← België

Loi portant le texte néerlandais du Code de commerce, à l'exclusion du Livre I, titres VIII et IX, de la loi du 5 mai 1936 sur l'affrètement fluvial,

En bref

Cette loi établit la version néerlandaise du Code de commerce, en excluant certaines parties spécifiques d'autres lois, et définit ce qu'est un commerçant et les actes de commerce. Elle précise également les règles relatives aux contrats de mariage des commerçants et à la tenue de leurs livres comptables.

Ce qu'elle réglemente

Qui elle concerne

Points clés

📄 Texte de loi
21 OCTOBRE 1997. Loi portant le texte néerlandais du Code de commerce, à l'exclusion du Livre I, titres VIII et IX, de la loi du 5 mai 1936Documents pertinents retrouvés type loi prom. 05/05/1936 pub. 04/04/2013 numac 2013000202 source service public federal interieur Loi sur l'affrètement fluvial fermer sur l'affrètement fluvial, des lois coordonnées du 25 septembre 1946 sur le concordat judiciaire et de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Les Chambres ont adopté et Nous sanctionnons ce qui suit : Article 1er.La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution. Art. 2.Les dispositions qui suivent forment le texte néerlandais du Code de Commerce à l'exclusion du Livre Ier, titres VIII et IX, de la loi du 5 mai 1936Documents pertinents retrouvés type loi prom. 05/05/1936 pub. 04/04/2013 numac 2013000202 source service public federal interieur Loi sur l'affrètement fluvial fermer sur l'affrètement fluvial, des lois coordonnées du 25 septembre 1946 sur le concordat judiciaire et de la loi du 5 juin 1928 portant revision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime, tels qu'ils ont été expressément modifiés et complétés jusqu'au 14 février 1997. Le texte néerlandais ci-après des dispositions qui ont modifié et complété le Code de commerce, la loi du 5 mai 1936Documents pertinents retrouvés type loi prom. 05/05/1936 pub. 04/04/2013 numac 2013000202 source service public federal interieur Loi sur l'affrètement fluvial fermer sur l'affrètement fluvial, les lois coordonnées du 25 septembre 1946 sur le concordat judiciaire et la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime postérieurement à la loi du 18 avril 1898, remplace le texte néerlandais antérieur de ces dispositions. Les contestations basées sur la divergence des textes français et néerlandais sont décidées d'après la volonté du législateur, déterminée suivant les règles ordinaires d'interprétation, sans prééminence de l'un des textes sur l'autre. Le Roi peut modifier les dispositions législatives existantes afin de mettre leur texte en concordance avec les dispositions de la présente loi. WETBOEK VAN KOOPHANDEL BOEK I. - Koophandel in het algemeen TITEL I. - Kooplieden Deze titel (artt. 1-11) is bij de wet van 15 december 1872 vervangen als volgt : Artikel 1 [Kooplieden zijn zij die daden uitoefenen, bij de wet daden van koophandel genoemd, en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, hun gewoon beroep maken.] Aldus vervangen bij artikel 1 van de wet van 3 juli 1956. Artikel 2 [Onder daden van koophandel verstaat de wet : - elke aankoop van voedingsmiddelen en koopwaren om die, al dan niet na bewerking of verwerking, weder te verkopen of om het gebruik ervan te verhuren; - elke verkoop of verhuring die het gevolg is van zodanige aankoop; elke huur van roerende goederen om die in onderhuur te geven en elke onderverhuring die daarvan het gevolg is; elk in hoofdzaak materieel werk verricht ingevolge huur van diensten, zodra het, zelfs op bijkomstige wijze, gepaard gaat met levering van koopwaar; - elke aankoop van een handelszaak om die te exploiteren; - alle verrichtingen van industriële ondernemingen, zelfs wanneer de ondernemer slechts de voortbrengsels van zijn eigen grond verwerkt en voor zover het geen verwerking betreft die normaal bij landbouwbedrijven behoort; - alle verrichtingen van ondernemingen van openbare of particuliere werken, van vervoer te land, te water of door de lucht; - alle verrichtingen van ondernemingen van leveringen, van zaakwaarneming, van zaakbezorging, van openbare verkopingen, van openbare schouwspelen en van premieverzekeringen; - [alle verbintenissen van handelsagenten voor het bemiddelen of afsluiten van zaken;] - elke bank-, wissel-, commissie- of makelaarsverrichting; - alle verrichtingen van ondernemingen die tot doel hebben onroerende goederen te kopen om ze weder te verkopen; - alle verrichtingen van openbare banken; - alle verbintenissen uit wisselbrieven, mandaten, orderbriefjes of ander order- of toonderpapier; - alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel onroerende als roerende goederen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 3 juli 1956, het zevende lid ingevoegd bij artikel 28 van de wet van 13 april 1995. Artikel 2bis [Worden echter niet als daden van koophandel aangemerkt, de aankopen met het oog op de verkoop aan particulieren en de verkopen aan particulieren van produkten die onder het beroep van apotheker ressorteren, wanneer deze aankopen en verkopen worden verricht door een persoon die wettelijk is gemachtigd de geneeskunde of de veeartsenijkunde uit te oefenen, voor zover deze persoon niet eveneens andere, door de wet als daden van koophandel aangemerkte daden stelt in het raam van een gewoon beroep dat, hetzij als hoofdzakelijk beroep, hetzij als aanvullend beroep wordt uitgeoefend. Voor de toepassing van deze bepaling worden beschouwd als producten die onder het beroep van apotheker ressorteren : 1° de drogerijen, substanties, bereidingen of samenstellingen voor farmaceutisch gebruik;2° de geneesmiddelen in de zin van artikel 1, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen;3° het medisch en farmaceutisch materiaal, te weten de substanties, voorwerpen en stoffen die geheel of ten dele zijn onderworpen aan de regeling die, ter uitvoering van artikel 1, § 2, van voornoemde wet, op de geneesmiddelen van toepassing is, alsook de produkten die algemeen in de geneeskunde worden gebruikt; 4° de producten die de apotheker mag verkopen ingevolge de wetten en verordeningen.] Ingevoegd bij het enige artikel van de wet van 18 juli 1973. Artikel 3 Onder daden van koophandel verstaat de wet eveneens : - alle verrichtingen met betrekking tot de bouw van binnenschepen en zeeschepen en de vrijwillige koop, verkoop of wederverkoop daarvan; - elke expeditie ter zee; - elke koop of verkoop van tuig en takelage en bevoorrading; - elke bevrachtingsovereenkomst; het nemen of geven van geld op bodemerij; - elke verzekering en elke andere overeenkomst betreffende de zeehandel; - elk akkoord en elke overeenkomst betreffende het loon van schepelingen; - alle verbintenissen van zeelieden voor de dienst op koopvaardijschepen. Artikel 4 Opgeheven bij artikel 40 van de wet van 19 januari 1990. Artikel 5 Opgeheven bij artikel 40 van de wet van 19 januari 1990. Artikel 6 [De daden van koophandel in de artikelen 2 en 3 genoemd, zijn als dusdanig niet geldig ten aanzien van een minderjarige. Ze worden als burgerrechtelijke daden beschouwd.] Aldus vervangen bij artikel 41 van de wet van 19 januari 1990. Artikel 7 Opgeheven bij artikel 42 van de wet van 19 januari 1990. Artikel 8 De handel van de ouders van de minderjarige wordt door zijn voogd voortgezet wanneer de familieraad het dienstig acht, en onder de voorwaarden die hij bepaalt. Het bestuur ervan kan worden toevertrouwd aan een bijzondere bewindvoerder, die onder toezicht staat van de voogd. De beslissing van de familieraad wordt binnen vijftien dagen ter homologatie voorgelegd aan de rechtbank. Het wordt dadelijk uitgevoerd en houdt slechts op gevolg te hebben wanneer de homologatie wordt geweigerd. De familieraad kan te allen tijde zijn toestemming herroepen, met inachtneming van dezelfde vormen. Die beslissing wordt eerst na homologatie uitgevoerd. Artikel 9 Opgeheven bij artikel 7, § 1, van de wet van 30 april 1958. Artikel 10 (De gehuwde vrouw) wordt niet geacht openbare koopvrouw te zijn wanneer zij er zich toe bepaalt de waren uit de handel van haar man in het klein te verkopen; zij wordt alleen geacht dit te zijn wanneer zij afzonderlijk handel drijft. Het eerste lid opgeheven bij artikel 7, § 10, van de wet van 30 april 1958, het tweede lid aldus gewijzigd ingevolge deze opheffing bij de artikelen 2 en 3, § 1, 1° van deze wet. Artikel 11 Opgeheven bij artikel 36, 1°, van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976. TITEL II. - Huwelijksvoorwaarden van kooplieden Deze titel (art. 12-15) is bij de wet van 15 december 1872 vervangen als volgt : Artikel 12 [Van ieder huwelijkscontract tussen echtgenoten waarvan er één koopman is, wordt binnen een maand na de dagtekening een uittreksel gezonden aan de griffie van elke rechtbank binnen welker rechtsgebied de handeldrijvende echtgenoot in het handelsregister ingeschreven is. De uittreksels worden overeenkomstig de wet van 30 april 1929 in boeken samengebonden. [Hetzelfde geldt voor de akten houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten binnen drie maanden na de beslissing tot homologatie. Het uittreksel vermeldt of de echtgenoten in gemeenschap gehuwd zijn, met opgave van de afwijkingen van het wettelijk stelsel, dan wel of zij een ander stelsel hebben aangenomen.] [Bedingen in het huwelijkscontract of in de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel die tot doel hebben af te wijken van de regels van de verdeling bij helften van het gemeenschappelijk vermogen, hoeven niet te worden vermeld.] Van de boeken waarin de uittreksels zijn bijeengebracht, alsook van de steekkaarten bij de wet van 30 april 1929 voorgeschreven, wordt aan ieder die erom verzoekt zonder kosten inzage verleend.] Aldus vervangen bij artikel 1 van de wet van 3 juli 1956, het tweede lid daarna vervangen door een tweede en een derde lid bij artikel 36, 2°, van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976; het derde lid daarna aldus aangevuld bij het enige artikel van de wet van 19 mei 1982; het vroegere derde lid wordt het vierde lid. Artikel 13 De notaris voor wie het huwelijkscontract [of de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel] is verleden, is gehouden de bij het vorige artikel voorgeschreven toezending te doen, op straffe van geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank en zelfs van ontzetting uit zijn ambt en van aansprakelijkheid jegens de schuldeisers, wanneer bewezen is dat het verzuim het gevolg is van heimelijke verstandhouding. Aldus gewijzigd bij artikel 36, 3°, van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976. Artikel 14 [Elke echtgenoot die gehuwd is onder een ander stelsel dan [het wettelijke], en na zijn huwelijk koopman wordt, of een nieuw handelsbedrijf begint, is gehouden dezelfde toezending te doen aan de griffie van de rechtbank binnen welker rechtsgebied hij een opgave voor de inschrijving in het handelsregister doet, bij gebreke waarvan hij, in geval van faillissement, kan worden gestraft als schuldig aan eenvoudige bankbreuk.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 3 juli 1956 en daarna gewijzigd bij artikel 36, 4° van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976. Artikel 15 [Elk vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt toegestaan of de scheiding van tafel en bed of van goederen wordt uitgesproken tussen de echtgenoten van wie er ten minste een koopman is, wordt door hen neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel in het rechtsgebied waarvan een der echtgenoten of beide echtgenoten zijn ingeschreven in het handelsregister; bij gebreke daarvan kunnen de schuldeisers daartegen verzet doen voor wat hun belangen raakt en opkomen tegen iedere vereffening die erop gevolgd mocht zijn.] Aldus vervangen bij artikel 36, 5°, van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976. TITEL III. - Koopmansboeken Deze titel (artt. 16-24) is bij de wet van 15 december 1872 vervangen als volgt : Artikel 16 Opgeheven bij artikel 24, 1°, van de wet van 17 juli 1975. Artikel 17 Opgeheven bij artikel 24, 1°, van de wet van 17 juli 1975. Artikel 18 Opgeheven bij artikel 24, 1°, van de wet van 17 juli 1975. Artikel 19 Opgeheven bij artikel 24, 1°, van de wet van 17 juli 1975. Artikel 20 [Een regelmatig gevoerde boekhouding kan door de rechter aangenomen worden om tussen kooplieden als bewijs te dienen betreffende handelsverrichtingen.] Aldus vervangen bij artikel 18 van de wet van 17 juli 1975, de nieuwe Nederlandse tekst vastgesteld bij artikel 13 van de wet van 1 juli 1983. Artikel 21 [Onverminderd de bijzondere wetten kan de overlegging van de volledige boekhouding van een koopman, te weten de boeken, registers en boekingsstukken, niet in rechte bevolen worden dan inzake erfopvolging, gemeenschap of verdeling van een vennootschap en in geval van faillissement.] Aldus vervangen bij artikel 18 van de wet van 17 juli 1975, de nieuwe Nederlandse tekst vastgesteld bij artikel 13 van de wet van 1 juli 1983. Artikel 22 [De rechter kan in de loop van een rechtsgeding, zelfs ambtshalve, de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van een koopman, teneinde daaruit te nemen hetgeen het geschil betreft.] Aldus vervangen bij artikel 18 van de wet van 17 juli 1975, de nieuwe Nederlandse tekst vastgesteld bij artikel 13 van de wet van 1 juli 1983. Artikel 23 [Wanneer de boekhouding waarvan de openlegging wordt aangeboden, gevorderd of bevolen, zich bevindt op een plaats te ver verwijderd van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is, kan deze aan de rechtbank van koophandel van die plaats of aan een vrederechter ambtelijke opdracht geven inzage te nemen en een proces-verbaal van de inhoud op te maken en over te zenden.] Aldus vervangen bij artikel 18 van de wet van 17 juli 1975, de nieuwe Nederlandse tekst vastgesteld bij artikel 13 van de wet van 1 juli 1983. Artikel 24 [De rechter kan de eed opleggen aan de partij die aanbiedt de bewijskracht van de boekhouding van de andere partij te erkennen, wanneer deze weigert haar boekhouding open te leggen.] Aldus vervangen bij artikel 18 van de wet van 17 juli 1975, de nieuwe Nederlandse tekst vastgesteld bij artikel 13 van de wet van 1 juli 1983. TITEL IV. - Bewijs van handelsverbintenissen Deze titel (art. 25) is bij de wet van 15 december 1872 vervangen als volgt : Artikel 25 Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behoudens de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen. Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten. TITEL V. - Handelsbeurzen, wisselagenten en makelaars Deze titel werd bij artikel 104, 1° van de wet van 4 december 1990 opgeheven. TITEL VI. Artikel 91-108 Opgeheven bij artikel 18 van de wet van 5 mei 1872 en bij het aanvullende artikel van de wet van 25 augustus 1891. WET VAN 5 MEI 1872 TITEL I. - Pand Artikel 1 Pand tot zekerheid van een handelsverbintenis geeft aan de schuldeiser het recht om zich, bij voorrecht en voorrang boven de andere schuldeisers, uit de in pand gegeven zaak te doen betalen, wanneer de inpandgeving geschied is op een wijze die in de koophandel geldt voor de verkoop van zaken van dezelfde aard, en de in pand gegeven zaak in het bezit is gesteld en gebleven van de schuldeiser of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De last van het bewijs van de dagtekening der inpandgeving rust op de schuldeiser. Dit bewijs kan geleverd worden door alle wettelijke middelen. Artikel 2 De schuldeiser wordt geacht de koopwaren in zijn bezit te hebben wanneer zij te zijner beschikking zijn in zijn magazijnen of schepen, bij de douane of in een openbare opslagplaats, of wanneer zij voor hun aankomst in zijn bezit zijn gesteld door een cognossement of door een vrachtbrief. [Inzake schuldvorderingen geldt artikel 2075 van het Burgerlijk Wetboek.] Het laatste lid toegevoegd bij de wet van 12 december 1996. Artikel 3 De pandhoudende schuldeiser ontvangt op de vervaldagen de rente, de dividenden en het kapitaal van de in pand gegeven waarden en verrekent ze met zijn schuldvordering. Wanneer het pand bestaat uit handelspapier, oefent de pandhoudende schuldeiser de rechten uit van de houder en moet hij diens verplichtingen nakomen. Artikel 4 Indien de door het pand gewaarborgde schuldvordering niet voldaan is op de vervaldag, kan de schuldeiser, na een aanmaning te hebben betekend aan de lener en in voorkomend geval aan de derde-pandgever, op een verzoekschrift aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel machtiging verkrijgen om het pand, hetzij openbaar, hetzij uit de hand, naar keuze van de voorzitter, te doen verkopen door de persoon die deze aanwijst. Op dat verzoekschrift wordt eerst beslist twee vrije dagen nadat het aan de schuldenaar en in voorkomend geval aan de derde-pandgever is betekend met verzoek om in die tussentijd hun eventuele opmerkingen aan de voorzitter te doen toekomen. [De effecten en deviezen worden verkocht op de beurs : - de genoteerde, op de gewone vergaderingen van de beurs of van een der beurzen waar zij genoteerd worden; - de niet genoteerde, op de veilingen van de beurscommissie. De voorzitter van de rechtbank wijst voor elk van de beurzen waar de verkoop zal geschieden, een op de lijst van die beurs ingeschreven wisselagent aan, die tot de verkoop zal overgaan overeenkomstig het beursreglement, zonder verdere formaliteiten.] Het derde en het vierde lid toegevoegd bij artikel 30 van het koninklijk besluit nr 300 van 30 maart 1936. Artikel 5 De aldus verkregen beschikking is eerst uitvoerbaar nadat ze aan de lener en in voorkomend geval aan de derde-pandgever betekend is, met aanwijzing van de dag, plaats en uur van de veiling, indien deze bevolen is. Die beschikking wordt definitief en geldt als in laatste aanleg gewezen, indien de lener of in voorkomend geval de derde-pandgever binnen drie dagen na de betekening er geen verzet tegen doet met dagvaarding voor de rechtbank van koophandel. Artikel 6 De termijn om hoger beroep in te stellen tegen het op dat verzet gewezen vonnis is acht dagen te rekenen van de betekening. Artikel 7 De beschikking en het vonnis zijn van rechtswege uitvoerbaar zonder borgtocht niettegenstaande verzet of hoger beroep. Artikel 8 De hierboven gestelde termijnen kunnen niet worden verlengd wegens de afstand. Indien de schuldenaar of in voorkomend geval de derde-pandgever zijn woonplaats niet heeft binnen het rechtsgebied van de rechtbank van koophandel of aldaar geen keuze van woonplaats gedaan heeft, worden de in de vorige artikelen vermelde betekeningen, behalve die waarvan sprake is in artikel 4, op geldige wijze gedaan ter griffie van die rechtbank. Artikel 9 De uitoefening van de rechten bij de vorige artikelen aan de pandhoudende schuldeiser toegekend, wordt niet geschorst door faillissement, noch door opschorting van betaling, noch door het overlijden van de schuldenaar of van de derde-pandgever. Artikel 10 Elk beding waarbij de schuldeiser zou worden gemachtigd zich het pand toe te eigenen of erover te beschikken zonder inachtneming van de hiervoren bepaalde vormen, is nietig. Artikel 11 Artikel 2 en de artikelen 4 tot en met 10 van deze titel zijn van toepassing op het pand tot zekerheid van het wettelijk voorrecht van de commissionairs of van hun geldschieters, waarvan sprake is in afdeling II van titel II hierna. TITEL II. - Commissiecontract Afdeling I. - De commissionairs in het algemeen Artikel 12 Commissionair is hij die op zijn eigen naam of onder een maatschappelijke naam handelt voor rekening van een opdrachtgever. Artikel 13 De verplichtingen en de rechten van de persoon die handelt in naam van een opdrachtgever, worden geregeld in het Burgerlijk Wetboek, boek III, titel XIII. Afdeling II. - Commissionairs of consignatarissen Artikel 14 Iedere commissionair is, door de enkele toezending, bewaargeving of consignatie van koopwaren, op de waarde bevoorrecht voor alle leningen, voorschotten of betalingen die hij als commissionair doet, hetzij voor de verzending van de koopwaren, hetzij gedurende de tijd dat deze in zijn bezit zijn. Dit voorrecht bestaat slechts voor zover de koopwaren in het bezit gesteld zijn en gebleven van de commissionair of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. In de bevoorrechte schuldvordering van de commissionair zijn, naast de hoofdsom, ook de rente, het commissieloon en de kosten begrepen. Artikel 15 Wanneer de koopwaren voor rekening van de opdrachtgever verkocht en geleverd zijn, verhaalt de commissionair het bedrag van zijn schuldvordering op de opbrengst van de verkoop, bij voorrang boven de schuldeisers van de opdrachtgever. Artikel 16 Iedere geldschieter die aan de commissionair de nodige bedragen in geld of in handelspapier verstrekt voor de leningen, voorschotten of betalingen waarvan sprake is in artikel 14, eerste lid, heeft tot waarborg voor de terugbetaling van de verstrekte bedragen en van de rente hetzelfde voorrecht op dezelfde voorwerpen en op dezelfde wijze als in de artikelen 14 en 15 bepaald is. Dit voorrecht bestaat slechts voor zover de geldschieter of een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen, door de commissionair in het bezit is gesteld van het cognossement of van de vrachtbrief. Artikel 17 Het voorrecht van de geldschieter gaat boven dat van de commissionair. Algemene bepalingen Artikel 18 Opheffingsbepaling. TITEL VII. - Koop en verkoop Artikel 109 Opgeheven ingevolge artikel 25 van de wet van 15 december 1872. TITEL VIIbis - Vervoerovereenkomst Deze titel (artt. 1-46) is ingevoegd bij de wet van 25 augustus 1891. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1 De vervoerovereenkomst wordt bewezen door alle wettelijke middelen, inzonderheid door de vrachtbrief. De vrachtbrief vermeldt : 1° de plaats en de dag van de verzending;2° de naam en de woonplaats van de afzender;3° de naam en de woonplaats van de geadresseerde;4° de naam en de woonplaats van de vervoerder of van de commissionair door wiens bemiddeling het vervoer geschiedt;5° de aard, het gewicht of de maat van de te vervoeren goederen, het getal en de bijzondere merken van de colli's;6° de tijd waarbinnen het vervoer moet geschieden en de prijs van het vervoer of de reglementaire voorwaarden waarnaar partijen verwijzen. De vrachtbrief wordt getekend door de afzender of door de commissionair. Artikel 2 De commissionair of de vervoerder is gehouden de aard, de hoeveelheid en desgevorderd de waarde van de te vervoeren goederen in zijn dagboek aan te tekenen overeenkomstig de verklaringen van de afzender. Artikel 3 Hij staat in voor de aankomst van de goederen en van de personen binnen de overeengekomen tijd, behoudens toeval of overmacht. Artikel 4 Hij is aansprakelijk voor de beschadiging of het verlies van de goederen alsmede voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen, indien hij niet bewijst dat de beschadiging, het verlies of het ongeval het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. Artikel 5 Hij staat borg voor de daden van de commissionair of van de tussenvervoerder aan wie hij de te vervoeren goederen toezendt. Artikel 6 Zolang de goederen niet ter bestemming zijn afgeleverd en voor zover in de vrachtbrief niet anders is bedongen, is de vervoerder gehouden de aanwijzingen van de afzender te volgen en is alleen deze gerechtigd om over de goederen te beschikken. Het recht van de afzender houdt op te bestaan zodra de goederen aan de besteldienst zijn afgegeven of zodra aan de geadresseerde een bericht van aankomst is gezonden. Artikel 7 De inontvangstneming van de vervoerde goederen doet elke vordering tegen de vervoerder en de commissionair vervallen behalve wanneer een bijzonder voorbehoud is gemaakt of in geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging. Het bijzonder voorbehoud of het bezwaar moet op schrift gesteld worden en aan de vervoerder gezonden uiterlijk de tweede dag na de inontvangstneming, in geval van uiterlijk zichtbare beschadiging en van verlies, en binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, in geval van vertraging. Wanneer de vervoerder bij de aflevering heeft gewezen op beschadiging of gedeeltelijk verlies, is de geadresseerde gehouden dadelijk bezichtiging van de vervoerde goederen toe te staan. In geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of van manco binnen de vervoerde goederen, kan het bezwaar van de geadresseerde alsnog worden aangenomen, indien het schriftelijk aan de vervoerder is gericht binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, en indien vaststaat dat de beschadiging of het manco er reeds van voor de aflevering was. De uitzondering bepaald voor het geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of manco binnen in de vervoerde goederen, geldt niet wanneer het voorstel om de koopwaar te bezichtigen aan de geadresseerde of aan zijn gemachtigde is gedaan op het ogenblik van de aflevering. De vordering blijft slechts bestaan betreffende de punten waarover een bijzonder voorbehoud of bezwaar is gemaakt. Artikel 8 Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een of drie deskundigen, die worden benoemd bij een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, onderaan op een verzoekschrift gesteld. De geadresseerde wordt opgeroepen bij een aangetekende brief, waarin dag en uur van het deskundigenonderzoek worden aangegeven. De beschikking kan bevelen dat de goederen in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht. De beschikking kan de verkoop gelasten ten bate van de vervoerder of de commissionair ten belope van hetgeen hem naar aanleiding van het vervoer verschuldigd is. Deze verkoop geschiedt openbaar in de door de voorzitter aangewezen plaats, en ten minste drie vrije dagen nadat daarvan bericht is gegeven aan de geadresseerde en de afzender. Deze termijn wordt verdubbeld wanneer een van de belanghebbenden in het buitenland verblijft. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter die termijnen verkorten. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie. Artikel 9 Alle rechtsvorderingen, ontstaan uit de overeenkomst van goederenvervoer, met uitzondering [van het ziekenvervoer] en van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van zes maanden ten aanzien van binnenlands vervoer en door verloop van een jaar ten aanzien van internationaal vervoer. De verjaring loopt, in geval van totaal verlies of van vertraging, van de dag waarop het vervoer had moeten plaatshebben, en in geval van gedeeltelijk verlies of van beschadiging, van de dag der afgifte van de goederen. In geval van onregelmatige toepassing van het tarief of van fouten in de berekening van de vervoerkosten en bijkomende kosten, loopt de verjaring van de dag der betaling. De rechtsvorderingen ontstaan uit de overeenkomst van personenvervoer, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van één jaar. De verjaring loopt van de dag waarop het feit dat tot de rechtsvordering aanleiding geeft, zich heeft voorgedaan. Regresvorderingen moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de termijn van een maand, te rekenen van de dagvaarding die tot het regres aanleiding geeft. Het eerste lid werd gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 6 augustus 1993. Artikel 10 Dit hoofdstuk is mede van toepassing op de spoorwegondernemingen voor zover in hoofdstuk II niet anders is bepaald. HOOFDSTUK II. - Spoorwegvervoer § 1. Algemene bepalingen Artikel 11 [De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen moet in binnenlandse dienst alle vervoer van personen verrichten dat kan geschieden met de normale vervoermiddelen waarmede aan de regelmatige behoeften van het verkeer kan worden voldaan, onder de voorwaarden bepaald in het beheerscontract.] Aldus vervangen bij artikel 165, 1° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 12 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 13 [De tarieven, die van toepassing zijn op het personenvervoer in binnenlandse dienst worden met berichten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.] Aldus vervangen bij artikel 165, 2° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 14 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 15 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. § 2. Reizigers Artikel 16 Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reizigers tot het vervoer worden toegelaten. Het bepaalt welke reizigers niet in de treinen mogen worden toegelaten. Artikel 17 Het is aan [de spoorwegvervoerder] verboden in zijn tarieven of reglementen bepalingen op te nemen, waardoor zijn gemeenrechtelijke aansprakelijkheid gewijzigd wordt voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen. Aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart 1991. § 3. Bagage en goederen Artikel 18 Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reiziger het recht heeft zijn bagage te laten vervoeren met de trein waarin hij toegelaten is, en welke bagage hij bij zich mag houden. Ten aanzien van de laatstgenoemde bagage draagt [de spoorwegvervoerder] generlei aansprakelijkheid, behalve wanneer vaststaat dat hij schuld heeft. Het tweede lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 19 Tegen overhandiging van de bagage bij de verzending wordt een genummerd en gedagtekend bewijs afgegeven, waarop worden vermeld de plaats van vertrek en van aankomst, het getal en het totale gewicht van de colli's, de ontvangen prijs en, in voorkomend geval, de aangifte van het belang bij de aflevering. Artikel 20 De bagage wordt bij de aankomst van de trein afgegeven tegen overhandiging van het bewijs. Artikel 21 [De spoorwegvervoerder] is gehouden in elk station een lokaal te hebben waarin de bagage die na de aankomst van de trein niet wordt afgehaald, en de bagage die de reizigers verlangen in bewaring te geven, veilig wordt geborgen. De aansprakelijkheid van [de spoorwegvervoerder] is beperkt tot de verplichtingen van de bewaarnemer. De bewaargever ontvangt een bewijs waarop de aard, het getal, en indien hij het verlangt, het totale gewicht van zijn colli's worden vermeld. Indien hij verzuimt die voorwerpen binnen de door de reglementen bepaalde tijd op te vorderen, kan [de spoorwegvervoerder] ze doen verkopen overeenkomstig artikel 8, of ze aan de domeinen afgeven overeenkomstig de ter zake geldende wetten. Het eerste, tweede en vierde lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 22 - 26 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 27 Wanneer [de spoorwegvervoerder] ernstige redenen heeft om te vermoeden dat een gedane verklaring onjuist is of dat er zich schadelijke of gevaarlijke stoffen, waarvan geen aangifte is gedaan of waarvan het vervoer verboden is, in de colli's of de bagage bevinden, kan hij deze doen openen, ook als ze in bewaring gegeven zijn of als de reizigers ze overeenkomstig de reglementen bij zich houden. De opening geschiedt hetzij in tegenwoordigheid van de afzender of de reiziger, hetzij, in geval van afwezigheid of van weigering, ten overstaan van een officier van gerechtelijke politie. Aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 28 Opgeheven bij artikel 4 van de wet van 3 juli 1964. Artikel 29 - 32 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 33 Goederen die aan spoedig bederf onderhevig zijn, kunnen na verloop van de voor de afhaling bepaalde termijn worden verkocht, zelfs uit de hand, nadat daarvan bericht is gezonden aan de geadresseerde, en zonder andere formaliteiten dan de voorafgaande vaststelling van de staat waarin zij zich bevinden, door een officier van gerechtelijke politie. De uitslag van de verkoop wordt ter kennis gebracht van de afzender en de geadresseerde. In alle andere gevallen kan [de spoorwegvervoerder], wanneer de geadresseerde de goederen niet in ontvangst neemt binnen de door de reglementen bepaalde tijd, ze doen verkopen overeenkomstig artikel 8, of ze aan de domeinen afgeven overeenkomstig de ter zake geldende wetten. De indeling met opschrift opgeheven bij artikel 165, 3° van de wet van 21 maart 1991; het laatste lid aldus gewijzigd bij artikel 165, 5° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 34 [Voor het binnenlands vervoer van goederen is de aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder onderworpen aan de bepalingen van titel IV van de uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (C.I.M.) van appendix B aan het "Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer", goedgekeurd bij de wet van 25 april 1983.] Aldus vervangen bij artikel 165, 4° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 35 - 46 Opgeheven bij artikel 165, 6° van de wet van 21 maart 1991. Artikel 47 [De Koning] kan ten aanzien van de exploitatie van [vervoermiddelen] voor personen of goederen de maatregelen voorschrijven die Hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de orde en de veiligheid van de reizigers. De nummering ingevoegd, het eerste lid opgeheven en het tweede lid gewijzigd bij artikel 2 en 3, § 1, 2° van deze wet. TITEL VIII. - Wisselbrief en orderbriefje Zie de wet van 10 juli 1964 tot invoering van een nieuwe Nederlandse tekst van de gecoördineerde wetten op de wisselbrieven en orderbriefjes. TITEL IX. - Handelsvennootschappen Zie de wet van 26 mei 1983 tot vaststelling van de Nederlandse tekst en tot aanpassing van de Franse tekst van het Wetboek van Koophandel, Eerste boek, titel IX. TITEL X. - Wet van 11 juni 1874 Verzekering in het algemeen Deze titel (artikelen 1-32) is ingevoegd bij de wet van 11 juni 1874. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Verzekering is een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich tegen betaling van een premie verbindt de verzekerde schadeloos te stellen voor verlies of schade ten gevolge van toevallige gebeurtenissen of van overmacht. Verwachte winst kan worden verzekerd in de gevallen bij de wet bepaald. Artikel 2 De verenigingen van onderlinge verzekering worden beheerst door hun reglementen, door de algemene rechtsbeginselen en door de bepalingen van deze titel, die met een zodanige verzekering niet onverenigbaar zijn. Zij worden in rechte vertegenwoordigd door hun directeurs. Artikel 3 De bepalingen van deze titel, voor zover daarvan door bijzondere artikelen niet wordt afgeweken, zijn mede van toepassing op de zeeverzekering en op de verzekering betreffende land-, rivier- en kanaalvervoer. [Zij zijn niet van toepassing op de verzekeringen die onder de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst vallen]. Het tweede lid toegevoegd bij artikel 142 van de wet van 25 juni 1992). HOOFDSTUK II. - Personen die een verzekering kunnen aangaan Artikel 4 Ieder die bij het behoud van een zaak belang heeft wegens een recht van eigendom of een ander zakelijk recht of wegens enige aansprakelijkheid in verband met de zaak, kan die laten verzekeren. Artikel 5 De verzekering kan voor rekening van een ander worden aangegaan krachtens een algemene of een bijzondere lastgeving, of zelfs zonder lastgeving. In het laatst bedoelde geval worden de gevolgen geregeld overeenkomstig de bepalingen betreffende de zaakwaarneming. Indien uit de verzekering niet volgt dat zij voor een derde is aangegaan, wordt de verzekerde geacht ze voor zichzelf te hebben gesloten. Artikel 6 Een schuldeiser kan de gegoedheid van zijn schuldenaar laten verzekeren; de verzekeraar kan zich beroepen op het voorrecht van uitwinning, voor zover niet anders is overeengekomen. De beslagleggende of pandhoudende schuldeisers, alsook de bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers, kunnen de voor de betaling van hun schuldvorderingen verbonden goederen in hun eigen naam laten verzekeren. In dat geval treedt de vergoeding voor het schadegeval, wat hen betreft, van rechtswege in de plaats van de verzekerde goederen die hun pand uitmaken. Artikel 7 Bij verzekering van roerende zaken wordt de verzekeraar bevrijd door betaling van de vergoeding aan de verzekerde, indien geen verzet onder hem gedaan is. Artikel 8 De bepalingen van de twee vorige artikelen hebben slechts gevolg in zover de schuldeiser bij de rangregeling of bij de verdeling in batige rang zou zijn gekomen, indien de in beslag genomen, in pand gegeven, met hypotheek bezwaarde of bij voorrecht verbonden zaken niet verloren waren gegaan. HOOFDSTUK III. - Verplichtingen van de verzekeraar en van de verzekerde Artikel 9 Elke verzwijging of onjuiste opgave van de zijde van de verzekerde, zelfs zonder kwade trouw, maakt de verzekering nietig, wanneer daardoor de waardering van het risico zodanig wordt verminderd of het voorwerp ervan zodanig wordt veranderd dat de verzekeraar, indien hij daarvan kennis had gedragen, de overeenkomst niet op dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan. Artikel 10 In alle gevallen waarin de verzekeringsovereenkomst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, moet de verzekeraar, wannneer de verzekerde te goeder trouw heeft gehandeld, de premie teruggeven, hetzij voor het geheel, hetzij voor het gedeelte waarvoor hij geen risico heeft gelopen. [De goede trouw kan niet worden ingeroepen in het geval van artikel 12, eerste lid.] Het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 1, 3° van deze wet. Artikel 11 Wanneer de overeenkomst vernietigd wordt uit oorzaak van bedrog, arglist of kwade trouw, behoudt de verzekeraar de premie, onverminderd de strafvordering, indien daartoe grond bestaat. Artikel 12 De verzekerde zaken waarvan de volle waarde reeds door een verzekering gedekt is, kunnen niet een tweede maal tegen dezelfde risico's worden verzekerd ten voordele van dezelfde persoon. Wanneer door de eerste overeenkomst niet de volle waarde verzekerd is, zijn de verzekeraars die de volgende overeenkomsten hebben getekend, verbonden voor het meerdere, in de volgorde van dagtekening van de overeenkomsten. Alle verzekeringen die dezelfde dag zijn aangegaan, worden geacht tegelijkertijd te zijn gesloten. Artikel 13 Het gehele of gedeeltelijke verlies wordt over de onderscheiden verzekeringen omgeslagen, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ze gesloten zijn ingeval ze van dezelfde datum zijn, of naar evenredigheid van de waarde waarvoor ieder moet instaan ingeval ze van verschillende datum zijn. Artikel 14 Achtereenvolgende verzekeringen van dezelfde waarden tegen dezelfde risico's en ten voordele van dezelfde personen hebben nochtans gevolg : 1° wanneer zij zijn aangegaan met instemming van elk van de verzekeraars;het verlies wordt in dat geval omgeslagen alsof beide verzekeringen tegelijkertijd waren gesloten; 2° wanneer de verzekerde de eerste verzekeraar ontslaat van elke verbintenis voor de toekomst, onverminderd zijn eigen verbintenissen. De afstand moet in het laatstbedoelde geval ter kennis worden gebracht van de verzekeraar en op straffe van nietigheid in de nieuwe polis vermeld worden. Artikel 15 De verzekerde kan de verzekeringspremie laten verzekeren. Artikel 16 Verlies of schade, veroorzaakt door opzet of grove schuld van de verzekerde, komt niet ten laste van de verzekeraar; deze kan zelfs de premie behouden of vorderen indien hij reeds enig risico heeft gelopen. Artikel 17 Bij elke verzekering moet de verzekerde al het nodige doen om de schade te voorkomen of te beperken; dadelijk nadat de schade ontstaan is, moet hij daarvan kennis geven aan de verzekeraar; een en ander op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat. De kosten, door de verzekerde gemaakt om de schade te beperken, komen ten laste van de verzekeraar, ook wanneer het gezamenlijk bedrag van die kosten en van de schade de verzekerde som te boven gaat en de aangewende pogingen vruchteloos gebleven zijn. Niettemin kunnen de rechtbanken en de scheidsrechters, wanneer de partijen zich tot hen hebben gewend, die kosten verminderen of zelfs weigeren toe te kennen, indien zij oordelen dat ze geheel of gedeeltelijk op onbedachtzame wijze zijn gemaakt. Artikel 18 De verzekeraar staat niet in voor het verlies en de schade die onmiddellijk volgen uit een eigen gebrek van de zaak, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 19 Oorlogsrisico en verlies of schade veroorzaakt door oproer, zijn niet verzekerd tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 20 Bij elke verzekering wordt de vergoeding van de schade bepaald naar de waarde van de zaak ten tijde van het schadegeval. Wanneer de verzekerde waarde vooraf geschat is door deskundigen omtrent wie partijen zijn overeengekomen, kan de verzekeraar deze schatting niet betwisten, behalve in geval van bedrog. De waarde van de zaak kan bewezen worden door alle wettelijke middelen. De rechter kan zelfs, ingeval de bewijzen onvoldoende zijn, aan de verzekerde ambtshalve de eed opleggen. Artikel 21 Telkens als de verzekering slechts een gedeelte van de waarde van de zaak dekt, wordt de verzekerde zelf als verzekeraar voor het overige beschouwd, tenzij het tegendeel bedongen is. Artikel 22 De verzekeraar die de schade betaald heeft, treedt in alle rechten die de verzekerde, ter zake van die schade, tegenover derden mocht hebben, en de verzekerde is aansprakelijk voor elke handeling die de rechten van de verzekeraar tegenover derden mocht benadelen. In de verzekeringen die krachtens artikel 6, tweede lid, mogen worden gesloten, treedt de verzekeraar die de vergoeding betaald heeft, in de plaats van de schuldeiser voor diens rechtsvordering tegen de schuldenaar. De indeplaatsstelling kan in geen geval tot nadeel strekken van de verzekerde die slechts gedeeltelijk schadeloos gesteld is; deze kan zijn rechten voor het overige uitoefenen en behoudt te dien aanzien de voorkeur boven de verzekeraar overeenkomstig artikel 1252 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 23 De verzekeraar heeft een voorrecht op de verzekerde zaak. Dit voorrecht behoeft niet te worden ingeschreven. Het komt in rang onmiddellijk na het voorrecht van de gerechtskosten. Het geldt slechts voor een bedrag gelijk aan twee jaar premie, onverschillig op welke wijze deze betaald wordt. Artikel 24 De verzekeraar kan het voorwerp van de verzekering altijd laten herverzekeren. HOOFDSTUK IV. - Bewijs van de overeenkomst Artikel 25 De verzekeringsovereenkomst moet worden bewezen door geschrift, ongeacht de waarde van het voorwerp der overeenkomst. Niettemin kan het bewijs door getuigen worden toegelaten, wanneer er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is. Artikel 26 Eenzelfde polis mag verscheidene verzekeringen bevatten, die verschillen ten aanzien van de verzekerde zaken, het premiepercentage of de verzekeraars. Artikel 27 De verzekeringspolis vermeldt : 1° de dag waarop de verzekering is gesloten;2° de naam van degene die de verzekering voor eigen rekening of voor rekening van een derde aangaat;3° de risico's die de verzekeraar op zich neemt, en de tijdstippen waarop de risico's beginnen te lopen en eindigen. HOOFDSTUK V. - Enige gevallen van ontbinding van de overeenkomst Artikel 28 De verzekering kan geen gevolg hebben wanneer de verzekerde zaak niet aan het risico blootgesteld is geweest of wanneer de schade reeds bestond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Artikel 29 Ingeval de verzekeraar failliet gaat voordat het risico geëindigd is, kan de verzekerde vorderen dat een borg gesteld wordt, of, bij gebreke van een borg, dat de overeenkomst wordt beëindigd. Gaat de verzekerde failliet, dan heeft de verzekeraar hetzelfde recht. Artikel 30 Bij vervreemding van de verzekerde zaak loopt de verzekering van rechtswege, tenzij het tegendeel bedongen is, ten voordele van de nieuwe eigenaar, ten aanzien van alle risico's waarvoor de premie betaald was ten tijde van de vervreemding. Zij loopt eveneens ten voordele van de nieuwe eigenaar, tenzij het tegendeel in de polis bedongen is, wanneer deze in de rechten en verplichtingen van de voorgaande eigenaar jegens de verzekeraars gesteld is of wanneer de verzekeringsovereenkomst verder wordt uitgevoerd in onderlinge overeenstemming tussen de verzekeraar en de nieuwe eigenaar. Artikel 31 De verbintenissen van de verzekeraar houden op, wanneer een daad van de verzekerde de risico's door verandering van een essentiële omstandigheid wijzigt of die risico's verzwaart in zodanige mate dat de verzekeraar de verzekering niet zou hebben aangegaan of daarin slechts op andere voorwaarden zou hebben toegestemd, indien de nieuwe staat van zaken ten tijde van het sluiten der overeenkomst had bestaan. De verzekeraar kan zich op deze bepaling niet beroepen, wanneer hij is voortgegaan met de uitvoering van de overeenkomst, nadat hij kennis had gekregen van de verandering in het risico. HOOFDSTUK VI. - Verjaring Artikel 32 Elke rechtsvordering die uit een verzekeringspolis ontstaat, verjaart door verloop van drie jaren, te rekenen van de gebeurtenis waarop ze gegrond is. [In geval van regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar loopt de termijn echter eerst vanaf het instellen van de rechtsvordering door de getroffene, onverschillig of het gaat om een oorspronkelijke eis tot schadeloosstelling dan wel om een latere eis naar aanleiding van een verzwaring van de schade of van het ontstaan van nieuwe schade.] Het tweede lid toegevoegd bij artikel 2 van de wet van 30 mei 1961. TITEL XI. - Enige verzekeringen in het bijzonder Opgeheven bij artikel 147, 1°, van de wet van 25 juni 1992. BOEK II. - Zeevaart en binnenvaart Wetten van 21 augustus 1879, 12 juni 1902 en 10 februari 1908, gecoördineerd op 25 september 1908 TITEL I. - Zeeschepen en andere zeevaartuigen HOOFDSTUK I. [Van zeeschepen] Vervangen bij artikel 15 van de wet van 21 december 1990. Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet worden als zeeschepen beschouwd alle vaartuigen van ten minste 25 ton, bestemd of gewoonlijk gebruikt voor personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting ter zee. Artikel 2 Zeeschepen zijn roerende goederen. Zij zijn echter niet onderworpen aan de regel dat met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel geldt. Artikel 3 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. Artikel 4 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. Artikel 5 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. Artikel 6 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. Artikel 7 Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. Artikel 7bis Opgeheven bij artikel 32, 1°, van de wet van 21 december 1990. HOOFDSTUK II. - Openbaarheid van zakelijke rechten op zeeschepen Artikel 8 Akten en vonnissen die bewijs opleveren van een overeenkomst tot vestiging, overdracht, aanwijzing of tenietdoening van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, worden ingeschreven [in het register der zeeschepen]; zij kunnen niet eerder aan derden worden tegengesteld. Gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 21 december 1990. Artikel 9 [In het register der zeeschepen] worden eveneens ingeschreven de eisen tot ontbinding, herroeping, nietigverklaring van een onder het vorige artikel vallende overeenkomst, of tot het doen vaststellen van het bestaan van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, alsmede de vonnissen op deze eisen gewezen. Deze eisen zijn eerst ontvankelijk nadat zij ingeschreven zijn. De niet-ontvankelijkheid moet door de rechter ambtshalve worden opgeworpen; zij kan in elke stand van het geding worden voorgedragen. De griffier mag geen expeditie van het vonnis afgeven voordat hem is gebleken dat het vonnis ingeschreven is, op straffe van vergoeding van alle schade. Het eerste lid gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 21 december 1990. Artikel 10 Geregistreerde onderhandse akten en authentieke akten worden tot inschrijving toegelaten. Artikel 11 Een akte wordt niet tot inschrijving toegelaten wanneer het schip niet [in het register der zeeschepen geregistreerd is]. Gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 21 december 1990. Artikel 12 Voor de inschrijving [in het register der zeeschepen] ingevolge artikel 8 wordt aan de hypotheekbewaarder de aan de regel van de openbaarheid onderworpen akte zelf overgelegd indien het een onderhandse akte is, of een expeditie indien het een authentieke akte is. Van een onderhandse akte worden twee originelen overgelegd (...). Van een authentieke akte worden een expeditie en een gewaarmerkt afschrift (...) overgelegd. Het eerste lid gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 21 december 1990; rekening houdend met de impliciete wijziging bij artikel 81 van het Wetboek der Zegelrechten, het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 1°, van deze wet. Artikel 13 De hypotheekbewaarder vermeldt (...) : 1° de datum van de akte;2° de aard van de akte en, indien het een authentieke akte is, de vermelding van welke openbare ambtenaar of rechtbank zij uitgaat;3° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen;4° de aard en hoofdbestanddelen van de overeenkomst. Gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 21 december 1990. Artikel 14 Na de inschrijving geeft de bewaarder aan de aanvrager de expeditie van de authentieke akte of een van de originelen van de onderhandse akte terug. Onderaan op het stuk bevestigt hij de inschrijving te hebben verricht en vermeldt datum en nummer ervan. Het gewaarmerkte afschrift van de authentieke akte of één origineel (...) van de onderhandse akte blijft ten kantore berusten. Het tweede lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°, van deze wet".. Artikel 15 Wordt de in te schrijven akte door de kapitein tijdens de reis opgemaakt, dan kan de formaliteit worden vervuld op vertoon van een telegram dat de in artikel 13 bedoelde gegevens bevat. Deze formaliteit heeft alle wettelijke gevolgen, mits de akte aan de hypotheekbewaarder ter inschrijving wordt aangeboden binnen drie maanden na de inschrijving van het telegram. Artikel 16 Voor de inschrijving (...) ingevolge artikel 9 worden aan de bewaarder der scheepshypotheken overgelegd : 1° indien het een eis in rechte betreft, twee uittreksels bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, de vermelding van de rechten waarvan de vaststelling, ontbinding, herroeping of vernietiging wordt gevorderd, en van de rechtbank die van de eis kennis moet nemen;2° indien het een vonnis betreft, twee uittreksels door de griffier afgegeven en bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, het beschikkende gedeelte van de beslissing, alsook de vermelding van de rechtbank of het hof waardoor de beslissing is gewezen. De bewaarder geeft aan de verzoeker een van de uittreksels terug, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving gedaan is. [Is het zeeschip waarop de eis tot ontbinding, tot herroeping of tot vernietiging betrekking heeft niet in België geregistreerd, dan beperkt de hypotheekbewaarder zich tot de vaststelling in het register van de overleggingen, van de overlegging van de vermelde uittreksels. Hij gaat tot de inschrijving over als achteraf de registratie van het zeeschip wordt gevraagd.] Het eerste lid gewijzigd bij artikel 21, a), van de wet van 21 december 1990; het derde lid vervangen bij artikel 21, b), van de wet van 21 december 1990. Artikel 17 Indien op dezelfde dag verscheidene aan de regel van de openbaarheid onderworpen titels op het hypotheekkantoor zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder de bewaarder de overhandiging heeft vermeld in het register der neergelegde titels. Artikel 18 Verzuim van een of meer van de formaliteiten, bij de vorige artikelen voorgeschreven, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving ten gevolge, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat. HOOFDSTUK III. - Voorrechten en hypotheken op zeeschepen Artikel 19 De voorrang tussen de schuldeisers van een schip vloeit voort uit voorrecht of uit hypotheek. Het voorrecht is verbonden aan de aard van de schuldvordering; het gaat altijd boven hypotheek. Artikel 20 De schuldeisers die een voorrecht of een ingeschreven hypotheek hebben op een schip, volgen dat schip, in wiens handen het ook overgaat; zij worden gerangschikt en betaald volgens de orde van hun schuldvorderingen of inschrijvingen. Artikel 21 Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde schip tegen hem te doen verkopen. Artikel 22 Verandering van nationaliteit laat de rechten waarmede het schip bezwaard is onverminderd. De omvang van die rechten wordt geregeld door de wet van het land onder welke vlag het schip wettig voer ten tijde van de verandering van nationaliteit. Afdeling I. - Voorrechten op zeeschepen Artikel 23 § 1. [Bevoorrechte schuldvorderingen op het zeeschip, op de vracht voor de reis tijdens welke zij ontstaan zijn, en op het toebehoren van schip en vracht na de aanvang van de reis verkregen, zijn alleen : 1° de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de andere kosten in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers gemaakt voor het behoud van het schip of voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst;de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen, de kosten van bewaking en behoud sinds het schip in de laatste haven is binnengelopen; 2° de schuldvorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de kapitein, van de schepelingen en van de overige personen die aan boord van het schip in dienst zijn; 2°bis [de bijdragen, op grond van de arbeidsovereenkomst van de kapitein, het scheepsvolk en de overige personen welke zich in dienst van het schip aan boord bevinden, verschuldigd aan de [Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden], alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert;] 3° het hulp- en bergloon en de bijdrage van het schip in de gemene averij;4° de vergoedingen wegens aanvaring of andere scheepvaartongevallen, alsmede wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, wegens lichamelijk letsel aan passagiers en schepelingen, wegens verlies of beschadiging van lading of bagage;5° de schuldvorderingen uit overeenkomsten of handelingen die de kapitein krachtens zijn wettelijke bevoegdheden gesloten of verricht heeft buiten de thuishaven en die werkelijk noodzakelijk waren voor het behoud van het schip of de voortzetting van de reis, onverschillig of de kapitein tevens eigenaar is van het schip en of de schuldvordering aan hem dan wel aan leveranciers, herstellers, geldschieters of andere contractanten behoort. § 2. Onder het in § 1 bedoelde toebehoren van schip en vracht wordt verstaan : 1° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd wegens niet herstelde stoffelijke schade aan het schip of wegens verlies van vracht;2° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd voor gemene averij, voor zover deze bestaat hetzij in niet-herstelde stoffelijke schade aan het schip, hetzij in verlies van vracht;3° het loon aan de eigenaar verschuldigd wegens hulpverlening of berging voor het einde van de reis, na aftrek van de bedragen toegekend aan de kapitein en andere personen in dienst van het schip. [Het passagegeld wordt gelijkgesteld met de vracht]. Als toebehoren van schip of vracht worden niet beschouwd de vergoedingen aan de eigenaar verschuldigd krachtens verzekeringsovereenkomsten, evenmin als de premies, toelagen of andere subsidies van het eigen land. In afwijking van § 1 strekt het voorrecht ten bate van de personen in dienst van het schip zich uit tot alle vrachten voor alle reizen die in de loop van eenzelfde arbeidsovereenkomst zijn gemaakt]. Aldus vervangen bij artikel 1 van de wet van 28 november 1928 (II), § 1, 2°bis ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr 535 van 31 maart 1987 en opnieuw gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 mei 1995, § 2, tweede lid aldus vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 april 1989. De aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°bis, van deze wet. Artikel 24 § 1. [Schuldvorderingen die op een zelfde reis betrekking hebben, zijn bevoorrecht in de volgorde waarin zij in artikel 23, § 1, gerangschikt zijn. De schuldvorderingen bedoeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald ingeval de opbrengst ontoereikend is. Schuldvorderingen als bedoeld onder de nrs 3 en 5 worden in elk van die categorieën bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan. § 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen. Schuldvorderingen uit een en dezelfde arbeidsovereenkomst aangegaan voor verscheidene reizen, staan evenwel alle in rang gelijk met de schuldvorderingen van de laatste reis. § 3. Bij de verdeling van de opbrengst van de verkoop der bij voorrecht verbonden zaken kunnen de bevoorrechte schuldeisers opkomen voor het totaal bedrag van hun schuldvorderingen, met dien verstande dat daarop geen vermindering wordt toegepast volgens de regels van de aansprakelijkheidsbeperking, maar hun ook geen hoger bedrag wordt uitgekeerd dan krachtens die regels verschuldigd is. § 4. Het voorrecht op de vracht kan worden uitgeoefend, zolang de vracht nog verschuldigd is of het bedrag van de vracht zich nog bevindt in handen van de kapitein of de vertegenwoordiger van de eigenaar. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voorrecht op het toebehoren. § 5. De bepalingen van dit artikel en van artikel 23 zijn van toepassing op een schip geëxploiteerd door een reder die er niet de eigenaar van is of door een bevrachter van het gehele schip, tenzij de eigenaar buiten het bezit gesteld is door een onrechtmatige daad en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw is. § 6. [Het voorrecht bepaald in bovenstaand artikel 23, 2°bis heeft voorrang boven het voorrecht van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden, bepaald in artikel 19, 4°ter, van de hypotheekwet van 16 december 1851.] Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 28 november 1928 (II), § 6 ingevoegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 535 van 31 maart 1987 en opnieuw gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 mei 1995. De aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 2°bis, van deze wet. Afdeling II. - Hypotheek op zeeschepen Artikel 25 Zeeschepen kunnen met hypotheek worden bezwaard bij overeenkomst tussen de partijen. De artikelen 73, 74 en 75 van de wet van 16 december 1851 zijn op die hypotheek van toepassing. Artikel 26 De scheepshypotheek is alleen dan geldig, wanneer zij verleend wordt op een duidelijk aangewezen vaartuig en voor een bepaald bedrag. Zij kan worden gevestigd op een schip in aanbouw. Artikel 79 en de vijf laatste leden van artikel 80 van de wet van 16 december 1851 zijn erop toepasselijk. Artikel 27 Tenzij het tegendeel bedongen is, strekt de scheepshypotheek zich uit tot tuig en takelage, machines en ander toebehoren. Zij strekt zich ook uit tot de vracht. Artikel 28 De hypotheek waarborgt drie jaar rente in dezelfde rang als de hoofdsom. Artikel 29 De hypotheek kan ingeschreven worden zolang zij bestaat. Bij overlijden van de schuldenaar moet de inschrijving geschieden binnen drie maanden na het openvallen van de erfenis. De inschrijving kan niet meer genomen worden na inschri …

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.