📄 Wettekst
11 MAART 2002. - Koninklijk besluit inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen en van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, inzonderheid op de artikelen 3 en 4, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999, op artikel 5, § 2, en op artikel 9;
Gelet op de
wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/1979
pub.
24/06/2011
numac
2011000394
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991;
Gelet op de
wet van 20 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/01/1999
pub.
12/03/1999
numac
1999022033
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België
sluiten ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, inzonderheid op artikel 43, 1°, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999;
Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998, 3 mei 1999 en 23 oktober 2001;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen, gewijzigd bij het de koninklijke besluiten van 14 augustus 1985 en 3 mei 1999;
Gelet op het
koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
09/12/1998
pub.
25/12/1998
numac
1998014332
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van : 1° het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996, 2° het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996, 3° het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996
sluiten houdende uitvoering van richtlijn 98/18/EG van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen;
Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 14, eerste lid, van richtlijn 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen, bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 1 juli 1998 aan de richtlijn te voldoen;
Overwegende dat, aangezien België zijn verplichtingen niet tijdig is nagekomen, de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 7 september 2000 een gemotiveerd advies krachtens artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft uitgebracht; dat België zich onverwijld dient te conformeren aan dit advies door omzetting van de richtlijn in nationaal recht om alsnog een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te voorkomen; dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen dienaangaande bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een verzoekschrift heeft ingediend op 27 maart 2001;
Gelet op advies 32.715/4 van de Raad van State, gegeven op 17 december 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Overwegende dat richtlijn 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen omgezet wordt in nationaal recht door onderhavig besluit;
Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit ter omzetting van richtlijn 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen wordt verstaan onder : 1° « internationale verdragen » : het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas-verdrag van 1974) en het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, tezamen met de protocollen en wijzigingen daarvan welke van kracht zijn op 17 maart 1998; 2° « Intact Stability Code » : de « Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle onder de IMO-instrumenten vallende scheepstypen », zoals vervat in resolutie A.749(18) van de vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van 4 november 1993, als gewijzigd op 17 maart 1998; 3° « HSC-code » : de « Internationale code voor de veiligheid van hogesnelheidsvaartuigen », zoals vervat in resolutie (MSC) 36 (63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van 20 mei 1994, als gewijzigd op 17 maart 1998;4° « GMDSS » : het Wereldomvattend Maritiem Satelliet-Communicatiesysteem als beschreven in hoofdstuk IV van het Solas-verdrag van 1974, als gewijzigd op 17 maart 1998;5° « STCW-Verdrag » : het Internationaal Verdrag van 1978 betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, brevettering en wachtdienst met de bij de conferentie van 1995 herziene bijlage en de Code voor opleiding, brevettering en wachtdienst van zeevarenden; 6° « DSC-code » : de « Code voor de veiligheid van dynamisch ondersteunde vaartuigen », zoals vervat in resolutie A.373(X) van de vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van 14 november 1977, als gewijzigd bij resolutie MSC 37(63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van 19 mei 1994; 7° « passagiersschip » : een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;8° « hogesnelheidspassagiersvaartuig » : een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het Solas-verdrag van 1974, als gewijzigd op 17 maart 1998, dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Worden niet als hogesnelheidspassagiersvaartuigen aangemerkt, passagiersschepen op binnenlandse reizen in wateren van de klassen B, C of D, indien : - hun waterverplaatsing kleiner is dan vijfhonderd m3, en - hun maximumsnelheid als gedefinieerd in punt 1.4.30 van de HSC-code lager ligt dan twintig knopen; 9° « een nieuw schip » : een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 1998.Een soortgelijk stadium van de bouw is het stadium waarin : a) de bouw van een bepaald schip begint, en b) bij het assembleren van het schip reeds vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal is gebruikt, waarbij de kleinste van beide massa's in aanmerking wordt genomen;10° « een bestaand schip » : een schip dat geen nieuw schip is;11° « een passagier » : iedere persoon aan boord met uitzondering van : a) de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die in welke hoedanigheid dan ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip, en b) de kinderen beneden de leeftijd van één jaar;12° « lengte van een schip » : tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zesennegentig procent van de totale lengte van de lastlijn op vijfentachtig procent van de kleinste holte naar de mal, gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn, als deze laatste groter is.Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop de lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn genomen worden; 13° « boeghoogte » : de boeghoogte die in voorschrift 39 van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966 is omschreven als de verticale afstand van de lastlijn behorende bij het vastgestelde zomervrijboord en de ontworpen stuurlast tot de bovenkant van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten ter plaatse van de voorloodlijn;14° « voldekschip » : een schip met een over de gehele lengte doorlopend dek dat is blootgesteld aan weer en wind en voorzien is van permanente middelen tot afsluiting van alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde gedeelte, terwijl alle openingen daaronder in de zijden van het schip zijn uitgerust met permanente middelen tot een minstens weer- en winddichte afsluiting. Het doorlopend dek mag een waterdicht dek zijn of een daaraan gelijkwaardige constructie van een niet-waterdicht dek dat volledig bedekt is door een weer- en winddichte constructie die sterk genoeg is om de weer- en winddichtheid te handhaven en uitgerust is met middelen tot weer- en winddichte afsluiting; 15° « lidstaat » : een lidstaat van de Europese Unie;16° « internationale reis » : een reis over zee van een haven in een lidstaat naar een haven buiten die lidstaat of omgekeerd;17° « binnenlandse reis » : een reis in zeegebieden van een haven van een lidstaat naar dezelfde of een andere haven binnen die lidstaat;18° « zeegebied » : een gebied onder de jurisdictie van een lidstaat waarvoor door de betrokken lidstaat aan de hand van de in artikel 3 gegeven criteria voor de indeling in klassen, de vaargebieden zijn aangegeven, waarbinnen de scheepsklassen het hele jaar door, of, in voorkomend geval, gedurende een bepaalde periode van het jaar in de vaart zijn.De lijst van die zeegebieden wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Voor de toepassing van de bepalingen inzake radiocommunicatie gelden de omschrijvingen van zeegebieden als gegeven in hoofdstuk IV, voorschrift 2, van het Solas-verdrag van 1974; 19° « havengebied » : een gebied als omschreven door de lidstaten, dat geen zeegebied is en zich uitstrekt tot aan de buitenste permanente havenwerken die een integrerend deel vormen van de haven, of tot aan de grenzen die zijn bepaald door natuurlijke geografische elementen die een estuarium of een soortgelijk beschermd gebied beschutten;20° « toevluchtsoord » : een natuurlijk of kunstmatig beschermd gebied dat door een schip of vaartuig als schuilplaats mag worden gebruikt in omstandigheden waarin zijn veiligheid gevaar loopt;21° « administratie van de vlaggenstaat » : de bevoegde autoriteiten van de staat onder welks vlag het schip of vaartuig gerechtigd is te varen;22° « staat van ontvangst » : een lidstaat naar of vanuit welks haven(s) een onder een andere vlag dan die van die lidstaat varend schip of vaartuig binnenlandse reizen onderneemt;23° « erkende organisatie » : een organisatie die erkend is overeenkomstig artikel 2 van het
ministerieel besluit van 30 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
30/07/1998
pub.
28/08/1998
numac
1998014212
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Ministerieel besluit betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties
sluiten betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties;24° « mijl » : duizend achthonderd tweeënvijftig meter;25° « significante golfhoogte » : de gemiddelde hoogte van de golven in het hoogste drieëndertig-percentiel van de in een bepaalde periode gemeten golfhoogteverdeling;26° « de Minister » : de minister die de maritieme zaken en de scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft;27° « de aangestelde ambtenaar » : de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is;28° « passagiersschip met vaarbeperkingen » : een passagiersschip onder Belgische vlag waarop het beperkt vaargebied langs de kust en de vaarbeperkingen bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen van toepassing zijn en dat is voorzien van een certificaat van deugdelijkheid voor een passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust, met vaarbeperkingen, overeenkomstig artikel 8, § 1, van dit besluit;29° « koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen » : het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen;30° « de richtlijn » : richtlijn 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op : 1° nieuwe passagiersschepen, 2° bestaande passagiersschepen van ten minste vierentwintig meter lang, 3° hogesnelheidspassagiersvaartuigen, ongeacht de vlag waaronder zij varen, wanneer zij uitsluitend voor binnenlandse reizen gebruikt worden. Passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die onder de vlag varen van een staat die geen lidstaat is, moeten geheel voldoen aan de eisen van dit besluit, voordat zij mogen worden gebruikt voor binnenlandse reizen in België. § 2. Dit besluit is niet van toepassing op : 1° passagiersschepen, zijnde : - oorlogsschepen en troepentransportschepen, - schepen zonder mechanische voortstuwingsmiddelen, - met ander materiaal dan staal of gelijkwaardig materiaal gebouwde schepen die niet onder de normen voor hogesnelheidsvaartuigen (resolutie MSC 36 (63)) of dynamisch ondersteunde vaartuigen (resolutie A.373 (X)) vallen, - houten schepen van primitieve bouw, - originele, historische, vóór 1965 ontworpen passagiersschepen en individuele replica's daarvan, die hoofdzakelijk met de originele materialen gebouwd zijn, - plezierjachten, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, - schepen die uitsluitend in havengebieden worden gebruikt; 2° hogesnelheidspassagiersvaartuigen, zijnde : - vaartuigen voor oorlogsdoeleinden en troepentransport, - pleziervaartuigen, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, - uitsluitend in havengebieden gebruikte vaartuigen. Art. 3.Passagiersschepen die geen passagiersschepen met vaarbeperkingen zijn, worden naar gelang van het zeegebied waarin zij varen in de volgende klassen ingedeeld : « Klasse A » : passagiersschip dat gebruikt wordt voor andere binnenlandse reizen dan die welke door schepen van de klassen B, C en D worden gemaakt. « Klasse B » : passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen tijdens welke het nooit meer dan twintig mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte. « Klasse C » : passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan twee en een halve meter kleiner is dan tien procent in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is (bijvoorbeeld de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan vijftien mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan vijf mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte. « Klasse D » : passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan anderhalve meter kleiner is dan tien procent in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is, (bijvoorbeeld de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan zes mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan drie mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.
Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijn de in hoofdstuk 1, punten 1.4.10 en 1.4.11 van de HSC-code omschreven categorieën van toepassing. Art. 4.§ 1. Nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen dienen, wanneer zij uitsluitend voor binnenlandse reizen worden gebruikt, te voldoen aan de relevante veiligheidsvoorschriften van dit besluit. § 2. Om redenen in verband met dit besluit mogen passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij uitsluitend voor binnenlandse reizen worden gebruikt, niet uit de vaart worden gehouden wanneer deze voldoen aan de eisen van dit besluit.
België erkent in zijn hoedanigheid van staat van ontvangst, het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en de exploitatievergunning die door een andere lidstaat worden uitgereikt voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij worden gebruikt voor binnenlandse reizen, of het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen dat door een andere lidstaat wordt uitgereikt voor passagiersschepen overeenkomstig artikel 11 van de richtlijn, wanneer zij worden gebruikt voor binnenlandse reizen. § 3. De aangestelde ambtenaren mogen een passagiersschip, of een hogesnelheidspassagiersvaartuig dat een binnenlandse reis maakt, inspecteren en de scheepspapieren aan een onderzoek onderwerpen, overeenkomstig de bepalingen van het
koninklijk besluit van 13 september 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/09/1998
pub.
25/09/1998
numac
1998014228
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. § 4. Alle uitrusting aan boord van zeeschepen, als vermeld in bijlage A.1 van het
koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
08/01/1999
numac
1998021519
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit betreffende de Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
08/09/1999
numac
1999022156
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het "Trustfonds voor het basisbudget van het Verdrag inzake biologische diversiteit"
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
30/12/1998
numac
1998014337
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
14/01/1999
numac
1998002138
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de ministeries
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
30/12/1998
numac
1998014329
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, die aan het bepaalde in genoemd besluit voldoet, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit besluit ongeacht of in bijlage I van dit besluit dan wel in het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen wordt voorgeschreven dat de uitrusting naar genoegen van de aangestelde ambtenaren moet worden goedgekeurd en aan proeven onderworpen. Art. 5.§ 1. Bepalingen inzake nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D, die geen passagiersschip met vaarbeperkingen zijn : 1° romp, hoofd- en hulpwerktuigen en elektrische en automatische installaties dienen te worden gebouwd en onderhouden volgens de classificatienorm vervat in de voorschriften van een erkende organisatie;2° de bepalingen van de hoofdstukken IV (met inbegrip van de GMDSS-wijzigingen van 1988), V en VI van het Solas-verdrag van 1974, als gewijzigd op 17 maart 1998, zijn van toepassing;3° de bepalingen inzake navigatiemiddelen aan boord van schepen van hoofdstuk V, voorschrift 12, van het Solas-verdrag van 1974, zijn van toepassing.Navigatiemiddelen aan boord van schepen, als vermeld in bijlage A.1 van het
koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
08/01/1999
numac
1998021519
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit betreffende de Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
08/09/1999
numac
1999022156
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het "Trustfonds voor het basisbudget van het Verdrag inzake biologische diversiteit"
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
30/12/1998
numac
1998014337
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
14/01/1999
numac
1998002138
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de ministeries
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/1998
pub.
30/12/1998
numac
1998014329
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, die voldoen aan de bepalingen van genoemd besluit, worden geacht in overeenstemming te zijn met de type-goedkeuringseisen van hoofdstuk V, voorschrift 12(r) van het Solas-verdrag van 1974. § 2. Bepalingen inzake nieuwe passagiersschepen die geen passagiersschepen met vaarbeperkingen zijn : 1° algemene eisen : a) nieuwe passagiersschepen van klasse A dienen geheel te voldoen aan de eisen van het Solas-verdrag van 1974, als gewijzigd op 17 maart 1998, alsmede aan de specifieke relevante eisen van dit besluit en van bijlage I.Wat betreft de voorschriften waarvan Solas de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie dient de aangestelde ambtenaar de interpretaties als vermeld in bijlage I toe te passen; b) nieuwe passagiersschepen van de klassen B, C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van dit besluit en van bijlage I;2° eisen betreffende de uitwatering : a) alle nieuwe passagiersschepen van ten minste vierentwintig meter lang dienen te voldoen aan de voorschriften van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966;b) nieuwe passagiersschepen met een lengte van minder dan vierentwintig meter dienen te voldoen aan de door de aangestelde ambtenaar bepaalde criteria, gerelateerd aan lengte en klasse, die een veiligheidsniveau hebben dat gelijkwaardig is aan dat van de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966;c) onverminderd het bepaalde in de punten a) en b) worden nieuwe passagiersschepen van klasse D vrijgesteld van de eis inzake de minimumboeghoogte van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966;d) nieuwe passagiersschepen van de klassen A, B, C en D dienen een doorlopend dek te hebben. § 3. Bepalingen inzake bestaande passagiersschepen die geen passagiersschepen met vaarbeperkingen zijn : 1° bestaande passagiersschepen van klasse A dienen te voldoen aan de voorschriften voor bestaande passagiersschepen van het Solas-verdrag van 1974, als gewijzigd op 17 maart 1998, alsmede aan de specifieke relevante eisen van dit besluit en van bijlage I.Wat betreft de voorschriften waarvan het Solas-verdrag van 1974 de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie, dient de aangestelde ambtenaar de interpretaties als vermeld in bijlage I toe te passen; 2° bestaande passagiersschepen van klasse B dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van dit besluit en van bijlage I;3° bestaande passagiersschepen van de klassen C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van dit besluit en bijlage I, hoofdstuk III, en wat betreft zaken die niet onder deze eisen vallen, aan de bepalingen van de artikelen 24 tot en met 49 van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen. Alvorens bestaande passagiersschepen van de klassen C en D voor geregelde binnenlandse reizen in een staat van ontvangst kunnen worden gebruikt, dient de aangestelde ambtenaar de instemming van de staat van ontvangst met die regels te verkrijgen; 4° wanneer de aangestelde ambtenaar van mening is dat de door de administratie van de staat van ontvangst op grond van punt 3° geëiste regels onredelijk zijn, stelt de directeur-generaal van het Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan onmiddellijk in kennis met het oog op het bekomen van een beslissing vanwege die Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 9 van de richtlijn;5° ingrijpende reparaties, verbouwingen en wijzigingen en de bijbehorende installaties dienen te voldoen aan de voor nieuwe schepen geldende eisen, als voorgeschreven in § 2, 1°.Verbouwingen van een bestaand schip die uitsluitend tot doel hebben een hogere overleefbaarheidsnorm te bereiken, mogen niet als ingrijpende wijzigingen worden beschouwd; 6° de bepalingen van punt 1°, tenzij in het Solas-verdrag van 1974 vroegere datums worden opgegeven, en de bepalingen van de punten 2° en 3°, tenzij in bijlage I vroegere datums worden opgegeven, zijn niet van toepassing op een vaartuig waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond : a) vóór 1 januari 1940 : tot 1 juli 2006, b) op of na 1 januari 1940, maar vóór 31 december 1962 : tot 1 juli 2007, c) op of na 1 januari 1963, maar vóór 31 december 1974 : tot 1 juli 2008, d) op of na 1 januari 1975, maar vóór 31 december 1984 : tot 1 juli 2009, e) op of na 1 januari 1985, maar vóór 1 juli 1998 : tot 1 juli 2010;7° bij wijze van afwijking kunnen bestaande passagiersschepen van de klassen A en B die vóór 1 januari 1996 in de vaart gebracht zijn en uitsluitend ingezet worden voor binnenlandse reizen tussen havens in Griekenland, door de aangestelde ambtenaar vrijgesteld worden van de verplichting tot naleving van de eisen van voorschriften II-1/B/8-1, II-1/B/8-2 van het Solas-verdrag van 1974 of van bijlage I en van voorschrift II-2B/16 van bijlage I, mits deze schepen aan elk van de volgende voorwaarden voldoen : a) op 1 oktober 2000 zijn zij meer dan zevenentwintig jaar oud, gerekend vanaf de datum waarop de kiel van deze schepen is gelegd of waarop de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond, overeenkomstig de definitie in artikel 1, 9°, b) zij worden uitsluitend gebruikt voor binnenlandse reizen tussen in Griekenland gelegen havens, en c) uiterlijk op de dag waarop zij vijfendertig jaar oud worden, wordt het gebruik ervan op binnenlandse reizen beëindigd. De voor dergelijke schepen toegestane afwijking moet expliciet op hun certificaat van deugdelijkheid voor een passagiersschip, als bedoeld in artikel 8 worden vermeld. § 4. Bepalingen met betrekking tot hogesnelheidspassagiersvaartuigen : 1° hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vanaf 1 januari 1996 zijn gebouwd of ingrijpende reparaties, verbouwingen of wijzigingen hebben ondergaan, dienen te voldoen aan de eisen van voorschrift X/3 van het Solas-verdrag van 1974, tenzij : - de kiel van een dergelijk schip niet later dan op 4 juni 1998 is gelegd of de bouw zich op die dag in een soortgelijk stadium bevond, en - het schip niet later dan op 4 december 1998 opgeleverd en in de vaart werd gebracht, en - het schip volledig voldoet aan de eisen van de DSC-code;2° hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vóór 1 januari 1996 zijn gebouwd en die voldoen aan de eisen van de HSC-code, blijven in de vaart onder certificering van deze code. Hogesnelheidspassagiersvaartuigen die zijn gebouwd vóór 1 januari 1996 en die niet aan de eisen van de HSC-code voldoen, mogen niet voor binnenlandse reizen worden gebruikt tenzij zij reeds voor binnenlandse reizen in een lidstaat werden gebruikt op 4 juni 1998, in welk geval het binnenlands gebruik in die lidstaat mag worden voortgezet.
Dergelijke vaartuigen dienen te voldoen aan de eisen van de DSC-code; 3° bij de bouw en het onderhoud van hogesnelheidspassagiersvaartuigen en bijbehorende uitrusting dient te worden voldaan aan de voorschriften voor classificatie van hogesnelheidsvaartuigen van een erkende organisatie. § 5. Nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klasse A die geen passagiersschip met vaarbeperkingen zijn, moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit.
Nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klasse B, C en D, die geen passagiersschip met vaarbeperkingen zijn, moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen, voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit. § 6. Nieuwe en bestaande passagiersschepen met vaarbeperkingen moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen. Art. 6.Wanneer de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat een passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersvaartuig dat wordt gebruikt op een binnenlandse reis in België, niettegenstaande het feit dat het voldoet aan de bepalingen van de richtlijn, een ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu oplevert, kan hij de exploitatie van dat schip of dat vaartuig opschorten of aanvullende veiligheidsmaatregelen opleggen totdat het gevaar is opgeheven.
In deze omstandigheden stelt de directeur-generaal van het Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de overige lidstaten onverwijld en met opgave van de redenen daarvoor, in kennis van de opschorting of de opgelegde aanvullende veiligheidsmaatregelen, met het oog op het toepassen van de procedure van artikel 7, § 5, punten b) en c) van de richtlijn.
Indien daarbij wordt vastgesteld dat het besluit om de exploitatie van dit schip of vaartuig op te schorten of aanvullende veiligheidsmaatregelen op te leggen niet gewettigd is wegens ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu, dienen de opschorting of de maatregelen te worden ingetrokken. Art. 7.§ 1. Ieder nieuw passagiersschip onder Belgische vlag van de klasse A, B, C en D, dat geen passagiersschip met vaarbeperkingen is, wordt onderworpen aan de hieronder vermelde onderzoeken : 1° een onderzoek voordat het schip in bedrijf wordt gesteld;2° een periodiek onderzoek om de twaalf maanden;3° aanvullende onderzoeken, indien nodig. § 2. Ieder bestaand passagiersschip onder Belgische vlag van de klasse A, B, C en D, dat geen passagiersschip met vaarbeperkingen is, wordt onderworpen aan de hieronder vermelde onderzoeken : 1° een eerste onderzoek voordat het schip in gebruik wordt genomen voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst of uiterlijk binnen twee maanden na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad voor bestaande schepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen in België;2° een periodiek onderzoek om de twaalf maanden;3° aanvullende onderzoeken, indien nodig. § 3. Ieder hogesnelheidspassagiersvaartuig onder Belgische vlag dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, § 4, moet voldoen aan de eisen van de HSC-code wordt onderworpen aan de in de HSC-code voorgeschreven onderzoeken.
Hogesnelheidspassagiersvaartuigen onder Belgische vlag, die overeenkomstig artikel 5, § 4, moeten voldoen aan de eisen van de DSC-code, worden onderworpen aan de in die DSC-code voorgeschreven onderzoeken. § 4. Passagiersschepen met vaarbeperkingen die moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen, worden onderworpen aan de in dat besluit voorgeschreven onderzoeken. § 5. De relevante procedures en richtsnoeren voor onderzoeken met betrekking tot het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, die beschreven staan in resolutie A. 746(18) van de vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van 4 november 1993 inzake « survey guidelines under the harmonized system of survey and certification », zoals ze luiden op 17 maart 1998, of procedures met hetzelfde doel, worden gevolgd. § 6. De in de §§ 1, 2, 3 en 4 genoemde onderzoeken dienen uitsluitend te worden verricht door de aangestelde ambtenaren of door inspecteurs van een erkende organisatie die daartoe is gemachtigd overeenkomstig artikel 2 van het
koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/08/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998014213
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen
sluiten betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen of van een lidstaat die daartoe is gemachtigd door de aangestelde ambtenaar en hebben tot doel ervoor te zorgen dat aan alle van toepassing zijnde eisen van dit besluit wordt voldaan. Art. 8.§ 1. Alle nieuwe en bestaande passagiersschepen dienen te zijn voorzien van een certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust in overeenstemming met dit besluit.
Voor passagiersschepen van de klassen A, B, C en D die geen passagiersschepen met vaarbeperkingen zijn, wordt het certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust afgegeven door de aangestelde ambtenaar, nadat het eerste onderzoek, als omschreven in artikel 7, § 1, 1°, en § 2, 1°, heeft plaatsgevonden. Dit certificaat dient de in bijlage II vastgelegde vorm te hebben.
Voor passagiersschepen met vaarbeperkingen wordt het certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust met vaarbeperkingen afgegeven door de aangestelde ambtenaar overeenkomstig de eisen voor afgifte van certificaten bepaald in artikel 18 van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen. Dit certificaat dient de in bijlage II vastgelegde vorm te hebben. § 2. De certificaten bedoeld in § 1 worden afgegeven voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van de certificaten mag door de aangestelde ambtenaar worden verlengd met ten hoogste één maand, aanvangende op de vervaldatum die op de certificaten is vermeld. Wanneer een verlenging is verleend, vangt de nieuwe geldigheidsperiode aan op de vervaldatum die op de bestaande certificaten vermeld stond, voordat ze werden verlengd.
Voor passagiersschepen van de klassen A, B, C en D die geen passagiersschepen met vaarbeperkingen zijn, wordt een nieuw certificaat afgegeven, nadat een periodiek onderzoek, als omschreven in artikel 7, § 1, 2°, en § 2, 2°, heeft plaatsgevonden.
Voor passagiersschepen met vaarbeperkingen wordt een nieuw certificaat afgegeven overeenkomstig de eisen voor afgifte van certificaten bepaald in artikel 18 van het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen. § 3. Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen onder Belgische vlag die voldoen aan de HSC-code moet een certificaat van deugdelijkheid voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen voor beperkte vaart langs de kust dat voldoet aan de eisen van de HSC-code en een exploitatievergunning voor hogesnelheidspassagiersvaartuig uitgereikt krachtens de bepalingen van de HSC-code worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van die code. Het certificaat en de exploitatievergunning dienen de in bijlage II vastgelegde vorm te hebben.
Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen onder Belgische vlag die voldoen aan de eisen van de DSC-code wordt door de aangestelde ambtenaar een certificaat van deugdelijkheid voor hogesnelheidspassagiersvaartuig voor beperkte vaart langs de kust dat voldoet aan de eisen van de DSC-code en een exploitatievergunning voor dynamisch ondersteund vaartuig uitgereikt krachtens de bepalingen van de DSC-code worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van die code. Het certificaat en de exploitatievergunning dienen de in bijlage II vastgelegde vorm te hebben.
Voordat hij de exploitatievergunning afgeeft voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen onder Belgische vlag die worden gebruikt voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst, overlegt de aangestelde ambtenaar met de staat van ontvangst over eventuele operationele voorwaarden waaronder de exploitatie van dat vaartuig in die staat moet plaatsvinden. Deze voorwaarden moeten door de aangestelde ambtenaar worden vermeld op de exploitatievergunning. § 4. De in dit artikel vermelde certificaten komen overeen met de in de richtlijn bedoelde veiligheidscertificaten. Art. 9.In het koninklijk besluit passagiersschepen met vaarbeperkingen worden telkens de woorden « het districtshoofd » vervangen door de woorden « de aangestelde ambtenaar », het woord « zeevaartinspectie » door het woord « scheepvaartcontrole », de woorden « certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkt vaargebied langs de kust » door de woorden « certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust met vaarbeperkingen » en de woorden « artikel 16, 1 » door de woorden « artikel 16 ». Art. 10.In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 1 wordt aangevuld als volgt : « STCW-Verdrag : het Internationaal Verdrag van 1978 betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, brevettering en wachtdienst met de bij de conferentie van 1995 herziene bijlage en de Code voor opleiding, brevettering en wachtdienst van zeevarenden »;2° in punt 3 wordt het woord « districtshoofd » geschrapt;3° punt 4 wordt aangevuld als volgt : « lijnvisserij : het recreatief vissen op zee met individuele vishengels.» « zeegebied A1 » : een gebied binnen het radiotelefoniebereik van ten minste een VHF-radiokuststation, waarin een ononderbroken DSC-alarmering beschikbaar is; « zeegebied A2 » : een gebied, met uitzondering van het zeegebied A1, binnen het radiotelefoniebereik van ten minste een MF-radiokuststation, waarin een ononderbroken DSC-alarmering beschikbaar is; « zeegebied A3 » : een gebied, met uitzondering van de zeegebieden A1 en A2, binnen het bereik van een geostationaire INMARSAT-satelliet, waarin onafgebroken DSC-alarmering beschikbaar is; « zeegebied A4 » : een gebied buiten de zeegebieden A1, A2 en A3. Art. 11.Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 2.Toepassing Dit besluit is van toepassing op de passagiersschepen die geen internationale reis maken en uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust met de vaarbeperkingen bedoeld in artikel 3 varen. » Art. 12.In artikel 3, 1, van hetzelfde besluit worden de woorden « 25 zeemijlen » vervangen door de woorden « 35 zeemijl ». Art. 13.Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 16.Soort Een schip moet een certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip voor beperkte vaart langs de kust aan boord hebben. » Art. 14.In artikel 20 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In de Franse tekst wordt het volgende opschrift toegevoegd : « Art.20. Retrait des certificats » 2° punt 1 wordt vervangen als volgt : « 1.Blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de eisen, welke voor de afgifte van het certificaat bedoeld in artikel 16 waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende wordt voorzien, dan trekt de aangestelde ambtenaar of de Belgische consulaire ambtenaar dit certificaat in. » 3° In punt 4 worden de woorden « of de waterschouten » geschrapt. Art. 15.Artikel 42, 5, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 5. In het algemeen moeten de werktuigen, ook die aan dek, de ketels en overige drukvaten, alsmede de bijhorende leidingsystemen en appendages zodanig zijn ontworpen en gebouwd, dat zij geschikt zijn voor het gebruik waarvoor ze zijn bestemd. Zij moeten zodanig zijn opgesteld en beveiligd dat de veiligheid en de gezondheid van de in de nabijheid aanwezige personen zo min mogelijk gevaar lopen. Daarbij dient bijzondere aandacht te worden geschonken aan bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren. Waar nodig moeten ter beveiliging schermplaten, handgrepen of een hekwerk zijn aangebracht. » Art. 16.Artikel 60 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 60.Medische hulpverlening, handleiding Elk schip moet voldoen aan de voorschriften van het
koninklijk besluit van 7 januari 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/01/1998
pub.
18/03/1998
numac
1998014018
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de medische hulpverlening aan boord van schepen
sluiten betreffende de medische hulpverlening aan boord van schepen. » Art. 17.Artikel 67 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 67.Radiocommunicatie Elk schip moet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IV van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas-verdrag van 1974). » Art. 18.In artikel 69 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1985, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° De bepaling onder 2, c) , wordt vervangen als volgt : « c) De aangestelde ambtenaar kan, gelet op het aantal passagiers, de inrichting, de uitrusting, de grootte van het schip en van zijn voortstuwingsinstallatie, een aanvulling voorschrijven van de bemanning of van de vereiste brevetten of vaarbevoegdheidsbewijzen indien hij zulks om veiligheidsredenen nodig acht.» 2° De bepalingen onder 3 worden vervangen als volgt : « 3.a) De kapitein dient houder te zijn van het volgens het STCW-Verdrag vereiste vaarbevoegdheidsbewijs, of van het brevet van schipper ter kustvisserij, beperkte visserij of onbeperkte visserij. b) De motorist dient houder te zijn van het volgens het STCW-Verdrag vereiste vaarbevoegdheidsbewijs, of, indien het voortstuwingsvermogen minder dan 221 kW bedraagt van het brevet van motorist ter kustvisserij, indien het voortstuwingsvermogen minder dan 750 kW bedraagt van het brevet van motorist 750 kW, en indien het voortstuwingsvermogen meer dan 750 kW bedraagt van het brevet van motorist ter visserij.c) De assistent motorist dient houder te zijn van het vaarbevoegdheidsbewijs van gezel van een machinekamerwacht volgens het STCW-Verdrag of van het brevet van motorist ter kustvisserij.d) Iedere matroos dient houder te zijn van het vaarbevoegdheidsbewijs van gezel deel uitmakend van de brugwacht volgens het STCW-Verdrag, of van één van de volgende certificaten of getuigschriften : - het certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie; - het certificaat van scheepsleerjongen; - het getuigschrift van aspirant motorist; - het getuigschrift van aspirant ter kustvisserij; - het getuigschrift van aspirant beperkte visserij; - het getuigschrift van aspirant onbeperkte visserij. e) De aangestelde ambtenaar kan aan een bemanningslid die voor een bepaalde functie geen houder is van een vaarbevoegdheidsbewijs, brevet, certificaat of getuigschrift, bedoeld in de bepalingen onder 3, a) , b) , c) en d) , een vergunning afleveren om toch in die functie te varen.De vergunning kan enkel worden afgeleverd als de betrokkene aantoont dat het niveau van zijn op zee gepresteerde dienst en van zijn kennis en zijn geschiktheid inzake het nautische en technische omgaan met het schip ten minste gelijkwaardig is aan de eisen die voor het bekomen van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs of certificaat worden gesteld. » 3° De bepaling onder 4 wordt vervangen als volgt : « 4.De kapitein en elk lid van de bemanning dienen houder te zijn van een toelating afgeleverd door de aangestelde ambtenaar waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 3 en 72; » 4° De tekst wordt aangevuld als volgt : « 5.Aan boord van schepen die enkel varen in het zeegebied A1 dient ten minste één bemanningslid houder te zijn van het Beperkt certificaat van operator-GMDSS of van het CEPT Long Range Certificate.
Aan boord van schepen die varen in het zeegebied A2 dienen ten minste twee bemanningsleden houder te zijn van het Algemeen certificaat van operator-GMDSS of van het CEPT Long Range Certificate.
Aan boord van schepen die varen in de zeegebieden A3 en A4 dienen ten minste twee bemanningsleden houder te zijn van het Algemeen certificaat van operator-GMDSS. 6. De aangestelde ambtenaar geeft voor elk schip een document inzake minimumbemanning af dat in overeenstemming is met de bepalingen onder 1, 2, 3, 4 en 5 en dat dient te beantwoorden aan het model dat opgenomen is in bijlage I.» Art. 19.Artikel 70 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 70.Erkenning van vreemde vaarbevoegdheidsbewijzen Vreemde vaarbevoegdheidsbewijzen worden erkend overeenkomstig richtlijn 98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden. » Art. 20.In de tekst van artikel 75 van hetzelfde besluit wordt de bepaling onder 3 vervangen als volgt : « 3. De schuilplaatsen of ruimten voor passagiers bestemd, mogen geen hoogte hebben van minder dan 1,90 m. » Art. 21.In artikel 81 van hetzelfde besluit wordt het woord « kapitein » vervangen door het woord « eigenaar ». Art. 22.In artikel 88 van hetzelfde besluit wordt de bepaling onder 1 vervangen als volgt : « 1. De eigenaar eist dat de zeevarenden, na hun aanstelling op hun schepen, vertrouwd worden gemaakt met hun specifieke taken en met alle regelingen, installaties, uitrusting, procedures en kenmerken van het schip die verband houden met hun taken onder normale omstandigheden of in noodsituaties en dat de voltallige bemanning in een noodsituatie en bij het vervullen van functies die van vitaal belang zijn voor de veiligheid of voor het voorkomen of verminderen van verontreiniging, haar werkzaamheden doelmatig kan coördineren overeenkomstig richtlijn 98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden.
De kapitein ziet erop toe dat regelmatig oefeningen schip verlaten en brandbestrijden worden gehouden. » Art. 23.In artikel 103 van hetzelfde besluit wordt de bepaling onder 2 vervangen als volgt : « 2. Die vrijstellingen mogen niet afwijken van de voorschriften van de internationale verdragen en van richtlijn 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen. » Art. 24.Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage III bij dit besluit. Art. 25.In artikel 3, 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975 en 28 maart 1984, worden de woorden « in § 2 bepaalde » geschrapt. Art. 26.Artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt vervangen als volgt : « Art. 4.Toepassing in beperkte vaargebieden Dit besluit is niet van toepassing op passagiersschepen die uitsluitend binnenlandse reizen maken in een beperkt vaargebied langs de kust. » Art. 27.Het
koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
09/12/1998
pub.
25/12/1998
numac
1998014332
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van : 1° het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996, 2° het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996, 3° het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 februari 1996
sluiten houdende uitvoering van richtlijn 98/18/EG van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen wordt opgeheven. Art. 28.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 29.Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 11 maart 2002.
ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Telecommunicatie, R. DAEMS Bijlage I Veiligheidseisen voor nieuwe en bestaande passagiersschepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II- 1. - Constructie - Waterdichte indeling en stabiliteit, machines en elektrische installaties Deel A - Algemeen 1 Omschrijvingen met betrekking tot deel B 2 Omschrijvingen met betrekking tot de delen C, D en E Deel B - Stabiliteit in onbeschadigde toestand, waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand 1 Stabiliteit in onbeschadigde toestand 2 Waterdichte indeling 3 Vulbare lengte 4 Toelaatbare lengten van afdelingen 5 Permeabiliteit 6 Indelingsfactor 7 Bijzondere bepalingen betreffende de waterdichte indeling 8 Stabiliteit in beschadigde toestand 8-1 Stabiliteit van ro-ro-passagiersschepen in beschadigde toestand 8-2 Bijzondere eisen met betrekking tot ro-ro-passagiersschepen bestemd voor het vervoer van 400 of meer personen 9 Piekschotten en schotten voor ruimten voor machines 10 Dubbele bodems 11 Vaststellen en aantekenen van indelingslastlijnen en het plaatsen van de merken hiervan 12 Constructie en eerste beproeving van waterdichte schotten, enz. 13 Openingen in waterdichte schotten 14 Schepen die vrachtwagens en begeleidend personeel vervoeren 15 Openingen onder de indompelingsgrenslijn in het scheepsboord 16 Waterdichtheid van passagiersschepen boven de indompelingsgrenslijn 17 Sluiten van deuren van laadpoorten 17-1 Waterdichtheid van het ro-ro-dek (schottendek) ten opzichte van de ruimten daaronder 17-2 Toegang tot ro-ro-dekken 17-3 Sluiting van de schotten op het ro-ro-dek 18 Stabiliteitsgegevens 19 Documenten voor het gebruik bij beschadiging van het schip 20 Waterdichtheid van romp- en bovenbouw, voorkomen en beperken van schade 21 Merken, periodieke beweging en inspectie van waterdichte deuren, enz. 22 Noteringen in het scheepsdagboek 23 Ophaalbare voertuigdekken en op- en afrijkleppen Deel C - Werktuigen 1 Algemeen 2 Verbrandingsmotoren 3 Lensinrichtingen 4 Aantallen en typen lenspompen 5 Achteruitvermogen 6 Stuurinrichtingen 7 Aanvullende voorzieningen voor elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen 8 Ventilatiesystemen in ruimten voor machines 9 Communicatie tussen de brug en de ruimte voor machines 10 Werktuigkundigenalarm 11 Plaats van noodinstallaties 12 Bediening van de werktuiglijke installaties 13 Stoomleidingssystemen 14 Luchtdruksystemen 15 Bescherming tegen lawaai 16 Liften Deel D - Elektrische installaties 1 Algemeen 2 Elektrische hoofdkrachtbronnen en verlichtingsinstallaties 3 Elektrische noodkrachtbron 4 Aanvullende noodverlichting voor ro-ro-schepen 5 Voorzorgsmaatregelen tegen schokken, brand en andere gevaren van elektrische oorsprong Deel E - Aanvullende voorzieningen voor tijdelijk onbemande machinekamers Bijzondere overwegingen 1 Algemeen 2 Voorzorgsmaatregelen tegen brand 3 Beveiliging tegen vervuld raken 4 Afstandsbediening van voortstuwingswerktuigen vanaf de brug 5 Spreekverbindingen 6 Alarminstallatie 7 Veiligheidssystemen 8 Bijzondere voorzieningen voor werktuigen, ketels en elektrische installaties 9 Automatisch regel- en alarmsysteem HOOFDSTUK II- 2. - Bescherming tegen, opsporing van en bestrijding van brand Deel A - Algemeen 1 Fundamentele beginselen 2 Omschrijvingen 3 Brandbluspompen, hoofdbrandblusleidingen, brandkranen en brandslangen 4 Vast aangebrachte brandblusinstallaties 5 Brandblustoestellen 6 Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines 7 Bijzondere voorzieningen in ruimten voor machines 8 Automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallaties 9 Vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallaties 10 Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën 11 Brandweeruitrusting 12 Diverse onderwerpen 13 Brandbeveiligingsplannen en brandweeroefeningen 14 Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen Deel B - Brandbeveiligingsmaatregelen 1 Constructie 2 Verticale hoofdsecties en horizontale secties 3 Schotten binnen een verticale hoofdsectie 4 Brandwerendheid van schotten en dekken in nieuwe schepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers 5 Brandwerendheid van schotten en dekken van nieuwe schepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers en bestaande schepen van klasse B bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers 6 Voorzieningen voor ontsnapping 6-1 Ontsnappingswegen op ro-ro-passagiersschepen 7 Openingen in schotten van klasse "A" en "B" 8 Bescherming van trappen en liften in ruimten voor accommodatie en in dienstruimten 9 Ventilatiesystemen 10 Ramen en patrijspoorten 11 Beperking in het gebruik van brandbaar materiaal 12 Constructiedetails 13 Vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallaties, automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallaties 14 Bescherming van ruimten van bijzondere aard 15 Brandrondedienst en brandontdekking, alarmtoestellen en omroepinstallaties 16 Verbetering van bestaande schepen van klasse B bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers 17 Bijzondere eisen voor schepen die gevaarlijke goederen vervoeren HOOFDSTUK III. - Reddingsmiddelen en -voorzieningen 1 Omschrijvingen 2 Communicatieapparatuur, groepsreddingsmiddelen, hulpverleningsboten, persoonlijke reddingsmiddelen 3 Alarminstallatie, bedieningsaanwijzingen, handboek voor opleiding, alarmrollen en instructies voor noodgevallen 4 Bezetting van groepsreddingsmiddelen en toezicht 5 Verzamel- en inschepingsvoorzieningen 5-1 Eisen met betrekking tot ro-ro-passagiersschepen 5-2 Landings- en ophaalplaatsen voor helikopters 5-3 Beslissingen ondersteunend systeem voor de kapitein 6 Tewaterlatingsplaatsen 7 Plaatsing van de groepsreddingsmiddelen 8 Plaatsing van de hulpverleningsboten 9 Voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten van groepsreddingsmiddelen 10 Voorzieningen voor inscheping in, tewaterlating en terugzetten van hulpverleningsboten 11 Instructies voor noodgevallen 12 Gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties 13 Instructies en oefeningen "schip verlaten" HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Indien dit uitdrukkelijk wordt bepaald, zijn de voorschriften van deze bijlage van toepassing op nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D die worden gebruikt voor binnenlandse reizen.
Nieuwe schepen onder Belgische vlag van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter moeten voldoen aan de eisen van de voorschriften II-1/B/2 t/m II-1/B/8 en II-1/B/10 van deze bijlage, tenzij de aangestelde ambtenaren ervoor zorgen dat zij voldoen aan de nationale voorschriften en dat deze voorschriften een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen.
Bestaande schepen onder Belgische vlag van de klassen C en D behoeven niet te voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken II-1 en II-2 van deze bijlage, op voorwaarde dat de aangestelde ambtenaren ervoor zorgen dat zij voldoen aan de nationale voorschriften en dat deze voorschriften een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen.
Wanneer met betrekking tot bestaande schepen in deze technische bijlage een IMO-resolutie moet worden toegepast, behoeven schepen die gebouwd zijn tot twee jaar na de datum waarop deze resolutie door de IMO is aangenomen, niet aan deze resolutie te voldoen op voorwaarde dat zij voldoen aan de (eventuele) van toepassing zijnde eerdere resolutie(s).
Onder herstellingen, aanpassingen en wijzigingen met een "ingrijpend" karakter moet bijvoorbeeld het volgende worden verstaan : - elke wijziging die de afmetingen ingrijpend wijzigt.
Voorbeeld : een verlenging van de romp door toevoeging van een nieuw middenstuk; - elke wijziging die de passagiersvervoerscapaciteit van een schip ingrijpend wijzigt.
Voorbeeld : het ombouwen van een voertuigdek in passagiersaccommodatie; - elke wijziging die de levensduur van een schip aanzienlijk verlengt.
Voorbeeld : de renovatie van passagiersaccommodatie op één volledig dek.
De aanduiding "(V..)" achter sommige titels van voorschriften in deze bijlage verwijst naar de voorschriften van het Solas-verdrag van 1974 waarop de voorschriften van deze bijlage gebaseerd zijn.
HOOFDSTUK II- 1. - Constructie - Waterdichte indeling en stabiliteit, machines en elektrische installaties DEEL A ALGEMEEN 1. Omschrijvingen met betrekking tot deel B (V 2) NIEUWE SCHEPEN VAN DE KLASSEN B, C EN D EN BESTAANDE SCHEPEN VAN KLASSE B : .1.1 Indelingslastlijn is de waterlijn welke gebruikt wordt bij de vaststelling van de waterdichte indeling van het schip. .2 Hoogst gelegen indelingslastlijn is de waterlijn bij de grootste diepgang die in verband met de van toepassing zijnde indelingseisen toelaatbaar is. .2 Lengte van een schip is de lengte, gemeten tussen de loodlijnen aan de einden van de hoogst gelegen indelingslastlijn. .3 Breedte van een schip is de grootste breedte, gemeten op de buitenkant van de spanten, op of beneden de hoogst gelegen indelingslastlijn. .4 Diepgang is de verticale afstand van de lijn van de onderkant van de spanten tot de beschouwde indelingslastlijn, gemeten op het midden van de lengte. .5 Waterverplaatsing is het verschil tussen de massa van het deplacement van een schip liggende op zijn zomerlastlijn in …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.