📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
5 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer
(BIS)VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING 1. Situering Op 17 december 1997 werd door de Vlaamse regering het besluit tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en Bbeheer (VLAREA) goedgekeurd.Dit besluit, dat in werking getreden is op 1 juni 1998, bundelde de uitvoeringsbesluiten in het kader van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, het Afvalstoffendecreet.
Na enkele kleinere tussentijdse wijzigingen, voornamelijk om te voldoen aan de Europese wetgeving, is het wenselijk om op basis van de ervaringen na enkele jaren werking met het VLAREA en met als doel het afvalstoffenbeleid verder te ontwikkelen in de richting van voorkoming van afvalstoffen en grotere producentenverantwoordelijkheid, dit uitvoeringsbesluit grondig te wijzigen. In dit Verslag aan de Vlaamse regering wordt een overzicht gegeven van de inhoud van het nieuwe VLAREA, waarbij de belangrijkste wijzigingen worden aangeduid. Waar nodig wordt verder verduidelijkt wat de bedoeling van de wijzigingen is om interpretatieproblemen in de toekomst zoveel mogelijk te vermijden. 2. Bespreking HOOFDSTUK 1 In dit hoofdstuk worden, in tegenstelling tot het huidige VLAREA, de definities gegroepeerd zodat deze nu allemaal vooraan in het VLAREA terug te vinden zijn.Dit gebeurt omdat aan deze techniek door de Raad van State de voorkeur gegeven wordt. De definities zijn thematisch gerangschikt in functie van de betrokken tekstonderdelen, maar zijn, tenzij anders vermeld, van toepassing voor het hele VLAREA. Tegelijkertijd worden een aantal noodzakelijke nieuwe definities ingevoerd.
De definitie van "werk", noodzakelijk voor het bepalen van de afvalstoffen die als secundaire grondstof als bouwstof kunnen aangewend worden, heeft reeds aanleiding gegeven tot enige discussie.
Als werk worden alleen die constructies bedoeld die duidelijk te onderscheiden zijn van de bodem, zoals bij voorbeeld de kern van dijklichamen, opritten en bermen, wegbeddingen en onderfunderingen.
Het opvullen van putten en het ophogen van laaggelegen terreinen valt duidelijk niet onder de definitie van werk. Voor het gebruik als secundaire grondstof in deze toepassingen moet voldaan worden aan de normering voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof als bodem.
In het eerste hoofdstuk wordt tevens de afvalstoffenlijst vastgesteld.
Belangrijk is dat de stoffen en voorwerpen die op deze lijst worden vermeld, alleen als afval moeten worden beschouwd indien ze tegelijkertijd aan de definitie van afvalstof voldoen, met name dat de houder zich ervan ontdoet, zich er wil van ontdoen, of zich er moet van ontdoen.
Ten slotte wordt in dit hoofdstuk ook bepaald welke handelingen als verwijdering en als nuttige toepassing verstaan worden, overeenkomstig de Europese wetgeving ter zake.
HOOFDSTUK 2 Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de categorieën van afvalstoffen.
Wat betreft de gelijkstelling van afvalstoffen aan huishoudelijke afvalstoffen wordt vanaf nu alleen nog straat- en veegvuil aan huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld. Alle andere afvalstoffen moeten dus als bedrijfsafval ingedeeld worden.
De lijst van bijzondere afvalstoffen wordt verder uitgebreid met die afvalstoffen waarvoor bijzondere bepalingen in het nieuwe VLAREA worden opgenomen.
Dit hoofdstuk bepaalt welke afvalstoffen als gevaarlijk moeten worden beschouwd. Dit gebeurt overeenkomstig de Europese wetgeving. Er wordt ook een procedure vastgelegd die de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, toelaat om een gevaarlijke afvalstof te declasseren als gevaarlijk, mits de nodige bewijslast wordt voorgelegd door de houder van de afvalstof. Omgekeerd kan de minister ook beslissen dat afvalstoffen in bepaalde gevallen toch als gevaarlijk worden ingedeeld, alhoewel zij in de afvalstoffenlijst niet als gevaarlijk zijn aangeduid.
HOOFDSTUK 3 In hoofdstuk 3 worden de afvalstoffen aangeduid waarvoor een aanvaardingsplicht opgelegd wordt, alsmede de wijze waarop aan de aanvaardingsplicht kan voldaan worden en de verplichtingen die de aanvaardingsplicht voor iedere afvalcategorie inhoudt.
Naast de reeds bestaande aanvaardingsplichten voor drukwerkafvalstoffen, afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen, afgedankte voertuigen, afvalbanden en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, wordt nu ook een aanvaardingsplicht ingevoerd voor oude en vervallen geneesmiddelen, afgewerkte olie, een tweede reeks van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, dierlijke en plantaardige afvalvetten en Boliën, afvalfotochemicaliën, afvallandbouwfolies, houtafval, vloerbedekkingsafval en lampen, met een gefaseerde inwerkingtreding voor de verschillende categorieën Voor lampen is het de bedoeling om in de aanvaardingsplicht alleen die lampen onder te brengen die ook onder het toepassingsgebied van de betrokken EU-richtlijn vallen. Het is echter wel de bedoeling om het ook zo duidelijk mogelijk te maken voor de burger zodat er een globale inzameling « lampen » kan zijn en de burger niet verplicht wordt binnen de lampen ook nog eens aparte categorieën te gaan detecteren.
De aanvaardingsplicht wordt ook opgelegd indien er geen nieuw product aangekocht wordt, het zogenaamde 1-tegen-0-principe. Op deze wijze willen we de betrokken sectoren verantwoordelijk stellen voor de totale afvalstroom ook als de consument geen nieuw product aankoopt.
Voor de praktische uitvoering hiervan kunnen de sectoren samenwerken met de gemeenten/intercommunales indien een overeenkomst kan worden bereikt met de individuele gemeenten/intercommunales.
De redenen om deze nieuwe aanvaardingsplichten in te voeren zijn verschillend : de invulling van het principe "de vervuiler betaalt", het bieden van een oplossing voor afvalstromen waarmee de gemeenten problemen hebben, de risico's voor het leefmilieu, het oplossen van de zwerfvuilproblematiek, het overleg met de andere gewesten.
In de aanvaardingsplicht is voorzien dat de overheden volledig vergoed worden voor de inspanningen die zij leveren inzake inzameling en scheiding van deze afvalstoffen als de betrokken sector een beroep wenst te doen op de infrastructuur van de rechtspersonen van publiek recht. Belangrijk hierbij is dat de overheid niet meer kan ontvangen dan de kosten die zij ook werkelijk maakt. Dit betekent dat zij die kosten ook moet kunnen bewijzen. Bij de onderhandelingen tussen het beheersorganisme dat de taken in het kader van de aanvaardingsplicht uitvoert, en de gemeenten moet er over gewaakt worden dat dit principe niet geschonden wordt. Het gewest kan hier eventueel bemiddelend optreden. De kosten voor de controle door de overheid vallen overigens ook niet onder de verantwoordelijkheid van de producenten/invoerders, maar moeten door de overheid zelf gedragen worden. De terugname van afgedankte voertuigen is slechts gratis onder een aantal voorwaarden.
Zo dient het afgedankt voertuig alle onderdelen te bevatten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een voertuig. Hiermee wordt bijvoorbeeld de motor bedoeld. De bedoeling van deze bepaling is vermijden dat de sector de kosten moet vergoeden terwijl anderen winst maken met onderdelen/materialen met een positieve economische waarde.
De concrete uitvoering van deze bepaling moet in het kader van de uitvoering van de milieubeleidsovereenkomst worden uitgewerkt.
Aan de aanvaardingsplicht kan nog steeds voldaan worden door middel van het afsluiten van een milieubeleidsovereenkomst of het indienen van een afvalpreventie- en afvalbeheerplan dat door de OVAM moet goedgekeurd worden. Er mag echter verondersteld worden dat in de meeste gevallen via een milieubeleidsovereenkomst zal gewerkt worden.
Een bijkomende verplichting is het voorzien in een financiële zekerheid die de kosten dekt om gedurende zes maanden de aanvaardingsplicht door het gewest te laten overnemen. Dit is noodzakelijk om de continuïteit niet in het gedrang te brengen indien een beheersorganisme zou ophouden te bestaan, en is overigens ook voorzien in het interregionaal samenwerkingsakkoord inzake de preventie en het beheer van verpakkingsafval.
Nieuw voor drukwerkafvalstoffen is dat de producenten/invoerders aan de gemeenten de kosten voor de inzameling en verwerking van de drukwerkafvalstoffen terugbetalen. Specifieke preventieve acties zullen in het kader van een nieuwe milieubeleidsovereenkomst met de sector worden overeengekomen. De preventieve acties bij het gebruik van drukwerk moeten er bijvoorbeeld toe leiden dat dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften en periodieken, gratis regionale pers en gratis publicaties, telefoongidsen en faxgidsen, reclamedrukwerk en ander drukwerk : ?minder voorwerpen bevatten die bestaan uit andere materialen dan papier of karton; ? minder verpakt worden in kunststof verpakkingen; ? meer gedrukt zijn met milieuvriendelijke inkten en gelijmd met milieuvriendelijke lijmen;
Wat in deze paragraaf wordt geformuleerd, dient zo spoedig mogelijk te worden geconcretiseerd in een nieuwe milieubeleidsovereenkomst waarbij in onderling overleg een minimumpercentage voor gerecycleerd papier in drukwerken zal worden vastgelegd.
Het 1-tegen-0-principe geldt voor alle afgedankte voertuigen vanaf 2006. Indien echter de betrokken sector voor januari 2004 geen stappenplan indient inzake het beheer van afgedankte voertuigen of als het ingediende plan als ontoereikend wordt beschouwd dan treedt deze verplichting in werking vanaf 1 juli 2004.België staat op het vlak van de inzameling en verwerking veel verder dan andere lidstaten.
Voor de afvalbanden is er een nieuwe verplichting dat tegen 2005 ten minste een recyclingpercentage van 20 % van de ingezamelde afvalbanden wordt behaald en dat de rest energetisch wordt gevaloriseerd. Hiervoor geldt dus een stortverbod.
Voor elektrische en elektronische apparatuur wordt in twee fasen gewerkt. In de eerste fase wordt de bestaande aanvaardingsplicht aangevuld met een tweede reeks huishoudelijke apparaten waarvoor bijkomend een aanvaardingsplicht wordt ingevoerd. De doelstellingen inzake te behalen recyclingpercentages worden verstrengd. De rol van de kringloopcentra om het hergebruik te stimuleren, wordt bevestigd.
In de tweede fase wordt de aanvaardingsplicht opgelegd voor automaten en niet-huishoudelijke apparaten, met uitzondering van verlichtingsapparatuur waarvoor de aanvaardingsplicht gezamenlijk voor huishoudelijke en niet-huishoudelijke apparaten ingevoerd wordt.
Voor afvalloodstartbatterijen en afvalbatterijen worden verhoogde recyclingpercentages en verplichte preventieve acties ingevoerd.
Voor de afvalcategorieën waarvoor een nieuwe aanvaardingsplicht wordt ingevoerd, worden op dit ogenblik alleen voor afgewerkte olie nadere bepalingen in het VLAREA ingeschreven. Voor de andere afvalstromen moet uit de onderhandelingen met de betrokken actoren blijken welke doelstellingen behaald kunnen worden, die in een volgende wijziging van het VLAREA zullen opgenomen worden. Andere verwerkingsmogelijkheden, met inbegrip van energetische valorisatie, moeten nog verder onderzocht worden. Om dit studiewerk uit te voeren bestaat o.a. de mogelijkheid met de betrokken sector een studiesyndicaat op te richten. Voor houtafval wordt een aanvaardingsplicht ingevoerd om op die wijze de volledige kolom, van producent tot afvalverwerker, te betrekken in de aanpak van enkele resterende uitdagingen in de houtafvalsector. Meer specifiek is het de bedoeling om een betere scheiding te bekomen tussen gevaarlijk (bij voorbeeld verduurzaamd hout) en niet-gevaarlijk houtafval om zo de gevaarlijke houtafvalstromen beter te kunnen verwerken. Ook de idee van het selectief sloopbestek kan hier geïntegreerd worden. « Zuiver » hout moet zoveel mogelijk naar materiaalrecyclage gaan en het verontreinigd hout naar energierecuperatie. Het is zeker niet de bedoeling om systemen op te starten die gelijkaardig zijn aan bij voorbeeld Recupel. Voor houtafval zijn er op dit ogenblik geen afzetproblemen en met de beoogde maatregelen wordt ernaar gestreefd dit nog te verbeteren via het vrijwaren van de bestaande marktwerking.
In het systeem staat dan ook geen kostentransfer centraal vanuit de producenten/onvoerders van producten met hout naar de verwerkers van het houtafval. Dit element komt pas kijken als blijkt dat door de afspraken die in een milieubeleidsovereenkomst/afvalbeheersplan worden gemaakt men er toch niet in slaagt om tot goed gescheiden stromen te komen waardoor voor het houtafval afzetproblemen zouden rijzen of het houtafval tegen hoge kost zou moeten worden verwerkt (als fractie gevaarlijk houtafval). Indien zou blijken dat het aangewezen is om deze stroom op te splitsen in productgroepen, zoals voor andere aanvaardingsplichten, zal het VLAREA gewijzigd worden.
Voor vloerbedekkingsafval gelden dezelfde redeneringen als voor houtafval. Samen met de milieubeleidsovereenkomst/afvalbeheersplan zal bekeken worden welke producten hier verder kunnen worden gedefinieerd.
Parket en laminaatvloeren vallen onder de aanvaardingsplicht van houtafval.
HOOFDSTUK 4 Hoofdstuk 4 heeft betrekking op het aanwenden van afvalstoffen als secundaire grondstoffen. Hierin wordt het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen in niet-diffuse toepassingen geschrapt. Een eerste schrapping heeft betrekking op het gebruik in of als smeermiddel en/of oplosmiddel en/of technische vloeistof, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze afvalstoffen die na behandeling aan de technische normering voor de primaire producten voldoen, niet meer als afvalstof beschouwd moeten worden, en derhalve niet als secundaire grondstof moeten ingedeeld worden. Daarnaast wordt ook het gebruik van secundaire grondstoffen in of als brandstof geschrapt. Uitgangspunt hierbij is dat deze afvalstoffen steeds afval blijven en derhalve verbrand moeten worden overeenkomstig de normering die geldt voor afvalverbranding.
Het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof in of als diervoeder wordt nieuw ingevoerd. Als voorwaarde wordt hierbij opgelegd dat de afvalstoffen moeten voldoen aan de voorwaarden die opgelegd worden in de federale wetgeving inzake de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor diervoeder. Er worden dus geen bijkomende voorwaarden inzake samenstelling en/of gebruik opgelegd, omdat er verondersteld wordt dat de federale voorwaarden reeds voldoende waarborgen inhouden voor de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.
Met de federale overheid werd meerdere malen overleg gepleegd, namelijk op 23 september 2002, 30 september 2002, 24 februari 2003, 3 maart 2003 en 24 maart 2003.
De lijst van afvalstoffen die als secundaire grondstof kunnen worden aangewend, wordt gewijzigd op basis van de ervaring uit de voorbije jaren en aanvragen die door de bedrijven of federaties werden ingediend. Om soepel te kunnen inspelen op nieuwe aanvragen voor afvalstoffen die niet op de lijst in bijlage van het VLAREA opgenomen zijn, wordt een procedure ingevoerd die de Vlaamse regering, in de praktijk de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu gelet op het delegatiebesluit binnen de Vlaamse regering, toelaat om deze afvalstoffen als secundaire grondstof aan te duiden. Natuurlijk moet hierbij voldaan worden aan de betrokken voorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof. Dit gebeurt om de meer logge procedure tot wijziging van het VLAREA niet steeds te moeten doorlopen.
Voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof als meststof of als bodemverbeterend middel worden de samenstellingsvoorwaarden uitgebreid met een aantal organische parameters en wordt de maximaal toelaatbare totaalconcentratie in de afvalstof voor de parameters octaan en minerale olie gehalveerd. Dit gebeurt derhalve ook voor de maximaal toelaatbare bodemdosering wanneer de secundaire grondstoffen aangewend worden. De specifieke voorwaarden voor het gebruik van behandeld zuiveringsslib worden aangepast overeenkomstig de opgedane ervaring. Daarnaast moet ook steeds voldaan worden aan de voorwaarden van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en aan de voorwaarden van de federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten. Ook wordt een uitzondering voorzien voor het gebruik van de secundaire grondstof in het kader van een driejarig teeltplan en voor het gebruik van composten en digestaten voor de heraanleg van de bouwvoor voor groenvoorziening, infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken.
Ook voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof in of als bouwstof worden de voorwaarden aangepast aan de huidige inzichten.
Er worden nog steeds voorwaarden opgelegd inzake totaalconcentratie van de verontreinigingen in de afvalstof, inzake uitloogbaarheid voor niet-vormgegeven bouwstoffen, en inzake maximale immissie in de bodem.
Voor de berekening van de immissie ten gevolge van de aanwending van een afvalstof als niet-vormgegeven bouwstof wordt standaard rekening gehouden met een effectieve infiltratie van 300 mm/jaar. In deze standaardsituatie ligt de niet-vormgegeven bouwstof zonder enige afscherming voor indringend hemelwater. Dit is dus een worst-case-benadering. Voor de aanwending van bepaalde afvalstoffen als niet-vormgegeven bouwstof kan onder specifieke voorwaarden afgeweken worden van de effectieve infiltratie van 300 mm/jaar. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt beperkt tot de afvalstoffen waarvoor geen haalbare alternatieve verwerkingsmogelijkheid bestaat. Het gebruik als secundaire grondstof moet dan wel afgeschermd worden, bij voorbeeld door een ondoordringbare afwerkingslaag zoals een slijtlaag.
Indien afvalstoffen aangewend worden als secundaire grondstof als bodem wordt de koppeling gemaakt met de definities en voorwaarden die opgelegd worden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem, zoals opgenomen in het VLAREBO in uitvoering van het bodemsaneringsdecreet. Dit is logisch om nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen en om geen verschillende normering te hebben. Dit betekent ook dat uitgegraven bodem die aan deze voorwaarden voldoet, niet als een afvalstof beschouwd wordt. Door de goedkeuring van deze wijziging van het VLAREA in samenhang met de recente wijziging van het VLAREBO moet een definitief einde gemaakt worden aan de discussies over het onderscheid tussen afval en bodem. Uiteraard is de administratieve opvolging gescheiden : voor het gebruik van bij voorbeeld baggerspecie als bodem is een gebruikscertificaat aan te vragen maar dient niet te worden voorzien in de opvolging via een bodembeheerrapport of een technisch verslag. Voor bagger- en ruimingsspecie wordt een bijzondere regeling vastgelegd om te bepalen wanneer bagger- en ruimingsspecie kan worden uitgespreid in de 5 meterstrook op de oever of in een oeverzone met als doel een eenduidige werkwijze vast te leggen.
Hier is een afstemming voorzien met de (deel)bekkenbeheersplannen. Er dient door de minister van Leefmilieu een Algemene Code van Goede Praktijk te worden opgemaakt die via een Omzendbrief wordt verspreid.
Elke waterloopbeheerder en de OVAM dienen te bekijken of deze Algemene Code verder moet worden verfijnd in functie van de specifieke omstandigheden in bepaalde gebieden. Na overleg beslist de OVAM over de goedkeuring van de verfijnde code.
Voor sommige afvalstoffen is nog steeds een gebruikscertificaat verplicht indien men ze wil gebruiken als secundaire grondstof. De procedure voor het bekomen van dit certificaat wordt niet gewijzigd.
De analyses dienen te gebeuren op de afvalstof vooraleer deze wordt toegepast. Jaarlijks is er een nieuwe analyse noodzakelijk voor te leggen aan de OVAM maar de OVAM kan bepalen dat geen nieuwe analyses nodig zijn of voor een aantal parameters er geen nieuwe analyses nodig zijn als op basis van andere informatie blijkt dat er zich geen problemen voordoen. De OVAM kan ook bepalen dat voor het verkrijgen/verlengen van een certificaat bepaalde parameters niet dienen te worden onderzocht als op basis van andere informatie zou blijken dat die parameters helemaal geen problemen kunnen opleveren voor het respecteren van de betrokken normen.
Voor grote waterinfrastructuurwerken is de mogelijkheid voorzien dat er, zoals in het VLAREBO, een kadastrale werkzone kan worden afgebakend waarbinnen dan dezelfde bepalingen gelden als deze die zijn voorzien in het VLAREBO voor grondverzet binnen de kadastrale werkzone. Uit een studie moet dan blijken dat er geen extra betekenisvol risico bij blootstelling is en er geen betekenisvolle verontreiniging is naar oppervlakte- en grondwater.
Als groot waterbouwkundig werk worden waterbouwkundige werken bedoeld waarbij bagger- of ruimingsspecie vrijkomt in een hoeveelheid groter dan 4.000 m; en dat voldoet aan een of meer van de volgende omschrijvingen : - nieuwe waterinfrastructuur die gerealiseerd wordt buiten het gabariet van de bestaande waterwegen, zoals onder andere de aanleg van nieuwe dokken, sluizen, toegangsgeulen, kanalen en afwateringssystemen; - het verbreden en/of verdiepen van bestaande waterwegen; - de realisatie van nieuwe waterinfrastructuur langsheen de waterwegen zoals onder andere kaaimuren, aanlegplaatsen, waterkeringen.
Als uit een studie zou blijken dat de specie door zijn fysische kwaliteiten geschikt is om te worden gebruikt als delfstof, is het aangewezen dat tegelijkertijd een aanvraag zou worden ingediend tot het verkrijgen van een « certificaat van herkomst », cf. de reglementering op de delfstoffen.
De normeringen voor gebruik van bagger- en ruimingsspecie (artikel 4.2.3.1) gaan pas in nadat LIN gedurende 6 maanden een testfase heeft doorlopen. Indien blijkt dat een aantal normen voor al te grote problemen zorgt, moeten deze opnieuw geëvalueerd worden en kan de invoering ervan worden uitgesteld.
Het procédé Hydrostab geeft vorm aan een afvalstof die nuttig kan toegepast worden. Gezien het een resultaat is van een bewuste menging kan het echter niet opgenomen worden in de lijst van secundaire grondstoffen. Indien de verschillende onderdelen van dit mengsel voldoen aan een aantal voorwaarden is het van belang dat het gebruik van het mengsel vrijgesteld wordt van de afvalheffing. Dit betekent dat het verwerkte slib een slechtere kwaliteit moet hebben dan deze die voldoet aan de VLAREA-criteria voor het gebruik als bodemverbeterend middel en dat de verwerkte zanden of gronden en de verwerkte assen op basis van BBT niet meer kunnen worden gereinigd en hergebruikt als secundaire grondstof. Er moet door de Vlaamse overheid over gewaakt worden dat het gebruik van dit procédé geen negatief effect heeft op de in Vlaanderen aanwezige reinigingsinstallaties voor verontreinigde gronden en de behandelingsinstallaties voor verbrandingsassen.
HOOFDSTUK 5 In dit hoofdstuk worden de regels vastgelegd die gelden voor de inzameling, het vervoer en de verwerking van afvalstoffen, onder meer de erkenning van de overbrengers, de registratie van de vervoerders, de voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen, de afvalstoffen die selectief moeten ingezameld worden, de stort- en verbrandingsverboden en de specifieke regels die gelden voor een aantal bijzondere afvalstoffen.
Het begrip "ophaler" wordt vervangen door "overbrenger" omdat dit nauwer aansluit bij wat met het begrip bedoeld wordt. Nieuw is dat nu ook voor de overbrenging van niet-gevaarlijke afvalstoffen een formele erkenning vereist is, waar dit tot op heden beperkt was tot de gevaarlijke afvalstoffen. Het in te dienen dossier voor het bekomen van een erkenning voor niet-gevaarlijke afvalstoffen is wel eenvoudiger dan deze voor gevaarlijke afvalstoffen. Voor niet-gevaarlijke afvalstoffen was de ophaler vroeger van rechtswege erkend. Er zijn wel enkele uitzonderingen voorzien, onder meer voor de gemeenten en intercommunales, voor de particulier en kleine zelfstandige die zijn afvalstoffen zelf naar een inzamelpunt voor afvalstoffen brengt. Deze zijn nog steeds van rechtswege erkend. Ook voor het overbrengen van afvalstoffen die ontstaan bij gewone onderhoudsdiensten, naar het eigen bedrijf of naar een verwerkingsinrichting geldt deze uitzondering. Hiermee worden de kleine onderhoudswerken of beperkte renovatiewerken bedoeld zoals het herstellen van een gebouw, schilderwerken, loodgieterijwerken, tuinonderhoud en dergelijke, maar niet bij voorbeeld het aanleggen van een weg of de volledige renovatie van gebouwen. Deze uitzondering kan verantwoord worden omdat ernaar gestreefd wordt om de administratieve en technische lasten voor de betrokken categorieën te verlichten en bovendien door het feit dat het hier gaat om transporten waarbij het risico op milieuhinder heel gering is. Indien nodig zal OVAM dit verder verfijnen in een afspraak te maken met de betrokken beroepsfederaties.
Voor het vervoer van afvalstoffen, het laden van een schip met een kraan wordt hier niet bedoeld, moet steeds een opdrachtgever aangeduid worden. Dit kan een erkend overbrenger zijn, maar ook de producent of een kennisgever zoals bedoeld in de wetgeving inzake in- en uitvoer van afvalstoffen. Voor gevaarlijke afvalstoffen en KGA moet de opdrachtgever in het bezit zijn van een verzekeringscontract dat de schade dekt die zou ontstaan tijdens het vervoer van de afvalstoffen.
De hoogte van de dekking per schadegeval bedraagt minimaal 5 miljoen euro indien de afvalstoffen onder de ADR-reglementering vallen en 2,5 miljoen euro in de ander gevallen. In de huidige regelgeving is dit maximaal 2,5 miljoen euro. De hoogte van de dekking wordt in de erkenning bepaald.
Ieder transport van afvalstoffen moet vergezeld worden van een identificatieformulier, behalve voor huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die in één ophaalronde worden ingezameld (dus de klassieke « melkrondes » die te onderscheiden zijn van aparte ophalingen bij grotere bedrijven), en in dezelfde gevallen zoals voorzien bij de van rechtswege erkenning voor de ophaling van afvalstoffen (zie hoger). Dit formulier moet door de opdrachtgever ingevuld, ondertekend en gedateerd worden voor het vervoer aanvangt en bij aankomst ook door de bestemmeling. Voor gevaarlijk afval moet ook de producent voor het transport het formulier ondertekenen. De ingevulde en ondertekende formulieren moeten tien jaar door de opdrachtgever bijgehouden worden.
De categorieën afvalstoffen die selectief moeten aangeboden worden, worden sterk uitgebreid, zowel voor huishoudelijke als voor bedrijfsafvalstoffen. Dit heeft tot doel het recyclagebeleid verder te ondersteunen. Gemeenten moeten voor de aangeduide categorieën een selectieve inzameling aanbieden, hetzij huis aan huis, hetzij via het containerpark. Ook bedrijven moeten hun afvalstoffen aan de bron scheiden en selectief laten ophalen. Dit artikel heeft vooral een belangrijke signaalfunctie. Het is niet de bedoeling om voor iedere overtreding op dit artikel die vastgesteld wordt, een proces-verbaal op te stellen. Alleen waar manifeste onwil wordt vastgesteld, moet opgetreden worden.
De stort- en verbrandingsverboden blijven gehandhaafd, maar worden wel anders geformuleerd. Het afvalbeleid heeft als doel om afvalstoffen te verwerken op een wijze die zo hoog mogelijk op de ladder van Lansink staat. Brandbare afvalstoffen moeten verbrand worden met energierecuperatie, indien ze niet gerecupereerd kunnen worden, i.p.v. gestort. Vermits er in de eerstvolgende jaren nog onvoldoende verbrandingscapaciteit in Vlaanderen beschikbaar zal zijn, wordt het systeem van de afwijkingen behouden. De toegestane afwijkingen zullen echter jaarlijks beperkt worden. Uitgangspunt is dat er geen afwijkingen meer zullen verleend moeten worden zodra alle op heden geplande initiatieven inzake alternatieve verwerking zullen gerealiseerd zijn.
De bestaande bepalingen voor de bijzondere afvalstoffen worden grotendeels hernomen. Hieronder wordt alleen een overzicht gegeven van de wijzigingen en van de nieuwe verplichtingen die ingevoerd worden.
Voor KGA wordt aan de gemeenten de mogelijkheid geboden om KGA van bedrijven dat in aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong ook in te zamelen via het bestaande circuit, op voorwaarde dat dit tegen kostprijs gebeurt. Verder wordt ook ingevoerd dat de plicht voor de gemeenten om gratis het KGA in te zamelen niet geldt voor het KGA dat onder een aanvaardingsplicht valt.
Indien het beheersorganisme toch op het gemeentelijke inzamelsysteem beroep wenst te doen, moeten de kosten hiervoor vergoed worden. Ook hier geldt dat de gemeenten alleen de specifieke kosten voor de inzameling en eventueel verwerking kunnen inbrengen, en dit niet als een bijkomende inkomstenbron mogen beschouwen. In geval van betwisting tussen de gemeenten en het beheersorganisme zal de OVAM als bemiddelaar optreden en indien nodig de nodige beslissingen nemen.
Gelet op de ervaring wordt tevens ingevoerd dat geen enkele KGA-stroom nog mag verwerkt worden op een wijze waardoor hij mogelijk in de voedselketen van mens of dier zou kunnen belanden.
Voor afgedankte voertuigen wordt de regelgeving in overeenstemming gebracht met de Europese richtlijn. Dit omvat geen belangrijke wijzigingen vermits de bestaande Vlaamse regelgeving in belangrijke mate in de richtlijn werd overgenomen. Er wordt wel bijkomend opgelegd dat de doelstellingen inzake hergebruik, recyclage en nuttige toepassing die in het kader van de aanvaardingsplicht voor afgedankte voertuigen opgelegd worden, door ieder erkend centrum afzonderlijk moeten behaald worden.
De bepalingen inzake PCB's worden in het VLAREA opgenomen i.p.v. in de VLAREM-reglementering omdat dit voornamelijk betrekking heeft op afvalbeheer en dus meer op zijn plaats is in het VLAREA. Nieuw zijn de bepalingen met betrekking tot de financiering van de inzameling en verwerking van luiers door de producenten en invoerders.
Deze afvalstroom krijgt immers een steeds belangrijker aandeel in de restfractie. De bedoeling is om op termijn de kosten die aan de inzameling en verwerking verbonden zijn, mee te integreren in de kostprijs van het product, zodat er een positieve impuls gegeven wordt aan de herbruikbare luiers. In opdracht van de OVAM loopt op dit ogenblik ook een proefproject om dit in de toekomst verder te onderbouwen en uit te werken.
Ook de zwerfvuilproblematiek wordt aangepakt. Dit gebeurt door de invoering van de bepalingen voor de producenten en invoerders van verpakte verbruiksgoederen, aan te duiden door de OVAM, die vaak in het zwerfvuil terug te vinden zijn. Bedoeling is dat de producenten en invoerders hun verantwoordelijkheid ter zake opnemen. Dit wordt gekoppeld aan een protocol dat zal worden afgesloten tussen de minister van Leefmilieu en verschillende instanties, waaronder bedrijfsfederaties, om deze problematiek gezamenlijk aan te pakken.
Als er via dit protocol geen merkbare resultaten worden geboekt inzake de aanwezigheid van verpakkingen in het zwerfvuil, zal de invoering van financieel-economische instrumenten onderzocht worden.
De bepalingen voor de afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, die in het VLAREA en in titel II van het VLAREM worden ingeschreven, zijn een omzetting van de Europese wetgeving ter zake.
Wat betreft de bepalingen inzake in- en uitvoer worden de afvalstoffenlijsten niet langer opgenomen als bijlage bij het VLAREA. Deze lijsten zijn immers ook opgenomen in de Europese verordening en als dusdanig onmiddellijk rechtsgeldig in de Europese lidstaten. Een wijziging van deze bijlagen, hoe klein ook, zou dan telkens een wijziging van het VLAREA tot gevolg hebben, wat op zich niet noodzakelijk is vermits het een verordening betreft.
HOOFDSTUK 6 In hoofdstuk 6 worden de verplichtingen inzake registratie en rapportage van afvalstoffengegevens vastgelegd.
Met het oog op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk zal door de OVAM een aggregatie van de afvalstoffenlijst opgesteld worden, goed te keuren door de minister. Deze aggregatielijst zal een minder gedetailleerde opsomming van afvalcategorieën bevatten. Hierdoor zal het voor de betrokken actoren gemakkelijker zijn om aan de bepalingen van dit hoofdstuk te voldoen.
De verplichting tot het bijhouden van een afvalstoffenregister wordt opgelegd aan de producenten, de overbrengers en de verwerkers van afvalstoffen. Ook de gemeenten en intercommunales moeten een register bijhouden van de zelf of in hun opdracht ingezamelde afvalstoffen.
Omdat vastgesteld wordt dat tot op heden toch niet alle producenten van afvalstoffen aan de meldingsplicht voor de door hen geproduceerde afvalstoffen voldoen, zal door de OVAM jaarlijks op basis van statistische criteria een lijst opgesteld worden van de bedrijven die aan de meldingsplicht moeten voldoen. Met de gegevens die op deze wijze ingezameld worden, is het mogelijk om door het toepassen van statistische methoden een voldoende betrouwbaar beeld te krijgen van de hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen die jaarlijks in het Vlaamse gewest geproduceerd worden en op welke wijze ze verwerkt worden.
Ook aan de gemeentelijke overheden wordt de verplichting opgelegd om jaarlijks een rapport aan de OVAM te bezorgen over de door hen of in hun opdracht ingezamelde afvalstoffen. Dit gebeurt nu ook reeds op basis van een enquête die door de OVAM bij de gemeenten en intercommunales opgevraagd wordt. De invoering van een wettelijke verplichting geeft aan de OVAM de mogelijkheid om meer druk te zetten op de gemeenten om hieraan mee te werken.
Nieuw is dat ook de overbrengers en de invoerders van afvalstoffen verplicht worden en jaarrapport in te dienen bij de OVAM. Dit zal het mogelijk maken om een volledig beeld te krijgen van de afvalstromen in het Vlaamse gewest.
HOOFDSTUK 7 Om de samenstelling van afvalstoffen te bepalen en te onderzoeken of aan de wettelijke bepalingen van bij voorbeeld het VLAREA en Titel II van het VLAREM voldaan is, moeten de analyses op dit ogenblik reeds door een erkend laboratorium uitgevoerd worden. Wel worden de parameterpakketten waarvoor een erkenning kan bekomen worden, aangepast aan de huidige noodwendigheden.
Bij de beoordeling van de ingediende aanvragen wordt de OVAM ondersteund door de VITO. De VITO zal de OVAM bijstaan door de monsters voor te bereiden die door de laboratoria die een erkenning wensen te bekomen, moeten geanalyseerd worden in het kader van hun aanvraag, door de laboratoria te bezoeken en over de ingediende analyseresultaten een beoordelingsverslag op te stellen. Op basis van dit verslag wordt dan door de leidend ambtenaar van de OVAM al of niet een erkenning verleend.
De erkende laboratoria moeten verplicht deelnemen aan de door de OVAM georganiseerde controlerondes. Dit is noodzakelijk om de kwaliteit van de uitgevoerde analyses te garanderen.
HOOFDSTUK 8 Hoofdstuk 8 bevestigt de bepalingen die nu reeds van toepassing zijn inzake de inning van de milieuheffingen. Om rechter-partij-situaties te vermijden zal de OVAM echter geen deel meer uitmaken van de commissie die de minister adviseert inzake beroepen die ingediend worden tegen de navorderingen of ambtelijke aanslagen die door de OVAM opgesteld worden. De OVAM kan wel nog gehoord worden door de commissie.
HOOFDSTUK 9 In het huidige VLAREA zijn alleen de aangeduide ambtenaren van de OVAM en van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL aangeduid als toezichthoudende ambtenaren op de bepalingen van het afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Dit wordt uitgebreid met de aangeduide ambtenaren van andere Vlaamse administraties binnen het kader van de hen toegewezen bevoegdheden.
HOOFDSTUK 10 Het laatste hoofdstuk behandelt de overgangs-, de wijzigings- en de opheffingsbepalingen.
De bestaande milieubeleidsovereenkomsten moeten binnen het jaar aangepast worden aan de wettelijke bepalingen die in het nieuwe VLAREA vastgelegd worden. Hierover zal de OVAM met de betrokken organisaties onderhandelen.
De huidige erkende ophalers van afvalstoffen worden automatisch erkend als overbrenger van afvalstoffen voor die afvalstoffen waarvoor ze nu reeds erkend zijn. Zij moeten wel voldoen aan de nieuwe voorwaarden overeenkomstig dit besluit.
De nieuwe stort- en verbrandingsverboden treden in werking vanaf de eerste dag van de zevende maand na publicatie van dit besluit, zodat de betrokkenen voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden.
De bestaande erkenningen als laboratorium blijven behouden gedurende een overgangstermijn van maximaal twee jaar. De nieuwe voorwaarden moeten wel onmiddellijk vervuld worden.
In Titel II van het VLAREM worden eveneens de noodzakelijke wijzigingen ingevoerd om tegenstrijdige bepalingen in verschillende wetgevingen te vermijden.
Het huidige VLAREA wordt logischerwijze opgeheven, evenals enkele andere besluiten of onderdelen ervan die bijkomend in het nieuwe VLAREA geïntegreerd worden.
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, L. SANNEN
5 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 28 juni 1985, 22 oktober 1986, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 20 april 1994, 21 december 1994, 19 april 1995, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997, 7 juli 1998, 19 december 1998, 6 juli 2001,13 juli 2001,21 december 2001, 5 juli 2002 en 20 december 2002;
Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994, 8 juli 1996, 21 oktober 1997, 11 mei 1999, 18 mei 1999, 9 maart 2001 en 21 december 2001;
Gelet op artikel 48bis van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ingevoegd bij het decreet van 26 mei 1998;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 1990 houdende nadere regelen betreffende de milieuheffingen op vaste afvalstoffen zoals gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 17 december 1997 en 17 november 2000;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 en de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995, 26 juni 1996, 22 oktober 1996, 12 januari 1999, 15 juni 1999, 29 september 2000, 20 april 2001, 13 juli 2001, 5 oktober 2001 en 31 mei 2002;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994 betreffende de aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan, wat inzonderheid de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun respectieve aanhorigheden betreft;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 september 1994 houdende aanwijzing van de categorieën van ambtenaren van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, belast met het toezicht op de naleving van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan, inzonderheid wat de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en de natuurreservaten betreft;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997, 17 december 1997, 24 maart 1998, 6 oktober 1998, 19 januari 1999, 15 juni 1999, 3 maart 2000, 17 maart 2000, 17 juli 2000, 19 januari 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 18 januari 2002, 25 januari 2002 en 31 mei 2002;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 19 december 1998, 9 februari 1999,12 oktober 2001, 7 december 2001, 12 oktober 2001,14 juni 2002 en 17 januari 2003;
Gelet op het
besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
24/01/1998
numac
1998035057
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993, wat de toegang tot de functie van leidend ambtenaar betreft
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
20/02/1998
numac
1998035195
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 17 december 1997 houdende subsidiëring van provinciebesturen inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
25/12/1997
numac
1997036535
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de heffingscoëfficiënt inzake de grindwinning voor 1998
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
10/02/1998
numac
1998035068
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de zendtijd voor het kalenderjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke en politieke verenigingen erkend om televisieprogramma's te verzorgen
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
29/01/1998
numac
1998035092
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse regering d.d. 3 mei 1995 betreffende de centra voor menselijke erfelijkheid
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
25/12/1997
numac
1997036536
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de sociale huisvestingsmaatschappijen
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
10/02/1998
numac
1998035069
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de zendtijd voor het kalenderjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke, de politieke en de sociaal-economische verenigingen erkend om radioprogramma's te verzorgen
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/12/1997
pub.
10/02/1998
numac
1998035070
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de subsidie voor het begrotingsjaar 1998 voor de levensbeschouwelijke, de politieke en de sociaal-economische verenigingen erkend om radioprogramma's te verzorgen
sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 9 februari 1999, 22 december 1999, 28 april 2000, 9 februari 2001, 1 februari 2002, 22 februari 2002 en 14 maart 2003;
Gelet op het
besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2000Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/03/2000
pub.
17/05/2000
numac
2000035462
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's
sluiten houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's;
Overwegende dat de volgende Europese richtlijnen en beschikkingen geheel of gedeeltelijk worden omgezet in dit besluit : - de Richtlijn 75/439/EEG inzake de verwijdering van afgewerkte olie, gewijzigd bij de Richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986, de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000; - de Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, gewijzigd bij de Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991, de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996; - de Richtlijn 86/278/EEG betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw, gewijzigd bij de Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 en de Verordening 807/2003/EG van de Raad van 14 april 2003; - de Richtlijn 91/157/EEG inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten, gewijzigd bij de Richtlijn 98/101/EG van de Commissie van 22 december 1998; - de Richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen, gewijzigd bij de Richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994; - de Richtlijn 96/59/EG betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen; - de Richtlijn 2000/53/EG betreffende autowrakken, gewijzigd bij de Beschikking 2002/525/EG van de Commissie van 27 juni 2002; - de Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen, gewijzigd bij de Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002; - de Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; - de Beschikking 2000/532/EG tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen, gewijzigd bij de Beschikking 2001/118/EG van de Commissie van 16 januari 2001, de Beschikking 2001/119/EG van de Commissie van 22 januari 2001 en de Beschikking 2001/573/EG van de Raad van 23 juli 2001;
Gelet op het overleg met de bevoegde federale overheid, gevoerd op 23 september 2002, 30 september 2002, 24 februari 2003, 3 maart 2003 en 24 maart 2003;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 4 juni 2002;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 29 november 2002;
Gelet op advies 35.781/3 van de Raad van State, gegeven op 17 september 2003, met toepassing van artikel 84, § 1 eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking;
Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Definities Artikel 1.1.1. § 1. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 2 juli 1981, betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zijn van toepassing op dit besluit. § 2. Voor de toepassing van dit besluit gelden ook de hierna opgenomen begrippen en definities. 1° Afvalstoffendecreet : het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;2° Milieuvergunningsdecreet : het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;3° titel I van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;4° titel II van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;5° Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor het leefmilieu;6° OVAM : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;7° Vlarebo : het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de bodemsanering; 8 EURAL : Europese Afvalstoffenlijst; 9° producent : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten produceert of laat produceren en op de markt brengt of laat brengen in het Vlaamse Gewest;10° invoerder : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan de producent, die in het Vlaamse Gewest producten invoert voor eigen verbruik of om op de markt te brengen;11° tussenhandelaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten verdeelt aan een of meerdere eindverkopers in het Vlaamse Gewest;12° eindverkoper : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest producten te koop aanbiedt aan de consument;13° landbouwfolie : kunststoffolie die wordt gebruikt in het kader van een land-, tuinbouw- of veeteeltactiviteit, met uitzondering van verpakkingen in de zin van het decreet van 16 januari 1997 houdende het samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafvalstoffen;14° fotochemicaliën : ontwikkelvloeistof, plaatontwikkelaar, activatoroplossing, fixeer-, bleek- en bleekfixeervloeistof, en regeneratievloeistof;15° dierlijke en plantaardige vetten en oliën : alle eetbare dierlijke en/of plantaardige oliën en vetten en hun mengsel geschikt om aangewend te worden bij het frituren van voedingsmiddelen (zoals bedoeld in het
koninklijk besluit van 22 januari 1988Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/01/1988
pub.
25/11/2016
numac
2016018355
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende het gebruik van eetbare oliën en voedingsvetten bij het frituren van voedingsmiddelen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende het gebruik van eetbare oliën en voedingsvetten, bij het frituren van voedingsmiddelen) door huishoudens of professionele gebruikers (met deze laatsten wordt bedoeld horeca, frituren, grootkeukens, ziekenhuizen, kantines, catering en soortgelijke installaties die in het kader van hun professionele activiteiten oliën en vetten gebruiken voor het frituren van voedingsmiddelen);16° vloerbedekking : tapijt, vinyl vloerbekleding, linoleum, parket en laminaat;17° drukwerk : dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften, periodieken, gratis regionale pers, gratis publicaties, telefoongidsen, faxgidsen, reclamedrukwerk en ander drukwerk, verdeeld in het Vlaamse Gewest;18° reclamedrukwerk : al het drukwerk dat minder dan vijfmaal per week verschijnt en waarin minder dan 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen van algemene informatie;19° gratis regionale pers : alle drukwerk met vast verschijningsritme dat men gratis krijgt, met uitsluiting van het drukwerk dat uitgaat van een adverteerder of een daartoe opgerichte groep van adverteerders, waarin op jaarbasis minimaal 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen van algemene informatie;20° gratis publicaties : elk drukwerk dat men gratis krijgt en dat geen reclamedrukwerk of gratis regionale pers is;21° producent van drukwerk : de uitgever die drukwerk in verbruik brengt in het Vlaamse Gewest;de uitgever is de persoon die het drukwerk laat aanmaken en verantwoordelijk is voor de vorm en de inhoud; 22° invoerder van drukwerk : de persoon die voor rekening van een buitenlandse uitgever drukwerk in verbruik brengt in het Vlaamse Gewest;23° recyclingvoet : het percentage van het gewicht aan gerecycleerd drukwerk ten opzichte van het totale gewicht aan drukwerk dat tijdens het voorgaande kalenderjaar door welke producent of invoerder van drukwerk ook in verbruik werd gebracht in het Vlaamse Gewest;24° houtafval : houtafval afkomstig van constructiewerken, bouwmaterialen, meubilair en grote speeltuigen; 25° voertuig : voertuigen die onder de categorie M1 of N1 vallen, omschreven in bijlage II.A van de richtlijn 70/156/EEG van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, alsmede driewielige motorvoertuigen als omschreven in de richtlijn 92/61/EEG van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen, met uitzondering van driewielers, ongeacht hoe het voertuig tijdens het gebruik werd onderhouden of gerepareerd en ongeacht of het werd uitgerust met door de producent geleverde onderdelen dan wel met andere onderdelen die als vervangings- of inbouwonderdeel in overeenstemming met de relevante gemeenschapsbepalingen of interne bepalingen werden aangebracht; 26° motorrijwiel : ieder voertuig op twee wielen, al dan niet met zijspan, voorzien van een motor, bestemd om aan het wegverkeer deel te nemen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 50 km per uur;27° band : een band van personenwagens, caravans, aanhangwagens, autobussen, lastwagens voor het vervoer van goederen, motorrijwielen, alsook van landbouwtractoren, landbouwmachines en toestellen voor industrieel gebruik en openbare werken; 28° elektrische en elektronische apparatuur : apparaten die elektrische stromen of elektronische velden nodig hebben om naar behoren te kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, die onder een van de in artikel 3.5.1 genoemde categorieën vallen en bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 volt bij wisselstroom en 1500 volt bij gelijkstroom; eveneens zijn begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt.
Worden niet bedoeld : apparaten die deel zijn van een andere apparatuur die niet als elektrische of elektronische apparatuur wordt gedefinieerd, en apparatuur die verband houdt met de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, tenzij het gaat om producten die niet voor specifiek militaire doeleinden zijn bestemd; 29° elektrische en elektronische medische hulpmiddelen : elektrische en elektronische apparaten, meer bepaald : a) medische hulpmiddelen zoals bepaald in artikel 1, § 2, van het
koninklijk besluit van 18 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/03/1999
pub.
14/04/1999
numac
1999022270
bron
ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende de medische hulpmiddelen
sluiten betreffende de medische hulpmiddelen;b) medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek zoals bepaald in artikel 1, § 2, van het
koninklijk besluit van 14 november 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
14/11/2001
pub.
12/12/2001
numac
2001022774
bron
ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitro diagnostiek
sluiten betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek;c) elektromedische systemen met inbegrip van het elektronisch CICT-materiaal dat er integraal deel van uitmaakt;30° elektromedisch systeem : combinatie van ofwel meerdere elektromedische uitrustingen, ofwel van een elektromedische uitrusting en een niet-(elektro)medische uitrusting, met een gespecificeerde functie en verbonden door een koppeling en/of een verplaatsbare sokkel met meervoudig stopcontact;31° kringloopcentrum : een door de OVAM erkende rechtspersoon die over een inzamelingsdienst, sortering en verkoopsruimte beschikt en die in een afgebakend verzorgingsgebied afgedankte elektrische en elektronische apparatuur inzamelt, opslaat, sorteert, herstelt en verkoopt met producthergebruik als doel; 32° percentage van hergebruik en recycling : het percentage van het gewicht aan afvalstoffen, onderverdeeld per materiaalsoort zoals bedoeld in artikel 3.5.3, die tot grondstof gerecycleerd worden, vermeerderd met de apparatuur, onderverdeeld per materiaalsoort, die wordt hergebruikt, ten opzichte van het totale gewicht van de overeenkomstige materiaalsoort van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die werd ingezameld; 33° batterij : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meerdere primaire (niet-oplaadbare) cellen of secundaire (oplaadbare) cellen;34° loodstartbatterij : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit loodplaten in een elektrolytoplossing, bestemd voor het starten van een verbrandingsmotor;35° inzamelpercentage : het gewichtspercentage van afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die werden ingezameld ten opzichte van het totale gewicht van afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die gedurende eenzelfde periode zijn ontstaan; 36 recyclingpercentage : het gewichtspercentage van de afvalstoffen die werkelijk tot grondstof of product gerecycleerd worden, ten opzichte van het totale gewicht van de afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen die werden ingezameld; 37° olie : alle soorten smeerolie of industriële olie, op minerale of synthetische basis, in het bijzonder olie voor verbrandingsmotoren, transmissiesystemen, alsmede olie voor machines, turbines, warmteoverdracht en hydraulische systemen met uitzondering van PCB-oliën;38° regeneratie van afgewerkte olie : elk procédé dat door middel van zuivering van afgewerkte olie, met name door afscheiding van verontreiniging, oxidatieproducten en additieven, basisolie oplevert;39° oude en vervallen geneesmiddelen : restanten van geneesmiddelen zoals bedoeld in artikel 1 van de
wet van 25 maart 1964Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
25/03/1964
pub.
11/12/2017
numac
2017031760
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Wet op de geneesmiddelen - Bekendmaking overeenkomstig artikel 13bis, § 2quinquies, laatste lid, van de geïndexeerde bedragen van de heffingen en retributies
type
wet
prom.
25/03/1964
pub.
21/06/2011
numac
2011000361
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op de geneesmiddelen
sluiten op de geneesmiddelen, met uitzondering van artikel 1bis van deze wet, die farmaceutische specialiteiten zijn, en die aan een particulier werden verstrekt en waarvan hij zich ontdoet, wil ontdoen of moet ontdoen;40° farmaceutische specialiteit : elk vooraf bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht; 41° lijst : de lijst, bedoeld in artikel 11 van het Afvalstoffendecreet, zoals opgenomen in bijlage 4.1 bij dit besluit; 42° gebruikscertificaat : het door de OVAM verleende certificaat dat het gebruik van de afvalstof als secundaire grondstof toelaat;43° werk : waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk of bouwkundig grondwerk die duidelijk te onderscheiden zijn van de bodem;44° baggerspecie : bodemmateriaal afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van bevaarbare waterlopen behorende tot het openbare hydrografische net en/of aanleg van nieuwe waterinfrastructuur, met inbegrip van kanalen, havens en dokken;45° ruimingsspecie : bodemmateriaal afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van de bodem van oppervlaktewateren zoals gedefinieerd in titel II van het Vlarem en voor zover het geen bevaarbare waterlopen of terrestrische bodems betreft;46° bodem : de bodem zoals gedefinieerd in het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering;47° bouwstof : stof, bestemd om in een werk te worden gebruikt;48° vormgegeven bouwstof (V-bouwstof) : bouwstof die aan de volgende criteria voldoet : a) een lichaam dat minstens een kubus van 40 mm zijde kan omvatten of bij andere productgeometrie een vergelijkbare oppervlakte bezit;b) een druksterkte van minstens 9 N/mm2, bepaald volgens de proefmethode uit de NBN-reeksen aangepast aan het eindproduct; c) een oppervlaktegerelateerde afgifte zoals bepaald volgens de diffusieproef, methode CMA 2/I …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.