📄 Wettekst
2 JULI 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene toelichting Het ontwerp van besluit strekt er toe het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) en bijlage VIII van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid te wijzigen.
De wijzigingen in Vlarema betreffen wijzigingen van of aanvullingen op: -Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen - Hoofdstuk 2, Afbakening van de afvalfase - Hoofdstuk 3, Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid Afdeling 3.1 - Algemene bepalingen
Afdeling 3.2 - Aanvaardingsplicht
Afdeling 3.4 - Afvalstofspecifieke bepalingen
Afdeling 3.5 - Vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen
en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen - Hoofdstuk 4, Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen Afdeling 4.1 - Indeling van afvalstoffen
Afdeling 4.2 - Indeling van afvalstoffenhandelingen
Afdeling 4.3 - Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen
Afdeling 4.5 - Stort- en verbrandingsverboden
- Hoofdstuk 5, Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen Afdeling 5.2 - Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere
afvalstoffen Afdeling 5.3 - Bepalingen over het beheer van specifieke materialen
die geen afvalstoffen zijn - Hoofdstuk 6, Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen Afdeling 6.1 - Vervoeren en inzamelen van en handelen en makelen in
afvalstoffen - Hoofdstuk 9, Milieuheffingen en milieubijdragen - Bijlagen Deze wijzigingen hebben betrekking op: - de aanpassingen noodzakelijk voor de implementatie van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG; - het aanpassen van de omschrijving van de afvalstoffen van schepen die gescheiden kunnen worden aangeboden zodat deze in lijn zijn met de IMO richtsnoeren1 gekoppeld aan de gewijzigde MARPOL Annex V2. - de aanpassingen noodzakelijk voor de implementatie van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen - bepalingen ter bevordering van de selectieve sloop van gebouwen en de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten - de uitvoeringsbepalingen van artikel 33 van het materialendecreet betreffende asbestinventarisatie - bepalingen ter bevordering van de preventie van afval en de gescheiden inzameling van een aantal afvalstoffen - enkele nieuwe bepalingen omtrent banden, olie, matrassen, batterijen en accu's en afgedankte voertuigen in kader van de aanvaardingsplicht - de digitalisering van data-inzameling met betrekking tot afvalstoffen - het minder fraudegevoelig maken van de manier waarop analyseresultaten van grondstoffen met de OVAM worden uitgewisseld - aanpassingen om ervoor te zorgen dat de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders naast hun bestaande bevoegdheden inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet (het achterlaten van afvalstoffen), ook bevoegd worden om te handhaven op het verbod om te sluikstorten of zwerfvuil te veroorzaken - een aantal redactionele of inhoudelijke aanpassingen of verduidelijkingen.
Bepalingen rond de inzameling van afval van schepen van de zeevaart De bepalingen die nodig zijn voor de omzetting van de richtlijn havenontvangstvoorzieningen voor afvalafgifte van schepen en voor de conformiteit met de IMOrichtsnoeren omschrijven: - een aantal definities die in deze richtlijnen worden gebruikt - de vereisten met betrekking tot de gescheiden inzameling van scheepsafvalstoffen - welke schepen onder deze bepalingen vallen - de vereisten waaraan een havenontvangstvoorziening moet voldoen - de criteria voor de opmaak van een afvalbeheersplan door de havenbeheerder - de procedure voor goedkeuring van dergelijke plannen door de OVAM - de informatie die moet worden verstrekt aan elke havengebruiker - de informatie die moet worden verstrekt door de havengebruiker - de verplichtingen met betrekking tot de afvalafgifte door een schip - de wijze waarop kosten worden vergoed - de mogelijkheden tot vrijstelling van bepaalde verplichtingen - de verplichtingen met betrekking tot de rapportage van afval in een Europese databank - opleidingsvereisten voor het personeel dat de afvalstoffen inzamelt.
Verplichte sloopopvolging met oog op betere kwaliteit van gerecycleerde granulaten Met betrekking tot het thema bouw zijn in dit besluit wijzigingen opgenomen die de selectieve sloop en de kwaliteit van de recyclaten zullen verhogen.
Zo wordt de volledige sloopopvolging van opmaak van een sloopopvolgingsplan tot het afleveren van een sloopattest verplicht gemaakt voor grote werven. Dit zijn de werven waarvoor de opmaak van een sloopopvolgingsplan volgens de huidige Vlarema reeds verplicht is.
Er wordt voor gekozen om sloopopvolging gefaseerd in te voeren en te starten met die werken waarvoor nu al de opmaak van een sloopopvolgingsplan verplicht is. Deze verplichting biedt de volgende voordelen: - Er komen meer representatieve data ter beschikking over de herkomst, de hoeveelheid en de verwerkingswijze van de sloopmaterialen. Op die manier worden de materiaalstromen in de keten zichtbaar en kan het beleid gerichter en sneller worden bijgestuurd. - Op de databanken van de sloopbeheerorganisatie (en de bodembeheerorganisaties) kan datamining toegepast worden zodat handhaving meer gerichte controles kan uitvoeren. Jaarlijks worden ca. 10 000 sloopvergunningen afgeleverd. Deze kunnen qua aantal en volume onmogelijk gecontroleerd worden door de inspecteurs van departement Omgeving of door de lokale inspecteurs. Door een verplichte sloopopvolging kan de sloopbeheerorganisatie de handhavers op een gerichte wijze de nodige informatie ter beschikking stellen, zodanig dat met hetzelfde aantal handhavers een veel groter resultaat kan worden bereikt. - Door middel van datamining kan eveneens onderzocht worden welke materiaalstromen in de toekomst vrijkomen en welke synergiën er mogelijk zijn tussen sorteer-, reinigings- en de verschillende verwerkingsinrichtingen voor de respectievelijke fracties.
Afvalstoffen voor de ene verwerker zijn potentiële grondstoffen voor de andere verwerker. Een betere sloopopvolging door de sloopbeheerorganisatie kan een transitie naar circulaire verdienmodellen binnen de bouwsector ondersteunen.
Uiteraard is datamining als basis voor het beleid, het versterken van de circulaire economie en handhaving enkel mogelijk wanneer de sloopbeheerorganisatie de kritische werven en een representatief deel van de materiaalstromen kan opvolgen. Deze wijziging houdt hier rekening mee. Naar schatting komt meer dan 50% van het bouw- en sloopafval vrij bij de grote sloopwerven. Het aantal werven waarvoor sloopopvolging wordt ingevoerd is relatief beperkt maar vertegenwoordigen naar verhouding grote hoeveelheden afvalstromen.
Het initiële doel van de sloopopvolging zelf is de kwaliteit van de sloopmaterialen verbeteren zodat deze sloopmaterialen hergebruikt of gerecycleerd kunnen worden. De inzet in de meer hoogwaardige toepassingen wordt op die manier gefaciliteerd. In de standaardprocedures voor sloopopvolging is dit in detail uitgewerkt voor de puinfractie, veruit de grootste stroom sloopmateriaal.
Puin wordt gebroken tot gerecycleerde granulaten. Copro en Certipro garanderen de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten door de certificatie overeenkomstig het eenheidsreglement. Via dit eenheidsreglement wenst men de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten te verbeteren door de invoering van het onderscheid tussen laagmilieurisico-profiel (LMRP) en hoogmilieurisico-profiel (HMRP). In tegenstelling tot LMRP-puin waarbij het puin bij de afvoer naar de breker wordt opgevolgd en er kwaliteitsgaranties zijn over het puin, is dit bij HMRP-puin niet het geval. De verwerking van dit HMRP-puin zal daarom strikter moeten opgevolgd worden om zo de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten te kunnen garanderen.
De invoering van volledige sloopopvolging voor grote werven moet ervoor zorgen dat de hoeveelheid LMRP-puin groter wordt zodat het LMRP-puin als een afzonderlijke stroom zal verwerkt worden. Omdat het aandeel LMRP dat werd aangeboden bij de breker tot op heden beperkt bleef, werd dit LMRP-puin samen met het HMRP-puin als HMRP-puin verwerkt. De beoogde kwaliteitsverbetering van de gerecycleerde granulaten werd niet bekomen omdat het beperkte aandeel `kwaliteitsvol' LMRP-puin wordt vermengd met het HMRP-puin.
Sloopopvolging moet er dus voor zorgen dat het aandeel LMRP-puin vergroot en dat LMRP-puin apart verwerkt wordt bij de breker. Dit zal als gevolg hebben dat het (LMRP-)puin dat door een sloopbeheerorganisatie wordt opgevolgd bij de breker onder het eenvoudiger systeem van LMRP valt, wat sloopopvolging voordeliger maakt en op zijn beurt zal stimuleren. Een noodzakelijke voorwaarde is wel dat het eenheidsreglement moet voorzien in een significant verschil in uitkeuring tussen HMRP en LMRP zodat de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten gegarandeerd is én de aanvoer van LMRP bevoordeelt en stimuleert. Zoniet zal de breker het LMRP-puin nog samen met het HMRP-puin blijven verwerken.
Verder is voorzien in een verduidelijking van de definitie van wat wordt verstaan onder in hoofdzaak residentiële gebouwen, zodat duidelijker wordt wanneer de volledige sloopopvolging verplicht is. De standaardprocedure voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan moet ook bepalingen bevatten over kwalificaties van de deskundige die het plan opmaakt en de wijze waarop het plan en het controleverslag worden opgemaakt.
Asbestinventarisatie In uitvoering van het Actieplan Asbestafbouw (20 juli 2018) werd het
decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) aangevuld met nieuwe bepalingen inzake het asbestafbouwbeleid. Voor de nieuwe rechtsgronden is vaak een delegatie naar de Vlaamse Regering voorzien.
Via deze wijziging van Vlarema, wordt een invulling gegeven aan deze delegatie. De artikelen rond asbestinventarisatie bevatten - een delegatie aan de minister voor het opstellen van een inspectieprotocol voor asbestinventarisatie - een uitzondering op de verplichting voor een asbestinventarisatieattest voor kleine constructies - erkenningsvoorwaarden en een erkenningsprocedure voor certificatie-instellingen asbest - een taakomschrijving voor de certificatie-instellingen asbest - voorwaarden waaronder de OVAM de taak van een certificatie-instelling zelf kan opnemen - erkenningsvoorwaarden voor asbestdeskundigen inventarisatie, zowel voor personen als voor bedrijven - voorwaarden waaronder een preventie-adviseur of milieucoördinator een asbestinventarisattest kan opmaken - bepalingen rond bescherming van persoonsgegevens door asbestdeskundigen - bepalingen rond toegang tot de databank asbestinventarisatie - bepalingen rond de geldigheidsduur van een asbestinventarisattest - een regeling rond retributies voor de uitreiking van een asbestinventarisattest met delegatie aan de minister om de hoogte te bepalen - de uitvoeringsbepalingen van artikel 66 van het materialendecreet betreffende retributies.
Bevorderen van afvalpreventie en gescheiden inzameling van afvalstoffen In dit besluit zijn bepalingen opgenomen die de preventie van afval of de gescheiden inzameling en recyclage van bepaalde afvalstoffen moeten verbeteren: - een uitbreiding van de pmd definitie met alle huishoudelijke plastic verpakkingen; - voorwaarden waaraan eindverkopers moeten voldoen wanneer die afgedankte producten vrijwillig terugnemen; - uniforme afspraken over de boodschap op stickers tegen reclamedrukwerk en gratis regionale pers in de brievenbus, en de verspreiding van deze stickers; - een verhoging van de doelstellingen voor de inzameling, het hergebruik en de recyclage van afvalbanden en afspraken over de rapportering daarover; - bepalingen over de invoering van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor matrassen en voorwaarden voor hun inzameling, opslag en transport; - een veralgemeende verplichting voor het gescheiden aanbieden of lokaal composteren van bioafval van huishoudens en bedrijven die ingaat vanaf 31 december 2023; - een verbod op het mengen van afvaloliën indien dit nadelig is voor de recyclage of regeneratie; - de invoering van nieuwe regels die gelden voor de inzamelaars van bedrijfsrestafval en voor de verwerkers die dit bedrijfsrestafval aanvaarden. Deze regels moeten ervoor zorgen dat er meer recycleerbare afvalstoffen worden geweerd uit het bedrijfsrestafval. Oorspronkelijk was voorzien dat deze regels werden ingevoerd als een code van goede praktijk vastgelegd in een ministerieel besluit. Op advies van de Raad van State worden deze regels opgenomen in het Vlarema.
Met betrekking tot matrassen worden volgende wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de onderhandelingen over een aanvaardingsplichtconvenant met de matrassenproducenten: - opnemen van een afwijking op de verplichte inzameling bij de distributie; - invoegen van inzamel- en recyclagedoelstellingen; - uitbreiden van de rapportageverplichtingen; - verplichten van droge inzameling, opslag en transport; - verplichten van de recyclagedoelstellingen voor individuele afvalstoffenproducenten en voor de individuele inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars en kennisgevers.
Dit besluit wijzigt enkele uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de aanvaardingsplicht voor afgedankte voertuigen voor oldtimers, voertuigen die gehouden worden als verzamelobject en voertuigen die het voorwerp zijn van een gerechtelijk onderzoek, een inbeslagname of een aansprakelijkheidsonderzoek. Ze heft ook de verplichting op voor het toevoegen van een bijlage in verband met moraliteit bij de aanvraag voor een erkenning als centrum voor de depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen.
In het kader van de omzetting van de Europese kaderrichtlijn afval, zijn er bepalingen gewijzigd met betrekking tot de aanvaardingsplicht.
De aanvaardingsplicht wordt omschreven als een "regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid" die onderworpen is aan de minimumvereisten vastgelegd in de kaderrichtlijn. Zij hebben betrekking op: - minimale afspraken die moeten zijn vastgelegd in een aanvaardingsplichtconvenant of individueel aanvaardingsplichtplan; - ecomodulatie op de ledenbijdragen; - minimale informatievoorziening door een beheersorganisme.
Met betrekking tot batterijen en accu's, zijn nieuwe afspraken opgenomen over: - wie optreedt als producent in het kader van een aanvaardingsplicht in geval batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, opnieuw op de markt worden gebracht; - waarborgen die worden gesteld door de producent voor de financiering van de nettokosten van het beheer van ingezamelde afgedankte batterijen en accu's; - de informatieverstrekking over de verwerking of hergebruik van afgedankte batterijen en accu's en het gehaalde recyclageniveau;
Afbakening van de afvalfase Het hoofdstuk rond de afbakening van de afvalfase is redactioneel herschikt om dit beter leesbaar te maken. Verder zijn verduidelijkingen aangebracht over o.a : - de informatie die is vereist bij de aanvraag van een grondstofverklaring; - wanneer en hoe een zelfbeoordeling kan gebeuren voor materialen waarvoor geen Europese criteria en geen specifieke criteria bestaan; - hoe de uitwisseling van analyseresultaten van materialen met de OVAM moet gebeuren.
Tracering van afvalstoffen Om de tracering van afvalstoffen (transport en wijze van verwerking) te verbeteren zijn bepalingen opgenomen over de digitalisering van transportdocumenten.
Handhaving op zwerfvuil en sluikstorten Zwerfvuil en sluikstorten vormen een hardnekkig maatschappelijk probleem. Uit zwerfvuilcijfers blijkt dat de hoeveelheid zwerfvuil in Vlaanderen toeneemt. In het uitvoeringsplan voor huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval is als doel geformuleerd de hoeveelheid zwerfvuil en sluikstorten te doen dalen. De Vlaamse overheid, de lokale besturen en de producenten nemen maatregelen in de strijd tegen zwerfvuil, o.m. via de werking mooimakers. Om de zwerfvuilproblematiek efficiënt aan te pakken zorgen zij voor een samenspel van acties: - de publieke ruimte anders inrichten, plaatsen en proper houden van recipiënten(zoals vuilnisbakken), organiseren van veegbeurten en opruimacties van zwerfvuil; - sensibilisering en communicatie om te komen tot een mentaliteitswijziging en gedragsverandering; - extra aandacht besteden aan omgevingsfactoren die zwerfvuilgedrag uitlokken of begunstigen, zoals leegstand, verloedering, anonimiteit en allerhande vormen van schade en verwaarlozing; - participatie: betrekken van buurtbewoners, vrijwilligers, verenigingen of andere burgerorganisaties en handelaars.
Handhaving is het sluitstuk van dit beleid en moet meer aandacht krijgen. Handhaving gebeurt grotendeels door lokale ambtenaren en politie, maar ook de Vlaamse overheid moet hier een grotere rol opnemen. De Vlaamse overheid kan haar ambtenaren inzetten om mee te handhaven tegen sluikstorten en het veroorzaken van zwerfvuil. Met dit wijzigingsbesluit wordt sluikstorten gedefinieerd en uitdrukkelijk verboden. Naast een verbod op sluikstorten wordt ook een algemeen verbod op de creatie van zwerfvuil ingevoerd.
Totstandkoming De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 4 augustus 2020 en 5 mei 2021;
Het begrotingsakkoord werd verleend op 7 december 2020;
Dit ontwerp werd op 25 januari 2021 meegedeeld aan de Europese Commissie, met toepassing van artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.
De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2021/03 gegeven op 26 januari 2021.
De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 1 februari 2021.
De Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 1 februari 2021.
De Raad van State heeft advies 69.375/1 gegeven op 4 juni 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en advies 69.212/1, gegeven op 8 juni 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De twee ontwerpen van besluit zijn gecombineerd tot één ontwerp van besluit voor definitieve goedkeuring door de Vlaamse regering.
Toelichting bij de artikelen Artikelen 1 tot en met 8 De bevoegdheden van de gewestelijke, provinciale en lokale toezichthouders worden aangepast door de nieuwe Vlarema-artikelen uitdrukkelijk op te nemen in hun bestaande bevoegdheid rond artikel 12 § 1 Materialendecreet, het achterlaten van afvalstoffen.
Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 5° van het Milieuhandhavingsbesluit (het Agentschap voor Natuur en Bos) wordt hun toezichtsbevoegdheid verruimd door het toevoegen van nieuwe gebieden waarop zij kunnen handhaven.
Voor de toezichthouders vermeld in artikel 12, 6° (OVAM) en 12, 10° (VLM) van het Milieuhandhavingsbesluit wordt een nieuwe bevoegdheid toegevoegd inzake artikel 12 § 1 Materialendecreet en de VLAREMA-artikelen.
Bij alle andere toezichthouders wordt de reeds bestaande bevoegdheid op artikel 12 § 1 Materialendecreet tekstueel aangepast met een rechtstreekse vermelding van de nieuwe VLAREMA-artikelen.
Artikel 9 Artikel 9 vervangt integraal de bijlage VIII van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze bijlage VIII bevat een oplijsting van alle milieu-inbreuken in het VLAREMA en wordt nu volledig geactualiseerd en ook in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die met dit wijzigingsbesluit zullen doorgevoerd worden.
Artikel 10 Artikel 10 regelt de toevoeging van een lijst van milieuinbreuken betreffende het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en Binnenvaart van 9 september 1996, als bijlage XXXVI aan het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het betreft administratieve voorschriften uit dit verdrag die via opname in deze bijlage worden gedepenaliseerd. De lijst werd opgesteld in overleg tussen de OVAM en De Vlaamse Waterweg nv.
Artikel 11 In artikel 1.1.1 wordt de verwijzing naar de Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen vervangen door de verwijzing naar de nieuwe Richtlijn (EU) 2019/883 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen.
Artikel 12 De definities voor afval van de zeevaart, haven, havenontvangstvoorziening, ladingresiduen, Marpol, pleziervaartuig, scheepsafval, schip en vissersvaartuig worden in paragraaf 2 van artikel 1.2.1 geschrapt en in een nieuwe paragraaf 4/1 vervangen door nieuwe definities overeenkomstig de Richtlijn (EU) 2019/883. De definitie van levensmiddelenafval wordt geschrapt omdat deze werd opgenomen in het Materialendecreet. De definitie van bouw- en sloopmateriaal wordt geschrapt omdat deze enkel betrekking heeft op sloopopvolging en al omschreven wordt in art. 4.3.5 § 1.
De definitie van een beheerder van een onlinemarktplaats wordt ingevoerd om de regels die gelden bij uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing te laten zijn bij verkoop op afstand via een online marktplaats.
Bouw- en sloopafval wordt gedefinieerd als afvalstoffen die geproduceerd worden door bouw- en sloopwerkzaamheden. Bouw- en sloopafval bestaat uit bouwafval, sloopafval of een mengsel van beide.
Soms vinden sloopwerken en opbouwwerken immers op hetzelfde tijdstip plaats, b.v. bij een renovatie.
Bij bouwafval betreft het de afvalstoffen die op de bouwwerf ontstaan in de constructiefase van een gebouw, delen van een gebouw of een infrastructuurwerk. Het betreft hier enkel afval van bouwmaterialen, zoals resten van bouwstoffen en bindmiddelen en snijresten.
Verpakkingen (zoals folies en paletten), (halflege) verfpotten, siliconespuiten vallen hier bijvoorbeeld niet onder.
Bij sloopafval betreft het de afvalstoffen die geproduceerd worden tijdens sloop-, renovatie-, herstellings-, onderhouds- of uitbreidingswerken. Alle losse elementen die geen deel uitmaken van de constructie en vrijkomen bij de ontruiming, zijn geen deel van het sloopafval. Het gaat hier b.v. om los of demonteerbaar meubilair of toestellen, verplaatsbare machines, aanwezige voorraden, ... die nog in het gebouw aanwezig zijn. Deze moeten eerst verwijderd worden vooraleer de constructie kan worden ontmanteld, gerenoveerd of gesloopt.
Deze definities gelden onverminderd de bepalingen in artikel 4.3.2 die stellen dat de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, kan samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder een aantal cumulatieve voorwaarden, namelijk het moet gaan om droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert, het recipiënt moet overgebracht worden naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd en de afvalstoffenproducent moet daarover een contract afgesloten hebben met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd.
Het artikel 4.3.3 § 1 van Vlarema stelt dat sloopopvolging verplicht is bij sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m3 voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m3 voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft.
Er wordt een nieuwe definitie ingevoerd voor huishoudelijk restafval.
Tot nog toe was huishoudelijk restafval enkel gedefinieerd in het uitvoeringsplan huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval, maar niet in Vlarema. Het is beter dat dit ook in Vlarema wordt verduidelijkt.
In de definitie wordt verwezen naar `de fractie van huishoudelijke afvalstoffen die niet selectief wordt aangeboden of ingezameld', waarmee dezelfde bewoording wordt gehanteerd als voor bedrijfsrestafval, wat wel al langer in Vlarema is gedefinieerd.
Inhoudelijk wordt niet afgeweken van de definitie in het uitvoeringsplan. Huisvuil en grofvuil blijven integraal onderdeel uitmaken van het huishoudelijk restafval, want deze worden niet selectief aangeboden of ingezameld. De expliciet genoemde vuilbakjes, straat- en veegvuil en vuil van opruimen van sluikstorten worden ook expliciet in het uitvoeringsplan genoemd. Wel wordt de term "publieke" vuilnisbakjes uit het uitvoeringsplan hier gemeden en wordt dit nauwer gedefinieerd. Dit om te verduidelijken dat bijvoorbeeld vuilbakjes in stations of in provinciale domeinen hier niet onder vallen, aangezien dat duidelijk bedrijfsafval is. Zwerfvuil dat wordt verwijderd bij waterzuivering valt onder de categorie bedrijfsafval.
De niet-residentiële gebouwen zijn bedrijfsgebouwen. Woongebouwen waarvoor pas bij een totaal bouwvolume van 5000 m3 sloopopvolging verplicht is, worden aangeduid met de term `in hoofdzaak residentiële gebouwen'. Daarvoor is echter geen eenduidige definitie in de regelgeving opgenomen. Dit leidt tot discussies over de toepassing.
Vaak heeft een gebouw, of hebben meerdere gebouwen betrokken in eenzelfde omgevingsvergunning voor afbraakwerken, verschillende functies en dit zowel als woning of als bedrijfsruimte. In die gevallen is een interpretatie van het toepassingsgebied nodig.
Deze moet vermijden dat voor een gemengd gebouw met een zeer beperkte bedrijfsfunctie sloopopvolging verplicht is. Daarom dient er een invulling gegeven te worden aan "in hoofdzaak residentieel" en is de definitie nodig. In een `in hoofdzaak residentieel gebouw' neemt de bedrijfsfunctie slechts een minimaal aandeel in van het totale bouwvolume. In de steden en gemeenten bestaan gemengde gebouwen vaak uit een handelszaak (bedrijf) op de gelijkvloerse verdieping met daarboven nog een of twee bouwlagen die dienen als woning.
De onderlinge verhouding bij deze gemengde gebouwen is vaak 1/3 bedrijfsfunctie en 2/3 woonfunctie. Dit is sinds 2017 de interpretatie die de OVAM aan dit begrip heeft gegeven. Niet alle betrokken partijen kennen deze interpretatie. Door het opnemen van deze definitie scheppen we meer duidelijkheid voor de bouwheren, architecten, aannemers en medewerkers van vergunningverlenende diensten.
De definitie van matrassen wordt vervangen waarbij ook toppers (ook wel genoemd topdekmatras, oplegmatras of topmatras) onder deze definitie vallen.
De definitie voor onlinemarktplaats wordt ingevoegd om de regels die gelden bij uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing te laten zijn op producenten die producten verkopen op afstand via een online marktplaats.
De definitie voor "opvulling" is letterlijk overgenomen uit de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. Met deze definitie wil Europa zorgen voor een uniforme rapportering over welke handelingen als recyclage worden beschouwd. Zo wil ze vermijden dat lidstaten verschillende hoeveelheden rapporteren doordat ze verschillende definities hanteren over wat als recyclage mag worden beschouwd. De term "landschapsaanleg" komt niet overeen met de term "landschapsherstel". Met landschapsaanleg worden activiteiten bedoeld zoals het opvullen van putten of het creëren van heuvels in het landschap.
Om de hoeveelheid plastic in het restafval terug te dringen, wordt de pmd-inzameling uitgebreid met alle plastic verpakkingen ipv enkel de plastic flessen en flacons. Deze definitie is in lijn met de definitie gebruikt in de erkenning van het beheersorganisme voor de terugnameplicht van huishoudelijke verpakkingen.
De definitie van producent wordt ingevoerd om nieuwe afspraken te maken in kader van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bij verkoop op afstand. Enerzijds wordt het begrip `verkoop op afstand' verduidelijkt door te verwijzen naar de definitie ervan in het Wetboek van economisch recht. De punten a tot en met d in de definitie zijn niet cumulatief. In punt d van de definitie wordt toegevoegd dat naast rechtstreekse verkoop ook verkoop via een online marktplaats onder het toepassingsgebied valt. Het is noodzakelijk dit te verduidelijk zodat ook in dat geval er geen discussie kan zijn over wie als producent moet worden aangeduid.
De term "afgewerkte olie" wordt niet meer gebruikt en overal vervangen door "afvalolie". Zo vermijden we dat in het Vlarema twee verschillende termen worden gebruikt die dezelfde betekenis hebben.
Er wordt een nieuwe definitie ingevoerd voor sluikstorten.
Sluikstorten is omschreven als het "bewust ontwijken van de huishoudelijke afvalophaling of bedrijfsafvalophaling door afvalstoffen achter te laten of te storten op niet-reglementaire plaatsen, tijdstippen of in de foute recipiënten". "Bewust ontwijken" slaat op een ontwijking met opzet. Een persoon heeft de intentie om zich te ontdoen van afval op een andere of verschillende wijze dan deze die is voorzien in de huishoudelijke of bedrijfsafvalophaling. De beweegreden zelf is irrelevant maar in de meerderheid van de situaties zal het vaak slaan op een ontwijking van de kostprijs die gelinkt is aan de huishoudelijke of bedrijfsafvalophaling. Met "niet-reglementaire tijdstippen" wordt bedoeld alle momenten waarbij afval niet wordt aangeboden volgens het politiereglement.
Bijvoorbeeld, dit kan slaan op de situatie waarbij men afval te vroeg buitenzet voorafgaandelijk aan een ophaling. Een recipiënt voor afvalophaling wordt bepaald overeenkomstig het politiereglement. Een "foutieve recipiënt" is bijgevolg enig ander recipiënt dan deze die omschreven is in het politiereglement. Bijvoorbeeld er is sprake van een foutieve recipiënt indien men gebruik maakt van een gewone plastic zak voor restafval in plaats van de aangeduide gemeentelijke zak.
Voor producent van AEEA bestaat een specifieke definitie, in lijn met de definitie in de Europese richtlijn voor AEEA. Hieraan worden dezelfde verduidelijkingen toegevoegd als in bovengenoemde algemene definitie van producent.
Ook voor producent van batterijen en accu's bestaat een specifieke definitie, in lijn met de definitie in de Europese batterijenrichtlijn. Hier wordt eveneens de verwijzing naar de definitie van verkoop op afstand uit het Wetboek voor economisch recht opgenomen. De toevoeging over de verkoop via online marktplaatsen is hier niet nodig gezien de definitie reeds de bepaling `ongeacht de gebruikte verkooptechniek' bevat.
Het nieuwe artikel 1.2.1 § 4/1 geeft aan dat voor de toepassing van onderafdeling 5.2.10 (zijnde "afval van schepen van de zeevaart") een aantal specifieke definities van toepassing zijn. De definities die in dit artikel werden opgenomen komen allemaal letterlijk uit de Richtlijn (EU) 2019/883 (met uitzondering van de definitie van "vissersvaartuig", waarbij gekozen werd een deel van de bestaande definitie ("rijkdommen van de zee") te behouden omwille van de slechte vertaling van "living resources from the sea" in "mariene hulpbronnen").
Daarbij kan opgemerkt worden dat de bepaling uit Richtlijn (EU) 20019/883 dat "afval van schepen" dient te worden beschouwd als afval in de zin van artikel 3, onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG, niet in het VLAREMA hoeft te worden omgezet omdat door de bestaande definities van afval in zowel het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen als het VLAREMA "afval van schepen" sowieso als een afvalstof wordt beschouwd.
Artikel 13 Met dit artikel wordt een nieuwe afdeling "Europese criteria" toegevoegd. Het gaat hier om een herschikking van artikelen. Voor de duidelijkheid zijn de artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op materialen die onderworpen zijn aan Europese criteria, samengevoegd in één afdeling.
De artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op de algemene bepalingen voor specifieke criteria zijn samengevoegd in onderafdeling 2.3.1.
In artikel 2.2.2 is de term grondstoffen vervangen door "einde afval en bijproducten" omdat dit duidelijker aangeeft waar het over gaat, nl. over afvalstoffen die niet langer als afvalstof moeten worden beschouwd of over bijproducten die vrijkomen als reststroom in een productieproces. De Europese Commissie kan bijproductcriteria opstellen voor bepaalde stoffen en kan ook einde-afvalcriteria opstellen voor bepaalde stoffen.
Artikel 14 De artikelen in de oorspronkelijke afdeling 2.2 "algemene bepalingen" die betrekking hebben op de algemene bepalingen voor specifieke criteria zijn samengevoegd in onderafdeling 2.3.1.
Door toevoegen van een nieuwe onderafdeling wordt verduidelijkt dat de artikelen die in deze onderafdeling staan opgesomd, algemene bepalingen bevatten over de manier waarop specifieke criteria worden uitgewerkt en toegepast.
Het vorige artikel 2.2.1 is opgenomen in artikel 2.3.1.3, 4e lid. De verwoording in art. 2.3.1.3, 4e lid is aangepast naar die uit het Materialendecreet (artikel 36.4° en artikel 36.5° ). Een materiaal mag alleen als grondstof worden beschouwd wanneer het gebruik over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op het milieu of de menselijke gezondheid. Met "geen ongunstige effecten" wordt bedoeld dat de inzet van dit materiaal netto geen bijkomende negatieve effecten mag genereren ten opzichte van het gebruik van een primaire grondstof.
Het vorige artikel 2.2.2, 1e en 3e lid is opgenomen in artikel 2.3.1.2. Het vorige artikel 2.2.2, 2e lid is opgenomen in artikel 2.3.1.3.
Het vorige artikel 2.2.3 is opgenomen in artikel 2.3.1.3. De vorige artikels 2.2.4 en 2.2.8 zijn opgenomen in onderafdeling 2.3.1.
Artikel 15 We willen garanderen dat de gegevens van de monsterneming en analyse volledig en correct worden doorgegeven aan de OVAM. Daarom zorgen we voor een rechtstreekse transfer van deze gegevens door het erkend laboratorium en de OVAM. Enerzijds maakt dit het systeem fraudebestendiger. De houder van de grondstofverklaring heeft immers geen mogelijkheid meer om gegevens van het monsternemings- of analyseverslag aan te passen of te verzwijgen. Anderzijds verlaagt dit de administratieve last. Het is immers de bedoeling de gegevens digitaal te laten doorgeven door het erkend laboratorium zodat dit een gemakkelijke controle toelaat van de analysegegevens met de normen.
Dit artikel treedt in werking vanaf 1 januari 2022. Vanaf dan zullen de systemen klaar zijn om de gegevensuitwisseling mogelijk te maken.
Artikel 16 Het generieke normenkader voor PAK in bouwstoffen is bijlage VI van VLAREBO. De pak-spraytest voor asfaltgranulaat is een snelle methode die op het terrein uitvoerbaar is in tegenstelling tot de chemische analyse. Voor asfaltgranulaat wordt de chemische analyse van PAK in laboratorium enkel uitgevoerd bij twijfel over de resultaten met pak-spraytest of de IRspectroscopie. Beide testen worden standaard rechtstreeks ter plaatse op de bouwstof uitgevoerd in het kader van het Eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten of voorafgaand voor de sloop of opbraak voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan en bij de opmaak van bijvoorbeeld bestekken. Deze aanpak wenst OVAM te behouden.
Het normenkader voor asfaltgranulaat moet ook bijlage 2.3.2.A zijn zoals reeds opgenomen voor zeefzand voor asfalt in plaats van bijlage VI van VLAREBO. Deze aanpassing is noodzakelijk om voldoende rechtszekerheid te bieden aan de gebruikers van de pak-spraytest. Er is immers een correlatie aangetoond tussen de pak-spraytest en de normwaarden van bijlage 2.3.2.A, maar niet tussen de pak-spraytest en de normen van bijlage VI van Vlarebo. Het gebruik van de pak-spraytest heeft enkel zin bij een toetsing aan de normen in bijlage 2.3.2.A. Ongeacht de korrelverdeling van gebroken asfaltpuin (asfaltgranulaat of zeefzand van asfalt) moeten de meetwaarden van de chemische analyses aan hetzelfde normenkader getoetst worden ic bijlage 2.3.2.A. Artikel 17 Het betreft hier een verduidelijking en geen wijziging. Er wordt dezelfde formulering gebruikt als in het eenheidsreglement. Er wordt gestreefd naar een gelijk speelveld. Er wordt vermeden dat sorteerinrichtingen die zich inzetten voor kwaliteitsverbetering en over een kwaliteitsborgingssysteem beschikken, een concurrentieel nadeel zouden hebben ten opzichte van sorteerinrichtingen die niet over een kwaliteitsborgingsysteem beschikken.
Artikel 18 De vorige onderafdeling 2.3.1 is overgenomen onder onderafdeling 2.3.3.
De bepalingen van het Mestdecreet blijven onverminderd gelden voor afvalstoffen die als bodemverbeteraar/meststof worden gebruikt. De nutriënteninput vanuit deze materialen wordt meegenomen in de bemestingsbalans van landbouwpercelen.
Artikel 19 Het vorige artikel 2.2.6 is overgenomen in artikel 2.4.1.3.
Deze bepaling is overgenomen uit het voormalige artikel 2.2.6.
Artikel 20 In artikel 2.4.2.2 is verduidelijkt welke informatie een aanvraag voor grondstofverklaring moet bevatten.
Voor aanvragen voor grondstofverklaring die worden opgelegd in afdeling 2.3. "Specifieke criteria" is het belangrijk dat de aanvraag een staving bevat dat het materiaal voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria voor grondstoffen uit afdeling 2.3. Eveneens is er een motivatie vereist waarom het gebruik van de grondstof in de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op mens en leefmilieu. Dit is een voorwaarde uit artikel 2.3.1.1 van het VLAREMA. Voor aanvragen voor grondstofverklaring van materialen die vallen onder afdeling 2.6 zijn er geen specifieke criteria beschikbaar in het VLAREMA en moet het aanvraagdossier andere informatie bevatten zodat de OVAM kan beoordelen of het materiaal als een grondstof kan worden beschouwd. De aanvraag voor grondstofverklaring moet een motivatie bevatten waarom het gebruik van het materiaal voldoet aan de voorwaarden uit artikel 36 (einde-afval) of 37 (bijproduct) van het Materialendecreet. De aanvrager toont aan dat de milieu-impact van het hergebruikte of gerecycleerde materiaal niet groter is dan die van de primaire grondstof.
Artikel 21 Voor aanvragen die worden opgelegd in afdeling 2.3. valt de beslissing uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag.
Voor deze toepassingen gelden specifieke criteria en is het duidelijk welke parameters moeten worden onderzocht en beoordeeld. Voor andere aanvragen voor grondstofverklaring bestaan er geen specifieke criteria en moet er voor elke specifieke aanvraag worden onderzocht of er aan alle voorwaarden van artikel 36 of 37 van het Materialendecreet is voldaan en of de aanvrager dit voldoende heeft aangetoond. Dit betekent dat er tijdens de behandelingstermijn meer tijd nodig is voor het onderzoek door de OVAM, voor de ondersteuning van de aanvrager en dat er bijkomend vaak advies moet worden ingewonnen bij andere instanties. Voor aanvragen die vallen onder afdeling 2.6 zal de beslissing daarom genomen worden binnen een termijn van zestig kalenderdagen.
Artikel 22 De aanvraagprocedure stopzetten in plaats van de aanvraag weigeren, betekent voor de OVAM een administratieve efficiëntiewinst omdat er geen besluit moet worden opgemaakt en de melding via een automatische boodschap kan worden verstuurd. Voor de aanvrager biedt het de mogelijkheid om zonder beperkingen een nieuwe aanvraag in te dienen.
Bij een weigering kan men enkel opnieuw indienen als er nieuwe elementen aan het dossier worden toegevoegd die niet mee beoordeeld zijn bij de weigering.
Artikel 23 Voor materialen waarvoor geen Europese criteria of geen specifieke criteria in het VLAREMA bestaan valt de houder terug op de voorwaarden uit artikel 36 of 37 van het Materialendecreet. Afdeling 2.6 verduidelijkt hoe en wanneer deze zelfbeoordeling moet gebeuren.
Artikel 2.6.2 maakt duidelijk wanneer de houder van een materiaal op basis van een zelfbeoordeling kan nagaan of aan de voorwaarden uit artikel 36 van het Materialendecreet is voldaan.
Artikel 2.6.3 maakt duidelijk wanneer de houder van een materiaal op basis van een zelfbeoordeling kan nagaan of aan de voorwaarden uit artikel 37 van het Materialendecreet is voldaan.
De OVAM zal een nieuwe handleiding publiceren op haar website met richtlijnen over hoe een zelfbeoordeling correct wordt uitgevoerd. Er zullen eveneens voorbeelden worden gegeven over hoe kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden uit artikel 36 of 37 van het Materialendecreet is voldaan.
Bij het transport moet een verklaring van de houder aanwezig zijn zodat duidelijk is dat het gaat om een grondstof die het grondstofstatuut heeft gekregen op basis van een zelfbeoordeling. Bij eventuele controle van het transport is het op deze manier duidelijk dat het gaat om het transport van een grondstof en niet om een illegaal afvaltransport. De zelfbeoordeling moet niet aanwezig zijn bij het transport maar moet wel kunnen worden voorgelegd op vraag van de OVAM en de toezichthoudende overheid.
Artikel 2.6.5 verduidelijkt wanneer een grondstofverklaring moet of kan worden aangevraagd bij de OVAM. Het vorige artikel 2.2.5 is opgenomen in artikel 2.6.5.
Artikel 24 Aan artikel 3.1.1. wordt een tweede paragraaf toegevoegd. Hiermee wordt afdeling 3.5 rond de vrijwillige terugname ingekaderd in het hoofdstuk over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. In het Materialendecreet krijgt de Vlaamse Regering de mogelijkheid om aan verschillende actoren maatregelen op te leggen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Meer bepaald gaat het om iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig producten ontwikkelt, vervaardigt, behandelt, verwerkt, verkoopt of invoert. Dit omvat dus duidelijk ook de eindverkopers waar de inzameling in het kader van de vrijwillige terugname plaatsvindt. Niettegenstaande dergelijke initiatieven ook kunnen uitgaan van andere actoren (bv. private afvalbedrijven), ligt het in de lijn der verwachtingen dat producenten of handelaars steeds meer dergelijke inzamelingen gaan opzetten als reactie op de toenemende grondstoffenschaarste of als klantenservice. De vrijwillige inzameling van afvalstoffen via eindverkopers ligt ook in het verlengde van de wijze waarop de inzameling van afvalstoffen onder de aanvaardingsplicht vaak georganiseerd wordt.
Artikel 25 Er wordt een nieuwe paragraaf 1 in artikel 3.2.1.1 ingevoegd die aangeeft dat de aanvaardingsplicht moet beschouwd worden als een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zoals dit begrip is gedefinieerd in het materialendecreet. Dit is belangrijk omdat hierdoor de minimale vereisten die via de Europese kaderrichtlijn worden opgelegd aan regelingen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing zijn. Elk systeem dat wordt uitgewerkt in kader van de aanvaardingsplicht moet dus voldoen aan deze minimumvoorwaarden.
We wijzen erop dat een soortgelijke bepaling niet wordt toegevoegd aan de andere instrumenten uit hoofdstuk 3 in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, namelijk het collectief plan en de vrijwillige terugname. Daarnaast kunnen ook nog specifieke bepalingen worden opgelegd aan bepaalde producenten, zonder dat hiervoor een instrument (aanvaardingsplicht of collectief plan) van toepassing is.
Dit is bijvoorbeeld het geval voor de uitgevers van gratis regionale pers die bepaalde verplichtingen hebben voor de stickers tegen ongewenst reclamedrukwerk en gratis regionale pers. In deze gevallen zijn de minimumvereisten die worden opgelegd aan regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dus niet van toepassing.
Het gaat in die gevallen immers niet om `een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid', zoals bedoeld in de Europese kaderrichtlijn. De minimumvereisten slaan enkel op die systemen waarbij in het kader van een wettelijk verplichting een selectieve inzameling wordt opgezet die wordt georganiseerd en/of gefinancierd door de producenten. Het is echter ook mogelijk om andere maatregelen te nemen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (bv. het informeren van consumenten, ecodesign, onderzoeksopdrachten...). Het zijn net dat soort maatregelen die met deze instrumenten (collectief plan, vrijwillige terugname) worden beoogd en waarbij het niet zinvol is om alle minimale vereisten automatisch van toepassing te laten zijn.
Het artikel wordt aangevuld met een verduidelijking van de 1-1 terugnameplicht voor verkoop op afstand. Ook in dat geval moet de producent verplicht de afgedankte producten aanvaarden indien de consument dit aanbiedt. Hierbij worden 3 mogelijkheden voorzien: terugname op moment van levering, het aanbieden van een lokaal inzamelpunt of een gratis retouroplossing.
In paragraaf 7 van hetzelfde artikel wordt aan de informatieverplichtingen van de eindverkoper toegevoegd dat hij de consument naast de afdankingsmogelijkheden ook moet informeren over de herstelmogelijkheden van zijn toestel (indien het betrokken product in aanmerking komt voor hergebruik). Dit met het oog op de verlenging van de levensduur van toestellen door meer hergebruik.
Artikel 26 In artikel 3.2.1.2, § 2, eerste lid staan de elementen opgesomd die moeten worden uitgewerkt in een aanvaardingsplichtconvenant of individueel aanvaardingsplichtplan. Hieraan worden een aantal toevoegingen gedaan in lijn met de minimale vereisten die in de Europese kaderrichtlijn zijn ingevoerd. Het betreft met name: - Een duidelijke omschrijving van het gebied, product en materiaal van het inzamelsysteem; - Een specificatie van de elementen waarover de producent moet communiceren: preventie, herstel, hergebruik, inzameling en het voorkomen van zwerfvuil; - De publieke rapportering over de resultaten; - De voorwaarden voor de financiering zoals bepaald in het materialendecreet. Net zoals in de kaderrichtlijn is opgenomen dat de bepalingen over de financiering niet van toepassing zijn voor de afvalstromen AEEA, afgedankte voertuigen en batterijen. Hiervoor gelden de specifieke bepalingen uit de overeenstemmende richtlijnen.
Gezien dit artikel valt onder de onderafdeling aanvaardingsplicht, is dit niet van toepassing op verpakkingen. Deze vallen onder de interregionale terugnameplicht.
Artikel 27 Artikel 3.2.1.3. § 1 bevat de rapporteringsvereisten in het kader van de aanvaardingsplicht. Hieraan wordt een toevoeging gedaan om modaliteiten te bepalen indien meerdere beheersorganismen voor eenzelfde afvalstroom actief zijn. Het betreft men name een bijkomende validatie van de cijfergegevens van deze beheersorganismen op eenvoudig verzoek van de OVAM om dubbeltellingen en hiaten te detecteren en te corrigeren. Er wordt hierover verder bepaald dat de betrokken beheersorganismen op hun kosten éénzelfde keuringsinstelling aanduiden om de validatie uit te voeren. Indien de beheersorganismen niet tot een gezamenlijke keuze komen, beslist de OVAM, na overleg met de diverse beheersorganismen.
Artikel 28 Artikel 3.2.1.5 moet aangepast worden aan de nieuwe definitie van producent, zodat bepalingen met betrekking tot uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing zijn op verkoop op afstand.
Artikel 29 In artikel 3.2.2.1, § 4, tweede lid wordt aan de voorwaarden waaraan het financieel plan van een beheersorganisme moet voldoen, toegevoegd dat bij de berekeningsmethode van de milieubijdrage moet gestreefd worden naar een differentiatie van de bijdrage die rekening houdt met de milieu-impact van de producten. Dit is tevens een minimumvereiste uit de nieuwe kaderrichtlijn.
Er wordt aan het artikel ook een negende paragraaf toegevoegd die stelt dat een beheersorganisme openbaar beschikbare informatie moet verstrekken over de leden van de Algemene Vergadering en de deelnemers van het beheersorganisme, zijnde de bedrijven die zich aansluiten middels het ondertekenen van een toetredingsovereenkomst, de milieubijdragen en de selectieprocedure voor afvalbeheerders. Ook dit is een nieuwe minimumvereiste uit de kaderrichtlijn.
Artikel 30 De gewijzigde tekst van artikel 3.4.1.1 wil nog duidelijker stellen hoe in het Vlaamse Gewest burgers kunnen aangeven geen ongeadresseerd reclamedrukwerk en/of geen gratis ongeadresseerde regionale pers te willen ontvangen. Enkel het gebruik van een NEE/NEE of JA/NEE sticker is toegelaten. De stickers worden gefinancierd door de sector van de uitgevers conform artikel 3.4.1.2 van Vlarema.
Artikel 31 De gewijzigde tekst van artikel 3.4.1.2 actualiseert dit artikel in overeenstemming met de overeenkomst die op 15 april 2019 is afgesloten tussen de Vlaamse Regering en de sector van het ongeadresseerd reclamedrukwerk en van de gratis regionale pers.
Artikel 32 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalbanden. De verwerkingsdoelstellingen voor afvalbanden worden in artikel 3.4.3.2 aangescherpt. Voor 2030 worden hogere inzameldoelstellingen en doelstellingen voor hergebruik, loopvlakvernieuwing en recyclage vastgelegd. Van deze hogere doelstellingen kan enkel worden afgeweken indien uit een onderbouwde evaluatie blijkt dat deze doelstellingen technisch niet haalbaar zijn.
Artikel 33 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalbanden. De rapportageverplichtingen voor de producenten van banden worden in artikel 3.4.3.4, derde lid aangepast en uitgebreid. Met "nuttig toegepast" worden zowel de gerecycleerde hoeveelheden bedoeld, als de hoeveelheden die op een andere manier nuttig werden toegepast.
Artikel 34 Artikel 3.4.4.15 moet aangepast worden aan de nieuwe definitie van producent, zodat bepalingen met betrekking tot uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook van toepassing zijn op verkoop op afstand.
Artikel 35 Hier wordt in artikel 3.4.5.1, tweede lid een verduidelijking aangebracht met betrekking tot wie als producent moet gezien worden indien batterijen opnieuw op de markt worden gebracht. Met het toenemend belang van grote industriële batterijen (o.a. elektrische voertuigen) zal het immers gebruikelijker worden dat deze batterijen een tweede leven krijgen in dezelfde of een andere toepassing. Het basisprincipe is dat de verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke producent overgaat op een nieuwe producent indien de batterijen een fase van voorbereiding op hergebruik hebben doorlopen. Degene die de batterijen opnieuw op de markt brengt na de voorbereiding op hergebruik wordt in dat geval beschouwd als producent. Indien een batterij rechtsreeks opnieuw op de markt komt, blijft de oorspronkelijke producent verantwoordelijk.
Artikel 36 In artikel 3.4.5.3 worden een aantal wijzigingen aangebracht met betrekking tot de waarborg die een producent moet stellen om aan zijn financiële verantwoordelijkheid te voldoen voor de batterijen die vandaag op de markt worden gebracht, maar pas op een later moment afval worden. De regeling beoogt een oplossing te bieden voor afgedankte batterijen waarvan de producent niet meer bestaat of niet geïdentificeerd kan worden. Naast een all-in milieubijdrage of een individuele waarborg is er ook de mogelijkheid om toe te treden tot een garantiefonds opgezet door een of meerdere beheersorganismen. Het garantiefonds werkt op basis van solidariteit per sector. De kosten van afgedankte batterijen waarvan de producent niet meer bestaat of geïdentificeerd kan worden, worden gedragen door de producenten die actief zijn in die sector.
Artikel 37 In punt 3° van artikel 3.4.5.6 wordt toegevoegd dat naast de inrichtingen en de wijze ook moet gerapporteerd worden over de hoeveelheid batterijen en accu's die werden verwerkt of werden voorbereid voor hergebruik of opnieuw werden gebruikt als batterij of accu in eenzelfde of een andere toepassing.
Artikel 38 "Verbranding met energieterugwinning" wordt vervangen door "nuttige toepassing" om conform te zijn met de manier waarop in de Europese kaderrichtlijn doelstellingen worden geformuleerd voor de verwerking van afvalolie.
Artikel 39 Dit betreft een wijziging naar aanleiding van de nieuwe aanvaardingsplichtconvenant voor afvalolie. De rapportageverplichtingen voor de producenten van olie worden in artikel 3.4.6.4, tweede lid aangepast en uitgebreid.
Artikel 40 Artikel 3.4.8.1, § 2 voorziet een vrijstelling van de verplichte inzameling door eindverkopers. Deze afwijking is nodig omdat in de onderhandelingen met de sector een alternatief systeem voor inzameling is afgesproken waarbij eindverkopers niet verplicht zijn om afgedankte matrassen te aanvaarden en waarbij afgedankte matrassen die zijn ingezameld via andere kanalen dan de recyclageparken niet noodzakelijk gratis moeten worden aanvaard door de producenten. Deze regeling is opgenomen in artikel 3.4.8.1, § 3. De bepalingen van artikel 3.2.1.1 § 3 blijven echter wel geldig. Dit betekent dat burgers matrassen gratis moeten kunnen afgeven in de recyclageparken. De gemeenten worden daarbij vergoed door de producenten voor de nettokosten. Gemeenten die op afroep matrassen selectief inzamelen huis aan huis kunnen hiervoor een vergoeding aanrekenen aan de burger, op voorwaarde dat die enkel dient voor het dekken van de transportkosten. Deze vergoeding mag niet dermate hoog zijn dat ze de burger ontraadt een matras gescheiden aan te bieden.
Het materialendecreet stelt dat de kostendekking door de producenten kan beperkt worden tot minimaal 80% als dat wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om een adequaat afvalbeheer en de economische levensvatbaarheid van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te waarborgen. Dit is in lijn met de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. De Europese Commissie zal hierrond nog verdere richtlijnen opstellen. Voor de aanvaardingsplicht afgedankte matrassen maken we gebruik van deze afwijkingsoptie. Het systeem dat wordt opgezet kiest er voor om in de professionele sector maximaal de bestaande markt te laten spelen. De inzamelpunten (eindverkopers, hotels, ziekenhuizen...) sluiten op individuele basis een contract met een inzamelaar. De selectieve inzameling en hoogwaardige verwerking wordt gestimuleerd via premies aan de ontdoener/de ophaler. Het is niet mogelijk om daarbij een volledige kostendekking te garanderen gezien dit de onderhandeling over de prijsafspraak tussen het inzamelpunt en de ophaler zou ondermijnen.
Dit model laat wel toe om het bestaande marktmodel met veel vragers en veel aanbieders te behouden en lijkt een aanvaardbare motivering om af te wijken het principe van de volledige kostendekking. Zoals voorzien in het materialendecreet worden de resterende kosten gedragen door de distributie en/of de afvalstoffenhouder (hotels, ziekenhuizen...).
Voor huishoudens is de afgifte wel altijd gratis en ook voor de gemeenten is een volledige kostendekking door de producenten voorzien.
Het premiesysteem in de professionele sector en de volledige vergoeding bij de gemeenten moeten het mogelijk maken om de minimumgrens van 80% te respecteren.
Artikel 41 In art. 3.4.8.2 worden concrete inzamel- en recyclagedoelstellingen opgenomen voor afgedankte matrassen. Er wordt een groeipad voorzien met een stapsgewijze toename van de inzameldoelstelling. Ook voor de recyclagedoelstellingen is een groeipad voorzien. Dit moet toelaten dat stapsgewijs de nodige capaciteit wordt uitgebouwd om de ingezamelde matrassen hoogwaardig te recycleren. Met "nuttig toegepast" worden zowel de gerecycleerde hoeveelheden, als de hoeveelheden die op een andere manier nuttig werden toegepast, bedoeld.
Artikel 42 In art. 3.4.8.3 worden de rapportageverplichtingen voor de producenten van afgedankte matrassen uitgebreid. De producenten moeten ook rapporteren over de bestemming en de toepassing van de materialen die voortkomen uit de verwerking van de afgedankte matrassen. Het is immers belangrijk dat er ook gegevens beschikbaar zijn over de outputzijde van de verwerkingsprocessen van de afgedankte matrassen.
Artikel 43 De nieuwe afdeling 3.5 wil een wettelijk kader invoeren voor de vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen via eindverkopers. Hiermee wordt een juridische basis gevormd waarbinnen dergelijke inzamelkanalen, naast de gemeentelijke inzameling in het kader van de zorgplicht, kunnen bestaan. Eindverkopers die door middel van een vrijwillige terugname afvalstoffen inzamelen kunnen immers een meerwaarde vormen voor het Vlaamse afval- en materialenbeleid: meer inzamelpunten, hogere toegankelijkheid, additionele afvalstromen, hoogwaardige verwerking... Een wettelijk kader met een aantal voorwaarden is echter aangewezen om deze meerwaarde te realiseren en moet garanderen dat deze op correcte wijze verlopen.
Het toepassingsgebied van de onderafdeling is beperkt tot huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en heeft dus geen impact op de vrijwillige terugname van andere bedrijfsafvalstoffen. Dit blijft perfect mogelijk volgens de bestaande wettelijke bepalingen. Terugname van bedr …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.