EN TITELS I TOT V I. Algemene opmerkingen Overwegende dat de Regering in het aan de Raad van State verstuurde ontwerpbesluit van oordeel was dat de adviezen van de gemeenteraden die zijn uitgebracht buiten de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 165, § 2, tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, gunstig geacht zouden moeten worden; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies daarentegen van oordeel is dat artikel 165, § 2, tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw opgesteld is in die zin dat de adviezen enkel uitgebracht moeten worden binnen de termijn van dertig dagen en binnen een redelijke termijn moeten worden verzonden; dat de adviezen van de gemeenten Oudergem, Schaarbeek en Watermaal-Bosvoorde bijgevolg in aanmerking moeten worden genomen; Overwegende dat de Regering derhalve rekening heeft genomen met deze adviezen; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies de vraag stelt of de adviezen van deze drie gemeenten naar de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (hierna de Commissie genoemd) zijn verzonden; Terwijl deze adviezen wel degelijk zijn verzonden; dat hieraan niet mag getwijfeld worden inzoverre enerzijds in de briefwisseling van 2 april van de Commissie gemeld wordt dat het volledig dossier op 27 januari 1999 is ontvangen en anderzijds het advies zelf van de Commissie (zowel het eentalig advies verzonden op 25 februari 1999 als het tweetalig advies verzonden op 22 april 1999) uitdrukkelijk verwijst naar de adviezen van de gemeenten Oudergem, Schaarbeek en Watermaal-Bosvoorde; Overwegende dat de Regering in het ontwerpbesluit dat zij verzond naar de Raad van State stelde dat zij van oordeel was dat het advies van de Commissie als gunstig moest worden beschouwd inzoverre de tweetalige en ondertekende versie van het advies niet was verzonden binnen de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 165, § 2, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991; Overwegende dat de Raad van State in zijn advies daarentegen van oordeel is dat artikel 165, § 2, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw opgesteld is in de zin dat het advies enkel uitgebracht moet worden binnen de termijn van dertig dagen zodat de tweetalige en ondertekende versie ervan pas later mag verzonden worden binnen een redelijke termijn; dat dit hier wel degelijk het geval was, gezien de tweetalige ondertekende versie verzonden is op 2 april 1999; Overwegende dat de regering, zoals blijkt uit volgende motivatie, rekening heeft gehouden met dit advies; Overwegende dat de Regering in het ontwerpbesluit dat ze verzond aan de Raad van State uiteenzette dat het geen gevolg had gegeven aan de grondige wijzigingsvoorstellen van de gemeenteraden en zij dit, rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State, niet kon doen inzoverre deze voorstellen niet het logisch of noodzakelijk gevolg waren van een bezwaarschrift geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek; Overwegende dat de Raad van State van oordeel is dat de rechtspraak van het hoogste administratieve rechtscollege verstaan moet worden in de zin dat de Regering gevolg kan geven aan de grondige wijzigingsvoorstellen vanwege de gemeenteraden, maar dat in die veronderstelling een nieuw openbaar onderzoek moet worden gehouden; Overwegende dat de Regering, zoals blijkt uit volgende motivatie, de redenen waarom deze voorstellen niet zijn gevolgd derhalve heeft uiteengezet; Overwegende dat de Commissie betreurt dat de Regering zich tevreden stelde door enkel de oorspronkelijke teksten van titels I tot VI opnieuw formeel ter openbaar onderzoek te onderwerpen in plaats van verbeterde en juistere versies van de ontwerpverordening die zijn gewijzigd op basis van de talrijke adviezen en opmerkingen die werden geuit tijdens het eerste openbaar onderzoek; Terwijl het eerste openbaar onderzoek aangaande Titels I tot V plaats had van 17 maart tot en met 18 april 1997, waarna de Gewestelijke Ontwikkelingscommisse op 25 september 1997 een eerste advies uitbracht; dat het eerste openbaar onderzoek betreffende Titel VI plaats had van 1 tot en met 30 januari 1998 waarover de Commissie op 18 mei 1998 een advies uitbracht; Dat de Raad van State, in zijn advies van 3 juni 1998 over Titels I tot V, gewag maakt van de niet-naleving, door sommige gemeenten, van de wettelijke vormvereisten inzake het openbaar onderzoek. De Raad van State gaf als voorbeeld dat het aanplakbiljet van het openbaar onderzoek de plaats noch de uren vermelde waarop de documenten konden worden ingekeken, enz. Dat eveneens is gebleken dat het openbaar onderzoek over titel VI onregelmatigheden bevatte, dat één gemeente helemaal geen openbaar onderzoek had georganiseerd; Dat, inzoverre deze procedure ongeldig was, besloten werd het openbaar onderzoek over te doen zodat geen enkele procedurefout nog kon worden gemaakt; dat het overigens nodig was om dezelfde teksten ter onderzoek voor te leggen zodat de bevolking ditmaal correct en in de beste omstandigheden deze teksten zou kunnen beoordelen; Dat, gezien de hoogdringendheid, het niet wenselijk was te wachten totdat titel VI was verbeterd, hetgeen de goedkeuring van de tekst met enkele maanden zou doen vertragen; Overwegende dat er, volgens de Commissie, uit het ontbreken van de voorafgaande raadpleging van de professionele milieus een discrepantie ontstaan is tussen theorie en praktijk in de formulering van bepaalde artikelen evenals een te groot aantal en te gedetailleerde bepalingen die niet aan de huidige stedenbouwkundige kenmerken zijn aangepast; Dat de Commissie bijvoorbeeld aanhaalt dat het onmogelijk is bepaalde renovatiewerken uit te voeren overeenkomstig de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat, volgens de Commissie, de gewestelijke stedenbouwkundige verordening opgesteld zou zijn uit gestandaardiseerde situaties (percelen van 5 tot 7 meter breed) en geen rekening houdt met de talrijke uitzonderlijke situaties in het Gewest; Terwijl de professionele milieus hun bemerkingen hebben kunnen formuleren tijdens en na het openbaar onderzoek; Dat het ontwerp rekening houdt met een deel van deze bemerkingen, inzoverre dit verenigbaar is met het doel ervan; Dat een zekere verduidelijking van de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening noodzakelijk is met het oog op de eenvormigheid van de stedenbouwkundige regels geldend op het gewestelijk grondgebied en eveneens tegemoetkomt aan de wens om de behandeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen voor projecten die conform de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zijn, te vereenvoudigen en te versnellen; Dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de renovatie of verbouwing van het bestaand bebouwd weefsel vaker voorkomt dan nieuwbouw; Dat bijgevolg, indien de verordening slechts van toepassing zou zijn op nieuwbouw, ze haar doel zou voorbijschieten; Dat de verordening evenwel niet van toepassing is op de werken met het oog op het behoud van een bestaand bouwwerk en die dit niet grondig wijzigen; Dat de verordening aldus zorgt voor een evenwicht tussen de vereisten voor het behoud van het bestaand bebouwd weefsel en de nodige inachtneming van de regels die zij uitvaardigt voor verbouwingswerken; Dat aangaande de stedenbouwkundige kenmerken, de stedenbouwkundige verordening, die van toepassing is in het hele Gewest, zich niet inlaat met elk bijzondere situatie, daar dit de taak is van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en/of de bijzondere bestemmingsplannen, maar wel met het uitvaardigen van regels die gelden voor het merendeel van de gevallen; Dat het vergeefs is om, langs een gewestelijke stedenbouwkundige verordening, alle mogelijke speciale situaties aan te kaarten, waardoor men het gevaar loopt in een te strikt kader te vervallen; Dat deze bijzondere situaties vaak afzonderlijk moeten worden beoordeeld; Dat deze beoordeling meer bepaald gericht is op de tussenkomst van de gemachtigde ambtenaar die krachtens de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw gemachtigd is om eventueel af te wijken van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening wanneer, in een bijzondere situatie, de goede ruimtelijke ordening dit vereist; Overwegende dat de Commissie betreurt dat de tekst die ter openbaar onderzoek werd voorgelegd, niet vergezeld ging van een gedetailleerde commentaar die de nagestreefde doelstellingen en de wijzigingen ten aanzien van de geldende verordeningen verduidelijkt; Overwegende dat reclamanten een gebrek aan samenhang van het geheel van het ontwerp vaststellen, daar slechts sommige titels van de verordening ter openbaar onderzoek werden voorgelegd en dat dermate belangrijke titels zoals die over het parkeren nog niet werden afgerond; Terwijl de onstentenis van een memorie van toelichting niet betekent dat het ontwerp een gebrek aan samenhang van het geheel vertoont; dat de door de gewestelijke stedenbouwkundige verordening aangekaarte verscheidenheid aan materies een afzonderlijk onderzoek van enkele ervan rechtvaardigt; Overwegende dat de Commissie betreurt dat, met uitzondering van Titel III, de voorgestelde teksten niet werden voorafgegaan door een evaluatie van de toepassing en de inhoud van de bestaande verordeningen : Bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie (BBA), gemeentelijke verordeningen,...; Dat, volgens de Commissie, de verordening niet op afdoende wijze de meest recente bestaande normen integreert en niet duidelijk aangeeft welke worden opgeheven; Dat de Commissie ten slotte vraagt te verduidelijken welke de wijzigingen zijn die zullen moeten worden aangebracht aan de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw voor de vereenvoudiging van de afgifte van de vergunningen; Terwijl de hiërarchie tussen de verschillende bedoelde juridische normen reeds is ingesteld bij artikelen 170 en 171 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Dat het de taak van de gemeenteraden is om, overeenkomstig artikel 171, de niet-conforme gemeentelijke verordeningen aan te passen aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat de mechanismen voor de vereenvoudigde en snellere procedures voor de afgifte van de vergunningen reeds werden ingevoerd door het opleggen van uiterlijke termijnen bij de behandeling van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, de coördinatie van de procedures in stedenbouwkundige en milieu-aangelegenheden en door de wijziging van het besluit van de Regering met betrekking tot de handelingen en werken van geringe omvang en dit bij besluit van de Regering van 11 januari 1996; Dat de inhoud van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, die de gewestelijke stedenbouwkundige opties vertaalt, los staat van het verloop van de procedures voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen; Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat er specifieke en zeer uitvoerige studies hadden moeten worden verricht over meerdere kwesties waaronder meer bepaald de juridisch regeling van de binnenterreinen van de huizenblokken, de relaties tussen de binnen- en buitenzijde van de bouwwerken, de behandeling van de hoekpercelen; Terwijl het begrip binnenterrein van een huizenblok meer behoort tot de planning en het meer bepaald bestudeerd wordt in het raam van het gewestelijk bestemmingsplan; Dat dit begrip enkel vermeld wordt in titel I van de verordening in verband met de bouwdiepte en de materialen voor de gevelbekleding; Dat wat betreft de verhouding tussen de binnenzijde en de buitenzijde van de bouwwerken, enkel titel II (over de bewoonbaarheid van de woningen) deze problematiek aankaart; Dat afgezien van deze titel, de inrichting van de binnenzijde van de bouwwerken niet ter sprake komt in de verordening; Dat de gewijzigde Titel II beantwoordt aan de vragen die zich hieromtrent stellen in geval van renovatie van een oud gebouw, waarbij het merendeel van de bewoonbaarheidsnormen slechts van toepassing zijn als na te streven doelstellingen; Dat wat betreft de behandeling van hoekpercelen, hieraan op een gepaste wijze tegemoet gekomen wordt in artikel 4 § 2 van de verordening, die de moeilijkheden voortvloeiend uit de kleine afmeting van deze percelen en de inrichting van een voldoende open ruimte, wil verhelpen; Dat de bijzondere situatie van deze terreinen die de structuur van het huizenblok vormen en vanuit meerdere invalshoeken zichtbaar zijn, de verbeelding en de creativiteit van de ontwerpers zal stimuleren; Dat de verordening deze creativiteit voor de behandeling van de hoekpercelen enkel zou kunnen inperken middels de reeds bestaande beperkingen die een zekere harmonie ten aanzien van de naastliggende bouwwerken moeten waarborgen; Overwegende dat de gemeenten gewezen hebben op het risico dat zij de controle op een te gedetailleerde verordening niet meer kunnen waarborgen; Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening een synthese maakt van de verspreide en moeilijk toepasbare reglementeringen; Dat zij voor het Gewest een harmonieus stedenbouwkundig concept uitdenkt; Dat de controle erop door de gemeenten bijgevolg vereenvoudigd zou moeten worden; Dat, wanneer er geen verkavelingsvergunning noch een bijzonder bestemmingsplan bestaat, de gemeenten bij de controle bijgestaan worden door de gemachtigde ambtenaar; Dat door een gebrek aan een gewestelijke verordening het oordeel van de gemeenten bemoeilijkt wordt; Overwegende dat meerdere reclamanten de korte duur van het openbaar onderzoek betreuren; Terwijl het openbaar onderzoek gehouden werd overeenkomstig de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw en de toepassingsbesluiten ervan; Overwegende dat de Commissie kritiek heeft op de wijziging van artikel 171 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw door een ordonnantie van 23 november 1993 die een einde stelde aan de verplichting tot opsomming van de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die niet in overeenstemming zijn met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Terwijl het mechanisme zoals ingesteld bij de ordonnantie van 23 november 1993 niet wettelijk kan worden gewijzigd door de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat dit nieuw mechanisme overigens gerechtvaardigd is door de verscheidenheid en de veelheid aan verordenende bepalingen op gemeentelijk niveau; Dat het in die context vergeefs is er van uit te gaan dat een uitdrukkelijke opsomming van alle op te heffen of te wijzigen bepalingen gevrijwaard is van fouten of hiaten; Dat een dergelijk systeem, in de bijzondere context van talrijke en verscheidene gemeentelijke verordeningen, veel rechtsonzekerheid zou meebrengen; Dat het derhalve wijselijker zou zijn om de gemeenten in staat te stellen zich zelf te richten naar de gewestelijke verordening en bovendien te verwijzen naar artikel 171 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Dat er aldus natuurlijkerwijs een synthese van de bestaande gemeentelijke verordeningen tot stand zal komen; Overwegende dat de Commissie vreest dat de gemeenten door de invoering van nieuwe gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen opnieuw zorgen voor een complex karakter daar waar de gewestelijke stedenbouwkundige verordening precies een zekere eenheid van opvatting wou herstellen; Terwijl de verduidelijking van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening daarentegen inhoudt dat de gemeenten niet langer een aantal kwesties moeten reglementeren die reeds in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening vermeld staan en die derhalve in één instrument voor het Gewest vervat zitten; Dat de gemeenten de inhoud van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening moeten verfijnen of verduidelijken wanneer bijzonderheden op gemeentelijk vlak dit vereisen; Overwegende dat de Commissie vreest dat een te grote precisie van de voorschriften van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening leidt tot een toename van de aanvragen om afwijking die worden voorgelegd aan de gemachtigde ambtenaar en dat laatstgenoemde, die zijn advies moet uitbrengen binnen een uiterlijke termijn, wegens tijdsgebrek niet in staat zal zijn om in alle sereniteit een oordeel te vellen over de aanvragen waarover hij een voorafgaand advies moet uitbrengen, en nadien uitgereikte vergunningen moet opschorten waardoor de termijnen worden verlengd; Terwijl deze redenering berust op twee onjuiste vooronderstellingen; Dat het onjuist is dat de graad van detail van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening noodzakelijkerwijs zal leiden tot een toename van het aantal aanvragen om afwijking; Dat de betekenis van het begrip « detail » juist omschreven moet zijn; Dat een verordening gedetailleerd moet zijn om toepassing te vinden en om geen rechtsonzekerheid te doen ontstaan en dat deze precisie niet noodzakelijk staat voor een gebrek aan soepelheid; Dat afwijkingen slechts mogen worden aangevraagd in de onderstelling dat een aanvraag niet kan worden behandeld binnen het strikte kader van de verordening omwille van een bijzondere situatie; Dat dit soort situaties een uitzondering op de regel zijn, omdat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening opgemaakt is voor het merendeel der gevallen die zich kunnen voordoen; Dat het ten tweede onjuist is te veronderstellen dat de gemachtigde ambtenaar zich inderhaast moet uitspreken omwille van de uiterlijke termijn van 45 dagen waarover hij beschikt krachtens de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; Overwegende dat de Commissie een aantal voorstellen formuleert met het oog op de versoepeling van de procedure tot afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen, met name door een vermindering van het aantal afwijkingen die onderworpen zijn aan het oordeel van de gemachtigde ambtenaar; Dat de Commissie aldus voorstelt een link te leggen tussen de begrippen « aantasting van de binnenterreinen van de huizenblokken » en « stedenbouwkundig karakter van het huizenblok of van het gebied », en misschien meer in het algemeen van « de goede ruimtelijke aanleg » en de overeenstemming met de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat de Commissie tevens het onontbeerlijk acht om een onderscheid te maken tussen de kleine en grote afwijkingen op de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Dit om te vermijden dat op een ietwat ongepaste wijze, alle dossiers die een aanvraag om afwijking omvatten naar de gemachtigde ambtenaar worden gestuurd; Terwijl die voorstellen, die zeker aandacht verdienen, in werkelijkheid een wijziging van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw vereisen; Dat zij niet kunnen worden opgenomen in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat niettemin daarmee rekening zal worden gehouden bij de wijziging van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw in de zin van een bijkomende vereenvoudiging van de procedures voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen; Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening gebaseerd is op een traditionele architecturale en stedenbouwkundige opvatting (huizenblok opgebouwd uit huizen met mandelige muren) die het niet voldoende mogelijk maakt rekening te houden met toestanden die kunnen verschillen in functie van de gemeenten en dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zich had kunnen inspireren op het schema van kaart 2 van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan dat bestaat in de opdeling van het gewestelijk grondgebied in grote stedelijke gebieden en de stedenbouwkundige werkelijkheid van elkeen van deze gebieden had kunnen integreren. Overwegende dat deze kritiek voornamelijk betrekking heeft op titel I betreffende de kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving en meer bepaald op de normen inzake de inplanting en het bouwprofiel van de bouwwerken; Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening geen planningsinstrument is; Dat aan het merendeel van die bijzonderheden kan worden tegemoet gekomen via bijzondere bestemmingsplannen waarvan krachtens artikel 170 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, de bepalingen voorrang hebben op die van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Dat voorts de grote stedelijke gebieden zoals aangeduid op kaart nr. 2 van het gewestelijk ontwikkelingsplan niet eenvormig zijn wat betreft het bouwprofiel en de inplanting van de bouwwerken; Dat binnen eenzelfde « groot stedelijk gebied » een geheel van open huizenblokken naast bouwwerken in gesloten bebouwing wel degelijk te vinden is; Dat derhalve de reglementering over het bouwprofiel en de inplanting van bouwwerken niet kan worden overgenomen voor de grote stedelijke gebieden die zijn aangeduid op kaart nr. 2 van het gewestelijk ontwikkelingsplan; Dat dezelfde opmerking opgaat voor de verdeling van de bestemmingen : een hoofdbestemming voor huisvesting en hoofdbestemming voor handel kunnen naast elkaar bestaan in een « groot stedelijk gebied »; Dat de huizenblokken opgebouwd uit huizen met mandelige muren het meest voorkomen in het Gewest; Dat de verordening eveneens melding maakt van de vrijstaande bouwwerken; Dat de verordening aldus het merendeel van de bestaande stedenbouwkundige situaties in het Gewest behandelt en volledig beantwoordt aan haar doel; Overwegende dat de Commissie vreest dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening door de overheid die bevoegd is voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning dient om druk uit te oefenen op de aanvragers om, in ruil voor het verkrijgen van afwijkingen, een of ander aspect van hun project te wijzigen; Terwijl er geen enkel gegeven deze intentie rechtvaardigt; Dat deze kritiek kan worden geformuleerd tegen elke gewestelijke of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening waarvoor aanvragen om afwijkingen kunnen worden ingediend; Overwegende dat volgens de Commissie de toepassing van de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening met betrekking tot de bouwwerken en hun naaste omgeving zal leiden tot een alledaagse architectuur van de nieuwe bouwwerken; Terwijl, wat betreft het bouwprofiel en de implanting van bouwwerken, de verwijzing naar de bestaande situatie noodzakelijk is voor de bescherming van de ruimte op het binnenterrein van het huizenblok en voor de vrjiwaring van de bezonning van de naastliggende terreinen; Dat de beoogde harmonie en naleving van het bestaand bebouwd weefsel de creativiteit van de ontwerpers niet in de weg staat; Overwegende dat voor elke titel van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening in het bijzonder aanmerkingen werden gemaakt. II. Bijzondere opmerkingen II. 1 titel I betreffende de kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving Toepassingsgebied Overwegende dat een reclamant zich verzet tegen de onderwerping van de verbouwings- en heropbouwhandelingen en -werken van Titel 1, menende dat in geval van verbouwing enorme investeringen nodig zijn om zich aan te passen aan de nieuwe eisen van de verordening; Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening bepaalt dat zij niet geldt voor de verbouwingswerken die het bestaand bouwwerk ingrijpend wijzigen zoals dit reeds is toegelicht in de algemene motivatie; Dat de verbouwingswerken immers geen voorwendsel mogen zijn voor de schending van de beginselen die van toepassing zijn op de inplanting en het bouwprofiel van de bouwwerken; Dat, indien de verordening een renovatie technisch onmogelijk of overdreven duur maakt, de eventuele overeenstemming van het project met de goede ruimtelijke ordening in aanmerking kan worden genomen in het raam van een aanvraag om afwijking; Dat daarenboven, in geval van verbouwing van een bouwwerk, het niet noodzakelijk is het hele bouwwerk in overeenstemming te brengen met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; Overwegende dat verschillende gemeenten voorstellen om de 3de alinea van artikel 1 betreffende de wenselijkheid van handelingen en werken te verwijderen omdat deze voor uiteenlopende interpretaties vatbaar is; Terwijl het derde lid, nu artikel 17, net wil vermijden dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening geïnterpreteerd zou worden als zijnde een bron van verworven rechten en dat de overheid die bevoegd is voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning de mogelijkheid moet hebben om, zelfs in geval van overeenstemming met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, te oordelen of het betrokken project in concreto verenigbaar is met de goede ruimtelijke aanleg; Dat bijgevolg het beginsel van de tekst van het derde lid behouden blijft, maar gewijzigd om de strekking ervan te verduidelijken; Overwegende dat een reclamant zich vragen stelt bij de toepassing van de voorschriften van titel I op de gebouwen die niet voor de huisvesting zijn bestemd en meer bepaald bij de relevantie van de toepassing ervan op de industriële onroerende goederen; Terwijl Titel I geen onderscheid maakt op basis van de bestemming van het gebouw; dat een dergelijk onderscheid niet verantwoord is inzoverre de industriële gebouwen ofwel op een madelige grens zullen worden gevestigd, ofwel in een gebied met vrijstaande bouwwerken; Terwijl de principes van de aansluiting van de bouwprofielen en de naleving van de bestaande stedelijke volumes in Titel 1 niet mogen wegvallen voor dit soort gebouw; Overwegende dat een reclamant voorstelt om twee verschillende verordeningen op te maken, de ene over de nieuwe bouwwerken, de andere over de verbouwingswerken; Terwijl dit onderscheid niet ten goede zal komen van de begrijpelijkheid van de vigerende bepalingen; dat er beter één reglementaire tekst bestaat voor deze twee soorten werken; Overwegende dat een reclamant bezwaar aantekent tegen de kostprijs en de termijnen die zouden voortvloeien uit de talrijke procedures om afwijkingen te bekomen; Terwijl de termijn, als gevolg van de verlenging van de afwijkingsprocedure voor de aanvraag tot een afwijking, verantwoord is ten aanzien van de doelstellingen van de Regering om de bouwprofielen in de stad op elkaar te laten aansluiten. Overwegende dat de Commissie voorstelt om het volgend artikel 2 toe te voegen : « Artikel 2 : De afwijkingen op titel I van onderhavige verordening kunnen uitzonderlijk worden toegekend door de bevoegde overheid. De verzoeker moet de afwijking aanvragen en met reden omkleden op het ogenblik waarop hij het dossier voor een stedenbouwkundige vergunning of attest indient. De afwijking moet worden gemotiveerd vanuit een goede ruimtelijke ordening en vanuit een harmonieuze architecturale en stedenbouwkundige integratie. De nota ter zake moet daarom minstens volgende elementen bevatten : beschrijving van de stedenbouwkundige context waarin het project past; kenmerken van het project; economische, sociale, milieugebonden en esthetische motieven van de afwijking; de gevolgen van het project voor de naaste omgeving in termen van verhoging van de stedenbouwkundige kwaliteit »; Terwijl dat artikel, opgemaakt in dergelijke algemene bewoordingen, neerkomt op een afwijking van het afwijkingsstelsel zoals ingevoerd bij de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; dat de « bevoegde overheid » immers niet afdoende omschreven is; Dat bovendien dit artikel de formaliteiten die worden opgelegd aan de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning, nog verzwaart; Dat de beoordeling van de aanvragen om afwijking door de gemachtigde ambtenaar correct gebeurt volgens artikelen 116 en 118 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, geïnspireerd op de vorige wet van 29 maart 1962 op de ruimtelijke ordening zonder dat deze met nieuwe bepalingen moet worden aangevuld; Definities Overwegende dat de Commissie het in het algemeen beter vindt om de definities - in de mate van het mogelijke - aan te vullen met een tekening die de gebruikte termen verduidelijkt; Terwijl een tekening bron van fouten of te beperkend kan zijn inzoverre het slechts één mogelijke weergave is van een concept dat velerlei vormen kan aannemen; Overwegende dat de Commissie voortstelt om het gebruik van de verordening te verbeteren door alle termen die in artikel 2 worden gedefinieerd, in de tekst aan te duiden met een asterisk; Terwijl de toevoeging van asterisken in de tekst de lezing ervan dreigt te bemoeilijken; Overwegende dat de Commissie enkele definities in het glossarium niet duidelijk genoeg vindt; dat ze in het bijzonder aanbeveelt om de volgende termen in het glossarium te verduidelijken; Naaste omgeving Overwegende dat een gemeente voorstelt om het begrip van naaste omgeving uit te breiden tot de openbare ruimte; Overwegende dat de Commissie voortstelt om deze definitie als volgt uit te breiden : « de zone die langs de bouwwerken loopt en waarvan de openbare ruimte, de koeren en de tuinen en, zonodig, de achteruitbouwstrook (vooraan) en/of de zij(achteruitbouw)strook deel uitmaken ». Terwijl de inspringstrook zich per definitie voor het bouwwerk bevindt aangezien het gaat om een insprong ten opzichte van de rooilijn met de openbare weg; dat het niet aangewezen is het openbaar domein op te nemen in dit begrip; Mandelig bouwwerk, driegevelbouwwerk, vrijstaand bouwwerk, naastliggend bouwwerk Overwegende dat de Commissie voorstelt om de term « bouwwerk » te vervangen door de term « gebouw »; Terwijl de term gebouw te beperkend is; Koeren en tuinen Overwegende dat de Commissie ervoor opteerde om het bebouwd ondergronds gelegen gedeelte van het terrein uit te sluiten uit het gebied van koeren en tuinen door de volgende definitie voor te stellen : « het niet-bebouwde bovengronds en ondergronds gelegen gedeelte van het perceel, of nog niet bebouwd, maar inclusief het niet-bebouwde saldo van de te bebouwen zone »; Terwijl artikel 12 koeren en tuinen behandelt los van de vraag of de ondergrond al dan niet bebouwd is; Dat ten aanzien van artikel 13 en de regel die stelt dat zowel de inspringstrook als het gebied voor koeren en tuinen moeten bestaan uit 50 % doorlaatbare oppervlakte, rekening dient te worden gehouden met het bebouwd ondergronds gelegen gedeelte van het terrein, dat niet voldoet aan de vereiste doorlaatbaarheid; Dat, overeenkomstig artikel 13, het niet rekening houden met het bebouwd ondergronds gelegen gedeelte van het terrein neerkomt op een vermindering van het gedeelte van het terrein dat doorlaatbaar moet zijn; Mandelige grens Overwegende dat de Commissie de volgende definitie voorstelt : « de grens die gevormd wordt door de vertica(a)l(
- e)grens(zen) die de twee eigendommen of meer onderscheidt » in plaats van « de grens die twee eigendommen scheidt »; Terwijl een grens steeds twee eigendommen scheidt, zelfs indien het terrein aan verscheidene andere grenst; Dat, zo twee eigendommen kunnen worden gescheiden door een gebroken lijn, de verwijzing naar meerdere grenzen, die geometrisch gezien zeker correcter is, veeleer zorgt voor verwarring dan voor verduidelijking; Mandelig bouwwerk Overwegende dat een reclamant voorstelt om de definitie te wijzigen zodat de driegevelbouwwerken erin op te nemen; Terwijl de voorgestelde definitie dit soort bouwwerk omvat; Inspringstrook Overwegende dat, volgens de Commissie, gelezen dient te worden « inspringstrook vooraan : het deel... » en dat de « zijdelingse inspringstrook » en de « inspringstrook achteraan » eveneens gedefinieerd dienen te worden en die termen in de tekst moeten worden gebruikt in de bedoelde gevallen; Terwijl de term « inspringstrook » noodzakelijkerwijs een insprong beoogt ten opzichte van de openbare weg en noodzakelijkerwijs betrekking heeft op het voorste gedeelte van het bouwwerk; Dat de termen « zijdelingse inspringstrook » en « inspringstrook achteraan » slechts bijkomende begrippen zijn die de bepalingen van Titel 1die gelden voor op deze gebieden, niet verduidelijken zonder daarbij beroep te doen op dergelijke begrippen; Dat de term « zijdelingse insprong » geschikter is voor de aanduiding van de « afstand tussen de zijkant van het bouwwerk en de grens van het terrein »; Bouwprofiel Overwegende dat de Commissie, een gemeente en een reclamant voorstellen de term « bouwprofiel » te definiëren; Terwijl deze term gebruikt wordt in zijn gewone betekenis en geen bijzondere definitie vereist; Referentie-profiel Overwegende dat een gemeente en de Commissie voorstellen om de term « referentie-profiel » te definiëren; Terwijl die term gedefinieerd is in artikel 6; Uitsprong aan de gevel Overwegende dat de Commissie voorstelt de term « uitsprong aan de gevel » te definiëren; Terwijl die term gebruikt wordt in zijn gewone betekenis; Dakkappel Overwegende dat een reclamant voorstelt om de definitie te wijzigen door de verduidelijken dat het gaat om een constructie die uitsteekt of inspringt in een hellend dak en die de ventilatie en de verlichting toelaat via rechtopstaande openingen; Dat dit voorstel relevant is en dat er gevolg wordt aan gegeven; Overwegende dat een gemeente voorstelt om in de definitie voorwaarden te stellen wat betreft de plaatsing van een dakkappel; Terwijl deze voorwaarden niet in een definitie mogen worden opgenomen; Erker Overwegende dat een reclamant voorstelt om de definitie van deze term te wijzigen en de volgende definitie voor te stellen : « gesloten uitsprong die uitsteekt op de gevel en die hangt over verschillende niveaus en met een vlak dat eerder lang is »; Terwijl deze definitie overgenomen is behalve het stuk over het lange vlak omdat het onduidelijk is; Terreinen Overwegende dat een gemeente voorstelt om het begrip « perceel » aan te vullen door te stellen dat het tot eenzelfde eigenaar moet behoren; Terwijl het begrip « terrein » vervangen is door « perceel » zodat rekening wordt gehouden met het voorstel van de reclamant, doch ook met het voorstel van de gemeente; Inplanting Overwegende dat de Commissie vindt dat er aandacht moet worden besteed aan de bouwwerken die op de openbare weg werden opgetrokken, zoals uitbreidingen van cafés, restaurants, winkels enz. en dat zij voorstelt om eventueel een alinea, opgesteld als volgt, toe te voegen : « geen enkel bouwwerk mag deze rooilijn overschrijden, behalve indien een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, een zoneverordening of een BBP een met redenen omklede toelating geeft en de voorwaarden ervoor bepaalt »; Terwijl uitbreidingen van cafés, winkels, enz. op de openbare weg vallen onder de wegvergunningen die precair toegekend zijn door de overheid die bevoegd is voor het beheer van de openbare ruimte; Overwegende dat een gemeente zich afvraagt of het niet mogelijk is om de bouwwerken met mandelige muren te beperken via bewerking van de puntgevels (spel van stenen funderingen, reliëf, metselwerk opgevrolijkt met verschillende materialen, openingen met erfdienstbaarheid van zicht,...) om vrijstaande bouwwerken op te trekken; Terwijl wanneer de mandelige grenzen bestemd zijn voor bebouwing, het optrekken van een vrijstaand bouwwerk, zelfs mits de bewerking van de puntgevel, dreigt te zorgen voor een onesthetische breuk van het stedelijk weefsel en voor weinig veilige openingen op het binnenterrein van het huizenblok; Overwegende dat een gemeente voorstelt de begrippen « mandelige muren aan de achterzijde van het perceel », « ondergronds deel van het bouwwerk », « hoofdvolume » en « bijkomend volume » toe te voegen; Terwijl die begrippen ofwel niet in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening vermeld worden ofwel in hun gewone betekenis gebruikt worden; De inplanting van de mandelige bouwwerken Overwegende dat een gemeente zich afvraagt of men de mandelige bouwwerken niet zou kunnen beperken om een vrijstaand bouwwerk te kunnen beginnen en dit door de topgevel te behandelen (onderbouw, gevelopeningen met erfdienstbaarheden van zicht,...); Terwijl, indien de bebouwing van de mandelige grenzen gepland is, de bouw van een vrijstaand bouwwerk, zelfs door de topgevel te behandelen, kan leiden tot een breuk in de esthetiek van de stedelijke structuur en onveilige openingen laten naar het binnenterrein van het huizenblok toe; Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de volgende tekst voorstelt « de inplantingszone (...) mag de grens, die ontstaat bij het tekenen van een evenwijdige lijn met de bouwlijn, niet overschrijden »; Terwijl die tekst geen oplossing biedt voor de problemen die rijzen bij het gebruik van de term « inplantingszone », die niet als bebouwbaar gebied moet worden begrepen, maar als voorgeschreven plan voor de inplanting van het bouwwerk; Overwegende dat de Commissie het volgende voorstelt : » de maximumzone waarin het gebouw bovengronds moet staan (« inplantingszone genoemd ») moet aan de zijde tegenover de openbare weg worden begrensd (of : mag de grens, die ontstaat bij het trekken van een evenwijdige lijn niet overschrijden ?) door een of meerdere loodlijnen op de mandelige grenzen »; Terwijl de definitie van de inplantingszone niet onontbeerlijk is voor de afbakening van de inplanting van de bouwwerken; Dat, rekening houdend met de diepteregels bedoeld in artikel 4, de verwijzing naar een evenwijdige met de openbare weg of een loodrechte lijn op de mandelige grenzen zoals voorgesteld door sommige reclamanten, niet nuttig is voor de regeling van de inplanting van de bouwwerken; Overwegende dat de Commissie voorstelt om in het artikel in kwestie te verwijzen naar de schets op het einde van de tekst of, beter nog, om de schets in de tekst van het artikel op te nemen. Terwijl een dergelijke voorstelling overbodig is, omdat de verordening bepaalt dat de schetsen daarvan deel uitmaken; Overwegende dat volgens reclamanten het bepalen van regels die maxima opleggen bij de bevolking een indruk wekt van een `verworven recht', terwijl de configuratie van de ruimte zich hiertoe niet leent; Terwijl artikel 17 van de verordening tegemoetkomt aan dit bezwaar; Overwegende dat meerdere reclamanten van mening zijn dat de beperking van de diepte van de gebouwen moet gekoppeld worden aan de hoogte ervan en dat de diepte van het hoofdgebouw moet worden onderscheiden van die van de bijgebouwen; Terwijl aan die bemerkingen tegemoetgekomen wordt inzoverre de diepteregels zoals bepaald in artikel 4 niet alleen van toepassing zijn op de benedenverdieping, maar op elke verdieping waarbij voor elk niveau de diepte van de naastliggende bouwwerken in aanmerking worden genomen en aangevuld worden door de regels betreffende de hoogte van de gevel en van het dak; Dat geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de diepte van de bijgebouwen en de diepte van de verdiepingen; Dat als de bijgebouwen op de benedenverdieping doorgaans dieper liggen dan de bovenverdiepingen, de diepte van de bijgebouwen beperkt moet zijn zoals bedoeld in de verordening en met name met inachtneming van de dieptes van de naastliggende bouwwerken; Overwegende dat de Commissie bijzondere aandacht vraagt voor de belendende zones van twee gebieden van het gewestplan waar dit probleem van inplantingsdiepte en -hoogte bijzonder tot uiting komt; Terwijl de wijze waarop de voorgestelde regels betreffende de inplanting en het bouwprofiel zijn opgevat in de verordening zorgt voor een harmonieuze overgang, op het binnenterrein van het huizenblok, tussen zones met onderscheiden bestemmingen omdat systematisch verwezen wordt naar de naastliggende bouwwerken; Dat de tegenstelling tussen twee huizenblokken met een onderscheiden bestemming (bijvoorbeeld : administratie - huisvesting) onvermijdelijk is en effectiever afgezwakt kan worden door maatregelen die afzonderlijk worden genomen in functie van de bijzondere configuratie van de ruimte dan door abstracte en beperkende maatregelen; Overwegende dat de Commissie en reclamanten betreuren dat de kwestie van de inplanting en de aangepaste bepalingen uitsluitend wordt aangekaart in functie van aangrenzende percelen terwijl de straatbreedte, de afmetingen van de huizenblokken en het stedelijk landschap andere belangrijke ruimte-indicatoren zijn; Terwijl referentiepunten zoals de straatbreedte in aanmerking zijn genomen in de vorige reglementeringen (bijvoorbeeld de regel waarbij de hoogte van de bouwwerken beperkt wordt tot de rechte lijn die in een hoek van 45° getrokken wordt vanaf de rooilijn aan de overzijde van de straat, hetgeen inhoudt dat hoe breder de straat is hoe hoger de gebouwen zijn) en dat deze referentiepunten niet hebben verhinderd dat in sommige buurten alle harmonie zoek is; Dat de verwijzing naar de naastliggende bouwwerken een eenvoudige en volkomen gerechtvaardigde regel is rekening houdend met de nood aan het behoud van coherente stadsgedeelten, een zekere bezonning en bescherming van het binnenterrein van het huizenblok; Dat de combinatie van deze regel met andere referentiepunten zoals de straatbreedte, de afmetingen van het huizenblok en het stedelijk landschap de reglementering nog gecompliceerder maken waarvan de precisiegraad reeds een punt van kritiek is; Dat de overheden bevoegd voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen en met name de gemeenten, hetzij in het raam van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, hetzij in het raam van de afzonderlijke beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, rekening moeten houden met die andere referentiepunten; Overwegende dat, wat betreft de diepteregels, de reclamanten opmerken dat de maximumdiepte van een bestaand perceel voor alle niet-bebouwde percelen wordt overgenomen; Terwijl dit risico verkleind wordt door de beperking van de maximumdiepte tot drievierde van de terreindiepte; Dat daarenboven de maxima die zijn vermeld in het raam van de verordening de overheid niet beroven van de bevoegdheid tot beoordeling in functie van de bijzondere configuratie van de ruimte; Overwegende dat de Commissie, reclamanten en een gemeente vragen welke referenties in aanmerking moeten worden genomen bij de bouw van een volledig huizenblok; Terwijl die in de praktijk zeldzame onderstelling vaak gedekt is door een bijzonder bestemmingsplan dat de inplanting van de bouwwerken bepaalt in functie van de configuratie van de ruimte; Dat bij gebrek aan bijzonder bestemmingsplan de drievierde-regel, aangevuld met een beoordeling in functie van de configuratie van de ruimte, met name van de omliggende huizenblokken, de overheid zal leiden bij de afgifte van de stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen; Dat het vergeefs is de indeling van een heel huizenblok zonder bebouwing te reglementeren, terwijl in dat geval vele mogelijkheden bestaan die zowel afhangen van de configuratie van de ruimte als van sociale of economische criteria of van de geplande bestemming van het huizenblok; Overwegende dat de Commissie kritiek heeft op de regel van de maximumdiepte, omdat het maximum steeds als een recht en niet als een uiterste grens wordt beschouwd en voorstelt de begrippen `aantasting van het binnenterrein van het huizenblok' en `stedenbouwkundige kenmerken' te voorzien; Terwijl die kwesties uitdrukkelijk zijn behandeld in het gewestelijk bestemmingsplan; dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zich louter beperkt tot de vaststelling van een redelijke grens; dat dit maximum gematigd is door de verplichte verwijzing naar de naastliggende bouwwerken; Overwegende dat werd opgeworpen dat de bepaling « de maximum bovengrondse diepte van het bouwwerk tussen mandelige muren mag niet meer dan 3 meter uitsteken voorbij de diepte van het minst diepe naastliggende bouwwerk (...) en mag niet uitsteken voorbij de diepte van het diepste naastliggende bouwwerk » onmogelijk kan worden toegepast indien het minst diepe bouwwerk 9 meter diep zou zijn en het diepste 10 meter en dat de architect zich dan voor het geplande gebouw zou moeten beperken tot 10 meter diepte; Terwijl die twee grenzen bewust cumulatief zijn, wat niet leidt tot de ontoepasselijkheid van de regel maar wel tot een afbakening van de bebouwbare zone in functie van de twee naastliggende percelen; Overwegende dat de Commissie vraagt om een oplossing voor 2 buren die samen de zijdelingse inspringstrook met minstens 3 meter willen vergroten (groepering van percelen); Terwijl de twee buren die tegelijkertijd hun bouwwerk wensen uit te breiden alleszins beperkt zullen zijn door de diepte van de bouwwerken van hun andere buur en door de drievierde-dieptegrens; Dat elke buur de diepte van het bestaande minst diepe naastliggend bouwwerk met 3 meter mag overschrijden; Dat de verordening bepaalt dat geen rekening wordt gehouden met ongewoon kleine diepten; Dat binnen die grenzen de verordening het aan twee buren niet verbiedt om tegelijkertijd de diepte van hun bouwwerk te vergroten; Overwegende dat de Commissie vindt dat het verbod om de diepte van het diepste naastliggende bouwwerk te overschrijden zeer beperkend is terwijl de comfortnormen blijven stijgen en dit vooral op de benedenverdiepingen (veranda'
- s)en dat een gemeente vindt dat dit artikel het beleid van kleine en niet erg esthetische bijgebouwen aanmoedigt, hoewel deze het comfort en de hygiëne geenszins verbeteren; Terwijl de dieptegrenzen gematigd worden door de regel die stelt dat geen rekening moet worden gehouden met ongewoon kleine dieptes van de naastliggende bouwwerken; Dat buiten dit geval de verwijzing naar de naastliggende bouwwerken een objectief criterium vormt voor de begrenzing van de diepte van de bouwwerken, dat berust op de bekommernis de rust van de buren te garanderen en hun eigendom niet te omsluiten; Overwegende dat de reclamanten de volgende tekst voorstellen : « 1. Niet meer dan 3 meter uitsteken voorbij de diepte van de naastliggende bouwwerken aan elke zijde, behoudens respect van een zone... »; Terwijl deze tekst diepten zou toelaten die onverenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening in geval van een ongewoon diep naastliggend bouwwerk en diepten die steeds meer uitbreiding nemen naar gelang van de nieuwe bouwwerken; Overwegende dat sommige reclamanten van oordeel zijn dat de regel waarbij de diepte tot 17 meter beperkt wordt, niet streng genoeg is; Overwegende daarentegen dat andere reclamanten het voorstel doen tot schrapping van de eis van het niet-overschrijden van het diepst naastliggend bouwwerk en tot schrapping van de regel die de diepte beperkt tot 17 meter inzoverre deze voorschriften de bouw van winkel of ambachten (waarvan de exploitatie vaak de toevoeging van reserves, opslagplaatsen achter de eigenlijke verkoopoppervlakten vereist) of de bouw van kantoren van 18 of 20 meter, die een gangbare norm zijn, onmogelijk maken; Overwegende dat, rekening houdend met deze verschillende adviezen, de regel waarbij de diepte tot 17 meter wordt beperkt, geschrapt is; Dat de bijzondere bestemmingsplannen eveneens tegemoet kunnen komen aan deze hypothesen; Dat artikel 170 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw stelt dat de voorschriften van de gewestelijke en gemeentelijke plannen primeren op deze van de stedenbouwkundige verordeningen; Dat, wanneer de gewestelijke of gemeentelijke plannen (waarbij zij instemmen met de uitbreiding van een handelszaak of een bestemming als kantoor, industrie, ambacht, enz.) zich niet zouden uitspreken over de inplanting van de bouwwerken, dit betekent dat hier sprake is van een gemengd gebied; Dat in gemengde gebieden de inplanting van bestemmingen voor handel, industrie, ambacht, enz. Naast woningen afzonderlijk moet beoordeeld worden via speciale regelen van openbaarmaking en beoordeeld moet worden door de gemachtigde ambtenaar via het afwijkingsmechanisme; Overwegende dat een gemeente vindt dat het mogelijk moet zijn om grotere gebouwen op brede percelen (meer dan 10 tot 12 meter) toe te laten, zonder de bewoonbaarheid van de naastliggende gebouwen in gevaar te brengen, in navolging van de maximumhoogten en dat zij de volgende tekst voorstelt « 5° Een bijkomende zijdelingse insprong van 3 meter in verhouding tot hoger beschreven inplanting maakt het mogelijk om de maximumdiepte te overschrijden op voorwaarde dat 3/4 van de diepte van het perceel niet wordt overschreden »; Overwegende dat de bouw van grotere gebouwen hetzij toegelaten kan worden via afwijkingen die toegestaan worden door de gemachtigde ambtenaar in functie van de bijzondere configuratie van de ruimten; Overwegende dat volgens de reclamanten de beperkingen van de diepte in verhouding tot de meest of minst diepe naastliggende gebouwen de nieuwe bouwheer sterk schijnen te benadelen; Terwijl aan deze opwerping eveneens tegemoetgekomen wordt door de regel die stelt dat geen rekening wordt gehouden met de naastliggende bouwwerken met een ongewoon kleine diepte; Dat, als er geen naastliggend bouwwerk is, de eerste bouwheer alleszins mag uitbreiden tot drievierde van de terreindiepte; Dat in de andere gevallen, het feit dat de eerste bouwheer beperkt zou zijn door de diepte van de naastliggende bouwwerken geen nadeel vormt voor hem inzoverre de bouwwerken met een ongewoon kleine diepte niet in aanmerking worden genomen; Dat diegene die gebruik wil maken van de werken die zijn uitgevoerd door de eerste bouwheer om op zijn beurt nog meer uit te breiden, in ieder geval rekening moet houden met de diepte van het andere naastliggende bouwwerk en zich moet houden aan de andere voorwaarde van artikel 4; Dat aldus de verschillende voorwaarden van artikel 4 elkaar aanvullen en met name zorgen voor de bescherming van het binnenterrein van het huizenblok; Overwegende dat een gemeente het beginsel om de diepte van het naastliggend gebouw te laten meespelen bij onwettige situaties twijfelachtig vindt; Terwijl de drievierde-regel als aanvulling op de verwijzing naar de naastliggende bouwwerken evenals het begrip « goede ruimtelijke ordening » een rechtzetting van de eventuele onwettelijke situaties mogelijk maken; Overwegende dat volgens een reclamant de maximum bovengrondse diepte van het mandelig bouwwerk de bijgebouwen niet mag omvatten; Terwijl die bijgebouwen het binnenterrein van het huizenblok kunnen aantasten en de bezonning van de naastliggende terreinen kunnen belemmeren; Overwegende dat de Commissie betreurt dat titel I geen rekening houdt met de achtergebouwen, terwijl men vaak wordt geconfronteerd met kleine ondernemingen (KMO, opslagplaatsen) en kleine commerciële gebouwen die proberen uit te breiden naar het binnenterrein van het huizenblok toe, en de sociale en economische ontwikkeling van talloze Brusselse wijken nauw samenhangt met de mogelijkheid om activiteiten te ontwikkelen achteraan de percelen; Terwijl de gewestelijke plannen, meer bepaald het gewestelijk bestemmingsplan en de gemeentelijke plannen, de inplanting van handelszaken en industrie regelen; Dat bij gebrek aan regels in deze plannen, wat betreft de bijgebouwen, het aangewezen is een afzonderlijk oordeel te vellen; Dat die striktere controle zal gebeuren via het stelsel van de afwijkingen voorzien in artikelen 116 en 118 van de ordonnantie houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw; Dat de verordening niet meteen de uitbreidingen naar het binnenterrein van het huizenblok of de bouw van achtergebouwen kan toelaten voor kleine ondernemingen of commerciële, industriële of collectieve gebouwen omringd door woningen; Dat de voorwaarden die men voor deze uitbreidingen zou kunnen bedenken te onduidelijk en te strikt zouden zijn en zelden volledig aangepast aan de configuratie van de ruimten; Dat, in het raam van zijn advies, de gemachtigde ambtenaar de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning kan koppelen aan voorwaarden voor een optimale integratie van de uitbreiding in het bestaand bebouwd weefsel; Dat het vergeefs is dit soort maatregelen trachten vooraf te bepalen, omdat deze van nature afhankelijk zijn van de configuratie van de ruimten; Overwegende dat de Commissie het moeilijk, -lees : onmogelijk - vindt om aan de voorwaarden betreffende de diepte te voldoen en dat het nodig is om een hiërarchie tussen deze inplantingsregels te definiëren; Dat de verwijzing naar de diepte van de naastliggende bouwwerken gecorrigeerd werd zodat rekening kon worden gehouden met de ongewoon weinig diepe bouwwerken; Dat de aldus herwerkte voorwaarden vervolledigd en gecumuleerd worden : - de verwijzing naar de diepte van de naastliggende bouwwerken moet noodzakelijkerwijs worden aangevuld met andere grenzen wanneer de naastliggende bouwwerken abnormaal diep zouden zijn, dit om te vermijden dat het huizenblok zou worden opgevuld; - de regel betreffende de maximumdiepte van drievierde van de terreindiepte moet noodzakelijkerwijs worden aangevuld met een verwijzing naar de naastliggende bouwwerken om de bezonning ervan te vrijwaren; Overwegende dat, volgens de Commissie, de « zijdelingse insprong » waarvan sprake niet dezelfde betekenis heeft in de hele tekst; Terwijl in alle gevallen de zijdelingse insprong betrekking heeft op de afstand tussen de zijkant van het bouwwerk en de grens van het terrein en op het binnenterrein ervan waar geen bovengrondse bouwwerken ingeplant mogen worden; Overwegende dat de Commissie, wat betreft de driegevelbouwwerken, de absolute afstand van 3 meter of meer voor de zijdelingse inspringstrook op zich niet pertinent vindt; dat dergelijke voorschriften aanleiding geven tot steriele en eentonige verkavelingen en dat ze bijvoorbeeld kunnen worden vervangen door een bouwgrens van 45° ten opzichte van de mandelige grens, uitgaande van de grens van 3 meter die gegeven werd in punt 1; Terwijl Titel 1 de minimumbreedte van de insprong niet vaststelt, behoudens in artikel 4, waar de diepte van het minst diepe naastliggend bouwwerk met meer dan 3 meter wordt overschreden; Dat het in de andere gevallen (driegevelbouwwerk, vrijstaand bouwwerk) volstaat te bepalen dat een zijdelingse insprong moet bestaan; Dat het de taak is van de overheden die instaan voor de behandeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag of de gemeentelijke verordeningen om deze insprong te bepalen, rekening houdend met de plaatselijke kenmerken; Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen het betreurt dat het beginsel van de hoeksamenstelling niet vanuit het standpunt van de stedelijke samenstelling werd behandeld (rekening houdend met het effect van het perspectief, de symmetrie, enz.); Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zich niet te veel dient in te laten met architecturale beschouwingen; Dat over de behandeling van elk hoekperceel apart moet worden nagedacht, uitgaande van de bijzondere configuratie van de ruimten; Dat het riskant is om deze beschouwing trachten te veralgemenen tot alle hoekpercelen; Overwegende dat de Commissie de volgende tekst voorstelt : « § 1 Het terrein dat door het bouwwerk mag worden bedekt, met inbegrip van de aanpalende bijgebouwen (te bepalen in art. 2 als `gedeelte van het bouwwerk, dat zich voorbij de achtergevel bevindt en geheel of gedeeltelijk daarmee in aanraking komt, heeft in het algemeen een lagere bouwhoogte, alsmede een plat dak), wordt begrensd :
- a)aan de zijde van de openbare weg, door de rooilijn ervan of, in voorkomend geval, door de voorgeschreven bouwlijn;
- b)aan de tegenoverliggende kant van de openbare weg, door een loodlijn (of meerdere loodlijnen) op de mandelige grenzen, getrokken op een afstand van die grens, die gelijk is aan 3` van de gemiddelde diepte van het perceel, de achteruitbouwstrook niet meegerekend, zonder dat deze afstand meer dan 17 meter mag bedragen. § 2. Voor wat de verdiepingen betreft, mag deze maximumdiepte van het gebouw niet meer dan 3 meter uitsteken voorbij de diepte van de toegelaten naastliggende bouwwerken langs elke zijde (ongeacht of deze mandelig zijn, gemeten langs elke mandelige grens of langs elke zijdelingse bouwlijn) tenzij er een insprong van minstens 3 meter wordt gerespecteerd (te bepalen in het glossarium, art.2); Voor bouwwerken die meer dan 12 meter breed zijn, wordt een bijkomende zijdelingse inspringstrook van 3 meter ten overstaan van hoger beschreven inplanting toegelaten. De diepte van de verdiepingen mag nooit meer dan 17 meter bedragen. § 3. Indien de ligging het vereist of indien de bestemming die wordt toegelaten door de bestemmingsplannen (industriële, ambachtelijk of commerciële bestemming, enz...) niet compatibel zijn met de regels van voorgaande alinea's, kan het Schepencollege bij met redenen omkleed besluit, afwijken van de vastgelegde regels, nadat het project werd onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking, voorzien in de OPS. § 4. De gemiddelde afstand tussen de achtergevel van het bouwwerk, bijgebouwen en delen onder de grond inbegrepen, en het einde van het perceel mag geenszins kleiner zijn dan 3 meter. Deze bepalingen worden geïllustreerd door de afbeeldingen xxx » Terwijl deze tekst niet in aanmerking kan worden genomen om de volgende redenen : - voor de benedenverdieping wordt geen enkele verwijzing gemaakt naar de diepte van de naastliggende bouwwerken; welnu, uitbreidingen op de benedenverdieping kunnen uiterst hinderlijk zijn in een woonwijk (bezonning van de tuinen); - er is afgestapt van het begrip loodlijn op de mandelige grens om voornoemde redenen; - wat betreft de bovenverdiepingen laat de tekst toe dat het diepste naastliggend bouwwerk tot 3 meter wordt overschreden, zonder een zijdelingse inspringstrook op te leggen, wat ten koste van de bezonning zou gaan; - de tekst maakt, voor de verdiepingen, geen melding van de naastliggende bouwwerken met abnormaal weinig diepte en evenmin van het geval waarin de naastliggende percelen nog niet bebouwd zijn; - de tekst stelt een afwijkingsmechanisme in dat strijdig lijkt met artikelen 116 en 118 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw; - het laatste lid van § 2 is niet duidelijk; een bijkomende zijdelingse inspringstrook is per definite altijd toegelaten; bedoelt men hiermee dat deze wordt opgelegd in geval van een uitsteek van meer dan 3 meter voorbij de diepte van de naastliggende bouwwerken ? - de regel van het behoud, achteraan op het terrein, van een niet-bebouwde ruimte van 3 meter kan te beperkend zijn voor zeer kleine percelen en te weinig beperkend voor zeer diepe percelen; de drievierde-regel is hiervoor dus wenselijker; - rekening houdend met het feit dat het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan in functie van de ligging en van de bestemming van de huizenblokken bepaalt in welke gevallen deze een bijzondere bescherming krijgen, is het nutteloos om in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening een dieptegrens van 17 meter in absolute cijfers te vermelden; de verwijzing naar begrippen als de terreindiepte en de diepte van de naastliggende bouwwerken in de verordening volstaat; Overwegende dat de Commissie de toevoeging voorstelt van een artikel betreffende de bouwbreedte, opgesteld als volgt : « onverminderd het respect van het Burgerlijk Wetboek, legt de bevoegde overheid de breedte en de inrichting van de zijdelingse inspringstro(o)k(
- en)(in het glossarium te definiëren als zijnde `het deel van het perceel dat zich tussen de mandelige grens en de zijgevel bevindt) van respectievelijk de driegevelbouwwerken en de vrijstaande bouwwerken (eventueel in het kader van de Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordeningen). De zijgevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg moeten als voorgevels langsheen de straat worden behandeld ». Terwijl dat artikel niet in aanmerking kan worden genomen om de volgende redenen : - er is geen verband tussen de inrichting van de zijdelingse inspringstrook en de inplanting; deze inrichting valt voorts onrechtstreeks onder artikel 13, dat bepaalt dat de gebieden van koeren en tuinen uit minstens 50 % doorlaatbare oppervlakte moeten bestaan; het heeft geen zin om te verduidelijken dat deze inrichting nader kan worden bepaald via een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening; - de behandeling van de gevels komt niet aan bod in het hoofdstuk gewijd aan de inplanting van de bouwwerken; Overwegende dat, wat betreft de diepte van de ondergrondse bouwwerken, volgens een gemeente, een maximumdiepte, alles inbegrepen, in absolute cijfers moet worden opgelegd en mogelijke bebouwing(
- en)gedefinieerd; Overwegende dat volgens een andere gemeente de mogelijkheid om onder de grond te bouwen, beperkt moet worden, vooral bij diepe percelen; dat het bouwwerk in ieder geval niet zichtbaar mag zijn van buiten; Dat deze gemeente de volgende formulering voorstelt : »...moet kleiner zijn dan of gelijk aan 3` van de diepte van het perceel, de inspringstrook niet meegerekend, met een maximum van 30 meter. Het ondergronds gebouw moet over de hele lengte die 20 meter diepte overschrijdt, worden bedekt met een laag teelaarde van minstens 0,30 meter ». Terwijl het zinloos is de drievierde-regel te cumuleren met die uit artikel 13, die voorziet in het behoud van een doorlaatbare zone gelijk aan 50 % van de hele oppervlakte van het bovengronds niet-bebouwd terrein en aldus het bouwwerk onder de grond beperkt; Dat zoals gezegd de drievierde-regel de aanleg van ondergrondse parkeerterreinen dreigt te belemmeren terwijl deze zijn opgelegd; Dat het immers vooral van belang is dat een doorlaatbare zone, zoals bedoeld in artikel 13, behouden wordt en dat de ondergrondse bouwwerken op de juiste wijze begraven worden, opdat de inrichting van de koeren en tuinen niet in het gedrang wordt gebracht; Overwegende dat de regels betreffende de ondergrondse bouwwerken in die zin werden opgesteld; Overwegende dat een andere gemeente en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen voorstellen een onderscheid te maken tussen de nieuwe gebouwen en de bestaande gebouwen : - voor nieuwe gebouwen moet een toegelaten maximumdiepte voor de ondergrondse bouwwerken worden voorzien, naast een percentage van teelaarde; - voor de bestaande bouwwerken moeten strenge beperkingen worden opgelegd voor de ondergrondse perceelsbezetting teneinde de binnenterreinen van het huizenblok en het bestaand bebouwd weefsel te vrijwaren. Terwijl dit onderscheid tussen de nieuwe en bestaande gebouwen niet gerechtvaardigd is; dat in beide gevallen de diepte van het ondergronds gebouw slechts beperkt moet worden ten opzichte van hetgeen bepaald is in artikel 13 en van de vereiste dat de ondergrondse bouwwerken niet zichtbaar mogen zijn van buiten indien ze de uitsteken voorbij de grenzen die zijn voorgeschreven voor de ondergrondse bouwwerken; Overwegende dat de Commissie de volgende tekst voorstelt : « onverminderd de bepalingen van artikel 12, wordt het terrein dat door het bouwwerk ondergronds mag worden ingenomen, begrensd :
- a)aan de zijde van de openbare weg, door de rooilijn ervan;
- b)aan de tegenoverliggende kant van de openbare weg, door een loodlijn (of meerdere loodlijnen) op de mandelige grenzen, getrokken op een afstand van die grens, die gelijk is aan 3` van de gemiddelde diepte van het perceel, de achteruitbouwstrook niet meegerekend, zonder dat deze afstand meer dan 30 meter mag bedragen. Het ondergronds bouwwerk moet worden bedekt met een laag teelaarde van minstens 0,30 meter over de hele oppervlakte die bovengronds niet-bebouwd is ». Terwijl die formulering niet in aanmerking kan worden genomen, omdat : - de uitdrukking « het terrein dat door het bouwwerk ondergronds mag worden ingenomen » op zijn minst vreemd aandoet; - er dient te worden afgestapt van de drievierdegrens om de voornoemde redenen; ook de grens van 30 meter is niet gerechtvaardigd. - de grens van de rooilijn vastligt en geen verwijzing meer behoeft; Overwegende dat, wat betreft de hoekterreinen, een reclamant vindt dat het belangrijk is om een aangepaste omkadering te vinden; dat hij vindt dat het voorgestelde model traditioneel en onuitvoerbaar is; Terwijl aan de behandeling van de hoekpercelen afdoende tegemoet gekomen wordt in Titel 1 die een oplossing tracht te vinden voor de problemen voortspruitend uit de naleving van de bouwstructuur, de vaak kleine afmetingen van de hoekpercelen en de inrichting van een voldoende verluchte ruimte; Dat de bijzondere situatie van deze terreinen die de structuur van het huizenblok vormen en vanuit meerdere invalshoeken zichtbaar zijn, de verbeelding en de creativiteit van de ontwerpers zal stimuleren; Dat Titel 1 deze creativiteit voor de behandeling van de hoekpercelen enkel zou kunnen inperken middels de reeds bestaande beperkingen die een zekere harmonie ten aanzien van de naastliggende bouwwerken moeten waarborgen; Overwegende dat, volgens een gemeente, een vergelijking tussen twee naastliggende gebouwen zinloos is in het geval van een hoekterrein; Terwijl Titel 1 niet verwijst naar twee naastliggende gebouwen met het oog op een vergelijking, maar om een coherente maximumdiepte te bepalen ten opzichte van elk van de naastliggende gebouwen afzonderlijk; Overwegende dat een gemeente, omdat men vaak met kleine hoekpercelen wordt geconfronteerd die zich bovendien in scherpe hoeken bevinden, vindt dat de regel strenger moet zijn en een perfecte aansluiting van de achtergevels van elk mandelig gebouw moet opleggen; dat volgens die gemeente een afhaking voor een grotere diepte kan worden verwezenlijkt mits een minimum achteruitbouw van 1,90 meter en mits een zijdelingse doorgang van 45° ten opzichte van het spoor van de mandelige muren op de achtergevels; Terwijl dat soort maatregel in het merendeel der gevallen via een verordening niet kan worden opgelegd; Dat de behandeling van de hoekpercelen geval per geval moeten worden geanalyseerd; Dat de regels, bedoeld in Titel 1, geschikt zijn voor de kleine percelen inzoverre geen enkele dieptegrens door de verordening wordt voorzien, uitgezonderd ten opzichte van de naastliggende percelen; Overwegende dat de Commissie het betreurt dat de verordening geen inplantingsregels bepaalt voor de naastliggende gebouwen van hoekgebouwen; dat volgens haar het vaak deze gebouwen zijn die de hoekgebouwen op nauwe percelen `verstikken' of hun bouw bijna volledig onmogelijk maken; Terwijl de diepte van de gebouwen naast een hoekgebouw geregeld wordt door de algemene bepalingen betreffende de inplanting van de bouwwerken; Dat die bepalingen het risico op verstikken, zoals aangehaald door de Commissie, voorkomen; Dat wanneer een hoekterrein nog niet bebouwd is wanneer de naastliggende gebouwen opgetrokken worden, de diepte ervan beperkt zal zijn met verwijzing naar het ander bouwwerk indien het bestaat, en alleszins met verwijzing naar de drievierde-grens van de terreindiepte; Dat die maatregelen volstaan voor de bescherming van de hoekpercelen en dat niets in het raam van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening bijkomende beperkingen voor de bouwwerken naast hoekterreinen rechtvaardigt; Overwegende dat de Commissie de volgende formulering voorstelt (gesteund op de Verordening van het Jubelpark) : « voor de hoekpercelen, dat wil zeggen de terreinen die twee openbare wegen kruisen en die minder dan 34 meter diep zijn, afstand die langs de as van het perceel gemeten wordt, moet elk bouwwerk een niet-bebouwde oppervlakte vrijlaten die overeenstemt met minstens 1/8 van de totale geveloppervlakte. De gemiddelde afstand tussen de achtergevel van het bouwwerk, bijgebouwen inbegrepen, en het uiteinde van het perceel, mag niet kleiner zijn dan 3 meter »; Terwijl die formulering niet in aanmerking kan worden genomen om de volgende redenen : - ze laat een uitbreiding toe van het hoekbouwwerk naar het binnenterrein van het huizenblok zonder dat rekening wordt gehouden met de buren; - het behoud van een niet-bebouwde oppervlakte is niet altijd mogelijk gelet op de vaak kleine afmetingen van die percelen; Overwegende dat een reclamant, wat de doorlopende terreinen betreft, wil dat het perceel, als het terrein minder dan 34m diep is, beschouwd wordt als twee aparte percelen, zolang er een afstand van minstens 6m bewaard wordt tussen de twee achtergevels; Overwegende dat de Commissie voor de doorlopende terreinen de volgende formulering voorstelt (gesteund op de Verordening van het Jubelpark) : « Voor de doorlopende percelen, dat wil zeggen de terreinen die twee openbare wegen kruisen die één verkaveling vormen en meer dan 34 meter diep zijn, afstand die langs de as van het perceel gemeten wordt, met uitzondering van de hoekpercelen, moeten de bepalingen van artikel 5 §§ 2 en 3 worden toegepast, waarbij elke gevel aan de straatkant steeds afzonderlijk wordt beschouwd en waarbij de helft van de totale diepte van het doorlopend perceel als berekeningsbasis wordt gebruikt. Deze afstand wordt gemeten langs de as van het perceel. Verder mogen de achtergevels van beide bouwwerken, bijgebouwen inbegrepen, elkaar niet raken en moeten ze zich op minstens 6 meter van elkaar bevinden; deze afstand wordt langs de as van het perceel gemeten. » Overwegende dat die formulering van de Commissie niet in aanmerking kan worden genomen om de volgende redenen : - ze beantwoordt niet aan de punten van kritiek die in de loop van het openbaar onderzoek naar voren zijn gebracht; - de 6-meterregel is onverantwoord omdat deze geen rekening houdt met de afmetingen van het terrein; Dat voor mandelige bouwwerken de behandeling van de doorlopende terreinen verzekerd is door de regel die een inplanting oplegt op de rooilijn of de voorgeschreven bouwlijn; Dat in de andere gevallen de reglementering van de doorlopende terreinen niet op gewestelijk niveau moet gebeuren; De inplanting van de vrijstaande bouwwerken Overwegende dat, indien men er van uitgaat dat de inplanting van vrijstaande bouwwerken aan bijzondere voorwaarden moet voldoen, men volgens een gemeente eerst de opportuniteit van de bouw ervan moet nagaan in functie van omliggende typologische kenmerken en de oppervlakte van het perceel; Terwijl die kwesties geregeld worden hetzij door een bijzonder bestemmingsplan, hetzij in het raam van de afgifte van een verkavelingsvergunning in functie van de configuratie van de ruimte, hetzij rekening houdend met de bestaande bouwwerken in de straat; Overwegende dat een reclamant vindt dat men eerder een proportionele regel voor achteruitbouw ten overstaan van de hoogte van de bouwwerken moet invoeren; Terwijl van die beschouwingen sprake moet zijn in het raam van de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning of van de verkavelingsvergunning, van de uitwerking van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of van een bijzonder bestemmingsplan; Overwegende dat een reclamant meent dat het innamepercentage van 40 % een belemmering is voor de industriële vestigingen die voor 50 tot 65 % grond innemen; Dat wordt rekening gehouden met het bezwaar door artikel 7 betreffende de vestiging van vrijstaande bouwwerken te herzien; Overwegende dat de Commissie voorstelt om het hoofdstuk betreffende de bouwdiepten af te sluiten met een speciaal artikel betreffende `terreinen met bijzondere vorm en grootte' dat als volgt zou worden geformuleerd : « om redenen van plaatselijke aanleg kan de overheid die bevoegd is om te beslissen over de vergunningsaanvraag, bij een met redenen omklede beslissing, andere bouwdiepten voorschrijven dan die welke in hogerstaande artikelen zijn bepaald. » Terwijl deze formulering niet in aanmerking kan worden genomen omdat ze zo onnauwkeurig is dat ze neerkomt op een ontkenning van alle uitgebrachte regels; Het bouwprofiel van de mandelige bouwwerken Overwegende dat de Commissie oppert om in het artikel in kwestie te verwijzen naar de schets die zich op het einde van de tekst bevindt of om de schets in de tekst van het artikel op te nemen; Terwijl die toevoeging nutteloos is omwille van artikel 18 en technisch moeilijk wegens de voorstelling in twee kolommen in het Frans en Nederlands; Overwegende dat een gemeente voorstelt om een clausule toe te voegen met het oog op het behoud van de architecturale kwaliteit van de straat om te vermijden dat een toevallige vergissing (aanpalend mandelig bouwprofiel buiten bouwhoogte) als referentie wordt gebruikt; Terwijl de verwijzing naar twee bouwwerken dit risico beperkt en kan leiden tot een harmonisering van de bouwprofielen van drie nabijgelegen bouwwerken; Overwegende dat de Commissie bijzondere aandacht vraagt voor de belendende zones van de twee gebieden van het gewestplan waar dit probleem van inplantingsdiepte en -hoogte op bijzondere wijze gesteld wordt (vb. tussen een `administratiegebied' en een `typisch woongebied' stellen we vaak weinig harmonieuze overgangsproblemen vast die heel negatieve gevolgen van de dominerende functie op de zwakke functie heeft); Terwijl de wijze waarop de voorgestelde regels betreffende de inplanting en bouwprofiel zijn opgevat in de verordening zorgt voor een harmonieuze overgang in eenzelfde huizenblok tussen gebieden met onderscheiden bestemmingen, omdat systematisch wordt verwezen naar de naastliggende bouwwerken; Dat de tegenstelling tussen twee huizenblokken met een onderscheiden bestemming (bijvoorbeeld administratie-huisvesting) onvermijdelijk is en effectiever kan worden afgezwakt door maatregelen die afzonderlijk worden genomen in functie van de bijzondere configuratie van de ruimte dan door abstracte en beperkende maatregelen die zijn genomen in het raam van een verordening; Overwegende dat de Commissie het betreurt dat de kwestie van de inplanting en de aangepaste maten uitsluitend wordt aangekaart in functie van de aangrenzende percelen terwijl de straatbreedte, de afmetingen van de huizenblokken en het stedelijk landschap andere belangrijke ruimte-indicatoren zijn; Overwegende dat de reclamanten eveneens van oordeel zijn dat de referentie het gemiddelde in de straat zou moeten zijn en niet het gemiddelde van de naastliggende bouwwerken; Terwijl referentiepunten zoals de straatbreedte in aanmerking zijn genomen in de vorige reglementeringen (bijvoorbeeld de regel waarbij de hoogte van de bouwwerken in een hoek van 45° getrokken wordt vanaf de rooilijnen aan de overzijde van de straat, hetgeen inhoudt dat hoe breder de straat is hoe hoger de gebouwen zijn) en dat deze referentiepunten niet hebben verhinderd dat in sommige buurten alle harmonie zoek is; Dat de verwijzing naar de naastliggende bouwwerken een eenvoudige en volkomen gerechtvaardigde regel is rekening houdend met de nood aan een zekere bezonning en bescherming van het binnenterrein van het huizenblok en aan de waarborg van harmonie van de bouwlijn; Dat de combinatie van deze regel met andere referentiepunten zoals de straatbreedte, de afmetingen van het huizenblok, het stedelijk landschap of het gemiddelde van de profielen in de straten de reglementering nog gecompliceerder maken waarvan de precisiegraad reeds een punt van kritiek is; Dat de overheden bevoegd voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning en met name de gemeenten, hetzij in het raam van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, hetzij in het raam van een afzonderlijke beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, rekening moeten houden met die andere referentiepunten; Dat de verwijzing naar het straatgemiddelde niet geschikt is, omdat de zeer lange straten zeer uiteenlopende kenmerken vertonen naargelang het huizenblok; Overwegende dat, wat betreft het referentie-profiel, een reclamant vindt dat de tekening afdoende aantoont hoe complexe daken en volumes ontstaan; Dat de schrapping van de zijdelingse insprong van 3 meter toelaat om tegemoet te komen aan die opwerping en om « steekvormige » daken te vemijden; Overwegende dat een reclamant zich afvraagt of de gevelhoogte geen voorrang moet krijgen op de hoogte van het gebouw en dat volgens deze reclamant de aansluiting er minder belangrijk is vermits de mandelige muren geen vensters bevatten; Terwijl de hoogte van de gevel behandeld wordt in de Titel 1 en de afwezigheid van vensters in de mandelige muren geen verwaarlozing van de aansluitingen rechtvaardigt; Overwegende dat een gemeente voorstelt om § 2 aan te vullen met « voor zover de goede ruimtelijke ordening het toelaat »; Terwijl de verwijzing naar de goede ruimtelijke ordening, voorgesteld als kon ze een afwijking toestaan, te vaag is en neerkomt op een ontkenning van de regel; Dat krachtens de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw enkel de gemachtigde ambtenaar bevoegd is om te oordelen of een afwijking op de verordening vereist is krachtens de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat een reclamant voorstelt om te voorzien in een maximumhoogte van 21 meter en een beperking van de bouwlijn tot de straatbreedte; Terwijl de beperking tot 21 meter niet gerechtvaardigd lijkt te zijn in een omgeving van mandelige bouwwerken inzoverre het verboden is meer dan 3 meter uit te steken voorbij het profiel van het laagste bouwwerk; Terwijl de beperking van de hoogte van de bouwlijn tot de straatbreedte niet systematisch kan worden opgelegd; dat in bepaalde gevallen deze beperking ofwel overdreven ofwel ontoereikend zou zijn, rekening houdend met de configuratie van de ruimte; Overwegende dat volgens een gemeente de bepaling van een referentie-profiel dat voortvloeit uit de combinatie van de twee mandelige profielen een hinderpaal kan zijn voor de samenstelling van de hoekpercelen; Terwijl het bouwprofiel van het hoekbouwwerk, zichtbaar vanaf minstens twee openbare wegen, in zekere mete coherent moet zijn met elk bouwwerk eromheen en dat de regels die zijn geformuleerd voor de meerderheid der mandelige bouwwerken eveneens geschikt zijn voor de hoekbouwwerken; Overwegende dat bepaalde reclamanten vinden dat de toepassing van het criterium van het referentie-profiel de reeds bestaande niveauverschillen zal benadrukken en de architecturale vergissingen uit het verleden zal bevestigen door elke harmonisering van de bestaande lijnen te verhinderen; Terwijl dat risico enkel bestaat wanneer een enkel bouwwerk als referentie dient, wat het artikel betreffende het referentie-profiel niet voorziet; Dat wanneer twee bouwwerken als referentie dienen en dat ze allebei uitzonderlijk hoog zijn ten opzichte van de andere bouwwerken in de straat, het nieuwe bouwwerk dat tussen de twee zal komen te staan, rekening moeten houden met de hoogte van die twee bouwwerken met het risico dat een gekartelde lijn wordt gevormd; Overwegende dat een reclamant Titel 1 tamelijk beperkend vindt omdat dit het behoud nastreeft van een situatie die als verworven wordt beschouwd; Terwijl de inachtneming van het bestaand bebouwd weefsel inherent is aan het behoud van een zekere harmonie en de vorming van coherente gehelen; Dat de grenzen zoals voorzien in artikelen 5 en 6 slechts maxima zijn waarbinnen de creativiteit van de architecten vrij spel heeft; Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wil verduidelijken dat de daken aan volumetrische kwaliteiten moeten voldoen (coherentie van eenvoudige vormen); Terwijl het niet de gewestelijke stedenbouwkundige verordening is die op gewestelijk niveau de welomschreven architecturale vormen moet opleggen; Overwegende dat de Commissie vaststelt dat de verordening niets zegt over de vorm en de behandeling van de daken, met uitzondering van het niet-overschrijden van de mandelige profielen (in het hoofdstuk over het bouwprofiel), terwijl de vorm van de daken in de stad een belangrijke plaats bekleedt; Terwijl de vorm van het dak niet bij verordening kan worden opgelegd; dat deze bepaald wordt door de ontwerper; Overwegende dat de Commissie de volgende formulering voorstelt : « § 1. Het bouwwerk moet passen in een bouwprofiel, bepaald door : 1° een verticaal vlak op de bouwlijn dat minstens even hoog is als de hoogte van de laagste aanpalende voorgevel, 2° een referentie-profiel dat voorkomt uit de combinatie van de twee (al dan niet mandelige) profielen van de naastliggende bouwwerken. § 2. Het referentie-profiel mag niet meer dan 3 meter uitsteken voorbij het profiel van het laagste naastliggende bouwwerk. Indien het laagste naastliggende bouwwerk (al dan niet mandelig) een uitzondering vormt in de straat of het huizenblok (of : abnormaal laag is in vergelijking met het gemiddelde van de straat), dan moet er - conform artikel 15 - een harmonieuze aansluiting worden gecreëerd tussen de twee bestaande naastliggende bouwwerken, zonder het profiel van het hoogste naastliggende bouwwerk te overschrijden; Het referentie-profiel moet steeds passen in een recht tracé op 45° vanaf de rooilijn van het perceel aan de overzijde. Deze bepalingen worden geïllustreerd door de afbeeldingen XXX in bijlage. » Terwijl men dient af te wijken van dit voorstel inzoverre het de regel van de 45° opnieuw invoert die ofwel overlapt met de grenzen voortkomend uit de verwijzing naar de buren, ofwel ontoereikend is in het geval van zeer brede wegen zoals de Louizalaan; dat deze regel anders moet worden geformuleerd; Overwegende dat bepaalde gemeenten vinden dat een dakkapel meestal terugspringend is ten opzichte van de gevels en het een samenstellend element van het dak vormt en niet van het bouwprofiel; dat een dakkapel van 3 meter hoog niet langer e