← België

Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse regering herziet het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) om het afvalstoffenbeleid te verbeteren, met een focus op afvalvoorkoming en grotere producentenverantwoordelijkheid. Het introduceert nieuwe definities, breidt de aanvaardingsplicht uit voor diverse afvalstromen en past regels aan voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)§ 1§ 2§ 4§ 5

reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (BIS)VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING 1. Situering Op 17 december 1997 werd door de Vlaamse regering het besluit tot vaststelling van het Vlaams reglement in

houd van het nieuwe VLAREA, waarbij de belangrijkste wijzigingen worden aangeduid. Waar nodig wordt verder verduidelijkt wat de bedoeling van de wijzigingen is om interpretatieproblemen in de toekomst zoveel mogelijk te vermijden. 2. Bespreking HOOFDSTUK 1 In dit hoofdstuk worden, in tegenstelling tot het huidige VLAREA, de definities gegroepeerd zodat deze nu allemaal vooraan in het VLAREA terug te vinden zijn.Dit gebeurt omdat aan deze techniek door de Raad van State de voorkeur gegeven wordt. De definities zijn thematisch gerangschikt in functie van de betrokken tekstonderdelen, maar zijn, tenzij anders vermeld, van toepassing voor het hele VLAREA. Tegelijkertijd worden een aantal noodzakelijke nieuwe definities ingevoerd. De definitie van "werk", noodzakelijk voor het bepalen van de afvalstoffen die als secundaire grondstof als bouwstof kunnen aangewend worden, heeft reeds aanleiding gegeven tot enige discussie. Als werk worden alleen die constructies bedoeld die duidelijk te onderscheiden zijn van de bodem, zoals bij voorbeeld de kern van dijklichamen, opritten en bermen, wegbeddingen en onderfunderingen. Het opvullen van putten en het ophogen van laaggelegen terreinen valt duidelijk niet onder de definitie van werk. Voor het gebruik als secundaire grondstof in deze toepassingen moet voldaan worden aan de normering voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof als bodem. In het eerste hoofdstuk wordt tevens de afvalstoffenlijst vastgesteld. Belangrijk is dat de stoffen en voorwerpen die op deze lijst worden vermeld, alleen als afval moeten worden beschouwd indien ze tegelijkertijd aan de definitie van afvalstof voldoen, met name dat de houder zich ervan ontdoet, zich er wil van ontdoen, of zich er moet van ontdoen. Ten slotte wordt in dit hoofdstuk ook bepaald welke handelingen als verwijdering en als nuttige toepassing verstaan worden, overeenkomstig de Europese wetgeving ter zake. HOOFDSTUK 2 Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de categorieën van afvalstoffen. Wat betreft de gelijkstelling van afvalstoffen aan huishoudelijke afvalstoffen wordt vanaf nu alleen nog straat- en veegvuil aan huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld. Alle andere afvalstoffen moeten dus als bedrijfsafval ingedeeld worden. De lijst van bijzondere afvalstoffen wordt verder uitgebreid met die afvalstoffen waarvoor bijzondere bepalingen in het nieuwe VLAREA worden opgenomen. Dit hoofdstuk bepaalt welke afvalstoffen als gevaarlijk moeten worden beschouwd. Dit gebeurt overeenkomstig de Europese wetgeving. Er wordt ook een procedure vastgelegd die de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, toelaat om een gevaarlijke afvalstof te declasseren als gevaarlijk, mits de nodige bewijslast wordt voorgelegd door de houder van de afvalstof. Omgekeerd kan de minister ook beslissen dat afvalstoffen in bepaalde gevallen toch als gevaarlijk worden ingedeeld, alhoewel zij in de afvalstoffenlijst niet als gevaarlijk zijn aangeduid. HOOFDSTUK 3 In hoofdstuk 3 worden de afvalstoffen aangeduid waarvoor een aanvaardingsplicht opgelegd wordt, alsmede de wijze waarop aan de aanvaardingsplicht kan voldaan worden en de verplichtingen die de aanvaardingsplicht voor iedere afvalcategorie inhoudt. Naast de reeds bestaande aanvaardingsplichten voor drukwerkafvalstoffen, afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen, afgedankte voertuigen, afvalbanden en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, wordt nu ook een aanvaardingsplicht ingevoerd voor oude en vervallen geneesmiddelen, afgewerkte olie, een tweede reeks van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, dierlijke en plantaardige afvalvetten en Boliën, afvalfotochemicaliën, afvallandbouwfolies, houtafval, vloerbedekkingsafval en lampen, met een gefaseerde inwerkingtreding voor de verschillende categorieën Voor lampen is het de bedoeling om in de aanvaardingsplicht alleen die lampen onder te brengen die ook onder het toepassingsgebied van de betrokken EU-richtlijn vallen. Het is echter wel de bedoeling om het ook zo duidelijk mogelijk te maken voor de burger zodat er een globale inzameling « lampen » kan zijn en de burger niet verplicht wordt binnen de lampen ook nog eens aparte categorieën te gaan detecteren. De aanvaardingsplicht wordt ook opgelegd indien er geen nieuw product aangekocht wordt, het zogenaamde 1-tegen-0-principe. Op deze wijze willen we de betrokken sectoren verantwoordelijk stellen voor de totale afvalstroom ook als de consument geen nieuw product aankoopt. Voor de praktische uitvoering hiervan kunnen de sectoren samenwerken met de gemeenten/intercommunales indien een overeenkomst kan worden bereikt met

dividuele gemeenten/intercommunales. De redenen om deze nieuwe aanvaardingsplichten in te voeren zijn verschillend :

vulling van het principe "de vervuiler betaalt", het bieden van een oplossing voor afvalstromen waarmee de gemeenten problemen hebben, de risico's voor het leefmilieu, het oplossen van de zwerfvuilproblematiek, het overleg met de andere gewesten. In de aanvaardingsplicht is voorzien dat de overheden volledig vergoed worden voor

spanningen die zij leveren inzake inzameling en scheiding van deze afvalstoffen als de betrokken sector een beroep wenst te doen op

frastructuur van de rechtspersonen van publiek recht. Belangrijk hierbij is dat de overheid niet meer kan ontvangen dan de kosten die zij ook werkelijk maakt. Dit betekent dat zij die kosten ook moet kunnen bewijzen. Bij de onderhandelingen tussen het beheersorganisme dat de taken in het kader van de aanvaardingsplicht uitvoert, en de gemeenten moet er over gewaakt worden dat dit principe niet geschonden wordt. Het gewest kan hier eventueel bemiddelend optreden. De kosten voor de controle door de overheid vallen overigens ook niet onder de verantwoordelijkheid van de producenten/invoerders, maar moeten door de overheid zelf gedragen worden. De terugname van afgedankte voertuigen is slechts gratis onder een aantal voorwaarden. Zo dient het afgedankt voertuig alle onderdelen te bevatten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een voertuig. Hiermee wordt bijvoorbeeld de motor bedoeld. De bedoeling van deze bepaling is vermijden dat de sector de kosten moet vergoeden terwijl anderen winst maken met onderdelen/materialen met een positieve economische waarde. De concrete uitvoering van deze bepaling moet in het kader van de uitvoering van de milieubeleidsovereenkomst worden uitgewerkt. Aan de aanvaardingsplicht kan nog steeds voldaan worden door middel van het afsluiten van een milieubeleidsovereenkomst of het indienen van een afvalpreventie- en afvalbeheerplan dat door de OVAM moet goedgekeurd worden. Er mag echter verondersteld worden dat in de meeste gevallen via een milieubeleidsovereenkomst zal gewerkt worden. Een bijkomende verplichting is het voorzien in een financiële zekerheid die de kosten dekt om gedurende zes maanden de aanvaardingsplicht door het gewest te laten overnemen. Dit is noodzakelijk om de continuïteit niet in het gedrang te brengen indien een beheersorganisme zou ophouden te bestaan, en is overigens ook voorzien in het interregionaal samenwerkingsakkoord inzake de preventie en het beheer van verpakkingsafval. Nieuw voor drukwerkafvalstoffen is dat de producenten/invoerders aan de gemeenten de kosten voor

zameling en verwerking van de drukwerkafvalstoffen terugbetalen. Specifieke preventieve acties zullen in het kader van een nieuwe milieubeleidsovereenkomst met de sector worden overeengekomen. De preventieve acties bij het gebruik van drukwerk moeten er bijvoorbeeld toe leiden dat dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften en periodieken, gratis regionale pers en gratis publicaties, telefoongidsen en faxgidsen, reclamedrukwerk en ander drukwerk : ?minder voorwerpen bevatten die bestaan uit andere materialen dan papier of karton; ? minder verpakt worden in kunststof verpakkingen; ? meer gedrukt zijn met milieuvriendelijke inkten en gelijmd met milieuvriendelijke lijmen; Wat in deze paragraaf wordt geformuleerd, dient zo spoedig mogelijk te worden geconcretiseerd in een nieuwe milieubeleidsovereenkomst waarbij in onderling overleg een minimumpercentage voor gerecycleerd papier in drukwerken zal worden vastgelegd. Het 1-tegen-0-principe geldt voor alle afgedankte voertuigen vanaf 2006. Indien echter de betrokken sector voor januari 2004 geen stappenplan indient inzake het beheer van afgedankte voertuigen of als het ingediende plan als ontoereikend wordt beschouwd dan treedt deze verplichting in werking vanaf 1 juli 2004.België staat op het vlak van

zameling en verwerking veel verder dan andere lidstaten. Voor de afvalbanden is er een nieuwe verplichting dat tegen 2005 ten minste een recyclingpercentage van 20 % van

gezamelde afvalbanden wordt behaald en dat de rest energetisch wordt gevaloriseerd. Hiervoor geldt dus een stortverbod. Voor elektrische en elektronische apparatuur wordt in twee fasen gewerkt. In de eerste fase wordt de bestaande aanvaardingsplicht aangevuld met een tweede reeks huishoudelijke apparaten waarvoor bijkomend een aanvaardingsplicht wordt ingevoerd. De doelstellingen inzake te behalen recyclingpercentages worden verstrengd. De rol van de kringloopcentra om het hergebruik te stimuleren, wordt bevestigd. In de tweede fase wordt de aanvaardingsplicht opgelegd voor automaten en niet-huishoudelijke apparaten, met uitzondering van verlichtingsapparatuur waarvoor de aanvaardingsplicht gezamenlijk voor huishoudelijke en niet-huishoudelijke apparaten ingevoerd wordt. Voor afvalloodstartbatterijen en afvalbatterijen worden verhoogde recyclingpercentages en verplichte preventieve acties ingevoerd. Voor de afvalcategorieën waarvoor een nieuwe aanvaardingsplicht wordt ingevoerd, worden op dit ogenblik alleen voor afgewerkte olie nadere bepalingen in het VLAREA ingeschreven. Voor de andere afvalstromen moet uit de onderhandelingen met de betrokken actoren blijken welke doelstellingen behaald kunnen worden, die in een volgende wijziging van het VLAREA zullen opgenomen worden. Andere verwerkingsmogelijkheden, met inbegrip van energetische valorisatie, moeten nog verder onderzocht worden. Om dit studiewerk uit te voeren bestaat o.a. de mogelijkheid met de betrokken sector een studiesyndicaat op te richten. Voor houtafval wordt een aanvaardingsplicht ingevoerd om op die wijze de volledige kolom, van producent tot afvalverwerker, te betrekken in de aanpak van enkele resterende uitdagingen in de houtafvalsector. Meer specifiek is het de bedoeling om een betere scheiding te bekomen tussen gevaarlijk (bij voorbeeld verduurzaamd hout) en niet-gevaarlijk houtafval om zo de gevaarlijke houtafvalstromen beter te kunnen verwerken. Ook de idee van het selectief sloopbestek kan hier geïntegreerd worden. « Zuiver » hout moet zoveel mogelijk naar materiaalrecyclage gaan en het verontreinigd hout naar energierecuperatie. Het is zeker niet de bedoeling om systemen op te starten die gelijkaardig zijn aan bij voorbeeld Recupel. Voor houtafval zijn er op dit ogenblik geen afzetproblemen en met de beoogde maatregelen wordt ernaar gestreefd dit nog te verbeteren via het vrijwaren van de bestaande marktwerking. In het systeem staat dan ook geen kostentransfer centraal vanuit de producenten/onvoerders van producten met hout naar de verwerkers van het houtafval. Dit element komt pas kijken als blijkt dat door de afspraken die in een milieubeleidsovereenkomst/afvalbeheersplan worden gemaakt men er toch niet in slaagt om tot goed gescheiden stromen te komen waardoor voor het houtafval afzetproblemen zouden rijzen of het houtafval tegen hoge kost zou moeten worden verwerkt (als fractie gevaarlijk houtafval). Indien zou blijken dat het aangewezen is om deze stroom op te splitsen in productgroepen, zoals voor andere aanvaardingsplichten, zal het VLAREA gewijzigd worden. Voor vloerbedekkingsafval gelden dezelfde redeneringen als voor houtafval. Samen met de milieubeleidsovereenkomst/afvalbeheersplan zal bekeken worden welke producten hier verder kunnen worden gedefinieerd. Parket en laminaatvloeren vallen onder de aanvaardingsplicht van houtafval. HOOFDSTUK 4 Hoofdstuk 4 heeft betrekking op het aanwenden van afvalstoffen als secundaire grondstoffen. Hierin wordt het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen in niet-diffuse toepassingen geschrapt. Een eerste schrapping heeft betrekking op het gebruik in of als smeermiddel en/of oplosmiddel en/of technische vloeistof, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze afvalstoffen die na behandeling aan de technische normering voor de primaire producten voldoen, niet meer als afvalstof beschouwd moeten worden, en derhalve niet als secundaire grondstof moeten ingedeeld worden. Daarnaast wordt ook het gebruik van secundaire grondstoffen in of als brandstof geschrapt. Uitgangspunt hierbij is dat deze afvalstoffen steeds afval blijven en derhalve verbrand moeten worden overeenkomstig de normering die geldt voor afvalverbranding. Het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof in of als diervoeder wordt nieuw ingevoerd. Als voorwaarde wordt hierbij opgelegd dat de afvalstoffen moeten voldoen aan de voorwaarden die opgelegd worden in de federale wetgeving inzake de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor diervoeder. Er worden dus geen bijkomende voorwaarden inzake samenstelling en/of gebruik opgelegd, omdat er verondersteld wordt dat de federale voorwaarden reeds voldoende waarborgen inhouden voor de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. Met de federale overheid werd meerdere malen overleg gepleegd, namelijk op 23 september 2002, 30 september 2002, 24 februari 2003, 3 maart 2003 en 24 maart 2003. De lijst van afvalstoffen die als secundaire grondstof kunnen worden aangewend, wordt gewijzigd op basis van de ervaring uit de voorbije jaren en aanvragen die door de bedrijven of federaties werden ingediend. Om soepel te kunnen inspelen op nieuwe aanvragen voor afvalstoffen die niet op de lijst in bijlage van het VLAREA opgenomen zijn, wordt een procedure ingevoerd die de Vlaamse regering, in de praktijk de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu gelet op het delegatiebesluit binnen de Vlaamse regering, toelaat om deze afvalstoffen als secundaire grondstof aan te duiden. Natuurlijk moet hierbij voldaan worden aan de betrokken voorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof. Dit gebeurt om de meer logge procedure tot wijziging van het VLAREA niet steeds te moeten doorlopen. Voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof als meststof of als bodemverbeterend middel worden de samenstellingsvoorwaarden uitgebreid met een aantal organische parameters en wordt de maximaal toelaatbare totaalconcentratie in de afvalstof voor de parameters octaan en minerale olie gehalveerd. Dit gebeurt derhalve ook voor de maximaal toelaatbare bodemdosering wanneer de secundaire grondstoffen aangewend worden. De specifieke voorwaarden voor het gebruik van behandeld zuiveringsslib worden aangepast overeenkomstig de opgedane ervaring. Daarnaast moet ook steeds voldaan worden aan de voorwaarden van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en aan de voorwaarden van de federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten. Ook wordt een uitzondering voorzien voor het gebruik van de secundaire grondstof in het kader van een driejarig teeltplan en voor het gebruik van composten en digestaten voor de heraanleg van de bouwvoor voor groenvoorziening, infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken. Ook voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof in of als bouwstof worden de voorwaarden aangepast aan de huidige inzichten. Er worden nog steeds voorwaarden opgelegd inzake totaalconcentratie van de verontreinigingen in de afvalstof, inzake uitloogbaarheid voor niet-vormgegeven bouwstoffen, en inzake maximale immissie in de bodem. Voor de berekening van de immissie ten gevolge van de aanwending van een afvalstof als niet-vormgegeven bouwstof wordt standaard rekening gehouden met een effectieve infiltratie van 300 mm/jaar. In deze standaardsituatie ligt de niet-vormgegeven bouwstof zonder enige afscherming voor indringend hemelwater. Dit is dus een worst-case-benadering. Voor de aanwending van bepaalde afvalstoffen als niet-vormgegeven bouwstof kan onder specifieke voorwaarden afgeweken worden van de effectieve infiltratie van 300 mm/jaar. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt beperkt tot de afvalstoffen waarvoor geen haalbare alternatieve verwerkingsmogelijkheid bestaat. Het gebruik als secundaire grondstof moet dan wel afgeschermd worden, bij voorbeeld door een ondoordringbare afwerkingslaag zoals een slijtlaag. Indien afvalstoffen aangewend worden als secundaire grondstof als bodem wordt de koppeling gemaakt met de definities en voorwaarden die opgelegd worden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem, zoals opgenomen in het VLAREBO in uitvoering van het bodemsaneringsdecreet. Dit is logisch om nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen en om geen verschillende normering te hebben. Dit betekent ook dat uitgegraven bodem die aan deze voorwaarden voldoet, niet als een afvalstof beschouwd wordt. Door de goedkeuring van deze wijziging van het VLAREA in samenhang met de recente wijziging van het VLAREBO moet een definitief einde gemaakt worden aan de discussies over het onderscheid tussen afval en bodem. Uiteraard is de administratieve opvolging gescheiden : voor het gebruik van bij voorbeeld baggerspecie als bodem is een gebruikscertificaat aan te vragen maar dient niet te worden voorzien in de opvolging via een bodembeheerrapport of een technisch verslag. Voor bagger- en ruimingsspecie wordt een bijzondere regeling vastgelegd om te bepalen wanneer bagger- en ruimingsspecie kan worden uitgespreid in de 5 meterstrook op de oever of in een oeverzone met als doel een eenduidige werkwijze vast te leggen. Hier is een afstemming voorzien met de (deel)bekkenbeheersplannen. Er dient door de minister van Leefmilieu een Algemene Code van Goede Praktijk te worden opgemaakt die via een Omzendbrief wordt verspreid. Elke waterloopbeheerder en de OVAM dienen te bekijken of deze Algemene Code verder moet worden verfijnd in functie van de specifieke omstandigheden in bepaalde gebieden. Na overleg beslist de OVAM over de goedkeuring van de verfijnde code. Voor sommige afvalstoffen is nog steeds een gebruikscertificaat verplicht indien men ze wil gebruiken als secundaire grondstof. De procedure voor het bekomen van dit certificaat wordt niet gewijzigd. De analyses dienen te gebeuren op de afvalstof vooraleer deze wordt toegepast. Jaarlijks is er een nieuwe analyse noodzakelijk voor te leggen aan de OVAM maar de OVAM kan bepalen dat geen nieuwe analyses nodig zijn of voor een aantal parameters er geen nieuwe analyses nodig zijn als op basis van andere informatie blijkt dat er zich geen problemen voordoen. De OVAM kan ook bepalen dat voor het verkrijgen/verlengen van een certificaat bepaalde parameters niet dienen te worden onderzocht als op basis van andere informatie zou blijken dat die parameters helemaal geen problemen kunnen opleveren voor het respecteren van de betrokken normen. Voor grote waterinfrastructuurwerken is de mogelijkheid voorzien dat er, zoals in het VLAREBO, een kadastrale werkzone kan worden afgebakend waarbinnen dan dezelfde bepalingen gelden als deze die zijn voorzien in het VLAREBO voor grondverzet binnen de kadastrale werkzone. Uit een studie moet dan blijken dat er geen extra betekenisvol risico bij blootstelling is en er geen betekenisvolle verontreiniging is naar oppervlakte- en grondwater. Als groot waterbouwkundig werk worden waterbouwkundige werken bedoeld waarbij bagger- of ruimingsspecie vrijkomt in een hoeveelheid groter dan 4.000 m; en dat voldoet aan een of meer van de volgende omschrijvingen : - nieuwe waterinfrastructuur die gerealiseerd wordt buiten het gabariet van de bestaande waterwegen, zoals onder andere de aanleg van nieuwe dokken, sluizen, toegangsgeulen, kanalen en afwateringssystemen; - het verbreden en/of verdiepen van bestaande waterwegen; - de realisatie van nieuwe waterinfrastructuur langsheen de waterwegen zoals onder andere kaaimuren, aanlegplaatsen, waterkeringen. Als uit een studie zou blijken dat de specie door zijn fysische kwaliteiten geschikt is om te worden gebruikt als delfstof, is het aangewezen dat tegelijkertijd een aanvraag zou worden ingediend tot het verkrijgen van een « certificaat van herkomst », cf. de reglementering op de delfstoffen. De normeringen voor gebruik van bagger- en ruimingsspecie (artikel 4.2.3.1) gaan pas in nadat LIN gedurende 6 maanden een testfase heeft doorlopen. Indien blijkt dat een aantal normen voor al te grote problemen zorgt, moeten deze opnieuw geëvalueerd worden en kan

voering ervan worden uitgesteld. Het procédé Hydrostab geeft vorm aan een afvalstof die nuttig kan toegepast worden. Gezien het een resultaat is van een bewuste menging kan het echter niet opgenomen worden in de lijst van secundaire grondstoffen. Indien de verschillende onderdelen van dit mengsel voldoen aan een aantal voorwaarden is het van belang dat het gebruik van het mengsel vrijgesteld wordt van de afvalheffing. Dit betekent dat het verwerkte slib een slechtere kwaliteit moet hebben dan deze die voldoet aan de VLAREA-criteria voor het gebruik als bodemverbeterend middel en dat de verwerkte zanden of gronden en de verwerkte assen op basis van BBT niet meer kunnen worden gereinigd en hergebruikt als secundaire grondstof. Er moet door de Vlaamse overheid over gewaakt worden dat het gebruik van dit procédé geen negatief effect heeft op

Vlaanderen aanwezige reinigingsinstallaties voor verontreinigde gronden en de behandelingsinstallaties voor verbrandingsassen. HOOFDSTUK 5 In dit hoofdstuk worden de regels vastgelegd die gelden voor

zameling, het vervoer en de verwerking van afvalstoffen, onder meer de erkenning van de overbrengers, de registratie van de vervoerders, de voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen, de afvalstoffen die selectief moeten ingezameld worden, de stort- en verbrandingsverboden en de specifieke regels die gelden voor een aantal bijzondere afvalstoffen. Het begrip "ophaler" wordt vervangen door "overbrenger" omdat dit nauwer aansluit bij wat met het begrip bedoeld wordt. Nieuw is dat nu ook voor de overbrenging van niet-gevaarlijke afvalstoffen een formele erkenning vereist is, waar dit tot op heden beperkt was tot de gevaarlijke afvalstoffen. Het in te dienen dossier voor het bekomen van een erkenning voor niet-gevaarlijke afvalstoffen is wel eenvoudiger dan deze voor gevaarlijke afvalstoffen. Voor niet-gevaarlijke afvalstoffen was de ophaler vroeger van rechtswege erkend. Er zijn wel enkele uitzonderingen voorzien, onder meer voor de gemeenten en intercommunales, voor de particulier en kleine zelfstandige die zijn afvalstoffen zelf naar een inzamelpunt voor afvalstoffen brengt. Deze zijn nog steeds van rechtswege erkend. Ook voor het overbrengen van afvalstoffen die ontstaan bij gewone onderhoudsdiensten, naar het eigen bedrijf of naar een verwerkingsinrichting geldt deze uitzondering. Hiermee worden de kleine onderhoudswerken of beperkte renovatiewerken bedoeld zoals het herstellen van een gebouw, schilderwerken, loodgieterijwerken, tuinonderhoud en dergelijke, maar niet bij voorbeeld het aanleggen van een weg of de volledige renovatie van gebouwen. Deze uitzondering kan verantwoord worden omdat ernaar gestreefd wordt om de administratieve en technische lasten voor de betrokken categorieën te verlichten en bovendien door het feit dat het hier gaat om transporten waarbij het risico op milieuhinder heel gering is. Indien nodig zal OVAM dit verder verfijnen in een afspraak te maken met de betrokken beroepsfederaties. Voor het vervoer van afvalstoffen, het laden van een schip met een kraan wordt hier niet bedoeld, moet steeds een opdrachtgever aangeduid worden. Dit kan een erkend overbrenger zijn, maar ook de producent of een kennisgever zoals bedoeld in de wetgeving inzake in- en uitvoer van afvalstoffen. Voor gevaarlijke afvalstoffen en KGA moet de opdrachtgever in het bezit zijn van een verzekeringscontract dat de schade dekt die zou ontstaan tijdens het vervoer van de afvalstoffen. De hoogte van de dekking per schadegeval bedraagt minimaal 5 miljoen euro indien de afvalstoffen onder de ADR-reglementering vallen en 2,5 miljoen euro in de ander gevallen. In de huidige regelgeving is dit maximaal 2,5 miljoen euro. De hoogte van de dekking wordt in de erkenning bepaald. Ieder transport van afvalstoffen moet vergezeld worden van een identificatieformulier, behalve voor huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die in één ophaalronde worden ingezameld (dus de klassieke « melkrondes » die te onderscheiden zijn van aparte ophalingen bij grotere bedrijven), en in dezelfde gevallen zoals voorzien bij de van rechtswege erkenning voor de ophaling van afvalstoffen (zie hoger). Dit formulier moet door de opdrachtgever ingevuld, ondertekend en gedateerd worden voor het vervoer aanvangt en bij aankomst ook door de bestemmeling. Voor gevaarlijk afval moet ook de producent voor het transport het formulier ondertekenen.

gevulde en ondertekende formulieren moeten tien jaar door de opdrachtgever bijgehouden worden. De categorieën afvalstoffen die selectief moeten aangeboden worden, worden sterk uitgebreid, zowel voor huishoudelijke als voor bedrijfsafvalstoffen. Dit heeft tot doel het recyclagebeleid verder te ondersteunen. Gemeenten moeten voor de aangeduide categorieën een selectieve inzameling aanbieden, hetzij huis aan huis, hetzij via het containerpark. Ook bedrijven moeten hun afvalstoffen aan de bron scheiden en selectief laten ophalen. Dit artikel heeft vooral een belangrijke signaalfunctie. Het is niet de bedoeling om voor iedere overtreding op dit artikel die vastgesteld wordt, een proces-verbaal op te stellen. Alleen waar manifeste onwil wordt vastgesteld, moet opgetreden worden. De stort- en verbrandingsverboden blijven gehandhaafd, maar worden wel anders geformuleerd. Het afvalbeleid heeft als doel om afvalstoffen te verwerken op een wijze die zo hoog mogelijk op de ladder van Lansink staat. Brandbare afvalstoffen moeten verbrand worden met energierecuperatie, indien ze niet gerecupereerd kunnen worden, i.p.v. gestort. Vermits er in de eerstvolgende jaren nog onvoldoende verbrandingscapaciteit in Vlaanderen beschikbaar zal zijn, wordt het systeem van de afwijkingen behouden. De toegestane afwijkingen zullen echter jaarlijks beperkt worden. Uitgangspunt is dat er geen afwijkingen meer zullen verleend moeten worden zodra alle op heden geplande initiatieven inzake alternatieve verwerking zullen gerealiseerd zijn. De bestaande bepalingen voor de bijzondere afvalstoffen worden grotendeels hernomen. Hieronder wordt alleen een overzicht gegeven van de wijzigingen en van de nieuwe verplichtingen die ingevoerd worden. Voor KGA wordt aan de gemeenten de mogelijkheid geboden om KGA van bedrijven dat in aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong ook in te zamelen via het bestaande circuit, op voorwaarde dat dit tegen kostprijs gebeurt. Verder wordt ook ingevoerd dat de plicht voor de gemeenten om gratis het KGA in te zamelen niet geldt voor het KGA dat onder een aanvaardingsplicht valt. Indien het beheersorganisme toch op het gemeentelijke inzamelsysteem beroep wenst te doen, moeten de kosten hiervoor vergoed worden. Ook hier geldt dat de gemeenten alleen de specifieke kosten voor

zameling en eventueel verwerking kunnen inbrengen, en dit niet als een bijkomende inkomstenbron mogen beschouwen. In geval van betwisting tussen de gemeenten en het beheersorganisme zal de OVAM als bemiddelaar optreden en indien nodig de nodige beslissingen nemen. Gelet op de ervaring wordt tevens ingevoerd dat geen enkele KGA-stroom nog mag verwerkt worden op een wijze waardoor hij mogelijk in de voedselketen van mens of dier zou kunnen belanden. Voor afgedankte voertuigen wordt de regelgeving in overeenstemming gebracht met de Europese richtlijn. Dit omvat geen belangrijke wijzigingen vermits de bestaande Vlaamse regelgeving in belangrijke mate in de richtlijn werd overgenomen. Er wordt wel bijkomend opgelegd dat de doelstellingen inzake hergebruik, recyclage en nuttige toepassing die in het kader van de aanvaardingsplicht voor afgedankte voertuigen opgelegd worden, door ieder erkend centrum afzonderlijk moeten behaald worden. De bepalingen inzake PCB's worden in het VLAREA opgenomen i.p.v. in de VLAREM-reglementering omdat dit voornamelijk betrekking heeft op afvalbeheer en dus meer op zijn plaats is in het VLAREA. Nieuw zijn de bepalingen met betrekking tot de financiering van

zameling en verwerking van luiers door de producenten en invoerders. Deze afvalstroom krijgt immers een steeds belangrijker aandeel in de restfractie. De bedoeling is om op termijn de kosten die aan

zameling en verwerking verbonden zijn, mee te integreren in de kostprijs van het product, zodat er een positieve impuls gegeven wordt aan de herbruikbare luiers. In opdracht van de OVAM loopt op dit ogenblik ook een proefproject om dit in de toekomst verder te onderbouwen en uit te werken. Ook de zwerfvuilproblematiek wordt aangepakt. Dit gebeurt door

voering van de bepalingen voor de producenten en invoerders van verpakte verbruiksgoederen, aan te duiden door de OVAM, die vaak in het zwerfvuil terug te vinden zijn. Bedoeling is dat de producenten en invoerders hun verantwoordelijkheid ter zake opnemen. Dit wordt gekoppeld aan een protocol dat zal worden afgesloten tussen de minister van Leefmilieu en verschillende instanties, waaronder bedrijfsfederaties, om deze problematiek gezamenlijk aan te pakken. Als er via dit protocol geen merkbare resultaten worden geboekt inzake de aanwezigheid van verpakkingen in het zwerfvuil, zal

voering van financieel-economische instrumenten onderzocht worden. De bepalingen voor de afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, die in het VLAREA en in titel II van het VLAREM worden ingeschreven, zijn een omzetting van de Europese wetgeving ter zake. Wat betreft de bepalingen inzake in- en uitvoer worden de afvalstoffenlijsten niet langer opgenomen als bijlage bij het VLAREA. Deze lijsten zijn immers ook opgenomen in de Europese verordening en als dusdanig onmiddellijk rechtsgeldig in de Europese lidstaten. Een wijziging van deze bijlagen, hoe klein ook, zou dan telkens een wijziging van het VLAREA tot gevolg hebben, wat op zich niet noodzakelijk is vermits het een verordening betreft. HOOFDSTUK 6 In hoofdstuk 6 worden de verplichtingen inzake registratie en rapportage van afvalstoffengegevens vastgelegd. Met het oog op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk zal door de OVAM een aggregatie van de afvalstoffenlijst opgesteld worden, goed te keuren door de minister. Deze aggregatielijst zal een minder gedetailleerde opsomming van afvalcategorieën bevatten. Hierdoor zal het voor de betrokken actoren gemakkelijker zijn om aan de bepalingen van dit hoofdstuk te voldoen. De verplichting tot het bijhouden van een afvalstoffenregister wordt opgelegd aan de producenten, de overbrengers en de verwerkers van afvalstoffen. Ook de gemeenten en intercommunales moeten een register bijhouden van de zelf of in hun opdracht ingezamelde afvalstoffen. Omdat vastgesteld wordt dat tot op heden toch niet alle producenten van afvalstoffen aan de meldingsplicht voor de door hen geproduceerde afvalstoffen voldoen, zal door de OVAM jaarlijks op basis van statistische criteria een lijst opgesteld worden van de bedrijven die aan de meldingsplicht moeten voldoen. Met de gegevens die op deze wijze ingezameld worden, is het mogelijk om door het toepassen van statistische methoden een voldoende betrouwbaar beeld te krijgen van de hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen die jaarlijks in het Vlaamse gewest geproduceerd worden en op welke wijze ze verwerkt worden. Ook aan de gemeentelijke overheden wordt de verplichting opgelegd om jaarlijks een rapport aan de OVAM te bezorgen over de door hen of in hun opdracht ingezamelde afvalstoffen. Dit gebeurt nu ook reeds op basis van een enquête die door de OVAM bij de gemeenten en intercommunales opgevraagd wordt.

voering van een wettelijke verplichting geeft aan de OVAM de mogelijkheid om meer druk te zetten op de gemeenten om hieraan mee te werken. Nieuw is dat ook de overbrengers en

voerders van afvalstoffen verplicht worden en jaarrapport in te dienen bij de OVAM. Dit zal het mogelijk maken om een volledig beeld te krijgen van de afvalstromen in het Vlaamse gewest. HOOFDSTUK 7 Om de samenstelling van afvalstoffen te bepalen en te onderzoeken of aan de wettelijke bepalingen van bij voorbeeld het VLAREA en Titel II van het VLAREM voldaan is, moeten de analyses op dit ogenblik reeds door een erkend laboratorium uitgevoerd worden. Wel worden de parameterpakketten waarvoor een erkenning kan bekomen worden, aangepast aan de huidige noodwendigheden. Bij de beoordeling van

gediende aanvragen wordt de OVAM ondersteund door de VITO. De VITO zal de OVAM bijstaan door de monsters voor te bereiden die door de laboratoria die een erkenning wensen te bekomen, moeten geanalyseerd worden in het kader van hun aanvraag, door de laboratoria te bezoeken en over

gediende analyseresultaten een beoordelingsverslag op te stellen. Op basis van dit verslag wordt dan door de leidend ambtenaar van de OVAM al of niet een erkenning verleend. De erkende laboratoria moeten verplicht deelnemen aan de door de OVAM georganiseerde controlerondes. Dit is noodzakelijk om de kwaliteit van de uitgevoerde analyses te garanderen. HOOFDSTUK 8 Hoofdstuk 8 bevestigt de bepalingen die nu reeds van toepassing zijn inzake

ning van de milieuheffingen. Om rechter-partij-situaties te vermijden zal de OVAM echter geen deel meer uitmaken van de commissie die de minister adviseert inzake beroepen die ingediend worden tegen de navorderingen of ambtelijke aanslagen die door de OVAM opgesteld worden. De OVAM kan wel nog gehoord worden door de commissie. HOOFDSTUK 9 In het huidige VLAREA zijn alleen de aangeduide ambtenaren van de OVAM en van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL aangeduid als toezichthoudende ambtenaren op de bepalingen van het afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Dit wordt uitgebreid met de aangeduide ambtenaren van andere Vlaamse administraties binnen het kader van de hen toegewezen bevoegdheden. HOOFDSTUK 10 Het laatste hoofdstuk behandelt de overgangs-, de wijzigings- en de opheffingsbepalingen. De bestaande milieubeleidsovereenkomsten moeten binnen het jaar aangepast worden aan de wettelijke bepalingen die in het nieuwe VLAREA vastgelegd worden. Hierover zal de OVAM met de betrokken organisaties onderhandelen. De huidige erkende ophalers van afvalstoffen worden automatisch erkend als overbrenger van afvalstoffen voor die afvalstoffen waarvoor ze nu reeds erkend zijn. Zij moeten wel voldoen aan de nieuwe voorwaarden overeenkomstig dit besluit. De nieuwe stort- en verbrandingsverboden treden in werking vanaf de eerste dag van de zevende maand na publicatie van dit besluit, zodat de betrokkenen voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden. De bestaande erkenningen als laboratorium blijven behouden gedurende een overgangstermijn van maximaal twee jaar. De nieuwe voorwaarden moeten wel onmiddellijk vervuld worden. In Titel II van het VLAREM worden eveneens de noodzakelijke wijzigingen ingevoerd om tegenstrijdige bepalingen in verschillende wetgevingen te vermijden. Het huidige VLAREA wordt logischerwijze opgeheven, evenals enkele andere besluiten of onderdelen ervan die bijkomend in het nieuwe VLAREA geïntegreerd worden. De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, L. SANNEN 5 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 28 juni 1985, 22 oktober 1986, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 20 april 1994, 21 december 1994, 19 april 1995, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997, 7 juli 1998, 19 december 1998, 6 juli 2001,13 juli 2001,21 december 2001, 5 juli 2002 en 20 december 2002; Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994, 8 juli 1996, 21 oktober 1997, 11 mei 1999, 18 mei 1999, 9 maart 2001 en 21 december 2001; Gelet op artikel 48bis van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ingevoegd bij het decreet van 26 mei 1998; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 1990 houdende nadere regelen betreffende de milieuheffingen op vaste afvalstoffen zoals gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 17 december 1997 en 17 november 2000; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 en de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995, 26 juni 1996, 22 oktober 1996, 12 januari 1999, 15 juni 1999, 29 september 2000, 20 april 2001, 13 juli 2001, 5 oktober 2001 en 31 mei 2002; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994 betreffende de aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan, wat inzonderheid de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun respectieve aanhorigheden betreft; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 september 1994 houdende aanwijzing van de categorieën van ambtenaren van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, belast met het toezicht op de naleving van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan, inzonderheid wat de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en de natuurreservaten betreft; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997, 17 december 1997, 24 maart 1998, 6 oktober 1998, 19 januari 1999, 15 juni 1999, 3 maart 2000, 17 maart 2000, 17 juli 2000, 19 januari 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 18 januari 2002, 25 januari 2002 en 31 mei 2002; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 19 december 1998, 9 februari 1999,12 oktober 2001, 7 december 2001, 12 oktober 2001,14 juni 2002 en 17 januari 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 24/01/1998 numac 1998035057 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993, wat de toegang tot de functie van leidend ambtenaar betreft type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 20/02/1998 numac 1998035195 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 17 december 1997 houdende subsidiëring van provinciebesturen inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 25/12/1997 numac 1997036535 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de heffingscoëfficiënt inzake de grindwinning voor 1998 type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 10/02/1998 numac 1998035068 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de zendtijd voor het kalenderjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke en politieke verenigingen erkend om televisieprogramma's te verzorgen type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 29/01/1998 numac 1998035092 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse regering d.d. 3 mei 1995 betreffende de centra voor menselijke erfelijkheid type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 25/12/1997 numac 1997036536 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de sociale huisvestingsmaatschappijen type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 10/02/1998 numac 1998035069 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de zendtijd voor het kalenderjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke, de politieke en de sociaal-economische verenigingen erkend om radioprogramma's te verzorgen type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 10/02/1998 numac 1998035070 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de subsidie voor het begrotingsjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke, de politieke en de sociaal-economische verenigingen erkend om radioprogramma's te verzorgen sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 9 februari 1999, 22 december 1999, 28 april 2000, 9 februari 2001, 1 februari 2002, 22 februari 2002 en 14 maart 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/03/2000 pub. 17/05/2000 numac 2000035462 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's sluiten houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's; Overwegende dat de volgende Europese richtlijnen en beschikkingen geheel of gedeeltelijk worden omgezet in dit besluit : - de Richtlijn 75/439/EEG inzake de verwijdering van afgewerkte olie, gewijzigd bij de Richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986, de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000; - de Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, gewijzigd bij de Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991, de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996; - de Richtlijn 86/278/EEG betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw, gewijzigd bij de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Verordening 807/2003/EG van de Raad van 14 april 2003; - de Richtlijn 91/157/EEG inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten, gewijzigd bij de Richtlijn 98/101/EG van de Commissie van 22 december 1998; - de Richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen, gewijzigd bij de Richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994; - de Richtlijn 96/59/EG betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen; - de Richtlijn 2000/53/EG betreffende autowrakken, gewijzigd bij de Beschikking 2002/525/EG van de Commissie van 27 juni 2002; - de Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen, gewijzigd bij de Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002; - de Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; - de Beschikking 2000/532/EG tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen, gewijzigd bij de Beschikking 2001/118/EG van de Commissie van 16 januari 2001, de Beschikking 2001/119/EG van de Commissie van 22 januari 2001 en de Beschikking 2001/573/EG van de Raad van 23 juli 2001; Gelet op het overleg met de bevoegde federale overheid, gevoerd op 23 september 2002, 30 september 2002, 24 februari 2003, 3 maart 2003 en 24 maart 2003; Gelet op het advies van

spectie van Financiën van 4 juni 2002; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 29 november 2002; Gelet op advies 35.781/3 van de Raad van State, gegeven op 17 september 2003, met toepassing van artikel 84, § 1 eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Definities Artikel 1.1.

  1. §
  2. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 2 juli 1981, betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zijn van toepassing op dit besluit. §
  3. Voor de toepassing van dit besluit gelden ook de hierna opgenomen begrippen en definities. 1° Afvalstoffendecreet : het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;2° Milieuvergunningsdecreet : het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;3° titel I van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;4° titel II van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;5° Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor het leefmilieu;6° OVAM : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;7° Vlarebo : het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de bodemsanering; 8 EURAL : Europese Afvalstoffenlijst; 9° producent : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten produceert of laat produceren en op de markt brengt of laat brengen in het Vlaamse Gewest;10° invoerder : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan de producent, die in het Vlaamse Gewest producten invoert voor eigen verbruik of om op de markt te brengen;11° tussenhandelaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten verdeelt aan een of meerdere eindverkopers in het Vlaamse Gewest;12° eindverkoper : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest producten te koop aanbiedt aan de consument;13° landbouwfolie : kunststoffolie die wordt gebruikt in het kader van een land-, tuinbouw- of veeteeltactiviteit, met uitzondering van verpakkingen in de zin van het decreet van 16 januari 1997 houdende het samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafvalstoffen;14° fotochemicaliën : ontwikkelvloeistof, plaatontwikkelaar, activatoroplossing, fixeer-, bleek- en bleekfixeervloeistof, en regeneratievloeistof;15° dierlijke en plantaardige vetten en oliën : alle eetbare dierlijke en/of plantaardige oliën en vetten en hun mengsel geschikt om aangewend te worden bij het frituren van voedingsmiddelen (zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 22 januari 1988Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/01/1988 pub. 25/11/2016 numac 2016018355 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende het gebruik van eetbare oliën en voedingsvetten bij het frituren van voedingsmiddelen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende het gebruik van eetbare oliën en voedingsvetten, bij het frituren van voedingsmiddelen) door huishoudens of professionele gebruikers (met deze laatsten wordt bedoeld horeca, frituren, grootkeukens, ziekenhuizen, kantines, catering en soortgelijke installaties die in het kader van hun professionele activiteiten oliën en vetten gebruiken voor het frituren van voedingsmiddelen);16° vloerbedekking : tapijt, vinyl vloerbekleding, linoleum, parket en laminaat;17° drukwerk : dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften, periodieken, gratis regionale pers, gratis publicaties, telefoongidsen, faxgidsen, reclamedrukwerk en ander drukwerk, verdeeld in het Vlaamse Gewest;18° reclamedrukwerk : al het drukwerk dat minder dan vijfmaal per week verschijnt en waarin minder dan 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen van algemene informatie;19° gratis regionale pers : alle drukwerk met vast verschijningsritme dat men gratis krijgt, met uitsluiting van het drukwerk dat uitgaat van een adverteerder of een daartoe opgerichte groep van adverteerders, waarin op jaarbasis minimaal 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen van algemene informatie;20° gratis publicaties : elk drukwerk dat men gratis krijgt en dat geen reclamedrukwerk of gratis regionale pers is;21° producent van drukwerk : de uitgever die drukwerk in verbruik brengt in het Vlaamse Gewest;de uitgever is de persoon die het drukwerk laat aanmaken en verantwoordelijk is voor de vorm en

houd; 22° invoerder van drukwerk : de persoon die voor rekening van een buitenlandse uitgever drukwerk in verbruik brengt in het Vlaamse Gewest;23° recyclingvoet : het percentage van het gewicht aan gerecycleerd drukwerk ten opzichte van het totale gewicht aan drukwerk dat tijdens het voorgaande kalenderjaar door welke producent of invoerder van drukwerk ook in verbruik werd gebracht in het Vlaamse Gewest;24° houtafval : houtafval afkomstig van constructiewerken, bouwmaterialen, meubilair en grote speeltuigen; 25° voertuig : voertuigen die onder de categorie M1 of N1 vallen, omschreven in bijlage II.A van de richtlijn 70/156/EEG van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, alsmede driewielige motorvoertuigen als omschreven in de richtlijn 92/61/EEG van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen, met uitzondering van driewielers, ongeacht hoe het voertuig tijdens het gebruik werd onderhouden of gerepareerd en ongeacht of het werd uitgerust met door de producent geleverde onderdelen dan wel met andere onderdelen die als vervangings- of inbouwonderdeel in overeenstemming met de relevante gemeenschapsbepalingen of interne bepalingen werden aangebracht; 26° motorrijwiel : ieder voertuig op twee wielen, al dan niet met zijspan, voorzien van een motor, bestemd om aan het wegverkeer deel te nemen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 50 km per uur;27° band : een band van personenwagens, caravans, aanhangwagens, autobussen, lastwagens voor het vervoer van goederen, motorrijwielen, alsook van landbouwtractoren, landbouwmachines en toestellen voor industrieel gebruik en openbare werken; 28° elektrische en elektronische apparatuur : apparaten die elektrische stromen of elektronische velden nodig hebben om naar behoren te kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, die onder een van

artikel 3.5.1 genoemde categorieën vallen en bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 volt bij wisselstroom en 1500 volt bij gelijkstroom; eveneens zijn begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt. Worden niet bedoeld : apparaten die deel zijn van een andere apparatuur die niet als elektrische of elektronische apparatuur wordt gedefinieerd, en apparatuur die verband houdt met de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, tenzij het gaat om producten die niet voor specifiek militaire doeleinden zijn bestemd; 29° elektrische en elektronische medische hulpmiddelen : elektrische en elektronische apparaten, meer bepaald :

  1. a)medische hulpmiddelen zoals bepaald in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 18 maart 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/03/1999 pub. 14/04/1999 numac 1999022270 bron ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de medische hulpmiddelen sluiten betreffende de medische hulpmiddelen;
  2. b)medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek zoals bepaald in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 14 november 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2001 pub. 12/12/2001 numac 2001022774 bron ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitro diagnostiek sluiten betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek;
  3. c)elektromedische systemen met inbegrip van het elektronisch CICT-materiaal dat er integraal deel van uitmaakt;30° elektromedisch systeem : combinatie van ofwel meerdere elektromedische uitrustingen, ofwel van een elektromedische uitrusting en een niet-(elektro)medische uitrusting, met een gespecificeerde functie en verbonden door een koppeling en/of een verplaatsbare sokkel met meervoudig stopcontact;31° kringloopcentrum : een door de OVAM erkende rechtspersoon die over een inzamelingsdienst, sortering en verkoopsruimte beschikt en die in een afgebakend verzorgingsgebied afgedankte elektrische en elektronische apparatuur inzamelt, opslaat, sorteert, herstelt en verkoopt met producthergebruik als doel; 32° percentage van hergebruik en recycling : het percentage van het gewicht aan afvalstoffen, onderverdeeld per materiaalsoort zoals bedoeld in artikel 3.5.3, die tot grondstof gerecycleerd worden, vermeerderd met de apparatuur, onderverdeeld per materiaalsoort, die wordt hergebruikt, ten opzichte van het totale gewicht van de overeenkomstige materiaalsoort van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die werd ingezameld; 33° batterij : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meerdere primaire (niet-oplaadbare) cellen of secundaire (oplaadbare) cellen;34° loodstartbatterij : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit loodplaten in een elektrolytoplossing, bestemd voor het starten van een verbrandingsmotor;35° inzamelpercentage : het gewichtspercentage van afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die werden ingezameld ten opzichte van het totale gewicht van afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die gedurende eenzelfde periode zijn ontstaan; 36 recyclingpercentage : het gewichtspercentage van de afvalstoffen die werkelijk tot grondstof of product gerecycleerd worden, ten opzichte van het totale gewicht van de afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die werden ingezameld; 37° olie : alle soorten smeerolie of industriële olie, op minerale of synthetische basis, in het bijzonder olie voor verbrandingsmotoren, transmissiesystemen, alsmede olie voor machines, turbines, warmteoverdracht en hydraulische systemen met uitzondering van PCB-oliën;38° regeneratie van afgewerkte olie : elk procédé dat door middel van zuivering van afgewerkte olie, met name door afscheiding van verontreiniging, oxidatieproducten en additieven, basisolie oplevert;39° oude en vervallen geneesmiddelen : restanten van geneesmiddelen zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/03/1964 pub. 11/12/2017 numac 2017031760 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet op de geneesmiddelen - Bekendmaking overeenkomstig artikel 13bis, § 2quinquies, laatste lid, van de geïndexeerde bedragen van de heffingen en retributies type wet prom. 25/03/1964 pub. 21/06/2011 numac 2011000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de geneesmiddelen sluiten op de geneesmiddelen, met uitzondering van artikel 1bis van deze wet, die farmaceutische specialiteiten zijn, en die aan een particulier werden verstrekt en waarvan hij zich ontdoet, wil ontdoen of moet ontdoen;40° farmaceutische specialiteit : elk vooraf bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht; 41° lijst : de lijst, bedoeld in artikel 11 van het Afvalstoffendecreet, zoals opgenomen in bijlage 4.1 bij dit besluit; 42° gebruikscertificaat : het door de OVAM verleende certificaat dat het gebruik van de afvalstof als secundaire grondstof toelaat;43° werk : waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk of bouwkundig grondwerk die duidelijk te onderscheiden zijn van de bodem;44° baggerspecie : bodemmateriaal afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van bevaarbare waterlopen behorende tot het openbare hydrografische net en/of aanleg van nieuwe waterinfrastructuur, met inbegrip van kanalen, havens en dokken;45° ruimingsspecie : bodemmateriaal afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van de bodem van oppervlaktewateren zoals gedefinieerd in titel II van het Vlarem en voor zover het geen bevaarbare waterlopen of terrestrische bodems betreft;46° bodem : de bodem zoals gedefinieerd in het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering;47° bouwstof : stof, bestemd om in een werk te worden gebruikt;48° vormgegeven bouwstof (V-bouwstof) : bouwstof die aan de volgende criteria voldoet :
  4. a)een lichaam dat minstens een kubus van 40 mm zijde kan omvatten of bij andere productgeometrie een vergelijkbare oppervlakte bezit;
  5. b)een druksterkte van minstens 9 N/mm2, bepaald volgens de proefmethode uit de NBN-reeksen aangepast aan het eindproduct;
  6. c)een oppervlaktegerelateerde afgifte zoals bepaald volgens de diffusieproef, methode CMA 2/II/A.9.2 en 9.3, opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse; 49° niet-vormgegeven bouwstof (NV-bouwstof) : bouwstof die niet aan alle criteria van een V-bouwstof voldoet;50° meststof of bodemverbeterend middel : elke stof waaraan een specifieke werking ter bevordering van de plantaardige productie wordt toegeschreven zoals bedoeld in de federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen en bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten;51° zuiveringsslib :
  7. a)slib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater;
  8. b)slib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor bedrijfsafvalwater; 52° behandeld zuiveringsslib : zuiveringsslib dat biologisch, chemisch of thermisch behandeld is door langdurige opslag of volgens enig ander geschikt procédé, om de vergistbaarheid en de hygiënische bezwaren tegen het gebruik ervan aanzienlijk te verminderen, zoals nader bepaald in bijlage 4.2.1.C bij dit besluit; 53° puin : steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval;54° brokken puin : recycleerbare brokken afkomstig van afgebroken, al dan niet gewapende betonmassieven, of van herwonnen steen of herwonnen bewerkte breuksteen, of van afgebroken baksteenmassieven;55° puingranulaat : gebroken betonpuin, afkomstig van het breken van betonpuin van cementbetonverhardingen, schraalbetonfundering, linieaire elementen, gebouwen en kunstwerken, niet-teerhoudend gebroken asfaltpuin, afkomstig van de opbraak en/of het affrezen van asfaltverhardingen die niet-teerhoudend zijn, gebroken mengpuin, afkomstig van het breken van metselwek en betonpuin van gebouwen en kunstwerken, en gebroken metselwerkpuin, afkomstig van het breken van metselwerkpuin van gebouwen en kunstwerken;56° puinzeefzand : zandig materiaal afkomstig van inrichtingen voor het sorteren van bouw- en sloopafval, dat verkregen wordt bij het afzeven van puin, voorafgaand aan het breken van dit puin tot gebroken betonpuin, gebroken mengpuin of gebroken metselwerkpuin en dat niet teerhoudend is;57° puinbreekzand : zandig materiaal afkomstig van inrichtingen voor het breken en zeven van gebroken betonpuin, niet-teerhoudend gebroken asfaltpuin, gebroken mengpuin en gebroken metselwerkpuin;58° sorteerzeefpuin : niet-teerhoudend puin afkomstig van inrichtingen voor het sorteren van bouw- en sloopafval;59° niet-teerhoudend freesasfalt : asfaltpuin afkomstig van het affrezen van niet-teerhoudende asfaltverhardingen;60° teerhoudend asfalt : puingranulaat, freesasfalt, puinzeefzand, puinbreekzand en/of sorteerzeefpuin dat teer bevat.Asfalt is teerhoudend bij overschrijding van de norm voor één PAK, zoals bepaald in bijlage 4.2.2.A; 61° vervoer van afvalstoffen : afvalstoffen van de ene plaats naar de andere brengen over de openbare weg, spoorweg, waterweg of via luchtvaart;62° overbrenger van afvalstoffen : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig afvalstoffen inzamelt of ophaalt en ze vervoert en de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig handelaar of makelaar is en regelingen voor anderen treft voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen;63° vervoerder van afvalstoffen : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht, zoals bepaald in art.5.1.1.2, § 1, beroepsmatig afvalstoffen vervoert; 64° grofvuil : afvalstoffen die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en de daarmee gelijkgestelde afvalstoffen die door de omvang, de aard en/of het gewicht niet in het recipiënt voor huisvuilophaling kunnen worden geborgen en die huis aan huis worden ingezameld en de restfractie die overblijft voor verbranden en/of storten na aanbieding op het containerpark; 65° ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen : huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen waarvan

artikel 5.2.1.1 en 5.2.2.1 vermelde afvalstoffen niet worden gesorteerd of afzonderlijk worden ingezameld; 66° biologisch afbreekbare afvalstoffen : afvalstoffen die aëroob of anaëroob kunnen worden afgebroken;67° KGA : klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong en van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong zoals bepaald in 82°;68° containerpark : een als dusdanig met toepassing van titel I van het VLAREM vergunde inrichting waar particulieren en eventueel ook bedrijven onder toezichtop vastgestelde dagen en uren bepaalde gesorteerde huishoudelijke afvalstoffen en eventueel met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen kunnen deponeren;69° medisch afval : een bijzondere afvalstof die bestaat uit alle afvalstoffen - ongeacht de aard, het voorkomen of de samenstelling - die afkomstig zijn van geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen;70° geneeskundige of diergeneeskundige behandeling : elke behandeling, met of zonder instrumenten, die erop gericht is de lichamelijke en de geestelijke gezondheid van de mens of van het dier te bevorderen of te controleren;medisch onderzoek in laboratoria en elke behandeling in mortuaria, in onderzoeksinrichtingen, in bloedtransfusiecentra en in instellingen voor forensische geneeskunde worden eveneens als een geneeskundige of diergeneeskundige behandeling beschouwd; 71° instelling voor geneeskunde : alle openbare en private ziekenhuizen met uitzondering van de psychiatrische ziekenhuizen;alle poliklinieken; alle vaste of mobiele instellingen en eenheden of inrichtingen die geneeskundige behandelingen verstrekken aan ambulante of bedlegerige patiënten; alle psychiatrische ziekenhuizen die gelegen zijn op de campus van een ziekenhuis en behoren tot dezelfde inrichtende macht; alle rust- en verzorgingstehuizen die gelegen zijn op de campus van een ziekenhuis en behoren tot dezelfde inrichtende macht en niet onder de erkenning van een rusthuis vallen; alle psychiatrische verzorgingstehuizen die gelegen zijn op de campus van een ziekenhuis en behoren tot dezelfde inrichtende macht; alle laboratoria en onderzoeksinrichtingen die, intern of extern aan een instelling verbonden, voor die instellingen en voor geneeskundige praktijken onderzoekingen verrichten; alle laboratoria van de farmaceutische nijverheid; alle mobiele of vaste bloedtransfusiecentra; alle mortuaria waar lijkverzorging wordt uitgevoerd, en instellingen voor forensische geneeskunde; 72° beoefenaar van een geneeskundig beroep : iedereen (arts, tandarts, dierenarts, verpleegkundige, enz.) die als werknemer of zelfstandige geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen verstrekt; 73° geneeskundige praktijk : elke praktijk of groepspraktijk van een arts, tandarts, dierenarts of van een andere zelfstandige beoefenaar van een geneeskundig beroep, waar geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen worden verstrekt of die de basis vormt voor de niet-georganiseerde thuisverzorging, alsmede alle organisaties voor thuisverzorging, alle dierenklinieken en alle instellingen voor verzorging als bedoeld in 75° en alle andere dan in 71° genoemde psychiatrische ziekenhuizen;74° thuisverzorging : geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen ten huize van de belanghebbende, verstrekt door de beoefenaar van een geneeskundig beroep, al dan niet in georganiseerd verband;75° instelling voor verzorging : alle andere dan 71° genoemde rust- en verzorgingstehuizen;alle rusthuizen, al dan niet met RVT-woongelegenheid, alle dagverzorgingscentra en alle andere dan 71° genoemde psychiatrische verzorgingstehuizen; 76° PCB's : polychloorbifenylen, polychloorterfenylen, monomethyltetrachloordifenylmethaan, monomethyldichloordifenylmethaan, monomethyldibroomdifenylmethaan en alle mengsels waarvan het totale gehalte aan bovengenoemde stoffen hoger is dan 0,005 gewichtsprocent;77° PCB-houdend apparaat : elk toestel dat PCB's bevat of heeft bevat ( bijvoorbeeld transformatoren, condensatoren, recipiënten die resthoeveelheden bevatten) en niet is gereinigd;tenzij redelijkerwijs het tegendeel kan worden aangenomen, worden toestellen die mogelijk PCB's bevatten als apparaten beschouwd; 78° houder van PCB's of een PCB-houdend apparaat : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die PCB's of een PCB-houdend apparaat in zijn bezit heeft;79° reiniging : het geheel van werkzaamheden waardoor een apparaat opnieuw gebruikt, gerecycleerd of onder veilige omstandigheden verwijderd kan worden;de vervanging, zijnde de werkzaamheden waarbij PCB's worden vervangen door een passende vloeistof die geen PCB's bevat, wordt eveneens als reiniging beschouwd; 80° milieudatabank : de databank met milieugegevens, zoals bedoeld in de artikelen 54 en 62 van het decreet van 12 december 1990 betreffende het bestuurlijk beleid;81° jaarrapport bedrijfsafvalstoffen : de jaarlijkse rapportering van afvalstoffengegevens uit het afvalstoffenregister zoals bedoeld in artikel 17, § 2 van het Afvalstoffendecreet met betrekking tot de geproduceerde bedrijfsafvalstoffen;82° met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen : bedrijfsafvalstoffen van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijke afvalstoffen en die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als activiteiten van de normale werking van een particuliere huishouding;83° analyse : monsternemingen, ontledingen, of metingen in situ en/of in het laboratorium die voor wettelijke of reglementaire controles en/of voor de kwaliteitsbewaking door de overheid noodzakelijk zijn;84° kwaliteitshandboek : een document dat elementen bevat van het kwaliteitsbeheer binnen een laboratorium.Het kwaliteitsbeheer omvat zowel technische als organisatorische aspecten; 85° afval van de scheepvaart : scheepsafval en ladingresiduen;86° schip : zeegaand vaartuig, ongeacht het type, dat in het mariene milieu opereert, met inbegrip van draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen en drijvende vaartuigen;87° Marpol 73/78 : het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, als gewijzigd bij het Protocol van 1978 bij dat Verdrag;88° scheepsafval : afval, met inbegrip van sanitair afval, en residuen, niet zijnde ladingresiduen, die ontstaan tijdens de bedrijfsvoering van een schip en onder het toepassingsgebied vallen van de bijlagen I, IV en V van Marpol 73/78, en ladinggebonden afval zoals omschreven in de Guidelines voor de uitvoering van bijlage V van Marpol 73/78;89° ladingresiduen : de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen;90° vissersvaartuig : schip, uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;91° pleziervaartuig : schip, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding ongeacht het type en de wijze van voortstuwing;92° haven : plaats of geografisch gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen met inbegrip van vissersvaartuigen en pleziervaartuigen;93° havenontvangstvoorziening : vaste, drijvende of mobiele voorziening die geschikt is voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen. Afdeling II. - Afvalstoffenlijst Art. 1.2.1. § 1. De afvalstoffenlijst wordt vastgesteld zoals weergegeven in bijlage 1.2.1.B bij dit besluit. § 2. Stoffen en voorwerpen die in

§ 1

genoemde afvalstoffenlijst zijn opgenomen, worden niet onder alle omstandigheden als afvalstof beschouwd, maar alleen als aan de definitie van afvalstof is voldaan, en als ze behoren tot een van de afvalstofcategorieën, opgenomen in bijlage 1.2.1.A. Afdeling III. - Handelingen voor de verwijdering van afvalstoffen Art. 1.3.1. Onder verwijderingshandelingen van afvalstoffen, in de zin van artikel 2, 6°, van het Afvalstoffendecreet, worden de volgende handelingen verstaan : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Afdeling IV. - Handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen Art. 1.4.1. Onder handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, in de zin van artikel 2, 7°, van het Afvalstoffendecreet, worden de volgende handelingen verstaan : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld HOOFDSTUK II. - Categorieën van afvalstoffen Afdeling I. - Huishoudelijke afvalstoffen Art. 2.1.1. Aansluitend op de bepalingen van het Afvalstoffendecreet wordt het straat- en veegvuil aan huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld. Afdeling II. - Bedrijfsafvalstoffen Art. 2.2.1. Aansluitend op de bepalingen van het Afvalstoffendecreet worden de volgende afvalstoffen aan bedrijfsafvalstoffen gelijkgesteld : alle afvalstoffen die geen huishoudelijke afvalstoffen zijn. Afdeling III. - Bijzondere afvalstoffen Art. 2.3.1. Overeenkomstig het artikel 3, § 5, van het Afvalstoffendecreet worden de volgende afvalstoffen bijkomend als bijzondere afvalstoffen aangewezen : 1° baggerspecie en ruimingsspecie;2° de volgende afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen of slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun aanhorigheden :

  1. a)stof dat vrije asbestvezels bevat;
  2. b)remschoenen, remschijven, remplaten, remblokken en koppelingsplaten die asbest bevatten;
  3. c)loodstart- en andere batterijen;
  4. d)vervuilde of onbruikbare solventen;
  5. e)destillatieresidu's van solventrecuperatie;resten van verf, lak en vernis; slib van spuitcabines;
  6. f)synthetische remvloeistof;
  7. g)afgewerkte olie;
  8. h)vervuilde of onbruikbare brandstoffen;
  9. i)koelvloeistoffen;
  10. j)koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  11. j)vervuilde filters van spuitcabines, spuitbussen, verpakkingen die gevaarlijke stoffen met uitzondering van olie hebben bevat of door deze stoffen werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
  12. k)oliehoudende afvalstoffen, zoals oliefilters, brandstoffilters, gebruikt absorptiemateriaal, afvalstoffen uit de olie-waterafscheider, oliehoudende schokdempers, verpakkingen die olie hebben bevat of door olie werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
  13. l)katalysatoren;
  14. m)patronen van airbags, die chemicaliën bevatten;3° papier- en kartonafvalstoffen;4° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;5° afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen; 6° klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong, zoals omschreven in artikel 1.1.1, § 2, 67° juncto 82°; 7° oude en vervallen geneesmiddelen;8° afvalbanden;9° dierlijke en plantaardige afvalvetten en Boliën;10° afvalfotochemicaliën;11° afvallandbouwfolies;12° lampen;13° houtafval;14° vloerbedekkingsafval;15° asbesthoudende afvalstoffen;16° PVC-afvalstoffen;17° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;18° afval van de scheepvaart;19° luiers;20° zwerfvuil. Afdeling IV. - Gevaarlijke afvalstoffen Art. 2.4.1. § 1. Onder gevaarlijke afvalstoffen worden de afvalstoffen verstaan die in de lijst van bijlage 1.2.1 B met een * zijn aangeduid. § 2. De afvalstoffen uit § 1 worden geacht minstens een van de onderstaande gevaarlijke eigenschappen te bezitten : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De afvalstoffen uit § 1 worden geacht, wat de eigenschappen H3 tot en met H8, H10 en H11 betreft, te voldoen aan een of meer van de volgende eigenschappen : 1° een vlampunt 2° een of meer als zeer vergiftig ingedeelde stoffen met een totale concentratie => 0,1 % (zeer vergiftigd :

deling en de R-nummers zijn opgenomen in richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake

deling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de latere wijzigingen daarop.De concentratiegrenzen zijn ontleend aan richtlijn 88/379/EEG van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake

deling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten en de latere wijzigingen); 3° een of meer als vergiftig ingedeelde stoffen met een totale concentratie => 3 %;4° een of meer als schadelijk ingedeelde stoffen met een totale concentratie => 25 %;5° een of meer als R 35 ingedeelde bijtende stoffen met een totale concentratie => 1 %;6° een of meer als R 34 ingedeelde bijtende stoffen met een totale concentratie => 5 %;7° een of meer als R 41 ingedeelde irriterende stoffen met een totale concentratie => 10 %;8° een of meer als R 36, R 37 of R 38 ingedeelde irriterende stoffen met een totale concentratie => 20 %;9° een stof waarvan bekend is dat ze kankerverwekkend is (categorie 1 of 2) met een concentratie => 0,1 %;10° een stof waarvan bekend is dat ze kankerverwekkend is (categorie 3) met een concentratie => 1 %;11° een als R 60 of R 61 ingedeelde voor de voortplanting vergiftige stof (categorie 1 of 2) met een concentratie => 0,5 %;12° een als R 62 of R 63 ingedeelde voor de voortplanting vergiftige stof (categorie 3) met een concentratie => 5 %;13° een als R 46 ingedeelde mutagene stof (categorie 1 of 2) met een concentratie => 0,1 %;14° een als R 40 ingedeelde mutagene stof (categorie 3) met een concentratie => 1 %. § 3. De testmethoden die gebruikt moeten worden voor de bepaling van

§ 2

bedoelde eigenschappen zijn opgenomen in bijlage V van de EG-richtlijn 67/584/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake

deling, de verpakking en de kenmerken van gevaarlijke stoffen, zoals herhaaldelijk gewijzigd. Art. 2.4.

  1. §
  2. De Vlaamse minister kan op verzoek van de houder beslissen dat een specifieke op de lijst als gevaarlijk aangeduide afvalstof in individuele gevallen geen van

artikel 2.4.1, § 2 vermelde eigenschappen bezit en dus geen gevaarlijke afvalstof is. §

  1. Een deklassering kan worden toegestaan voor een bepaalde afvalstof van een specifieke productieplaats en voor een specifieke productiestap binnen het productieproces. §
  2. De houder van de afvalstof dient per aangetekend schrijven een verzoek tot deklassering in op het adres van de OVAM. De aanvraag moet minstens de volgende gegevens bevatten; 1° identificatie van de houder;2° identificatie van de maatschappelijke zetel en exploitatiezetel waarop het verzoek betrekking heeft; 3° de aard van de afvalstof (code uit bijlage 1.2.1 B); 4° een kopie van de milieuvergunning voor het proces waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing;5° een gedetailleerde beschrijving van de stap uit het productieproces waarin de afvalstof ontstaat.Deze beschrijving moet zo opgesteld worden dat aangetoond wordt waarom de gevaarlijke eigenschappen van artikel 2.4.1, § 2 niet van toepassing zijn; 6° voor wat betreft de gevaarlijke eigenschappen H3 tot en met H8, H10 en H11 wordt aan de hand van analyseresultaten aangetoond dat de grenswaarden van artikel 2.4.1, § 2 niet overschreden worden; 7° voor de andere de gevaarlijke eigenschappen, genoemd in artikel 2.4.1., § 2 wordt gemotiveerd waarom ze niet aanwezig kunnen zijn in de afvalstof waarvoor het verzoek wordt ingediend. De houder van de afvalstof ondertekent en dateert het verzoek tot deklassering. Naam en functie van de ondertekenaar worden vermeld. §
  3. De Vlaamse minister doet uitspraak binnen een termijn van 3 maanden na ontvangst van de aanvraag. Voorafgaand aan deze uitspraak wint de Vlaamse minister het advies in van de OVAM. §
  4. De OVAM stuurt de beslissing op naar de houder van de afvalstof, per aangetekend schrijven, binnen een termijn van 10 kalenderdagen na de datum van de beslissing. §
  5. Elke wijziging van de administratieve gegevens van de houder van de afvalstof wordt aan de OVAM meegedeeld. Art. 2.4.
  6. §
  7. De Vlaamse minister kan in met redenen omklede uitzonderingssituaties, gemotiveerd op wetenschappelijke gronden, beslissen dat individuele afvalstoffen die op de lijst als niet-gevaarlijk zijn aangeduid, toch een of meer van

artikel 2.4.1, § 2 vermelde eigenschappen bezitten. Deze afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen. §

  1. De code van de afvalstof en de specifieke omstandigheden waarbinnen de afvalstof als gevaarlijk wordt geklasseerd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK III. - Aanvaardingsplicht Afdeling I. - Algemene bepalingen Onderafdeling I. - Afvalstoffen onderworpen aan de aanvaardingsplicht Art. 3.1.1.
  2. Voor de volgende afvalstoffen geldt een aanvaardingsplicht voor de eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent of

voerder als bedoeld in artikel 10 van het Afvalstoffendecreet : 1° drukwerkafvalstoffen;2° afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen;3° oude en vervallen geneesmiddelen;4° afgedankte voertuigen;5° afvalbanden; 6° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, a); 7° met ingang van 1 januari 2004 :

  1. a)afgewerkte olie;
  2. b)afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, b), met uitzondering van verlichtingsapparatuur; 8° met ingang van 1 juli 2004 :
  3. a)dierlijke en plantaardige afvalvetten en Boliën;
  4. b)afvalfotochemicaliën;
  5. c)afvallandbouwfolies;
  6. d)huishoudelijke en niet-huishoudelijke verlichtingsapparatuur;9° met ingang van 1 januari 2005 :
  7. a)houtafval;
  8. b)vloerbedekkingsafval;
  9. c)lampen;
  10. d)afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, c), met uitzondering van verlichtingsapparatuur. Art. 3.1.1.2. § 1. Overeenkomstig het artikel 10, § 2 van het Afvalstoffendecreet houdt de aanvaardingsplicht voor de eindverkoper in dat hij, wanneer een consument een product aanschaft, verplicht is het overeenstemmende product waarvan de consument zich ontdoet gratis in ontvangst te nemen. § 2. De eindverkoper, tussenhandelaar en invoerder/producent moeten de volgende afvalstoffen gratis in ontvangst nemen, zelfs wanneer de consument geen vervangende producten aanschaft : 1° oude en vervallen geneesmiddelen;2° afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen;3° de voertuigen die vanaf

werkingtreding van dit besluit op de markt worden gebracht;4° vanaf 1 januari 2006 alle afgedankte voertuigen.Als de sector in kwestie bij de Vlaamse regering voor 1 januari 2004 geen stappenplan indient voor het beheer van afgedankte voertuigen of als dit stappenplan door de Vlaamse regering als onvoldoende wordt beschouwd, dan treedt de vermelde plicht vervroegd inwerking vanaf 1 juli 2004. Als er geen uitspraak is van de Vlaamse regering voor 1 juli 2004, dan wordt het plan geacht als voldoende te zijn beschouwd. De datum van 1 januari 2006 wordt verschoven naar 1 januari 2007 bij beslissing van de Vlaamse regering als op basis van het ingediende plan blijkt dat de datum van 1 januari 2006 niet haalbaar is. Het vermelde plan voorziet in een in de tijd gefaseerde inzameling en verwerking van alle afgedankte voertuigen; 5° drukwerkafvalstoffen; 6° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, a); 7° vanaf 1 januari 2004 afgewerkte olie; 8° vanaf 1 januari 2004 afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, b); 9° vanaf 1 januari 2004 afvalbanden;10° vanaf 1 juli 2004dierlijke en plantaardige afvalvetten en Boliën;11° vanaf 1 juli 2004 afvalfotochemicaliën;12° vanaf 1 juli 2004 afvallandbouwfolies;13° vanaf 1 januari 2005 houtafval;14° vanaf 1 januari 2005 vloerbedekkingsafval;15° vanaf 1 januari 2005 lampen; 16° vanaf 1 januari 2005 afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals omschreven in artikel 3.5.1, c). Van de plicht tot gratis terugname kan worden afgeweken in de milieubeleidsovereenkomst of in het afvalpreventie- en afvalbeheerplan waarvan sprake in artikel 3.1.1.4 indien

voerders/producenten de gratis ontvangstname, zelfs wanneer de consument geen vervangende producten aanschaft, organiseert op de containerparken of andere inzamelpunten met vergelijkbare geografische spreiding en dekking. §

  1. De terugname van afgedankte voertuigen, zoals bedoeld in artikel. 3.1.1.1, 4° en artikel. 3.1.1.2, § 2 is gratis onder volgende voorwaarden : het afgedankte voertuig : 1° bevat alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een voertuig;2° bevat geen afvalstoffen die vreemd zijn aan het afgedankte voertuig;3° was door de laatste eigenaar minstens sinds 6 maanden ingeschreven in België; 4° is vergezeld van het inschrijvingsbewijs D.I.V., het gelijkvormigheidsattest, en het keuringsbewijs; 5° moet aangeleverd worden op de door de eindverkoper aangeduide plaats.Het betreft voldoende en geografisch evenwichtig gespreide plaatsen. Als aan de voornoemde voorwaarden niet wordt voldaan, kunnen verwerkingskosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek. §
  2. Als de eindverkoper, tussenhandelaar, producent of invoerder van afvalstoffen waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, gebruik wil maken van een of meerdere containerparken, van kringloopcentra of van andere inzamelplaatsen, dan moeten ze de kosten ten laste nemen voor

zameling en scheiding in deze inrichtingen van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht. Art. 3.1.1.

  1. Het gedeelte van de kostprijs van een product dat aan de consument wordt doorgerekend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de aanvaardingsplicht, moet bij aankoop van het product aan de consument worden meegedeeld. Art. 3.1.1.
  2. §
  3. De wijze waarop aan

artikel 3.1.1.1 en 3.1.1.2 genoemde aanvaardingsplicht wordt voldaan, wordt overeenkomstig artikel 10, § 6 van het Afvalstoffendecreet vastgelegd in : 1° ofwel een milieubeleidsovereenkomst als bedoeld in het decreet van 15 juni 1994 betreffende de milieubeleidsovereenkomsten die is afgesloten door de overkoepelende representatieve organisatie van ondernemingen waarvan de producent en/of

voerder lid is.In het kader van de milieubeleids-overeenkomst wordt een beheersorganisme opgericht dat de taken uitoefent in naam van de representatieve organisatie(s). Het beheersorganisme legt jaarlijks een beheersplan ter goedkeuring voor aan de OVAM waarin het aangeeft hoe het de bepalingen van de overeenkomst zal nakomen. Op iedere raad van bestuur en algemene vergadering wordt een vertegenwoordiger van de OVAM uitgenodigd als waarnemer. Van de verplichting tot de oprichting van een beheersorganisme kan slechts afgeweken worden als de overkoepelende representatieve organisaties aantonen dat ze via een ander orgaan dezelfde resultaten kunnen behalen; 2° ofwel een afvalpreventie- en afvalbeheerplan dat door de producenten en invoerders ter goedkeuring aan de OVAM wordt voorgelegd. § 2.

§ 1

vermelde milieubeleidsovereenkomst of het afvalpreventie- en afvalbeheerplan vermeldt in het bijzonder : 1° maatregelen voor de kwalitatieve en kwantitatieve voorkoming (o.a. design for recycling) en voor het hergebruik van de afvalstoffen, en de voortgangscontrole erop; 2° maatregelen voor de selectieve inzameling en recycling van de afvalstoffen;3° maatregelen voor de optimale verwerking van de afvalstoffen;4° maatregelen voor een goede registratie van de afvalstoffenstromen en onderbouwing van het behalen van

Vlarea en in de milieubeleidsovereenkomst opgenomen doelstellingen;5° maatregelen voor de vergoeding van inspanningen van de diverse overheden;6° maatregelen voor de voorlichting en sensibilisering van de diverse doelgroepen;7° maatregelen voor analyse van de levenscyclus;8° maatregelen voor eigen controlesystemen op de bovengenoemde maatregelen;9° bepalingen omtrent de rapportering aan de OVAM met betrekking tot alle bovengenoemde maatregelen;10° bepalingen rond een geschillencommissie die moet tussenkomen bij geschillen over de uitvoering van de milieubeleidsovereenkomst;11° een financiële zekerheid die overeenstemt met de geschatte kosten voor het overnemen door het Vlaamse Gewest van de aanvaardingsplicht gedurende 6 maanden.In een milieubeleidsovereenkomst kunnen andere zekerheden overeengekomen worden om de voortgang van de verbintenissen uit de overeenkomst te garanderen. Art. 3.1.1.

  1. §
  2. De OVAM geeft haar goedkeuring aan alle strategische, operationele en logistieke aspecten van de aanvaardingsplicht en van alle geplande communicatie-initiatieven, die kaderen in een milieubeleidsovereenkomst. §
  3. De cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht aan de OVAM of aan een beheersorganisatie die is opgericht in het kader van een milieubeleidsovereenkomst worden verstrekt, worden gecertificeerd door een extern accountant, boekhouder of bedrijfsrevisor. Met toestemming van de OVAM kunnen andere certificatiesystemen volstaan. Onderafdeling II. - Afvalpreventie- en afvalbeheerplan Art. 3.1.2.
  4. Het in het artikel 3.1.1.4, § 1, 2° bedoelde afvalpreventie- en afvalbeheerplan moet, behalve

§ 2

van hetzelfde artikel vermelde opsomming van maatregelen, ten minste de volgende gegevens en verbintenissen bevatten : 1° identificatiegegevens : a) naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmende registratie en btw-nummer van de producent of

voerder van producten waarvoor voor de overeenstemmende afvalstoffen de aanvaardingsplicht geldt;b) woonplaats en adres van de producent of

voerder en in voorkomend geval van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels;c) telefoonnummer en eventueel faxnummer van de woonplaats, zetel of standplaats, binnen het Vlaamse Gewest, waar de producent of

voerder bereikt kan worden;

  1. d)voor zover de aanvrager niet beschikt over een woonplaats of in voorkomend geval over een maatschappelijke zetel in het Vlaamse gewest, de schriftelijke aanduiding van een standplaats, bijhuis of kantoor waar het register op elk ogenblik door de bevoegde overheid geraadpleegd kan worden;
  2. e)inhoudstafel van het volledige afvalpreventie- en afvalbeheerplan; f ) naam en functie van de ondertekenaar van het afvalpreventie- en afvalbeheerplan; 2° voorwerp :
  3. a)vermelding van de onder de aanvaardingsplicht vallende afvalstoffen en de overeenkomstige producten waarop het afvalpreventie- en afvalbeheerplan van toepassing is;
  4. b)omschrijving van de wijze waarop aan

artikelen 3.1.1.1. en 3.1.1.2 van dit besluit genoemde aanvaardingsplicht wordt voldaan inzonderheid rekening houdend met de voor deze afvalstoffen in dit hoofdstuk opgenomen specifieke voorschriften;

  1. c)de gegevens die overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.1.1.4 specifiek voor de afvalstoffen
  2. a)in het afvalpreventie- en afvalbeheerplan vermeld moeten worden; 3° verbintenissen : de schriftelijke verbintenis, gedateerd en ondertekend door de producent of invoerder, of in voorkomend geval door een natuurlijke persoon die de vennootschap ertoe kan verbinden, dat de afvalstoffen die onder de toepassing van het afvalpreventie- en afvalbeheerplan vallen en die hem met toepassing van dit besluit en het artikel 10 van het Afvalstoffendecreet worden aangeboden door derden, inzonderheid eindverkopers en tussenhandelaars, door hem :
  3. a)gratis zullen worden aanvaard;
  4. b)zullen worden verwerkt met inachtname van de voorschriften, opgelegd door dit besluit. Daarbij moet ten minste een woonplaats, gelegen in het Vlaamse gewest, vermeld worden waar derden deze afvalstoffen gratis kunnen afleveren. Art. 3.1.2.2. Het in artikel 3.1.1.4, § 1, 2° bedoelde afvalpreventie- en afvalbeheerplan wordt goedgekeurd volgens de volgende procedure : 1° de aanvraag tot goedkeuring van het afvalpreventie- en afvalbeheerplan wordt bij de OVAM ingediend, bij voorkeur onder briefhoofd van de aanvrager, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of in voorkomend geval door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, met toevoeging van de volgende bijlagen :
  5. a)in voorkomend geval een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen hieraan gedurende de laatste vijf jaar;
  6. b)het ontwerp van afvalpreventie- en afvalbeheerplan waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd; 2° de OVAM onderzoekt de aanvraag, bedoeld in 1°, op haar volledigheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.2.1;
  7. a)als de aanvraag onvolledig wordt bevonden, wordt de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag hiervan door de OVAM schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van

lichtingen en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen;b) als de aanvraag volledig wordt bevonden, wordt de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag door de OVAM bij ter post aangetekende brief hiervan in kennis gesteld;c) als de OVAM geen schriftelijke kennisgeving uiterlijk veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag aan de aanvrager heeft verzonden, wordt de aanvraag geacht volledig te zijn;3° binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van verzending van

2°, b), bedoelde brief of, in voorkomend geval, na de datum van het verstrijken van

2°, c), bedoelde termijn, doet de OVAM uitspraak over de aanvraag bedoeld in 1°;4° de OVAM zendt per ter post aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing een voor eensluidend verklaard afschrift van de aanvraag aan : a) de aanvrager;b) de afdeling Milieu-inspectie van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. Art. 3.1.2.3. § 1.

artikel 3.1.2.2, 3° bedoelde goedkeuring kan slechts voor een termijn van maximaal 5 jaar worden verleend. Elke goedkeuringsbeslissing die voor een kortere termijn geldt, moet gemotiveerd zijn. Een hernieuwing van de goedkeuring is overeenkomstig de procedure, vastgesteld in onderafdeling II. van hoofdstuk III mogelijk, telkens voor een termijn van maximaal 5 jaar. §

  1. De goedkeuring kan door de OVAM : 1° worden ingetrokken op verzoek van de houder van de goedkeuring;2° ambtshalve worden ingetrokken of geschorst, na overlegging van een proces-verbaal waarin een inbreuk wordt vastgesteld op de voorschriften van dit besluit; Behoudens bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens en/of milieu, wordt de houder van de goedkeuring, per aangetekend schrijven en minstens 14 dagen voor de betekening ervan, op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing en haar motieven; binnen deze termijn kan de houder van de goedkeuring zich verweren of zijn zaken in orde brengen. Art. 3.1.2.
  2. De houder van

artikel 3.1.2.2, 3° bedoelde goedkeuring is verplicht om, zonder verwijl en per aangetekend schrijven, een wijziging met betrekking tot de volgende gegevens in zijn dossier mee te delen aan de OVAM : 1° naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmende registratie en btw-nummer van de houder;2° woonplaats, adres of fax- en telefoonnummer van de houder en in voorkomend geval van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels of van de standplaats binnen het Vlaamse Gewest;3° het voorwerp van het goedgekeurde afvalpreventie- en afvalbeheerplan;4° de verbintenissen in het goedgekeurde afvalpreventie- en afvalbeheerplan. Art. 3.1.2.5. De natuurlijke persoon of rechtspersoon dient

het goedgekeurde afvalpreventie- en afvalbeheerplan opgenomen verbintenissen stipt na te leven. Afdeling II. - Drukwerkafvalstoffen Art. 3.2.

  1. §
  2. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op drukwerkafvalstoffen, voortkomende uit het gebruik of het verbruik van drukwerk : §
  3. De volgende drukwerkafvalstoffen vallen niet onder de toepassing van deze afdeling. Deze afvalstoffen komen voort uit het gebruik of het verbruik van : 1° drukwerk waarin geen handelsadvertenties of reclameteksten zijn opgenomen;2° drukwerk van producenten of invoerders die minder dan 3 ton drukwerk per jaar in verbruik brengen in het Vlaamse Gewest. §
  4. De uitgever legt op verzoek van de OVAM de bescheiden voor waaruit blijkt dat het drukwerk dat hij in het verbruik heeft gebracht, niet onder de toepassing valt van deze afdeling 3.
  5. Art. 3.2.
  6. De aanvaardingsplicht zoals beschreven in artikel 3.1.1.1 en 3.1.1.2 heeft tot doel enerzijds preventieve acties te stimuleren en anderzijds de recycling van drukwerkafvalstoffen te maximaliseren. Het uiteindelijke streefdoel is een sectoriële recyclingsvoet, uitgedrukt in gewichtspercentage, te behalen van minstens 85 gewichtspercentage. Art. 3.2.
  7. Het artikel 3.1.1.4, § 1, 2° genoemde afvalpreventie- en afvalbeheerplan vermeldt inzonderheid : 1° welke van de onder artikel 1.1.1, § 2, 17° genoemde categorieën van drukwerk de producent en/of

voerder van drukwerk in verbruik brengt in het Vlaamse Gewest; 2° voor elk van

1° genoemde categorieën de wijze waarop de producent en/of

voerder van drukwerk dat drukwerk aan de consument bezorgt :

  1. a)toezending met de post, al of niet door bemiddeling van derden;
  2. b)bezorging huis-aan-huis;
  3. c)al of niet door bemiddeling van derden aanbieden of laten aanbieden op vaste verkoop- of verdeelpunten;
  4. d)al of niet door bemiddeling van derden aanbieden of laten aanbieden op beurzen, tentoonstellingen of andere niet vaste verkoop- of verdeelpunten;
  5. e)op enige andere wijze;3° voor elk van

1° genoemde categorieën de wijze waarop de producent en/of

voerder van drukwerk de drukwerkafvalstoffen aanvaardt;in voorkomend geval moet een kopie van de overeenkomsten met tussenhandelaars en/of eindverkopers als bijlage bij het afvalpreventie- en afvalbeheerplan worden gevoegd; 4° voor elk van

1° genoemde categorieën de wijze waarop de producent en/of

voerder van drukwerk zorgt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de drukwerkafvalstoffen; 5° voor welke van

1° genoemde categorieën van publicaties de producent en/of

voerder van drukwerk voor de nakoming van zijn aanvaardingsplicht overeenkomstig artikel 3.2.5 overeenkomsten heeft afgesloten met de gemeenten of verenigingen van gemeenten waar de drukwerkafvalstoffen ontstaan; in voorkomend geval moet een kopie van deze overeenkomsten als bijlage bij het afvalpreventie- en afvalbeheerplan worden gevoegd. Art. 3.2.4. De producent en

voerder van drukwerk stellen vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM, voor zover deze gegevensverstrekking niet in een milieubeleidsovereenkomst is geregeld : 1° de totale hoeveelheid en het totale gewicht van het in het Vlaamse Gewest in verbruik gebrachte drukwerk, onderverdeeld in de categorieën, genoemd in artikel 1.1.1, § 2, 17°; 2° een overzicht van de totale hoeveelheid en het totale gewicht van

het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht ingezamelde drukwerkafvalstoffen;3° een overzicht van het totale gewicht van de met toepassing van de aanvaardingsplicht gerecycleerde, anderszins nuttig toegepaste en verwijderde drukwerkafvalstoffen; 4° een overzicht van de preventieve acties onderverdeeld in de categorieën, genoemd in artikel 1.1.1, § 2, 17°. Art. 3.2.5. § 1. De producenten en

voerders van drukwerk kunnen voor de nakoming van hun aanvaardingsplicht onder de voorwaarden, vastgelegd in de milieubeleidsovereenkomst of in het afvalpreventie- en afvalbeheerplan, genoemd in artikel 3.1.1.4, overeenkomsten afsluiten met de gemeenten of verenigingen van gemeenten waar de drukwerkafvalstoffen ontstaan. § 2. In de milieubeleidsovereenkomst of het afvalpreventie- en afvalbeheerplan wordt bepaald dat de producenten en invoerders van drukwerk de kosten voor

zameling en de verwerking van drukwerkafvalstoffen, afkomstig van het door hen in het Vlaamse Gewest in verbruik gebrachte drukwerk, terugbetalen aan de gemeenten of verenigingen van gemeenten. § 3. De overeenkomsten die met het oog op de toepassing van de bepalingen van § 1 worden opgesteld, moeten in elk geval bepalingen omvatten betreffende

formatie en de sensibilisering van de consument. Genoemde overeenkomsten worden door de producent en

voerder van drukwerk vooraf, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ter goedkeuring aan de OVAM meegedeeld. Bij gebrek aan enige opmerking binnen zestig dagen na ontvangst wordt de voorgelegde overeenkomst geacht te zijn goedgekeurd. Als de OVAM opmerkingen formuleert en de goedkeuring onthoudt, wordt de voorgestelde overeenkomst geschorst tot op het ogenblik dat de producent en

voerder van drukwerk, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, aanvullende informatie of aanpassingen voorleggen die door de OVAM uitdrukkelijk of, bij gebrek aan enige reactie binnen zestig dagen na ontvangst, stilzwijgend worden goedgekeurd. De OVAM kan modelovereenkomsten en eenheidsprijzen, die aansluiten bij de gemiddelde kostprijs van de verstrekte diensten, voorstellen. § 4. Stickers, door de OVAM geaccepteerd, die worden gebruikt om aan te geven dat in een brievenbus al dan niet reclamedrukwerk of gratis regionale pers mag worden gestoken, moeten te allen tijde worden gerespecteerd. Afdeling III. - Afgedankte voertuigen Art. 3.3.1. § 1. De verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde voertuigwrakken of afgedankte voertuigen moet ertoe leiden dat de volgende doelstellingen worden bereikt : 1° uiterlijk op 1 januari 2006 moet :

  1. a)minimaal 85 % van het gewicht van alle afgedankte voertuigen worden hergebruikt of nuttig toegepast;
  2. b)minimaal 80 % van het gewicht van afgedankte voertuigen worden hergebruikt of gerecycleerd;2° uiterlijk op 1 januari 2015 moet :
  3. a)minimaal 95 % van het gewicht van alle afgedankte voertuigen worden hergebruikt of nuttig toegepast;
  4. b)minimaal 85 % van het gewicht van afgedankte voertuigen worden hergebruikt of gerecycleerd. § 2. Voor de onderstaande onderdelen van afgedankte voertuigen geldt dat : 1° afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.6.1; 2° afgewerkte olie wordt verwerkt overeenkomstig artikel 3.7.1, § 2; 3° afvalbanden worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.1. Art. 3.3.2. Het afvalpreventie- en afvalbeheerplan en de milieubeleidsovereenkomst, genoemd in artikel 3.1.1.4, § 1 regelen inzonderheid en in voorkomend geval : 1° de verplichting van de eindverkopers van voertuigen om elk afgedankt voertuig in ontvangst te nemen dat door de consument wordt aangeboden bij de aankoop van een voertuig van een overeenstemmende soort als het afgedankte voertuig;voor de toepassing van deze bepaling worden de voertuigen onderverdeeld in de volgende soorten :
  5. a)personenwagens bestemd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, (categorie M1);
  6. b)bestelwagens en lastwagens voor het vervoer van goederen met een maximum massa van ten hoogste 3,5 ton (categorie N1);2° de verplichting van de tussenhandelaars in voertuigen om alle met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen afgedankte voertuigen op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers van voertuigen in te zamelen en aan de producent of

voerder aan te bieden;3° de verplichting van de voertuigproducenten of

voerders om alle aanvaarde afgedankte voertuigen bij de tussenhandelaar, of bij gebrek daaraan bij de eindverkoper, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting. Art. 3.3.

  1. De eindverkoper van voertuigen moet op een duidelijk zichtbare plaats en wijze in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop onder de titel "AANVAARDINGSPLICHT AFGEDANKTE VOERTUIGEN" is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit. Art. 3.3.
  2. §
  3. De eindverkoper van voertuigen stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : de totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen. §
  4. De tussenhandelaar in voertuigen stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : de totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen. §
  5. De producent of

voerder van voertuigen stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1) de totale hoeveelheid voertuigen in het Vlaamse Gewest, uitgedrukt in kg en aantallen :

  1. a)die op de markt werden gebracht;
  2. b)waarvoor een " certificaat van vernietiging " is afgeleverd;2° de totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, categorieën M1 of N1, en aantallen, die in het Vlaamse Gewest werden aanvaard door de erkende centra en de eindverkopers;3° het gewicht van de onderdelen, materialen en afvalstoffen afkomstig van afgedankte voertuigen in kilogram, die gedurende het voorafgaande kalenderjaar :
  3. a)werden hergebruikt en gerecycleerd;
  4. b)werden verwerkt in vergunde installaties met terugwinning van energie;
  5. c)werden verwijderd in vergunde installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
  6. d)werden verwijderd in of op stortplaatsen;4° de locatie van de verschillende erkende centra en/of vergunde verwerkingsinstallaties voor afgedankte voertuigen en de wijze waarop de aanvaarde afgedankte voertuigen in het Vlaamse Gewest werden verwerkt. § 4. De eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder van voertuigen houden een register bij van de afgedankte voertuigen, met vermelding van het chassisnummer, datum van aan- en afvoer, en naam en adres van bestemmeling. Ze verschaffen aan de OVAM alle andere informatie die de OVAM nuttig acht voor de beoordeling van de overeenkomstig het artikel 3.3.1 te bereiken doelstellingen. Art. 3.3.5. § 1. De voertuigproducenten of invoerders verschaffen aan de erkende of vergunde verwerkingsinrichtingen van afgedankte voertuigen binnen zes maanden nadat een nieuw voertuigtype in de handel is gebracht, alle demontage-informatie. In die informatie worden de verschillende voertuigonderdelen en - materialen en de plaats van alle gevaarlijke stoffen in de voertuigen aangegeven. § 2. De producenten of invoerders van voertuigonderdelen verschaffen op verzoek van de erkende verwerkingsinrichtingen, rekening houdend met de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens, eveneens informatie omtrent demontage, opslag en het testen van onderdelen die opnieuw kunnen worden gebruikt. Afdeling IV. - Afvalbanden Art. 3.4.1. Voor de verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afvalbanden geldt dat : 1° alle afvalbanden worden ingezameld;2°

gezamelde banden in de eerste plaats worden gesorteerd op herbruikbare banden;3° van ten minste 25 % van

gezamelde afvalbanden, uitgedrukt in gewicht, het loopvlak vernieuwd wordt;4° de banden waarvan het loopvlak niet kan worden vernieuwd, bij voorkeur worden gerecycleerd.Vanaf 2005 wordt een recyclingpercentage bereikt van 20 % van

gezamelde afvalbanden; 5° de rest van

gezamelde banden energetisch wordt gevaloriseerd. Art. 3.4.2. Het afvalpreventie- en afvalbeheerplan en de milieubeleidsovereenkomst, genoemd in artikel 3.1.1.4, § 1, regelen inzonderheid en in voorkomend geval : 1° de verplichting van de eindverkopers van banden om elke afvalband in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden bij de aankoop van een band van een overeenkomstige soort als de afvalband; voor de toepassing van deze bepalingen worden de banden onderverdeeld in de volgende soorten :

  1. a)banden van personenwagens voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, (categorie M1), en aanhangwagens;
  2. b)banden van bestelwagens en lastwagens voor het vervoer van goederen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton (categorie N1);
  3. c)banden van lastwagens voor het vervoer van goederen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton;
  4. d)banden van motorrijwielen;
  5. e)banden van landbouwtractoren;
  6. f)banden van landbouwmachines;
  7. g)banden van toestellen voor industrieel gebruik en openbare werken;
  8. h)banden van autobussen en autocars;
  9. i)banden van caravans 2° de verplichting van de tussenhandelaars van banden om alle met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen afvalbanden op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent of

voerder van banden aan te bieden;3° de verplichting van de producenten of

voerders van banden om alle aanvaarde afvalbanden bij de tussenhandelaar, of bij gebrek daaraan bij de eindverkoper, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting. Art. 3.4.

  1. De eindverkoper van rubberbanden moet op een duidelijk zichtbare plaats en wijze in elk van zijn verkooppunten een bericht aan brengen waarop onder de titel "AANVAARDINGSPLICHT AFVALBANDEN" is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit. Art. 3.4.
  2. §
  3. De eindverkoper van banden stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram;2° de soorten en aantallen afvalbanden, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werden genomen. §
  4. De tussenhandelaar in banden stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram;2° de soorten en aantallen afvalbanden, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen. §
  5. De producent of

voerder van banden stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid banden, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het Vlaamse Gewest in omloop werd gebracht;2° de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;3°

richting(en) waar en de wijze waarop

gezamelde afvalbanden werden verwerkt;4° de totale hoeveelheid afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afvalbanden, uitgedrukt in kilogram, die :

  1. a)- werd uitgesorteerd voor hergebruik;
  2. b)- een nieuw loopvlak kreeg;
  3. c)- nuttig werd toegepast (materiaalrecycling, energetische valorisatie, enzovoort). § 4. De eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder van banden verschaffen aan de OVAM alle andere informatie die de OVAM nuttig acht voor de beoordeling van de overeenkomstig artikel 3.4.1 te bereiken doelstellingen. Afdeling V. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Art. 3.5.1. Elektrische en elektronische apparatuur wordt ingedeeld in de volgende twaalf categorieën :
  4. a)1° grote huishoudelijke apparaten;2° kleine huishoudelijke apparaten;3° IT- en telecommunicatieapparatuur;4° consumentenapparatuur;5° elektrische en elektronische tuingereedschappen;
  5. b)6° huishoudelijke en niet-huishoudelijke verlichtingsapparatuur;7° andere elektrische en elektronische gereedschappen;8° speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur;9° meet- en controle-instrumenten;
  6. c)10° de categorieën van apparaten genoemd onder 3.5.1
  7. a)en b), die niet van huishoudelijke of vergelijkbare aard zijn; 11° automaten;12° afgedankte elektrische of elektronische medische hulpmiddelen. De Vlaamse minister kan een lijst vaststellen van de apparatuur die onder deze categorieën valt. Art. 3.5.2. § 1. De met toepassing van de aanvaardingsplicht, zoals omschreven in artikel 3.1.1.1. en 3.1.1.2., in ontvangst genomen afgedankte elektrische en elektronische apparatuur alsook de door of in opdracht van de gemeenten ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, wordt met het oog op het hergebruik in de eerste plaats gescheiden in herbruikbare elektrische en elektronische apparatuur enerzijds, en niet-herbruikbare elektrische en elektronische apparatuur anderzijds, op basis van hun herbruikbaarheid voor hetzelfde doel. De uit de sortering ontstane niet-herbruikbare fractie is een afvalstof. § 2. De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten en invoerders van elektrische en elektronische apparatuur alsook de gemeenten kunnen voor

§ 1genoemde scheiding een beroep doen op door de OVAM erkende kringloopcentra.

§ 3. Om voor de verwerking, bedoeld in § 2, te kunnen worden erkend moet het kringloopcentrum voldoen aan de volgende erkenningscriteria : 1° het kringloopcentrum moet ten minste de volgende drie doelstellingen combineren, die opgenomen zijn in de statutaire doelstellingen van de rechtspersoon : a) de zorg voor het milieu door maximaal producthergebruik na te streven van

gezamelde goederen;

  1. b)het ontwikkelen en waarborgen van tewerkstelling voor langdurig werklozen;
  2. c)het niet of slechts beperkt toekennen van vermogensvoordeel aan de vennoten of leden;2° het kringloopcentrum moet een rechtspersoonlijkheid hebben die verenigbaar is met de onder 1° vermelde doelstellingen;3° natuurlijke personen die de vereniging of vennootschap kunnen verbinden :
  3. a)moeten hun burgerlijke en politieke rechten bezitten;
  4. b)mogen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding op de wetgeving in België.Als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, mogen ze de milieuwetgeving niet overtreden hebben in de staat waarvan zij onderdaan zijn; 4° het kringloopcentrum verbindt zich ertoe elke wijziging van zijn statuten mee te delen aan de OVAM;5° de maatschappelijke zetel van het kringloopcentrum bevindt zich in een gemeente die in het Vlaamse Gewest is gelegen.De zetel kan niet overgebracht worden naar een plaats buiten het Vlaamse Gewest; 6° het verzorgingsgebied omvat minstens 75.000 inwoners; 7° het kringloopcentrum beperkt zijn activiteiten tot de gemeenten die behoren tot zijn verzorgingsgebied zoals vastgelegd in de erkenning. In gemeenten die niet behoren tot zijn verzorgingsgebied zal het kringloopcentrum geen enkele inzameling van afvalstoffen organiseren of in zijn opdracht doen organiseren; 8° het kringloopcentrum zal geen enkele daad van concurrentie stellen, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, tegenover andere erkende kringloopcentra;9°

zameling heeft een permanent karakter;10° de winkel van het kringloopcentrum is voor iedereen toegankelijk en heeft ruime openingstijden.Het kringloopcentrum beperkt zich tot een sluitingsdag in de week en is wekelijks minstens 30 uur open. Op zaterdag of zondag is het kringloopcentrum minstens 4 uur open; 11° de gecumuleerde winkeloppervlakte van het kringloopcentrum bedraagt minstens 400 m2 en komt overeen met een equivalent van minstens 1m2 per 200 inwoners in het vastgelegde verzorgingsgebied;12° in de verkoopruimte wordt een representatief aanbod van herbruikbare elektrische en elektronische apparaten te koop aangeboden;13° het kringloopcentrum verbindt zich ertoe :

  1. a)een verzekeringscontract af te sluiten ter dekking van de schade die kan voortvloeien uit de voorgenomen activiteiten als kringloopcentrum en is ertoe verplicht om, binnen 30 dagen na het verlenen van de erkenning, het bewijs over te leggen dat een dergelijk verzekeringscontract werd afgesloten;
  2. b)vervolgens, jaarlijks, het bewijs te leveren van de voortzetting van het onder
  3. a)genoemde verzekeringscontract;
  4. c)op eenvoudig verzoek van de OVAM medewerking te verlenen aan sensibiliserings- en informatiecampagnes die door de OVAM worden opgezet;14° het kringloopcentrum bezorgt jaarlijks aan de OVAM een jaarrapport met de door de OVAM gevraagde informatie. § 4. De aanvraag tot erkenning als kringloopcentrum vermeldt : 1° de naam van de rechtspersoon die de aanvraag indient;2° het adres van de maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetel van het kringloopcentrum;3° de naam en voornaam van de bestuurders en zaakvoerders en een afschrift van de oprichtingsakte en haar eventuele wijzigingen, zoals neergelegd op de griffie van de bevoegde rechtbank;4° de nauwkeurige beschrijving van de werking van het kringloopcentrum, het verzorgingsgebied,

zamelorganisatie, de ophaalmiddelen, het aantal personeelsleden en hun kwalificaties, de openingstijden, het financieel en ondernemingsplan met prognoses voor de komende drie jaar. § 5.

§ 4

bedoelde erkenningsaanvraag wordt behandeld als volgt : 1° de aanvraag wordt in drievoud bij de OVAM ingediend, bij voorkeur onder briefhoofd van de aanvrager, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of in voorkomend geval door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden;2° de OVAM onderzoekt de aanvraag bedoeld onder 1°, op haar volledigheid overeenkomstig het bepaalde in § 4.a) wordt de aanvraag onvolledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag hiervan door de OVAM schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van

lichtingen en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen;b) wordt de aanvraag volledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag door de OVAM met een aangetekende brief hiervan in kennis gesteld;c) als de OVAM uiterlijk veertien kalenderdagen na

diening van de aanvraag geen schriftelijke kennisgeving heeft verzonden, aan de aanvrager, wordt de aanvraag geacht volledig te zijn;3° binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de onder 2°, b), bedoelde brief, of, in voorkomend geval, na de datum van het verstrijken van de onder 2°, c), bedoelde termijn, doet de OVAM uitspraak over de aanvraag zoals bedoeld in 1°;4° de OVAM stuurt met een aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing zoals bedoeld in 4° 3° een eensluidend verklaard afschrift ervan aan : a) de aanvrager;b) de afdeling Milieu-inspectie van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. § 6.

§ 5

, 3°, bedoelde erkenning kan slechts voor een termijn van maximaal 5 jaar worden verleend. Elke erkenningsbeslissing die voor een kortere termijn geldt, moet terzake gemotiveerd zijn. Een hernieuwing van de erkenning is overeenkomstig de procedure, vastgesteld door afdeling 3.5, mogelijk, telkens voor een termijn van maximaal 5 jaar. §

  1. De erkenning kan door de OVAM : 1° worden ingetrokken op verzoek van de houder van de goedkeuring;2° ambtshalve worden ingetrokken of geschorst, na overlegging van een proces- verbaal waarin een overtreding wordt vastgesteld van de voorschriften van dit besluit. Behoudens bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens of milieu, wordt de houder van de erkenning, met een aangetekende brief en minstens 14 dagen voor de betekening ervan, op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing en haar motieven; binnen deze termijn kan de houder van de erkenning zich verweren of zijn zaken in orde brengen. §
  2. De houder van

§ 5

, 3° bedoelde erkenning is verplicht om elke formele wijziging van de administratieve gegevens van het erkende kringloopcentrum onmiddellijk met een aangetekende brief aan de OVAM mee te delen. Een wijziging van een van de volgende gegevens in zijn dossier moet hij ook meedelen aan de OVAM : 1° naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmende registratie en btw-nummer van de houder;2° woonplaats, adres of fax- en telefoonnummer van de houder en in voorkomend geval van de maatschappelijke, de administratieve en de exploitatiezetels of van de standplaats binnen het Vlaamse Gewest. Art. 3.5.3. De verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet ertoe leiden dat de volgende percentages van hergebruik en recycling, worden behaald : 1° voor het ferrometaal : 95 %;2° voo

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.