← België

Loi portant le texte néerlandais du Code de commerce, à l'exclusion du Livre I, titres VIII et IX, de la loi du 5 mai 1936 sur l'affrètement fluvial,

En bref

Cette loi établit la version néerlandaise du Code de commerce, en excluant certaines parties spécifiques d'autres lois, et définit ce qu'est un commerçant et les actes de commerce. Elle précise également les règles relatives aux contrats de mariage des commerçants et à la tenue de leurs livres comptables.

Ce qu'elle réglemente

Qui elle concerne

Points clés

Texte de loi

Loi portant le texte néerlandais du Code de commerce, à l'exclusion du Livre I, titres VIII et IX, de la loi du 5 mai 1936Documents pertinents retrouvés type loi prom. 05/05/1936 pub. 04/04/2013 numac

Artikel 18Opheffingsbepaling.

TITEL VII. - Koop en verkoop Artikel 109 Opgeheven ingevolge artikel 25 van de wet van 15 december

  1. TITEL VIIbis - Vervoerovereenkomst Deze titel (artt. 1-46) is ingevoegd bij de wet van 25 augustus
  2. HOOFDSTUK I. -

Artikel 1

De vervoerovereenkomst wordt bewezen door alle wettelijke middelen, inzonderheid door de vrachtbrief. De vrachtbrief vermeldt : 1° de plaats en de dag van de verzending;2° de naam en de woonplaats van de afzender;3° de naam en de woonplaats van de geadresseerde;4° de naam en de woonplaats van de vervoerder of van de commissionair door wiens bemiddeling het vervoer geschiedt;5° de aard, het gewicht of de maat van de te vervoeren goederen, het getal en de bijzondere merken van de colli's;6° de tijd waarbinnen het vervoer moet geschieden en de prijs van het vervoer of de reglementaire voorwaarden waarnaar partijen verwijzen. De vrachtbrief wordt getekend door de afzender of door de commissionair. Artikel 2 De commissionair of de vervoerder is gehouden de aard, de hoeveelheid en desgevorderd de waarde van de te vervoeren goederen in zijn dagboek aan te tekenen overeenkomstig de verklaringen van de afzender. Artikel 3 Hij staat in voor de aankomst van de goederen en van de personen binnen de overeengekomen tijd, behoudens toeval of overmacht. Artikel 4 Hij is aansprakelijk voor de beschadiging of het verlies van de goederen alsmede voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen, indien hij niet bewijst dat de beschadiging, het verlies of het ongeval het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. Artikel 5 Hij staat borg voor de daden van de commissionair of van de tussenvervoerder aan wie hij de te vervoeren goederen toezendt. Artikel 6 Zolang de goederen niet ter bestemming zijn afgeleverd en voor zover in de vrachtbrief niet anders is bedongen, is de vervoerder gehouden de aanwijzingen van de afzender te volgen en is alleen deze gerechtigd om over de goederen te beschikken. Het recht van de afzender houdt op te bestaan zodra de goederen aan de besteldienst zijn afgegeven of zodra aan de geadresseerde een bericht van aankomst is gezonden. Artikel 7 De inontvangstneming van de vervoerde goederen doet elke vordering tegen de vervoerder en de commissionair vervallen behalve wanneer een bijzonder voorbehoud is gemaakt of in geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging. Het bijzonder voorbehoud of het bezwaar moet op schrift gesteld worden en aan de vervoerder gezonden uiterlijk de tweede dag na de inontvangstneming, in geval van uiterlijk zichtbare beschadiging en van verlies, en binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, in geval van vertraging. Wanneer de vervoerder bij de aflevering heeft gewezen op beschadiging of gedeeltelijk verlies, is de geadresseerde gehouden dadelijk bezichtiging van de vervoerde goederen toe te staan. In geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of van manco binnen de vervoerde goederen, kan het bezwaar van de geadresseerde alsnog worden aangenomen, indien het schriftelijk aan de vervoerder is gericht binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, en indien vaststaat dat de beschadiging of het manco er reeds van voor de aflevering was. De uitzondering bepaald voor het geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of manco binnen in de vervoerde goederen, geldt niet wanneer het voorstel om de koopwaar te bezichtigen aan de geadresseerde of aan zijn gemachtigde is gedaan op het ogenblik van de aflevering. De vordering blijft slechts bestaan betreffende de punten waarover een bijzonder voorbehoud of bezwaar is gemaakt. Artikel 8 Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een of drie deskundigen, die worden benoemd bij een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, onderaan op een verzoekschrift gesteld. De geadresseerde wordt opgeroepen bij een aangetekende brief, waarin dag en uur van het deskundigenonderzoek worden aangegeven. De beschikking kan bevelen dat de goederen in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht. De beschikking kan de verkoop gelasten ten bate van de vervoerder of de commissionair ten belope van hetgeen hem naar aanleiding van het vervoer verschuldigd is. Deze verkoop geschiedt openbaar in de door de voorzitter aangewezen plaats, en ten minste drie vrije dagen nadat daarvan bericht is gegeven aan de geadresseerde en de afzender. Deze termijn wordt verdubbeld wanneer een van de belanghebbenden in het buitenland verblijft. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter die termijnen verkorten. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie. Artikel 9 Alle rechtsvorderingen, ontstaan uit de overeenkomst van goederenvervoer, met uitzondering [van het ziekenvervoer] en van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van zes maanden ten aanzien van binnenlands vervoer en door verloop van een jaar ten aanzien van internationaal vervoer. De verjaring loopt, in geval van totaal verlies of van vertraging, van de dag waarop het vervoer had moeten plaatshebben, en in geval van gedeeltelijk verlies of van beschadiging, van de dag der afgifte van de goederen. In geval van onregelmatige toepassing van het tarief of van fouten in de berekening van de vervoerkosten en bijkomende kosten, loopt de verjaring van de dag der betaling. De rechtsvorderingen ontstaan uit de overeenkomst van personenvervoer, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van één jaar. De verjaring loopt van de dag waarop het feit dat tot de rechtsvordering aanleiding geeft, zich heeft voorgedaan. Regresvorderingen moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de termijn van een maand, te rekenen van de dagvaarding die tot het regres aanleiding geeft. Het eerste lid werd gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 6 augustus 1993. Artikel 10 Dit hoofdstuk is mede van toepassing op de spoorwegondernemingen voor zover in hoofdstuk II niet anders is bepaald. HOOFDSTUK II. - Spoorwegvervoer § 1.

Artikel 11

[De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen moet in binnenlandse dienst alle vervoer van personen verrichten dat kan geschieden met de normale vervoermiddelen waarmede aan de regelmatige behoeften van het verkeer kan worden voldaan, onder de voorwaarden bepaald in het beheerscontract.] Aldus vervangen bij artikel 165, 1° van de wet van 21 maart

  1. Artikel 12 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  2. Artikel 13 [De tarieven, die van toepassing zijn op het personenvervoer in binnenlandse dienst worden met berichten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.] Aldus vervangen bij artikel 165, 2° van de wet van 21 maart
  3. Artikel 14 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  4. Artikel 15 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  5. §
  6. Reizigers Artikel 16 Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reizigers tot het vervoer worden toegelaten. Het bepaalt welke reizigers niet in de treinen mogen worden toegelaten. Artikel 17 Het is aan [de spoorwegvervoerder] verboden in zijn tarieven of reglementen bepalingen op te nemen, waardoor zijn gemeenrechtelijke aansprakelijkheid gewijzigd wordt voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen. Aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart
  7. §
  8. Bagage en goederen Artikel 18 Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reiziger het recht heeft zijn bagage te laten vervoeren met de trein waarin hij toegelaten is, en welke bagage hij bij zich mag houden. Ten aanzien van de laatstgenoemde bagage draagt [de spoorwegvervoerder] generlei aansprakelijkheid, behalve wanneer vaststaat dat hij schuld heeft. Het tweede lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart
  9. Artikel 19 Tegen overhandiging van de bagage bij de verzending wordt een genummerd en gedagtekend bewijs afgegeven, waarop worden vermeld de plaats van vertrek en van aankomst, het getal en het totale gewicht van de colli's, de ontvangen prijs en, in voorkomend geval, de aangifte van het belang bij de aflevering. Artikel 20 De bagage wordt bij de aankomst van de trein afgegeven tegen overhandiging van het bewijs. Artikel 21 [De spoorwegvervoerder] is gehouden in elk station een lokaal te hebben waarin de bagage die na de aankomst van de trein niet wordt afgehaald, en de bagage die de reizigers verlangen in bewaring te geven, veilig wordt geborgen. De aansprakelijkheid van [de spoorwegvervoerder] is beperkt tot de verplichtingen van de bewaarnemer. De bewaargever ontvangt een bewijs waarop de aard, het getal, en indien hij het verlangt, het totale gewicht van zijn colli's worden vermeld. Indien hij verzuimt die voorwerpen binnen de door de reglementen bepaalde tijd op te vorderen, kan [de spoorwegvervoerder] ze doen verkopen overeenkomstig artikel 8, of ze aan de domeinen afgeven overeenkomstig de ter zake geldende wetten. Het eerste, tweede en vierde lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart
  10. Artikel 22 - 26 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  11. Artikel 27 Wanneer [de spoorwegvervoerder] ernstige redenen heeft om te vermoeden dat een gedane verklaring onjuist is of dat er zich schadelijke of gevaarlijke stoffen, waarvan geen aangifte is gedaan of waarvan het vervoer verboden is, in de colli's of de bagage bevinden, kan hij deze doen openen, ook als ze in bewaring gegeven zijn of als de reizigers ze overeenkomstig de reglementen bij zich houden. De opening geschiedt hetzij in tegenwoordigheid van de afzender of de reiziger, hetzij, in geval van afwezigheid of van weigering, ten overstaan van een officier van gerechtelijke politie. Aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart
  12. Artikel 28 Opgeheven bij artikel 4 van de wet van 3 juli
  13. Artikel 29 - 32 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  14. Artikel 33 Goederen die aan spoedig bederf onderhevig zijn, kunnen na verloop van de voor de afhaling bepaalde termijn worden verkocht, zelfs uit de hand, nadat daarvan bericht is gezonden aan de geadresseerde, en zonder andere formaliteiten dan de voorafgaande vaststelling van de staat waarin zij zich bevinden, door een officier van gerechtelijke politie. De uitslag van de verkoop wordt ter kennis gebracht van de afzender en de geadresseerde. In alle andere gevallen kan [de spoorwegvervoerder], wanneer de geadresseerde de goederen niet in ontvangst neemt binnen de door de reglementen bepaalde tijd, ze doen verkopen overeenkomstig artikel 8, of ze aan de domeinen afgeven overeenkomstig de ter zake geldende wetten. De indeling met opschrift opgeheven bij artikel 165, 3° van de wet van 21 maart 1991; het laatste lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart
  15. Artikel 34 [Voor het binnenlands vervoer van goederen is de aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder onderworpen aan de bepalingen van titel IV van de uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (C.I.M.) van appendix B aan het "Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer", goedgekeurd bij de wet van 25 april 1983.] Aldus vervangen bij artikel 165, 4° van de wet van 21 maart
  16. Artikel 35 - 46 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart
  17. Artikel 47 [De Koning] kan ten aanzien van de exploitatie van [vervoermiddelen] voor personen of goederen de maatregelen voorschrijven die Hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de orde en de veiligheid van de reizigers. De nummering ingevoegd, het eerste lid opgeheven en het tweede lid gewijzigd bij artikel 2 en 3, § 1, 2° van deze wet. TITEL VIII. - Wisselbrief en orderbriefje Zie de wet van 10 juli 1964 tot invoering van een nieuwe Nederlandse tekst van de gecoördineerde wetten op de wisselbrieven en orderbriefjes. TITEL IX. - Handelsvennootschappen Zie de wet van 26 mei 1983 tot vaststelling van de Nederlandse tekst en tot aanpassing van de Franse tekst van het Wetboek van Koophandel, Eerste boek, titel IX. TITEL X. - Wet van 11 juni 1874 Verzekering in het algemeen Deze titel (artikelen 1-32) is ingevoegd bij de wet van 11 juni
  18. HOOFDSTUK I. -

Artikel 1

Verzekering is een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich tegen betaling van een premie verbindt de verzekerde schadeloos te stellen voor verlies of schade ten gevolge van toevallige gebeurtenissen of van overmacht. Verwachte winst kan worden verzekerd in de gevallen bij de wet bepaald. Artikel 2 De verenigingen van onderlinge verzekering worden beheerst door hun reglementen, door de algemene rechtsbeginselen en door de bepalingen van deze titel, die met een zodanige verzekering niet onverenigbaar zijn. Zij worden in rechte vertegenwoordigd door hun directeurs. Artikel 3 De bepalingen van deze titel, voor zover daarvan door bijzondere artikelen niet wordt afgeweken, zijn mede van toepassing op de zeeverzekering en op de verzekering betreffende land-, rivier- en kanaalvervoer. [Zij zijn niet van toepassing op de verzekeringen die onder de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst vallen]. Het tweede lid toegevoegd bij artikel 142 van de wet van 25 juni 1992). HOOFDSTUK II. - Personen die een verzekering kunnen aangaan Artikel 4 Ieder die bij het behoud van een zaak belang heeft wegens een recht van eigendom of een ander zakelijk recht of wegens enige aansprakelijkheid in verband met de zaak, kan die laten verzekeren. Artikel 5 De verzekering kan voor rekening van een ander worden aangegaan krachtens een algemene of een bijzondere lastgeving, of zelfs zonder lastgeving. In het laatst bedoelde geval worden de gevolgen geregeld overeenkomstig de bepalingen betreffende de zaakwaarneming. Indien uit de verzekering niet volgt dat zij voor een derde is aangegaan, wordt de verzekerde geacht ze voor zichzelf te hebben gesloten. Artikel 6 Een schuldeiser kan de gegoedheid van zijn schuldenaar laten verzekeren; de verzekeraar kan zich beroepen op het voorrecht van uitwinning, voor zover niet anders is overeengekomen. De beslagleggende of pandhoudende schuldeisers, alsook de bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers, kunnen de voor de betaling van hun schuldvorderingen verbonden goederen in hun eigen naam laten verzekeren. In dat geval treedt de vergoeding voor het schadegeval, wat hen betreft, van rechtswege in de plaats van de verzekerde goederen die hun pand uitmaken. Artikel 7 Bij verzekering van roerende zaken wordt de verzekeraar bevrijd door betaling van de vergoeding aan de verzekerde, indien geen verzet onder hem gedaan is. Artikel 8 De bepalingen van de twee vorige artikelen hebben slechts gevolg in zover de schuldeiser bij de rangregeling of bij de verdeling in batige rang zou zijn gekomen, indien de in beslag genomen, in pand gegeven, met hypotheek bezwaarde of bij voorrecht verbonden zaken niet verloren waren gegaan. HOOFDSTUK III. - Verplichtingen van de verzekeraar en van de verzekerde Artikel 9 Elke verzwijging of onjuiste opgave van de zijde van de verzekerde, zelfs zonder kwade trouw, maakt de verzekering nietig, wanneer daardoor de waardering van het risico zodanig wordt verminderd of het voorwerp ervan zodanig wordt veranderd dat de verzekeraar, indien hij daarvan kennis had gedragen, de overeenkomst niet op dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan. Artikel 10 In alle gevallen waarin de verzekeringsovereenkomst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, moet de verzekeraar, wannneer de verzekerde te goeder trouw heeft gehandeld, de premie teruggeven, hetzij voor het geheel, hetzij voor het gedeelte waarvoor hij geen risico heeft gelopen. [De goede trouw kan niet worden ingeroepen in het geval van artikel 12, eerste lid.] Het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 1, 3° van deze wet. Artikel 11 Wanneer de overeenkomst vernietigd wordt uit oorzaak van bedrog, arglist of kwade trouw, behoudt de verzekeraar de premie, onverminderd de strafvordering, indien daartoe grond bestaat. Artikel 12 De verzekerde zaken waarvan de volle waarde reeds door een verzekering gedekt is, kunnen niet een tweede maal tegen dezelfde risico's worden verzekerd ten voordele van dezelfde persoon. Wanneer door de eerste overeenkomst niet de volle waarde verzekerd is, zijn de verzekeraars die de volgende overeenkomsten hebben getekend, verbonden voor het meerdere, in de volgorde van dagtekening van de overeenkomsten. Alle verzekeringen die dezelfde dag zijn aangegaan, worden geacht tegelijkertijd te zijn gesloten. Artikel 13 Het gehele of gedeeltelijke verlies wordt over de onderscheiden verzekeringen omgeslagen, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ze gesloten zijn ingeval ze van dezelfde datum zijn, of naar evenredigheid van de waarde waarvoor ieder moet instaan ingeval ze van verschillende datum zijn. Artikel 14 Achtereenvolgende verzekeringen van dezelfde waarden tegen dezelfde risico's en ten voordele van dezelfde personen hebben nochtans gevolg : 1° wanneer zij zijn aangegaan met instemming van elk van de verzekeraars;het verlies wordt in dat geval omgeslagen alsof beide verzekeringen tegelijkertijd waren gesloten; 2° wanneer de verzekerde de eerste verzekeraar ontslaat van elke verbintenis voor de toekomst, onverminderd zijn eigen verbintenissen. De afstand moet in het laatstbedoelde geval ter kennis worden gebracht van de verzekeraar en op straffe van nietigheid in de nieuwe polis vermeld worden. Artikel 15 De verzekerde kan de verzekeringspremie laten verzekeren. Artikel 16 Verlies of schade, veroorzaakt door opzet of grove schuld van de verzekerde, komt niet ten laste van de verzekeraar; deze kan zelfs de premie behouden of vorderen indien hij reeds enig risico heeft gelopen. Artikel 17 Bij elke verzekering moet de verzekerde al het nodige doen om de schade te voorkomen of te beperken; dadelijk nadat de schade ontstaan is, moet hij daarvan kennis geven aan de verzekeraar; een en ander op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat. De kosten, door de verzekerde gemaakt om de schade te beperken, komen ten laste van de verzekeraar, ook wanneer het gezamenlijk bedrag van die kosten en van de schade de verzekerde som te boven gaat en de aangewende pogingen vruchteloos gebleven zijn. Niettemin kunnen de rechtbanken en de scheidsrechters, wanneer de partijen zich tot hen hebben gewend, die kosten verminderen of zelfs weigeren toe te kennen, indien zij oordelen dat ze geheel of gedeeltelijk op onbedachtzame wijze zijn gemaakt. Artikel 18 De verzekeraar staat niet in voor het verlies en de schade die onmiddellijk volgen uit een eigen gebrek van de zaak, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 19 Oorlogsrisico en verlies of schade veroorzaakt door oproer, zijn niet verzekerd tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 20 Bij elke verzekering wordt de vergoeding van de schade bepaald naar de waarde van de zaak ten tijde van het schadegeval. Wanneer de verzekerde waarde vooraf geschat is door deskundigen omtrent wie partijen zijn overeengekomen, kan de verzekeraar deze schatting niet betwisten, behalve in geval van bedrog. De waarde van de zaak kan bewezen worden door alle wettelijke middelen. De rechter kan zelfs, ingeval de bewijzen onvoldoende zijn, aan de verzekerde ambtshalve de eed opleggen. Artikel 21 Telkens als de verzekering slechts een gedeelte van de waarde van de zaak dekt, wordt de verzekerde zelf als verzekeraar voor het overige beschouwd, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 22 De verzekeraar die de schade betaald heeft, treedt in alle rechten die de verzekerde, ter zake van die schade, tegenover derden mocht hebben, en de verzekerde is aansprakelijk voor elke handeling die de rechten van de verzekeraar tegenover derden mocht benadelen. In de verzekeringen die krachtens artikel 6, tweede lid, mogen worden gesloten, treedt de verzekeraar die de vergoeding betaald heeft, in de plaats van de schuldeiser voor diens rechtsvordering tegen de schuldenaar. De indeplaatsstelling kan in geen geval tot nadeel strekken van de verzekerde die slechts gedeeltelijk schadeloos gesteld is; deze kan zijn rechten voor het overige uitoefenen en behoudt te dien aanzien de voorkeur boven de verzekeraar overeenkomstig artikel 1252 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 23 De verzekeraar heeft een voorrecht op de verzekerde zaak. Dit voorrecht behoeft niet te worden ingeschreven. Het komt in rang onmiddellijk na het voorrecht van de gerechtskosten. Het geldt slechts voor een bedrag gelijk aan twee jaar premie, onverschillig op welke wijze deze betaald wordt. Artikel 24 De verzekeraar kan het voorwerp van de verzekering altijd laten herverzekeren. HOOFDSTUK IV. - Bewijs van de overeenkomst Artikel 25 De verzekeringsovereenkomst moet worden bewezen door geschrift, ongeacht de waarde van het voorwerp der overeenkomst. Niettemin kan het bewijs door getuigen worden toegelaten, wanneer er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is. Artikel 26 Eenzelfde polis mag verscheidene verzekeringen bevatten, die verschillen ten aanzien van de verzekerde zaken, het premiepercentage of de verzekeraars. Artikel 27 De verzekeringspolis vermeldt : 1° de dag waarop de verzekering is gesloten;2° de naam van degene die de verzekering voor eigen rekening of voor rekening van een derde aangaat;3° de risico's die de verzekeraar op zich neemt, en de tijdstippen waarop de risico's beginnen te lopen en eindigen. HOOFDSTUK V. - Enige gevallen van ontbinding van de overeenkomst Artikel 28 De verzekering kan geen gevolg hebben wanneer de verzekerde zaak niet aan het risico blootgesteld is geweest of wanneer de schade reeds bestond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Artikel 29 Ingeval de verzekeraar failliet gaat voordat het risico geëindigd is, kan de verzekerde vorderen dat een borg gesteld wordt, of, bij gebreke van een borg, dat de overeenkomst wordt beëindigd. Gaat de verzekerde failliet, dan heeft de verzekeraar hetzelfde recht. Artikel 30 Bij vervreemding van de verzekerde zaak loopt de verzekering van rechtswege, tenzij het tegendeel bedongen is, ten voordele van de nieuwe eigenaar, ten aanzien van alle risico's waarvoor de premie betaald was ten tijde van de vervreemding. Zij loopt eveneens ten voordele van de nieuwe eigenaar, tenzij het tegendeel in de polis bedongen is, wanneer deze in de rechten en verplichtingen van de voorgaande eigenaar jegens de verzekeraars gesteld is of wanneer de verzekeringsovereenkomst verder wordt uitgevoerd in onderlinge overeenstemming tussen de verzekeraar en de nieuwe eigenaar. Artikel 31 De verbintenissen van de verzekeraar houden op, wanneer een daad van de verzekerde de risico's door verandering van een essentiële omstandigheid wijzigt of die risico's verzwaart in zodanige mate dat de verzekeraar de verzekering niet zou hebben aangegaan of daarin slechts op andere voorwaarden zou hebben toegestemd, indien de nieuwe staat van zaken ten tijde van het sluiten der overeenkomst had bestaan. De verzekeraar kan zich op deze bepaling niet beroepen, wanneer hij is voortgegaan met de uitvoering van de overeenkomst, nadat hij kennis had gekregen van de verandering in het risico. HOOFDSTUK VI. - Verjaring Artikel 32 Elke rechtsvordering die uit een verzekeringspolis ontstaat, verjaart door verloop van drie jaren, te rekenen van de gebeurtenis waarop ze gegrond is. [In geval van regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar loopt de termijn echter eerst vanaf het instellen van de rechtsvordering door de getroffene, onverschillig of het gaat om een oorspronkelijke eis tot schadeloosstelling dan wel om een latere eis naar aanleiding van een verzwaring van de schade of van het ontstaan van nieuwe schade.] Het tweede lid toegevoegd bij artikel 2 van de wet van 30 mei

  1. TITEL XI. - Enige verzekeringen in het bijzonder Opgeheven bij artikel 147, 1°, van de wet van 25 juni
  2. BOEK II. - Zeevaart en binnenvaart Wetten van 21 augustus 1879, 12 juni 1902 en 10 februari 1908, gecoördineerd op 25 september 1908 TITEL I. - Zeeschepen en andere zeevaartuigen HOOFDSTUK I. [Van zeeschepen] Vervangen bij artikel 15 van de wet van 21 december
  3. Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet worden als zeeschepen beschouwd alle vaartuigen van ten minste 25 ton, bestemd of gewoonlijk gebruikt voor personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting ter zee. Artikel 2 Zeeschepen zijn roerende goederen. Zij zijn echter niet onderworpen aan de regel dat met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel geldt. Artikel 3 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  4. Artikel 4 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  5. Artikel 5 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  6. Artikel 6 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  7. Artikel 7 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  8. Artikel 7bis Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december
  9. HOOFDSTUK II. - Openbaarheid van zakelijke rechten op zeeschepen Artikel 8 Akten en vonnissen die bewijs opleveren van een overeenkomst tot vestiging, overdracht, aanwijzing of tenietdoening van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, worden ingeschreven [in het register der zeeschepen]; zij kunnen niet eerder aan derden worden tegengesteld. Gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 21 december
  10. Artikel 9 [In het register der zeeschepen] worden eveneens ingeschreven de eisen tot ontbinding, herroeping, nietigverklaring van een onder het vorige artikel vallende overeenkomst, of tot het doen vaststellen van het bestaan van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, alsmede de vonnissen op deze eisen gewezen. Deze eisen zijn eerst ontvankelijk nadat zij ingeschreven zijn. De niet-ontvankelijkheid moet door de rechter ambtshalve worden opgeworpen; zij kan in elke stand van het geding worden voorgedragen. De griffier mag geen expeditie van het vonnis afgeven voordat hem is gebleken dat het vonnis ingeschreven is, op straffe van vergoeding van alle schade. Het eerste lid gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 21 december
  11. Artikel 10 Geregistreerde onderhandse akten en authentieke akten worden tot inschrijving toegelaten. Artikel 11 Een akte wordt niet tot inschrijving toegelaten wanneer het schip niet [in het register der zeeschepen geregistreerd is]. Gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 21 december
  12. Artikel 12 Voor de inschrijving [in het register der zeeschepen] ingevolge artikel 8 wordt aan de hypotheekbewaarder de aan de regel van de openbaarheid onderworpen akte zelf overgelegd indien het een onderhandse akte is, of een expeditie indien het een authentieke akte is. Van een onderhandse akte worden twee originelen overgelegd (...). Van een authentieke akte worden een expeditie en een gewaarmerkt afschrift (...) overgelegd. Het eerste lid gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 21 december 1990; rekening houdend met de impliciete wijziging bij artikel 81 van het Wetboek der Zegelrechten, het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 1°, van deze wet. Artikel 13 De hypotheekbewaarder vermeldt (...) : 1° de datum van de akte;2° de aard van de akte en, indien het een authentieke akte is, de vermelding van welke openbare ambtenaar of rechtbank zij uitgaat;3° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen;4° de aard en hoofdbestanddelen van de overeenkomst. Gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 21 december
  13. Artikel 14 Na de inschrijving geeft de bewaarder aan de aanvrager de expeditie van de authentieke akte of een van de originelen van de onderhandse akte terug. Onderaan op het stuk bevestigt hij de inschrijving te hebben verricht en vermeldt datum en nummer ervan. Het gewaarmerkte afschrift van de authentieke akte of één origineel (...) van de onderhandse akte blijft ten kantore berusten. Het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°, van deze wet".. Artikel 15 Wordt de in te schrijven akte door de kapitein tijdens de reis opgemaakt, dan kan de formaliteit worden vervuld op vertoon van een telegram dat de in artikel 13 bedoelde gegevens bevat. Deze formaliteit heeft alle wettelijke gevolgen, mits de akte aan de hypotheekbewaarder ter inschrijving wordt aangeboden binnen drie maanden na de inschrijving van het telegram. Artikel 16 Voor de inschrijving (...) ingevolge artikel 9 worden aan de bewaarder der scheepshypotheken overgelegd : 1° indien het een eis in rechte betreft, twee uittreksels bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, de vermelding van de rechten waarvan de vaststelling, ontbinding, herroeping of vernietiging wordt gevorderd, en van de rechtbank die van de eis kennis moet nemen;2° indien het een vonnis betreft, twee uittreksels door de griffier afgegeven en bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, het beschikkende gedeelte van de beslissing, alsook de vermelding van de rechtbank of het hof waardoor de beslissing is gewezen. De bewaarder geeft aan de verzoeker een van de uittreksels terug, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving gedaan is. [Is het zeeschip waarop de eis tot ontbinding, tot herroeping of tot vernietiging betrekking heeft niet in België geregistreerd, dan beperkt de hypotheekbewaarder zich tot de vaststelling in het register van de overleggingen, van de overlegging van de vermelde uittreksels. Hij gaat tot de inschrijving over als achteraf de registratie van het zeeschip wordt gevraagd.] Het eerste lid gewijzigd bij artikel 21, a), van de wet van 21 december 1990; het derde lid vervangen bij artikel 21, b), van de wet van 21 december
  14. Artikel 17 Indien op dezelfde dag verscheidene aan de regel van de openbaarheid onderworpen titels op het hypotheekkantoor zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder de bewaarder de overhandiging heeft vermeld in het register der neergelegde titels. Artikel 18 Verzuim van een of meer van de formaliteiten, bij de vorige artikelen voorgeschreven, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving ten gevolge, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat. HOOFDSTUK III. - Voorrechten en hypotheken op zeeschepen Artikel 19 De voorrang tussen de schuldeisers van een schip vloeit voort uit voorrecht of uit hypotheek. Het voorrecht is verbonden aan de aard van de schuldvordering; het gaat altijd boven hypotheek. Artikel 20 De schuldeisers die een voorrecht of een ingeschreven hypotheek hebben op een schip, volgen dat schip, in wiens handen het ook overgaat; zij worden gerangschikt en betaald volgens de orde van hun schuldvorderingen of inschrijvingen. Artikel 21 Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde schip tegen hem te doen verkopen. Artikel 22 Verandering van nationaliteit laat de rechten waarmede het schip bezwaard is onverminderd. De omvang van die rechten wordt geregeld door de wet van het land onder welke vlag het schip wettig voer ten tijde van de verandering van nationaliteit. Afdeling I. - Voorrechten op zeeschepen Artikel 23 §
  15. [Bevoorrechte schuldvorderingen op het zeeschip, op de vracht voor de reis tijdens welke zij ontstaan zijn, en op het toebehoren van schip en vracht na de aanvang van de reis verkregen, zijn alleen : 1° de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de andere kosten in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers gemaakt voor het behoud van het schip of voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst;de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen, de kosten van bewaking en behoud sinds het schip in de laatste haven is binnengelopen; 2° de schuldvorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de kapitein, van de schepelingen en van de overige personen die aan boord van het schip in dienst zijn; 2°bis [de bijdragen, op grond van de arbeidsovereenkomst van de kapitein, het scheepsvolk en de overige personen welke zich in dienst van het schip aan boord bevinden, verschuldigd aan de [Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden], alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert;] 3° het hulp- en bergloon en de bijdrage van het schip in de gemene averij;4° de vergoedingen wegens aanvaring of andere scheepvaartongevallen, alsmede wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, wegens lichamelijk letsel aan passagiers en schepelingen, wegens verlies of beschadiging van lading of bagage;5° de schuldvorderingen uit overeenkomsten of handelingen die de kapitein krachtens zijn wettelijke bevoegdheden gesloten of verricht heeft buiten de thuishaven en die werkelijk noodzakelijk waren voor het behoud van het schip of de voortzetting van de reis, onverschillig of de kapitein tevens eigenaar is van het schip en of de schuldvordering aan hem dan wel aan leveranciers, herstellers, geldschieters of andere contractanten behoort. §
  16. Onder het in § 1 bedoelde toebehoren van schip en vracht wordt verstaan : 1° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd wegens niet herstelde stoffelijke schade aan het schip of wegens verlies van vracht;2° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd voor gemene averij, voor zover deze bestaat hetzij in niet-herstelde stoffelijke schade aan het schip, hetzij in verlies van vracht;3° het loon aan de eigenaar verschuldigd wegens hulpverlening of berging voor het einde van de reis, na aftrek van de bedragen toegekend aan de kapitein en andere personen in dienst van het schip. [Het passagegeld wordt gelijkgesteld met de vracht]. Als toebehoren van schip of vracht worden niet beschouwd de vergoedingen aan de eigenaar verschuldigd krachtens verzekeringsovereenkomsten, evenmin als de premies, toelagen of andere subsidies van het eigen land. In afwijking van § 1 strekt het voorrecht ten bate van de personen in dienst van het schip zich uit tot alle vrachten voor alle reizen die in de loop van eenzelfde arbeidsovereenkomst zijn gemaakt]. Aldus vervangen bij artikel 1 van de wet van 28 november 1928 (II), § 1, 2°bis ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr 535 van 31 maart 1987 en opnieuw gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 mei 1995, § 2, tweede lid aldus vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 april
  17. De aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°bis, van deze wet. Artikel 24 §
  18. [Schuldvorderingen die op een zelfde reis betrekking hebben, zijn bevoorrecht in de volgorde waarin zij in artikel 23, § 1, gerangschikt zijn. De schuldvorderingen bedoeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald ingeval de opbrengst ontoereikend is. Schuldvorderingen als bedoeld onder de nrs 3 en 5 worden in elk van die categorieën bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan. §
  19. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen. Schuldvorderingen uit een en dezelfde arbeidsovereenkomst aangegaan voor verscheidene reizen, staan evenwel alle in rang gelijk met de schuldvorderingen van de laatste reis. §
  20. Bij de verdeling van de opbrengst van de verkoop der bij voorrecht verbonden zaken kunnen de bevoorrechte schuldeisers opkomen voor het totaal bedrag van hun schuldvorderingen, met dien verstande dat daarop geen vermindering wordt toegepast volgens de regels van de aansprakelijkheidsbeperking, maar hun ook geen hoger bedrag wordt uitgekeerd dan krachtens die regels verschuldigd is. §
  21. Het voorrecht op de vracht kan worden uitgeoefend, zolang de vracht nog verschuldigd is of het bedrag van de vracht zich nog bevindt in handen van de kapitein of de vertegenwoordiger van de eigenaar. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voorrecht op het toebehoren. §
  22. De bepalingen van dit artikel en van artikel 23 zijn van toepassing op een schip geëxploiteerd door een reder die er niet de eigenaar van is of door een bevrachter van het gehele schip, tenzij de eigenaar buiten het bezit gesteld is door een onrechtmatige daad en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw is. §
  23. [Het voorrecht bepaald in bovenstaand artikel 23, 2°bis heeft voorrang boven het voorrecht van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden, bepaald in artikel 19, 4°ter, van de hypotheekwet van 16 december 1851.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 28 november 1928 (II), § 6 ingevoegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 535 van 31 maart 1987 en opnieuw gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 mei
  24. De aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°bis, van deze wet. Afdeling II. - Hypotheek op zeeschepen Artikel 25 Zeeschepen kunnen met hypotheek worden bezwaard bij overeenkomst tussen de partijen. De artikelen 73, 74 en 75 van de wet van 16 december 1851 zijn op die hypotheek van toepassing. Artikel 26 De scheepshypotheek is alleen dan geldig, wanneer zij verleend wordt op een duidelijk aangewezen vaartuig en voor een bepaald bedrag. Zij kan worden gevestigd op een schip in aanbouw. Artikel 79 en de vijf laatste leden van artikel 80 van de wet van 16 december 1851 zijn erop toepasselijk. Artikel 27 Tenzij het tegendeel bedongen is, strekt de scheepshypotheek zich uit tot tuig en takelage, machines en ander toebehoren. Zij strekt zich ook uit tot de vracht. Artikel 28 De hypotheek waarborgt drie jaar rente in dezelfde rang als de hoofdsom. Artikel 29 De hypotheek kan ingeschreven worden zolang zij bestaat. Bij overlijden van de schuldenaar moet de inschrijving geschieden binnen drie maanden na het openvallen van de erfenis. De inschrijving kan niet meer genomen worden na inschrijving van de akte van vervreemding of na faillissement van de schuldenaar. [Wanneer het schip de Belgische nationaliteit verliest, kan geen hypotheek meer worden ingeschreven na de doorhaling van de [registratie]. Het vierde lid toegevoegd bij artikel 10 van de wet van 2 april 1965 en gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°ter, van deze wet. Artikel 30 De titel van hypotheekvestiging bevat keuze van woonplaats door de schuldeiser ter standplaats van de hypotheekbewaarder. Deze vermeldt in [het register der zeeschepen], benevens het in artikel 13 voorgeschrevene : 1° de voet en de vervaldag van de rente, alsook de termijn van terugbetaling van de hoofdsom;2° in voorkomend geval het beding van dadelijke uitwinning;3° de keuze van woonplaats. Bij gebreke van keuze van woonplaats mogen alle betekeningen en kennisgevingen betreffende de inschrijving aan de procureur des Konings van het arrondissement gedaan worden. Het is aan degene in wiens voordeel een inschrijving bestaat, of aan zijn vertegenwoordigers, geoorloofd de gekozen woonplaats te veranderen, met inachtneming van de formaliteiten voorgeschreven in artikel 88 van de wet van 16 december
  25. Het tweede lid gewijzigd bij artikel 22 van de wet van 21 december
  26. Artikel 31 Tussen de hypothecaire schuldeisers onderling wordt de rang bepaald door de dag van de inschrijving en, indien de hypotheken op dezelfde dag zijn ingeschreven, door het volgnummer van de inschrijving. Artikel 32 De inschrijving houdt de hypotheek in stand gedurende vijftien jaren te rekenen van de dag der inschrijving. Zij houdt op van kracht te zijn indien de inschrijving niet is vernieuwd voor het verstrijken van de termijn. De inschrijving wordt vernieuwd op een bij de hypotheekbewaarder in tweevoud ingediend verzoekschrift waarin de te vernieuwen inschrijving nauwkeurig wordt aangewezen; anders geldt zij enkel als eerste inschrijving. Artikel 33 Wanneer een hypotheekrecht wordt overgedragen bij een onderhandse akte, moet de titel van hypotheekvestiging, voorzien van de vermelding der inschrijving, worden vertoond aan de hypotheekbewaarder. Deze maakt daarop melding van de overdracht. Hetzelfde geldt voor overdracht bij een authentieke akte, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven. Artikel 34 Ingeval het schip vergaat of onzeewaardig wordt, oefent de schuldeiser zijn rechten uit op de geredde voorwerpen of op de opbrengst ervan, ook al is de schuld nog niet opeisbaar. In geval van averijregeling betreffende het schip kan de hypothecaire schuldeiser tussenkomen tot bewaring van zijn rechten; hij kan deze slechts uitoefenen wanneer de gehele vergoeding of een deel ervan niet is of wordt aangewend tot herstelling van het schip. Artikel 35 [De inschrijvingen worden doorgehaald of verminderd, hetzij met toestemming van de belanghebbende partijen, daartoe bevoegd, hetzij krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde gegaan, of uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet of hoger beroep.] De doorhaling of de vermindering wordt door de hypotheekbewaarder gedaan tegen overlegging hetzij van een expeditie der authentieke akte van toestemming, hetzij van de akte in brevet en van een gewaarmerkt afschrift (...), hetzij van de onderhandse akte, hetzij van een expeditie van het vonnis. Een woordelijk uittreksel uit de authentieke akte is voldoende, wanneer daarin wordt verklaard door de notaris die het heeft afgegeven dat de akte noch voorwaarde noch voorbehoud bevat. Is het een onderhandse akte, dan worden daarvan twee originelen opgemaakt (...) en de gehele of gedeeltelijke doorhaling wordt alleen gedaan op vertoon van de titel van hypotheekvestiging, voorzien van de vermelding der inschrijving. De bewaarder maakt er melding op van de gehele of gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving. De titel van vestiging moet eveneens worden vertoond wanneer het een authentieke akte betreft, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven. Het eerste lid vervangen bij artikel 8 van de wet van 10 oktober 1913; rekening houdend met de impliciete wijziging bij artikel 81 van het Wetboek der Zegelrechten, het tweede en het vierde lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 3°, van deze wet. Artikel 36 De vorderingen tot doorhaling en vermindering vallen onder toepassing van de artikelen 94 en 95 van de wet van 16 december
  27. Afdeling III. - Tenietgaan van voorrechten en hypotheken Artikel 37 De voorrechten en hypotheken gaan teniet : 1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;2° door de afstand van het voorrecht of van de hypotheek door de schuldeiser;3° door de gedwongen verkoop van het bezwaarde schip;4° door de vrijwillige vervreemding van het bezwaarde schip, gevolgd van de vervulling van de hierna voorgeschreven formaliteiten en voorwaarden. [Bovendien gaan de voorrechten, buiten de hiervoren bepaalde gevallen, teniet door verloop van één jaar, met uitzondering van de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde schuldvorderingen wegens leveringen, waarvoor de termijn zes maanden niet mag overschrijden. Voor de voorrechten tot waarborging van hulp- en bergloon loopt de termijn te rekenen van de dag waarop de verrichtingen geëindigd zijn; voor het voorrecht tot waarborging van vergoedingen wegens aanvaring en andere ongevallen en wegens lichamelijk letsel, van de dag waarop de schade veroorzaakt is; voor het voorrecht ten aanzien van verlies of beschadiging van lading of bagage, van de dag waarop de lading of de bagage is of moest worden afgeleverd; voor herstellingen, leveringen en andere gevallen als bedoeld in artikel 23, § 1, 5°, van de dag waarop de schuldvordering ontstaan is. In alle overige gevallen loopt de termijn te rekenen van de dag waarop de schuldvordering opeisbaar is. Het recht om voorschotten of betalingen op afrekening te vragen heeft niet ten gevolge dat de in artikel 23, § 1, 2°, bedoelde schuldvorderingen van de aan boord in dienst zijnde personen opeisbaar worden. Wanneer de eiser het bezwaarde schip niet in beslag heeft kunnen nemen in de territoriale wateren van de Staat waar hij zijn woonplaats of zijn hoofdverblijf heeft, wordt de hiervoren gestelde termijn verlengd tot ten hoogste drie jaar te rekenen van het ontstaan van de schuldvordering.] Het tweede, derde, vierde en vijfde lid toegevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 november 1928 (II). Artikel 38 De voorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits : 1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 8;2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsmede in een van de bladen van Antwerpen, van Gent en van het arrondissement waarin de thuishaven gelegen is;3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar. Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld. Artikel 39 De hypotheken gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits de nieuwe eigenaar, binnen zes maanden na de inschrijving van zijn titel of, in geval van vervolging in de loop van die zes maanden, binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel dat aan de beslaglegging voorafgaat, aan alle ingeschreven schuldeisers, aan de woonplaats door hen bij de inschrijving gekozen, betekent : 1° een uittreksel uit zijn titel bevattende de dagtekening en de aard van de akten, de aanwijzing van de partijen, de naam, de soort en de tonnenmaat van het schip, de prijs en de lasten die van de prijs deel uitmaken, de waardering van de zaak, indien deze geschonken is of overgedragen anders dan door verkoop;2° de opgave van de datum van inschrijving van zijn titel;3° een tabel in drie kolommen, waarvan de eerste de dagtekening van de inschrijvingen bevat, de tweede de naam van de schuldeisers en de derde het bedrag van de ingeschreven schuldvorderingen. Artikel 40 De nieuwe eigenaar verklaart in de akte van kennisgeving dat hij de hypothecaire schulden en lasten zal voldoen ten belope van de prijs of van de opgegeven waarde, zonder enige aftrek ten voordele van de verkoper of van wie ook. Behoudens beding van het tegendeel in de titels van schuldvordering, heeft hij het genot van elke tijdsbepaling en van elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, en hij neemt de termijnen in acht die tegen de laatstgenoemde zijn bedongen. De niet vervallen schuldvorderingen die slechts voor een gedeelte batig zijn gerangschikt, zijn onmiddellijk opeisbaar, ten belope van dit gedeelte ten aanzien van de nieuwe eigenaar, en voor het geheel ten aanzien van de schuldenaar. Artikel 41 Indien een van de ingeschreven schuldeisers een rechtsvordering tot ontbinding bezit en ze wil instellen, moet hij zulks op straffe van verval verklaren ter griffie van de rechtbank voor welke de rangregeling moet worden vervolgd. De verklaring moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving worden gedaan en binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding. Te rekenen van de dag waarop de schuldeiser verklaart dat hij de rechtsvordering tot ontbinding wil instellen, is de zuivering geschorst en zij kan pas worden hervat nadat de schuldeiser afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding, of nadat deze vordering is afgewezen. Artikel 42 Binnen vijftien dagen na de kennisgeving, gedaan op verzoek van de nieuwe eigenaar, kan ieder ingeschreven schuldeiser vorderen dat het schip in openbare veiling verkocht wordt onder de voorwaarden bepaald in artikel 115 van de wet van 16 december
  28. De artikelen 116, 117, 118, 120, 121 en 122 van de genoemde wet zijn mede van toepassing. HOOFDSTUK IV. - Openbaarheid van de hypothecaire bescheiden en verantwoordelijkheid van de bewaarders Artikel 43 [De bewaarder houdt een register der overleggingen waarin, naar volgorde van de aanbiedingen blijkende uit een doorlopende nummering, worden vastgesteld : a) de overleggingen van stukken aangeboden ter registratie of wijziging van de registratie van zeeschepen;b) de overleggingen ter inschrijving van akten, vonnissen en rechtsvorderingen bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze wet. Elk blad van het register der overleggingen wordt genummerd en gekorttekend door een door de Minister van Financiën aangeduide ambtenaar van de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen. Het register wordt iedere dag door de bewaarder afgesloten. Na het volledig gebruik van het register wordt er zonder verplaatsing een duplicaat van gemaakt door de bewaarder of door een andere ambtenaar van de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen daartoe aangewezen door de Directeur-generaal van deze administratie. De Minister van Financiën bepaalt op welke wijze dit duplicaat wordt gemaakt. Hij bepaalt bij welke rechtbank het moet worden neergelegd en de modaliteiten van deze neerlegging.] Vervangen bij artikel 23 van de wet van 21 december
  29. Artikel 44 Het houden van het register [der zeeschepen] en de vorm van de inschrijvingen worden geregeld bij koninklijk besluit. Gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 21 december
  30. Artikel 45 De bewaarder verstrekt aan ieder die erom verzoekt, een afschrift of een uittreksel uit het register [der zeeschepen] en uit zijn archief van neergelegde stukken en in voorkomend geval een getuigschrift van ontstentenis. De artikelen 126, 128, 129 en 130 van de wet van 16 december 1851 zijn mede van toepassing. Het eerste lid gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 21 december
  31. TITEL II. - Eigenaar en bemanning van zeeschepen HOOFDSTUK I. - [Scheepseigenaars] Afdeling I. - [Aansprakelijkheid van [scheepseigenaars.] Opschrift ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 11 april 1989 en gewijzigd bij artikel 2 van deze wet. Artikel 46 [§
  32. Iedere scheepseigenaar is persoonlijk aansprakelijk voor zijn eigen handelingen, verzuimen of verbintenissen. §
  33. De scheepseigenaar is burgerlijk aansprakelijk voor de handelingen van de kapitein en staat in voor de verbintenissen door deze aangegaan in het uitoefenen van zijn dienst. §
  34. De scheepseigenaar is burgerlijk aansprakelijk voor de handelingen van de bemanning, van de loods en van andere als dusdanig werkzaam zijnde aangestelden, in het uitoefenen van hun respectieve dienst. §
  35. Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de persoonlijke aansprakelijkheid van de aangestelden van de scheepseigenaar of hulpverlener voor schade, bij de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst in dienst van het schip, toegebracht aan de scheepseigenaar of aan derden.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  36. Afdeling II. -[Beperking van de aansprakelijkheid] Opschrift ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 11 april
  37. Artikel 47 [§
  38. Onder voorbehoud van het bepaalde in de §§ 2 en 3 hierna, kan de [scheepseigenaar] zijn aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende de beperking van de aansprakelijkheid inzake zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, verder « LLMC-Verdrag » genoemd. De toepassing van artikel 2, § 1, letters d en e van dat verdrag is evenwel uitgesloten. §
  39. De [scheepseigenaar] kan zijn aansprakelijkheid voor schade door olieverontreiniging beperken overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en van de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, van de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van dit Verdrag, en van het Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, in zoverre het oliën betreft die omschreven staan in dit Verdrag. §
  40. De vervoerder van passagiers en hun reisgoed over zee kan zijn aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende het vervoer over zee van passagiers en hun reisgoed, opgemaakt te Athene op 13 december 1974 en van zijn Protocol, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, en desgevallend van de artikelen 7, 8, 9 § 2, 10 tot 13 en 15 § 1, van het LLMC-Verdrag. De Koning stelt de hogere aansprakelijkheidslimiet per hoofd vast waarvan sprake in artikel 72 van het verdrag van Athene. §
  41. De hulpverlener die niet vanaf een schip optreedt of enkel optreedt aan boord van het schip waaraan of ten opzichte waarvan hulp- of bergingsdiensten worden verleend, kan zijn aansprakelijkheid beperken tot het bedrag vastgesteld in artikel 6, § 4, van het LLMC-Verdrag.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april 1989 en § 1 en § 2 gewijzigd bij artikel 2 van deze wet. Afdeling III. - [Vorming van het beperkingsfonds en bevoegdheidsregeling] Opschrift ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 11 april
  42. Artikel 48 [§
  43. De scheepseigenaar of hulpverlener vraagt de vorming van het fonds geregeld door het LLMC-Verdrag, door indiening van een verzoekschrift bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel die bevoegd is krachtens artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek. Het moet bovendien vermelden : nationaliteit en naam van het schip, het voorval waarbij de schade is opgelopen, met vermelding van datum en plaats, het wettelijk bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals verzoeker het heeft geraamd, en de wijze waarop hij voornemens is het beperkingsfonds te vormen : storting in speciën of garantiestelling. Bij het verzoekschrift worden gevoegd : 1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij meent de beperking van zijn aansprakelijkheid te kunnen inroepen, met vermelding zo mogelijk van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;2° alle stukken tot staving van de berekening van het wettelijk bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking. §
  44. Indiening van het verzoekschrift houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in. §
  45. De voorzitter van de rechtbank van koophandel verifieert bij voorraad of het door de verzoeker opgegeven bedrag overeenkomt met het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid kan worden beperkt. Zodra de voorzitter heeft vastgesteld dat beide bedragen overeenstemmen, geeft hij bevel tot instelling van de procedure tot vorming van het fonds. Heeft de verzoeker niet aangeboden het bedrag, waartoe zijn aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de dag van de schadeverwekkende gebeurtenis tot de dag waarop het beperkingsfonds zal zijn gevormd, in speciën te storten, dan beveelt de voorzitter het instellen van de procedure slechts indien de verzoeker het stellen van een garantie aanbiedt die aanvaardbaar en toereikend is. De voorgestelde garantie is aanvaardbaar als, naar het oordeel van de voorzitter, zeker is dat het fonds werkelijk beschikbaar zal zijn en vrij overdraagbaar zodra de garantie gesteld is. De garantie is toereikend als haar bedrag overeenstemt met het bedrag waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met een provisie voor dekking van de wettelijke interesten voor een door de voorzitter geschikt geachte tijdsduur. Het bepaalde in de artikelen 2040 tot 2043 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk op de door de verzoeker te stellen garantie. De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de storting gedaan of de garantie verstrekt moet worden, welke termijn niet langer mag zijn dan een maand te rekenen van de datum van de beschikking; deze laatste bepaalt bovendien de door de verzoeker binnen dezelfde termijn te storten provisie voor het dekken van de kosten van de procedure tot vorming, vereffening en verdeling van het beperkingsfonds. De voorzitter benoemt een rechter-commissaris en een vereffenaar. Het salaris van de vereffenaar wordt geregeld door de voorzitter met inachtneming van de aard en de belangrijkheid van de procedure tot vorming, vereffening en verdeling van het fonds. Het bepaalde in de artikelen 460, 462 en 463 van Boek III van dit Wetboek, is van toepassing op de werkzaamheden van de rechter-commissaris en van de vereffenaar. §
  46. Bij storting in speciën duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld moet worden gedeponeerd. Dit deposito geschiedt op naam van de vereffenaar qualitate qua. Geen opvraging mag worden verricht zonder toestemming van de rechter-commissaris. De interesten van de gedeponeerde bedragen worden bij deze sommen geteld. Ingeval een garantie verstrekt wordt, wordt zij gesteld in het voordeel van de vereffenaar qualitate qua. Geen wijziging mag aan de aldus gestelde garantie worden aangebracht zonder machtiging van de rechter-commissaris. De provisie voor het dekken van de kosten van de procedure wordt overgemaakt aan de vereffenaar, die hierover beschikt onder controle van de rechter-commissaris. §
  47. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt gesteld dat de bedragen gedeponeerd zijn of dat de garantie gegeven is, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds gevormd is. Vanaf die beschikking gelden voor het aanhangige schadegeval, artikel 13 van het LLMC-Verdrag en de artikelen 496 tot 500, 502 tot 504 en 508 van Boek III van dit Wetboek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de beschikking van de voorzitter gelijkgesteld met het vonnis van faillietverklaring vermeld in de voormelde artikelen 496, 504 en
  48. De bekendmakingen vermeld in voormeld artikel 496 worden in voorkomend geval gedaan in één of meer buitenlandse maritieme bladen. Het verzet tegen de beschikking vermeld in het eerste lid wordt voor de rechtbank van koophandel gebracht. Het verzet moet gedaan worden binnen de drie maanden van de publicatie vermeld in voormeld artikel
  49. Deze termijn wordt vermeerderd met de termijnen bepaald in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. §
  50. De bedragen van de beperkte aansprakelijkheid worden in de nationale munt omgerekend bij de verificatie vermeld in het eerste lid van §
  51. Is er, voor de vaststelling van de vorming van het beperkingsfonds aanleiding tot verbetering, in de één of andere zin, van de omrekening in Belgische frank van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid, dan wordt die verbetering uitgesproken bij beschikking van de voorzitter, die bepaalt binnen welke termijn de voorgeschreven maatregelen ten uitvoer worden gelegd. §
  52. Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing voor alle beschikkingen die de voorzitter verleent voor de rechtspleging vermeld in deze afdeling.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  53. Artikel 49 [§
  54. Het vonnis of het arrest dat na de vorming van het fonds het faillissement van de verzoeker uitspreekt, hem uitstel van betaling verleent of zijn gerechtelijk akkoord homologeert, heeft voor het fonds geen gevolgen. §
  55. De verzoeker en eventueel de curator van zijn faillissement moeten opgeroepen worden voor alle verrichtingen van de procedure tot vereffening en verdeling van het beperkingsfonds.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  56. Afdeling IV. - [Procedure van vereffening en verdeling van het fonds] Opschrift ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 11 april
  57. Artikel 50 [§
  58. Zodra de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar of van de hulpverlener vaststaat en deze gerechtigd zijn hun aansprakelijkheid te beperken, wordt de procedure voor vereffening en verdeling van het fonds voortgezet. §
  59. De artikelen 496 tot 500, 502 tot 504 en 508 van Boek III van dit Wetboek zijn op de aangifte, de verificatie en de betwisting van de ten laste van het fonds neergelegde schuldvorderingen van toepassing. §
  60. De bekendmaking vermeld in artikel 496 van Boek III van dit Wetboek wordt in voorkomend geval gedaan in één of meer buitenlandse maritieme bladen.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  61. Artikel 51 [§
  62. Er kan geen enkel recht van voorrang uitgeoefend worden op het gedeelte van het beperkingsfonds dat bestemd is om de zaakschade te vereffenen. §
  63. De vereffenaar maakt een ontwerp van verdeling op en deelt het mede aan de schuldeisers. In geval van betwisting van het ontwerp van verdeling doet de rechtbank van koophandel wier voorzitter van het geding kennis heeft genomen, uitspraak op verslag van de vereffenaar.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  64. Artikel 52 [§
  65. De uitdeling van het fonds aan de schuldeisers geschiedt naar evenredigheid van hun bevestigde en geverifieerde schuldvorderingen. §
  66. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, maakt een einde aan zijn schuldvordering tegenover de verzoeker. §
  67. Als alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het gevormd heeft of, zo deze ondertussen is failliet gegaan, aan de failliete boedel. Op verslag van de vereffenaar, medeondertekend door de rechter-commissaris, wordt de procedure gesloten verklaard door de voorzitter van de rechtbank van koophandel die bevoegd is krachtens artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  68. Afdeling V. - [Omrekening in nationale munt] Opschrift ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 11 april 1989 Artikel 53 [Indien de scheepseigenaar of de hulpverlener geen beperkingsfonds vormt, worden de bedragen van de beperkte aansprakelijkheid in de nationale munt omgerekend op de respectieve data van de betalingen.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 april
  69. Afdeling VI. - [

] Opschrift ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 11 april 1989 Artikel 54 [De termen « scheepseigenaar » en « hulpverlener » moeten worden verstaan in de betekenis die ze hebben in artikel 1, 2° en 3° van het Verdrag betreffende de beperking van de aansprakelijkheid voor zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976.] Opgeheven ingevolge artikel 99 van de wet van 5 juni 1928 voor de zeevaart en bij artikel 40 van de wet van 1 april 1936 voor de binnenvaart daarna opnieuw ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 11 april 1989. Artikel 55 Indien de ontslagen kapitein medeëigenaar is van het schip, kan hij van de medeëigendom afstand doen en de uitkering eisen van het daarmee overeenstemmend kapitaal. Het bedrag van dit kapitaal wordt bepaald door deskundigen, in onderlinge overeenstemming of ambtshalve te benoemen. Artikel 56 De reder die medeëigenaar of lasthebber van de eigenaars is, vertegenwoordigt de scheepseigenaars in rechte voor alles wat de uitrusting en de vaart betreft. Gewijzigd bij artikel 2 van deze wet. Artikel 57 In alles wat het gemeenschappelijk belang van de scheepseigenaars aangaat, wordt het gevoelen van de meerderheid gevolgd. De meerderheid wordt bepaald door de scheepsaandelen die gezamenlijk de helft van de waarde van het schip te boven gaan. De veiling van een schip kan slechts worden toegestaan op vordering van de eigenaars die samen de helft van alle scheepsaandelen vertegenwoordigen, tenzij bij geschrifte het tegendeel bedongen is. In geval van veiling gaan de lasten die een scheepsaandeel bezwaren, van rechtswege over op het overeenkomstige deel van de prijs. Gewijzigd bij artikel 2 van deze wet. HOOFDSTUK II. - De bemanning Afdeling I. - De kapitein § 1. Rechten en verplichtingen van de kapitein Artikel 58 De kapitein, gezagvoerder of schipper, belast met het voeren van een zeeschip of een ander vaartuig, is zelfs voor lichte tekortkomingen bij de vervulling van zijn taak aansprakelijk. Artikel 59 Hij is aansprakelijk voor de goederen waarvan hij het vervoer op zich neemt. Hij geeft van die goederen een ontvangstbewijs af. Dat bewijs wordt cognossement genoemd. Artikel 60 Het is de taak van de kapitein de samenstelling van de bemanning van het schip te bepalen, alsmede de matrozen en andere schepelingen te kiezen en te huren; hij doet dit echter in overeenstemming met de eigenaars, wanneer dezen zich ter plaatse bevinden of aldaar door gemachtigden vertegenwoordigd zijn. Artikel 61 De kapitein houdt een scheepsdagboek, per blad genummerd en geparafeerd door een van de rechters van de rechtbank van koophandel, dan wel door de burgemeester of een schepen in plaatsen waar geen rechtbank van koophandel bestaat. Dat dagboek vermeldt : - de beslissingen genomen tijdens de reis; - de ontvangsten en uitgaven betreffende het schip en in het algemeen, alles wat betrekking heeft op de lading en alles wat aanleiding kan geven tot het doen van rekening en verantwoording of tot het instellen van een rechtsvordering. Artikel 62 Opgeheven bij artikel 38 van de wet van 25 augustus 1920. Artikel 63 De kapitein moet aan boord voorzien zijn van : - de zeebrieven; - de monsterrol; - de cognossementen; - [de meetbrief]; - [het certificaat van deugdelijkheid of het voorlopig certificaat van deugdelijkheid en in voorkomend geval de vereiste internationale certificaten]; - [de door de wetgeving inzake douane en accijnzen vereiste documenten]; - [de staat van de hypothecaire inschrijvingen die op het schip genomen zijn]; - [in voorkomend geval het oliejournaal en, wanneer het schip daadwerkelijk meer dan 2 000 ton olie in bulk als lading vervoert, het certificaat van verzekering of van financiële zekerheid.] Aldus gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 28 november 1928 (II), artikel 33 van de wet van 5 juni 1972 en artikel 15, § 1, van de wet van 20 juli 1976, artikel 21, van de wet van 12 juli 1983 en artikel 2 en 3, § 2, 4° van deze wet. Artikel 64 De kapitein moet persoonlijk aanwezig zijn op het schip bij het in- en uitvaren van havens, getijhavens of rivieren. Artikel 65 In geval van niet-nakoming van de verplichtingen opgelegd bij de (...) artikelen 61, 63 en 64 is de kapitein voor alle gebeurtenissen aansprakelijk jegens de belanghebbenden bij het schip en bij de lading. Aldus gewijzigd bij artikel 2 en 3, § 2, 5° van deze wet. Artikel 66 De kapitein is eveneens aansprakelijk voor alle schade aan goederen die hij, buiten de schriftelijke toestemming van de inlader, op het dek van zijn schip heeft geladen. Met het dek wordt gelijkgesteld elke opbouw die geen geheel vormt met het spantwerk. Artikel 67 De aansprakelijkheid van de kapitein houdt slechts op in geval van bewezen overmacht. Artikel 68 [Wanneer de eigenaars of hun gemachtigden zich ter plaatse bevinden, mag de kapitein niet dan met hun bijzondere toestemming het schip laten vertimmeren, zeilen, touwen en andere voorwerpen voor het schip aankopen of het schip vervrachten.] Aldus vervangen bij artikel 6 van de wet van 28 november 1928 (II). Artikel 69 Wanneer het vaartuig vervracht is met toestemming van de eigenaars en een van hen weigert bij te dragen in de kosten die noodzakelijk zijn voor de afvaart, kan de kapitein, vierentwintig uren na aanmaning aan de weigeraar om zijn bijdrage te leveren, met machtiging van de rechter, voor zijn rekening geld opnemen op zijn scheepsaandeel, zelfs onder hypothecair verband. Artikel 70 [Indien het gedurende de reis noodzakelijk is herstellingen te doen, levensmiddelen aan te kopen of in andere dringende behoeften van het schip te voorzien, kan de kapitein, na zulks te hebben vastgesteld in een proces-verbaal door de voornaamste schepelingen ondertekend, ten belope van de vastgestelde behoeften geld opnemen onder verband van de lading of goederen verpanden, met machtiging in België, van de rechtbank van koophandel of, waar die er niet is, van de vrederechter, en, in het buitenland, van de consul of de vice-consul of, bij ontstentenis, van de plaatselijke overheid. De magistraat die tot de geldopneming machtiging heeft gegeven, vermeldt zulks in het scheepsdagboek. De tijdbevrachter en, indien zij het allen eens zijn, de verschillende afzenders, kunnen zich tegen het verpanden van hun goederen verzetten door die te lossen en de vracht te betalen naar verhouding van het afgelegde gedeelte van de reis. Zijn de afzenders het niet eens, dan zijn diegenen onder hen die gebruik willen maken van het recht om hun goederen te lossen, gehouden tot betaling van de volle vracht op die goederen. In beide gevallen moeten zij die hun goederen hebben doen lossen, hun aandeel betalen in de averij die zich heeft voorgedaan tot op het ogenblik van het lossen.] Aldus vervangen bij artikel 6 van de wet van 28 november 1928 (II). Artikel 71 De kapitein is voor zijn terugvaart uit een buitenlandse haven naar België verplicht de eigenaars of hun gemachtigden een door hem getekende rekening te zenden, met vermelding van de staat van de lading, de prijs van de ingeladen goederen, de door hem opgenomen geldsommen, de naam en de woonplaats van de uitleners. Artikel 72 [De kapitein die geld opneemt op het casco, de bevoorrading of de uitrusting van het schip, goederen verkoopt, buiten noodzaak geld opneemt op de lading of verdichte averijen en uitgaven in rekening brengt, is aansprakelijk tegenover de rederij en persoonlijk gehouden het geld terug te geven of de goederen te betalen, onverminderd strafvervolging indien daartoe grond bestaat.] Aldus vervangen bij artikel 6 van de wet van 28 november 1928 (II). Artikel 73 Buiten het geval van wettelijk vastgestelde onzeewaardigheid, mag de kapitein het schip niet verkopen dan met een bijzondere volmacht van de eigenaars, op straffe van nietigheid van de verkoop. Artikel 74 De kapitein die voor een reis wordt aangenomen, is gehouden ze te volbrengen op straffe van vergoeding van alle kosten en alle schade aan de eigenaars en de bevrachters. Artikel 75 De kapitein die vaart voor gemene winst op lading, mag geen goederen aan boord nemen voor eigen rekening, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 76 Bij overtreding van de bepaling van het vorige artikel verbeurt de kapitein zijn aandeel in de gemene winst, onverminderd de vergoeding van meerdere schade indien daartoe grond bestaat. Artikel 77 De kapitein mag gedurende de vaart, bij welk gevaar ook, het schip niet verlaten dan na zich te hebben beraden met de officieren en de voornaamste bemanningsleden; in dat geval is hij op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid verplicht het geld en van het kostbaarste deel van de lading zoveel als hij kan mede in veiligheid te brengen. Gaan de aldus uit het schip meegenomen zaken door enig toeval verloren, dan is de kapitein daarvoor niet aansprakelijk. Artikel 78 De kapitein is gehouden binnen vierentwintig uren na aankomst zijn scheepsdagboek voor gezien te laten tekenen en een scheepsverklaring af te leggen. Die verklaring moet inhouden : - de plaats en het tijdstip van zijn vertrek; - de koers die hij gevolgd heeft; - de gevaren die hij gelopen heeft; - de ongeregeldheden die aan boord hebben plaatsgehad en alle opmerkelijke voorvallen van zijn reis. Artikel 79 De scheepsverklaring wordt ter griffie afgelegd ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank van koophandel. In plaatsen waar geen rechtbank van koophandel is, wordt de scheepsverklaring afgelegd voor de vrederechter van het kanton. De vrederechter die de scheepsverklaring heeft ontvangen, moet deze onverwijld doorzenden aan de voorzitter van de naaste rechtbank van koophandel. In beide gevallen wordt de verklaring neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel. Artikel 80 Wanneer de kapitein een buitenlandse haven aandoet, is hij verplicht zich aan te melden bij de Belgische consul, een scheepsverklaring voor hem af te leggen en zich een getuigschrift te doen afgeven waaruit het tijdstip van aankomst en vertrek, alsmede de staat en de aard van de lading blijken. Artikel 81 Wordt de kapitein gedurende de reis genoodzaakt een Belgische haven binnen te lopen, dan is hij gehouden de redenen daarvan op te geven aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de plaats. Wordt de kapitein genoodzaakt een buitenlandse haven binnen te lopen, dan wordt de opgave gedaan aan de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, aan de plaatselijke overheid. Het tweede lid opgeheven bij artikel 8, 12°, van de opheffingsbepalingen van artikel 2 van de wet van 10 oktober 1967. Artikel 82 De kapitein die schipbreuk heeft geleden en alleen of samen met een deel van zijn schepelingen is ontkomen, moet zich aanmelden, in België bij de rechter van de plaats of, bij zijn ontstentenis, bij enige andere burgerlijke overheid, in het buitenland bij de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, bij de plaatselijke overheid, een scheepsverklaring afleggen, deze doen bevestigen door de geredde schepelingen die hem vergezellen, en zich daarvan een expeditie ter hand doen stellen. Artikel 83 Ter bevestiging van de verklaring van de kapitein verhoort de rechter de schepelingen en, zo mogelijk, de passagiers, onverminderd alle andere bewijzen. Een niet-bevestigde verklaring kan de kapitein niet strekken tot ontlasting en heeft geen bewijskracht in rechte, uitgezonderd wanneer alleen de kapitein behouden aangekomen is op de plaats waar hij zijn verklaring heeft afgelegd. De partijen worden toegelaten tot het tegenbewijs. Artikel 84 Indien er gedurende de reis gebrek aan levensmiddelen ontstaat, kan de kapitein, na zich met de voornaamste schepelingen te hebben beraden, opvarenden die nog eigen mondvoorraad hebben, dwingen deze tegen betaling van de waarde beschikbaar te stellen voor allen. § 2. Het cognossement Artikel 85 Het cognossement moet de aard en hoeveelheid van de te vervoeren goederen opgeven. Het vermeldt : - de naam en de woonplaats van de afzender; - de naam en het adres van de persoon aan wie de goederen worden verzonden; - de naam en de woonplaats van de kapitein; - de naam, de nationaliteit en de tonnenmaat van het schip; - de plaats van afvaart en van bestemming; - de bedingen betreffende de vracht. Het vermeldt op de kant de merken en nummers van de te vervoeren goederen. Het vermeldt het aantal afgegeven exemplaren. Het cognossement kan aan order zijn, aan toonder of op naam. Artikel 86 Elk cognossement wordt opgemaakt in ten minste vier originelen : één voor de afzender, één voor de persoon aan wie de goederen worden verzonden, één voor de kapitein, één voor de reder. Het exemplaar voor de kapitein wordt getekend door de afzender; de andere exemplaren worden getekend door de kapitein. Wanneer er meer exemplaren zijn voor de persoon aan wie de goederen worden verzonden, wordt op elk van die exemplaren vermeld of het een eerste exemplaar is of een tweede of een derde enz. Het cognossement moet worden getekend binnen vierentwintig uren na de inlading. De afzender is gehouden binnen dezelfde tijd de bewijzen van de douane betreffende de ingeladen goederen aan de kapitein af te geven. Artikel 87 [Onverminderd het bij artikel 91 bepaalde geldt het cognossement dat in de hierboven voorgeschreven vorm is opgemaakt, als bewijs tussen alle bij de lading belanghebbende partijen en tussen hen en de verzekeraars.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 28 november 1928 (III). Artikel 88 In geval van verschil tussen het door de afzender getekend cognossement en de door de kapitein getekende cognossementen, heeft elk origineel bewijskracht tegen de partij die het getekend heeft. Artikel 89 Alleen hij die houder is van het cognossement, zelfs krachtens een endossement in blanco, heeft het recht om zich de lading door de kapitein te doen afleveren. Wanneer verscheidene exemplaren van een cognossement worden vertoond, wendt de kapitein zich in België tot de rechtbank van koophandel, in het buitenland tot de Belgische consul of tot de plaatselijke overheid, ten einde een bewaarder te doen aanwijzen aan wie hij de lading zal afleveren tegen betaling van de vracht. Artikel 90 In geval van schipbreuk of van binnenlopen in een noodhaven kan iedere houder van een cognossement, zelfs op naam, alle rechten van de afzender uitoefenen, zich de goederen door de kapitein doen afleveren en de opbrengst ervan in ontvangst nemen, onder verplichting borg te stellen, en met machtiging, in België, van de rechtbank van koophandel, en in het buitenland, van de Belgische consul of van de plaatselijke overheid, die tot bewaring van de rechten van derden zodanige maatregelen zullen voorschrijven als zij passend achten. Artikel 91 [A. Op het verhandelbaar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk (...), zijn de volgende regels van toepassing : § 1. In dit artikel worden de navolgende woorden gebruikt in de hieronder aangegeven zin :

  1. a)« vervoerder » omvat de scheepseigenaar of de bevrachter die partij is bij een vervoerovereenkomst met een afzender;
  2. b)« vervoerovereenkomst » slaat slechts op een vervoerovereenkomst waarvan blijkt uit een cognossement of een dergelijk stuk recht gevend op het vervoer van goederen over zee;het slaat ook op het cognossement of dergelijk stuk uitgegeven krachtens een charterpartij van het ogenblik af dat dit de betrekkingen regelt van de vervoerder en de cognossementhouder;
  3. c)« goederen » omvat zaken, voorwerpen, koopmanschappen en waren van welke aard ook, met uitzondering van levende dieren en van lading die, bij de vervoerovereenkomst, opgegeven is als geplaatst op het dek en feitelijk aldus wordt vervoerd;
  4. d)« schip » betekent elk vaartuig gebruikt voor het vervoer van de goederen over zee;
  5. e)« vervoer van goederen » dekt de tijd verlopen van de inlading der goederen aan boord van het schip tot de lossing ervan uit het schip. § 2. Onverminderd de bepalingen van § 6 is de vervoerder in alle overeenkomsten tot vervoer van goederen over zee, met betrekking tot de lading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing dier goederen, belast met de aansprakelijkheden en verplichtingen hieronder vermeld gelijk hij geniet van de daarbedoelde rechten en ontheffingen. § 3. 1° De vervoerder is gehouden voor en bij de aanvang van de reis een redelijke zorg aan te wenden voor :
  6. a)het zeewaardig maken van het schip;
  7. b)het voldoende bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip;
  8. c)het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen worden vervoerd, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden.2° Onder voorbehoud van het bepaalde bij § 4 is de vervoerder verplicht zorg te dragen voor de behoorlijke en zorgvuldige lading, behandeling, stuwing, vervoer, bewaking, verzorging en lossing van de vervoerde goederen.3° Na de goederen ontvangen en aangenomen te hebben, moet de vervoerder of de kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder meer vermeldt :
  9. a)de voornaamste, voor het onderkennen van de goederen nodige merken, zoals deze voor het begin der inlading door de afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken op de niet verpakte goederen of op de kisten of verpakkingen die de goederen inhouden, door stempeling of anderszins duidelijk aangebracht zijn op zodanige wijze dat zij in normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar blijven;
  10. b)het aantal colli's of het stuktal der goederen of de hoeveelheid of het gewicht, al naar het geval, zoals zulks door de afzender schriftelijk is opgegeven;
  11. c)de uiterlijke staat en de uiterlijke gesteldheid van de goederen; met dien verstande dat geen vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder verplicht zal zijn een cognossement af te geven inhoudende merken, getal, hoeveelheid of gewicht, wanneer hij redelijke gronden heeft te vermoeden dat zij niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen goederen weergeven of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad. 4° Zulk een cognossement geldt als vermoeden, behoudens tegenbewijs, van de ontvangst door de vervoerder van de goederen zoals zij beschreven zijn overeenkomstig nr 3, a, b, en c. [Nochtans wordt het tegenbewijs niet toegelaten indien het cognossement is overgedragen geworden aan een derde persoon die er te goeder trouw houder van is.] 5° De afzender wordt geacht ten behoeve van de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van de inontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle verlies, schade en kosten, ontstaan tengevolge van onjuistheden in de opgave van deze bijzonderheden.Het recht van de vervoerder op dergelijke schadeloosstelling beperkt in genen dele zijn aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de afzender. 6° Tenzij aan de vervoerder of zijn vertegenwoordiger in de loshaven, voor of op het ogenblik van het weghalen van de goederen en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op de aflevering recht hebbende persoon, schriftelijk kennis is gegeven van het verlies of de schade en van de algemene aard van dat verlies of die beschadiging, geldt bedoelde weghaling, tot bewijs van het tegendeel, als vermoeden dat de goederen door de vervoerder werden afgeleverd zoals zij in het cognossement zijn omschreven. Is het verlies of de beschadiging niet uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden. Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van het goed op het ogenblik van de inontvangstneming door beide partijen gezamenlijk vastgesteld werd. [Behoudens het bepaalde bij 6°bis, zijn de vervoerder en het schip van alle aansprakelijkheid wegens verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen één jaar nadat de goederen zijn of behoorden te worden afgeleverd. Deze termijn kan echter door de partijen worden verlengd op voorwaarde dat zij hiermee hebben ingestemd na de feiten die tot de rechtsvordering aanleiding hebben gegeven.] Indien er zekerheid of vermoeden bestaat dat er verlies of beschadiging heeft plaatsgehad, moeten de vervoerder en de ontvanger elkander over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van het goed en het natellen van de colli's gemakkelijk te maken. [6°bis. Regresvorderingen kunnen zelfs na het verstrijken van de bij ten 6° voorziene termijnen worden ingesteld, wanneer dit geschiedt binnen de termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de persoon die de regresvordering instelt, de klacht heeft geregeld of waarop de dagvaarding aan die persoon werd betekend, op voorwaarde dat de regeling van de klacht of de betekening van de dagvaarding heeft plaatsgehad voor het verstrijken van de eerder vermelde termijn van één jaar of van de termijn tussen partijen overeengekomen volgens 6°, vierde lid, van deze paragraaf.] 7° Als de goederen ingeladen zijn, wordt door de vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder aan de afzender op zijn verlangen een cognossement afgegeven met de vermelding « geladen », mits de afzender, indien hij vooraf enig op die goederen rechtgevend document heeft ontvangen, het tegen afgifte van het « geladen » -cognossement teruggeeft.De vervoerder, de kapitein of de vertegenwoordiger heeft eveneens het recht in de haven van inlading op het oorspronkelijk afgegeven document de naam van het schip of van de schepen waarin de goederen werden geladen en de datum of de data van inlading aan te tekenen, in welk geval het aldus aangevulde document, mits inhoudende de in § 3, 3°, vermelde bijzonderheden, als een « geladen » -cognossement in de zin van dit artikel wordt beschouwd. 8° Iedere bepaling, beding of afspraak in een vervoerovereenkomst, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot goederen, voortvloeiende uit nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de verplichtingen in deze paragraaf gesteld, of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven, is nietig, van onwaarde en zonder gevolg.Een beding krachtens hetwelk de uitkering op grond van een gesloten verzekering aan de vervoerder komt, of elk ander beding van dergelijke strekking wordt geacht te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van aansprakelijkheid te ontheffen. § 4. 1° Noch de vervoerder, noch het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, ontstaan tengevolge van of voortvloeiend uit onzeewaardigheid, tenzij deze te wijten is aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken of om het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen vervoerd worden, geschikt te maken en in goede staat te brengen, opdat zij kunnen dienen tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de goederen, alles overeenkomstig het bepaalde bij § 3, 1°. Telkens als verlies of schade het gevolg is van onzeewaardigheid, rust de bewijslast ten aanzien van de uitoefening van de redelijke zorg op de vervoerder of op elke andere persoon, die mocht beweren krachtens deze paragraaf van aansprakelijkheid te zijn ontheven. 2° Noch de vervoerder, noch het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, voortvloeiend uit of ontstaan tengevolge van :
  12. a)een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein, een lid van de bemanning, de loods of een ondergeschikte van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie of de behandeling van het schip;
  13. b)brand, tenzij veroorzaakt door opzet of schuld van de vervoerder;
  14. c)gevaren en onheilen van de zee of van andere bevaarbare wateren;
  15. d)onvermijdelijke natuurlijke toevallen;
  16. e)oorlogshandelingen;
  17. f)daden van vijanden van de Staat;
  18. g)aanhouding of maatregelen van hogerhand of gerechtelijk beslag;
  19. h)quarantainemaatregelen;
  20. i)een handeling of een nalatigheid van de afzender of eigenaar der goederen, van zijn vertegenwoordiger of lasthebber;
  21. j)werkstakingen of uitsluitingen of stilstand of belemmering van de arbeid, tengevolge van welke oorzaak ook, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel;
  22. k)oproer of ongeregeldheden;
  23. l)redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee;
  24. m)verlies aan volume of gewicht of elk ander verlies, of elke andere beschadiging, veroorzaakt door een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek aan het goed;
  25. n)onvoldoende verpakking;
  26. o)onvoldoende of ondoelmatige merken;
  27. p)verborgen gebreken, indien zij ondanks behoorlijke zorg niet te ontdekken waren;
  28. q)een andere oorzaak, niet bestaand uit opzet of schuld van de vervoerder, noch uit opzet of schuld van de vertegenwoordigers of ondergeschikten van de vervoerders;doch de bewijslast rust op degene die zich op deze ontheffing beroept, en het staat aan hem aan te tonen dat noch de schuld van de vervoerder zelf, noch zijn opzet, noch de schuld of het opzet van de vertegenwoordigers of de ondergeschikten van de vervoerder heeft bijgedragen tot het verlies of de schade. 3° De afzender is niet aansprakelijk wegens door de vervoerder of het schip geleden verlies of schade, ontstaan door of voortvloeiend uit enigerlei oorzaak zonder dat er sprake is van handeling, schuld of nalatigheid van de afzender, zijn vertegenwoordigers of zijn ondergeschikten.4° Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een inbreuk op de verplichtingen voortvloeiend uit dit artikel of uit de vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige beschadiging, daardoor ontstaan. [5°
  29. a)Tenzij de aard en de waarde van de goederen door de inlader zijn aangegeven voordat de goederen zijn ingeladen en deze aangifte in het cognossement is opgenomen, zijn in geen geval de vervoerder, noch het schip aansprakelijk voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen tot een bedrag boven 666,67 rekeneenheden per collo of eenheid, of 2 rekeneenheden per kilogram brutogewicht, van de verloren of beschadigde goederen, met dien verstande dat het hoogste bedrag in aanmerking moet worden genomen.
  30. b)Het totaal verschuldigd bedrag wordt berekend op basis van de waarde die de goederen hebben op de plaats waar en op de dag waarop, volgens de vervoerovereenkomst, de goederen aan land zijn gezet of behoorden te worden gezet. De waarde van de goederen wordt bepaald volgens de beursnotering of, bij gebreke hiervan, volgens de marktprijs of nog, bij gebreke van beide, volgens de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid.
  31. c)Wanneer een container, een palet of een dergelijk tuig wordt gebruikt om de goederen te verzamelen of op te stapelen, wordt elke collo of eenheid, welke naar luid van het cognossement dat tuig omvat, beschouwd als een collo of een eenheid in de zin van deze paragraaf. Buiten de hierboven voorziene gevallen wordt het tuig als collo of eenheid beschouwd.
  32. d)De rekeneenheid bedoeld in dit artikel is het Speciaal Trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationaal Monetair Fonds. De omrekening in Belgische frank van de bedragen bepaald in § IV, 5°, a), geschiedt op de datum waarop de goederen werden geleverd of hoorden geleverd te worden.
  33. e)De vervoerder noch het schip zijn gerechtigd het voordeel van de beperking van de aansprakelijkheid te genieten als bewezen werd dat de schade het gevolg is van een handelen of een nalaten van de vervoerder, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade zou uit voortvloeien.
  34. f)De in lid
  35. a)vermelde aangifte, opgenomen in het cognossement, schept een vermoeden behoudens tegenbewijs, doch zij bindt de vervoerder niet en deze behoudt het recht de juistheid daarvan te betwisten.
  36. g)Bij overeenkomst tussen de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder en de inlader kan een ander dan in lid
  37. a)vermeld maximumbedrag bepaald worden mits dit overeengekomen maximum niet lager is dan het in dat lid vermeld maximumbedrag.
  38. h)In geen geval is de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen indien de aard of de waarde hiervan door de inlader met opzet verkeerdelijk in het cognossement is aangegeven.] 6° Goederen van ontvlambare, ontplofbare of gevaarlijke aard, tot welker inlading de vervoerder, de kapitein of de vertegenwoordiger van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij de aard of de gesteldheid daarvan gekend had, mogen te allen tijde voor de lossing op iedere plaats door de vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de afzender van deze goederen is aansprakelijk voor alle schaden en onkosten, middellijk of onmiddellijk ontstaan ten gevolge van de inlading ervan.Indien een van deze goederen, ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar wordt voor het schip of de lading, mag het eveneens door de vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor gemene averij, indien daartoe grond bestaat. [§ 4bis. 1. De bij dit artikel voorziene ontheffingen en beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor elke rechtsvordering die tegen die vervoerder wordt ingesteld tot het bekomen van schadeloosstelling voor verlies of beschadiging van uit hoofde van een vervoerovereenkomst vervoerde goederen, om het even of die rechtsvordering is ingesteld geworden op grond van de contractuele of de niet-contractuele aansprakelijkheid van de vervoerder. 2. Indien zulke rechtsvordering wordt ingesteld tegen een aangestelde van de vervoerder, kan die evenzeer een beroep doen op de ontheffingen en de beperkingen welke de vervoerder zelf krachtens het artikel kan inroepen.3. In dit geval mag het totaal der bedragen ten laste van de vervoerder en zijn aangestelden de bij dit artikel voorziene grens van aansprakelijkheid niet overschrijden. 4. De aangestelde kan echter de bepalingen van deze paragraaf niet doen gelden, indien bewezen is dat de schade het gevolg is van het feit dat de aangestelde heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen, hetzij met inzicht schade te veroorzaken, hetzij op roekeloze wijze en met het bewustzijn dat de handeling of het verzuim waarschijnlijk schade zou teweegbrengen.] § 5. Een vervoerder is vrij zijn rechten en ontheffingen geheel of gedeeltelijk op te geven of zijn aansprakelijkheden en verplichtingen te vermeerderen, zoals deze en gene bepaald zijn in dit artikel, mits deze afstand of deze vermeerdering vermeld wordt in het aan de afzender afgegeven cognossement. Geen bepaling van dit artikel is van toepassing op charterpartijen; maar als in het geval van een bevracht schip cognossementen worden afgegeven, zijn deze onderworpen aan de voorschriften van dit artikel. Geen voorschrift in deze regels wordt beschouwd als een beletsel voor de opneming in een cognossement van enig geoorloofd beding omtrent gemene averij. § 6. Onverminderd de bepalingen der voorgaande paragrafen, zijn een vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder en een afzender vrij, omtrent bepaalde goederen, welke ook, een overeenkomst aan te gaan met zodanige bedingen als hun goed zullen dunken aangaande de aansprakelijkheid en de verplichtingen van de vervoerder betreffende deze goederen, alsmede de rechten en ontheffingen van de vervoerder ten aanzien van deze goederen, of aangaande zijn verplichtingen wat betreft de staat van zeewaardigheid van het schip voor zover zodanig beding niet strijdig is met de openbare orde, of aangaande de zorg of achtzaamheid van zijn ondergeschikten of vertegenwoordigers voor wat betreft de inlading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing der over zee vervoerde goederen, mits in dit geval geen cognossement is of wordt uitgegeven en de bedingen van de getroffen overeenkomst opgenomen worden in een ontvangbewijs dat een niet verhandelbaar stuk is en zulks vermeldt. Elke zo gesloten overeenkomst heeft volledig rechtsgevolg. Deze paragraaf is echter niet van toepassing op gewone handelsverschepingen, bewerkstelligd bij gelegenheid van gewone handelsverrichtingen, maar slechts op andere verladingen, waarbij het karakter en de gesteldheid van de te vervoeren goederen en de omstandigheden, de bedingen en de bepalingen, waarop het vervoer plaats moet vinden, zodanig zijn dat ze een bijzondere afspraak rechtvaardigen. § 7. Geen bepaling van dit artikel verbiedt een vervoerder of een afzender in een overeenkomst bedingen, bepalingen, voorbehouden of ontheffingen op te nemen betreffende de verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip wegens verlies of beschadiging van de goederen of aangaande hun bewaking, zorg en behandeling voor de inlading in en na de lossing uit het schip waarmee zij over zee worden vervoerd. § 8. De bepalingen van dit artikel laten onverlet de rechten en de verplichtingen van de vervoerder, voortvloeiend uit enige thans geldende wet betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaars van zeeschepen. B. Op elk volgens de vorenstaande bepalingen opgemaakt cognossement moet worden vermeld dat de « regels van artikel 91 » er toepasselijk op zijn.] Vervangen bij artikel 1 van de wet van 28 november 1928(III); A, § III, 4° en 6° gewijzigd, § III, 6°bis ingevoegd, § IV, 5° vervangen en § IVbis ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 11 april 1989; rekening houdend met de impliciete wijziging bij artikel 259 van de wet van 19 mei 1960, A, eerste lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 6° van deze wet; de aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 7° van deze wet. Afdeling II. Matrozen en schepelingen Artikel 92-110 Opgeheven bij artikel 174 van de wet van 5 juni 1928. Bepaling aan de twee vorige afdelingen gemeen Artikel 111 De kapitein en de schepelingen mogen onder geen enkel voorwendsel voor eigen rekening goederen inladen zonder toestemming van de eigenaars van het schip en zonder vracht te betalen, indien zij daartoe niet gerechtigd zijn krachtens de arbeidsovereenkomst. Worden onrechtmatig ingeladen goederen niet voor de afvaart aan wal gebracht, dan betalen degenen die ze hebben doen inladen, het dubbele van de vracht die zij verschuldigd zouden zijn geweest indien de goederen met toestemming van de eigenaars waren ingeladen, onverminderd de vergoeding van meerdere schade, indien daartoe grond bestaat. TITEL III. - Charterpartij of overeenkomst van scheepshuur HOOFDSTUK I. - Aard en vorm van de overeenkomst Artikel 112 De overeenkomst van scheepshuur wordt bewezen door de in zaken van koophandel toegelaten middelen. Wat in de overeenkomst niet bepaald is, wordt geregeld volgens het plaatselijk gebruik. Artikel 113 In de huur van een geheel schip zijn de kajuit en de overige ruimte voor de bemanning niet begrepen; het is echter aan de kapitein niet geoorloofd in de kajuit of in de overige ruimte voor de bemanning goederen te laden zonder toestemming van de bevrachter. In geval van overtreding is [het tweede lid] van artikel 111 van toepassing op de kapitein. Aldus gewijzigd bij artikel 2 en 3, § 2, 8° van deze wet. Artikel 114 Wanneer het schip vervracht is tegen een prijs berekend naar tijdsduur, loopt de vracht vanaf de dag van de afvaart, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 115 De huurprijs voor een zeeschip of een ander zeevaartuig wordt vracht genoemd. Deze wordt vastgesteld bij overeenkomst van partijen. Zij kan worden bedongen voor het gehele vaartuig of voor een gedeelte, voor een gehele reis of voor een bepaalde tijd, bij het gewicht, het getal of de maat, tegen vaste prijs of

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.