← België

Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk bes

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit introduceert een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en wijzigt het bestaande zeevaartinspectiereglement. Het doel is om de veiligheid van vissersvaartuigen van 24 meter of langer te waarborgen, in lijn met Europese richtlijnen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
23 OKTOBER 2001. - Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999, en op artikel 9; Gelet op de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998 en 3 mei 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/12/1998 pub. 25/12/1998 numac 1998014331 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende uitvoering van richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt sluiten houdende uitvoering van Richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 mei 2000 aan de Richtlijn te voldoen; Overwegende dat, aangezien België zijn verplichtingen niet tijdig is nagekomen, de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 29 januari 2001 dienaangaande een gemotiveerd advies krachtens artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft uitgebracht; dat België zich onverwijld dient te conformeren aan dit advies door omzetting van de Richtlijn in nationaal recht om alsnog een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te voorkomen; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 31 augustus 2001 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat Richtlijn 97/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt omgezet wordt in nationaal recht door dit besluit; Overwegende dat Richtlijn 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt omgezet wordt in nationaal recht door dit besluit; Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en zijn bijlagen wordt verstaan onder: 1° « vissersvaartuig » of « vaartuig » : elk vaartuig dat is uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;2° « nieuw vaartuig » : elk vissersvaartuig waarvoor : a) op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund, of b) het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd, of c) bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999 : - de kiel wordt gelegd, of - een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig, of - een aanvang wordt gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is;3° « bestaand vaartuig » : een vissersvaartuig dat geen nieuw vaartuig is;4° « certificaat » : het in artikel 4 bedoelde certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt dat de overeenstemming met de eisen van dit besluit vaststelt;5° « lengte » : tenzij anders bepaald, zesennegentig procent van de totale lengte op een waterlijn op vijfentachtig procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is;bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen; 6° « dienst doen » : het vangen, of vangen en verwerken van vis of andere levende rijkdommen van de zee, onverminderd het recht op onschuldige doorvaart door de territoriale wateren en de vrijheid van scheepvaart in de tweehonderd mijls exclusieve economische zone;7° « erkende organisatie » : een organisatie die is erkend overeenkomstig artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 juli 1998Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 30/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998014212 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Ministerieel besluit betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties sluiten betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties;8° « gemachtigde organisatie » : een erkende organisatie die is gemachtigd overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/08/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998014213 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen sluiten betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen;9° « lidstaat » : een lidstaat van de Europese Unie;10° « derde staat » : elke staat die geen lidstaat is;11° « de Minister » : de minister die de maritieme zaken en de scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft;12° « Belgische zeewateren » : de territoriale zee, de havens van de kust, de Beneden-Zeeschelde, zoals de grenzen ervan door de Koning zijn vastgesteld, de haven van Gent, het Belgische gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent, en de daaraan gelegen havens, en de kanalen Zeebrugge-Brugge en Oostende-Brugge;13° « zeevaartinspectiereglement » : het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;14° « de aangestelde ambtenaar » : de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op nieuwe en, voor zover deze onder bijlage I vallen, op bestaande zeegaande vaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, en die onder Belgische vlag varen of dienst doen in de Belgische zeewateren, of hun vangst in een Belgische haven aanlanden. Dit besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen die niet-commerciële visserij beoefenen en op passagiersschepen. § 2. Nieuwe vaartuigen die onder Belgische vlag varen, moeten voldoen aan de bepalingen van dit besluit. De bepalingen van het zeevaartinspectiereglement zijn van toepassing voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit. Bestaande vaartuigen die onder Belgische vlag varen, moeten voldoen aan de relevante bepalingen van dit besluit. De bepalingen van het zeevaartinspectiereglement zijn van toepassing voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit. § 3. Nieuwe vaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen, mogen niet in de Belgische zeewateren dienst doen of hun vangst in de Belgische havens aanlanden, tenzij de administratie van hun vlaggenstaat heeft verklaard dat zij voldoen aan de voorschriften van bijlage I en aan artikel 3. Bestaande vaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen, mogen niet in de Belgische zeewateren dienst doen of hun vangst in de Belgische havens aanlanden, tenzij de administratie van hun vlaggenstaat heeft verklaard dat zij voldoen aan de relevante voorschriften van bijlage I en aan artikel 3, eerste lid. § 4. Scheepsuitrusting die in bijlage A.1 bij het koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 30/12/1998 numac 1998014329 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 31/12/1998 numac 1998022865 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen sluiten inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement is opgenomen en die aan de voorschriften van dat besluit voldoet, wordt, wanneer zij aan boord van een vissersvaartuig wordt geïnstalleerd om aan de voorschriften van dit besluit te voldoen, automatisch beschouwd als zijnde in overeenstemming met deze bepalingen, ongeacht of in deze bepalingen al dan niet is bepaald dat deze uitrusting moet worden beproefd en goedgekeurd. § 5. Dit besluit laat Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 14 september 1992 houdende uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk en Richtlijn 93/103/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen, omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 13 juli 1998 houdende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, onverlet. Art. 3.De normen voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de romp, de hoofdmachines en hulpwerktuigen, alsmede de elektrische en automatische systemen van een vissersvaartuig zijn de voorschriften die van kracht waren ten tijde van de bouw, als vastgesteld voor de classificatie door een erkende organisatie of gebruikt door een overheidsinstantie. Voor nieuwe vaartuigen moeten de voorschriften gebruikt door een overheidsinstantie voldoen aan de bepalingen van artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties. Art. 4.Voor vissersvaartuigen die onder Belgische vlag varen en aan de artikelen 2 en 3 voldoen, wordt overeenkomstig voorschrift 6, § 1 onder a), van hoofdstuk I van bijlage I een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt dat de overeenstemming met de eisen van dit besluit vaststelt afgegeven, vergezeld van een inventaris van uitrusting, of, indien van toepassing, een certificaat van vrijstelling. Het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, de inventaris van uitrusting en het certificaat van vrijstelling dienen te beantwoorden aan de modellen die zijn opgenomen in het aanhangsel van bijlage I. De certificaten worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar of door een daartoe door België gemachtigde organisatie na een eerste onderzoek. Dat eerste onderzoek wordt uitgevoerd door de aangestelde ambtenaar of een daartoe door België gemachtigde organisatie of lidstaat. De geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde certificaten mag de termijn die is vastgesteld in voorschrift 11 van hoofdstuk I van bijlage I niet overschrijden. Verlenging van het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, is mogelijk na een periodiek onderzoek overeenkomstig voorschrift 6 van hoofdstuk I van bijlage I. Art. 5.Vissersvaartuigen die dienst doen in de Belgische zeewateren of die hun vangst in de Belgische havens aanlanden en die niet onder Belgische vlag varen, zijn onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III en zonder onderscheid naar vlag of nationaliteit van de exploitant, om na te gaan of de vaartuigen aan dit besluit voldoen. Vissersvaartuigen die niet in de Belgische zeewateren dienst doen of die hun vangst niet in de Belgische havens aanlanden en die onder de vlag van een andere lidstaat varen, zijn in de Belgische havens onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III en zonder onderscheid naar vlag of nationaliteit van de exploitant, om na te gaan of de vaartuigen aan de voorschriften van dit besluit voldoen. Vissersvaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen en niet dienst doen in de Belgische zeewateren, noch hun vangst in de Belgische havens aanlanden, zijn in de Belgische havens onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III, teneinde na te gaan of zij voldoen aan het Protocol van Torremolinos van 1993, met betrekking tot het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen van 1977, met inbegrip van de wijzigingen daarop, zodra dit in werking is getreden. Art. 6.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 30/12/1998 numac 1998014329 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 31/12/1998 numac 1998022865 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen sluiten, wordt aangevuld met een bepaling onder 4, luidend als volgt : « 4. Vissersvaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt moeten voldoen aan de bepalingen van dit besluit voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. » Art. 7.In artikel 18 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1 wordt vervangen als volgt : « 1.Een passagiersschip op internationale reizen moet een certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip aan boord hebben. Een vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter moet een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter, aangevuld met een inventaris van uitrusting, aan boord hebben en ieder ander schip een certificaat van deugdelijkheid. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, geeft voor elk vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter een inventaris van uitrusting af die dient te beantwoorden aan het model bedoeld in bijlage XXIV, II, 3bis. » 2° in de bepaling onder 2 worden de woorden « waarvan de lengte minder dan vierentwintig meter bedraagt » ingevoegd tussen de woorden « geen vissersvaartuig » en de woorden « noch vaartuig » en wordt de tekst aangevuld als volgt : « f) indien het een vissersvaartuig is waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, ongeacht het vaartuig al dan niet een internationale reis maakt.» Art. 8.Artikel 85 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt vervangen als volgt : « Art. 85.De bepalingen van bijlage XII zijn van toepassing op elk schip dat niet dient te voldoen aan hoofdstuk IX van bijlage I van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement of aan hoofdstuk IV van de Bijlage van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979. » Art. 9.Artikel 86 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt opgeheven. Art. 10.Artikel 87 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 juni 1975, wordt opgeheven. Art. 11.Artikel 88 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt opgeheven. Art. 12.Artikel 90 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 10 juli 1981, 28 maart 1984 en 2 mei 1984, wordt vervangen als volgt : « Art. 90.Algemene voorschriften Elk schip moet uit het oogpunt van de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu voldoende en efficiënt bemand zijn. Daartoe moeten : 1° schepen die geen vissersvaartuigen zijn bemand zijn overeenkomstig artikel 91;2° vissersvaartuigen bemand zijn overeenkomstig artikel 94;3° zeevarenden die dienst doen op een schip dat geen vissersvaartuig is, voldoen aan de minimumnormen inzake bekwaamheid bepaald in Richtlijn 98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden;4° de functies aan boord van vissersvaartuigen uitgeoefend worden door houders van de brevetten, certificaten, getuigschriften of dienstbewijzen bedoeld in het koninklijk besluit van 12 juni 1996 betreffende de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen die vereist zijn voor de zeevisserijvaart.» Art. 13.Artikel 91 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 91.Minimumbemanning op schepen die geen vissersvaartuig zijn Vooraleer aan een schip dat geen vissersvaartuig is een certificaat van deugdelijkheid wordt afgegeven, stelt de eigenaar van het schip een bemanningsplan op dat hij ter goedkeuring voorlegt aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is. Het bemanningsplan omvat een vermelding van het minimumaantal aan boord vereiste zeevarenden en een beschrijving van hun opleidingsvereisten, rekening houdend met het soort schip, het zeegebied en het doel waarvoor het schip wordt gebruikt. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, evalueert het bemanningsplan rekening houdend met de toepasselijke aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie en gaat na of de relevante wetgeving werd nageleefd. Indien de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is het bemanningsplan goedkeurt, geeft hij een document inzake de minimumbemanning af dat dient te beantwoorden aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 1, indien voorschrift 13, b, van hoofdstuk V van de Bijlage van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979, van toepassing is en aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 2, indien dit voorschrift niet van toepassing is. » Art. 14.Artikel 92 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 15.Artikel 93 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 16.Artikel 94 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juni 1996, wordt aangevuld met een bepaling onder 9 : « 9. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, geeft voor elk vissersvaartuig een document inzake minimumbemanning af dat in overeenstemming is met de bepalingen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en dat dient te beantwoorden aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 3. » Art. 17.In hetzelfde besluit wordt een artikel 116bis ingevoegd, luidende : « Art. 116bis.Bemanning De eigenaar van een schip dat geen vissersvaartuig is, ziet erop toe dat het minstens wordt bemand overeenkomstig het van toepassing zijnde document inzake de minimumbemanning bedoeld in artikel 91, vierde lid. De eigenaar van een vissersvaartuig ziet erop toe dat het minstens wordt bemand overeenkomstig het document inzake de minimumbemanning bedoeld in artikel 94, 9. De eigenaar van een schip ziet erop toe dat elk lid van de bemanning in het bezit is van een certificaat van lichamelijke geschiktheid als bedoeld in artikel 102. » Art. 18.Bijlage XII bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975 en 10 juli 1981, wordt vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 19.De artikelen 8 en 9 van bijlage XX bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 november 1978, worden vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 20.Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 24 november 1978, 10 juli 1981 en 28 maart 1984 wordt gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 21.Het koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/12/1998 pub. 25/12/1998 numac 1998014331 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende uitvoering van richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt sluiten houdende uitvoering van Richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, wordt opgeheven. Art. 22.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 23.Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 23 oktober 2001. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Telecommunicatie, R. DAEMS Bijlage I VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN UITRUSTING VAN VISSERSVAARTUIGEN HOOFDSTUK I - Algemene voorzieningen Voorschrift 1 Toepassing De voorzieningen van deze bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op nieuwe vaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt. Voorschrift 2 Omschrijvingen 1) Onder « nieuw vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig waarvoor : a) op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund;of b) het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd;of c) bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999 : - de kiel is gelegd;of - een aanvang is gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig; of - een aanvang is gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is. 2) Onder « bestaand vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig dat geen nieuw vaartuig is.3) « Goedgekeurd » betekent goedgekeurd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, hierna genoemd « de aangestelde ambtenaar ».4) Onder « bemanning » wordt verstaan de schipper en alle personen die, in welke hoedanigheid dan ook, dienstdoen of te werk gesteld zijn aan boord van een vaartuig ten behoeve van de exploitatie van dat vaartuig.5) « Lengte », tenzij anders bepaald, 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is;bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen. 6) « De voorloodlijn en de achterloodlijn » worden gerekend aan het voor- en achtereinde van de lengte (L).De voorloodlijn moet samenvallen met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte gemeten wordt. 7) « De breedte van het vaartuig (B) » is de grootste breedte van het vaartuig, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal.8) a) « De holte naar de mal » is de verticale afstand, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde.b) Bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating.c) Waar het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden vastgesteld, wordt de holte naar de mal gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.9) « De holte (D) » is de holte naar de mal midscheeps gemeten.10) « De hoogst gelegen lastlijn » is de lastlijn die betrekking heeft op de maximaal toegestane diepgang tijdens de reis.11) « Midscheeps » is gelegen op het midden van de lengte (L).12) « Grootspant » is de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een verticaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens.13) « De kiellijn » is de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel, en die midscheeps gaat door : a) de bovenkant van de kiel of de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de kiel in gevallen waarin een stafkiel boven die lijn uitsteekt bij een vaartuig met een metalen huid;of b) de onderkant van de kielsponning van een houten vaartuig of van een composietvaartuig;of c) het snijpunt van de passend verlaagde lijnen van de buitenomtrek van de romp ter hoogte van de bodem met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal.14) « De basislijn » is de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt.15) « Het werkdek » is in het algemeen het laagste doorlopende dek boven de hoogst gelegen lastlijn, van waaraf de visserij plaatsvindt. Bij vaartuigen die zijn voorzien van twee of meer doorlopende dekken, kan de aangestelde ambtenaar een lager dek als werkdek aanvaarden, mits dit dek boven de hoogst gelegen lastlijn ligt. 16) « De bovenbouw » is de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de zijbeplating zich op een kleinere afstand dan 4 procent van de breedte (B) vanaf de huid naar binnen bevindt.17) « Gesloten bovenbouw » is een bovenbouw met : a) eindschotten van deugdelijke constructie;b) eventuele toegangsopeningen in de schotten voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet doorboord is en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;en c) andere openingen in de zijden of eindschotten van de bovenbouw voorzien van deugdelijke middelen tot afsluiting die dicht zijn tegen weer en wind. Een brug of kampanje wordt niet beschouwd als gesloten, tenzij de bemanning de machinekamer, en andere, in deze bovenbouw gelegen ruimten waar gewerkt wordt, kan bereiken via toegangswegen die te allen tijde, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten, ter beschikking moeten zijn. 18) « Het bovenbouwdek » is dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,8 meter boven het werkdek 1igt.In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,8 meter wordt de bovenkant van zodanige dekhuizen of andere zodanige opbouw gelijkgesteld met het werkdek. 19) « De hoogte van een bovenbouw of andere opbouw » is de kleinste verticale afstand gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het dek van een bovenbouw of een opbouw tot aan de bovenkant van de balken van het werkdek.20) « Dicht tegen weer en wind » betekent dat er onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water het vaartuig binnendringt.21) « Waterdicht » betekent dat de doorgang van water door de constructie in enige richting kan worden voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is.22) « Aanvaringsschot » is een waterdicht schot dat tot het werkdek in het voorste deel van het vaartuig doorloopt en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : a) Het schot moet zodanig zijn geplaatst, dat de afstand tot de voorloodlijn : i) niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,08 L bij vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer. ii) niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,05 L + 1,35 meter, bij vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, behoudens uitzonderingen toegestaan door de aangestelde ambtenaar. iii) in geen geval kleiner is dan 2 meter. b) Ingeval enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot voor de voorloodlijn, b.v. een bulbsteven, moet de afstand zoals bepaald is onder lid a) worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 0,015 L voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is. c) Het schot mag voorzien zijn van trapsgewijze sprongen en nissen, mits deze binnen de beperkingen vallen zoals in lid a) voorgeschreven. Voorschrift 3 Vrijstellingen 1) Elk vaartuig met nieuwe kenmerken kan door de aangestelde ambtenaar worden vrijgesteld van die vereisten van de hoofdstukken II, III, IV, V, VI en VII, waarvan de toepassing het onderzoek naar de ontwikkeling van zulke kenmerken en de verwerking daarvan in vaartuigen op ernstige wijze zou kunnen belemmeren.Een dusdanig vaartuig dient evenwel te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften, die naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar, voldoende zijn voor de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het vaartuig waarborgen. 2) Vrijstellingen van de vereisten van hoofdstuk IX worden behandeld in voorschrift IX/3 en vrijstellingen van hoofdstuk X worden behandeld in voorschrift X/ 2.3) Niet van toepassing 4) Niet van toepassing Voorschrift 4 Gelijkwaardige voorzieningen Niet van toepassing Voorschrift 5 Herstellingen, veranderingen en wijzigingen 1) Een vaartuig dat herstellingen, veranderingen of wijzigingen ondergaat, alsmede de daarmee verband houdende uitrustingen, moet blijven voldoen aan de bepalingen die voordien voor dat vaartuig golden.2) Herstellingen, veranderingen of wijzigingen van ingrijpende aard, alsmede de daarmede verband houdende uitrustingen, moeten voldoen aan de eisen voor een nieuw vaartuig voor zover de aangestelde ambtenaar zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht. Voorschrift 6 Onderzoeken 1) Elk vaartuig moet de onderstaande onderzoeken ondergaan : a) Een eerste onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist krachtens voorschrift 7 voor de eerste maal wordt afgegeven, dat een volledig onderzoek moet omvatten van de constructie, de stabiliteit, de machine-installaties, de algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de buitenzijde van de romp van het vaartuig en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting in zoverre het vaartuig valt onder de bepalingen van deze bijlage.Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties inbegrepen deze gebruikt in de reddingsmiddelen, beschermings- en beveiligingssystemen tegen brand, brandblusapparaten, reddingsmiddelen en -voorzieningen, navigatieapparaten, nautische publicaties en andere uitrusting, ten volle voldoen aan de voorschriften van deze bijlage. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist door deze bijlage en de geldende Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee. In het geval inrichtingen voor het aan boord brengen van loodsen worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden teneinde zeker te stellen dat zij veilig werken en voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het geldend Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee. b) Periodieke onderzoeken met onderstaande tussenpauzen : i) vier jaar waar het de constructie, inbegrepen de buitenzijden van de romp, en machine-installaties van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V en VI.De periode kan echter met een jaar worden verlengd, zoals bepaald in voorschrift 11, 1), onder voorwaarde dat het vaartuig inwendig of uitwendig aan een onderzoek wordt onderworpen, in zoverre zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar is; ii) twee jaar waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V, VI, VII en X; en iii) een jaar waar het de radio-installaties, inbegrepen die gebruikt in de reddingsmiddelen, en de radiorichtingzoeker van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken VII, IX en X. De periodieke onderzoeken moeten zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de betrokken onderdelen, bedoeld in lid a) ten volle voldoen aan de toepasselijke voorschriften van deze bijlage, dat de uitrusting goed functioneert en dat de gegevens betreffende de stabiliteit aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn. In het geval de geldigheidsduur van het certificaat dat krachtens voorschrift 7 of 8 is afgegeven, wordt verlengd op grond van voorschrift 11, 2) of 4), kan de tussenpauze van de onderzoeken overeenkomstig worden verlengd. c) Naast het periodiek onderzoek vereist volgens lid b), i), tussentijdse onderzoeken met betrekking tot de constructie en de machine-installaties van het vaartuig, verricht met inachtneming van door de aangestelde ambtenaar vastgestelde tussenpauzen.Het onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat er geen wijzigingen die de veiligheid van het vaartuig of zijn bemanning nadelig zouden beïnvloeden, worden uitgevoerd. d) Periodieke onderzoeken, zoals bepaald in leden b), ii) en b), iii), en tussentijdse onderzoeken, zoals bepaald in lid c), worden aangetekend op het certificaat voorzien in voorschrift 7 of 8.2) a) De certificaten worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar of door een daartoe door België gemachtigde organisatie na een eerste onderzoek.Dat eerste onderzoek wordt uitgevoerd door de aangestelde ambtenaar of een daartoe door België gemachtigde organisatie of lidstaat. b) De machtigingen bedoeld in lid a), moeten ten minste machtigen om : i) herstellingen aan een vaartuig te kunnen eisen; ii) onderzoeken en inspecties uit te voeren die door de bevoegde overheid van de havenstaat worden gevraagd. c) Wanneer een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat vaststelt dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting wezenlijk afwijkt van de gegevens op het certificaat, of zodanig is dat het vaartuig niet in staat is om in zee te gaan zonder gevaar voor het vaartuig of voor de opvarenden, dan moet die organisatie of die lidstaat er onmiddellijk voor zorgen dat aan die toestand wordt verholpen, en zij moeten te gepasten tijde de aangestelde ambtenaar op de hoogte brengen.Indien er niet wordt verholpen aan die toestand moet het relevante certificaat worden ingetrokken en moet de aangestelde ambtenaar daarover onverwijld worden ingelicht; en, als het vaartuig zich in een vreemde haven bevindt, moeten tevens de bevoegde autoriteiten van de havenstaat worden verwittigd. Wanneer met betrekking tot een vaartuig dat onder de vlag vaart van een lidstaat en dat zich in een Belgische haven bevindt, de aangestelde ambtenaar zo wordt verwittigd door een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat, dan zal hij hun alle nodige bijstand verlenen opdat ze hun verplichtingen overeenkomstig dit voorschrift kunnen nakomen. Wanneer het nodig is zal de aangestelde ambtenaar ervoor zorgen dat het vaartuig niet afvaart totdat het naar zee kan, of de haven kan verlaten om naar een geschikte herstelwerf te varen, zonder gevaar voor het vaartuig of zijn opvarenden. 3) a) De staat van het vaartuig en zijn uitrusting zal worden onderhouden conform de voorschriften van deze bijlage om te verzekeren dat het in alle opzichten geschikt zal blijven om zee te kiezen zonder gevaar voor het vaartuig en de personen aan boord.b) Nadat een onderzoek van het vaartuig krachtens dit voorschrift is voltooid, mag geen wijziging worden aangebracht aan de constructie, de machine-installaties, de uitrusting of enig ander onderdeel gedekt door het onderzoek, zonder goedkeuring van de aangestelde ambtenaar.c) Wanneer er zich een ongeval voordoet met het vaartuig of een defect wordt ontdekt, dat de veiligheid van het vaartuig of de volledigheid of de goede werking van de reddingsmiddelen of van de andere uitrusting in het gedrang brengt, moet de schipper of de eigenaar dit bij de eerste gelegenheid melden aan de aangestelde ambtenaar, of aan de gemachtigde organisatie of lidstaat verantwoordelijk voor de afgifte van het betrokken certificaat, dewelke zullen laten nagaan of een onderzoek zoals bepaald in dit voorschrift noodzakelijk is. Wanneer het vaartuig in een vreemde haven ligt zal de schipper of de eigenaar dit ook onmiddellijk melden aan de bevoegde autoriteit van de havenstaat en de gemachtigde organisatie of de gemachtigde lidstaat zullen erop toezien dat zulke melding gebeurt. Voorschrift 7 Afgifte van en aantekeningen in certificaten 1) a) Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt, nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden, afgegeven aan een vaartuig dat voldoet aan de toepasselijke bepalingen van dit besluit.b) Wanneer een vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een vaartuig op grond van en in overeenstemming met de bepalingen van deze bijlage, moet een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen worden afgegeven naast het in lid a) voorgeschreven certificaat.2) Het certificaat, bedoeld in § 1) wordt afgegeven of aangevuld met aantekeningen door de aangestelde ambtenaar, een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat. Voorschrift 8 Afgifte van en aantekeningen in certificaten op verzoek van een andere lidstaat 1) Op verzoek van een andere lidstaat mag de aangestelde ambtenaar een vaartuig laten onderzoeken;als hij oordeelt dat de voorschriften van deze bijlage nageleefd worden, moet hij aan het vaartuig certificaten afgeven of de afgifte ervan toelaten en, in voorkomend geval, aantekeningen maken of machtigen tot het maken van aantekeningen in de certificaten waarover het vaartuig beschikt, overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage. 2) Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het verslag van het onderzoek moeten zo spoedig mogelijk aan de lidstaat die het verzoek indiende, afgegeven worden.3) Een aldus afgegeven certificaat moet een verklaring bevatten waaruit blijkt dat het op verzoek van de andere lidstaat afgegeven werd;dit certificaat heeft dezelfde waarde en wordt tegen dezelfde voorwaarden aanvaard als een certificaat dat overeenkomstig voorschrift 7 afgegeven werd. Voorschrift 9 Model van certificaten en van inventaris van uitrusting De certificaten en de inventaris van uitrusting moeten worden opgesteld in de vorm die overeenkomt met het model, zoals opgenomen in het aanhangsel. Indien de gebruikte taal noch de Engelse, noch de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in één van deze talen bevatten, tenzij de aangestelde ambtenaar dit onnodig acht, gezien het werkgebied van het vaartuig. Voorschrift 10 Beschikbaarheid van certificaten Alle op grond van voorschrift 7 of 8 afgegeven certificaten moeten te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn aan boord. Voorschrift 11 Looptijd en geldigheid van certificaten 1) Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt voor een tijdsduur van niet langer dan vier jaar afgegeven en wordt niet langer verlengd dan voor één jaar, afhankelijk van de periodieke en tussentijdse onderzoeken zoals voorgeschreven in voorschrift 6, 1), b) en c) behalve in de gevallen bepaald in §§ 2), 3) en 4).Een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen heeft een geldigheidsduur die niet langer mag zijn dan die van het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt. 2) Indien een vaartuig ten tijde van het aflopen of ophouden van de geldigheidsduur van zijn certificaat zich niet bevindt in een Belgische haven, mag de geldigheidsduur van het certificaat door de aangestelde ambtenaar worden verlengd, doch een dergelijke verlenging mag slechts worden verleend om het vaartuig in staat te stellen zijn reis naar een Belgische haven of naar een haven waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, te voltooien en dan nog alleen in gevallen, waarin het gepast en redelijk voorkomt dit te doen.3) De geldigheidsduur van een certificaat mag op deze wijze ten hoogste voor vijf maanden worden verlengd.Een vaartuig, dat zulke verlenging heeft bekomen, is niet gerechtigd na aankomst in een Belgische haven of de haven waar het aan een onderzoek wordt onderworpen, krachtens een dergelijke verlenging deze haven te verlaten zonder een nieuw certificaat te hebben verkregen. 4) Wanneer de geldigheidsduur van een certificaat ingevolge de bepalingen van § 2) niet is verlengd, mag de geldigheidsduur door de aangestelde ambtenaar worden verlengd voor een tijdsduur van hoogstens één maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.5) Een certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 verliest zijn geldigheid in elk van de volgende gevallen : a) indien de toepasselijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd binnen de periodes bepaald in voorschrift 6;b) indien de aantekeningen bepaald bij deze voorschriften niet zijn gemaakt op het certificaat;a) op het ogenblik dat een vaartuig onder een andere vlag gaat varen. Een nieuw certificaat zal worden afgegeven door de nieuwe vlaggenstaat nadat deze zich ervan heeft vergewist dat het vaartuig voldoet aan de voorwaarden van voorschrift 6, 3), a) en b). In het geval naar een vlag van een andere staat wordt overgegaan, en indien die vlaggenstaat binnen drie maanden na het overgaan zulks vraagt, moet de aangestelde ambtenaar zo spoedig mogelijk aan die andere vlaggenstaat afschriften van de certificaten die het vaartuig vóór de overdracht aan boord had, doen toekomen alsmede afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten, indien deze beschikbaar zijn. HOOFDSTUK II - Constructie, waterdichtheid en uitrusting Voorschrift 1 Constructie 1) De sterkte en constructie van de romp, bovenbouwen en dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en scheepsuitrusting moeten alle voldoende bestand zijn tegen omstandigheden die zich kunnen voordoen tijdens de werkzaamheden waarvoor het vaartuig bestemd is en moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.2) De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden overeenkomstig de te verwachten bedrijfsomstandigheden en het werkgebied.3) Schotten, sluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan de eisen die door de aangestelde ambtenaar worden gesteld.Vaartuigen vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten voorzien zijn van een aanvaringsschot en ten minste van waterdichte schotten die de ruimte voor machines omsluiten. Deze schotten moeten worden opgetrokken tot aan het werkdek. Zodanige schotten, die zover zulks praktisch uitvoerbaar is, waterdicht moeten zijn, moeten tevens zijn aangebracht in houten schepen. 4) Pijpen die het aanvaringsschot doorboren, moeten voorzien zijn van geschikte afsluiters, die boven het werkdek kunnen worden bediend en de kleppenkast moet tegen het aanvaringsschot in de voorpiek zijn bevestigd.Geen deur, mangat, ventilatiekoker of andere opening mag in het aanvaringsschot onder het werkdek zijn aangebracht. 5) Ingeval een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het werkdek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind.Deze voortzetting van het aanvaringsschot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot te worden aangebracht, mits zij binnen de in voorschrift I/2, 22), gegeven afstanden wordt geplaatst en het gedeelte van het dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. 6) Het aantal openingen in het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale werkzaamheden van het vaartuig.Zulke openingen moeten tegen weer en wind kunnen worden afgesloten. 7) In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet voor zover dit uitvoerbaar is tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht. Voorschrift 2 Waterdichte deuren 1) Het aantal openingen in waterdichte schotten, zoals deze vereist zijn ingevolge voorschrift 1, 3), moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig; openingen moeten zijn voorzien van waterdichte sluitmiddelen, zulks ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet is doorboord. 2) In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kunnen zulke deuren van het type draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide kanten van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten en die gewoonlijk onder normale omstandigheden op zee gesloten moeten blijven.Aan beide kanten van de deur moet een aanduiding zijn bevestigd dat de deur op zee gesloten moet blijven. 3) In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten waterdichte deuren van het type schuifdeuren zijn in : a) ruimten, waar deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en hun drempels onder de hoogst gelegen lastlijn liggen, tenzij de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar is of niet noodzakelijk is, daarbij het type en de bestemming van de vaartuigen in aanmerking nemend;en b) het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt. In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren van het type draaideuren zijn. 4) Waterdichte schuifdeuren moeten geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15 graden over welke zijde ook.5) Ongeacht of waterdichte schuifdeuren met de hand of anderszins worden geopend en gesloten, moeten deze ter plaatse aan beide zijden van de deur geopend en gesloten kunnen worden;in vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt moeten deze deuren tevens door middel van afstandsbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een bereikbare plaats boven het werkdek, behalve wanneer de deuren zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie voor de bemanning. 6) Op plaatsen van waaruit afstandsbediening plaatsvindt, moet een inrichting aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend of gesloten is. Voorschrift 3 Waterdichtheid van de romp 1) Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen, moeten zo kunnen worden afgesloten dat geen water het vaartuig kan binnendringen.Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten ter plaatse van de hartlijn van het vaartuig zijn aangebracht. De aangestelde ambtenaar kan echter afwijkende voorzieningen goedkeuren, indien hij ervan overtuigd is dat daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert. 2) Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten mechanisch worden aangedreven en vanaf een plaats die een vrij uitzicht biedt op de werking van deze luiken kunnen worden bediend. Voorschrift 4 Deuren dicht tegen weer en wind 1) Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en andere uitwendige constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren, die blijvend aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel even sterk is als de intacte constructie en moeten in gesloten toestand dicht zijn tegen weer en wind.De middelen om deze deuren tegen weer en wind dicht te maken, moeten bestaan uit pakkingen, knevels of andere gelijkwaardige middelen en moeten blijvend aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn ingericht dat zij aan elke zijde van het schot kunnen worden bediend. De aangestelde ambtenaar mag alleen voor koelruimten toelaten, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van de bemanning, dat zulke deuren slechts aan één zijde kunnen worden bediend, vooropgesteld dat een geschikt alarm is voorzien om te voorkomen dat personen opgesloten blijven in die ruimten. 2) De hoogte boven het dek van drempels in deze deuropeningen, in gangboorden, opbouwen en schachten van machinekamers, die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek, moet ten minste 600 millimeter op het werkdek en ten minste 300 millimeter op het bovenbouwdek bedragen.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag deze hoogte worden verlaagd tot ten hoogste respectievelijk 380 millimeter en 150 millimeter, met uitzondering van de hoogte van de deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines. Voorschrift 5 Luikopeningen gesloten door middel van houten luiken 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 millimeter en op het bovenbouwdek ten minste 300 millimeter bedragen.2) Met betrekking tot de dikte na afwerking van houten luiken voor luikopeningen moet rekening worden gehouden met slijtage ten gevolge van ruw gebruik.In elk geval moet de dikte na afwerking van deze luiken per 100 millimeter ongesteunde lengte ten minste 4 millimeter bedragen met een minimum van 40 millimeter en moet de breedte van hun draagvlak ten minste 65 millimeter bedragen. 3) Voorzieningen waarmee de houten luiken voor luikopeningen dicht tegen weer en wind kunnen worden vastgezet, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn aangebracht. Voorschrift 6 Luikopeningen gesloten door luiken van een ander materiaal dan hout 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet dezelfde zijn als die, welke in voorschrift 5, 1) is vastgesteld.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag de hoogte van de luikhoofden worden verlaagd of mogen de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits daardoor de veiligheid van de vaartuigen niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar is, worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geborgd kunnen worden, of middels even effectieve voorzieningen ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. 2) Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is : a) 10,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 24 meter bedraagt;b) 17,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 100 meter of meer bedraagt. Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. De aangestelde ambtenaar kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75 procent van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het bovenbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt. 3) Wanneer luiken van staal zijn vervaardigd, mag de overeenkomstig § 2) berekende grootste trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het materiaal.Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning. 4) Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de sterkte van stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen zoals deze zijn vastgesteld in § 2), is verzekerd.5) Luiken moeten voorzien zijn van knevels en pakkingen, of andere, ten genoegen van de aangestelde ambtenaar gelijkwaardige voorzieningen, teneinde voldoende zeker te stellen dat de luiken dicht tegen weer en wind zijn. Voorschrift 7 Openingen boven de ruimte voor machines 1) Openingen boven ruimten voor machines moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijkwaardig aan de aangrenzende bovenbouw.De toegangsopeningen aan de buitenzijde daarin moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 4. 2) Openingen, andere dan toegangsopeningen, moeten zijn voorzien van deksels met een sterkte die gelijkwaardig is aan de intacte bovenbouw en moeten blijvend daaraan zijn bevestigd en dicht tegen weer en wind kunnen worden gesloten. Voorschrift 8 Andere openingen in het dek 1) Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden;zodanige voorzieningen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de sluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht, indien deze ten genoegen van de aangestelde ambtenaar afdoende waterdicht zijn. 2) Openingen die geen luikhoofden, geen openingen boven de ruimte voor machines, geen mangaten of verzonken stortranden in het werk- of bovenbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die dicht zijn tegen weer en wind of daaraan gelijkwaardige afsluitingen.Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig geplaatst zijn. Voorschrift 9 Luchtkokers 1) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten de luchtkokerpotten, die geen luchtkokerpotten van de ruimte voor machines zijn, een hoogte van ten minste 900 millimeter boven het werkdek en ten minste 760 millimeter boven het bovenbouwdek hebben. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet de hoogte van deze potten respectievelijk 760 millimeter en 450 millimeter bedragen. De hoogte boven dek van luchtkokeropeningen van de ruimte voor machines moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. 2) De sterkte van luchtkokerpotten moet gelijkwaardig zijn aan de aangrenzende constructie en door middel van sluitinrichtingen die blijvend zijn aangebracht aan de luchtkoker of aangrenzende constructie, dicht tegen weer en wind gesloten kunnen worden.Wanneer een luchtkoker hoger is dan 900 millimeter moet hij bijzonder gesteund worden. 3) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 4,5 meter boven het werkdek of meer dan 2,3 meter boven het bovenbouwdek uitsteken, niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen, tenzij de aangestelde ambtenaar zulks uitdrukkelijk vordert.Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 3,4 meter boven het werkdek of meer dan 1,7 meter boven het bovenbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen. Indien ten genoegen van de aangestelde ambtenaar het niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig via luchtkokers van de ruimte voor machines binnenkomt, kunnen zodanige sluitinrichtingen aan luchtkokers vervallen. Voorschrift 10 Luchtpijpen 1) Wanneer luchtpijpen van tanks en lege ruimten benedendeks boven werk- of bovenbouwdekken reiken, moeten de blootgestelde delen van de pijpen van een sterkte zijn die gelijkwaardig is aan de aangrenzende constructies en in voldoende mate beschermd zijn.Er moeten middelen, die blijvend zijn bevestigd aan de pijp of aangrenzende constructie, aanwezig zijn voor het afsluiten van de openingen van de luchtpijpen. 2) De hoogte van luchtpijpen bovendeks tot het punt waar water naar beneden kan binnendringen, moet ten minste 760 millimeter zijn op het werkdek en ten minste 4 …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.