📄 Wettekst
16 JANUARI 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 23 oktober 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/10/2001
pub.
18/12/2001
numac
2001014206
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999;
Gelet op de
wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/1979
pub.
24/06/2011
numac
2011000394
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991;
Gelet op het
koninklijk besluit van 23 oktober 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/10/2001
pub.
18/12/2001
numac
2001014206
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;
Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 2, eerste lid, van richtlijn 2002/35/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 april 2002 tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, bepaalt dat de lid-Staten vóór 1 januari 2003 de bepalingen dienen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen en dat zij deze bepalingen toepassen vanaf 1 januari 2003;
Overwegende dat, aangezien België zijn verplichtingen niet tijdig is nagekomen de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 9 juli 2003 een gemotiveerd advies krachtens artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft uitgebracht; dat België zich onverwijld dient te conformeren aan dit advies door omzetting van de richtlijn in nationaal recht om alsnog een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te voorkomen;
Gelet op advies 36.126/4 van de Raad van State, gegeven op 27 november 2003, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.In artikel 1 van het
koninklijk besluit van 23 oktober 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/10/2001
pub.
18/12/2001
numac
2001014206
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
sluiten betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin worden de woorden « Voor de toepassing van dit besluit en zijn bijlagen wordt verstaan onder » vervangen door de woorden « Voor de toepassing van dit besluit en zijn bijlagen ter omzetting van richtlijn 97/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, gewijzigd bij richtlijn 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 en bij richtlijn 2002/35/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 april 2002, wordt verstaan onder »;2° een punt 2bis wordt ingevoegd, luidende : « 2bis « nieuw vissersvaartuig gebouwd op of na 1 januari 2003 » : een nieuw vissersvaartuig waarvoor : a) op of na 1 januari 2003 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund, of b) het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 2003 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd, of c) bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 2003 : - de kiel is gelegd, of - een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig, of - een aanvang wordt gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is;». Art. 2.Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit. Art. 3.In bijlage II bij hetzelfde besluit worden de woorden « Ministerie van Verkeer en Infrastructuur » vervangen door de woorden « Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer » en de woorden « Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart » vervangen door de woorden « Directoraat-generaal Maritiem Vervoer ». Art. 4.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 5.Onze Minister van Mobiliteit en Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 16 januari 2004.
ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, Mevr. F. MOERMAN
BIJLAGE Bijlage I Voorschriften voor de constructie en uitrusting van vissersvaartuigen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Voorschrift 1 Toepassing De voorzieningen van deze bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op nieuwe vaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt.
Voorschrift 2 Omschrijvingen 1) Onder « nieuw vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig waarvoor : a) op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund;of b) het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd;of c) bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999 : - de kiel is gelegd;of - een aanvang is gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig; of - een aanvang is gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is. 1bis) Onder « nieuw vaartuig gebouwd op of na 1 januari 2003 » wordt verstaan een vissersvaartuig waarvoor : a) op of na 1 januari 2003 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund; of b) het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 2003 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd; of c) bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 2003 : - de kiel is gelegd, of - een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig, of - een aanvang wordt gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is.2) Onder « bestaand vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig dat geen nieuw vaartuig is.3) « Goedgekeurd » betekent goedgekeurd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, hierna genoemd « de aangestelde ambtenaar ».4) Onder « bemanning » wordt verstaan de schipper en alle personen die, in welke hoedanigheid dan ook, dienstdoen of te werk gesteld zijn aan boord van een vaartuig ten behoeve van de exploitatie van dat vaartuig.5) « Lengte », tenzij anders bepaald, 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is;bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen. 6) « De voorloodlijn en de achterloodlijn » worden gerekend aan het voor- en achtereinde van de lengte (L).De voorloodlijn moet samenvallen met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte gemeten wordt. 7) « De breedte van het vaartuig (B) » is de grootste breedte van het vaartuig, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal.8) a) « De holte naar de mal » is de verticale afstand, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde.b) Bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating.c) Waar het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden vastgesteld, wordt de holte naar de mal gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.9) « De holte (D) » is de holte naar de mal midscheeps gemeten.10) « De hoogst gelegen lastlijn » is de lastlijn die betrekking heeft op de maximaal toegestane diepgang tijdens de reis.11) « Midscheeps » is gelegen op het midden van de lengte (L).12) « Grootspant » is de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een verticaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens.13) « De kiellijn » is de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel, en die midscheeps gaat door : a) de bovenkant van de kiel of de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de kiel in gevallen waarin een stafkiel boven die lijn uitsteekt bij een vaartuig met een metalen huid;of b) de onderkant van de kielsponning van een houten vaartuig of van een composietvaartuig;of c) het snijpunt van de passend verlaagde lijnen van de buitenomtrek van de romp ter hoogte van de bodem met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal.14) « De basislijn » is de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt.15) « Het werkdek » is in het algemeen het laagste doorlopende dek boven de hoogst gelegen lastlijn, van waaraf de visserij plaatsvindt. Bij vaartuigen die zijn voorzien van twee of meer doorlopende dekken, kan de aangestelde ambtenaar een lager dek als werkdek aanvaarden, mits dit dek boven de hoogst gelegen lastlijn ligt. 16) « De bovenbouw » is de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de zijbeplating zich op een kleinere afstand dan 4 procent van de breedte (B) vanaf de huid naar binnen bevindt.17) « Gesloten bovenbouw » is een bovenbouw met : a) eindschotten van deugdelijke constructie;b) eventuele toegangsopeningen in de schotten voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet doorboord is en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;en c) andere openingen in de zijden of eindschotten van de bovenbouw voorzien van deugdelijke middelen tot afsluiting die dicht zijn tegen weer en wind. Een brug of kampanje wordt niet beschouwd als gesloten, tenzij de bemanning de machinekamer, en andere, in deze bovenbouw gelegen ruimten waar gewerkt wordt, kan bereiken via toegangswegen die te allen tijde, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten, ter beschikking moeten zijn. 18) « Het bovenbouwdek » is dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,8 meter boven het werkdek ligt.In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,8 meter wordt de bovenkant van zodanige dekhuizen of andere zodanige opbouw gelijkgesteld met het werkdek. 19) « De hoogte van een bovenbouw of andere opbouw » is de kleinste verticale afstand gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het dek van een bovenbouw of een opbouw tot aan de bovenkant van de balken van het werkdek.20) « Dicht tegen weer en wind » betekent dat er onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water het vaartuig binnendringt.21) « Waterdicht » betekent dat de doorgang van water door de constructie in enige richting kan worden voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is.22) « Aanvaringsschot » is een waterdicht schot dat tot het werkdek in het voorste deel van het vaartuig doorloopt en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : a) Het schot moet zodanig zijn geplaatst, dat de afstand tot de voorloodlijn : i) niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,08 L bij vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer. ii) niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,05 L + 1,35 meter, bij vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, behoudens uitzonderingen toegestaan door de aangestelde ambtenaar, voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 worden geen uitzonderingen toegestaan door de aangestelde ambtenaar. iii) in geen geval kleiner is dan 2 meter. b) Ingeval enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot voor de voorloodlijn, b.v. een bulbsteven, moet de afstand zoals bepaald is onder lid a) worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 0,015 L voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is. c) Het schot mag voorzien zijn van trapsgewijze sprongen en nissen, mits deze binnen de beperkingen vallen zoals in lid a) voorgeschreven. Voorschrift 3 Vrijstellingen 1) Elk vaartuig met nieuwe kenmerken kan door de aangestelde ambtenaar worden vrijgesteld van die vereisten van de hoofdstukken II, III, IV, V, VI en VII, waarvan de toepassing het onderzoek naar de ontwikkeling van zulke kenmerken en de verwerking daarvan in vaartuigen op ernstige wijze zou kunnen belemmeren.Een dusdanig vaartuig dient evenwel te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften, die naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar, voldoende zijn voor de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het vaartuig waarborgen. 2) Vrijstellingen van de vereisten van hoofdstuk IX worden behandeld in voorschrift IX/3 en vrijstellingen van hoofdstuk X worden behandeld in voorschrift X/ 2.3) Niet van toepassing 4) Niet van toepassing Voorschrift 4 Gelijkwaardige voorzieningen Niet van toepassing Voorschrift 5 Herstellingen, veranderingen en wijzigingen 1) Een vaartuig dat herstellingen, veranderingen of wijzigingen ondergaat, alsmede de daarmee verband houdende uitrustingen, moet blijven voldoen aan de bepalingen die voordien voor dat vaartuig golden.2) Herstellingen, veranderingen of wijzigingen van ingrijpende aard, alsmede de daarmede verband houdende uitrustingen, moeten voldoen aan de eisen voor een nieuw vaartuig voor zover de aangestelde ambtenaar zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht. Voorschrift 6 Onderzoeken 1) Elk vaartuig moet de onderstaande onderzoeken ondergaan : a) Een eerste onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist krachtens voorschrift 7 voor de eerste maal wordt afgegeven, dat een volledig onderzoek moet omvatten van de constructie, de stabiliteit, de machine-installaties, de algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de buitenzijde van de romp van het vaartuig en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting in zoverre het vaartuig valt onder de bepalingen van deze bijlage.Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties inbegrepen deze gebruikt in de reddingsmiddelen, beschermings- en beveiligingssystemen tegen brand, brandblusapparaten, reddingsmiddelen en -voorzieningen, navigatieapparaten, nautische publicaties en andere uitrusting, ten volle voldoen aan de voorschriften van deze bijlage. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist door deze bijlage en de geldende Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee. In het geval inrichtingen voor het aan boord brengen van loodsen worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden teneinde zeker te stellen dat zij veilig werken en voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het geldend Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee. b) Periodieke onderzoeken met onderstaande tussenpauzen : i) vier jaar waar het de constructie, inbegrepen de buitenzijden van de romp, en machine-installaties van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V en VI.De periode kan echter met een jaar worden verlengd, zoals bepaald in voorschrift 11, 1), onder voorwaarde dat het vaartuig inwendig of uitwendig aan een onderzoek wordt onderworpen, in zoverre zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar is; ii) twee jaar waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V, VI, VII en X; en iii) een jaar waar het de radio-installaties, inbegrepen die gebruikt in de reddingsmiddelen, en de radiorichtingzoeker van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken VII, IX en X. De periodieke onderzoeken moeten zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de betrokken onderdelen, bedoeld in lid a) ten volle voldoen aan de toepasselijke voorschriften van deze bijlage, dat de uitrusting goed functioneert en dat de gegevens betreffende de stabiliteit aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn.
In het geval de geldigheidsduur van het certificaat dat krachtens voorschrift 7 of 8 is afgegeven, wordt verlengd op grond van voorschrift 11, 2) of 4), kan de tussenpauze van de onderzoeken overeenkomstig worden verlengd. c) Naast het periodiek onderzoek vereist volgens lid b), i), tussentijdse onderzoeken met betrekking tot de constructie en de machine-installaties van het vaartuig, verricht met inachtneming van door de aangestelde ambtenaar vastgestelde tussenpauzen;voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 welke van ander materiaal dan hout zijn vervaardigd worden die onderzoeken verricht met inachtneming van tussenpozen van twee jaar plus/minus drie maanden.
Het onderzoek moet het ook mogelijk maken zich ervan te vergewissen dat geen enkele wijziging is aangebracht die de veiligheid van het vaartuig of van de bemanning in het gedrang kan brengen. d) Periodieke onderzoeken, zoals bepaald in leden b), ii) en b), iii), en tussentijdse onderzoeken, zoals bepaald in lid c), worden aangetekend op het certificaat voorzien in voorschrift 7 of 8.2) a) De certificaten worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar of door een daartoe door België gemachtigde organisatie na een eerste onderzoek.Dat eerste onderzoek wordt uitgevoerd door de aangestelde ambtenaar of een daartoe door België gemachtigde organisatie of lidstaat. b) De machtigingen bedoeld in lid a), moeten ten minste machtigen om : i) herstellingen aan een vaartuig te kunnen eisen; ii) onderzoeken en inspecties uit te voeren die door de bevoegde overheid van de havenstaat worden gevraagd. c) Wanneer een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lid-Staat vaststelt dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting wezenlijk afwijkt van de gegevens op het certificaat, of zodanig is dat het vaartuig niet in staat is om in zee te gaan zonder gevaar voor het vaartuig of voor de opvarenden, dan moet die organisatie of die lidstaat er onmiddellijk voor zorgen dat aan die toestand wordt verholpen, en zij moeten te gepasten tijde de aangestelde ambtenaar op de hoogte brengen.Indien er niet wordt verholpen aan die toestand moet het relevante certificaat worden ingetrokken en moet de aangestelde ambtenaar daarover onverwijld worden ingelicht; en, als het vaartuig zich in een vreemde haven bevindt, moeten tevens de bevoegde autoriteiten van de havenstaat worden verwittigd.
Wanneer met betrekking tot een vaartuig dat onder de vlag vaart van een lid-Staat en dat zich in een Belgische haven bevindt, de aangestelde ambtenaar zo wordt verwittigd door een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat, dan zal hij hun alle nodige bijstand verlenen opdat ze hun verplichtingen overeenkomstig dit voorschrift kunnen nakomen. Wanneer het nodig is zal de aangestelde ambtenaar ervoor zorgen dat het vaartuig niet afvaart totdat het naar zee kan, of de haven kan verlaten om naar een geschikte herstelwerf te varen, zonder gevaar voor het vaartuig of zijn opvarenden. 3) a) De staat van het vaartuig en zijn uitrusting zal worden onderhouden conform de voorschriften van deze bijlage om te verzekeren dat het in alle opzichten geschikt zal blijven om zee te kiezen zonder gevaar voor het vaartuig en de personen aan boord.b) Nadat een onderzoek van het vaartuig krachtens dit voorschrift is voltooid, mag geen wijziging worden aangebracht aan de constructie, de machine-installaties, de uitrusting of enig ander onderdeel gedekt door het onderzoek, zonder goedkeuring van de aangestelde ambtenaar.c) Wanneer er zich een ongeval voordoet met het vaartuig of een defect wordt ontdekt, dat de veiligheid van het vaartuig of de volledigheid of de goede werking van de reddingsmiddelen of van de andere uitrusting in het gedrang brengt, moet de schipper of de eigenaar dit bij de eerste gelegenheid melden aan de aangestelde ambtenaar, of aan de gemachtigde organisatie of lid-Staat verantwoordelijk voor de afgifte van het betrokken certificaat, dewelke zullen laten nagaan of een onderzoek zoals bepaald in dit voorschrift noodzakelijk is. Wanneer het vaartuig in een vreemde haven ligt zal de schipper of de eigenaar dit ook onmiddellijk melden aan de bevoegde autoriteit van de havenstaat en de gemachtigde organisatie of de gemachtigde lidstaat zullen erop toezien dat zulke melding gebeurt.
Voorschrift 7 Afgifte van en aantekeningen in certificaten 1) a) Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt, nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden, afgegeven aan een vaartuig dat voldoet aan de toepasselijke bepalingen van dit besluit.b) Wanneer een vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een vaartuig op grond van en in overeenstemming met de bepalingen van deze bijlage, moet een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen worden afgegeven naast het in lid a) voorgeschreven certificaat.2) Het certificaat, bedoeld in paragraaf 1) wordt afgegeven of aangevuld met aantekeningen door de aangestelde ambtenaar, een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lid-Staat. Voorschrift 8 Afgifte van en aantekeningen in certificaten op verzoek van een andere lidstaat 1) Op verzoek van een andere lid-Staat mag de aangestelde ambtenaar een vaartuig laten onderzoeken;als hij oordeelt dat de voorschriften van deze bijlage nageleefd worden, moet hij aan het vaartuig certificaten afgeven of de afgifte ervan toelaten en, in voorkomend geval, aantekeningen maken of machtigen tot het maken van aantekeningen in de certificaten waarover het vaartuig beschikt, overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage. 2) Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het verslag van het onderzoek moeten zo spoedig mogelijk aan de lidstaat die het verzoek indiende, afgegeven worden.3) Een aldus afgegeven certificaat moet een verklaring bevatten waaruit blijkt dat het op verzoek van de andere lid-Staat afgegeven werd;dit certificaat heeft dezelfde waarde en wordt tegen dezelfde voorwaarden aanvaard als een certificaat dat overeenkomstig voorschrift 7 afgegeven werd.
Voorschrift 9 Model van certificaten en van inventaris van uitrusting De certificaten en de inventaris van uitrusting moeten worden opgesteld in de vorm die overeenkomt met het model, zoals opgenomen in het aanhangsel. Indien de gebruikte taal noch de Engelse, noch de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in één van deze talen bevatten, tenzij de aangestelde ambtenaar dit onnodig acht, gezien het werkgebied van het vaartuig.
Voorschrift 10 Beschikbaarheid van certificaten Alle op grond van voorschrift 7 of 8 afgegeven certificaten moeten te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn aan boord.
Voorschrift 11 Looptijd en geldigheid van certificaten 1) Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt voor een tijdsduur van niet langer dan vier jaar afgegeven en wordt niet langer verlengd dan voor één jaar, afhankelijk van de periodieke en tussentijdse onderzoeken zoals voorgeschreven in voorschrift 6, 1), b) en c), behalve in de gevallen bepaald in paragrafen 2), 3) en 4).Een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen heeft een geldigheidsduur die niet langer mag zijn dan die van het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt. 2) Indien een vaartuig ten tijde van het aflopen of ophouden van de geldigheidsduur van zijn certificaat zich niet bevindt in een Belgische haven, mag de geldigheidsduur van het certificaat door de aangestelde ambtenaar worden verlengd, doch een dergelijke verlenging mag slechts worden verleend om het vaartuig in staat te stellen zijn reis naar een Belgische haven of naar een haven waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, te voltooien en dan nog alleen in gevallen, waarin het gepast en redelijk voorkomt dit te doen.3) De geldigheidsduur van een certificaat mag op deze wijze ten hoogste voor vijf maanden worden verlengd.Een vaartuig, dat zulke verlenging heeft bekomen, is niet gerechtigd na aankomst in een Belgische haven of de haven waar het aan een onderzoek wordt onderworpen, krachtens een dergelijke verlenging deze haven te verlaten zonder een nieuw certificaat te hebben verkregen. 4) Wanneer de geldigheidsduur van een certificaat ingevolge de bepalingen van paragraaf 2) niet is verlengd, mag de geldigheidsduur door de aangestelde ambtenaar worden verlengd voor een tijdsduur van hoogstens één maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.5) Een certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 verliest zijn geldigheid in elk van de volgende gevallen : a) indien de toepasselijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd binnen de periodes bepaald in voorschrift 6;b) indien de aantekeningen bepaald bij deze voorschriften niet zijn gemaakt op het certificaat;c) op het ogenblik dat een vaartuig onder een andere vlag gaat varen. Een nieuw certificaat zal worden afgegeven door de nieuwe vlaggenstaat nadat deze zich ervan heeft vergewist dat het vaartuig voldoet aan de voorwaarden van voorschrift 6, 3), a) en b) . In het geval naar een vlag van een andere staat wordt overgegaan, en indien die vlaggenstaat binnen drie maanden na het overgaan zulks vraagt, moet de aangestelde ambtenaar zo spoedig mogelijk aan die andere vlaggenstaat afschriften van de certificaten die het vaartuig vóór de overdracht aan boord had, doen toekomen alsmede afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten, indien deze beschikbaar zijn. HOOFDSTUK II. - Constructie, waterdichtheid en uitrusting Voorschrift 1 Constructie 1) De sterkte en constructie van de romp, bovenbouwen en dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting moeten alle voldoende bestand zijn tegen omstandigheden waaronder het vaartuig moet kunnen opereren en ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moeten de sterkte en constructie van romp, bovenbouwen, dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting voldoende bestand zijn tegen alle omstandigheden waaronder het vaartuig moet kunnen opereren en in overeenstemming zijn met de voorschriften van een erkende organisatie. 2) De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden overeenkomstig de te verwachten bedrijfsomstandigheden en het werkgebied.3) Schotten, sluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan de eisen die door de aangestelde ambtenaar worden gesteld.Vaartuigen vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten voorzien zijn van een aanvaringsschot en ten minste van waterdichte schotten die de ruimte voor machines omsluiten. Deze schotten moeten worden opgetrokken tot aan het werkdek. Zodanige schotten, die zover zulks praktisch uitvoerbaar is, waterdicht moeten zijn, moeten tevens zijn aangebracht in houten schepen. 4) Pijpen die het aanvaringsschot doorboren, moeten voorzien zijn van geschikte afsluiters, die boven het werkdek kunnen worden bediend en de kleppenkast moet tegen het aanvaringsschot in de voorpiek zijn bevestigd.Geen deur, mangat, ventilatiekoker of andere opening mag in het aanvaringsschot onder het werkdek zijn aangebracht. 5) Ingeval een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het werkdek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind.Deze voortzetting van het aanvaringsschot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot te worden aangebracht, mits zij binnen de in voorschrift I/2, 22), gegeven afstanden wordt geplaatst en het gedeelte van het dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. 6) Het aantal openingen in het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale werkzaamheden van het vaartuig.Zulke openingen moeten tegen weer en wind kunnen worden afgesloten. 7) In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet voor zover dit uitvoerbaar is tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht. Voorschrift 2 Waterdichte deuren 1) Met inachtneming van het bepaalde in voorschrift 1, § 3), moet het aantal openingen in waterdichte schotten worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig, openingen moeten zijn voorzien van waterdichte afsluitmiddelen, zulks ten genoegen van de aangestelde ambtenaar, voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moeten openingen voorzien zijn van waterdichte afsluitmiddelen die aan de voorschriften van een erkende organisatie voldoen.Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie, zonder zulke openingen. 2) In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kunnen zulke deuren van het type draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide kanten van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten en die gewoonlijk onder normale omstandigheden op zee gesloten moeten blijven.Aan beide kanten van de deur moet een aanduiding zijn bevestigd dat de deur op zee gesloten moet blijven. 3) In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten waterdichte deuren als schuifdeuren zijn uitgevoerd : a) indien deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en de bovenkant van de drempel onder de hoogst gelegen lastlijn ligt, tenzij de aangestelde ambtenaar, rekening houdend met het type en de bestemming van het vaartuig, van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar of niet noodzakelijk is. Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 mogen geen vrijstellingen van dit voorschrift worden toegestaan. b) in het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt. In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren van het type draaideuren zijn. 4) Waterdichte schuifdeuren moeten geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15 graden over welke zijde ook.5) Ongeacht of waterdichte schuifdeuren met de hand of anderszins worden geopend en gesloten, moeten deze ter plaatse aan beide zijden van de deur geopend en gesloten kunnen worden;in vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt moeten deze deuren tevens door middel van afstandsbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een bereikbare plaats boven het werkdek, behalve wanneer de deuren zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie voor de bemanning. 6) Op plaatsen van waaruit afstandsbediening plaatsvindt, moet een inrichting aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend of gesloten is. Voorschrift 3 Waterdichtheid van de romp 1) Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen, moeten zo kunnen worden afgesloten dat geen water het vaartuig kan binnendringen.Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten ter plaatse van de hartlijn van het vaartuig zijn aangebracht. De aangestelde ambtenaar kan echter afwijkende voorzieningen goedkeuren, indien hij ervan overtuigd is dat daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert. 2) Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten mechanisch worden aangedreven en vanaf een plaats die een vrij uitzicht biedt op de werking van deze luiken kunnen worden bediend. Voorschrift 4 Deuren dicht tegen weer en wind 1) Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en andere uitwendige constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren, die blijvend aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel even sterk is als de intacte constructie en moeten in gesloten toestand dicht zijn tegen weer en wind.De middelen om deze deuren tegen weer en wind dicht te maken, moeten bestaan uit pakkingen, knevels of andere gelijkwaardige middelen en moeten blijvend aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn ingericht dat zij aan elke zijde van het schot kunnen worden bediend. De aangestelde ambtenaar mag alleen voor koelruimten toelaten, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van de bemanning, dat zulke deuren slechts aan één zijde kunnen worden bediend, vooropgesteld dat een geschikt alarm is voorzien om te voorkomen dat personen opgesloten blijven in die ruimten. 2) De hoogte boven het dek van drempels in deze deuropeningen, in gangboorden, opbouwen en schachten van machinekamers, die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek, moet ten minste 600 millimeter op het werkdek en ten minste 300 millimeter op het bovenbouwdek bedragen.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag deze hoogte worden verlaagd tot ten hoogste respectievelijk 380 millimeter en 150 millimeter, met uitzondering van de hoogte van de deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines.
Voorschrift 5 Luikopeningen gesloten door middel van houten luiken 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 millimeter en op het bovenbouwdek ten minste 300 millimeter bedragen.2) Met betrekking tot de dikte na afwerking van houten luiken voor luikopeningen moet rekening worden gehouden met slijtage ten gevolge van ruw gebruik.In elk geval moet de dikte na afwerking van deze luiken per 100 millimeter ongesteunde lengte ten minste 4 millimeter bedragen met een minimum van 40 millimeter en moet de breedte van hun draagvlak ten minste 65 millimeter bedragen. 3) Maatregelen voor het wind- en weerdicht afsluiten van luikopeningen door middel van houten luiken moeten worden genomen ten genoegen van de aangestelde ambtenaar.Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moeten de maatregelen voor het wind- en weerdicht afsluiten van luikopeningen door middel van houten luiken worden genomen in overeenstemming met de normen in de voorschriften 14 en 15 van bijlage I van het Internationale Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 196 6. (1) Voorschrift 6 Luikopeningen gesloten door luiken van een ander materiaal dan hout 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet dezelfde zijn als die, welke in voorschrift 5, 1), is vastgesteld.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag de hoogte van de luikhoofden worden verlaagd of mogen de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits daardoor de veiligheid van de vaartuigen niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar is, worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geborgd kunnen worden, of middels even effectieve voorzieningen ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. 2) Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is : a) 10,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 24 meter bedraagt;b) 17,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 100 meter of meer bedraagt. Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. De aangestelde ambtenaar kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75 procent van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het bovenbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt. 3) Wanneer luiken van staal zijn vervaardigd, mag de overeenkomstig paragraaf 2) berekende grootste trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het materiaal.Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning. 4) Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de sterkte van stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen zoals deze zijn vastgesteld in paragraaf 2), is verzekerd.5) Luiken moeten voorzien zijn van knevels en pakkingen, of andere, ten genoegen van de aangestelde ambtenaar gelijkwaardige voorzieningen, teneinde voldoende zeker te stellen dat de luiken dicht tegen weer en wind zijn. Voorschrift 7 Openingen boven de ruimte voor machines 1) Openingen boven ruimten voor machines moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijkwaardig aan de aangrenzende bovenbouw.De toegangsopeningen aan de buitenzijde daarin moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 4. 2) Openingen, andere dan toegangsopeningen, moeten zijn voorzien van deksels met een sterkte die gelijkwaardig is aan de intacte bovenbouw en moeten blijvend daaraan zijn bevestigd en dicht tegen weer en wind kunnen worden gesloten. Voorschrift 8 Andere openingen in het dek 1) Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden;zodanige voorzieningen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de sluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht, indien deze ten genoegen van de aangestelde ambtenaar afdoende waterdicht zijn. 2) Openingen die geen luikhoofden, geen openingen boven de ruimte voor machines, geen mangaten of verzonken stortranden in het werk- of bovenbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die dicht zijn tegen weer en wind of daaraan gelijkwaardige afsluitingen.Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig geplaatst zijn.
Voorschrift 9 Luchtkokers 1) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten de schachten van luchtkokers, geen schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte zijnde, een hoogte van ten minste 900 millimeter boven het werkdek en ten minste 760 millimeter boven het opbouwdek hebben.Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet de hoogte van deze schachten respectievelijk 760 millimeter of 450 millimeter bedragen.
De hoogte boven het dek van schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte, moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voor nieuwe vissersvaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moet de hoogte boven het dek van schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte, die noodzakelijk zijn om de voortstuwingsruimte voortdurend en op verzoek de generatorruimte onmiddellijk te ventileren, in de regel in overeenstemming zijn met voorschrift II/9(3). Indien zulks echter wegens de grootte en de inrichting van het vaartuig praktisch onuitvoerbaar is, kunnen lagere hoogten, maar in geen geval minder dan 900 millimeter boven het werkdek en het opbouwdek, worden aanvaard, mits wind- en weerdichte afsluitmiddelen zijn aangebracht in overeenstemming met voorschrift II/9 (2) in combinatie met andere geschikte voorzieningen om de ruimten ononderbroken voldoende te kunnen ventileren. 2) De sterkte van schachten van luchtkokers moet gelijkwaardig zijn aan de aangrenzende constructie en door middel van sluitinrichtingen die blijvend zijn aangebracht aan de luchtkoker of aangrenzende constructie, dicht tegen weer en wind gesloten kunnen worden.Wanneer een luchtkoker hoger is dan 900 millimeter moet hij bijzonder gesteund worden. 3) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 4,5 meter boven het werkdek of meer dan 2,3 meter boven het bovenbouwdek uitsteken, niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen, tenzij de aangestelde ambtenaar zulks uitdrukkelijk vordert.Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 3,4 meter boven het werkdek of meer dan 1,7 meter boven het bovenbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen. Indien ten genoegen van de aangestelde ambtenaar het niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig via luchtkokers van de ruimte voor machines binnenkomt, kunnen zodanige sluitinrichtingen aan luchtkokers vervallen.
Voorschrift 10 Luchtpijpen 1) Wanneer luchtpijpen van tanks en lege ruimten benedendeks boven werk- of bovenbouwdekken reiken, moeten de blootgestelde delen van de pijpen van een sterkte zijn die gelijkwaardig is aan de aangrenzende constructies en in voldoende mate beschermd zijn.Er moeten middelen, die blijvend zijn bevestigd aan de pijp of aangrenzende constructie, aanwezig zijn voor het afsluiten van de openingen van de luchtpijpen. 2) De hoogte van luchtpijpen bovendeks tot het punt waar water naar beneden kan binnendringen, moet ten minste 760 millimeter zijn op het werkdek en ten minste 450 millimeter op het bovenbouwdek.De aangestelde ambtenaar kan een geringere hoogte van een luchtpijp aanvaarden teneinde te voorkomen dat de visserijwerkzaamheden worden belemmerd.
Voorschrift 11 Peilinrichtingen 1) Peilinrichtingen moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn aangebracht in : a) de vullingen van die waterdichte afdelingen van het vaartuig die niet te allen tijde tijdens de reis gemakkelijk toegankelijk zijn;en b) alle tanks en kofferdammen.2) Wanneer peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan gemakkelijk bereikbaar zijn en, wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, tot boven het werkdek zijn doorgetrokken.De openingen daarvan moeten zijn voorzien van blijvend bevestigde sluitingsinrichtingen.
Peilpijpen die niet tot boven het werkdek zijn doorgetrokken, moeten zijn voorzien van zelfsluitende inrichtingen.
Voorschrift 12 Patrijspoorten en ramen 1) Patrijspoorten in ruimten onder het werkdek en in ruimten binnen besloten constructies op dat dek moeten zijn voorzien van scharnierende blinden, die waterdicht gesloten kunnen worden.2) Een patrijspoort mag niet op een zodanige plaats worden aangebracht dat de onderkant van de dagopening lager ligt dan 500 millimeter boven de hoogst gelegen lastlijn.3) Patrijspoorten aangebracht op minder dan 1 000 millimeter boven de hoogst gelegen lastlijn zullen van het vaste type zijn.4) Patrijspoorten met inbegrip van de zich daarin bevindende glasschijven en daaraan bevestigde blinden moeten van een goedgekeurde constructie zijn.Diegene die kunnen beschadigd worden door vistuig dienen voldoende beschermd te worden. 5) Gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal moet zijn gebruikt voor de ramen van het stuurhuis.6) De aangestelde ambtenaar kan toestaan dat patrijspoorten en ramen welke zijn aangebracht in de zij- en achterschotten van dekhuizen op of boven het werkdek, niet zijn voorzien van blinden, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert.Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 kan de aangestelde ambtenaar toestaan dat patrijspoorten en ramen welke zijn aangebracht in de zij- en achterschotten van dekhuizen op of boven het werkdek, niet zijn voorzien van blinden, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert, rekening houdende met de voorschriften van erkende organisaties op basis van de desbetreffende ISO-normen.
Voorschrift 13 Inlaat- en afvoerpijpen 1) Door de huid gaande afvoerpijpen van ruimten beneden het werkdek of van gesloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 4 moeten zijn voorzien van toegankelijke middelen ter voorkoming van het binnendringen van water in het vaartuig.Normaal moet iedere afzonderlijke afvoerpijp een automatisch werkende terugslagklep hebben met een inrichting waardoor de klep rechtstreeks van een toegankelijke plaats kan worden gesloten. De aanwezigheid van een zodanige klep is niet noodzakelijk, indien de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat het niet waarschijnlijk is, dat gevreesd moet worden dat water, dat via de opening het vaartuig binnenkomt, het vaartuig zal doen vollopen en wanneer de pijpen voldoende wanddikte hebben. De middelen voor de bediening van de rechtstreeks beweegbare klep moeten voorzien zijn van een indicator die aangeeft of de klep open dan wel gesloten is. 2) In bemande ruimten voor machines mogen inlaatkasten voor hoofd- en hulpwerktuigen en afvoerpijpen, die van belang zijn voor het in bedrijf houden van machines ter plaatse worden bediend.De bedieningsapparatuur moet toegankelijk zijn en voorzien zijn van indicatoren die aangeven of de kleppen open dan wel gesloten zijn. 3) De aan de romp bevestigde appendages en de door dit voorschrift vereiste kleppen moeten van staal, brons of een ander goedgekeurd smeedbaar materiaal vervaardigd zijn.Tussen de kleppen en de romp moeten alle pijpen van staal zijn; aan boord van vaartuigen die van een ander materiaal dan staal vervaardigd zijn, mag echter de aangestelde ambtenaar in ruimten waar geen machines staan het gebruik van andere materialen goedkeuren.
Voorschrift 14 Waterloospoorten 1) Wanneer een verschansing op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek kuilen vormt, moet de minimumwaterloosoppervlakte (A) in vierkante meter aan elke zijde van het schip voor elke kuil op het werkdek in verhouding tot de lengte (l) in meter en de hoogte van de verschansing in de kuil als volgt vastgesteld worden : a) A = 0,07 l (l behoeft niet groter te worden genomen dan 0,7 L) b) i) Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing meer is dan 1200 millimeter moet het voorgeschreven oppervlak worden vergroot met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte voor elke 100 millimeter verschil in hoogte. ii) Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing minder is dan 900 millimeter, mag het voorgeschreven oppervlak met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte worden verkleind voor elke 100 millimeter verschil in hoogte. 2) De waterloosoppervlakte die volgens paragraaf 1) is berekend, wordt verhoogd, wanneer de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat de zeeg van het vaartuig niet voldoende is om een snelle en afdoende lozing van water van het dek te waarborgen.3) Afhankelijk van de goedkeuring van de aangestelde ambtenaar mag de minimumwaterloosoppervlakte voor elke kuil op het bovenbouwdek niet kleiner zijn dan de helft van het oppervlak (A) zoals dat in paragraaf 1) is voorgeschreven.4) Waterloospoorten moeten zodanig langs de lengte van de verschansingen zijn aangebracht, dat zeker gesteld is dat water zo snel en afdoende mogelijk van het dek wordt geloosd.Onderkanten van waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen als praktisch uitvoerbaar is. 5) Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig aangebracht zijn dat de werking van waterloospoorten niet vermindert.Lastplanken moeten zo geconstrueerd zijn dat zij bij gebruik in de juiste stand vastgezet kunnen worden en mogen de lozing van overgekomen water niet belemmeren. 6) Waterloospoorten waarvan de hoogte meer dan 300 millimeter bedraagt, moeten voorzien zijn van staven met een onderlinge afstand van ten hoogste 230 millimeter en ten minste 150 millimeter of moeten voorzien zijn van andere geschikte beschermingsvoorzieningen.Indien waterloospoorten zijn voorzien van kleppen, moeten deze van goedgekeurde constructie zijn. Indien noodzakelijk wordt geacht dat kleppen tijdens visserijwerkzaamheden zijn voorzien van vastzetinrichtingen, moeten deze ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn en vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats eenvoudig te bedienen zijn. 7) Bij vaartuigen bestemd om gebruikt te worden in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en beschermingsvoorzieningen van waterloospoorten gemakkelijk verwijderd kunnen worden teneinde ijsafzetting te beperken.De afmetingen van openingen en inrichtingen aangebracht om deze beschermingsvoorzieningen te kunnen verwijderen, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.
Voorschrift 15 Uitrustingen voor het ankeren en voor het meren Een vaartuig moet zodanig zijn uitgerust dat het snel en veilig kan ankeren. De uitrusting dient daartoe te bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen van een anker, het lichten van een anker en het ten anker houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene bedrijfsomstandigheid. Een vaartuig moet tevens met doelmatig meergerei zijn uitgerust, teneinde onder alle bedrijfsomstandigheden veilig te kunnen meren. Uitrusting voor het ankeren en het meren moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moet uitrusting voor het ankeren en meren voldoen aan de voorschriften van een erkende organisatie.
Voorschrift 16 Werkdekken in een gesloten bovenbouw 1) Deze werkdekken moeten voorzien zijn van een efficiënt afvoersysteem met een voldoende draineringscapaciteit om het waswater en de ingewanden van de vis af te voeren.2) Alle voor de visactiviteit nodige openingen moeten zijn voorzien van middelen die door een persoon snel en doeltreffend kunnen worden afgesloten.3) Wanneer de vangst voor de behandeling of verwerking op die dekken wordt gebracht, dient zij in een vangkamer te worden geplaatst.De vangkamers moeten voldoen aan voorschrift III/11. Er moet een efficiënt afvoersysteem worden geïnstalleerd. Tevens moet worden voorzien in een adequate bescherming tegen onverhoeds op het werkdek stromend water. 4) De dekken moeten met ten minste twee afvoeropeningen zijn uitgerust.5) De vrije hoogte in de werkruimte moet overal ten minste twee meter bedragen.6) Er moet een vast ventilatiesysteem zijn aangebracht waarmee de lucht ten minste zes keer per uur wordt ververst. Voorschrift 17 Diepgangsmerken 1) Alle vaartuigen moeten aan beide zijden van de voor- en achtersteven zijn voorzien van diepgangsmerken.2) Deze merken moeten zich zo dicht mogelijk bij de loodlijnen bevinden. Voorschrift 18 Vistanks met gekoeld (ASW) of diepgekoeld (CSW) zeewater 1) Indien ASW- of CSW-tanks, dan wel soortgelijke tanksystemen worden gebruikt, dienen de tanks te zijn uitgerust met een afzonderlijke, vast aangehechte voorziening voor het vullen en ledigen.2) Indien de tanks eveneens voor het vervoer van droge lading worden gebruikt, dienen de tanks te zijn uitgerust met een lenssysteem en te zijn voorzien van adequate middelen om te voorkomen dat water uit het lenssysteem in de tanks terechtkomt. (1) Het Internationale Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, zoals vastgesteld door de Internationale Conferentie betreffende de uitwatering van schepen van 5 april 1966 en aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.133(V) van 25 oktober 1967. HOOFDSTUK III. - Stabiliteit en de daarmee verband houdende zeewaardigheid Voorschrift 1 Algemeen Vaartuigen moeten zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfsomstandigheden bedoeld in voorschrift 7. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 moeten berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit voldoen aan de Code inzake stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle soorten schepen die onder IMO-besluiten vallen, zoals aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie Z.749(18) van 4 november 1993, zoals gewijzigd bij resolutie MSC.75(69).
Voorschrift 2 Stabiliteitscriteria 1) Aan de volgende minimumstabiliteitscriteria moet worden voldaan, tenzij naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar de bedrijfservaring afwijkingen daarvan rechtvaardigt.Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 mogen geen afwijkingen van de vereiste minimumstabiliteitscriteria worden toegestaan.
Voor de raadpleging van de formule, zie beeld b) de arm van statische stabiliteit GZ moet ten minste 200 millimeter zijn bij een helling van 30 graden of meer;c) de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit GZmax moet worden bereikt bij een helling die bij voorkeur groter is dan 30 graden doch niet minder is dan 25 graden;d) de aanvankelijke metacenterhoogte GM mag niet minder bedragen dan 350 millimeter bij vaartuigen met één dek.Bij vaartuigen met volledige opbouw of bij vaartuigen waarvan de lengte 70 meter of meer bedraagt, mag de metacenterhoogte ten genoegen van de aangestelde ambtenaar worden verminderd, doch in geen geval minder dan 150 millimeter bedragen.
Voor nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 mag geen vermindering van de vereiste metacenterhoogte worden toegestaan. 2) Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen, zijn aangebracht teneinde het slingeren tegen te gaan, moet de aangestelde ambtenaar ervan overtuigd zijn dat de stabiliteitscriteria, zoals omschreven in paragraaf 1), onder alle bedrijfsomstandigheden worden gehandhaafd.3) Wanneer ballast is aangebracht teneinde zeker te stellen dat aan het bepaalde in paragraaf 1) wordt voldaan, moeten de aard en de opstelling ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.In nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet die ballast vast aangebracht zijn. Wanneer de ballast vast aangebracht is, moet deze uit vaste stof bestaan en in het vaartuig stevig zijn vastgemaakt. De aangestelde ambtenaar kan het gebruik van waterballast toestaan, indien deze is opgeslagen in volledig gevulde tanks die niet met een pompsysteem van het vaartuig zijn verbonden. Indien waterballast als vast aangebrachte ballast wordt gebruikt om aan het bepaalde in paragraaf 1) te voldoen, dienen daarover nadere bijzonderheden te worden verstrekt in het certificaat van overeenstemming en in de stabiliteitsgegevens. Vast aangebrachte ballast mag zonder de goedkeuring van de aangestelde ambtenaar niet uit het vaartuig worden verwijderd of op een andere plaats in het vaartuig worden aangebracht.
Voorschrift 3 Vervuld raken van visruimen De helling waarbij water de visruimen zou kunnen binnendringen door luiken, die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden open blijven en die niet snel gesloten kunnen worden, moet ten minste 20 graden zijn, tenzij - met de respectievelijke visruimen gedeeltelijk of geheel vervuld geraakt - aan de stabiliteitscriteria van voorschrift 2, 1), kan blijven worden voldaan.
Voorschrift 4 Bijzondere vismethoden Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf tijdens de visserijwerkzaamheden op het vaartuig werken, moeten voldoen aan de stabiliteitscriteria van voorschrift 2, 1), die zo nodig ten genoegen van de aangestelde ambtenaar moeten worden uitgebreid.
Nieuwe vaartuigen gebouwd op of na 1 januari 2003 die worden gebruikt voor boomkorvisserij moeten voldoen aan de volgende uitgebreide stabiliteitscriteria : (a) de criteria voor de gebieden onder de arm van statische stabiliteit en voor de armen van statische stabiliteit zoals vermeld in voorschrift 2, 1), onder a) en b), moeten worden verhoogd met 20 procent;(b) de metacenterhoogte mag niet minder dan 500 millimeter bedragen;(c) de criteria zoals bedoeld onder a) gelden slechts voor vaartuigen met een geïnstalleerd voortstuwingsvermogen dat niet groter is dan de waarde in kilowatt zoals gegeven in de volgende formules : - N = 0,6 Ls2 voor vaartuigen met een lengte van 35 meter of minder; - N = 0,7 Ls2 voor vaartuigen met een lengte van 37 meter of minder; - bij een tussenliggende lengte van het vaartuig wordt de coëfficiënt voor Ls verkregen door interpolatie tussen 0,6 en 0,7; - Ls is de lengte over alles volgens de meetbrief.
Indien het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen de waarden voor het standaard voortstuwingsvermogen, zoals gegeven in de bovenstaande formules, overschrijdt, moeten de criteria, zoals vermeld onder a), recht evenredig aan het grotere voortstuwingsvermogen worden uitgebreid.
De aangestelde ambtenaar m …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.