(70)). In de uitzondering waarbij bepaalde afvalstromen van de zeevaart toch samen mogen worden vervoerd in dezelfde container zolang ze nadien maar terug uitgesorteerd worden, wordt "droge, niet-gevaarlijke" geschrapt. Dat is iets wat inzamelaars bij het inzamelen van afval van een schip toch niet kunnen controleren. Niettegenstaande schepen aan boord soms wel bepaalde afvalstoffen apart verpakken (vb. in vuilzakken), worden die dan toch in dezelfde container gegooid op de kaai (vaak zelfs als de inzamelaar niet aanwezig is en de container pas komt ophalen als die vol is). Daar zitten soms ook vloeibare en/of gevaarlijke afvalstoffen tussen. Het schrappen van de "droge, niet-gevaarlijke" heeft geen invloed op het uitsorteren met het oog op de hoogwaardige verwerking. Artikel 51 In artikel 4.3.5 'kan' een verwerkingstoelating / sloopattest afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie vervangen door 'moet'. Dit volgt uit de verplichting voor de invoering van volledige sloopopvolging voor grote werven zoals gegeven in de algemene toelichting. De toevoeging "tenzij anders bepaald in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan" is nodig omdat in sommige gevallen geen verwerkingstoelating of sloopattest kan afgeleverd worden. In bepaalde situaties komt er geen of weinig puin vrij of kan het puin niet gescheiden als een zuivere fractie ingezameld worden waardoor er geen verwerkingstoelating kan afgeleverd worden. Artikel 52 Het bedrijfsafval wordt vandaag onvoldoende selectief ingezameld. Bijgevolg zit er in het bedrijfsrestafval dat naar verbranding wordt afgevoerd en verbrand wordt, nog heel wat afval dat eigenlijk onder de sorteerplicht valt. In het verbrandingsverbod van artikel 4.5.2 staat vermeld dat het verboden is afval naar verbranding af te voeren of te verbranden als dat niet (volledig) voldoet aan de sorteerplicht van bedrijven. Om het sorteren bij bedrijven te verbeteren wordt een nieuwe afdeling 5.5 in Vlarema ingevoerd, waarbij inzamelaars, handelaars en makelaars en verwerkers van bedrijfsrestafval een duidelijke rol krijgen. Zij worden geacht een aantal maatregelen te nemen om te zorgen dat hun klanten aan de bron beter sorteren en te zorgen dat er zo min mogelijk recycleerbaar materiaal of gevaarlijk afval in het restafval overblijft vooraleer het naar verbranding gaat. In ruil voor deze inspanningen, is het logisch dat zij dan ook rechtszekerheid krijgen dat het restafval dat wel nog naar verbranding wordt afgevoerd in orde is met het verbrandingsverbod. Daarom wordt artikel 4.5.2 aangepast. In plaats van te stellen dat bedrijfsrestafval enkel mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand worden als het volledig voldoet aan de sorteerplicht voor bedrijven, wordt gesteld dat het bedrijfsrestafval mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand indien het is ingezameld conform de nieuwe regels in afdeling 5.
- Verder wordt in artikel 4.5.2 ook de verwijzing geschrapt naar de code van goede praktijk voor inzameling bedrijfsrestafval die door de Minister kan worden ingevoerd. De reden daarvoor is dat er uiteindelijk gekozen is de nieuwe regels in te voeren door dus een nieuwe afdeling 5.
- te voorzien in Vlarema. De aanpassingen aan artikel 4.5.2 hangen dus samen met het invoeren van de nieuwe afdeling 5.
- Artikel 53 Hier wordt een nieuwe afdeling ingevoegd met een algemeen verbod op sluikstorten en de creatie van zwerfvuil. Deze nieuwe verbodsbepalingen vallen onder de ruimere en reeds bestaande bevoegdheid van de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet (het achterlaten van afvalstoffen), zoals deze zijn opgenomen in het Milieuhandhavingsbesluit. Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 6° (OVAM) en 12, 10° (VLM) van het Milieuhandhavingsbesluit wordt een nieuwe bevoegdheid toegevoegd inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet en de VLAREMA-artikelen. Artikel 54 In artikel 5.2.4.2, § 1 zijn de uitzonderingsvoorwaarden om een voertuig toch niet als afgedankt te beschouwen verder verfijnd om beter in overeenstemming te zijn met de praktijk. Er worden daarbij ook opslagvoorwaarden voorzien om beter in overeenstemming te zijn met de geldende opslagvoorwaarden voor gelijkaardige types voertuigen. Artikel 55 In artikel 5.2.4.5, § 1 is de vereiste met betrekking tot het voorleggen van een bewijs van goed zedelijk gedrag geschrapt om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 56 In artikel 5.2.4.7, § 2 en § 2/1 is telkens de vereiste met betrekking tot het voorleggen van een bewijs van goed zedelijk gedrag geschrapt om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 57 De huidige bepalingen van het VLAREMA moeten aangepast worden aan de nieuwe POPs-verordening (EU) 2019/
- Transformatoren die volgens de oude verordening nog gebruikt mochten worden tot einde levensduur, mogen dit niet meer na 31/12/
- Artikel 58 In dit artikel wordt de onderafdeling 5.2.10 vervangen. De oorspronkelijke bepalingen worden echter grotendeels behouden, maar op diverse plaatsen aangepast aan de bepalingen van de nieuwe Richtlijn (EU) 2019/
- De oorspronkelijke titel van Onderafdeling 5.2.10 ("afval van de zeevaart") werd gewijzigd in "afval van schepen van de zeevaart" om deze beter te laten aansluiten bij de nieuwe definitie "afval van schepen" in Richtlijn (EU) 2019/883 (waarbij een "schip" dient te verstaan te worden als een "zeeschip") en tegelijkertijd duidelijk onderscheid te maken met "afval van de binnenvaart". In artikel 5.2.10.1 werd het toepassingsgebied van Onderafdeling 5.2.10 aangepast aan dezelfde omschrijving als in Richtlijn (EU) 2019/
- Voor wat betreft het al dan niet uitsluiten van de toepassing van bepaalde verplichtingen voor schepen gelegen aan ankerplaatsen van havens, kan gewezen worden op het feit dat dit via het afvalbeheersplan van de haven geregeld kan worden. De aanpassingen en toevoegingen in artikel 5.2.10.2 betreffen een verduidelijking van de bepalingen inzake de toereikendheid van havenontvangstvoorzieningen, en werden letterlijk overgenomen uit Richtlijn (EU) 2019/
- Havenontvangstvoorzieningen moeten afvalstoffen gescheiden inzamelen om hergebruik en recyclage mogelijk te maken. Ze kunnen de gescheiden afvalfracties inzamelen volgens de in het MARPOL-verdrag omschreven afvalcategorieën, rekening houdend met de daarin vervatte richtsnoeren. In de MARPOL-categorie F mogen gevaarlijk en niet gevaarlijk afval samen ingezameld worden op voorwaarde dat dit geen negatieve impact heeft op de mogelijkheden voor hergebruik en recyclage. De in artikel 4.5 van Richtlijn (EU) 2019/883 voorgestelde bepalingen inzake het voorzien van de mogelijkheid tot het vragen van schadevergoeding dienen niet in het VLAREMA te worden omgezet aangezien artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek reeds bepalingen bevat inzake algemene schadevergoeding. Artikel 5.2.10.3 werd aangepast aan de verduidelijkingen in Richtlijn (EU) 2019/883 inzake het opstellen door de havens van de plannen voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen. De nieuwe tekst verwijst concreet naar het overleg dat moet gevoerd worden met alle betrokken partijen, en dat dit overleg moet gebeuren zowel tijdens de opstelling van de plannen als na de goedkeuring ervan. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in paragraaf 1 de procedure voor het goedkeuren van de plannen voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen in die zin werd gewijzigd dat ze niet langer door de bevoegde minister worden goedgekeurd, maar door de OVAM (zie ook artikel 5.2.10.
- § 1). Verder werden ook de bepalingen van paragraaf 5 geschrapt inzake het verplicht structureel uitvoeren van een financiële audit of overzicht waarbij wordt toegezien op de correcte uitvoering van het kostendekkingssysteem: het is immers niet nuttig gebleken dat de havenbeheerders dit op een gestructureerde manier (elke 3 jaar) moeten doen. Bovendien past deze aanpassing in een vereenvoudiging van de wetgeving. Verder kan erop gewezen worden dat in paragraaf 3 van dit artikel alle bepalingen van Bijlage 1 ("Voorschriften voor afvalontvangst- en verwerkingsplannen") van Richtlijn (EU) 2019/883 werden opgenomen. Eveneens in paragraaf 3 werd een tikfout verbeterd ("afgesteld" werd vervangen door "afgestemd"). Als dat nodig is om redenen van efficiëntie kunnen de plannen voor ontvangst en verwerking van afval van schepen door twee of meer naburige havens in dezelfde geografische regio samen worden opgesteld. Dezelfde geografische regio kan ruim worden geïnterpreteerd. Het gaat om havens die in elkaars buurt liggen en daardoor als één geheel kunnen worden beschouwd, zoals de havens Gent en Terneuzen, of de havens Nieuwpoort en Oostende. Eventueel kan zelfs de hele Vlaamse regio worden beschouwd als één zelfde geografische regio. Artikel 5.2.10.4 bevat de procedure en termijnen voor het indienen en de goedkeuring van de havenafvalbeheersplannen, en betreft vooral procedurele maatregelen. In paragraaf 1 werd de terminologie voor "aangetekende zending" aangepast in "beveiligde zending", en werd aangegeven dat de havenafvalbeheersplannen worden goedgekeurd door de OVAM. In paragraaf 2 werd de geldigheidstermijn voor de havenafvalbeheersplannen verlengd van drie naar vijf jaar. Bovendien werd eraan toegevoegd dat indien er tijdens de voorgaande vijf jaar geen significante wijzigingen (zie paragraaf 3 van dit artikel) in de haven hebben plaatsgevonden, de nieuwe afvalbeheersplannen door OVAM gevalideerd kunnen worden (bevestiging van de verlenging van de bestaande havenafvalbeheersplannen) in plaats van een formele goedkeuring door de OVAM, zoals dat gebeurt voor een nieuw plan. Paragraaf 3 bevat verduidelijkingen inzake wat verstaan kan worden onder "significante veranderingen" in de haven. Deze verduidelijkingen werden letterlijk overgenomen uit Richtlijn (EU) 2019/
- De nieuwe paragraaf 4 implementeert de bepalingen van artikel 5.5 uit Richtlijn (EU) 2019/883, waarbij wordt gesteld dat bepaalde kleine niet-commerciële havens geen afvalbeheersplan hoeven te hebben. In artikel 5.2.10.5 werd de informatie die aan elke havengebruiker moet worden meegedeeld aangepast aan de bepalingen van artikel 5.2 van Richtlijn (EU) 2019/
- In artikel 5.2.10.6 worden de modaliteiten opgesomd voor de afvalvooraanmelding van schepen. Paragraaf 1 bevat de verduidelijkingen uit Richtlijn (EU) 2019/883 over welke schepen die moeten aanmelden. De verwijzing naar het model van aanmeldingsformulier in bijlage 5.2.10.A van het VLAREMA werd verplaatst verder in paragraaf
- In paragraaf 2 werd de bepaling uit Richtlijn (EU) 2019/883 toegevoegd dat de informatie uit de afvalvooraanmelding desgevraagd ter beschikking moet worden gesteld aan de bevoegde handhavingsinstanties. Overeenkomstig artikel 6.2 van Richtlijn (EU) 2019/883 moet de informatie van de afvalvooraanmelding elektronisch worden gemeld naar een specifiek daartoe voorzien Europees datasysteem (SafeSeaNet). Deze verplichting werd geïmplementeerd in de nieuwe paragraaf
- De oude paragraaf 3 wordt geschrapt aangezien de aanduiding van de instantie waar de afvalaanmelding moet gedaan worden reeds in paragraaf 1 is gedaan (met name het havenbedrijf). De oude paragraaf 4 wordt eveneens geschrapt: aangezien de informatie uit de afvalaanmeldingsformulieren elektronisch moet worden aangemeld in het Europees datasysteem (SafeSeaNet) waar de informatie verder wordt verwerkt en bewaard, is het niet langer nuttig op te leggen dat de info drie jaar moet bijgehouden worden. In artikel 5.2.10.7 worden de bepalingen inzake de afgifte van afval van schepen aangepast aan de nieuwe verplichtingen overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2019/
- In paragraaf 1 wordt verwezen naar de toepasselijke lozingsnormen van het MARPOL-verdrag, en wordt de afzonderlijke verwijzing naar ladingresiduen geschrapt (in de nieuwe Richtlijn vallen ladingresiduen immers onder de definitie van "afval van schepen", en wordt er m.b.t. de afgifteplicht dan ook geen onderscheid meer gemaakt tussen operationeel afval en ladingresiduen). In de nieuwe paragraaf 2 worden de verplichtingen van artikel 7.2 van Richtlijn (EU) 2019/883 geïmplementeerd inzake het afleveren van een afvalontvangstbewijs. In de paragrafen 3 en 4 worden de bepalingen uit Richtlijn (EU) 2019/883 geïmplementeerd waarbij een schip enerzijds mag doorvaren zonder afval af te geven (paragraaf 3) en anderzijds verplicht is alle afval af te geven (paragraaf 4). In artikel 5.2.10.8 worden de verplichtingen geïmplementeerd inzake de toepassing van kostendekkingssystemen voor de verschillende soorten afval van schepen. Deze bepalingen werden integraal overgenomen uit artikel 8 van Richtlijn (EU) 2019/
- Artikel 5.2.10.9 bevat de voorwaarden en procedure inzake vrijstellingen voor schepen. In paragraaf 1 worden de voorwaarden voor het krijgen van een vrijstelling gealigneerd met de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/
- Paragraaf 2 beschrijft de procedure voor het indienen en goedkeuren van een vrijstelling. Aangezien een dergelijke aanvraag dient te gebeuren via het daartoe door de OVAM ter beschikking gestelde webloket (waar duidelijk wordt gemaakt welke informatie ter beschikking moet worden gesteld), worden deze bepalingen geschrapt. Ook de uitwisselingsmodaliteiten waarbij de informatie aan de betrokken overheden wordt uitgewisseld wordt geschrapt: deze uitwisseling gebeurt immers automatisch en elektronisch via het OVAM-webloket scheepvaart. In paragraaf 2 werd eveneens de geldigheidstermijn van een vrijstelling vastgelegd op maximaal vijf jaar: dit is gebaseerd op de informatie in de Richtsnoeren3 voor de interpretatie van Richtlijn 2000/59/EC betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen. Verder bevat deze paragraaf de bepaling uit Richtlijn (EU) 2019/883 dat OVAM bij het verlenen van een vrijstelling steeds een vrijstellingscertificaat moet afleveren. Het model van dit certificaat wordt meegenomen in bijlage 5.2.10.D. In paragraaf 5 werd het woordje "Vlaamse" geschrapt omdat een schip, omwille van de redenen verder aangehaald in deze paragraaf, ook een buitenlandse haven moet kunnen aanlopen zonder de vrijstelling te verliezen. De nieuwe paragraaf 6 bevat integraal de bepalingen van artikel 9.5 van Richtlijn (EU) 2019/
- Het nieuwe artikel 5.2.10.9/1 werd integraal overgenomen uit artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/
- Artikel 59 Dit betreft een letterlijke omzetting van artikel 21, lid 1, c) van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Artikel 60 Om recyclage van de matrasmaterialen mogelijk te maken is het belangrijk dat de afgedankte matrassen gedurende de hele inzamelketen droog blijven. Dit wordt opgelegd in artikel 5.2.14.
- Artikel 5.2.14.2 legt de verwerkingsdoelstellingen die in kader van de aanvaardingsplicht voor afgedankte matrassen gelden, ook op aan de individuele afvalstoffenproducenten die afgedankte matrassen inzamelen, verwerken of met het oog op verwerking aanbieden aan een derde en aan de individuele inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars en kennisgevers. Artikel 61 Het gebruik van PAK-houdend granulaat/zeefzand is volgens art. 5.3.3.4 niet meer toegelaten na 1 mei 2019 en kan dus opgeheven worden. Artikel 62 Volgens Vlarema art. 6.1.1.4 moet de inzamelaar van bedrijfsrestafval dit afval bij het inzamelen controleren op sorteerfouten. In andere artikels van dit ontwerpbesluit wordt de visuele controle nog verder uitgewerkt. Bij het gebruik van niet-transparante zakken is de visuele controle evenwel de facto onmogelijk. Inzamelaars die bovendien nog bedrijfsrestafval willen uitsorteren om zeker te voldoen aan het verbrandingsverbod, moeten hierdoor heel wat niet-transparante zakken openscheuren. Dit vereist veel werk. Het gebruik van dergelijke afvalzakken wordt daarom verboden. Dit verbod geldt enkel als de inzameling gebeurt met containers. Indien het bedrijfsrestafval enkel in een zak wordt aangeboden (kleine minderheid van de ophalingen), dan mag er eventueel wel een niet-transparante zak worden gebruikt, om te vermijden dat het restafval voor iedereen zichtbaar is. Het artikel voorziet in een gefaseerde invoer van dit verbod om bedrijven voldoende tijd te geven zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Artikel 63 Artikel 5.4.1 bespreekt de inhoud van het inspectieprotocol asbestinventarisatie. Het inspectieprotocol is de standaardprocedure die gecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie moeten volgen om op een correcte manier een geldige asbestinventaris op te maken. Kennis over het inspectieprotocol is onderdeel van de verplichte opleiding van kandidaat asbestdeskundigen en het vormt de basis voor het uitvoeren van auditcontroles door erkende certificatie-instellingen. Het garandeert een uniforme en kwaliteitsvolle opmaak van asbestinventarisattesten en biedt een houvast voor de asbestdeskundigen inventarisatie als afbakening van hun aansprakelijkheden en inspanningsverplichtingen. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie zal als ministerieel besluit verankerd worden. Artikel 5.4.2 bakent fysisch de ondergrens af voor constructies met risicobouwjaar naar aanleiding waarvan de eigenaar over een asbestinventarisattest moet beschikken bij overdracht of tegen de mijlpaal van
- De afbakening op 20 vierkante meter is enerzijds billijk maar wil anderzijds ook de typische alleenstaande constructies vatten met bijvoorbeeld een functie als materiaalopslag of als onderdak voor dieren. Het gaat hierbij om terreinen waarop verder geen hoofdgebouw aanwezig is, bijvoorbeeld op weilanden van landbouwers of particulieren die huisdieren houden. Deze constructies bezitten vaak asbestcementen onderdelen. Art. 5.4.3 somt de voorwaarden op voor een kandidaat certificatie-instelling om erkend te worden door de OVAM en de verkregen erkenning te behouden. De voorwaarden beogen een onafhankelijke en kwaliteitsvolle werking voor al hun uit te voeren taken binnen hun erkenning. Om een objectieve en onafhankelijke werking van een certificatie-instelling te garanderen, mogen de personen die de organisatie verbinden geen parallelle activiteiten hebben die dit kunnen bemoeilijken of niet verenigbaar zijn. In punt 2° wordt onder de term `begeleiding' de dienstverlening verstaan van asbestdeskundigen als expert voor de begeleiding van bijvoorbeeld projectontwikkeling, milieu-incidenten of asbestverwijdering. In punt 6° wordt duidelijk gemaakt dat de asbestdeskundigen inventarisatie als persoonsgecertificeerd asbestdeskundige inventarisatie niet rechtstreeks aangesloten zijn bij een certificatie-instelling asbest maar via het procescertificaat van het bedrijf. Voor activiteiten die onder asbestverwijdering vallen, gaat dit specifiek om ondernemingen die erkend zijn als asbestverwijderaar. Artikel 5.4.4 beschrijft de procedure tot aanvraag van een erkenning tot certificatie-instelling asbest, de behandelingsprocedure van de aanvraag en de geldigheidsduur van een verkregen erkenning. De erkenningsaanvraag wordt zowel op haar volledigheid als haar kwaliteit beoordeeld. Bij de aanvraag moet immers ook het intern kwaliteitshandboek dat alles procedures beschrijft van de werking en de taken. Dit handboek wordt beoordeeld op haar kwaliteit, bij onvoldoende kwaliteit wordt de aanvraag tot erkenning geweigerd. Op deze manier wordt verzekerd dat er enkel kwaliteitsvolle certificatie-instellingen op de markt komen. De erkenningsaanvraag als certificatie-instelling asbest wordt behandeld binnen een vooropgezette behandeltermijn. Indien deze termijn wordt overschreden, wordt de aanvraag geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Artikel 5.4.5 beschrijft de voorwaarden waaronder de OVAM de erkenning van een certificatie-instelling asbest kan schorsen en de schorsingsprocedure zelf. Onder reglementair werken zoals vermeld in paragraaf 1, punt 1° wordt ook kwaliteitsvol werken verstaan om zo onkunde, onoordeelkunde en onzorgvuldig gedrag te vermijden. Als de schorsing van de erkenning gebeurde door het niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, kan de certificatie-instelling asbest tijdens de schorsingsperiode aantonen opnieuw in regel te zijn en een aanvraag tot opheffing van de schorsing aan de OVAM richten. Is na het verstrijken van de schorsingsperiode van zes maanden de certificatie-instelling asbest nog steeds niet in regel met de erkenningsvoorwaarden, gaat een nieuwe schorsingsperiode in van zes maanden. In het certificatiereglement kunnen meer details over de voorwaarden tot schorsing en de schorsingsprocedure worden uitgewerkt. De certificatie-instelling asbest mag tijdens de schorsingsperiode maar een beperkt aantal van haar taken uitvoeren. Alle andere taken zullen overgenomen worden door andere certificatie-instellingen asbest. Art. 5.4.6 beschrijft de voorwaarden waaronder de OVAM een erkenning van een certificatie-instelling asbest kan opheffen en de opheffingsprocedure zelf. Onder in ernstige mate zoals vermeld in paragraaf 1, punt 1° worden ernstige fouten inzake fraude, partijdigheid, onkunde, onoordeelkundig en onzorgvuldig gedrag en niet-objectief of onprofessioneel gedrag verstaan. Indien na het verstrijken van de automatische verlengde schorsingsperiode van zes maanden, vermeld in artikel 5.4.5, § 2, tweede lid, de certificatie-instelling nog steeds niet in regel met de erkenningsvoorwaarden, wordt de erkenning van rechtswege opgeheven. In het certificatiereglement kunnen meer details over de voorwaarden tot opheffing van de erkenning en de opheffingsprocedure worden uitgewerkt. Art. 5.4.7 beschrijft het toezicht van de OVAM op de verleende erkenningen aan certificatie-instellingen asbest. De controle is minimaal één keer per jaar. De OVAM moet hiervoor alle relevante stukken en informatie kunnen opvragen. De OVAM kan ook een externe onafhankelijke instantie om voor haar deze controles uit te voeren. De certificatie-instellingen asbest moeten elk jaareinde een jaarverslag aan de OVAM bezorgen als insteek voor de beoordeling van haar werking. Art. 5.4.8 beschrijft de taken van een certificatie-instelling asbest. De details van deze verplichte taken kunnen uitgewerkt worden in het certificatiereglement. Het door de certificatie-instelling gevraagde jaarlijks tarief per persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie wordt begrensd met een minimum en maximumtarief. Art. 5.4.9 voorziet de mogelijkheid om de taken van een certificatie-instelling asbest over te nemen in uitzonderlijke situaties namelijk bij het ontbreken van een certificatie-instelling asbest of bij onvoldoende operationaliteit van de certificatie-instellingen asbest hetgeen tot markthinder zou leiden. Het is dus niet de bedoeling om de taken van een geschorste of opgeheven certificatie-instelling asbest over te nemen. In dat geval is het de bedoeling dat andere certificatie-instellingen asbest de taken die niet kunnen uitgevoerd worden tijdens de schorsingsperiode overnemen. Essentieel is dat een vlotte marktwerking, in het bijzonder voor de overdracht van toegankelijke constructies met risicobouwjaar, wordt gegarandeerd. Indien er geen of onvoldoende capaciteit is bij erkende certificatie-instellingen asbest moet de marktwerking echter gegarandeerd kunnen blijven. Dit wordt evenwel als een worst-case scenario aanzien en niet waarschijnlijk geacht. Het uitgangspunt van dit artikel is louter een terugvalscenario met tijdelijk karakter tot er opnieuw voldoende capaciteit via erkende certificatie-instellingen asbest bestaat. In voorkomend geval van tijdelijke overname van de taken van een certificatie-instelling asbest kan de door de OVAM aangestelde organisatie haar werkingskosten hiervoor verhalen op de betrokken certificatie-instelling asbest. Art. 5.4.10, eerste lid beschrijft de voorwaarden waaronder natuurlijke personen een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie kunnen behalen. Met het oog op voldoende marktcapaciteit en een gelijkwaardig kansenbeleid bestaat de mogelijkheid om relevant opgebouwde beroepservaring, ongeacht de opleidingsgraad, te honoreren als instapvoorwaarde. De verplichte opleiding met praktijkgedeelte en het examen valideren of kandidaten over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om het beroep uit te kunnen oefenen. De verplichte opleiding behandelt vooral het inspectieprotocol asbestinventarisatie en de werking van de databankapplicatie. Daarnaast is ook een praktijkgedeelte voorzien voor o.a. monstername. Om te kunnen slagen in het examen is reeds een bepaalde basiskennis asbest, via vooropleiding of door feitelijke beroepservaring, nodig voor het deelnemen aan de verplichte opleiding. De OVAM publiceert op haar website de onderdelen van de vereiste basiskennis. Opleidingscentra die reeds opleidingen inzake asbest aanbieden, kunnen op basis hiervan hun modules vervolledigen. Het tweede lid stelt dat de OVAM zelf de inhoud van het examen opstelt of hiervoor een organisatie aanstelt. De certificatie-instellingen asbest staan enkel in voor de organisatie van het examen en de beoordeling ervan conform de richtlijnen van de OVAM. Op die manier bewaakt de OVAM een uniforme beoordeling van kandidaten en een uniforme en objectieve werking van de verschillende certificatie-instellingen asbest. De inhoud van het examen zal periodiek worden geëvalueerd en aangepast. Het derde lid beschrijft hoe een geslaagde kandidaat actief het beroep van asbestdeskundige inventarisatie kan oefenen. Met het behaalde persoonscertificaat op zak, heeft hij twee mogelijkheden om het beroep uit te oefenen: als bestuurder-zaakvoerder van een bedrijf dat een procescertificaat bezit of als werknemer van een bedrijf dat een procescertificaat bezit. Het procescertificaat wordt verleend door een erkende certificatie-instelling asbest. Eens deze voorwaarde vervuld is, kan de natuurlijke persoon asbestdeskundige inventarisatie starten met het opmaken van asbestinventarisattesten. Het is decretaal voorzien dat bedrijven de opmaak van hun asbestinventarisattest kunnen toewijzen aan hun eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator. Zo hoeven ze die opdracht niet extern uit te besteden. Art. 5.4.11 stelt dat het bedrijf zich hiervoor éénmaal moet registeren bij een certificatie-instelling. De registratie omvat louter een administratieve formaliteit om de eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator kenbaar te maken bij de certificatie-instelling asbest. Ook asbestinventarisattesten opgemaakt door de interne preventie-adviseur of milieucoördinator moeten immers gecontroleerd of geaudit kunnen worden door een certificatie-instelling asbest. De eigen interne preventie-adviseur of milieucoördinator moet over de kennis en vaardigheid beschikken om voor hun bedrijf het asbestinventarisattest op te kunnen maken. Daarom dat ook zij moeten beschikken over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie. Art. 5.4.12 somt de voorwaarden op om als bedrijf, zijnde een éénmanszaak of een rechtspersoon met werkgever, een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie te bekomen. Belangrijk is dat de werkgever zijn werknemers alle tijd en middelen moet kunnen bieden om kwaliteitsvol asbestinventarisattesten op te maken. Daarom dat het beschikken over een intern kwaliteitsbeheersysteem dat dit werkingskader beschrijft, vereist is voor het bekomen van een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie. Een bedrijf kan slechts over één procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie beschikken en is via dit procescertificaat aangesloten bij de certificatie-instelling asbest. Art. 5.4.13 bakent de verwerking van persoonsgegevens af voor de asbestdeskundige inventarisatie en de OVAM. Na de doelstelling van 2040 moet de opvolging blijven gebeuren om een asbestvrij Vlaanderen te kunnen garanderen, en zal een controle op het behoud van een asbestveilige toestand van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar gebeuren. De bewaartermijn van de gegevens voor wat betreft de kenmerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar worden in dit artikel vastgesteld. Voor de bewaartermijn van de persoonlijke contactgegevens en het rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid moet verwezen worden naar artikel 33/10, § 4 van het Materialendecreet. Hetzelfde geldt voor de doelstelling van de gegevensverwerking en voor de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke, ook deze worden vermeld in artikel 33/10, § 4 van het Materialendecreet. Art. 5.4.14 bakent de modaliteiten af voor de toegang tot de databank asbestinventarisatie opgedeeld volgens leesrecht en lees- en schrijfrecht. Het schrijfrecht omvat de inhoudelijk aanmaak en wijziging van asbestinventarisattesten en is uiteraard strikt beperkt tot hiervoor persoongecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, de toezichthoudende medewerkers van de certificatie-instellingen en de aangeduide medewerkers van de OVAM. Het leesrecht is breder. Notarissen moeten de aanwezigheid en de inhoud van een asbestinventarisattest kunnen raadplegen bij overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar. Vastgoedmakelaars moeten de aanwezigheid en de inhoud van een asbestinventarisattest kunnen raadplegen bij de verkoop of verhuur van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die zij aanbieden. Medewerkers van een bij de certificatie-instelling asbest geregistreerde werkgever moeten asbestinventarissen kunnen raadplegen voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar in eigendom of exploitatie van de werkgever, opgesteld door de interne milieucoördinator of de interne preventieadviseur. Toezichtshouders moeten voor uitspraken over de omgevingsveiligheid of de gebouwveiligheid het asbestinventarisattest kunnen raadplegen. Hulpdiensten hebben er baat bij voorafgaand aan een interventie de potentiële aanwezigheid van asbest te kennen. Art. 5.4.15 beschrijft de modaliteiten omtrent de geldigheidsduur van een asbestinventarisattest. Een eigenaar zal enkel een asbestinventarisattest voor een overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar kunnen gebruiken indien de geldigheidsduur niet verstreken is. De standaard geldigheidsduur van tien jaar is billijk om overhead in administratie en kosten voor de gebouweigenaar te beperken. Deze geldigheidsduur is wel een generiek vertrekpunt onder strikte voorwaarden. Logische voorwaarden zijn dat er geen urgente risico's mogen vastgesteld zijn door de asbestdeskundige en dat de gerapporteerde toestand in het asbestinventarisattest gedurende deze geldigheidsduur niet wijzigt. De geldigheidsduur van tien jaar geldt ook voor asbestinventarisattesten met als conclusie `asbestveilig' aangezien de uitgevoerde asbestinventaris niet-destructief is en er bij latere werken dus steeds nieuwe asbesthoudende materialen kunnen worden aangetroffen. Bij urgente risico's zal de asbestdeskundige inventarisatie adviseren welke risicobeheersmaatregelen snel moeten genomen worden en zal hij hieraan gekoppeld de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest beperken indien deze risicobeheersmaatregelen niet voor de aflevering van het asbestinventarisattest gerealiseerd werden. Bij gewijzigde toestand van de toegankelijke constructie met risico-bouwjaar moet binnen een termijn van 1 jaar na vaststelling van deze wijziging een geactualiseerd asbestinventarisattest opgemaakt worden. Op deze manier is men steeds zeker dat het asbestinventarisattest steeds op de meest huidige toestand van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar betrekking heeft. Indien via werken al het eerder vastgestelde asbest is verwijderd, zal dit via een geactualiseerd asbestattest in de databank worden opgenomen. Het attest zal dan voor die locatie conclusie dragen dat ze asbestveilig is. Artikel 64 Het bedrijfsafval wordt vandaag onvoldoende selectief ingezameld. Bijgevolg zit er in het bedrijfsrestafval dat naar verbranding wordt afgevoerd en verbrand wordt, nog heel wat afval dat eigenlijk onder de sorteerplicht valt. Daardoor gaan heel wat materialen verloren. Om het sorteren bij bedrijven te verbeteren wordt een nieuwe afdeling 5.5 in Vlarema ingevoerd, waarbij inzamelaars, handelaars en makelaars en verwerkers van bedrijfsrestafval een duidelijke rol krijgen. Zij worden geacht een aantal maatregelen te nemen om te zorgen dat hun klanten aan de bron beter sorteren en te zorgen dat er zo min mogelijk recycleerbaar materiaal of gevaarlijk afval in het restafval overblijft vooraleer het naar verbranding gaat. Oorspronkelijk was het de bedoeling om deze regels via Ministerieel Besluit in te voeren. Er is uiteindelijk gekozen voor een nieuwe afdeling in Vlarema. Deze regels gelden onverminderd de bepalingen in artikel 4.3.2 die stellen dat de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, kan samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder een aantal cumulatieve voorwaarden, namelijk het moet gaan om droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert, het recipiënt moet overgebracht worden naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd en de afvalstoffenproducent moet daarover een contract afgesloten hebben met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd. In het verbrandingsverbod van artikel 4.5.2 staat vermeld dat het verboden is afval naar verbranding af te voeren of te verbranden als dat niet (volledig) voldoet aan de sorteerplicht van bedrijven. In de feiten is dit evenwel zo goed als onhaalbaar. Ook een laatste papiersnipper of laatste PET-flesje dat nog in het restafval zit, vormt theoretisch een overtreding van het verbrandingsverbod. Op het terrein wordt enkel voor zware overtredingen effectief handhavend opgetreden, maar de onduidelijkheid leidt tot een situatie van onvoldoende rechtszekerheid. De inzamelaar, handelaar, makelaar (IHM) en de verwerker van bedrijfsrestafval moet vandaag eigenlijk zelf inschatten wat nog aanvaardbaar is en wat niet om af te voeren naar verbranding of te verbranden. Dit leidt tot een race to the bottom. Spelers die zich het minst van het verbrandingsverbod aantrekken kunnen goedkoper restafval ophalen bij klanten, terwijl wie wel maximale inspanningen doet nog steeds niet zeker is geen overtreding te riskeren als er nog kleine hoeveelheden recycleerbaar materiaal in het restafval zitten. Ook individuele handhavers moeten namelijk een inschatting maken van wat nog aanvaardbaar is of niet. De bedoeling van de nieuwe afdeling 5.5 is om een duidelijke set van regels te ontwerpen waaraan inzamelaars, handelaars en makelaars (IHM), alsook verwerkers van bedrijfsrestafval moeten voldoen. Zij hebben duidelijk een belangrijke verantwoordelijkheid in de keten, maar kunnen anderzijds ook niet verantwoordelijk gesteld worden voor elke laatste sorteerfout van een klant. De nieuwe afdeling geeft dus duidelijk aan hoe ver de verantwoordelijkheid reikt. Het gaat om inspanningen die moeten gebeuren rond het infomeren van klanten inzake de sorteerplicht, de visuele controles op de sorteerplicht bij klanten en de hoeveelheden recycleerbaar afval die nog in het restafval aanwezig mogen zijn alvorens naar verbranding af te voeren of te verbranden. In ruil voor deze inspanningen, is het logisch dat de spelers in de keten dan ook rechtszekerheid krijgen dat het restafval dat wel nog naar verbranding wordt afgevoerd in orde is met het verbrandingsverbod. Daarom wordt ook artikel 4.5.2 (het verbrandingsverbod) aangepast. In plaats van te stellen dat bedrijfsrestafval enkel mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand worden als het volledig voldoet aan de sorteerplicht voor bedrijven, wordt gesteld dat het bedrijfsrestafval mag worden afgevoerd naar verbranding en verbrand, indien het is ingezameld conform de nieuwe regels in afdeling 5.
- Onderafdeling 5.5.1 bepaalt op welke situaties de afdeling (niet) van toepassing is. Artikel 5.5.1.
- geeft aan dat het gaat om de hele keten van inzameling tot verwerking van bedrijfsrestafval. Het vergelijkbaar bedrijfsrestafval (vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijk restafval) is uitgesloten indien dit wordt ingezameld samen met de huishoudelijke rondes. Dan gelden namelijk reeds de regels die van toepassing zijn op huishoudelijke (rest)afvalinzameling en -verwerking. De afdeling is ook niet van toepassing op medisch afval. Niet risicohoudend medisch afval wordt soms als bedrijfsrestafval aanzien. Hoewel dit afval in theorie geen risico's inhoudt, is het uit hygiëne- en gezondheidsoverwegingen toch niet aangewezen hier veel bewerkingen op te doen. Daarom wordt dit uitgesloten. Het is wel de bedoeling dat dergelijk (niet-risicohoudend) medisch afval apart wordt ingezameld van het gewone, echte bedrijfsrestafval. De afdeling voorziet allerlei behandelingen en bewerkingen die moeten gebeuren op het bedrijfsrestafval. Soms wordt dit evenwel expliciet verboden door andere regelgeving of op bevel van politie of bevoegde autoriteiten, zoals douane. In dat geval is de afdeling dus ook niet van toepassing. Tegelijk willen we het sorteren ook makkelijk maken voor de bedrijven. De reeds bestaande gezamenlijke inzamelingen van droge niet-gevaarlijke recycleerbare fracties kunnen daarbij helpen, maar zijn vandaag nog te zeer een uitzondering. Het gaat dan niet om restafvalcontainers, maar containers met een mix van materialen die elkaar niet vervuilen, waardoor hoogwaardige verwerking niet in het gedrang komt. Met de invoering van deze nieuwe afdeling wordt gefocust op het vermijden van recycleerbare fracties in het restafval. Maar de komende jaren werken we vanuit het beleid dus ook verder aan oplossingen die innovatieve inzamelsystemen verder kunnen stimuleren en administratief vereenvoudigen. Onderafdeling 5.5.2 detailleert verder de reeds bestaande informatieplicht van inzamelaars, handelaars, makelaar naar de afvalstoffenproducenten en maakt die concreter voor de inzameling van restafval. Zo detailleert artikel 5.5.2.1 bepalingen die in het contract tussen IHM en klant moeten worden opgenomen bij inzameling van restafval en bepaalt artikel 5.5.2.2 dat er ook naast het contract bijkomende informatie moet voorzien zijn op maat van de klant. Artikels 5.5.2.3 en 5.5.2.4 verbieden expliciet het verspreiden van foute informatie en het ertoe aanzetten dat klanten fout sorteren. Onderafdeling 5.5.3 bepaalt wat er moet gebeuren bij de acceptatie van restafval bij ophaalrondes. De facto gaat het hier meestal om rolcontainervrachten of ophaling met zakken. Aangezien het afval van meerdere afvalproducenten al gemengd raakt bij het ophalen, wordt in artikel 5.5.3.1 verplicht dat de visuele controle op de sorteerplicht gebeurt bij de ophaling zelf en wel voor het afval dus in de vrachtwagen verdwijnt. In artikel 5.5.3.2 wordt uitgelegd hoe de controle precies moet gebeuren. Omwille van hygiëne en veiligheid is het bij die controle niet verplicht om ondoorzichtige zakken te controleren. Artikel 5.5.3.3 geeft evenwel aan dat het niet de bedoeling is dat IHM's klanten er bewust toe aanzetten om dergelijke zakken te gebruiken. Artikel 5.5.3.4 legt uit dat er bij opgemerkte sorteerfouten een non-conformiteit moet worden opgemaakt en hoe die moet worden bijgehouden. Een uitzondering wordt voorzien voor eenmanszaken zonder rechtspersoonlijkheid om redenen van bescherming van persoonsgegevens. Dankzij het bijhouden van non-conformiteiten wordt het mogelijk om ook een zekere handhaving te realiseren ter hoogte van de afvalstoffenproducent. De non-conformiteit op zich zal nooit gebruikt kunnen worden, maar bedoeling is door veelvuldige non-conformiteiten bij dezelfde afvalstoffenproducenten te kunnen detecteren welke bedrijven helemaal niet op de selectieve inzameling zijn georganiseerd. Dit moet een risicogebaseerde handhaving mogelijk maken, zodat enerzijds bedrijven met rust gelaten worden als ze slechts af en toe een sorteerfout maken, maar anderzijds bedrijven die bewust niet willen sorteren, kunnen worden aangepakt. Het doel van het centraal non-conformiteitsregister is om vermoede veelvuldige overtreders in kaart te brengen en op basis daarvan een risico gebaseerde handhaving te kunnen voeren. Bij de uiteindelijke handhaving zal uiteraard ook rekening gehouden worden met andere gegevens, zoals de verhouding tussen het aantal non-conformiteiten in het register en het aantal ophalingen bij die klant. Artikel 5.5.3.5 geeft aan dat ook de afvalstoffenproducent zelf op de hoogte moet worden gebracht als er een non-conformiteit wordt opgemaakt. Artikel 5.5.3.
- bepaalt dat recipiënten voor restafval steeds geweigerd moeten worden als er gevaarlijk afval wordt waargenomen. Dit is belangrijk, om te vermijden dat bijvoorbeeld in een perskraakwagen dit gevaarlijk afval doorheen de hele vracht gemengd raakt. Artikel 5.5.3.7 geeft aan wat er moet gebeuren als er andere sorteerfouten worden opgemerkt. Hierbij krijgt de IHM meerdere keuzes: weigering, de non-conformiteit actief doorgeven door het centraal register van de OVAM te gebruiken (zodat handhaving bij de afvalproducent makkelijker wordt) of zorgen dat de hele vracht aan strenge richtwaarden voldoet (eventueel door middel van nasortering). Hierbij wordt de weigering van de afvalstoffen die niet voldoen aan de sorteerplicht als meest wenselijke optie beschouwd. Artikel 5.5.3.8 geeft aan dat ook weigeringen van recipiënten geregistreerd moeten worden. Artikel 5.5.3.9 geeft aan dat het register elke werkdag moet worden aangevuld. Dit artikel stelt ook dat een IHM die een eigen non-conformiteitenregister bijhoudt, dit register 5 jaar moet bijhouden. Indien van het centraal register gebruik gemaakt wordt, worden de gegevens al na 18 maanden gewist. De reden voor dit verschil heeft te maken met handhaving. Enerzijds moet het non-conformiteitenregister een gerichtere handhaving mogelijk maken ter hoogte van de afvalstoffenproducent. Daarbij zal in de praktijk steeds naar recente gegevens gekeken worden. Het heeft geen zin afvalproducenten te controleren waar jaren geleden non-conformiteiten zijn opgemerkt. Anderzijds zullen registers ook gebruikt worden om na te gaan of de IHM wel de wetgeving opvolgt en een non-conformiteitsprocedure heeft naar de klanten. Hiervoor is een langere tijdshorizon wel wenselijk. Indien van het centraal register gebruik gemaakt wordt, dan is geweten hoe lang de IHM al gebruik maakt van het centraal register, zelfs al worden de gegevens over de klanten zelf gewist. Indien de IHM evenwel enkel een eigen register bijhoudt, is hier geen zicht op. Er zullen regelmatig steekproeven gebeuren om individuele registers op te vragen, maar het is perfect mogelijk dat een IHM pas na enkele jaren een controle krijgt. Het is belangrijk dan te weten hoe lang de wetgeving al wel of niet nageleefd wordt, zeker bij flagrante situaties die tot een vervolging leiden. Dit kan leiden tot een verzwarende of verzachtende inschatting van de overtredingen van de IHM. Onderafdeling 5.5.4 bepaalt wat er moet gebeuren bij de acceptatie van restafval via individuele inzameling. Het gaat meestal om afzetcontainers die per klant worden opgehaald en naar een verwerkingssite gebracht. Visuele controle op de sorteerplicht bij de klant is dan vaak moeilijk. Containers zijn vaak te hoog en bovendien kan men enkel de oppervlakte zien van een heel grote container, waardoor de controle heel beperkt blijft. Artikel 5.5.4.1 stelt daarom dat elke container die wordt meegenomen moet worden uitgekipt op een vergunde site om daar de controle te doen. Artikel 5.5.4.2 geeft opnieuw aan hoe de non-conformiteiten moeten worden opgemaakt en bijgehouden. Het doel van het centraal non-conformiteitsregister is om veelvuldige overtreders in kaart te brengen en op basis daarvan een risico gebaseerde handhaving en een gerichter beleid te voeren. Artikel 5.5.4.3 stelt dat de afvalstoffenproducent op de hoogte moet worden gebracht van de non-conformiteit. In artikel 5.5.4.
- wordt duidelijk gemaakt dat al het afval dat is ingezameld via individuele ophalingen moet voldoen aan bepaalde resultaten alvorens naar verbranding te worden afgevoerd. Er wordt expliciet aangegeven hoeveel van verschillende materialen er nog in het restafval aanwezig mag zijn. Indien dit kan worden gerealiseerd via een goede bronsortering door de klanten, is dat prima en geniet dit zelfs de voorkeur. Indien