← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decree

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt bestaande Vlaamse regelgeving over milieubeleid en het duurzaam beheer van materialen en afvalstoffen, met als doel de implementatie van Europese richtlijnen en het verbeteren van afvalpreventie, gescheiden inzameling en recycling.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

2 JULI

  1. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene toelichting Het ontwerp van besluit strekt er toe het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) en bijlage VIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid te wijzigen. De wijzigingen in Vlarema betreffen wijzigingen van of aanvullingen op: -Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen - Hoofdstuk 2, Afbakening van de afvalfase - Hoofdstuk 3, Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid Afdeling 3.1 - Algemene bepalingen Afdeling 3.2 - Aanvaardingsplicht Afdeling 3.4 - Afvalstofspecifieke bepalingen Afdeling 3.5 - Vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen - Hoofdstuk 4, Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen Afdeling 4.1 - Indeling van afvalstoffen Afdeling 4.2 - Indeling van afvalstoffenhandelingen Afdeling 4.3 - Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen Afdeling 4.5 - Stort- en verbrandingsverboden - Hoofdstuk 5, Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen Afdeling 5.2 - Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen Afdeling 5.3 - Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstoffen zijn - Hoofdstuk 6, Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen Afdeling 6.1 - Vervoeren en inzamelen van en handelen en makelen in afvalstoffen - Hoofdstuk 9, Milieuheffingen en milieubijdragen - Bijlagen Deze wijzigingen hebben betrekking op: - de aanpassingen noodzakelijk voor de implementatie van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG; - het aanpassen van de omschrijving van de afvalstoffen van schepen die gescheiden kunnen worden aangeboden zodat deze in lijn zijn met de IMO richtsnoeren1 gekoppeld aan de gewijzigde MARPOL Annex V
  2. - de aanpassingen noodzakelijk voor de implementatie van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen - bepalingen ter bevordering van de selectieve sloop van gebouwen en de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten - de uitvoeringsbepalingen van artikel 33 van het materialendecreet betreffende asbestinventarisatie - bepalingen ter bevordering van de preventie van afval en de gescheiden inzameling van een aantal afvalstoffen - enkele nieuwe bepalingen omtrent banden, olie, matrassen, batterijen en accu's en afgedankte voertuigen in kader van de aanvaardingsplicht - de digitalisering van data-inzameling met betrekking tot afvalstoffen - het minder fraudegevoelig maken van de manier waarop analyseresultaten van grondstoffen met de OVAM worden uitgewisseld - aanpassingen om ervoor te zorgen dat de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders naast hun bestaande bevoegdheden inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet (het achterlaten van afvalstoffen), ook bevoegd worden om te handhaven op het verbod om te sluikstorten of zwerfvuil te veroorzaken - een aantal redactionele of inhoudelijke aanpassingen of verduidelijkingen. Bepalingen rond de inzameling van afval van schepen van de zeevaart De bepalingen die nodig zijn voor de omzetting van de richtlijn havenontvangstvoorzieningen voor afvalafgifte van schepen en voor de conformiteit met de IMOrichtsnoeren omschrijven: - een aantal definities die in deze richtlijnen worden gebruikt - de vereisten met betrekking tot de gescheiden inzameling van scheepsafvalstoffen - welke schepen onder deze bepalingen vallen - de vereisten waaraan een havenontvangstvoorziening moet voldoen - de criteria voor de opmaak van een afvalbeheersplan door de havenbeheerder - de procedure voor goedkeuring van dergelijke plannen door de OVAM - de informatie die moet worden verstrekt aan elke havengebruiker - de informatie die moet worden verstrekt door de havengebruiker - de verplichtingen met betrekking tot de afvalafgifte door een schip - de wijze waarop kosten worden vergoed - de mogelijkheden tot vrijstelling van bepaalde verplichtingen - de verplichtingen met betrekking tot de rapportage van afval in een Europese databank - opleidingsvereisten voor het personeel dat de afvalstoffen inzamelt. Verplichte sloopopvolging met oog op betere kwaliteit van gerecycleerde granulaten Met betrekking tot het thema bouw zijn in dit besluit wijzigingen opgenomen die de selectieve sloop en de kwaliteit van de recyclaten zullen verhogen. Zo wordt de volledige sloopopvolging van opmaak van een sloopopvolgingsplan tot het afleveren van een sloopattest verplicht gemaakt voor grote werven. Dit zijn de werven waarvoor de opmaak van een sloopopvolgingsplan volgens de huidige Vlarema reeds verplicht is. Er wordt voor gekozen om sloopopvolging gefaseerd in te voeren en te starten met die werken waarvoor nu al de opmaak van een sloopopvolgingsplan verplicht is. Deze verplichting biedt de volgende voordelen: - Er komen meer representatieve data ter beschikking over de herkomst, de hoeveelheid en de verwerkingswijze van de sloopmaterialen. Op die manier worden de materiaalstromen in de keten zichtbaar en kan het beleid gerichter en sneller worden bijgestuurd. - Op de databanken van de sloopbeheerorganisatie (en de bodembeheerorganisaties) kan datamining toegepast worden zodat handhaving meer gerichte controles kan uitvoeren. Jaarlijks worden ca. 10 000 sloopvergunningen afgeleverd. Deze kunnen qua aantal en volume onmogelijk gecontroleerd worden door de inspecteurs van departement Omgeving of door de lokale inspecteurs. Door een verplichte sloopopvolging kan de sloopbeheerorganisatie de handhavers op een gerichte wijze de nodige informatie ter beschikking stellen, zodanig dat met hetzelfde aantal handhavers een veel groter resultaat kan worden bereikt. - Door middel van datamining kan eveneens onderzocht worden welke materiaalstromen in de toekomst vrijkomen en welke synergiën er mogelijk zijn tussen sorteer-, reinigings- en de verschillende verwerkingsinrichtingen voor de respectievelijke fracties. Afvalstoffen voor de ene verwerker zijn potentiële grondstoffen voor de andere verwerker. Een betere sloopopvolging door de sloopbeheerorganisatie kan een transitie naar circulaire verdienmodellen binnen de bouwsector ondersteunen. Uiteraard is datamining als basis voor het beleid, het versterken van de circulaire economie en handhaving enkel mogelijk wanneer de sloopbeheerorganisatie de kritische werven en een representatief deel van de materiaalstromen kan opvolgen. Deze wijziging houdt hier rekening mee. Naar schatting komt meer dan 50% van het bouw- en sloopafval vrij bij de grote sloopwerven. Het aantal werven waarvoor sloopopvolging wordt ingevoerd is relatief beperkt maar vertegenwoordigen naar verhouding grote hoeveelheden afvalstromen. Het initiële doel van de sloopopvolging zelf is de kwaliteit van de sloopmaterialen verbeteren zodat deze sloopmaterialen hergebruikt of gerecycleerd kunnen worden. De inzet in de meer hoogwaardige toepassingen wordt op die manier gefaciliteerd. In de standaardprocedures voor sloopopvolging is dit in detail uitgewerkt voor de puinfractie, veruit de grootste stroom sloopmateriaal. Puin wordt gebroken tot gerecycleerde granulaten. Copro en Certipro garanderen de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten door de certificatie overeenkomstig het eenheidsreglement. Via dit eenheidsreglement wenst men de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten te verbeteren door de invoering van het onderscheid tussen laagmilieurisico-profiel (LMRP) en hoogmilieurisico-profiel (HMRP). In tegenstelling tot LMRP-puin waarbij het puin bij de afvoer naar de breker wordt opgevolgd en er kwaliteitsgaranties zijn over het puin, is dit bij HMRP-puin niet het geval. De verwerking van dit HMRP-puin zal daarom strikter moeten opgevolgd worden om zo de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten te kunnen garanderen. De invoering van volledige sloopopvolging voor grote werven moet ervoor zorgen dat de hoeveelheid LMRP-puin groter wordt zodat het LMRP-puin als een afzonderlijke stroom zal verwerkt worden. Omdat het aandeel LMRP dat werd aangeboden bij de breker tot op heden beperkt bleef, werd dit LMRP-puin samen met het HMRP-puin als HMRP-puin verwerkt. De beoogde kwaliteitsverbetering van de gerecycleerde granulaten werd niet bekomen omdat het beperkte aandeel `kwaliteitsvol' LMRP-puin wordt vermengd met het HMRP-puin. Sloopopvolging moet er dus voor zorgen dat het aandeel LMRP-puin vergroot en dat LMRP-puin apart verwerkt wordt bij de breker. Dit zal als gevolg hebben dat het (LMRP-)puin dat door een sloopbeheerorganisatie wordt opgevolgd bij de breker onder het eenvoudiger systeem van LMRP valt, wat sloopopvolging voordeliger maakt en op zijn beurt zal stimuleren. Een noodzakelijke voorwaarde is wel dat het eenheidsreglement moet voorzien in een significant verschil in uitkeuring tussen HMRP en LMRP zodat de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten gegarandeerd is én de aanvoer van LMRP bevoordeelt en stimuleert. Zoniet zal de breker het LMRP-puin nog samen met het HMRP-puin blijven verwerken. Verder is voorzien in een verduidelijking van de definitie van wat wordt verstaan onder in hoofdzaak residentiële gebouwen, zodat duidelijker wordt wanneer de volledige sloopopvolging verplicht is. De standaardprocedure voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan moet ook bepalingen bevatten over kwalificaties van de deskundige die het plan opmaakt en de wijze waarop het plan en het controleverslag worden opgemaakt. Asbestinventarisatie In uitvoering van het Actieplan Asbestafbouw (20 juli 2018) werd het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) aangevuld met nieuwe bepalingen inzake het asbestafbouwbeleid. Voor de nieuwe rechtsgronden is vaak een delegatie naar de Vlaamse Regering voorzien. Via deze wijziging van Vlarema, wordt een invulling gegeven aan deze delegatie. De artikelen rond asbestinventarisatie bevatten - een delegatie aan de minister voor het opstellen van een inspectieprotocol voor asbestinventarisatie - een uitzondering op de verplichting voor een asbestinventarisatieattest voor kleine constructies - erkenningsvoorwaarden en een erkenningsprocedure voor certificatie-instellingen asbest - een taakomschrijving voor de certificatie-instellingen asbest - voorwaarden waaronder de OVAM de taak van een certificatie-instelling zelf kan opnemen - erkenningsvoorwaarden voor asbestdeskundigen inventarisatie, zowel voor personen als voor bedrijven - voorwaarden waaronder een preventie-adviseur of milieucoördinator een asbestinventarisattest kan opmaken - bepalingen rond bescherming van persoonsgegevens door asbestdeskundigen - bepalingen rond toegang tot de databank asbestinventarisatie - bepalingen rond de geldigheidsduur van een asbestinventarisattest - een regeling rond retributies voor de uitreiking van een asbestinventarisattest met delegatie aan de minister om de hoogte te bepalen - de uitvoeringsbepalingen van artikel 66 van het materialendecreet betreffende retributies. Bevorderen van afvalpreventie en gescheiden inzameling van afvalstoffen In dit besluit zijn bepalingen opgenomen die de preventie van afval of de gescheiden inzameling en recyclage van bepaalde afvalstoffen moeten verbeteren: - een uitbreiding van de pmd definitie met alle huishoudelijke plastic verpakkingen; - voorwaarden waaraan eindverkopers moeten voldoen wanneer die afgedankte producten vrijwillig terugnemen; - uniforme afspraken over de boodschap op stickers tegen reclamedrukwerk en gratis regionale pers in de brievenbus, en de verspreiding van deze stickers; - een verhoging van de doelstellingen voor de inzameling, het hergebruik en de recyclage van afvalbanden en afspraken over de rapportering daarover; - bepalingen over de invoering van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor matrassen en voorwaarden voor hun inzameling, opslag en transport; - een veralgemeende verplichting voor het gescheiden aanbieden of lokaal composteren van bioafval van huishoudens en bedrijven die ingaat vanaf 31 december 2023; - een verbod op het mengen van afvaloliën indien dit nadelig is voor de recyclage of regeneratie; - de invoering van nieuwe regels die gelden voor de inzamelaars van bedrijfsrestafval en voor de verwerkers die dit bedrijfsrestafval aanvaarden. Deze regels moeten ervoor zorgen dat er meer recycleerbare afvalstoffen worden geweerd uit het bedrijfsrestafval. Oorspronkelijk was voorzien dat deze regels werden ingevoerd als een code van goede praktijk vastgelegd in een ministerieel besluit. Op advies van de Raad van State worden deze regels opgenomen in het Vlarema. Met betrekking tot matrassen worden volgende wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de onderhandelingen over een aanvaardingsplichtconvenant met de matrassenproducenten: - opnemen van een afwijking op de verplichte inzameling bij de distributie; - invoegen van inzamel- en recyclagedoelstellingen; - uitbreiden van de rapportageverplichtingen; - verplichten van droge inzameling, opslag en transport; - verplichten van de recyclagedoelstellingen voor individuele afvalstoffenproducenten en voor de individuele inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars en kennisgevers. Dit besluit wijzigt enkele uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de aanvaardingsplicht voor afgedankte voertuigen voor oldtimers, voertuigen die gehouden worden als verzamelobject en voertuigen die het voorwerp zijn van een gerechtelijk onderzoek, een inbeslagname of een aansprakelijkheidsonderzoek. Ze heft ook de verplichting op voor het toevoegen van een bijlage in verband met moraliteit bij de aanvraag voor een erkenning als centrum voor de depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen. In het kader van de omzetting van de Europese kaderrichtlijn afval, zijn er bepalingen gewijzigd met betrekking tot de aanvaardingsplicht. De aanvaardingsplicht wordt omschreven als een "regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid" die onderworpen is aan de minimumvereisten vastgelegd in de kaderrichtlijn. Zij hebben betrekking op: - minimale afspraken die moeten zijn vastgelegd in een aanvaardingsplichtconvenant of individueel aanvaardingsplichtplan; - ecomodulatie op de ledenbijdragen; - minimale informatievoorziening door een beheersorganisme. Met betrekking tot batterijen en accu's, zijn nieuwe afspraken opgenomen over: - wie optreedt als producent in het kader van een aanvaardingsplicht in geval batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, opnieuw op de markt worden gebracht; - waarborgen die worden gesteld door de producent voor de financiering van de nettokosten van het beheer van ingezamelde afgedankte batterijen en accu's; - de informatieverstrekking over de verwerking of hergebruik van afgedankte batterijen en accu's en het gehaalde recyclageniveau; Afbakening van de afvalfase Het hoofdstuk rond de afbakening van de afvalfase is redactioneel herschikt om dit beter leesbaar te maken. Verder zijn verduidelijkingen aangebracht over o.a : - de informatie die is vereist bij de aanvraag van een grondstofverklaring; - wanneer en hoe een zelfbeoordeling kan gebeuren voor materialen waarvoor geen Europese criteria en geen specifieke criteria bestaan; - hoe de uitwisseling van analyseresultaten van materialen met de OVAM moet gebeuren. Tracering van afvalstoffen Om de tracering van afvalstoffen (transport en wijze van verwerking) te verbeteren zijn bepalingen opgenomen over de digitalisering van transportdocumenten. Handhaving op zwerfvuil en sluikstorten Zwerfvuil en sluikstorten vormen een hardnekkig maatschappelijk probleem. Uit zwerfvuilcijfers blijkt dat de hoeveelheid zwerfvuil in Vlaanderen toeneemt. In het uitvoeringsplan voor huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval is als doel geformuleerd de hoeveelheid zwerfvuil en sluikstorten te doen dalen. De Vlaamse overheid, de lokale besturen en de producenten nemen maatregelen in de strijd tegen zwerfvuil, o.m. via de werking mooimakers. Om de zwerfvuilproblematiek efficiënt aan te pakken zorgen zij voor een samenspel van acties: - de publieke ruimte anders inrichten, plaatsen en proper houden van recipiënten(zoals vuilnisbakken), organiseren van veegbeurten en opruimacties van zwerfvuil; - sensibilisering en communicatie om te komen tot een mentaliteitswijziging en gedragsverandering; - extra aandacht besteden aan omgevingsfactoren die zwerfvuilgedrag uitlokken of begunstigen, zoals leegstand, verloedering, anonimiteit en allerhande vormen van schade en verwaarlozing; - participatie: betrekken van buurtbewoners, vrijwilligers, verenigingen of andere burgerorganisaties en handelaars. Handhaving is het sluitstuk van dit beleid en moet meer aandacht krijgen. Handhaving gebeurt grotendeels door lokale ambtenaren en politie, maar ook de Vlaamse overheid moet hier een grotere rol opnemen. De Vlaamse overheid kan haar ambtenaren inzetten om mee te handhaven tegen sluikstorten en het veroorzaken van zwerfvuil. Met dit wijzigingsbesluit wordt sluikstorten gedefinieerd en uitdrukkelijk verboden. Naast een verbod op sluikstorten wordt ook een algemeen verbod op de creatie van zwerfvuil ingevoerd. Totstandkoming De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 4 augustus 2020 en 5 mei 2021; Het begrotingsakkoord werd verleend op 7 december 2020; Dit ontwerp werd op 25 januari 2021 meegedeeld aan de Europese Commissie, met toepassing van artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij. De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2021/03 gegeven op 26 januari
  3. De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 1 februari
  4. De Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 1 februari
  5. De Raad van State heeft advies 69.375/1 gegeven op 4 juni 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en advies 69.212/1, gegeven op 8 juni 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. De twee ontwerpen van besluit zijn gecombineerd tot één ontwerp van besluit voor definitieve goedkeuring door de Vlaamse regering. Toelichting bij de artikelen Artikelen 1 tot en met 8 De bevoegdheden van de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders worden aangepast door de nieuwe Vlarema-artikelen uitdrukkelijk op te nemen in hun bestaande bevoegdheid rond artikel 12 § 1 Materialendecreet, het achterlaten van afvalstoffen. Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 5° van het Milieuhandhavingsbesluit (het Agentschap voor Natuur en Bos) wordt hun toezichtsbevoegdheid verruimd door het toevoegen van nieuwe gebieden waarop zij kunnen handhaven. Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 6° (OVAM) en 12, 10° (VLM) van het Milieuhandhavingsbesluit wordt een nieuwe bevoegdheid toegevoegd inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet en de VLAREMA-artikelen. Bij alle andere toezichthouders wordt de reeds bestaande bevoegdheid op artikel 12 § 1 Materialendecreet tekstueel aangepast met een rechtstreekse vermelding van de nieuwe VLAREMA-artikelen. Artikel 9 Artikel 9 vervangt integraal de bijlage VIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze bijlage VIII bevat een oplijsting van alle milieu-inbreuken in het VLAREMA en wordt nu volledig geactualiseerd en ook in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die met dit wijzigingsbesluit zullen doorgevoerd worden. Artikel 10 Artikel 10 regelt de toevoeging van een lijst van milieuinbreuken betreffende het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en Binnenvaart van 9 september 1996, als bijlage XXXVI aan het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het betreft administratieve voorschriften uit dit verdrag die via opname in deze bijlage worden gedepenaliseerd. De lijst werd opgesteld in overleg tussen de OVAM en De Vlaamse Waterweg nv. Artikel 11 In artikel 1.1.1 wordt de verwijzing naar de Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen vervangen door de verwijzing naar de nieuwe Richtlijn (EU) 2019/883 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen. Artikel 12 De definities voor afval van de zeevaart, haven, havenontvangstvoorziening, ladingresiduen, Marpol, pleziervaartuig, scheepsafval, schip en vissersvaartuig worden in paragraaf 2 van artikel 1.2.1 geschrapt en in een nieuwe paragraaf 4/1 vervangen door nieuwe definities overeenkomstig de Richtlijn (EU) 2019/
  7. De definitie van levensmiddelenafval wordt geschrapt omdat deze werd opgenomen in het Materialendecreet. De definitie van bouw- en sloopmateriaal wordt geschrapt omdat deze enkel betrekking heeft op sloopopvolging en al omschreven wordt in art. 4.3.5 §
  8. De definitie van een beheerder van een onlinemarktplaats wordt ingevoerd om de regels die gelden bij uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing te laten zijn bij verkoop op afstand via een online marktplaats. Bouw- en sloopafval wordt gedefinieerd als afvalstoffen die geproduceerd worden door bouw- en sloopwerkzaamheden. Bouw- en sloopafval bestaat uit bouwafval, sloopafval of een mengsel van beide. Soms vinden sloopwerken en opbouwwerken immers op hetzelfde tijdstip plaats, b.v. bij een renovatie. Bij bouwafval betreft het de afvalstoffen die op de bouwwerf ontstaan in de constructiefase van een gebouw, delen van een gebouw of een infrastructuurwerk. Het betreft hier enkel afval van bouwmaterialen, zoals resten van bouwstoffen en bindmiddelen en snijresten. Verpakkingen (zoals folies en paletten), (halflege) verfpotten, siliconespuiten vallen hier bijvoorbeeld niet onder. Bij sloopafval betreft het de afvalstoffen die geproduceerd worden tijdens sloop-, renovatie-, herstellings-, onderhouds- of uitbreidingswerken. Alle losse elementen die geen deel uitmaken van de constructie en vrijkomen bij de ontruiming, zijn geen deel van het sloopafval. Het gaat hier b.v. om los of demonteerbaar meubilair of toestellen, verplaatsbare machines, aanwezige voorraden, ... die nog in het gebouw aanwezig zijn. Deze moeten eerst verwijderd worden vooraleer de constructie kan worden ontmanteld, gerenoveerd of gesloopt. Deze definities gelden onverminderd de bepalingen in artikel 4.3.2 die stellen dat de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, kan samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder een aantal cumulatieve voorwaarden, namelijk het moet gaan om droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert, het recipiënt moet overgebracht worden naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd en de afvalstoffenproducent moet daarover een contract afgesloten hebben met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd. Het artikel 4.3.3 § 1 van Vlarema stelt dat sloopopvolging verplicht is bij sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m3 voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m3 voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft. Er wordt een nieuwe definitie ingevoerd voor huishoudelijk restafval. Tot nog toe was huishoudelijk restafval enkel gedefinieerd in het uitvoeringsplan huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval, maar niet in Vlarema. Het is beter dat dit ook in Vlarema wordt verduidelijkt. In de definitie wordt verwezen naar `de fractie van huishoudelijke afvalstoffen die niet selectief wordt aangeboden of ingezameld', waarmee dezelfde bewoording wordt gehanteerd als voor bedrijfsrestafval, wat wel al langer in Vlarema is gedefinieerd. Inhoudelijk wordt niet afgeweken van de definitie in het uitvoeringsplan. Huisvuil en grofvuil blijven integraal onderdeel uitmaken van het huishoudelijk restafval, want deze worden niet selectief aangeboden of ingezameld. De expliciet genoemde vuilbakjes, straat- en veegvuil en vuil van opruimen van sluikstorten worden ook expliciet in het uitvoeringsplan genoemd. Wel wordt de term "publieke" vuilnisbakjes uit het uitvoeringsplan hier gemeden en wordt dit nauwer gedefinieerd. Dit om te verduidelijken dat bijvoorbeeld vuilbakjes in stations of in provinciale domeinen hier niet onder vallen, aangezien dat duidelijk bedrijfsafval is. Zwerfvuil dat wordt verwijderd bij waterzuivering valt onder de categorie bedrijfsafval. De niet-residentiële gebouwen zijn bedrijfsgebouwen. Woongebouwen waarvoor pas bij een totaal bouwvolume van 5000 m3 sloopopvolging verplicht is, worden aangeduid met de term `in hoofdzaak residentiële gebouwen'. Daarvoor is echter geen eenduidige definitie in de regelgeving opgenomen. Dit leidt tot discussies over de toepassing. Vaak heeft een gebouw, of hebben meerdere gebouwen betrokken in eenzelfde omgevingsvergunning voor afbraakwerken, verschillende functies en dit zowel als woning of als bedrijfsruimte. In die gevallen is een interpretatie van het toepassingsgebied nodig. Deze moet vermijden dat voor een gemengd gebouw met een zeer beperkte bedrijfsfunctie sloopopvolging verplicht is. Daarom dient er een invulling gegeven te worden aan "in hoofdzaak residentieel" en is de definitie nodig. In een `in hoofdzaak residentieel gebouw' neemt de bedrijfsfunctie slechts een minimaal aandeel in van het totale bouwvolume. In de steden en gemeenten bestaan gemengde gebouwen vaak uit een handelszaak (bedrijf) op de gelijkvloerse verdieping met daarboven nog een of twee bouwlagen die dienen als woning. De onderlinge verhouding bij deze gemengde gebouwen is vaak 1/3 bedrijfsfunctie en 2/3 woonfunctie. Dit is sinds 2017 de interpretatie die de OVAM aan dit begrip heeft gegeven. Niet alle betrokken partijen kennen deze interpretatie. Door het opnemen van deze definitie scheppen we meer duidelijkheid voor de bouwheren, architecten, aannemers en medewerkers van vergunningverlenende diensten. De definitie van matrassen wordt vervangen waarbij ook toppers (ook wel genoemd topdekmatras, oplegmatras of topmatras) onder deze definitie vallen. De definitie voor onlinemarktplaats wordt ingevoegd om de regels die gelden bij uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing te laten zijn op producenten die producten verkopen op afstand via een online marktplaats. De definitie voor "opvulling" is letterlijk overgenomen uit de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. Met deze definitie wil Europa zorgen voor een uniforme rapportering over welke handelingen als recyclage worden beschouwd. Zo wil ze vermijden dat lidstaten verschillende hoeveelheden rapporteren doordat ze verschillende definities hanteren over wat als recyclage mag worden beschouwd. De term "landschapsaanleg" komt niet overeen met de term "landschapsherstel". Met landschapsaanleg worden activiteiten bedoeld zoals het opvullen van putten of het creëren van heuvels in het landschap. Om de hoeveelheid plastic in het restafval terug te dringen, wordt de pmd-inzameling uitgebreid met alle plastic verpakkingen ipv enkel de plastic flessen en flacons. Deze definitie is in lijn met de definitie gebruikt in de erkenning van het beheersorganisme voor de terugnameplicht van huishoudelijke verpakkingen. De definitie van producent wordt ingevoerd om nieuwe afspraken te maken in kader van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bij verkoop op afstand. Enerzijds wordt het begrip `verkoop op afstand' verduidelijkt door te verwijzen naar de definitie ervan in het Wetboek van economisch recht. De punten a tot en met d in de definitie zijn niet cumulatief. In punt d van de definitie wordt toegevoegd dat naast rechtstreekse verkoop ook verkoop via een online marktplaats onder het toepassingsgebied valt. Het is noodzakelijk dit te verduidelijk zodat ook in dat geval er geen discussie kan zijn over wie als producent moet worden aangeduid. De term "afgewerkte olie" wordt niet meer gebruikt en overal vervangen door "afvalolie". Zo vermijden we dat in het Vlarema twee verschillende termen worden gebruikt die dezelfde betekenis hebben. Er wordt een nieuwe definitie ingevoerd voor sluikstorten. Sluikstorten is omschreven als het "bewust ontwijken van de huishoudelijke afvalophaling of bedrijfsafvalophaling door afvalstoffen achter te laten of te storten op niet-reglementaire plaatsen, tijdstippen of in de foute recipiënten". "Bewust ontwijken" slaat op een ontwijking met opzet. Een persoon heeft de intentie om zich te ontdoen van afval op een andere of verschillende wijze dan deze die is voorzien in de huishoudelijke of bedrijfsafvalophaling. De beweegreden zelf is irrelevant maar in de meerderheid van de situaties zal het vaak slaan op een ontwijking van de kostprijs die gelinkt is aan de huishoudelijke of bedrijfsafvalophaling. Met "niet-reglementaire tijdstippen" wordt bedoeld alle momenten waarbij afval niet wordt aangeboden volgens het politiereglement. Bijvoorbeeld, dit kan slaan op de situatie waarbij men afval te vroeg buitenzet voorafgaandelijk aan een ophaling. Een recipiënt voor afvalophaling wordt bepaald overeenkomstig het politiereglement. Een "foutieve recipiënt" is bijgevolg enig ander recipiënt dan deze die omschreven is in het politiereglement. Bijvoorbeeld er is sprake van een foutieve recipiënt indien men gebruik maakt van een gewone plastic zak voor restafval in plaats van de aangeduide gemeentelijke zak. Voor producent van AEEA bestaat een specifieke definitie, in lijn met de definitie in de Europese richtlijn voor AEEA. Hieraan worden dezelfde verduidelijkingen toegevoegd als in bovengenoemde algemene definitie van producent. Ook voor producent van batterijen en accu's bestaat een specifieke definitie, in lijn met de definitie in de Europese batterijenrichtlijn. Hier wordt eveneens de verwijzing naar de definitie van verkoop op afstand uit het Wetboek voor economisch recht opgenomen. De toevoeging over de verkoop via online marktplaatsen is hier niet nodig gezien de definitie reeds de bepaling `ongeacht de gebruikte verkooptechniek' bevat. Het nieuwe artikel 1.2.1 § 4/1 geeft aan dat voor de toepassing van onderafdeling 5.2.10 (zijnde "afval van schepen van de zeevaart") een aantal specifieke definities van toepassing zijn. De definities die in dit artikel werden opgenomen komen allemaal letterlijk uit de Richtlijn (EU) 2019/883 (met uitzondering van de definitie van "vissersvaartuig", waarbij gekozen werd een deel van de bestaande definitie ("rijkdommen van de zee") te behouden omwille van de slechte vertaling van "living resources from the sea" in "mariene hulpbronnen"). Daarbij kan opgemerkt worden dat de bepaling uit Richtlijn (EU) 20019/883 dat "afval van schepen" dient te worden beschouwd als afval in de zin van artikel 3, onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG, niet in het VLAREMA hoeft te worden omgezet omdat door de bestaande definities van afval in zowel het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen als het VLAREMA "afval van schepen" sowieso als een afvalstof wordt beschouwd. Artikel 13 Met dit artikel wordt een nieuwe afdeling "Europese criteria" toegevoegd. Het gaat hier om een herschikking van artikelen. Voor de duidelijkheid zijn de artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op materialen die onderworpen zijn aan Europese criteria, samengevoegd in één afdeling. De artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op de algemene bepalingen voor specifieke criteria zijn samengevoegd in onderafdeling 2.3.
  9. In artikel 2.2.2 is de term grondstoffen vervangen door "einde afval en bijproducten" omdat dit duidelijker aangeeft waar het over gaat, nl. over afvalstoffen die niet langer als afvalstof moeten worden beschouwd of over bijproducten die vrijkomen als reststroom in een productieproces. De Europese Commissie kan bijproductcriteria opstellen voor bepaalde stoffen en kan ook einde-afvalcriteria opstellen voor bepaalde stoffen. Artikel 14 De artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op de algemene bepalingen voor specifieke criteria zijn samengevoegd in onderafdeling 2.3.
  10. Door toevoegen van een nieuwe onderafdeling wordt verduidelijkt dat de artikelen die in deze onderafdeling staan opgesomd, algemene bepalingen bevatten over de manier waarop specifieke criteria worden uitgewerkt en toegepast. Het vorige artikel 2.2.1 is opgenomen in artikel 2.3.1.3, 4e lid. De verwoording in art. 2.3.1.3, 4e lid is aangepast naar die uit het Materialendecreet (artikel 36.4° en artikel 36.5° ). Een materiaal mag alleen als grondstof worden beschouwd wanneer het gebruik over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op het milieu of de menselijke gezondheid. Met "geen ongunstige effecten" wordt bedoeld dat de inzet van dit materiaal netto geen bijkomende negatieve effecten mag genereren ten opzichte van het gebruik van een primaire grondstof. Het vorige artikel 2.2.2, 1e en 3e lid is opgenomen in artikel 2.3.1.
  11. Het vorige artikel 2.2.2, 2e lid is opgenomen in artikel 2.3.1.
  12. Het vorige artikel 2.2.3 is opgenomen in artikel 2.3.1.
  13. De vorige artikels 2.2.4 en 2.2.8 zijn opgenomen in onderafdeling 2.3.
  14. Artikel 15 We willen garanderen dat de gegevens van de monsterneming en analyse volledig en correct worden doorgegeven aan de OVAM. Daarom zorgen we voor een rechtstreekse transfer van deze gegevens door het erkend laboratorium en de OVAM. Enerzijds maakt dit het systeem fraudebestendiger. De houder van de grondstofverklaring heeft immers geen mogelijkheid meer om gegevens van het monsternemings- of analyseverslag aan te passen of te verzwijgen. Anderzijds verlaagt dit de administratieve last. Het is immers de bedoeling de gegevens digitaal te laten doorgeven door het erkend laboratorium zodat dit een gemakkelijke controle toelaat van de analysegegevens met de normen. Dit artikel treedt in werking vanaf 1 januari
  15. Vanaf dan zullen de systemen klaar zijn om de gegevensuitwisseling mogelijk te maken. Artikel 16 Het generieke normenkader voor PAK in bouwstoffen is bijlage VI van VLAREBO. De pak-spraytest voor asfaltgranulaat is een snelle methode die op het terrein uitvoerbaar is in tegenstelling tot de chemische analyse. Voor asfaltgranulaat wordt de chemische analyse van PAK in laboratorium enkel uitgevoerd bij twijfel over de resultaten met pak-spraytest of de IRspectroscopie. Beide testen worden standaard rechtstreeks ter plaatse op de bouwstof uitgevoerd in het kader van het Eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten of voorafgaand voor de sloop of opbraak voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan en bij de opmaak van bijvoorbeeld bestekken. Deze aanpak wenst OVAM te behouden. Het normenkader voor asfaltgranulaat moet ook bijlage 2.3.2.A zijn zoals reeds opgenomen voor zeefzand voor asfalt in plaats van bijlage VI van VLAREBO. Deze aanpassing is noodzakelijk om voldoende rechtszekerheid te bieden aan de gebruikers van de pak-spraytest. Er is immers een correlatie aangetoond tussen de pak-spraytest en de normwaarden van bijlage 2.3.2.A, maar niet tussen de pak-spraytest en de normen van bijlage VI van Vlarebo. Het gebruik van de pak-spraytest heeft enkel zin bij een toetsing aan de normen in bijlage 2.3.2.A. Ongeacht de korrelverdeling van gebroken asfaltpuin (asfaltgranulaat of zeefzand van asfalt) moeten de meetwaarden van de chemische analyses aan hetzelfde normenkader getoetst worden ic bijlage 2.3.2.A. Artikel 17 Het betreft hier een verduidelijking en geen wijziging. Er wordt dezelfde formulering gebruikt als in het eenheidsreglement. Er wordt gestreefd naar een gelijk speelveld. Er wordt vermeden dat sorteerinrichtingen die zich inzetten voor kwaliteitsverbetering en over een kwaliteitsborgingssysteem beschikken, een concurrentieel nadeel zouden hebben ten opzichte van sorteerinrichtingen die niet over een kwaliteitsborgingsysteem beschikken. Artikel 18 De vorige onderafdeling 2.3.1 is overgenomen onder onderafdeling 2.3.
  16. De bepalingen van het Mestdecreet blijven onverminderd gelden voor afvalstoffen die als bodemverbeteraar/meststof worden gebruikt. De nutriënteninput vanuit deze materialen wordt meegenomen in de bemestingsbalans van landbouwpercelen. Artikel 19 Het vorige artikel 2.2.6 is overgenomen in artikel 2.4.1.
  17. Deze bepaling is overgenomen uit het voormalige artikel 2.2.
  18. Artikel 20 In artikel 2.4.2.2 is verduidelijkt welke informatie een aanvraag voor grondstofverklaring moet bevatten. Voor aanvragen voor grondstofverklaring die worden opgelegd in afdeling 2.
  19. "Specifieke criteria" is het belangrijk dat de aanvraag een staving bevat dat het materiaal voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria voor grondstoffen uit afdeling 2.
  20. Eveneens is er een motivatie vereist waarom het gebruik van de grondstof in de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op mens en leefmilieu. Dit is een voorwaarde uit artikel 2.3.1.1 van het VLAREMA. Voor aanvragen voor grondstofverklaring van materialen die vallen onder afdeling 2.6 zijn er geen specifieke criteria beschikbaar in het VLAREMA en moet het aanvraagdossier andere informatie bevatten zodat de OVAM kan beoordelen of het materiaal als een grondstof kan worden beschouwd. De aanvraag voor grondstofverklaring moet een motivatie bevatten waarom het gebruik van het materiaal voldoet aan de voorwaarden uit artikel 36 (einde-afval) of 37 (bijproduct) van het Materialendecreet. De aanvrager toont aan dat de milieu-impact van het hergebruikte of gerecycleerde materiaal niet groter is dan die van de primaire grondstof. Artikel 21 Voor aanvragen die worden opgelegd in afdeling 2.
  21. valt de beslissing uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. Voor deze toepassingen gelden specifieke criteria en is het duidelijk welke parameters moeten worden onderzocht en beoordeeld. Voor andere aanvragen voor grondstofverklaring bestaan er geen specifieke criteria en moet er voor elke specifieke aanvraag worden onderzocht of er aan alle voorwaarden van artikel 36 of 37 van het Materialendecreet is voldaan en of de aanvrager dit voldoende heeft aangetoond. Dit betekent dat er tijdens de behandelingstermijn meer tijd nodig is voor het onderzoek door de OVAM, voor de ondersteuning van de aanvrager en dat er bijkomend vaak advies moet worden ingewonnen bij andere instanties. Voor aanvragen die vallen onder afdeling 2.6 zal de beslissing daarom genomen worden binnen een termijn van zestig kalenderdagen. Artikel 22 De aanvraagprocedure stopzetten in plaats van de aanvraag weigeren, betekent voor de OVAM een administratieve efficiëntiewinst omdat er geen besluit moet worden opgemaakt en de melding via een automatische boodschap kan worden verstuurd. Voor de aanvrager biedt het de mogelijkheid om zonder beperkingen een nieuwe aanvraag in te dienen. Bij een weigering kan men enkel opnieuw indienen als er nieuwe elementen aan het dossier worden toegevoegd die niet mee beoordeeld zijn bij de weigering. Artikel 23 Voor materialen waarvoor geen Europese criteria of geen specifieke criteria in het VLAREMA bestaan valt de houder terug op de voorwaarden uit artikel 36 of 37 van het Materialendecreet. Afdeling 2.6 verduidelijkt hoe en wanneer deze zelfbeoordeling moet gebeuren. Artikel 2.6.2 maakt duidelijk wanneer de houder van een materiaal op basis van een zelfbeoordeling kan nagaan of aan de voorwaarden uit artikel 36 van het Materialendecreet is voldaan. Artikel 2.6.3 maakt duidelijk wanneer de houder van een materiaal op basis van een zelfbeoordeling kan nagaan of aan de voorwaarden uit artikel 37 van het Materialendecreet is voldaan. De OVAM zal een nieuwe handleiding publiceren op haar website met richtlijnen over hoe een zelfbeoordeling correct wordt uitgevoerd. Er zullen eveneens voorbeelden worden gegeven over hoe kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden uit artikel 36 of 37 van het Materialendecreet is voldaan. Bij het transport moet een verklaring van de houder aanwezig zijn zodat duidelijk is dat het gaat om een grondstof die het grondstofstatuut heeft gekregen op basis van een zelfbeoordeling. Bij eventuele controle van het transport is het op deze manier duidelijk dat het gaat om het transport van een grondstof en niet om een illegaal afvaltransport. De zelfbeoordeling moet niet aanwezig zijn bij het transport maar moet wel kunnen worden voorgelegd op vraag van de OVAM en de toezichthoudende overheid. Artikel 2.6.5 verduidelijkt wanneer een grondstofverklaring moet of kan worden aangevraagd bij de OVAM. Het vorige artikel 2.2.5 is opgenomen in artikel 2.6.
  22. Artikel 24 Aan artikel 3.1.
  23. wordt een tweede paragraaf toegevoegd. Hiermee wordt afdeling 3.5 rond de vrijwillige terugname ingekaderd in het hoofdstuk over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. In het Materialendecreet krijgt de Vlaamse Regering de mogelijkheid om aan verschillende actoren maatregelen op te leggen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Meer bepaald gaat het om iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig producten ontwikkelt, vervaardigt, behandelt, verwerkt, verkoopt of invoert. Dit omvat dus duidelijk ook de eindverkopers waar de inzameling in het kader van de vrijwillige terugname plaatsvindt. Niettegenstaande dergelijke initiatieven ook kunnen uitgaan van andere actoren (bv. private afvalbedrijven), ligt het in de lijn der verwachtingen dat producenten of handelaars steeds meer dergelijke inzamelingen gaan opzetten als reactie op de toenemende grondstoffenschaarste of als klantenservice. De vrijwillige inzameling van afvalstoffen via eindverkopers ligt ook in het verlengde van de wijze waarop de inzameling van afvalstoffen onder de aanvaardingsplicht vaak georganiseerd wordt. Artikel 25 Er wordt een nieuwe paragraaf 1 in artikel 3.2.1.1 ingevoegd die aangeeft dat de aanvaardingsplicht moet beschouwd worden als een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zoals dit begrip is gedefinieerd in het materialendecreet. Dit is belangrijk omdat hierdoor de minimale vereisten die via de Europese kaderrichtlijn worden opgelegd aan regelingen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing zijn. Elk systeem dat wordt uitgewerkt in kader van de aanvaardingsplicht moet dus voldoen aan deze minimumvoorwaarden. We wijzen erop dat een soortgelijke bepaling niet wordt toegevoegd aan de andere instrumenten uit hoofdstuk 3 in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, namelijk het collectief plan en de vrijwillige terugname. Daarnaast kunnen ook nog specifieke bepalingen worden opgelegd aan bepaalde producenten, zonder dat hiervoor een instrument (aanvaardingsplicht of collectief plan) van toepassing is. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de uitgevers van gratis regionale pers die bepaalde verplichtingen hebben voor de stickers tegen ongewenst reclamedrukwerk en gratis regionale pers. In deze gevallen zijn de minimumvereisten die worden opgelegd aan regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dus niet van toepassing. Het gaat in die gevallen immers niet om `een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid', zoals bedoeld in de Europese kaderrichtlijn. De minimumvereisten slaan enkel op die systemen waarbij in het kader van een wettelijk verplichting een selectieve inzameling wordt opgezet die wordt georganiseerd en/of gefinancierd door de producenten. Het is echter ook mogelijk om andere maatregelen te nemen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (bv. het informeren van consumenten, ecodesign, onderzoeksopdrachten...). Het zijn net dat soort maatregelen die met deze instrumenten (collectief plan, vrijwillige terugname) worden beoogd en waarbij het niet zinvol is om alle minimale vereisten automatisch van toepassing te laten zijn. Het artikel wordt aangevuld met een verduidelijking van de 1-1 terugnameplicht voor verkoop op afstand. Ook in dat geval moet de producent verplicht de afgedankte producten aanvaarden indien de consument dit aanbiedt. Hierbij worden 3 mogelijkheden voorzien: terugname op moment van levering, het aanbieden van een lokaal inzamelpunt of een gratis retouroplossing. In paragraaf 7 van hetzelfde artikel wordt aan de informatieverplichtingen van de eindverkoper toegevoegd dat hij de consument naast de afdankingsmogelijkheden ook moet informeren over de herstelmogelijkheden van zijn toestel (indien het betrokken product in aanmerking komt voor hergebruik). Dit met het oog op de verlenging van de levensduur van toestellen door meer hergebruik. Artikel 26 In artikel 3.2.1.2, § 2, eerste lid staan de elementen opgesomd die moeten worden uitgewerkt in een aanvaardingsplichtconvenant of individueel aanvaardingsplichtplan. Hieraan worden een aantal toevoegingen gedaan in lijn met de minimale vereisten die in de Europese kaderrichtlijn zijn ingevoerd. Het betreft met name: - Een duidelijke omschrijving van het gebied, product en materiaal van het inzamelsysteem; - Een specificatie van de elementen waarover de producent moet communiceren: preventie, herstel, hergebruik, inzameling en het voorkomen van zwerfvuil; - De publieke rapportering over de resultaten; - De voorwaarden voor de financiering zoals bepaald in het materialendecreet. Net zoals in de kaderrichtlijn is opgenomen dat de bepalingen over de financiering niet van toepassing zijn voor de afvalstromen AEEA, afgedankte voertuigen en batterijen. Hiervoor gelden de specifieke bepalingen uit de overeenstemmende richtlijnen. Gezien dit artikel valt onder de onderafdeling aanvaardingsplicht, is dit niet van toepassing op verpakkingen. Deze vallen onder de interregionale terugnameplicht. Artikel 27 Artikel 3.2.1.
  24. § 1 bevat de rapporteringsvereisten in het kader van de aanvaardingsplicht. Hieraan wordt een toevoeging gedaan om modaliteiten te bepalen indien meerdere beheersorganismen voor eenzelfde afvalstroom actief zijn. Het betreft men name een bijkomende validatie van de cijfergegevens van deze beheersorganismen op eenvoudig verzoek van de OVAM om dubbeltellingen en hiaten te detecteren en te corrigeren. Er wordt hierover verder bepaald dat de betrokken beheersorganismen op hun kosten éénzelfde keuringsinstelling aanduiden om de validatie uit te voeren. Indien de beheersorganismen niet tot een gezamenlijke keuze komen, beslist de OVAM, na overleg met de diverse beheersorganismen. Artikel 28 Artikel 3.2.1.5 moet aangepast worden aan de nieuwe definitie van producent, zodat bepalingen met betrekking tot uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing zijn op verkoop op afstand. Artikel 29 In artikel 3.2.2.1, § 4, tweede lid wordt aan de voorwaarden waaraan het financieel plan van een beheersorganisme moet voldoen, toegevoegd dat bij de berekeningsmethode van de milieubijdrage moet gestreefd worden naar een differentiatie van de bijdrage die rekening houdt met de milieu-impact van de producten. Dit is tevens een minimumvereiste uit de nieuwe kaderrichtlijn. Er wordt aan het artikel ook een negende paragraaf toegevoegd die stelt dat een beheersorganisme openbaar beschikbare informatie moet verstrekken over de leden van de Algemene Vergadering en de deelnemers van het beheersorganisme, zijnde de bedrijven die zich aansluiten middels het ondertekenen van een toetredingsovereenkomst, de milieubijdragen en de selectieprocedure voor afvalbeheerders. Ook dit is een nieuwe minimumvereiste uit de kaderrichtlijn. Artikel 30 De gewijzigde tekst van artikel 3.4.1.1 wil nog duidelijker stellen hoe in het Vlaamse Gewest burgers kunnen aangeven geen ongeadresseerd reclamedrukwerk en/of geen gratis ongeadresseerde regionale pers te willen ontvangen. Enkel het gebruik van een NEE/NEE of JA/NEE sticker is toegelaten. De stickers worden gefinancierd door de sector van de uitgevers conform artikel 3.4.1.2 van Vlarema. Artikel 31 De gewijzigde tekst van artikel 3.4.1.2 actualiseert dit artikel in overeenstemming met de overeenkomst die op 15 april 2019 is afgesloten tussen de Vlaamse Regering en de sector van het ongeadresseerd reclamedrukwerk en van de gratis regionale pers. Artikel 32 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalbanden. De verwerkingsdoelstellingen voor afvalbanden worden in artikel 3.4.3.2 aangescherpt. Voor 2030 worden hogere inzameldoelstellingen en doelstellingen voor hergebruik, loopvlakvernieuwing en recyclage vastgelegd. Van deze hogere doelstellingen kan enkel worden afgeweken indien uit een onderbouwde evaluatie blijkt dat deze doelstellingen technisch niet haalbaar zijn. Artikel 33 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalbanden. De rapportageverplichtingen voor de producenten van banden worden in artikel 3.4.3.4, derde lid aangepast en uitgebreid. Met "nuttig toegepast" worden zowel de gerecycleerde hoeveelheden bedoeld, als de hoeveelheden die op een andere manier nuttig werden toegepast. Artikel 34 Artikel 3.4.4.15 moet aangepast worden aan de nieuwe definitie van producent, zodat bepalingen met betrekking tot uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing zijn op verkoop op afstand. Artikel 35 Hier wordt in artikel 3.4.5.1, tweede lid een verduidelijking aangebracht met betrekking tot wie als producent moet gezien worden indien batterijen opnieuw op de markt worden gebracht. Met het toenemend belang van grote industriële batterijen (o.a. elektrische voertuigen) zal het immers gebruikelijker worden dat deze batterijen een tweede leven krijgen in dezelfde of een andere toepassing. Het basisprincipe is dat de verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke producent overgaat op een nieuwe producent indien de batterijen een fase van voorbereiding op hergebruik hebben doorlopen. Degene die de batterijen opnieuw op de markt brengt na de voorbereiding op hergebruik wordt in dat geval beschouwd als producent. Indien een batterij rechtsreeks opnieuw op de markt komt, blijft de oorspronkelijke producent verantwoordelijk. Artikel 36 In artikel 3.4.5.3 worden een aantal wijzigingen aangebracht met betrekking tot de waarborg die een producent moet stellen om aan zijn financiële verantwoordelijkheid te voldoen voor de batterijen die vandaag op de markt worden gebracht, maar pas op een later moment afval worden. De regeling beoogt een oplossing te bieden voor afgedankte batterijen waarvan de producent niet meer bestaat of niet geïdentificeerd kan worden. Naast een all-in milieubijdrage of een individuele waarborg is er ook de mogelijkheid om toe te treden tot een garantiefonds opgezet door een of meerdere beheersorganismen. Het garantiefonds werkt op basis van solidariteit per sector. De kosten van afgedankte batterijen waarvan de producent niet meer bestaat of geïdentificeerd kan worden, worden gedragen door de producenten die actief zijn in die sector. Artikel 37 In punt 3° van artikel 3.4.5.6 wordt toegevoegd dat naast de inrichtingen en de wijze ook moet gerapporteerd worden over de hoeveelheid batterijen en accu's die werden verwerkt of werden voorbereid voor hergebruik of opnieuw werden gebruikt als batterij of accu in eenzelfde of een andere toepassing. Artikel 38 "Verbranding met energieterugwinning" wordt vervangen door "nuttige toepassing" om conform te zijn met de manier waarop in de Europese kaderrichtlijn doelstellingen worden geformuleerd voor de verwerking van afvalolie. Artikel 39 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalolie. De rapportageverplichtingen voor de producenten van olie worden in artikel 3.4.6.4, tweede lid aangepast en uitgebreid. Artikel 40 Artikel 3.4.8.1, § 2 voorziet een vrijstelling van de verplichte inzameling door eindverkopers. Deze afwijking is nodig omdat in de onderhandelingen met de sector een alternatief systeem voor inzameling is afgesproken waarbij eindverkopers niet verplicht zijn om afgedankte matrassen te aanvaarden en waarbij afgedankte matrassen die zijn ingezameld via andere kanalen dan de recyclageparken niet noodzakelijk gratis moeten worden aanvaard door de producenten. Deze regeling is opgenomen in artikel 3.4.8.1, §
  25. De bepalingen van artikel 3.2.1.1 § 3 blijven echter wel geldig. Dit betekent dat burgers matrassen gratis moeten kunnen afgeven in de recyclageparken. De gemeenten worden daarbij vergoed door de producenten voor de nettokosten. Gemeenten die op afroep matrassen selectief inzamelen huis aan huis kunnen hiervoor een vergoeding aanrekenen aan de burger, op voorwaarde dat die enkel dient voor het dekken van de transportkosten. Deze vergoeding mag niet dermate hoog zijn dat ze de burger ontraadt een matras gescheiden aan te bieden. Het materialendecreet stelt dat de kostendekking door de producenten kan beperkt worden tot minimaal 80% als dat wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om een adequaat afvalbeheer en de economische levensvatbaarheid van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te waarborgen. Dit is in lijn met de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. De Europese Commissie zal hierrond nog verdere richtlijnen opstellen. Voor de aanvaardingsplicht afgedankte matrassen maken we gebruik van deze afwijkingsoptie. Het systeem dat wordt opgezet kiest er voor om in de professionele sector maximaal de bestaande markt te laten spelen. De inzamelpunten (eindverkopers, hotels, ziekenhuizen...) sluiten op individuele basis een contract met een inzamelaar. De selectieve inzameling en hoogwaardige verwerking wordt gestimuleerd via premies aan de ontdoener/de ophaler. Het is niet mogelijk om daarbij een volledige kostendekking te garanderen gezien dit de onderhandeling over de prijsafspraak tussen het inzamelpunt en de ophaler zou ondermijnen. Dit model laat wel toe om het bestaande marktmodel met veel vragers en veel aanbieders te behouden en lijkt een aanvaardbare motivering om af te wijken het principe van de volledige kostendekking. Zoals voorzien in het materialendecreet worden de resterende kosten gedragen door de distributie en/of de afvalstoffenhouder (hotels, ziekenhuizen...). Voor huishoudens is de afgifte wel altijd gratis en ook voor de gemeenten is een volledige kostendekking door de producenten voorzien. Het premiesysteem in de professionele sector en de volledige vergoeding bij de gemeenten moeten het mogelijk maken om de minimumgrens van 80% te respecteren. Artikel 41 In art. 3.4.8.2 worden concrete inzamel- en recyclagedoelstellingen opgenomen voor afgedankte matrassen. Er wordt een groeipad voorzien met een stapsgewijze toename van de inzameldoelstelling. Ook voor de recyclagedoelstellingen is een groeipad voorzien. Dit moet toelaten dat stapsgewijs de nodige capaciteit wordt uitgebouwd om de ingezamelde matrassen hoogwaardig te recycleren. Met "nuttig toegepast" worden zowel de gerecycleerde hoeveelheden, als de hoeveelheden die op een andere manier nuttig werden toegepast, bedoeld. Artikel 42 In art. 3.4.8.3 worden de rapportageverplichtingen voor de producenten van afgedankte matrassen uitgebreid. De producenten moeten ook rapporteren over de bestemming en de toepassing van de materialen die voortkomen uit de verwerking van de afgedankte matrassen. Het is immers belangrijk dat er ook gegevens beschikbaar zijn over de outputzijde van de verwerkingsprocessen van de afgedankte matrassen. Artikel 43 De nieuwe afdeling 3.5 wil een wettelijk kader invoeren voor de vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen via eindverkopers. Hiermee wordt een juridische basis gevormd waarbinnen dergelijke inzamelkanalen, naast de gemeentelijke inzameling in het kader van de zorgplicht, kunnen bestaan. Eindverkopers die door middel van een vrijwillige terugname afvalstoffen inzamelen kunnen immers een meerwaarde vormen voor het Vlaamse afval- en materialenbeleid: meer inzamelpunten, hogere toegankelijkheid, additionele afvalstromen, hoogwaardige verwerking... Een wettelijk kader met een aantal voorwaarden is echter aangewezen om deze meerwaarde te realiseren en moet garanderen dat deze op correcte wijze verlopen. Het toepassingsgebied van de onderafdeling is beperkt tot huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en heeft dus geen impact op de vrijwillige terugname van andere bedrijfsafvalstoffen. Dit blijft perfect mogelijk volgens de bestaande wettelijke bepalingen. Terugname van bedrijfsafvalstoffen is een courante praktijk in veel business to business relaties en wordt gerapporteerd via het IMJV. Voor de vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen worden via deze onderafdeling additionele bepalingen opgelegd. Het eerste lid van art. 3.5.1 geeft een omschrijving van wat wordt verstaan onder vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen. Vrijwillige terugname betreft elk initiatief dat tot doel heeft om afvalstoffen selectief in te zamelen bij eindverkopers van gelijkaardige producten. De inzameling kan dus enkel plaatsvinden bij eindverkopers. Publieke plaatsen, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, verwerkers enz. zijn dus geen mogelijke inzamelpunten van een vrijwillige terugname. Bovendien moeten de eindverkopers producten op de markt brengen die gelijkaardig zijn aan de afvalstoffen die worden ingezameld. Zo kan een juwelier bijvoorbeeld geen inzamelpunt voor oude schoenen opzetten. In het tweede lid wordt vastgelegd dat de bepalingen niet van toepassing zijn voor bepaalde afvalstoffen zijnde: a) afvalstoffen die onder een andere vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen.Voor deze afvalstoffen bestaat immers reeds een uitgebreid inzamelnetwerk, vaak met inbegrip van eindverkopers. Het is niet aangewezen om andere inzamelnetwerken via eindverkopers naast die in het kader van de andere vormen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op te zetten. Dit zou leiden tot inzamelingen die onder verschillende wettelijke regelingen vallen. b) verpakkingsafval dat selectief wordt ingezameld in het kader van de terugnameplicht.Ook hier moet concurrentie tussen verschillende wetgevende kaders vermeden worden. Wel moet het mogelijk zijn om een vrijwillige terugname op te zetten voor die verpakkingen die momenteel niet selectief worden ingezameld. c) papier- en kartonafval.Een belangrijke motivatie voor deze beperking is dat vrijwillige terugname het preventiebeleid rond papier- en kartonafval (o.a. via de stickers tegen reclamedrukwerk en/of gratis regionale pers) niet mag tegenwerken. Indien vrijwillige terugname gepaard zou gaan met voordelen (bv. een financiële vergoeding) zou dit het succes van de stickeractie kunnen ondermijnen. Bovendien kan dit een negatieve impact hebben op de efficiëntie van de huis aan huis inzameling georganiseerd via de gemeenten. Vanuit logistieke optimalisatie lijkt het aangewezen zoveel mogelijk afvalstoffen via dit kanaal in te zamelen. Bovendien bestaat een deel van het papier- en kartonafval uit verpakkingsafval dat onder de terugnameplicht valt. Het tweede lid is dus hoofdzakelijk ingegeven door de motivatie om geen concurrentie tussen inzamelingen te creëren op basis van verschillen in wetgeving (aanvaardingsplicht versus vrijwillige terugname). Dit impliceert niet dat een inzameling van afvalstoffen via eindverkopers voor deze stromen niet mogelijk is. Wel dat dit afhankelijk is van de specifieke bepalingen die voor deze stromen zijn opgelegd via andere instrumenten en wetgeving. Art. 3.5.2 legt een aantal voorwaarden op aan de vrijwillige terugname. Er wordt niet voorzien in een systematische beoordeling (noch ex ante noch ex post) van opgezette systemen voor vrijwillige terugname. Ad hoc controles zijn uiteraard steeds mogelijk. 1° de vrijwillige terugname moet garanderen dat de afvalstoffen worden hergebruikt of gerecycleerd.Het principe van de ladder van Lansink (de hiërarchie vastgelegd in artikel 4 van het Materialendecreet) moet gerespecteerd worden en de vrijwillige terugname moet minstens hetzelfde niveau bereiken als het courante beheer van die afvalstof. 2° de afvalstoffen kunnen enkel worden ingezameld bij eindverkopers die gelijkaardige producten op de markt brengen en bij levering aan huis van gelijkaardige producten.Daarenboven dient de vrijwillige terugname die niet bij levering aan huis gebeurt, op het eigen terrein te gebeuren. Vrijwillige terugname bij levering aan huis kan enkel als de eindverkoper zelf instaat voor het transport van en naar de klant. De inzameling kan dus enkel plaatsvinden via eindverkopers die hun eigen vervoer organiseren. Inzameling via koerierdiensten komt niet in aanmerking. 3° de afvalstoffen moeten worden opgeslagen zonder schade, hinder of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving.Het inzamelpunt moet hiertoe de nodige voorzorgen nemen. 4° er wordt gezorgd voor een georganiseerde en regelmatige afvoer van de afvalstoffen.5° de recipiënten moeten technisch geschikt en in goede staat zijn.6° de ingezamelde hoeveelheden moeten in verhouding staan tot de geleverde of verkochte producten.Het doel is om grootschalige inzamelingen die uitgaan van een minimale verkoopactiviteit uit te sluiten als inzamelpunt. De vrijstelling van de plicht om over een milieuvergunning te beschikken is vanuit eenzelfde optiek ingesteld. 7° de afvoer gebeurt door een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar.8° de OVAM en de gemeente waarin de vrijwillige terugname gebeurt moet op de hoogte worden gebracht van het initiatief.9° de ingezamelde hoeveelheden worden door de exploitant bijgehouden in een afvalstoffenregister.10° van zodra het initiatief tot vrijwillige terugname een semi permanent karakter krijgt, is de exploitant verplicht dit minders 2 opeenvolgende jaren te organiseren. Art. 3.5.3 stelt dat de eindverkopers op vraag van OVAM alle bijkomende informatie moeten verschaffen die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie en de controle van de vrijwillige terugname. Dit zal voornamelijk betrekking hebben op informatie die de OVAM nodig heeft om te controleren of de vrijwillige terugname voldoet aan de voorwaarden opgelegd door artikel
  26. Artikel 44 Het Materialendecreet definieert in artikel 3, 17° huishoudelijke afvalstoffen als "afvalstoffen die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij een besluit van de Vlaamse Regering". In artikel 4.1.1 van Vlarema wordt vandaag al straat- en veegvuil (afkomstig van zwerfvuil) ook gelijkgesteld aan huishoudelijk afval. Volgens het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval is evenwel ook afval van (publieke) vuilbakjes en afval afkomstig van het opruimen van sluikstorten te beschouwen als huishoudelijk afval. Het is daarom belangrijk dit ook in Vlarema expliciet te vermelden als `gelijkgesteld met huishoudelijk afval'. Wel wordt de term "publieke" vuilnisbakjes uit het uitvoeringsplan hier gemeden en wordt dit nauwer gedefinieerd. Dit om te verduidelijken dat bijvoorbeeld vuilbakjes in stations of in provinciale domeinen hier niet onder vallen, aangezien dat duidelijk bedrijfsafval is. Artikel 45 In artikel 4.1.2, punt 12° werd de omschrijving van "afval van de zee- en binnenvaart" als bijzondere afvalstof gewijzigd in "afval van schepen van de zee- en binnenvaart", dit om tegemoet te komen aan de nieuwe definitie van "afval van schepen" in Richtlijn (EU) 2019/
  27. Artikel 46 Deze aanpassingen zijn noodzakelijk om de beschrijving van de handelingen voor nuttige toepassing in overeenstemming te brengen met de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. Artikel 47 De wijziging in artikel 4.3.1 dient voor een omzetting van een bepaling in de Europese kaderrichtlijn afval. Die stelt dat lidstaten, uiterlijk 31 december 2023, ervoor zorgen dat bioafval ofwel aan de bron wordt gescheiden en gerecycleerd, ofwel gescheiden wordt ingezameld en niet gemengd wordt met andere soorten afval. Door deze wijziging is de burger verplicht bioafval ofwel lokaal te composteren (bv via thuis- of wijkcomposteren), ofwel gescheiden aan te bieden in een inzamelkanaal. Niet elke burger heeft echter de mogelijkheid om thuis te composteren. Bovendien tonen de sorteeranalyses van huisvuil aan dat er, ondanks jarenlange stimulering van thuiscompostering, nog belangrijke hoeveelheden bioafval in de huisvuilzak zitten. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de lokale besturen om een laagdrempelig inzamelkanaal voor bioafval ter beschikking te stellen van de burger. Dit in het kader van de zorgplicht voor huishoudelijk afval overeenkomstig artikel 26 van het Materialendecreet. Eens het afval gescheiden is aangeboden, moet het verder apart worden getransporteerd en verwerkt. Het mag getransporteerd worden samen met andere stromen als de stromen niet met elkaar vermengd worden. Dit artikel treedt in werking vanaf 31 december
  28. De Vlaamse ervaring leert dat het nascheiden van organisch afval uit gemengd afval niet leidt tot dezelfde kwaliteit van compost als bij selectieve inzameling. Bovendien vervuilt het organisch afval andere recycleerbare afvalstromen in de gemengde fractie. Daarom wordt hier gekozen voor een lokale compostering of een volledig gescheiden inzameling. Bovendien voorziet de KRL afval dat vanaf 1 januari 2027 gemeentelijk bioafval enkel als gerecycleerd mag meetellen als het gescheiden wordt ingezameld of aan de bron wordt gescheiden. Het bioafval kan op verschillende manieren gescheiden ingezameld worden, b.v. als een gft-fractie of als een gf-fractie, gescheiden van tuinafval. Er is een task force opgericht met lokale besturen en de OVAM om de invoering van deze nieuwe verplichting voor te bereiden en te zoeken naar de meeste geschikte oplossing, die kan verschillen van regio tot regio of van de typologie van (een deel van) een gemeente. Artikel 48 De Europese bepaling omtrent het gescheiden houden van bioafval geldt ook voor bedrijfsafvalstoffen vanaf 31 december 2023, niet enkel voor een bepaalde categorie van bedrijven, maar voor alle bedrijven. Ook om deze invoering voor te bereiden zal een task force worden gebruikt om de mogelijke vormen van gescheiden inzameling van bioafval vast te leggen. Het is de afvalproducent van bedrijfsrestafval ook vrij om te kiezen om zelf een regeling te treffen voor het transport van deze afvalstoffen. Er wordt verduidelijkt dat de verplichting om een overeenkomst af te sluiten met de inzamelaar, handelaar of makelaar van bedrijfsrestafval waarin de inzamelwijze van de afvalfracties is opgenomen enkel geldt indien er gebruik gemaakt wordt van een inzamelaar, handelaar of makelaar van bedrijfsrestafval en dus niet als men zelf een regeling treft voor transport. Droge niet-gevaarlijke recycleerbare fracties mogen onder bepaalde omstandigheden samen ingezameld worden in één recipiënt. Soms ontstaat er op het terrein verwarring over welke fracties precies in aanmerking komen. Houtafval, metaalafval en harde kunststoffen komen zeker in aanmerking, aangezien deze elkaar niet vervuilen en relatief makkelijk na te sorteren zijn. Daarom worden deze alvast expliciet benoemd. Het is ook belangrijk te benadrukken dat er op het terrein ook heel wat inzamelaars verschillende recycleerbare afvalstoffen tegelijk inzamelen door gebruik te maken van zakken. Zo worden bijvoorbeeld foliezakken ingezameld samen met de papier- en kartoncontainers. Deze zakken kunnen nadien perfect terug uit het papier en karton nagesorteerd worden. Dit valt niet onder de specifieke uitzondering van `droge niet-gevaarlijke fracties', maar wordt gewoon beschouwd als een vorm van selectieve inzameling en is dus ook toegestaan. Dit tenminste zolang de zakken hierop voorzien zijn en niet scheuren, waardoor de afvalstoffen niet los door elkaar komen te zitten. Voor afvalstoffen die worden ingezameld als vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen gelden dezelfde tarieven als voor de inzameling van huishoudelijk afval. Deze tarieven weerspiegelen niet altijd de volledige en reële kost, maar zijn wel conform het principe vervuiler betaalt uit artikel 10 van het materialendecreet. Artikel 49 De opmaak van een destructieve asbestinventarisatie vormt reeds een belangrijk inherent onderdeel van de opmaak van een sloopopvolgingsplan. Ook de effectieve opvolging van een sloop en de bijhorende opmaak van een controleverslag, impliceert een opvolging van de asbestverwijdering en een controle of deze correct en selectief gebeurt. Daarom wordt aan artikel 4.3.3 een tweede paragraaf 2 toegevoegd die stelt dat de deskundige die een sloopopvolgingsplan of een controleverslag opmaakt minstens over dezelfde expertise en vaardigheden moet beschikken als deze waarover een gecertificeerd asbestdeskundige asbestinventarisatie beschikt. Op deze manier wordt een kwaliteitsvollere opmaak van sloopopvolgingsplannen en controleverslagen verzekerd en wordt het statuut van de deskundige die ze opmaken meer regelgevend verankerd. In de standaardprocedure voor opmaak van een sloopopvolgingsplan en controleverslag zal de voorwaarde dat de deskundige over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie moet beschikken worden opgenomen. Aan paragraaf 3 wordt een tweede lid toegevoegd dat de aannemer rekening moet houden met de maatregelen die de sloopbeheerorganisatie nodig acht voor sloopopvolging en die in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan worden vermeld. In de contractuele bepalingen tussen bouwheer en aannemer moet daarom opgelegd worden dat de aannemer deze voorwaarden dient te respecteren. Dit is nodig om een duurzaam materialenbeheer te kunnen garanderen waarbij de gevaarlijke afvalstoffen uit de keten worden verwijderd en de sloopmaterialen hergebruikt of zo optimaal mogelijk gerecycleerd kunnen worden, is het aangewezen om voor grote werken de volledige sloopopvolging door een erkende sloopbeheerorganisatie verplicht te stellen. Paragraaf 3/1 wordt ingevoerd om de gescheiden en correcte afvoer van het bouw- en sloopafval steeds op te volgen, ook in de gevallen waarbij volgens de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan geen verwerkingstoelating (en sloopattest) vereist is of kan afgeleverd worden. Deze invoeging impliceert ook dat de standaardprocedures voor sloopopvolging (Standaardprocedure voor opmaak van een sloopopvolgingsplan en standaardprocedure traceerbaarheid - beide Ministeriële Besluiten) hieraan zullen moeten aangepast worden. Bij verplichting van sloopopvolging zoals voorgesteld (nieuwe § 4) kan de oude § 4 geschrapt worden. Het is dan niet meer nodig dat de houder van de omgevingsvergunning alle identificatieformulieren en afgiftebewijzen bijhoudt gedurende een periode van vijf jaar als de erkende sloopbeheerorganisatie dit al doet. Voorliggend voorstel voor aanpassing van Vlarema is ook eenvoudiger te handhaven door de toezichthouders dan de huidige bepalingen: - de toezichthouder hoeft niet alle identificatieformulieren en alle afgiftebewijzen bij de bouwheer te gaan controleren; - voor de werven waarvoor sloopopvolging verplicht is, kan de controle van de toezichthouder zich beperken tot het nazicht van het conformverklaarde sloopopvolgingsplan en sloopattest (indien van toepassing). De voorgestelde wijzigingen kunnen op basis van voorgaande beschouwd worden als een administratieve vereenvoudiging voor de bouwheer. De verantwoordelijkheden en de administratieve lasten worden bij de sloopbeheerorganisatie gelegd. Artikel 50 In artikel 4.3.4, eerste lid worden een aantal wijzigingen en toevoegingen doorgevoerd om de lijst van de afvalstoffen van schepen die gescheiden kunnen worden aangeboden beter te laten aansluiten op de bepalingen van het IMO richtsnoer (IMO Resolutie MEPC.219

(63)) gekoppeld aan de gewijzigde MARPOL Annex V (IMO Resolutie MEPC.201
(62)en IMO Resolutie MEPC.277
(70)). In de uitzondering waarbij bepaalde afvalstromen van de zeevaart toch samen mogen worden vervoerd in dezelfde container zolang ze nadien maar terug uitgesorteerd worden, wordt "droge, niet-gevaarlijke" geschrapt. Dat is iets wat inzamelaars bij het inzamelen van afval van een schip toch niet kunnen controleren. Niettegenstaande schepen aan boord soms wel bepaalde afvalstoffen apart verpakken (vb. in vuilzakken), worden die dan toch in dezelfde container gegooid op de kaai (vaak zelfs als de inzamelaar niet aanwezig is en de container pas komt ophalen als die vol is). Daar zitten soms ook vloeibare en/of gevaarlijke afvalstoffen tussen. Het schrappen van de "droge, niet-gevaarlijke" heeft geen invloed op het uitsorteren met het oog op de hoogwaardige verwerking. Artikel 51 In artikel 4.3.5 'kan' een verwerkingstoelating / sloopattest afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie vervangen door 'moet'. Dit volgt uit de verplichting voor de invoering van volledige sloopopvolging voor grote werven zoals gegeven in de algemene toelichting. De toevoeging "tenzij anders bepaald in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan" is nodig omdat in sommige gevallen geen verwerkingstoelating of sloopattest kan afgeleverd worden. In bepaalde situaties komt er geen of weinig puin vrij of kan het puin niet gescheiden als een zuivere fractie ingezameld worden waardoor er geen verwerkingstoelating kan afgeleverd worden. Artikel 52 Het bedrijfsafval wordt vandaag onvoldoende selectief ingezameld. Bijgevolg zit er in het bedrijfsrestafval dat naar verbranding wordt afgevoerd en verbrand wordt, nog heel wat afval dat eigenlijk onder de sorteerplicht valt. In het verbrandingsverbod van artikel 4.5.2 staat vermeld dat het verboden is afval naar verbranding af te voeren of te verbranden als dat niet (volledig) voldoet aan de sorteerplicht van bedrijven. Om het sorteren bij bedrijven te verbeteren wordt een nieuwe afdeling 5.5 in Vlarema ingevoerd, waarbij inzamelaars, handelaars en makelaars en verwerkers van bedrijfsrestafval een duidelijke rol krijgen. Zij worden geacht een aantal maatregelen te nemen om te zorgen dat hun klanten aan de bron beter sorteren en te zorgen dat er zo min mogelijk recycleerbaar materiaal of gevaarlijk afval in het restafval overblijft vooraleer het naar verbranding gaat. In ruil voor deze inspanningen, is het logisch dat zij dan ook rechtszekerheid krijgen dat het restafval dat wel nog naar verbranding wordt afgevoerd in orde is met het verbrandingsverbod. Daarom wordt artikel 4.5.2 aangepast. In plaats van te stellen dat bedrijfsrestafval enkel mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand worden als het volledig voldoet aan de sorteerplicht voor bedrijven, wordt gesteld dat het bedrijfsrestafval mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand indien het is ingezameld conform de nieuwe regels in afdeling 5.
  1. Verder wordt in artikel 4.5.2 ook de verwijzing geschrapt naar de code van goede praktijk voor inzameling bedrijfsrestafval die door de Minister kan worden ingevoerd. De reden daarvoor is dat er uiteindelijk gekozen is de nieuwe regels in te voeren door dus een nieuwe afdeling 5.
  2. te voorzien in Vlarema. De aanpassingen aan artikel 4.5.2 hangen dus samen met het invoeren van de nieuwe afdeling 5.
  3. Artikel 53 Hier wordt een nieuwe afdeling ingevoegd met een algemeen verbod op sluikstorten en de creatie van zwerfvuil. Deze nieuwe verbodsbepalingen vallen onder de ruimere en reeds bestaande bevoegdheid van de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet (het achterlaten van afvalstoffen), zoals deze zijn opgenomen in het Milieuhandhavingsbesluit. Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 6° (OVAM) en 12, 10° (VLM) van het Milieuhandhavingsbesluit wordt een nieuwe bevoegdheid toegevoegd inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet en de VLAREMA-artikelen. Artikel 54 In artikel 5.2.4.2, § 1 zijn de uitzonderingsvoorwaarden om een voertuig toch niet als afgedankt te beschouwen verder verfijnd om beter in overeenstemming te zijn met de praktijk. Er worden daarbij ook opslagvoorwaarden voorzien om beter in overeenstemming te zijn met de geldende opslagvoorwaarden voor gelijkaardige types voertuigen. Artikel 55 In artikel 5.2.4.5, § 1 is de vereiste met betrekking tot het voorleggen van een bewijs van goed zedelijk gedrag geschrapt om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 56 In artikel 5.2.4.7, § 2 en § 2/1 is telkens de vereiste met betrekking tot het voorleggen van een bewijs van goed zedelijk gedrag geschrapt om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 57 De huidige bepalingen van het VLAREMA moeten aangepast worden aan de nieuwe POPs-verordening (EU) 2019/
  4. Transformatoren die volgens de oude verordening nog gebruikt mochten worden tot einde levensduur, mogen dit niet meer na 31/12/
  5. Artikel 58 In dit artikel wordt de onderafdeling 5.2.10 vervangen. De oorspronkelijke bepalingen worden echter grotendeels behouden, maar op diverse plaatsen aangepast aan de bepalingen van de nieuwe Richtlijn (EU) 2019/
  6. De oorspronkelijke titel van Onderafdeling 5.2.10 ("afval van de zeevaart") werd gewijzigd in "afval van schepen van de zeevaart" om deze beter te laten aansluiten bij de nieuwe definitie "afval van schepen" in Richtlijn (EU) 2019/883 (waarbij een "schip" dient te verstaan te worden als een "zeeschip") en tegelijkertijd duidelijk onderscheid te maken met "afval van de binnenvaart". In artikel 5.2.10.1 werd het toepassingsgebied van Onderafdeling 5.2.10 aangepast aan dezelfde omschrijving als in Richtlijn (EU) 2019/
  7. Voor wat betreft het al dan niet uitsluiten van de toepassing van bepaalde verplichtingen voor schepen gelegen aan ankerplaatsen van havens, kan gewezen worden op het feit dat dit via het afvalbeheersplan van de haven geregeld kan worden. De aanpassingen en toevoegingen in artikel 5.2.10.2 betreffen een verduidelijking van de bepalingen inzake de toereikendheid van havenontvangstvoorzieningen, en werden letterlijk overgenomen uit Richtlijn (EU) 2019/
  8. Havenontvangstvoorzieningen moeten afvalstoffen gescheiden inzamelen om hergebruik en recyclage mogelijk te maken. Ze kunnen de gescheiden afvalfracties inzamelen volgens de in het MARPOL-verdrag omschreven afvalcategorieën, rekening houdend met de daarin vervatte richtsnoeren. In de MARPOL-categorie F mogen gevaarlijk en niet gevaarlijk afval samen ingezameld worden op voorwaarde dat dit geen negatieve impact heeft op de mogelijkheden voor hergebruik en recyclage. De in artikel 4.5 van Richtlijn (EU) 2019/883 voorgestelde bepalingen inzake het voorzien van de mogelijkheid tot het vragen van schadevergoeding dienen niet in het VLAREMA te worden omgezet aangezien artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek reeds bepalingen bevat inzake algemene schadevergoeding. Artikel 5.2.10.3 werd aangepast aan de verduidelijkingen in Richtlijn (EU) 2019/883 inzake het opstellen door de havens van de plannen voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen. De nieuwe tekst verwijst concreet naar het overleg dat moet gevoerd worden met alle betrokken partijen, en dat dit overleg moet gebeuren zowel tijdens de opstelling van de plannen als na de goedkeuring ervan. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in paragraaf 1 de procedure voor het goedkeuren van de plannen voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen in die zin werd gewijzigd dat ze niet langer door de bevoegde minister worden goedgekeurd, maar door de OVAM (zie ook artikel 5.2.10.
  9. § 1). Verder werden ook de bepalingen van paragraaf 5 geschrapt inzake het verplicht structureel uitvoeren van een financiële audit of overzicht waarbij wordt toegezien op de correcte uitvoering van het kostendekkingssysteem: het is immers niet nuttig gebleken dat de havenbeheerders dit op een gestructureerde manier (elke 3 jaar) moeten doen. Bovendien past deze aanpassing in een vereenvoudiging van de wetgeving. Verder kan erop gewezen worden dat in paragraaf 3 van dit artikel alle bepalingen van Bijlage 1 ("Voorschriften voor afvalontvangst- en verwerkingsplannen") van Richtlijn (EU) 2019/883 werden opgenomen. Eveneens in paragraaf 3 werd een tikfout verbeterd ("afgesteld" werd vervangen door "afgestemd"). Als dat nodig is om redenen van efficiëntie kunnen de plannen voor ontvangst en verwerking van afval van schepen door twee of meer naburige havens in dezelfde geografische regio samen worden opgesteld. Dezelfde geografische regio kan ruim worden geïnterpreteerd. Het gaat om havens die in elkaars buurt liggen en daardoor als één geheel kunnen worden beschouwd, zoals de havens Gent en Terneuzen, of de havens Nieuwpoort en Oostende. Eventueel kan zelfs de hele Vlaamse regio worden beschouwd als één zelfde geografische regio. Artikel 5.2.10.4 bevat de procedure en termijnen voor het indienen en de goedkeuring van de havenafvalbeheersplannen, en betreft vooral procedurele maatregelen. In paragraaf 1 werd de terminologie voor "aangetekende zending" aangepast in "beveiligde zending", en werd aangegeven dat de havenafvalbeheersplannen worden goedgekeurd door de OVAM. In paragraaf 2 werd de geldigheidstermijn voor de havenafvalbeheersplannen verlengd van drie naar vijf jaar. Bovendien werd eraan toegevoegd dat indien er tijdens de voorgaande vijf jaar geen significante wijzigingen (zie paragraaf 3 van dit artikel) in de haven hebben plaatsgevonden, de nieuwe afvalbeheersplannen door OVAM gevalideerd kunnen worden (bevestiging van de verlenging van de bestaande havenafvalbeheersplannen) in plaats van een formele goedkeuring door de OVAM, zoals dat gebeurt voor een nieuw plan. Paragraaf 3 bevat verduidelijkingen inzake wat verstaan kan worden onder "significante veranderingen" in de haven. Deze verduidelijkingen werden letterlijk overgenomen uit Richtlijn (EU) 2019/
  10. De nieuwe paragraaf 4 implementeert de bepalingen van artikel 5.5 uit Richtlijn (EU) 2019/883, waarbij wordt gesteld dat bepaalde kleine niet-commerciële havens geen afvalbeheersplan hoeven te hebben. In artikel 5.2.10.5 werd de informatie die aan elke havengebruiker moet worden meegedeeld aangepast aan de bepalingen van artikel 5.2 van Richtlijn (EU) 2019/
  11. In artikel 5.2.10.6 worden de modaliteiten opgesomd voor de afvalvooraanmelding van schepen. Paragraaf 1 bevat de verduidelijkingen uit Richtlijn (EU) 2019/883 over welke schepen die moeten aanmelden. De verwijzing naar het model van aanmeldingsformulier in bijlage 5.2.10.A van het VLAREMA werd verplaatst verder in paragraaf
  12. In paragraaf 2 werd de bepaling uit Richtlijn (EU) 2019/883 toegevoegd dat de informatie uit de afvalvooraanmelding desgevraagd ter beschikking moet worden gesteld aan de bevoegde handhavingsinstanties. Overeenkomstig artikel 6.2 van Richtlijn (EU) 2019/883 moet de informatie van de afvalvooraanmelding elektronisch worden gemeld naar een specifiek daartoe voorzien Europees datasysteem (SafeSeaNet). Deze verplichting werd geïmplementeerd in de nieuwe paragraaf
  13. De oude paragraaf 3 wordt geschrapt aangezien de aanduiding van de instantie waar de afvalaanmelding moet gedaan worden reeds in paragraaf 1 is gedaan (met name het havenbedrijf). De oude paragraaf 4 wordt eveneens geschrapt: aangezien de informatie uit de afvalaanmeldingsformulieren elektronisch moet worden aangemeld in het Europees datasysteem (SafeSeaNet) waar de informatie verder wordt verwerkt en bewaard, is het niet langer nuttig op te leggen dat de info drie jaar moet bijgehouden worden. In artikel 5.2.10.7 worden de bepalingen inzake de afgifte van afval van schepen aangepast aan de nieuwe verplichtingen overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2019/
  14. In paragraaf 1 wordt verwezen naar de toepasselijke lozingsnormen van het MARPOL-verdrag, en wordt de afzonderlijke verwijzing naar ladingresiduen geschrapt (in de nieuwe Richtlijn vallen ladingresiduen immers onder de definitie van "afval van schepen", en wordt er m.b.t. de afgifteplicht dan ook geen onderscheid meer gemaakt tussen operationeel afval en ladingresiduen). In de nieuwe paragraaf 2 worden de verplichtingen van artikel 7.2 van Richtlijn (EU) 2019/883 geïmplementeerd inzake het afleveren van een afvalontvangstbewijs. In de paragrafen 3 en 4 worden de bepalingen uit Richtlijn (EU) 2019/883 geïmplementeerd waarbij een schip enerzijds mag doorvaren zonder afval af te geven (paragraaf 3) en anderzijds verplicht is alle afval af te geven (paragraaf 4). In artikel 5.2.10.8 worden de verplichtingen geïmplementeerd inzake de toepassing van kostendekkingssystemen voor de verschillende soorten afval van schepen. Deze bepalingen werden integraal overgenomen uit artikel 8 van Richtlijn (EU) 2019/
  15. Artikel 5.2.10.9 bevat de voorwaarden en procedure inzake vrijstellingen voor schepen. In paragraaf 1 worden de voorwaarden voor het krijgen van een vrijstelling gealigneerd met de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/
  16. Paragraaf 2 beschrijft de procedure voor het indienen en goedkeuren van een vrijstelling. Aangezien een dergelijke aanvraag dient te gebeuren via het daartoe door de OVAM ter beschikking gestelde webloket (waar duidelijk wordt gemaakt welke informatie ter beschikking moet worden gesteld), worden deze bepalingen geschrapt. Ook de uitwisselingsmodaliteiten waarbij de informatie aan de betrokken overheden wordt uitgewisseld wordt geschrapt: deze uitwisseling gebeurt immers automatisch en elektronisch via het OVAM-webloket scheepvaart. In paragraaf 2 werd eveneens de geldigheidstermijn van een vrijstelling vastgelegd op maximaal vijf jaar: dit is gebaseerd op de informatie in de Richtsnoeren3 voor de interpretatie van Richtlijn 2000/59/EC betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen. Verder bevat deze paragraaf de bepaling uit Richtlijn (EU) 2019/883 dat OVAM bij het verlenen van een vrijstelling steeds een vrijstellingscertificaat moet afleveren. Het model van dit certificaat wordt meegenomen in bijlage 5.2.10.D. In paragraaf 5 werd het woordje "Vlaamse" geschrapt omdat een schip, omwille van de redenen verder aangehaald in deze paragraaf, ook een buitenlandse haven moet kunnen aanlopen zonder de vrijstelling te verliezen. De nieuwe paragraaf 6 bevat integraal de bepalingen van artikel 9.5 van Richtlijn (EU) 2019/
  17. Het nieuwe artikel 5.2.10.9/1 werd integraal overgenomen uit artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/
  18. Artikel 59 Dit betreft een letterlijke omzetting van artikel 21, lid 1, c) van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Artikel 60 Om recyclage van de matrasmaterialen mogelijk te maken is het belangrijk dat de afgedankte matrassen gedurende de hele inzamelketen droog blijven. Dit wordt opgelegd in artikel 5.2.14.
  19. Artikel 5.2.14.2 legt de verwerkingsdoelstellingen die in kader van de aanvaardingsplicht voor afgedankte matrassen gelden, ook op aan de individuele afvalstoffenproducenten die afgedankte matrassen inzamelen, verwerken of met het oog op verwerking aanbieden aan een derde en aan de individuele inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars en kennisgevers. Artikel 61 Het gebruik van PAK-houdend granulaat/zeefzand is volgens art. 5.3.3.4 niet meer toegelaten na 1 mei 2019 en kan dus opgeheven worden. Artikel 62 Volgens Vlarema art. 6.1.1.4 moet de inzamelaar van bedrijfsrestafval dit afval bij het inzamelen controleren op sorteerfouten. In andere artikels van dit ontwerpbesluit wordt de visuele controle nog verder uitgewerkt. Bij het gebruik van niet-transparante zakken is de visuele controle evenwel de facto onmogelijk. Inzamelaars die bovendien nog bedrijfsrestafval willen uitsorteren om zeker te voldoen aan het verbrandingsverbod, moeten hierdoor heel wat niet-transparante zakken openscheuren. Dit vereist veel werk. Het gebruik van dergelijke afvalzakken wordt daarom verboden. Dit verbod geldt enkel als de inzameling gebeurt met containers. Indien het bedrijfsrestafval enkel in een zak wordt aangeboden (kleine minderheid van de ophalingen), dan mag er eventueel wel een niet-transparante zak worden gebruikt, om te vermijden dat het restafval voor iedereen zichtbaar is. Het artikel voorziet in een gefaseerde invoer van dit verbod om bedrijven voldoende tijd te geven zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Artikel 63 Artikel 5.4.1 bespreekt de inhoud van het inspectieprotocol asbestinventarisatie. Het inspectieprotocol is de standaardprocedure die gecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie moeten volgen om op een correcte manier een geldige asbestinventaris op te maken. Kennis over het inspectieprotocol is onderdeel van de verplichte opleiding van kandidaat asbestdeskundigen en het vormt de basis voor het uitvoeren van auditcontroles door erkende certificatie-instellingen. Het garandeert een uniforme en kwaliteitsvolle opmaak van asbestinventarisattesten en biedt een houvast voor de asbestdeskundigen inventarisatie als afbakening van hun aansprakelijkheden en inspanningsverplichtingen. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie zal als ministerieel besluit verankerd worden. Artikel 5.4.2 bakent fysisch de ondergrens af voor constructies met risicobouwjaar naar aanleiding waarvan de eigenaar over een asbestinventarisattest moet beschikken bij overdracht of tegen de mijlpaal van
  20. De afbakening op 20 vierkante meter is enerzijds billijk maar wil anderzijds ook de typische alleenstaande constructies vatten met bijvoorbeeld een functie als materiaalopslag of als onderdak voor dieren. Het gaat hierbij om terreinen waarop verder geen hoofdgebouw aanwezig is, bijvoorbeeld op weilanden van landbouwers of particulieren die huisdieren houden. Deze constructies bezitten vaak asbestcementen onderdelen. Art. 5.4.3 somt de voorwaarden op voor een kandidaat certificatie-instelling om erkend te worden door de OVAM en de verkregen erkenning te behouden. De voorwaarden beogen een onafhankelijke en kwaliteitsvolle werking voor al hun uit te voeren taken binnen hun erkenning. Om een objectieve en onafhankelijke werking van een certificatie-instelling te garanderen, mogen de personen die de organisatie verbinden geen parallelle activiteiten hebben die dit kunnen bemoeilijken of niet verenigbaar zijn. In punt 2° wordt onder de term `begeleiding' de dienstverlening verstaan van asbestdeskundigen als expert voor de begeleiding van bijvoorbeeld projectontwikkeling, milieu-incidenten of asbestverwijdering. In punt 6° wordt duidelijk gemaakt dat de asbestdeskundigen inventarisatie als persoonsgecertificeerd asbestdeskundige inventarisatie niet rechtstreeks aangesloten zijn bij een certificatie-instelling asbest maar via het procescertificaat van het bedrijf. Voor activiteiten die onder asbestverwijdering vallen, gaat dit specifiek om ondernemingen die erkend zijn als asbestverwijderaar. Artikel 5.4.4 beschrijft de procedure tot aanvraag van een erkenning tot certificatie-instelling asbest, de behandelingsprocedure van de aanvraag en de geldigheidsduur van een verkregen erkenning. De erkenningsaanvraag wordt zowel op haar volledigheid als haar kwaliteit beoordeeld. Bij de aanvraag moet immers ook het intern kwaliteitshandboek dat alles procedures beschrijft van de werking en de taken. Dit handboek wordt beoordeeld op haar kwaliteit, bij onvoldoende kwaliteit wordt de aanvraag tot erkenning geweigerd. Op deze manier wordt verzekerd dat er enkel kwaliteitsvolle certificatie-instellingen op de markt komen. De erkenningsaanvraag als certificatie-instelling asbest wordt behandeld binnen een vooropgezette behandeltermijn. Indien deze termijn wordt overschreden, wordt de aanvraag geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Artikel 5.4.5 beschrijft de voorwaarden waaronder de OVAM de erkenning van een certificatie-instelling asbest kan schorsen en de schorsingsprocedure zelf. Onder reglementair werken zoals vermeld in paragraaf 1, punt 1° wordt ook kwaliteitsvol werken verstaan om zo onkunde, onoordeelkunde en onzorgvuldig gedrag te vermijden. Als de schorsing van de erkenning gebeurde door het niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, kan de certificatie-instelling asbest tijdens de schorsingsperiode aantonen opnieuw in regel te zijn en een aanvraag tot opheffing van de schorsing aan de OVAM richten. Is na het verstrijken van de schorsingsperiode van zes maanden de certificatie-instelling asbest nog steeds niet in regel met de erkenningsvoorwaarden, gaat een nieuwe schorsingsperiode in van zes maanden. In het certificatiereglement kunnen meer details over de voorwaarden tot schorsing en de schorsingsprocedure worden uitgewerkt. De certificatie-instelling asbest mag tijdens de schorsingsperiode maar een beperkt aantal van haar taken uitvoeren. Alle andere taken zullen overgenomen worden door andere certificatie-instellingen asbest. Art. 5.4.6 beschrijft de voorwaarden waaronder de OVAM een erkenning van een certificatie-instelling asbest kan opheffen en de opheffingsprocedure zelf. Onder in ernstige mate zoals vermeld in paragraaf 1, punt 1° worden ernstige fouten inzake fraude, partijdigheid, onkunde, onoordeelkundig en onzorgvuldig gedrag en niet-objectief of onprofessioneel gedrag verstaan. Indien na het verstrijken van de automatische verlengde schorsingsperiode van zes maanden, vermeld in artikel 5.4.5, § 2, tweede lid, de certificatie-instelling nog steeds niet in regel met de erkenningsvoorwaarden, wordt de erkenning van rechtswege opgeheven. In het certificatiereglement kunnen meer details over de voorwaarden tot opheffing van de erkenning en de opheffingsprocedure worden uitgewerkt. Art. 5.4.7 beschrijft het toezicht van de OVAM op de verleende erkenningen aan certificatie-instellingen asbest. De controle is minimaal één keer per jaar. De OVAM moet hiervoor alle relevante stukken en informatie kunnen opvragen. De OVAM kan ook een externe onafhankelijke instantie om voor haar deze controles uit te voeren. De certificatie-instellingen asbest moeten elk jaareinde een jaarverslag aan de OVAM bezorgen als insteek voor de beoordeling van haar werking. Art. 5.4.8 beschrijft de taken van een certificatie-instelling asbest. De details van deze verplichte taken kunnen uitgewerkt worden in het certificatiereglement. Het door de certificatie-instelling gevraagde jaarlijks tarief per persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie wordt begrensd met een minimum en maximumtarief. Art. 5.4.9 voorziet de mogelijkheid om de taken van een certificatie-instelling asbest over te nemen in uitzonderlijke situaties namelijk bij het ontbreken van een certificatie-instelling asbest of bij onvoldoende operationaliteit van de certificatie-instellingen asbest hetgeen tot markthinder zou leiden. Het is dus niet de bedoeling om de taken van een geschorste of opgeheven certificatie-instelling asbest over te nemen. In dat geval is het de bedoeling dat andere certificatie-instellingen asbest de taken die niet kunnen uitgevoerd worden tijdens de schorsingsperiode overnemen. Essentieel is dat een vlotte marktwerking, in het bijzonder voor de overdracht van toegankelijke constructies met risicobouwjaar, wordt gegarandeerd. Indien er geen of onvoldoende capaciteit is bij erkende certificatie-instellingen asbest moet de marktwerking echter gegarandeerd kunnen blijven. Dit wordt evenwel als een worst-case scenario aanzien en niet waarschijnlijk geacht. Het uitgangspunt van dit artikel is louter een terugvalscenario met tijdelijk karakter tot er opnieuw voldoende capaciteit via erkende certificatie-instellingen asbest bestaat. In voorkomend geval van tijdelijke overname van de taken van een certificatie-instelling asbest kan de door de OVAM aangestelde organisatie haar werkingskosten hiervoor verhalen op de betrokken certificatie-instelling asbest. Art. 5.4.10, eerste lid beschrijft de voorwaarden waaronder natuurlijke personen een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie kunnen behalen. Met het oog op voldoende marktcapaciteit en een gelijkwaardig kansenbeleid bestaat de mogelijkheid om relevant opgebouwde beroepservaring, ongeacht de opleidingsgraad, te honoreren als instapvoorwaarde. De verplichte opleiding met praktijkgedeelte en het examen valideren of kandidaten over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om het beroep uit te kunnen oefenen. De verplichte opleiding behandelt vooral het inspectieprotocol asbestinventarisatie en de werking van de databankapplicatie. Daarnaast is ook een praktijkgedeelte voorzien voor o.a. monstername. Om te kunnen slagen in het examen is reeds een bepaalde basiskennis asbest, via vooropleiding of door feitelijke beroepservaring, nodig voor het deelnemen aan de verplichte opleiding. De OVAM publiceert op haar website de onderdelen van de vereiste basiskennis. Opleidingscentra die reeds opleidingen inzake asbest aanbieden, kunnen op basis hiervan hun modules vervolledigen. Het tweede lid stelt dat de OVAM zelf de inhoud van het examen opstelt of hiervoor een organisatie aanstelt. De certificatie-instellingen asbest staan enkel in voor de organisatie van het examen en de beoordeling ervan conform de richtlijnen van de OVAM. Op die manier bewaakt de OVAM een uniforme beoordeling van kandidaten en een uniforme en objectieve werking van de verschillende certificatie-instellingen asbest. De inhoud van het examen zal periodiek worden geëvalueerd en aangepast. Het derde lid beschrijft hoe een geslaagde kandidaat actief het beroep van asbestdeskundige inventarisatie kan oefenen. Met het behaalde persoonscertificaat op zak, heeft hij twee mogelijkheden om het beroep uit te oefenen: als bestuurder-zaakvoerder van een bedrijf dat een procescertificaat bezit of als werknemer van een bedrijf dat een procescertificaat bezit. Het procescertificaat wordt verleend door een erkende certificatie-instelling asbest. Eens deze voorwaarde vervuld is, kan de natuurlijke persoon asbestdeskundige inventarisatie starten met het opmaken van asbestinventarisattesten. Het is decretaal voorzien dat bedrijven de opmaak van hun asbestinventarisattest kunnen toewijzen aan hun eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator. Zo hoeven ze die opdracht niet extern uit te besteden. Art. 5.4.11 stelt dat het bedrijf zich hiervoor éénmaal moet registeren bij een certificatie-instelling. De registratie omvat louter een administratieve formaliteit om de eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator kenbaar te maken bij de certificatie-instelling asbest. Ook asbestinventarisattesten opgemaakt door de interne preventie-adviseur of milieucoördinator moeten immers gecontroleerd of geaudit kunnen worden door een certificatie-instelling asbest. De eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator moet over de kennis en vaardigheid beschikken om voor hun bedrijf het asbestinventarisattest op te kunnen maken. Daarom dat ook zij moeten beschikken over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie. Art. 5.4.12 somt de voorwaarden op om als bedrijf, zijnde een éénmanszaak of een rechtspersoon met werkgever, een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie te bekomen. Belangrijk is dat de werkgever zijn werknemers alle tijd en middelen moet kunnen bieden om kwaliteitsvol asbestinventarisattesten op te maken. Daarom dat het beschikken over een intern kwaliteitsbeheersysteem dat dit werkingskader beschrijft, vereist is voor het bekomen van een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie. Een bedrijf kan slechts over één procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie beschikken en is via dit procescertificaat aangesloten bij de certificatie-instelling asbest. Art. 5.4.13 bakent de verwerking van persoonsgegevens af voor de asbestdeskundige inventarisatie en de OVAM. Na de doelstelling van 2040 moet de opvolging blijven gebeuren om een asbestvrij Vlaanderen te kunnen garanderen, en zal een controle op het behoud van een asbestveilige toestand van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar gebeuren. De bewaartermijn van de gegevens voor wat betreft de kenmerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar worden in dit artikel vastgesteld. Voor de bewaartermijn van de persoonlijke contactgegevens en het rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid moet verwezen worden naar artikel 33/10, § 4 van het Materialendecreet. Hetzelfde geldt voor de doelstelling van de gegevensverwerking en voor de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke, ook deze worden vermeld in artikel 33/10, § 4 van het Materialendecreet. Art. 5.4.14 bakent de modaliteiten af voor de toegang tot de databank asbestinventarisatie opgedeeld volgens leesrecht en lees- en schrijfrecht. Het schrijfrecht omvat de inhoudelijk aanmaak en wijziging van asbestinventarisattesten en is uiteraard strikt beperkt tot hiervoor persoongecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, de toezichthoudende medewerkers van de certificatie-instellingen en de aangeduide medewerkers van de OVAM. Het leesrecht is breder. Notarissen moeten de aanwezigheid en de inhoud van een asbestinventarisattest kunnen raadplegen bij overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar. Vastgoedmakelaars moeten de aanwezigheid en de inhoud van een asbestinventarisattest kunnen raadplegen bij de verkoop of verhuur van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die zij aanbieden. Medewerkers van een bij de certificatie-instelling asbest geregistreerde werkgever moeten asbestinventarissen kunnen raadplegen voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar in eigendom of exploitatie van de werkgever, opgesteld door de interne milieucoördinator of de interne preventieadviseur. Toezichtshouders moeten voor uitspraken over de omgevingsveiligheid of de gebouwveiligheid het asbestinventarisattest kunnen raadplegen. Hulpdiensten hebben er baat bij voorafgaand aan een interventie de potentiële aanwezigheid van asbest te kennen. Art. 5.4.15 beschrijft de modaliteiten omtrent de geldigheidsduur van een asbestinventarisattest. Een eigenaar zal enkel een asbestinventarisattest voor een overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar kunnen gebruiken indien de geldigheidsduur niet verstreken is. De standaard geldigheidsduur van tien jaar is billijk om overhead in administratie en kosten voor de gebouweigenaar te beperken. Deze geldigheidsduur is wel een generiek vertrekpunt onder strikte voorwaarden. Logische voorwaarden zijn dat er geen urgente risico's mogen vastgesteld zijn door de asbestdeskundige en dat de gerapporteerde toestand in het asbestinventarisattest gedurende deze geldigheidsduur niet wijzigt. De geldigheidsduur van tien jaar geldt ook voor asbestinventarisattesten met als conclusie `asbestveilig' aangezien de uitgevoerde asbestinventaris niet-destructief is en er bij latere werken dus steeds nieuwe asbesthoudende materialen kunnen worden aangetroffen. Bij urgente risico's zal de asbestdeskundige inventarisatie adviseren welke risicobeheersmaatregelen snel moeten genomen worden en zal hij hieraan gekoppeld de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest beperken indien deze risicobeheersmaatregelen niet voor de aflevering van het asbestinventarisattest gerealiseerd werden. Bij gewijzigde toestand van de toegankelijke constructie met risico-bouwjaar moet binnen een termijn van 1 jaar na vaststelling van deze wijziging een geactualiseerd asbestinventarisattest opgemaakt worden. Op deze manier is men steeds zeker dat het asbestinventarisattest steeds op de meest huidige toestand van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar betrekking heeft. Indien via werken al het eerder vastgestelde asbest is verwijderd, zal dit via een geactualiseerd asbestattest in de databank worden opgenomen. Het attest zal dan voor die locatie conclusie dragen dat ze asbestveilig is. Artikel 64 Het bedrijfsafval wordt vandaag onvoldoende selectief ingezameld. Bijgevolg zit er in het bedrijfsrestafval dat naar verbranding wordt afgevoerd en verbrand wordt, nog heel wat afval dat eigenlijk onder de sorteerplicht valt. Daardoor gaan heel wat materialen verloren. Om het sorteren bij bedrijven te verbeteren wordt een nieuwe afdeling 5.5 in Vlarema ingevoerd, waarbij inzamelaars, handelaars en makelaars en verwerkers van bedrijfsrestafval een duidelijke rol krijgen. Zij worden geacht een aantal maatregelen te nemen om te zorgen dat hun klanten aan de bron beter sorteren en te zorgen dat er zo min mogelijk recycleerbaar materiaal of gevaarlijk afval in het restafval overblijft vooraleer het naar verbranding gaat. Oorspronkelijk was het de bedoeling om deze regels via Ministerieel Besluit in te voeren. Er is uiteindelijk gekozen voor een nieuwe afdeling in Vlarema. Deze regels gelden onverminderd de bepalingen in artikel 4.3.2 die stellen dat de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, kan samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder een aantal cumulatieve voorwaarden, namelijk het moet gaan om droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert, het recipiënt moet overgebracht worden naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd en de afvalstoffenproducent moet daarover een contract afgesloten hebben met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd. In het verbrandingsverbod van artikel 4.5.2 staat vermeld dat het verboden is afval naar verbranding af te voeren of te verbranden als dat niet (volledig) voldoet aan de sorteerplicht van bedrijven. In de feiten is dit evenwel zo goed als onhaalbaar. Ook een laatste papiersnipper of laatste PET-flesje dat nog in het restafval zit, vormt theoretisch een overtreding van het verbrandingsverbod. Op het terrein wordt enkel voor zware overtredingen effectief handhavend opgetreden, maar de onduidelijkheid leidt tot een situatie van onvoldoende rechtszekerheid. De inzamelaar, handelaar, makelaar (IHM) en de verwerker van bedrijfsrestafval moet vandaag eigenlijk zelf inschatten wat nog aanvaardbaar is en wat niet om af te voeren naar verbranding of te verbranden. Dit leidt tot een race to the bottom. Spelers die zich het minst van het verbrandingsverbod aantrekken kunnen goedkoper restafval ophalen bij klanten, terwijl wie wel maximale inspanningen doet nog steeds niet zeker is geen overtreding te riskeren als er nog kleine hoeveelheden recycleerbaar materiaal in het restafval zitten. Ook individuele handhavers moeten namelijk een inschatting maken van wat nog aanvaardbaar is of niet. De bedoeling van de nieuwe afdeling 5.5 is om een duidelijke set van regels te ontwerpen waaraan inzamelaars, handelaars en makelaars (IHM), alsook verwerkers van bedrijfsrestafval moeten voldoen. Zij hebben duidelijk een belangrijke verantwoordelijkheid in de keten, maar kunnen anderzijds ook niet verantwoordelijk gesteld worden voor elke laatste sorteerfout van een klant. De nieuwe afdeling geeft dus duidelijk aan hoe ver de verantwoordelijkheid reikt. Het gaat om inspanningen die moeten gebeuren rond het infomeren van klanten inzake de sorteerplicht, de visuele controles op de sorteerplicht bij klanten en de hoeveelheden recycleerbaar afval die nog in het restafval aanwezig mogen zijn alvorens naar verbranding af te voeren of te verbranden. In ruil voor deze inspanningen, is het logisch dat de spelers in de keten dan ook rechtszekerheid krijgen dat het restafval dat wel nog naar verbranding wordt afgevoerd in orde is met het verbrandingsverbod. Daarom wordt ook artikel 4.5.2 (het verbrandingsverbod) aangepast. In plaats van te stellen dat bedrijfsrestafval enkel mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand worden als het volledig voldoet aan de sorteerplicht voor bedrijven, wordt gesteld dat het bedrijfsrestafval mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand, indien het is ingezameld conform de nieuwe regels in afdeling 5.
  21. Onderafdeling 5.5.1 bepaalt op welke situaties de afdeling (niet) van toepassing is. Artikel 5.5.1.
  22. geeft aan dat het gaat om de hele keten van inzameling tot verwerking van bedrijfsrestafval. Het vergelijkbaar bedrijfsrestafval (vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijk restafval) is uitgesloten indien dit wordt ingezameld samen met de huishoudelijke rondes. Dan gelden namelijk reeds de regels die van toepassing zijn op huishoudelijke (rest)afvalinzameling en -verwerking. De afdeling is ook niet van toepassing op medisch afval. Niet risicohoudend medisch afval wordt soms als bedrijfsrestafval aanzien. Hoewel dit afval in theorie geen risico's inhoudt, is het uit hygiëne- en gezondheidsoverwegingen toch niet aangewezen hier veel bewerkingen op te doen. Daarom wordt dit uitgesloten. Het is wel de bedoeling dat dergelijk (niet-risicohoudend) medisch afval apart wordt ingezameld van het gewone, echte bedrijfsrestafval. De afdeling voorziet allerlei behandelingen en bewerkingen die moeten gebeuren op het bedrijfsrestafval. Soms wordt dit evenwel expliciet verboden door andere regelgeving of op bevel van politie of bevoegde autoriteiten, zoals douane. In dat geval is de afdeling dus ook niet van toepassing. Tegelijk willen we het sorteren ook makkelijk maken voor de bedrijven. De reeds bestaande gezamenlijke inzamelingen van droge niet-gevaarlijke recycleerbare fracties kunnen daarbij helpen, maar zijn vandaag nog te zeer een uitzondering. Het gaat dan niet om restafvalcontainers, maar containers met een mix van materialen die elkaar niet vervuilen, waardoor hoogwaardige verwerking niet in het gedrang komt. Met de invoering van deze nieuwe afdeling wordt gefocust op het vermijden van recycleerbare fracties in het restafval. Maar de komende jaren werken we vanuit het beleid dus ook verder aan oplossingen die innovatieve inzamelsystemen verder kunnen stimuleren en administratief vereenvoudigen. Onderafdeling 5.5.2 detailleert verder de reeds bestaande informatieplicht van inzamelaars, handelaars, makelaar naar de afvalstoffenproducenten en maakt die concreter voor de inzameling van restafval. Zo detailleert artikel 5.5.2.1 bepalingen die in het contract tussen IHM en klant moeten worden opgenomen bij inzameling van restafval en bepaalt artikel 5.5.2.2 dat er ook naast het contract bijkomende informatie moet voorzien zijn op maat van de klant. Artikels 5.5.2.3 en 5.5.2.4 verbieden expliciet het verspreiden van foute informatie en het ertoe aanzetten dat klanten fout sorteren. Onderafdeling 5.5.3 bepaalt wat er moet gebeuren bij de acceptatie van restafval bij ophaalrondes. De facto gaat het hier meestal om rolcontainervrachten of ophaling met zakken. Aangezien het afval van meerdere afvalproducenten al gemengd raakt bij het ophalen, wordt in artikel 5.5.3.1 verplicht dat de visuele controle op de sorteerplicht gebeurt bij de ophaling zelf en wel voor het afval dus in de vrachtwagen verdwijnt. In artikel 5.5.3.2 wordt uitgelegd hoe de controle precies moet gebeuren. Omwille van hygiëne en veiligheid is het bij die controle niet verplicht om ondoorzichtige zakken te controleren. Artikel 5.5.3.3 geeft evenwel aan dat het niet de bedoeling is dat IHM's klanten er bewust toe aanzetten om dergelijke zakken te gebruiken. Artikel 5.5.3.4 legt uit dat er bij opgemerkte sorteerfouten een non-conformiteit moet worden opgemaakt en hoe die moet worden bijgehouden. Een uitzondering wordt voorzien voor eenmanszaken zonder rechtspersoonlijkheid om redenen van bescherming van persoonsgegevens. Dankzij het bijhouden van non-conformiteiten wordt het mogelijk om ook een zekere handhaving te realiseren ter hoogte van de afvalstoffenproducent. De non-conformiteit op zich zal nooit gebruikt kunnen worden, maar bedoeling is door veelvuldige non-conformiteiten bij dezelfde afvalstoffenproducenten te kunnen detecteren welke bedrijven helemaal niet op de selectieve inzameling zijn georganiseerd. Dit moet een risicogebaseerde handhaving mogelijk maken, zodat enerzijds bedrijven met rust gelaten worden als ze slechts af en toe een sorteerfout maken, maar anderzijds bedrijven die bewust niet willen sorteren, kunnen worden aangepakt. Het doel van het centraal non-conformiteitsregister is om vermoede veelvuldige overtreders in kaart te brengen en op basis daarvan een risico gebaseerde handhaving te kunnen voeren. Bij de uiteindelijke handhaving zal uiteraard ook rekening gehouden worden met andere gegevens, zoals de verhouding tussen het aantal non-conformiteiten in het register en het aantal ophalingen bij die klant. Artikel 5.5.3.5 geeft aan dat ook de afvalstoffenproducent zelf op de hoogte moet worden gebracht als er een non-conformiteit wordt opgemaakt. Artikel 5.5.3.
  23. bepaalt dat recipiënten voor restafval steeds geweigerd moeten worden als er gevaarlijk afval wordt waargenomen. Dit is belangrijk, om te vermijden dat bijvoorbeeld in een perskraakwagen dit gevaarlijk afval doorheen de hele vracht gemengd raakt. Artikel 5.5.3.7 geeft aan wat er moet gebeuren als er andere sorteerfouten worden opgemerkt. Hierbij krijgt de IHM meerdere keuzes: weigering, de non-conformiteit actief doorgeven door het centraal register van de OVAM te gebruiken (zodat handhaving bij de afvalproducent makkelijker wordt) of zorgen dat de hele vracht aan strenge richtwaarden voldoet (eventueel door middel van nasortering). Hierbij wordt de weigering van de afvalstoffen die niet voldoen aan de sorteerplicht als meest wenselijke optie beschouwd. Artikel 5.5.3.8 geeft aan dat ook weigeringen van recipiënten geregistreerd moeten worden. Artikel 5.5.3.9 geeft aan dat het register elke werkdag moet worden aangevuld. Dit artikel stelt ook dat een IHM die een eigen non-conformiteitenregister bijhoudt, dit register 5 jaar moet bijhouden. Indien van het centraal register gebruik gemaakt wordt, worden de gegevens al na 18 maanden gewist. De reden voor dit verschil heeft te maken met handhaving. Enerzijds moet het non-conformiteitenregister een gerichtere handhaving mogelijk maken ter hoogte van de afvalstoffenproducent. Daarbij zal in de praktijk steeds naar recente gegevens gekeken worden. Het heeft geen zin afvalproducenten te controleren waar jaren geleden non-conformiteiten zijn opgemerkt. Anderzijds zullen registers ook gebruikt worden om na te gaan of de IHM wel de wetgeving opvolgt en een non-conformiteitsprocedure heeft naar de klanten. Hiervoor is een langere tijdshorizon wel wenselijk. Indien van het centraal register gebruik gemaakt wordt, dan is geweten hoe lang de IHM al gebruik maakt van het centraal register, zelfs al worden de gegevens over de klanten zelf gewist. Indien de IHM evenwel enkel een eigen register bijhoudt, is hier geen zicht op. Er zullen regelmatig steekproeven gebeuren om individuele registers op te vragen, maar het is perfect mogelijk dat een IHM pas na enkele jaren een controle krijgt. Het is belangrijk dan te weten hoe lang de wetgeving al wel of niet nageleefd wordt, zeker bij flagrante situaties die tot een vervolging leiden. Dit kan leiden tot een verzwarende of verzachtende inschatting van de overtredingen van de IHM. Onderafdeling 5.5.4 bepaalt wat er moet gebeuren bij de acceptatie van restafval via individuele inzameling. Het gaat meestal om afzetcontainers die per klant worden opgehaald en naar een verwerkingssite gebracht. Visuele controle op de sorteerplicht bij de klant is dan vaak moeilijk. Containers zijn vaak te hoog en bovendien kan men enkel de oppervlakte zien van een heel grote container, waardoor de controle heel beperkt blijft. Artikel 5.5.4.1 stelt daarom dat elke container die wordt meegenomen moet worden uitgekipt op een vergunde site om daar de controle te doen. Artikel 5.5.4.2 geeft opnieuw aan hoe de non-conformiteiten moeten worden opgemaakt en bijgehouden. Het doel van het centraal non-conformiteitsregister is om veelvuldige overtreders in kaart te brengen en op basis daarvan een risico gebaseerde handhaving en een gerichter beleid te voeren. Artikel 5.5.4.3 stelt dat de afvalstoffenproducent op de hoogte moet worden gebracht van de non-conformiteit. In artikel 5.5.4.
  24. wordt duidelijk gemaakt dat al het afval dat is ingezameld via individuele ophalingen moet voldoen aan bepaalde resultaten alvorens naar verbranding te worden afgevoerd. Er wordt expliciet aangegeven hoeveel van verschillende materialen er nog in het restafval aanwezig mag zijn. Indien dit kan worden gerealiseerd via een goede bronsortering door de klanten, is dat prima en geniet dit zelfs de voorkeur. Indien

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.