22 JUNI 2017. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 16 februari 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten0 tot wijziging van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten VERSLAG AAN DE KONING, Sire, De wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten inzake overheidsopdrachten, hierna « de wet » genoemd, heeft tot doel de richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU om te zetten in Belgisch recht, respectievelijk in de klassieke en in de speciale sectoren. Dit ontwerp zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van het hoofdstuk omtrent de uitvoering van de opdracht in de richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU. Naast een aantal technische aanpassingen en aanpassingen in verband met de strijd tegen de sociale dumping, wordt aldus voor een ingrijpende hervorming van de regels omtrent de wijzigingen aan de opdracht gezorgd. Deze hervorming is ingegeven door artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU en artikel 89 van richtlijn 2014/25/EU. Daarnaast wordt ook het toepassingsgebied aangepast. Een aantal kernbepalingen omtrent wijzigingen aan de opdracht worden van toepassing verklaard in de speciale sectoren, zelfs wanneer het personen (meestal van privaat recht) betreft die genieten van bijzondere of exclusieve rechten. Ter herinnering, op heden zijn de algemene uitvoeringsregels niet van toepassing in de zogenaamde private speciale sectoren. Daarnaast worden een aantal louter technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst, en wordt de inwerkingtreding geregeld van de wet van 16 februari 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten0 tot wijziging van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. De voormelde louter technische aanpassingen hebben betrekking op onderstaande artikelen van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 : de artikelen 11 (aanduiding leidend ambtenaar), 16 (personeel), 25 (verduidelijking berekeningswijze borgtocht), 30 (verduidelijking modaliteiten bij afhouding van borgtocht), 35 (kopij op aanvraag van het bestek), 41 (afzien van keuring), 47 (uitvoering in eigen beheer), 67 (modaliteiten omtrent voorschotten), 69 (berekeningsbasis intrest voor laattijdige betaling), 76 (voorbereidingstijd voor de andere fases dan de eerste fase) en 82 (modaliteiten tegenproef). Het ontwerp voorziet eveneens in de invoeging van een nieuw artikel omtrent de berekeningsbasis van de bijzondere of algemene straffen of vertragingsboetes (nieuw in te voegen artikel 46/1). Tot slot voorziet het ontwerp in een aantal nieuwe bepalingen die kaderen in de strijd tegen de sociale dumping. De voornaamste bepalingen in dit verband hebben betrekking op het verbod voor de onderaannemer om het geheel van de opdracht dat hem werd toegewezen verder in onderaanneming te geven, de beperking van de onderaannemingsketen, de verhoogde transparantie in deze onderaannemingsketen, de verplichte naleving van de erkenningswetgeving voor de onderaannemers en op het nazicht op de afwezigheid van uitsluitingsgronden in hoofde van de onderaannemers. Zoals erop is gewezen in de Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie, kan er ofschoon de afwezigheid van een reglementaire of universeel gebruikte definitie van het begrip sociale dumping, vanuit gegaan worden dat dit begrip betrekking heeft op een brede waaier aan opzettelijke misbruikpraktijken en de omzeiling van bestaande Europese en nationale wetgeving (met inbegrip van wetten en algemeen toepasselijke collectieve overeenkomsten), die oneerlijke concurrentie mogelijk maken door de arbeids- en werkingskosten op illegale wijze te minimaliseren, en resulteren in de schending van de rechten en de uitbuiting van werknemers. Behoudens indien anders is aangegeven zijn de wijzigingen die door het onderhavig ontwerp worden ingevoerd ook van toepassing op de opdrachten die onder het toepassingsgebied vallen van de wet defensie en veiligheid. Zodoende zijn deze opdrachten op één enkele uitzondering na (zie het nieuwe artikel 38/19, tweede lid), ook onderworpen aan van de nieuwe regels omtrent de wijzigingen aan de opdracht. In de richtlijn 2009/81/EG `defensie en veiligheid' zijn geen regels vervat inzake wijzigingen aan de opdracht, zodat de lidstaten, binnen de perken van de Europese Verdragen, in dat verband over een beleidsmarge beschikken. Er zijn echter geen objectieve redenen om voor de betreffende opdrachten andere regels in te voeren dan de algemeen geldende regels inzake wijzigingen aan de opdracht. Ten slotte is rekening gehouden met de opmerkingen in het advies 61.030/1 van de Raad van State, gegeven op 23 maart 2017, tenzij anders is bepaald in de commentaar. Artikel 1.Deze bepaling wijzigt het opschrift van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Zowel de plaatsing als de uitvoering van de concessieovereenkomsten zullen geregeld woorden door een afzonderlijke wet (de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten betreffende de concessie overeenkomsten) en een afzonderlijk koninklijk besluit. Dienvolgens hoeft in het opschrift van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 niet langer verwezen te worden naar de concessies voor openbare werken. De specifieke bepalingen omtrent concessies voor openbare werken (de artikelen 104 tot 114) worden dan ook opgeheven (zie de commentaar bij artikel 46). Art. 2.Deze bepaling is gericht op het doorvoeren van twee terminologische aanpassingen op diverse plaatsen van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Telkens wanneer sprake is van de "aanbestedende overheid" wordt dit begrip vooreerst vervangen door het begrip "aanbesteder". Dit laatste begrip omvat niet alleen de aanbestedende overheden (in de klassieke en speciale sectoren), maar ook de aanbestedende entiteiten die geen aanbestedende overheid zijn, te weten de overheidsbedrijven en de (hoofdzakelijke privaatrechtelijke) personen met bijzondere of exclusieve rechten in de speciale sectoren. Dit overkoepelend begrip werd ingevoerd in artikel 2, 5°, van de wet en wordt ook hier aangewend, aangezien alle voormelde actoren hierdoor in bondige bewoordingen kunnen worden gevat. De tweede terminologische wijziging is erop gericht, voor de formaliteiten waarvoor nu een aangetekende zending vereist, naast deze aangetekende zending ook toe te laten dat gebruik wordt gemaakt van elektronische zendingen die op vergelijkbare wijze de exacte datum van de verzending waarborgen. Dit betekent een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging voor de aanbesteders. Art. 3.Deze bepaling is gericht op de vervanging van het eerste artikel, waarin aangegeven wordt welke richtlijnen worden omgezet door middel van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Vanzelfsprekend moet verwezen worden naar de richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU. De betreffende referenties zijn dan ook aangepast. Art. 4.Deze bepaling is gericht op het doorvoeren van een aantal terminologische aanpassingen in de definities. Vooreerst worden, in de bepalingen onder
- a)tot f), een aantal definities geactualiseerd in het licht van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten inzake overheidsopdrachten en haar uitvoeringsbesluiten. Deze aanpassingen behoeven geen nadere toelichting. Daarnaast worden in de bepaling onder
- g)twee definities ingevoerd. Voor het begrip "wijziging van de opdracht" betreft het, in de meest algemene zin, elke aanpassing van de contractuele voorwaarden van de opdracht of de raamovereenkomst. Omtrent de wijziging van de opdracht worden heel wat artikelen gewijzigd en toegevoegd (zie de artikelen 37 en 38 die vervangen worden en de artikelen 38/1 tot 38/19 die worden toegevoegd). Deze bepalingen zijn gericht op de omzetting van artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU en artikel 89 van richtlijn 2014/25/EU. In dezelfde bepaling onder
- g)wordt een definitie ingevoerd voor het begrip "opdracht in een fraudegevoelige sector". Daarbij worden opdrachten voor werken aanzien als opdrachten in een fraudegevoelige sector, alsook de opdrachten voor diensten die onder het toepassingsgebied vallen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden. Wat dit laatste aspect betreft gaat het meer bepaald om de opdrachten die worden geplaatst in het kader van de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde activiteiten. Voor deze opdrachten in een fraudegevoelige sector worden specifieke maatregelen uitgewerkt die bijdragen aan de strijd tegen de sociale dumping, meer bepaald de verplichting voor de ondernemer om bepaalde informatie omtrent de onderaannemingsketen door te geven aan de aanbesteder en de verplichting tot nazicht op de afwezigheid van uitsluitingsgronden door de aanbestedende overheid. Artikel 71, paragraaf 8, van richtlijn 2014/24/EU en artikel 88, paragraaf 8, van richtlijn 2014/25/EU laten de lidstaten toe om de toepassing van dergelijke maatregelen te beperken "bijvoorbeeld tot bepaalde soorten opdrachten, bepaalde categorieën aanbestedende diensten of ondernemers of bepaalde bedragen". De beperkingsmogelijkheid doet geen afbreuk aan het feit dat de gebruikte criteria verzoenbaar moeten zijn met de grondwettelijk gewaarborgde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie. Het onderhavige ontwerp respecteert dan ook de voormelde beginselen. Het ontwerp voorziet in specifieke maatregelen voor de opdrachten die geplaatst worden in fraudegevoelige sectoren. Dit is niet in tegenspraak met de voormelde beginselen aangezien reeds werd aangetoond dat specifieke maatregelen nodig zijn voor deze sectoren die, zoals hun naam het aangeeft, veel meer geraakt zijn door fraude. De fraudegevoelige sectoren werden niet bepaald door de wetgeving `overheidsopdrachten' maar door middel van een verwijzing naar de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde activiteiten. Om de tekst van het ontwerp niet nodeloos ingewikkeld te maken werd beslist, wat de opdrachten voor werken betreft, om niet te verwijzen naar dit artikel 35/1 en om deze te beschouwen als fraudegevoelig. Art. 5.Deze bepaling is gericht op het actualiseren van de verwijzing naar de bepaling van de wet die betrekking heeft op de vaststelling van de termijnen, en behoeft geen verdere toelichting. Art. 6.Deze bepaling vervangt de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Er worden een aantal aanpassingen doorgevoerd op het vlak van het toepassingsgebied. In het huidige artikel 5, § 3, is voorzien in een oplijsting van bepalingen die van toepassing zijn op de opdrachten waarvan de geraamde waarde hoger is dan 8.500 euro maar lager dan of gelijk is dan 30.000 euro. In het ontwerp is dat niet langer het geval: de algemene uitvoeringsregels worden niet langer van toepassing verklaard op de opdrachten waarvan de geraamde waarde het bedrag van 30.000 euro niet bereikt. Deze aanpak sluit aan bij de versoepelde regeling voor de overheidsopdrachten van beperkte waarde zoals die blijkt uit de artikelen 92 en 162 van de wet (waarbij opdrachten van geringe waarde mogen tot stand komen via een aanvaarde factuur tot een bedrag lager dan 30.000 euro i.p.v. 8.500 euro zoals op heden, zie artikel 105, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten1). Wel is voorzien dat de opdrachtdocumenten alsnog bepaalde artikelen van toepassing kunnen maken op een bepaalde opdracht. Aangezien in de artikelen 92, eerste lid, 1° en 162, eerste lid, 1°, van de wet reeds is bepaald dat artikel 12 van diezelfde wet omtrent het beginsel van betaling voor verstrekte en aanvaarde prestaties, geenszins van toepassing is op de opdrachten van beperkte waarde, hoeft niet langer in een verwijzing te worden voorzien (zoals nu het geval is in artikel 5, § 4), naar artikel 67, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Deze laatste bepaling wordt overigens opgeheven om dezelfde reden (zie ook de commentaar bij artikel 32). Het voorgaande betekent eveneens dat nog slechts één drempelbedrag van toepassing is voor zowel de klassieke sectoren als de speciale sectoren. Ook in artikel 6 zijn diverse aanpassingen doorgevoerd. In de eerste en tweede paragraaf worden vooreerst enkele actualiseringen in de verwijzingen en terminologische aanpassingen aangebracht. Deze behoeven, met uitzondering van de onderstaande aspecten, geen verdere commentaar. Vooreerst werd de lijst van kernartikelen waaraan de betrokken categorieën van uitgesloten opdrachten toch onderworpen blijven verduidelijkt (zie paragrafen 2 en 3). Ter herinnering, ingevolge de verwijzing in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 naar artikel 9, §§ 2 en 3 van datzelfde besluit vloeit op heden reeds impliciet voort (zie de commentaar hieromtrent bij artikel 5 in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 22 mei 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten4 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken), dat de in die bepalingen vermelde artikelen inzake de betalingsregels eveneens op de bedoelde opdrachtcategorieën toepasselijk zijn. In de eerste plaats betreft het de artikelen 95, 120, 127, 156 en 160, meer bepaald wat betreft de daarin vervatte bepalingen omtrent de verificatie- en betalingstermijnen. In de tweede plaats betreft het artikel 69 inzake de interest voor laattijdige betaling en de vergoeding voor invorderingskosten. De toepasselijkheid van artikel 69 steunt eveneens, bij verwijzing, op de in artikel 9, § 2, tweede en derde lid, vermelde bepalingen dat het principieel verbod tot verlenging van de verificatie en betalingstermijn geldt "onverminderd de paragrafen 1 en 4" (van artikel 9). De (impliciete) toepasselijkheid van artikel 9, § 1, houdt in dat naast artikel 69 ook de artikelen van hoofdstuk 1 en de artikelen 37 (huidig), 38 (huidig) en 67 toepasselijk zijn op de in artikel 6, § 1, vermelde opdrachtcategorieën. De (impliciete) toepasselijkheid van artikel 9, § 4, houdt langs zijn kant in dat wanneer voor de in betreffende opdrachtcategorieën wordt voorzien in een verlenging van de verificatie-en/of betalingstermijn, daarbij (naast de voorwaarden van artikel 9, § 2 zelf) de motiveringsverplichtingen van artikel 9, § 4, moeten worden gerespecteerd. Welnu, in plaats van deze enigszins ingewikkelde en veelvuldige impliciete verwijzingen werd het nuttiger geacht om expliciet aan te geven welke kernartikelen toch van toepassing blijven, te weten de artikelen 1 tot 9, 67, 69, 95, 120, 127, 156 en 160, alsook de hierna besproken "tweede reeks" van kernartikelen. Bij de actualisatie van de lijst werd de (op heden nog impliciete, zie supra) verwijzing naar de artikelen 37 en 38 vervangen door een verwijzing naar de artikelen 12, § 4, 12/1, 37 tot 38/6, 38/19, 62, eerste lid, 1° en tweede lid, alsook artikel 62/1 (zie paragraaf 2, tweede lid). Deze "tweede reeks" van kernartikelen heeft betrekking op de omzetting van de artikelen 71.3, 71.5, 72 en 73 van richtlijn 2014/24/EU en de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2014/25/EU (hoofdzakelijk het leerstuk van de wijziging van de opdrachten). Het betreft bepalingen die nu ook het voorwerp uitmaken van Europese regels en die dus van toepassing dienen te blijven. De sociale diensten en andere specifieke diensten (zie bijlage III van de wet) zijn voor het grootste deel uitgezonderd. Zij worden slechts aan de voormelde kernartikelen onderworpen (eerste en tweede reeks). De situatie is verschillend wat de diensten betreft die vallen onder de omschrijving "Hotels en restaurants" en "Juridische dienstverlening". De diensten inzake "Hotels en restaurants" zijn volledig onderworpen aan het onderhavige ontwerp. Wat de juridische diensten betreft wordt het toepassingsgebied geregeld in een afzonderlijke paragraaf 4. Sommige juridische diensten blijven onderworpen aan alle bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Wat de juridische diensten betreft moet evenwel in herinnering worden gebracht dat heel wat juridische diensten voortaan al zijn uitgezonderd van het toepassingsgebied van de wet. Op deze van het toepassingsgebied van de wet uitgesloten juridische diensten is het onderhavig ontwerp evenmin van toepassing. Dit geldt eveneens voor de in artikel 28, § 1, eerste lid, 4°,
- a)en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte. Zelfs al heeft de Koning gebruik gemaakt van de facultatieve machtigingsbepaling om sommige plaatsingsregels voor deze opdrachten in te stellen, zij worden niet onderworpen aan het onderhavige ontwerp. Wat de opdrachten betreft die onder het toepassingsgebied van titel 3 van de wet vallen en worden geplaatst ofwel door personen die genieten van bijzondere of alleenrechten, ofwel door overheidsbedrijven voor opdrachten die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie, is er een belangrijke wijziging. Voor het eerst worden die aan een aantal kernartikelen onderworpen, meer bepaald aan de tweede reeks. Inderdaad moet er ook voor gezorgd worden dat de richtlijnbepalingen omtrent wijzigingen aan de opdracht en het beëindigen van de opdracht ook omgezet worden ten aanzien van de betreffende diensten die op heden, op grond van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3, uitgesloten worden van het toepassingsgebied. De betreffende opdrachten worden niet onderworpen aan de eerste reeks van kernartikelen. Er wordt in een nieuwe uitzondering voorzien wat de opdrachten betreft tot aanstelling van een bedrijfsrevisor. Immers moet worden vastgesteld dat sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 in tegenspraak zijn met het vennootschapswetboek. Het begrip "promotieopdracht" wordt niet langer gedefinieerd in de wet. Deze opdrachten worden in dit ontwerp in principe aan het gewone stelsel aan regels onderworpen. Echter wordt het wel makkelijker gemaakt om in afwijkingen te voorzien ten aanzien van de algemene uitvoeringsregels (zie hiervoor de commentaar bij artikel 9). Er weze aan herinnerd dat vele opdrachten die voorheen gekwalificeerd werden als promotieopdrachten van werken, evenwel zullen kunnen gekwalificeerd worden als concessieovereenkomst en aldus aan afzonderlijke uitvoeringsregels onderworpen. De voorheen bestaande regeling waarbij voor de hiervoor bedoelde opdrachten, die niet alle voorwaarden voor de uitzondering voldeden, de in artikel 96 opgelijste artikelen niet van toepassing zijn, werd niet overgenomen. Afdeling 2 van hoofdstuk 3 waarin artikel 96 vervat is, zal immers worden opgeheven (zie commentaar bij artikel 46 voor verdere toelichting). Er is evenmin nog sprake, om evidente redenen, van de concessies voor openbare werken. De vierde paragraaf van het vervangen artikel 6 is quasi identiek aan artikel 6, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. De vijfde paragraaf behoeft geen nadere toelichting. Art. 7.Deze bepaling is gericht op de vervanging van artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. In het eerste lid, dat grotendeels overeenkomt met het huidige eerste lid van artikel 7, wordt verduidelijkt dat de raamovereenkomst slechts aan een beperkt aantal regels onderworpen is. De raamovereenkomst als dusdanig wordt immers uitgevoerd door het sluiten van de latere opdrachten op basis van de raamovereenkomst, en de uitvoering van deze laatste opdrachten. Zodoende moet de raamovereenkomst zelf slechts aan een aantal kernbepalingen onderworpen worden. Ten opzichte van de huidige lijst vervat in artikel 7, eerste lid, zijn, naast het nieuw ingevoegde artikel 62/1, alleen artikel 12, § 4, omtrent de rechtstreekse vordering van de onderaannemer, en de artikelen 37 tot 38/19 omtrent de wijzigingen aan de opdracht, toegevoegd. Het tweede lid verduidelijkt dat de opdrachten die op basis van een raamovereenkomst worden gesloten, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, onderworpen zijn aan alle bepalingen. Via deze werkwijze wordt nog steeds voor de nodige soepelheid gezorgd. De lijst van kernartikelen waarvan evenwel nooit kan worden afgewezen is wel uitgebreid. Meer bepaald werden de artikelen 12/1, 37 tot 38/6, 38/8, 38/9, § 4, 38/10, § 4, 38/11 tot 38/19, 62, eerste lid, 1° en tweede lid en artikel 62/1 aan deze lijst toegevoegd. Het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de wijziging van de opdracht en op sommige regels omtrent het beëindigen van de opdracht enerzijds en omtrent onderaanneming anderzijds. Art. 8.Deze bepaling is gericht op het wegwerken van achterhaalde verwijzingen ingevolge artikel 56, § 3, van de wet, en behoeft geen nadere toelichting. Art. 9.Deze bepaling is erop gericht op de lijst van artikelen waarvan nooit afgeweken kan worden aan te passen en op het vlak van de afwijkingsmogelijkheden een versoepeling aan te brengen wat de overheidsopdrachten betreft die zowel betrekking hebben op de financiering als op de uitvoering van werken en, in voorkomend geval, op elke dienstverlening in dat verband. Aangezien dit ontwerp ook zorgt voor de omzetting van de artikelen 72 en 73 van richtlijn 2014/24/EU en de artikelen 89 en 90 van richtlijn 2014/25/EU, moet ervoor gezorgd worden dat niet kan afgeweken worden van de bepalingen die op die omzetting betrekking hebben. Vandaar dat een aantal artikelen die verband houden met het wijzigingen van de opdracht aan de lijst werden toegevoegd. Ook de artikelen 12/1, 12/3 en 78/1 werden aan de lijst toegevoegd. Het betreft telkens artikelen die kaderen in de strijd tegen de sociale dumping. Wat de opdrachten betreft die zowel betrekking hebben op de financiering, het ontwerp en de uitvoering van werken en, in voorkomend geval, op elke dienstverlening in dat verband, met andere woorden een specifieke categorie van "promotieopdrachten", wordt ervoor gezorgd, wat de bepalingen betreft omtrent wijziging van de opdracht, dat alleen deze bepalingen die rechtstreeks omzetting verlenen aan de artikelen 72 en 73 van richtlijn 2014/24/EU en de artikelen 89 en 90 van richtlijn 2014/25/EU, deel uitmaken van de lijst van artikelen waarvan nooit afgeweken mag worden. Wat deze opdrachten betreft wordt de mogelijkheid versoepeld om in afwijkingen te voorzien ten opzichte van de algemene uitvoeringsregels. De normale modaliteiten voor dergelijke afwijkingen, met name dat een afwijking slechts mogelijk is voor zover de bijzondere eisen van de opdracht dit noodzakelijk maken, alsook de vereiste (in sommige gevallen) van een uitdrukkelijke motivering in het bestek, gelden niet voor de betreffende opdrachten. Echter zal de lijst van de bepalingen waarvan wordt afgeweken voor de betreffende opdrachten vooraan in het bestek moeten worden vermeld. Deze versoepeling is een gevolg van het feit dat een einde werd gesteld aan de huidige gedeeltelijke uitzondering omtrent de zogenaamde promotieopdrachten enerzijds, en het soepeler stelsel aan regels omtrent de promotieopdrachten anderzijds. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 6 van dit ontwerp. De voormelde versoepeling geldt enkel indien de opdracht, naast de financiering en de uitvoering, ook betrekking heeft op het ontwerp. Om de hierboven aangehaalde versoepeling mogelijk te maken, alsook om een aantal bijzondere afwijkingsmogelijkheden in te lassen wat sommige bepalingen omtrent wijzigingen aan de opdracht betreft, werd voorzien in een vervanging van de vierde paragraaf. Nog steeds geldt dat slechts afgeweken mag worden van de andere verplichte bepalingen dan die bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van artikel 9 in behoorlijk verantwoorde gevallen, voor zover de bijzondere eisen van de opdracht dit noodzakelijk maken. Echter zijn een aantal uitzonderingen op dit principe toegevoegd. Vooreerst wordt het mogelijk gemaakt om te voorzien in afwijkingen op het nieuw ingevoegde artikel 38/7, zonder dat de noodzakelijkheid ingevolge de bijzondere eisen van de opdracht moet kunnen worden aangetoond. Het voormelde artikel 38/7 heeft betrekking op prijsherzieningsclausules (voor nadere toelichting omtrent deze bepaling, zie de commentaar bij artikel 21). Het zou te ver gaan om voor afwijkingen op dit artikel een dergelijke noodzakelijkheidstoets op te leggen. Daarnaast moet evenmin de noodzakelijkheid kunnen worden aangetoond, wanneer afgeweken wordt van de nieuw ingevoegde artikelen 38/9, §§ 1 tot 3 en 38/10, §§ 1 tot 3. Deze bepalingen hebben betrekking op onvoorzienbare omstandigheden tot een ontwrichting van het contractueel evenwicht leiden. Indien afgeweken wordt van deze bepalingen, dan moet dit uitdrukkelijk gemotiveerd worden in het bestek. Deze aanpak sluit aan bij die van het huidige artikel 9, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3, weze het dat aan de niet-inachtneming van deze laatste verplichting niet de sanctie wordt verbonden dat de afwijking voor niet-geschreven gehouden moet worden. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 21. Hier wordt volstaan met de melding dat in de hier besproken bepaling geen melding wordt gemaakt van de artikelen 38/9, § 4 en 38/10, § 4, aangezien deze bepalingen opgenomen zijn in de lijst van bepalingen waarvan nooit afgeweken mag worden. In de oplijsting van de artikelen waarvan slechts mits uitdrukkelijke motivering in de opdrachtdocumenten mag worden afgeweken, wordt niet langer melding gemaakt van de artikelen 62 en 96. Artikel 62 is immers reeds opgenomen in de lijst van artikelen waarvan nooit afgeweken mag worden (hetgeen op zijn beurt te verklaren valt door het feit dat inzake verbreking er voortaan ook regels zijn opgenomen in de Europese richtlijnen). Artikel 96 wordt opgegeven (zie artikel 46 van dit ontwerp). Als voorbeeld van een bepaling waarvan slechts mits uitdrukkelijke motivering in de opdrachtdocumenten mag afgeweken worden, kan verwezen worden naar een afwijking, om redenen van veiligheid of omwille van de volksgezondheid, van de in artikel 44, § 2, bedoelde verweermiddelentermijn. Ter herinnering, overeenkomstig de voormelde bepaling moet de aanbesteder de tekortkomingen op de bepalingen van de opdracht vaststellen in een proces-verbaal waarvan een afschrift wordt verzonden naar de opdrachtnemer. Deze laatste beschikt vervolgens over een termijn van vijftien dagen om zijn verweer te doen gelden. In sommige gevallen is de voormelde termijn te lang, bijvoorbeeld bij een opdracht ter inrichting van verkeerssignalisatie op een autosnelweg. In dit geval maken de bijzondere eisen van de opdracht het noodzakelijk om sneller te ingrijpen. Zoals hierboven toegelicht moeten verschillende hypothesen onderscheid worden. Echter geldt voor alle afwijkingen, bij alle opdrachten, dat de lijst van bepalingen waarvan wordt afgeweken, vooraan in het bestek moet worden vermeld. Art. 10.Deze bepaling is gericht op het aanbrengen van enkele wijzigingen in het derde lid van artikel 10 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Ingevolge deze wijzigingen zal het voor de aanbesteder voortaan niet alleen mogelijk zijn om het gebruik van elektronische middelen toe te staan van het uitwisselen van schriftelijke stukken. De aanbesteder zal dit ook kunnen opleggen. Deze mogelijkheid tot het verplichten van het gebruik van elektronische communicatiemiddelen ligt in het verlengende van het principiële gebruik van elektronische communicatiemiddelen in het kader van de plaatsing van de opdrachten. Art. 11.Deze bepaling is gericht op het aanbrengen van een aantal verduidelijkingen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 omtrent de leidend ambtenaar. Er wordt uitdrukkelijk aan herinnerd dat de aanbesteder verplicht is om voor elke opdracht een leidend ambtenaar aan te stellen. In de aangepaste bewoordingen van het eerste lid wordt verduidelijkt dat de aanstelling schriftelijk moet gebeuren en uiterlijk bij de sluiting van de opdracht. Deze aanduiding mag reeds geschieden in de opdrachtdocumenten. Er wordt eveneens een lid toegevoegd waarin wordt verduidelijkt dat de leidende ambtenaar mag worden vervangen in de loop van de uitvoering. Art. 12.Deze bepaling is gericht op het vervangen van artikel 12 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 omtrent de onderaanneming. Het eerste lid van de huidige bepaling, dat betrekking heeft op het feit dat de opdrachtnemer aansprakelijk blijft ten opzichte van de aanbesteder wanneer hij de uitvoering van zijn verbintenissen geheel of gedeeltelijk aan derden toevertrouwt, blijft ongewijzigd behouden. Het tweede en derde lid komt voortaan in een gewijzigde versie aan bod in de nieuw ingevoegde artikelen 12/4 en 12/5 (zie infra). Voor zover nuttig wordt eraan herinnerd dat de wetgeving overheids-opdrachten niet mag afwijken van meer specifieke en dwingende regels in verband met het welzijn op het werk, die bijzondere verplichtingen opleggen onder meer ten laste van de opdrachtnemer voor of in verband met de uitvoering van bepaalde opdrachten. Deze reglementering verbiedt soms de mogelijkheid om taken toe te vertrouwen aan onderaannemers. Het vierde lid van de huidige bepaling, omtrent de gevallen waarbij een opdrachtnemer verplicht een beroep moet doen op bepaalde onderaannemers, wordt grotendeels hernomen in de paragrafen 2 en 3. Daarbij vallen de volgende wijzigingen te signaleren. De verplichting voor de opdrachtnemer om, wanneer hij in het kader van de plaatsingsprocedure gebruik heeft gemaakt van de draagkracht van bepaalde onderaannemers in het kader van de kwalitatieve selectie, in het kader van de uitvoering ook effectief beroep te doen op deze onderaannemers, is voortaan beperkt tot de criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties of inzake de relevante beroepservaring. Deze beperking is ingegeven door de artikelen 63.1 van richtlijn 2014/24/EU en 79.1 van richtlijn 2014/25/EU. Om die reden is overigens ook in artikel 72, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017 bepaald dat de ondernemers zich slechts mogen beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, effectief zullen uitvoeren, ten aanzien van de criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties, of inzake de relevante beroepservaring (in het koninklijk besluit speciale sectoren is een soortgelijke bepaling voorzien). De hier besproken bepaling vormt hier het spiegelbeeld van, in het kader van de uitvoering. Er werd voor gekozen om deze aanpak ook door te trekken naar de opdrachten op defensie-en veiligheidsgebied. Het spreekt voor zich dat het verplicht beroep op een onderaannemer op wiens draagkracht in het kader van de plaatsingsprocedure beroep werd gedaan voor de kwalitatieve selectie in verband met de criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties, of inzake de relevante beroepservaring, niet geldt wanneer de aanbesteder, overeenkomstig artikel 12/2, heeft verzocht om vervanging van de betreffende onderaannemer omdat deze zich in een uitsluitingssituatie bevindt. In dat geval moet gewoon toepassing worden gemaakt van artikel 12/2 dat hieronder wordt besproken. Dit is eveneens het geval in de hypothese waarbij de tussenkomst van een onderaannemer wordt opgelegd door de aanbesteder : ook hier doet de mogelijkheid van het verplicht opleggen (uitzonderlijk) van een onderaannemer uit de aard der zaak geen afbreuk aan de mogelijkheid/verplichting voor de aanbesteder om in de loop van de uitvoering nog om de vervanging van deze aangewezen onderaannemer te verzoeken overeenkomstig artikel 12/2. In beide voormelde gevallen zal de aanbesteder moeten nagaan, in het kader van het nazicht van de voorgestelde nieuwe onderaannemer, of deze laatste wel aan de betreffende kwalitatieve selectiecriteria voldoet en dit om de naleving van het gelijkheidsbeginsel te garanderen. De verplichting tot beroep op bepaalde onderaannemers, indien deze in de offerte reeds werden voorgedragen, komt aan bod in een afzonderlijke derde paragraaf. Door die gescheiden aanpak kan immers in het dispositief worden verduidelijkt dat het de opdrachtnemer in dat geval natuurlijk nog vrijstaat om de betreffende opdracht zelf uit te voeren. Slechts in het geval hij in de uitvoering gebruik wenst te maken van onderaanneming, zal hij in principe alleen beroep kunnen doen op de betreffende voorgedragen onderaannemers, tenzij wanneer hij de toestemming van de aanbesteder verkrijgt tot het inzetten van een andere onderaannemer. In de tweede en derde paragraaf wordt telkens verduidelijkt dat het verplicht beroep op bepaalde onderaannemers niet van toepassing is in het geval waarbij de aanbestedende overheid, overeenkomstig hierna besproken artikel 12/2, zou hebben verzocht om vervanging van de betreffende onderaannemer/s omdat deze zich in een uitsluitingsgrond bevindt. In het nieuw ingevoegd artikel 12/2 wordt inderdaad uitdrukkelijk voorzien dat de aanbestedende overheid kan of in bepaalde gevallen moet controleren of er in hoofde van de onderaannemers uitsluitingsgronden voorhanden zijn. Deze bepaling wordt hierna besproken. Het is logisch dat het verplicht beroep op een bepaalde onderaannemer vervalt indien om de vervanging van deze onderaannemer wordt verzocht in het licht van de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond. Deze bepaling wordt hierna toegelicht. De vierde paragraaf is nieuw en voorziet in een verplichting om in de opdrachtdocumenten, in omzetting van artikel 71.3 van richtlijn 2014/24/EU en artikel 88.3 van richtlijn 2014/25/EU, in een verwijzing te voorzien naar artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek. Art. 13.Deze bepaling is gericht op het invoegen van de artikelen 12/1 tot 12/4 die respectievelijk betrekking hebben op de transparantie omtrent de onderaanmingsketen, de verificatie in hoofde van onderaannemers of er uitsluitingsgronden voorhanden zijn, de beperking van de onderaannemingsketen en het opleggen dat ook de onderaannemer voldoet aan de eisen inzake kwalitatieve selectie. Deze bepalingen hebben met elkaar gemeen dat ze bijdragen aan de strijd tegen de sociale dumping in de onderaannemingsketen. Bij deze wordt ook verwezen naar artikel 39, waarbij een artikel 78/1 werd ingevoerd omtrent de naleving van de regeling inzake de erkenning van aannemers in de onderaannemingsketen. Voor meer informatie hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 39. Het nieuwe artikel 12/1 is gericht op de omzetting van de artikelen 71.5 van richtlijn 2014/24/EU enerzijds en 88.5 van richtlijn 2014/25/EU anderzijds, omtrent de verplichte informatieverstrekking omtrent de onderaannemers door de opdrachtnemer naar de aanbesteder toe. Telkens wanneer in een verplicht nazicht van de afwezigheid van uitsluitingsgronden is voorzien in hoofde van de (rechtstreekse) onderaannemer (zie infra artikel 12/2), meer bepaald voor elke opdracht in een fraudegevoelige sector (zie nieuw ingevoegde definitie in artikel 4, g), is ook in een verplichting voorzien voor de opdrachtnemer om informatie omtrent deze onderaannemers over te maken aan de aanbesteder. Deze verplichting is ook van toepassing gemaakt, op de betreffende opdrachten, zelfs al betreft het een opdracht waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking. Hetzelfde geldt overigens bij opdrachten voor diensten die ter plaatse onder rechtstreeks toezicht van de aanbesteder moeten worden uitgevoerd. Tot slot geldt de verplichting tot informatieverstrekking eveneens wanneer het een opdracht betreft die wordt geplaatst door een overheidsbedrijf (zelfs al is artikel 12/2 op deze opdrachten niet van toepassing). De verplichting tot het overmaken van informatie die rechtstreeks op de opdrachtnemer rust (de aanbesteder moet hier dus niet om verzoeken), is daarenboven niet beperkt tot de rechtstreekse onderaannemer: de opdrachtnemer zal in de aangegeven (fraudegevoelige) gevallen informatie moeten doorgeven omtrent alle onderaannemers, op welke plaats in de onderaannemingsketen zij zich ook bevinden. Op die manier zal de aanbestedende overheid kunnen nagaan of de hierna besproken artikelen omtrent de beperking van de onderaannemingsketen (zie artikel 12/2) en de naleving van de erkenningsreglementering (zie artikel 78/1) wel correct worden nageleefd. De hier beschreven verplichtingen inzake informatieverstrekking doen geen afbreuk, wat de bewakingsdiensten betreft, aan de bijzondere verplichtingen vervat in de wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Overeenkomstig artikel 2, § 3bis, van de voormelde wet, ingevoegd door de wet van 13 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/01/2014 pub. 23/01/2014 numac 2014000055 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid type wet prom. 13/01/2014 pub. 30/01/2014 numac 2014000066 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 tot instelling van de functie van gemeenschapswacht, tot instelling van de dienst gemeenschapswachten en tot wijziging van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet sluiten, kunnen bewakingsopdrachten door de "hoofdaannemer" (in dit geval opdrachtnemer) slechts in de onderaanneming worden gegeven mits de naleving van een aantal strikte voorwaarden. Vooreerst dienen zowel de "hoofdaannemer" als de onderaannemer te beschikken over een vergunning voor het uitoefenen van de betrokken activiteiten. Daarnaast moet de "opdrachtgever" (in dit geval de aanbesteder) niet alleen op de hoogte worden gebracht, maar moet hij ook zijn voorafgaand akkoord verlenen met (het gedeelte van) de opdracht dat in onderaanneming zal worden gegeven, zo niet dan is geen onderaanneming toegelaten. In dit kader moeten een aantal gegevens in een schriftelijke overeenkomst tussen de "opdrachtgever" en de "hoofdaannemer" worden opgenomen. Het betreft niet alleen de naam van de betreffende onderaannemer en zijn contactgegevens, maar ook de periode, de tijdstippen en de plaatsen waar de betreffende activiteiten in onderaanneming zullen worden uitgevoerd. De communicatie van deze laatste gegevens is niet vereist door het hier besproken artikel 12/1 maar wel door de voormelde wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten. Zoals reeds vermeld moeten de betreffende gegevens niet alleen gecommuniceerd worden, maar moeten deze in een schriftelijke overeenkomst worden opgenomen tussen "opdrachtgever" (in dit geval aanbesteder) en "hoofdaannemer" (in dit geval opdrachtnemer). In het derde lid is voorzien dat de aanbesteder ook in alle andere gevallen de betreffende gegevens kan opvragen bij de opdrachtnemer (zelfs al betreft het dus een opdracht die niet gecatalogeerd wordt als zijnde fraudegevoelig en zelfs al betreft het geen dienst die ter plaatse onder rechtstreeks toezicht wordt uitgevoerd). Alleen zal hij hiertoe dus een verzoek moeten richten tot de opdrachtnemer. Tot slot wordt in het vierde lid verduidelijkt dat de opdrachtdocumenten kunnen opleggen dat de betreffende informatie wordt verstrekt onder de vorm van een Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna UEA genoemd). Dit kan slechts voor opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de drempels voor de Europese bekendmaking. In het vierde lid wordt eveneens verduidelijkt dat, als de informatie omtrent de onderaannemers moet worden verstrekt onder vorm van een UEA, dan het volledig UEA moet worden ingevuld. Op heden is omtrent het ontbreken van uitsluitingsgronden in hoofde van onderaannemers geen verplicht formeel nazicht van toepassing. Op grond van de artikelen 71.6.
- b)van richtlijn 2014/24/EU en 88.6.
- b)van richtlijn 2014/25/EU, kunnen de aanbestedende overheden controleren, of door de lidstaten verplicht worden te controleren, of er gronden voor uitsluiting van onderaannemers voorhanden zijn. Het betreft een maatregel die bijdraagt tot de naleving, ook in de onderaannemingsketen, van het arbeids-, sociaal en milieurecht. Het betreft facultatief om te zetten bepalingen van de richtlijnen. Deze optie uit de richtlijnen zal aldus worden gelicht. Reeds in de wet werd aangegeven dat van deze mogelijkheid gebruik zou worden gemaakt, zeker wat de klassieke sectoren betreft (zie artikel 86, eerste lid, van de wet, waarin in een verplichte machtigingsbepaling aan de Koning is voorzien). Het eerste lid van de eerste paragraaf van artikel 12/2 heeft betrekking op de mogelijkheid voor een aanbestedende overheid om te controleren of er in hoofde van de rechtstreekse onderaannemer/s van de opdrachtnemer gronden tot uitsluiting voorhanden zijn. Het betreft de uitsluitingsgronden die ook in het kader van de plaatsingsprocedure van toepassing zijn. Als omtrent de betreffende onderaannemer in het kader van het nazicht uitsluitingsgronden aan het licht komen als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van de wet of in artikel 63, § 1, van het koninklijk besluit defensie en veiligheid, zal de aanbestedende overheid moeten verzoeken dat de opdrachtnemer overgaat tot de vervanging van de betreffende onderaannemer. Als het daarentegen een facultatieve uitsluitingsgrond betreft, dan kan de aanbestedende overheid hetzelfde verzoeken. Bij het hanteren van de facultatieve uitsluitingsgronden, moeten de aanbestedende overheden net zoals dit het geval is in het kader van de plaatsingsprocedure bijzondere aandacht schenken aan het proportionaliteitsbeginsel. Kleine onregelmatigheden mogen slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een onderaannemer leiden. Doen zich echter herhaaldelijk kleine onregelmatigheden voor, dan kan dit twijfel doen rijzen over de betrouwbaarheid van de onderaannemer en reden tot uitsluiting zijn. Het derde lid bevat een aantal formaliteiten die erop gericht zijn te garanderen dat de rechten van verdediging worden nageleefd. Het betreft meer bepaald de vereiste dat vaststelling van de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond en van het verzoek tot vervanging in een proces-verbaal wordt vastgesteld dat moet worden verzonden aan de opdrachtnemer overeenkomstig artikel 44, § 2, eerste lid. Op die manier worden de rechten van verdediging gewaarborgd. Meteen wordt er al op gewezen dat, ingevolge hetgeen bepaald is in de derde paragraaf, de betreffende onderaannemer ook de mogelijkheid zal hebben om corrigerende maatregelen te nemen, zoals deze mogelijkheid bestaat in het kader van de plaatsing voor kandidaten en inschrijvers. Niettemin vallen een aantal verschilpunten te signaleren. Anders dan het geval is in het kader van de plaatsing mogen de corrigerende maatregelen nog in de loop van de verweermiddelentermijn van de opdrachtnemer van vijftien dagen worden aangebracht. Deze termijn van vijftien dagen kan evenwel worden ingekort overeenkomstig artikel 44, § 2, derde lid (zie infra, commentaar bij artikel 23). Wat de mogelijkheid betreft om zich op het vlak van de sociale en fiscale schulden in regel te stellen werd in een soortgelijke regeling voorzien. Net zoals het geval is in het kader van de plaatsing beschikt elke onderaannemer in de loop van de uitvoering opnieuw over één regularisatiemogelijkheid op het vlak van de sociale en fiscale schulden. In het (eerder uitzonderlijke) geval dat een onderaannemer reeds in het kader van de plaatsing gebruik maakte van de éénmalige regularisatiemogelijkheid (bijvoorbeeld omdat op diens draagkracht werd beroep gedaan door een kandidaat of inschrijver), mag deze in de loop van de uitvoering opnieuw gebruik maken van deze éénmalige regularisatiemogelijkheid. De in aanmerking te nemen termijn is verschillend in het kader van de plaatsing en de uitvoering. In het tweede lid worden twee gevallen opgesomd waarbij het geen mogelijkheid tot nazicht betreft maar een verplichting tot nazicht, meer bepaald in de gevallen waarbij het een opdracht betreft in een fraudegevoelige sector (zie nieuwe definitie in artikel 2, g). Dit zal het geval zijn wanneer het een door een aanbestedende overheid geplaatste opdracht voor werken betreft. De verplichting geldt evenwel slechts voor opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt. Ook de opdrachten voor diensten die worden geplaatst door een aanbestedende overheid in het kader van de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde activiteiten die onder het toepassingsgebied vallen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden, vallen onder de verplichting (wederom wanneer de geraamde waarde van de opdracht de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt). Aangezien het in deze gevallen fraudegevoelige opdrachten betreft van een zekere omvang, werd in een verplichting voorzien. De verplichting is alleen van toepassing ten aanzien van aanbestende overheden (zowel in de klassieke sectoren als in de speciale sectoren). In het tweede lid wordt ook verduidelijkt wanneer dit nazicht precies moet worden verricht, namelijk zo spoedig mogelijk nadat de aanbesteder van de opdrachtnemer de in artikel 12/1 bedoelde gegevens omtrent de onderaannemers ontvangt. De tweede paragraaf bevat vervolgens de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om ook verderop in de onderaannemingsketen de afwezigheid van uitsluitingsgronden na te gaan. In dit kader past het reeds te wijzen op het nieuwe artikel 12/3, waarbij voorzien is in een beperking van de onderaannemingsketen tot maximaal twee, drie of vier niveaus voor de opdrachten in een fraudegevoelige sector. De verplichting voor de betreffende opdrachten is alleen van toepassing gemaakt op de rechtstreekse onderaannemers om de administratieve lasten niet te gevoelig uit te breiden voor de aanbestedende overheden. Niettemin beschikken zij over de mogelijkheid om verderop in de sowieso (in de fraudegevoelige sectoren) beperkte keten het nazicht te verrichten. De vierde paragraaf bevat de sanctie die van toepassing is wanneer geen gevolg wordt gegeven door de opdrachtnemer aan de vervangingsplicht. In dat geval wordt een straf toegepast van 0,2 procent van de oorspronkelijke aannemingssom, waarbij evenwel ook de plafondbedragen van toepassing zijn van ofwel 5.000, ofwel 10.000 euro, afhankelijk van het geval. Er wordt verduidelijkt dat de straf wordt toegepast vanaf de vijftiende dag na de datum van verzending van de aangetekende zending of de elektronische zending die op vergelijkbare wijze de exacte datum van de verzending waarborgt, tot en met de dag waarop in de vervanging wordt voorzien of de uitvoering van het overeenkomstige deel van de opdracht werd gerealiseerd. In het nieuw artikel 12/3 wordt in de eerste paragraaf het verbod ingevoerd voor de onderaannemer om het geheel van de opdracht dat hem werd toegewezen in onderaanneming te geven. Deze maatregel is alleen van toepassing op de onderaannemers en niet op de opdrachtnemer en beperkt dan ook de toegang van kandidaten of inschrijvers tot de opdracht niet. Het betreft een maatregel die bijdraagt aan de strijd tegen de sociale dumping waarmee, in uitvoering van artikel 18.2 van richtlijn 2014/24/EU gewaarborgd wordt dat de ondernemers bij de uitvoering van de overheidsopdracht moeten voldoen aan de toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht. In artikel 71.6 van richtlijn 2014/24/EU wordt erop gewezen dat de lidstaten met name in de onderaannemingsketen maatregelen kunnen nemen om hun verplichtingen na te komen. Deze maatregel draagt ook bij tot een betere naleving van de hieronder besproken beperking van de onderaannemingsketen. Er moet op worden gewezen dat het voor de naleving van dit artikel niet volstaat voor een onderaannemer om alleen het beheer van het luik coördinatie te behouden et de totaliteit van de effectieve taken in onderaanneming te geven aan meerdere onderaannemers die lager tussenkomen in de keten. In de tweede paragraaf wordt de onderaannemingsketen beperkt tot twee, drie of uitzonderlijk vier niveaus voor de betreffende opdrachten in een fraudegevoelige sector die worden geplaatst door aanbestedende overheden, ongeacht het geraamde opdrachtbedrag. In de praktijk worden immers vooral praktijken inzake sociale dumping vastgesteld diep in de onderaannemingsketen. Er wordt dan ook verwacht dat het beperken van de onderaannemingsketen ruim zal bijdragen aan de strijd tegen de sociale dumping, met name (maar niet alleen) in de bouwsector. Opnieuw wordt verwezen naar de nieuw definitie van het begrip "opdracht in een fraudegevoelige sector" vervat in artikel 2, g). Ook hier wordt erop gewezen dat de beperking van de onderaannemingsketen geen afbreuk doet, wat de bewakingsdiensten betreft, aan de bijzondere verplichtingen vervat in de wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Overeenkomstig artikel 2, § 3bis, van de voormelde wet ..., ingevoegd door de wet van 13 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/01/2014 pub. 23/01/2014 numac 2014000055 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid type wet prom. 13/01/2014 pub. 30/01/2014 numac 2014000066 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 tot instelling van de functie van gemeenschapswacht, tot instelling van de dienst gemeenschapswachten en tot wijziging van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet sluiten, is onderaanneming van de betreffende bewakingsdiensten in principe namelijk niet toegelaten, tenzij een aantal zeer strikte voorwaarden worden nageleefd. Zo moet er tussen de "opdrachtgever" (in dit geval aanbestedende overheid) en de "hoofdaannemer" (in dit geval de opdrachtnemer) een schriftelijke overeenkomst bestaan waarin een aantal gegevens omtrent de betreffende onderaannemer staan vermeld. De facto verhindert dit het verder in onderaanneming geven door de onderaannemer van het eerste niveau. De in de hier besproken tweede paragraaf bedoelde beperking van de onderaannemingsketen tot twee, drie of vier niveaus is de facto dus reeds in meer ingrijpende wijze beperkt tot één niveau ingevolge de voormelde wet van 10 april 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten. Hoe langer de verticale onderaannemingsketen, hoe groter het risico voor de opdrachtnemer de controle over zijn keten te verliezen en hoe moeilijker de organisatie en het nazicht van zijn onderaannemingsketen zal zijn, alsook het feit ervoor te zorgen dat de sociale, arbeids- en milieuwetgeving daar worden nageleefd en het feit over efficiënte actiemiddelen te beschikken tussen de hoogste en de laagste in de keten. Deze situatie van risico op controleverlies van de onderaannemingsketen is evenmin gunstig voor de aanbestedende overheid. Overigens riskeert de onderaannemer die zich op het einde van een lange keten bevindt, een onvoldoende prijs te ontvangen die hem niet toelaat de voormelde wetgevingen na te leven, gezien de talrijke voorgaande onderaannemers in de keten allen betaald willen worden voor hun interventie. Het verbod op lange verticale onderaannemingsketens is een van de middelen om een dergelijke situatie te vermijden. In het tweede en derde lid worden de mogelijkheden behandeld om nog één bijkomend niveau toe te voegen. Daartoe is in principe het voorafgaandelijk schriftelijk akkoord van de aanbestedende overheid vereist, tenzij er onvoorzienbare omstandigheden zijn die schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan de aanbestedende overheid binnen de dertig dagen nadat ze zich hebben voorgedaan. Het betreft omstandigheden die redelijkerwijze niet voorzienbaar waren bij de indiening van de offerte, die niet konden worden ontweken en waarvan de gevolgen niet konden worden verholpen door de ondernemers, niettegenstaande al het nodige daartoe werd gedaan. In het vierde lid wordt opgesomd hetgeen, voor de toepassing van dit artikel, niet beschouwd wordt als onderaanneming. Alle andere overeenkomsten onder bezwarende titel die gericht zijn op de uitvoering van de opdracht of een onderdeel ervan, rechtstreeks of onrechtstreeks, in welk stadium ook, kunnen worden beschouwd als onderaanneming. Er is voorzien dat de levering van goederen op de bouwplaats (levering van bouwmaterialen, van stortklaar beton, van ramen, ...), zonder bijkomende plaatsing- of installatiewerken, niet beschouwd wordt als onderaanneming voor de toepassing van dit artikel. In de derde paragraaf is in een sanctioneringsmechanisme voorzien. Dit mechanisme is identiek aan dat van artikel 12/2. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de commentaar bij het betreffende artikel. Wel wordt er hier nogmaals aan herinnerd dat de opdrachtnemer overeenkomstig paragraaf 2, lid 2, in twee gevallen over een bijkomend niveau van onderaanneming mag beschikken (mits voorafgaand akkoord van de aanbestedende overheid en zelfs zonder een dergelijk akkoord van deze laatste, wanneer zich omstandigheden voordoen die redelijkerwijze niet voorzienbaar waren bij de indiening van de offerte en de betreffende voorwaarden zijn vervuld). Er moet worden vastgesteld dat het Hof van Justitie zich nog niet heeft kunnen uitspreken over beperkingen van de onderaannemingsketen in uitvoering van artikel 71.6 van richtlijn 2014/24/EU (of artikel 88.6 van richtlijn 2014/25/EU). Het betreft immers een volledig nieuwe bepaling die stelt dat de lidstaten, ter voorkoming van inbreuken door onderaannemers op de toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht, passende maatregelen kunnen treffen waaronder het invoeren van hoofdelijke aansprakelijkheidsmechanismen en het nazicht of de afwezigheid van uitsluitingsgronden. Deze bevinding van de Europese regelgever sluit aan op bevindingen in de praktijk, waarbij inderdaad werd vastgesteld dat praktijken inzake sociale dumping zich met name in de onderaannemingsketen voordoen. De precieze draagwijdte van de in artikel 71.6 bedoelde preventieve maatregelen is in de richtlijn niet precies omlijnd. In dit verband is het niet onbelangrijk artikel 18.2 van richtlijn 2014/24/EU opnieuw onder de aandacht te brengen, waarin de naleving van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht tot algemeen beginsel bij het plaatsen van overheidsopdrachten wordt verheven. Inderdaad moet worden vastgesteld dat van de niet-naleving van deze verplichtingen vaak een mededingingsvertekenend effect zal uitgaan. Het nieuwe beginsel is een logisch voortvloeisel van verplichting om de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen. Mede om die reden moeten de lidstaten over enige ruimte beschikken om maatregelen uit te werken in uitvoering van artikel 71.6 van richtlijn 2014/24/EU. Met de in artikel 12/3 beoogde maatregelen wordt een legitiem doel nagestreefd. Er is eveneens voldaan aan de evenredigheidseis. Zo is het verbod voor een onderaannemer om het geheel van de opdracht dat hem werd toegewezen verder in onderaanneming te geven allesbehalve streng en dus ook niet zo belemmerend. Het volstaat immers dat de onderaannemer zelf zorgt voor de uitvoering van een klein deel van de hem toegewezen opdracht, waarna hij de rest verder in onderaanneming kan geven. Er werd geoordeeld dat van een dergelijk verbod toch een belangrijk gevolg zal hebben : de onderaannemer moet er zich van bewust zijn dat hij een deel van de opdracht zelf zal moeten uitvoeren. Het opzetten van ellenlange cascades wordt aldus tegengegaan, ook in de sectoren die niet als fraudegevoelig zijn aangemerkt (voor de opdrachten voor werken en diensten in de fraudegevoelige sectoren werd de onderaannemingsketen op meer strikte wijze beperkt). In de mate dat de maatregel minder belemmerend is, moet vlugger worden geoordeeld dat aan de proportionaliteitsvereiste is voldaan. De beperking gaat niet verder dan nodig. De invoering van het nazicht op afwezigheid van uitsluitingsgronden van onderaannemers (al dan niet verplicht) en de maatregelen inzake hoofdelijke aansprakelijkheid volstaan op zich namelijk niet als preventieve maatregelen, willen zij hun beoogde effect ressorteren. Een dergelijk nazicht doet immers de administratieve lasten voor de aanbestedende overheid in belangrijke mate toenemen. Als geen enkele bijkomende beperking op de onderaannemingsketen wordt ingevoerd blijven zeer lange onderaannemingsketens perfect mogelijk, hetgeen de administratieve lasten onbeheersbaar dreigt te maken, hetgeen finaal dan ook de effectiviteit van de maatregel zou ondergraven. Als de onderaannemingsketen te lang wordt, dan zal de aanbestedende overheid de facto pas kunnen tussenkomen wanneer reeds onregelmatigheden worden vastgesteld. Echter blijkt duidelijk uit artikel 71.6 dat het mogelijk moet zijn preventieve maatregelen te nemen. Vandaar de nood aan bijkomende maatregelen. Uit het zogenaamde Wroclaw- arrest van 14 juli 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten6 van het Hof van Justitie (zaak C-406/14) volgt dat de richtlijn 2004/18/EG eraan in de weg staat dat een aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten de opdrachtnemer ertoe verplicht een in abstracto bepaald deel van de opdracht met eigen middelen uit te voeren. Hoewel er aantal belangrijke verschilpunten vallen te signaleren tussen het in artikel 12/3, § 1, bedoelde verbod en het arrest C-406/14 (in arrest C-406/14 wordt uit de aard der zaak nog niet verwezen naar het nieuwe artikel 71.6 richtlijn 2014/24/EU; in artikel 12/3, § 1, van het ontwerp betreft het geen verplichting om een in abstracto bepaald deel, bijvoorbeeld 20 %, zelf uit te voeren, maar een verbod om de totaliteit in onderaanneming te geven), werd het toch raadzaam geacht het verbod niet te veralgemenen naar de opdrachtnemer toe. De opdrachtnemer (op het moment van de plaatsing nog inschrijver) bevindt zich immers in een heel andere positie dan een onderaannemer. Een inschrijver weet uit de aard der zaak niet of hij een opdracht zal toegewezen krijgen. Vaak zal dit niet het geval zijn. Indien het verbod zou worden uitgebreid naar de opdrachtnemer, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat een inschrijver geneigd zou kunnen zijn om deel te nemen aan minder overheidsopdrachten tegelijkertijd. In de hypothese dat hij toch alle opdrachten waaraan hij deelnam krijgt toegewezen, kan hij immers moeilijkheden ondervinden om deze gelijktijdig uit te voeren, wetende dat hij als opdrachtnemer niet de totaliteit in onderaanneming zal mogen geven. Indien het verbod zou worden uitgebreid naar de opdrachtnemer, kan hiervan dus een mededingingsbelemmerende werking uitgaan. De situatie is anders voor de onderaannemer. Doorgaans zal de onderaannemingsketen, in het geval geen beroep wordt gedaan op de draagkracht van een onderaannemer, pas concreet vorm krijgen zodra de kennisgeving van de gunningsbeslissing is verstuurd. In overweging 32 van de richtlijn 2004/18/EG werd verklaard dat de mogelijkheid van onderaanneming kleine en middelgrote ondernemingen kan aanmoedigen om mee te dingen naar overheidsopdrachten. Dankzij onderaanneming kunnen dergelijke ondernemingen deelnemen aan plaatsingsprocedures en maken zij kans op de gunning ongeacht de omvang van opdracht. Onderaanneming draagt er aldus inderdaad toe bij dat de doelstellingen van de richtlijnen overheidsopdrachten worden verwezenlijkt door het aantal potentiële kandidaten voor overheidsopdrachten te vergroten (conclusies van de advocaat-generaal Sharpston in de Zaak C-406/14, punt 30). Anders gesteld : het feit dat inschrijvers-KMO's weten dat zij, in geval zij de opdracht krijgen toegewezen, één of meerdere onderaannemers kunnen aanstellen, moedigt hen aan om ondanks de omvang van de opdracht die voor hen eerder groot kan zijn, toch een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen. Aangezien het verbod van artikel 12/3, § 1, niet van toepassing is op de opdrachtnemer, en dus ook de deelname van inschrijvers of kandidaten aan de plaatsingsprocedure niet kan ontmoedigen, is het verbod niet problematisch, noch het licht van het arrest C-406/14, noch in het licht van artikel 71.6 en 71.8 van richtlijn 2014/24/EU. De hierboven opgegeven verduidelijkingen wat de proportionaliteit betreft van de bepalingen zijn eveneens van toepassing wat de in de tweede paragraaf bedoelde beperking van de onderaannemingsketen betreft. In dit verband moet erop worden gewezen dat de aldus uitgewerkte beperking alleen geldt voor de opdrachten voor werken en voor de opdrachten voor diensten in de fraudegevoelige sectoren. Zelfs in zijn meest strenge vorm gaat de beperking (nog onafgezien van onderstaande doorbrekingsmogelijkheid) niet verder dan het tweede niveau. De opdrachtnemer kan de totaliteit van de opdracht in onderaanneming geven en de onderaannemer van het eerste niveau kan nogmaals in onderaanneming geven maar moet ook een deel van de hem toegewezen opdracht zelf uitvoeren (zie artikel 12/3, § 1). Als het een opdracht voor werken betreft die volgens zijn aard in een categorie wordt ingedeeld overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 september 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten5, dan komt daar nog de mogelijkheid tot een derde niveau bij. Er moet ook op worden gewezen dat de beperking tot twee dan wel drie niveaus kan worden doorbroken. Meer bepaald dat een bijkomend niveau van onderaanneming mogelijk werd gemaakt mits voorafgaand schriftelijk akkoord van de aanbestedende overheid, of zelfs zonder akkoord van deze laatste, wegens onvoorzienbare omstandigheden. In het laatste lid worden ook in een aantal uitzonderingen voorzien. Artikel 12/4 heeft betrekking op de mogelijkheid voor de aanbesteder om te eisen dat de onderaannemers, in verhouding tot het deel van de opdracht dat zij zullen uitvoeren, voldoen aan de minimumeisen inzake technische en beroepsbekwaamheid die door de opdrachtdocumenten zijn opgelegd. De bepaling komt slechts gedeeltelijk overeen met het huidig artikel 12, tweede lid, 1° en derde lid. Meer bepaald is niet langer sprake van de mogelijkheid voor de aanbesteder om te vereisen dat de onderaannemers verhoudingsgewijs voldoen aan de minimumeisen inzake financiële en economische draagkracht. Op die manier wordt gedeeltelijk gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State omtrent de onderhavige bepaling. Volgens de Raad van State lijkt het de wil van de Europese regelgever te zijn om de uitsluitingscriteria wél en de selectiecriteria niet te laten doorwerken doorheen de teken. Echter werd beslist om de mogelijkheid te behouden voor de aanbesteder om te vereisen dat voldaan is (verhoudingsgewijs) aan de minimumeisen inzake technische en beroepsbekwaamheid en dit om de goede uitvoering van de opdracht te verzekeren. Het zou inderdaad niet logisch zijn, noch opportuun, om voor boekhoudkundige diensten toe te laten dat beroep zou worden gedaan op een onderaannemer die niet over de daarvoor noodzakelijke technische en beroepsbekwaamheid beschikt. Aldus wordt een oogmerk nagestreefd (de goede uitvoering van de opdracht verzekeren) die de draagwijdte van artikel 71.6 van richtlijn 2014/24/EU te buiten gaat. Deze laatste bepaling is er alleen op gericht toe te laten dat passende maatregelen worden getroffen door de lidstaten ter voorkoming van inbreuken op de toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeid. Niettemin werd het wijselijk geacht om de verenigbaarheid met de Europese verdragen te garanderen, om de mogelijkheid om bepaalde kwalitatieve selectiecriteria te laten "doorwerken" alleen te behouden voor de minimumeisen inzake technische en beroepsbekwaamheid. Art. 14.Deze bepaling vervangt het eerste lid van artikel 13 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. De bepaling onder 1° van de nieuwe oplijsting komt overeen met de bepaling onder 2° van de huidige oplijsting. Deze bepaling behoudt met name zijn nut voor opdrachten geplaatst door overheidsbedrijven. Voor deze opdrachten is het nieuw ingevoegde en zonet besproken artikel 12/3 immers niet van toepassing. In de bepalingen onder 2° van de nieuwe oplijsting wordt nog steeds verwezen naar de gevallen van artikel 62 (onder bijstandstelling wegens verkwisting, onbekwaamverklaring, internering, ...). Om redenen van duidelijkheid wordt niet langer dubbel verwezen naar de uitsluitingsgronden. De aanpak op dit punt wordt immers voortaan meer gedifferentieerd benaderd (zie infra). Er wordt nog vermeld dat de bepaling die op heden is vervat in artikel 62, 5°, wordt opgeheven. Voor nadere toelichting omtrent deze opheffing wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 29. In de bepalingen onder 3° en 4° van de nieuwe oplijsting, wordt de aanpak op het vlak van de uitsluitingsgronden gedifferentieerd al naar gelang het een opdracht betreft die valt onder titel 2 of 3 van de wet, dan wel een opdracht die onder de toepassing valt van de wet defensie en veiligheid. Wat deze laatste opdrachten betreft wijzigt er quasi niets (tenzij de supra reeds aangehaalde punten). Nog steeds is het de opdrachtnemer verboden het geheel of een gedeelte van de opdracht toe te vertrouwen aan een onderneming die zich in om het even welke uitsluitingstoestand bevindt. Dit verbod blijft aldaar dus ook slaan op de facultatieve uitsluitingsgronden. De situatie is verschillend voor de opdrachten die onder de toepassing van titel 2 van de wet vallen. Zoals hierboven reeds besproken, in de commentaar bij artikel 12, is voortaan voorzien dat de aanbestedende overheid de afwezigheid van uitsluitingsgronden in een aantal fraudegevoelige sectoren niet alleen moet nazien in hoofde van de kandidaten en inschrijvers maar ook, in het kader van de uitvoering, in hoofde van de rechtstreekse onderaannemer. Wat de facultatieve uitsluitingsgronden betreft, is dit nazicht in hoofde van de onderaannemer gelijkaardig als in hoofde van de kandidaat of inschrijver. Er geldt geen verplichting tot uitsluiting. De aanbestedende overheid beschikt over een discretionaire beoordelingsruimte, hetgeen wel moet genuanceerd worden in het licht van onder meer het beginsel van behoorlijk bestuur. Deze discretionaire beoordelingsruimte van de aanbestedende overheid brengt met zich mee dat er ook geen absoluut verbod in hoofde van de opdrachtnemer betreft om zijn opdracht toe te vertrouwen aan een onderaannemer die zich in een facultatieve uitsluitingsgrond bevindt. Anders gesteld : het wegvallen van het absoluut verbod op het inschakelen van een onderaannemer die zich in een facultatieve uitsluitingsgrond bevindt, wordt opgevangen door het nazicht en in de fraudegevoelige sectoren zelf het verplichte nazicht door de aanbestedende overheid. Het spreekt voor zich dat de opdrachtnemer er alle belang bij heeft om alleen te werken met onderaannemers die zich niet in een facultatieve uitsluitingsgrond bevinden: als hij in de loop van de uitvoering geconfronteerd wordt met de vervangingsplicht, zal dit ook op zijn kosten een invloed hebben, zonder dat dit aspect zal kunnen verhaald worden op de aanbestedende overheid. De situatie is opnieuw verschillend voor de opdrachten in de speciale sectoren (de opdrachten die vallen onder titel 3 van de wet). Ter herinnering, voor deze opdrachten zijn voortaan alleen nog de aanbestedende overheden formeel verplicht om rekening te houden met de aanpak op vlak van de uitsluitingsgronden vervat in de artikelen 67 tot 69 van de wet (zie artikel 151, § 1, van de wet). De overheidsbedrijven en personen met bijzondere of alleenrechten kunnen dit natuurlijk ook doen, en het ligt in de lijn van de verwachtingen dat velen zich zullen blijven baseren op de uitsluitingsgronden zoals ze bestaan in de klassieke sectoren, maar formeel kunnen ze eigen objectieve regels voor uitsluiting en selectie uitwerken. In het verlengde hiervan kan het absoluut verbod voor de opdrachtnemer om het geheel of een deel van de opdracht toe te vertrouwen aan een onderaannemer die zich bevindt in een verplichte uitsluitingsgrond, wat de speciale sectoren betreft alleen behouden blijven wanneer het een opdracht betreft die wordt geplaatst door een aanbestedende overheid (hetgeen slechts uitzonderlijk het geval zal zijn). Tot slot wordt er nog op gewezen dat, wat de opdrachten betreft die onder de wet vallen, hier opnieuw de mogelijkheid is ingebouwd om corrigerende maatregelen te nemen. Dit is niet het geval wat de opdrachten betreft die onder de wet defensie en veiligheid vallen. Art. 15.Deze bepaling is gericht op de vervanging van artikel 16 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 omtrent de arbeidskrachten. Nog steeds is bepaald dat de opdrachtnemer onmiddellijk de personeelsleden moet vervangen die volgens de aanbesteder de goede uitvoering van de opdracht belemmeren wegens hun onbekwaamheid, hun slechte wil of hun algemeen gekend wangedrag. De zin van artikel 35 van de Algemene Aannemingsvoorwaarden die waren aangehecht aan het koninklijk besluit van 26 september 1996, waarin werd bepaald dat het door de opdrachtnemer ingezet personeel voldoende in aantal moest zijn en, ieder in zijn vak, de vereiste bekwaamheid moet bezitten om de regelmatige vooruitgang en de goede uitvoering te waarborgen, is opnieuw opgenomen. De bewoordingen werden evenwel afgestemd op het feit dat het nu een bepaling betreft die van toepassing is op de opdrachten inzake werken, leveringen en diensten. Er is eveneens verduidelijkt dat de aanbesteder schriftelijk om de vervanging moet verzoeken en daarbij dient te preciseren welke personeelsleden hij vervangen wenst te zien. Art. 16.Deze bepaling actualiseert louter een aantal verwijzingen en behoeft dan ook geen nadere toelichting. Art. 17.Deze bepaling is gericht op de actualisatie van de lijst van diensten waarvoor, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, geen borgtocht geëist wordt. Deze actualisatie is het gevolg van het gewijzigde toepassingsgebied van de wet, alsook van het feit dat de indeling tussen bijlage II.A diensten en bijlage II.B diensten en de indeling in categorieën in dit verband in de wet niet langer van toepassing is. Zodoende werd waar nodig verwezen naar de overeenkomstige CPV-indeling. Deze bepaling bevat daarnaast ook een verduidelijking op het vlak van de berekeningswijze, voor de opdrachten voor leveringen en diensten die geen totale prijs vermelden, van de borgtocht. Het woord "berekeningsbasis" kon aanleiding geven tot verkeerde interpretaties. Art. 18.Deze bepaling wijst artikel 30 en verduidelijkt wat de nadere regels zijn wanneer een aanbesteder beroep doet op de borgtocht. Met name wordt verduidelijkt dat de instelling bij wie de borgtocht werd gesteld zijn akkoord om op de borgtocht af te houden niet afhankelijk mag maken van het fiat de opdrachtnemer. Een dergelijke fiat zou uit de aard der zaak de borgtochtregeling elk nut ontnemen. Er wordt verduidelijkt dat de instelling bij wie de borgtocht werd gesteld alleen mag nazien of de verweermiddelentermijn is nageleefd. Daarnaast moet de betreffende instelling ook nagaan of effectief borgtocht is gesteld en moet hij een verzoek ontvangen vanwege de aanbesteder om tot vrijgave over te gaan. Het beroep op de borgtocht sluit dan ook erg nauw aan bij een garantie op eerste verzoek. Het spreekt voor zich dat de aanbesteder slechts om de vrijgave van de borgtocht mag verzoeken als de verweermiddelentermijn is overschreden. Art. 19.Door middel van deze bepaling worden een aantal technische aanpassingen doorgevoerd in artikel 35 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 die het gevolg zijn van het veralgemeend gebruik van elektronische communicatiemiddelen. De bepaling is onder meer gericht op de aanpassing van artikel 35, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. In de voormelde bepaling, onder 1°, is voorzien dat de opdrachtnemer kosteloos een exemplaar van het bestek ontvangt op aanvraag. Deze bepaling is voor de meeste opdrachten achterhaald in het licht van de artikelen 64 en 145 van de wet. Ingevolge deze laatste bepalingen moet de aanbesteder uit eigen beweging (en dus niet op aanvraag) en eveneens op kosteloze wijze met elektronische middelen toegang tot de opdrachtdocumenten verschaffen en dit vanaf de bekendmaking van de aankondiging van een opdracht. In de voormelde bepalingen van de wet is eveneens reeds voorzien dat ook in de uitzonderingsgevallen waarbij geen vrije, volledige en rechtstreekse toegang kan worden geboden op elektronische wijze, de toegang kosteloos is. De bepaling hoeft dan ook slechts behouden blijven voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking of de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging. De zin is in een afzonderlijk lid ondergebracht. De overige aanpassingen hoeven geen nadere toelichting. Art. 20.Deze bepaling is gericht op de vervanging van de artikelen 37 en 38 en heeft betrekking op de gedeeltelijke omzetting van de artikelen 72 van richtlijn 2014/24/EU en 89 van richtlijn 2014/25/EU, omtrent de wijzigingen van opdrachten gedurende de looptijd. De bepalingen omtrent de wijzigingen van de opdracht zijn op heden vervat in de artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013. Ingevolge de voormelde richtlijnen, die voor het eerst in een bepaling voorzien die betrekking heeft op de wijziging van de opdracht, zal het reglementair kader omtrent de wijzigingen aan de opdracht gevoelig uitgebreid worden.Meer bepaald worden de artikelen 37 en 38 niet alleen vervangen, maar worden ook de artikelen 38/1 tot 38/19 ingevoegd door middel van het hieronder becommentarieerd artikel 21. Ingevolge de uitbreiding van het reglementair kader zullen meer mogelijkheden ter beschikking staan om tot wijziging over te gaan. Artikel 37 bevat alleen nog de basisregel dat opdrachten en raamovereenkomsten zonder nieuwe plaatsingsprocedure enkel kunnen worden gewijzigd in de gevallen voorzien in afdeling 5 van hoofdstuk 2. In het licht van de definitie van het begrip "opdracht", vervat in artikel 2, 6°, zijn de bepalingen omtrent wijzigingen ook van toepassing op wijzigingen van de raamovereenkomst. Artikel 38 stelt vervolgens dat een wijziging zonder nieuwe plaatsingsprocedure mag worden aangebracht, wanneer de wijziging ongeacht de geldelijke waarde ervan, in de oorspronkelijke opdrachtdocumenten voorzien was in duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsclausules. Wel is vereist dat de herzieningsclausules het toepassingsgebied omschrijven en de aard van de mogelijke wijzigingen alsmede de voorwaarden waaronder deze kunnen worden gebruikt. Zij mogen niet voorzien in wijzigingen die de algemene aard van de opdracht of raamovereenkomst kunnen veranderen. Het is inderdaad logisch dat de aanbestedende overheid wijzigingen moet kunnen aanbrengen (zij het niet onbeperkt) op grond van herzieningsclausules die in de opdrachtdocumenten waren voorzien. Indien een herzieningsclausule op een duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige manier wordt geformuleerd, zodat alle ondernemers die belangstelling hebben van meet af aan kennis hebben van de wijzigingsmogelijkheid (en zich aldus op voet van gelijkheid bevinden bij het indienen van hun offertes), belet niets de aanbestedende overheid om naderhand van deze clausule gebruik te maken en de opdracht te wijzigen, voor zover de clausules echter de algemene aard van de opdracht niet veranderen. De vereiste dat het moet gaan om duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige clausules vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie overwoog in het arrest Succhi di Frutta van 29 april 2004 bijvoorbeeld hetgeen volgt : "Het beginsel van doorzichtigheid, dat er het corollarium ... vormt [van het beginsel van gelijke behandeling], heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn.". De vereiste dat de "algemene aard" van de opdracht niet mag gewijzigd worden door de herzieningsclausule, komt ook nog in andere artikelen terug, meer bepaald in artikel 38/2, eerste lid, 2°, omtrent onvoorzienbare omstandigheden in hoofde van de aanbesteder en in artikel 38/4, tweede lid, omtrent de de minimis-regel. Dit is eveneens het geval in de overeenstemmende bepalingen uit de richtlijnen. In overweging 109 van richtlijn 2014/24/EU, wordt omtrent dit begrip verduidelijkt dat er geen nood is aan een wijzigingsmogelijkheid "in gevallen waarin een wijziging tot een verandering van de aard van de gehele aanbesteding leidt, bijvoorbeeld als werken, leveringen of diensten worden vervangen door iets anders of als het soort aanbesteding wezenlijk wordt veranderd, aangezien dan kan worden aangenomen dat het resultaat is beïnvloed". Uit deze overweging blijkt dat het begrip "wijziging van de algemene aard" niet te ruim moet worden begrepen. Het betreft geen verwijzing naar de "wezenlijke wijzigingen" waarvan sprake in artikel 38/5. Herzieningsclausules kunnen in tal van gevallen van nut zijn. Bijvoorbeeld kunnen zij ervoor zorgen dat communicatieapparatuur die over een bepaalde periode moet worden geleverd, aan de vereisten blijft voldoen, ook bij wijziging van de communicatieprotocollen of andere technische wijzigingen. Herzieningsclausules kunnen er ook voor zorgen dat het mogelijk blijft (mits de clausules voldoende duidelijk worden geformuleerd) om de opdracht aan te passen indien technische problemen bij het functioneren of het onderhoud zulks noodzakelijk maken. Hierbij wordt erop gewezen dat zowel gewoon onderhoud als buitengewone onderhoudshandelingen die noodzakelijk kunnen worden met het oog op de continuïteit van een openbare dienst, deel kunnen uitmaken van de opdracht. Ook in onderstaande gevallen kan of moet gebruik worden gemaakt van herzieningsclausules: - de facultatieve clausule inzake de vervanging van de opdrachtnemer als bedoeld in het nieuw artikel 38/3; - de verplichte dan wel, in functie van het type opdracht, facultatieve clausules inzake prijsherziening als bedoeld in het nieuw artikel 38/7; - de verplichte clausule omtrent heffingen die een weerslag hebben op het opdrachtbedrag als bedoeld in het nieuw artikel 38/8; - de verplichte clausule omtrent onvoorzienbare omstandigheden in hoofde van de opdrachtnemer als bedoeld in het nieuw artikel 38/9; - de verplichte herzieningsclausule voor maatregelen ingevolge feiten van de aanbesteder en van de opdrachtnemer als bedoeld in het nieuw artikel 38/11; - de clausules inzake vergoeding voor schorsingen op bevel van de aanbesteder en incidenten bij de uitvoering (zie het nieuw artikel 38/12). De clausules zijn natuurlijk niet helemaal nieuw, aangezien zij voortbouwen op reeds bestaande artikelen in de plaatsingsbesluiten of het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3. Voor het eerst wordt de aanbestedende overheid in sommige gevallen echter verplicht bepaalde clausules op te nemen. De toedracht van deze verplichtingen wordt nader toegelicht in de commentaar bij artikel 21. Hier kan worden volstaan met de vaststelling dat de aanbesteder, door dit aangepast kader omtrent wijzigingen van de opdracht en met name de diverse mogelijkheden of verplichtingen om wijzigingsclausules op te nemen in de opdrachtdocumenten, bijzonder zorgvuldig zal moeten tewerk gaan bij de opmaak van de opdrachtdocumenten. In de opdrachtdocumenten zal meer bepaald moeten worden geanticipeerd op de voormelde problematieken die zich kunnen stellen in het kader van de uitvoering, dit om de nodige ruimte te bewaren om wijzigingen aan te brengen aan de opdracht, betwistingen te vermijden en de reglementaire verplichtingen correct na te komen. Deze nieuwe aanpak is met name ook gerechtvaardigd in het licht van arrest van het Hof van Justitie in zaak C-549/14 van 7 september 2016, waar het Hof preciseerde dat "na de gunning van een overheidsopdracht geen wezenlijke wijziging aan deze opdracht mag worden aangebracht zonder dat een nieuwe procedure voor het plaatsen van een opdracht wordt uitgeschreven, zelfs wanneer deze wijziging, objectief gezien, een regeling in de vorm van een schikking vormt, die wederzijdse concessies door beide partijen meebrengt, ter beëindiging van een geschil met onzekere uitkomst dat is ontstaan uit de problemen bij de uitvoering van deze opdracht"(zaak Finn Frogne A/S tegen Rigspolitiet ved Center for Beredskabskommunikation). Het Hof voegt hieraan toe dat dit slechts anders zou zijn indien de documenten van deze opdracht voorzagen in de mogelijkheid bepaalde, zelfs belangrijke, voorwaarden van de opdracht aan te passen na de gunning ervan en de voorwaarden voor de toepassing van deze mogelijkheid vaststelden. De feiten die aanleiding gaven tot het geschillen hadden nog betrekking op richtlijn 2004/18/EG. Art. 21.Deze bepaling is gericht op de invoeging van de artikelen 38/1 tot 38/19 en heeft net als artikel 20 betrekking op de gedeeltelijke omzetting van de artikelen 72 van richtlijn 2014/24/EU en 89 van richtlijn 2014/25/EU, omtrent de wijzigingen van opdrachten gedurende de looptijd. Art. 38/1.Artikel 38/1 kan in verband worden gebracht met het begrip "aanvullende werken of diensten" zoals thans bedoeld in artikel 26, § 1, 2°, a), van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling sluiten. Anders dan het geval is in de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling sluiten, worden de aanvullende werken en diensten in de wet van 16 juni 2016 (artikel 42) niet langer opgelijst in de gevallen waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. Hetzelfde geldt voor de aanvullende leveringen. In de nieuwe richtlijnen worden deze immers aanzien als wijzigingen van de opdracht. Evenwel werden een aantal inhoudelijke versoepelingen doorgevoerd. In de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling sluiten wordt nog vereist dat de aanvullende werken of diensten op technisch of economisch vlak "onscheidbaar" zijn van de hoofdopdracht zonder een ernstig bezwaar op te leveren. Moest dit toch het geval zijn, dan moet aangetoond kunnen worden dat de aanvullende opdrachten "strikt noodzakelijk zijn voor de vervolmaking" van de hoofdopdracht. In artikel 38/1 geldt nu als voorwaarde dat de verandering van opdrachtnemer niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn verworven. Tevens moet deze verandering tot aanzienlijk ongemak of een aanzienlijke kostenstijging leiden voor de aanbesteder. Zodoende komt de focus nog meer te liggen op economische overwegingen (S. Treumer, "Contract changes and the duty to retender under the new EU public procurement directive", P.P.L.R. 2014, 151). Er is nog steeds een bovengrens van vijftig procent van de waarde van de oorspronkelijke opdracht. Echter geldt niet langer dat het samengevoegde bedrag van de opdrachten gegund voor de aanvullende werken of diensten in aanmerking genomen moet worden om uit te maken of deze grens bereikt is, wel integendeel. Indien er verscheidene opeenvolgende wijzigingen worden doorgevoerd, geldt de beperking tot vijftig procent van de waarde van de oorspronkelijke opdracht voor de waarde van elke wijziging, hetgeen een versoepeling uitmaakt van de toepassingscriteria. De hier besproken bovengrens van vijftig procent is overigens niet van toepassing op de aanbestedende entiteiten die activiteiten uitoefenen in de speciale sectoren. Dit is evenmin het geval in de overeenstemmende bepaling van de richtlijn (artikel 89.1.b richtlijn 2014/25/EU). In het laatste lid wordt verduidelijkt dat voor de berekening van de waarde van de oorspronkelijke opdracht, voor zover de opdracht een indexeringsclausule bevat, de geactualiseerde waarde als referentiewaarde moet worden gehanteerd. Vanzelfsprekend moet rekening worden gehouden met artikel 38/7 inzake prijsherziening. Op grond van deze laatste bepaling mag niet in alle gevallen een indexeringsclausule worden ingelast. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 38/7. Anders dan nu het geval is, zijn de voormelde nieuwe regels ook van toepassing op de aanvullende leveringen. Aldus is evenmin nog sprake van een principiële beperking voor de aanvullende opdrachten en nabestellingen tot drie jaar (zie artikel 26, § 1, 3°, b), en c), van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten type wet prom. 15/06/2006 pub. 05/02/2008 numac 2008000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling sluiten). Ook dit is een versoepeling. Dit gezegd zijnde, wat de aanvullende leveringen betreft, past het artikel 42, § 1, 4°, b), van de wet, in herinnering te brengen. Op grond van deze bepaling mogen opdrachten aangaande aanvullende leveringen worden geplaatst door middel van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, wanneer deze leveringen moeten worden verricht door de oorspronkelijke leverancier, die ofwel bestemd zijn voor de gedeeltelijke vernieuwing van leveringen of installaties, ofwel voor de uitbreiding van bestaande leveringen of installaties, wanneer een verandering van leverancier de aanbestedende overheid ertoe zou verplichten leveringen te verwerven met andere technische eigenschappen, zodat onverenigbaarheid zou ontstaan of zich bij het gebruik en het onderhoud onevenredige technische moeilijkheden zouden voordoen. De looptijd van deze opdrachten en nabestellingen mag in de regel niet langer zijn dan drie jaar. Beide bepalingen bestaan naast elkaar : ook als de toepassingsvoorwaarden van artikel 42, § 1, 4°, b), van de wet niet vervuld zijn, sluit dit niet uit dat toepassing wordt gemaakt van artikel 38/1. In tegenstelling tot hetgeen het geval is voor het voormelde artikel 42, § 1, 4°, b), zal een aankondiging moeten bekendgemaakt worden wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 38/1 en het een opdracht betreft waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt (zie infra). Het blijft zo dat dat aanbesteders steeds zorgvuldig dient na te gaan of de toepassingsvoorwaarde van artikel 38/1 wel effectief zijn vervuld, op gevaar af artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet met voeten te treden. Precies om dit verbod op omzeiling van het toepassingsgebied te benadrukken werd in de tekst uitdrukkelijk verduidelijkt dat de opeenvolgende wijzigingen niet mogen worden gebruikt om de wetgeving inzake overheidsopdrachten te omzeilen. Wanneer een aanbesteder een wijziging doorvoert op grond van de hier besproken bepaling, en het een opdracht betreft waarvan de geraamde waarde de drempel voor Europese bekendmaking bereikt, dan moet hiervan een aankondiging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen (zie artikel 38/19). Voor het eerst worden dus ook in het kader van de uitvoering publicatieverplichtingen opgelegd. Ook voor het hierna besproken artikel, omtrent onvoorzienbare omstandigheden, is voorzien in de betreffende bekendmakingsverplichting. Art. 38/2.In dit artikel is voor het eerst in een bepaling voorzien op grond waarvan wijzigingen zijn toegelaten omdat die het noodzakelijk gevolg zijn van omstandigheden die een zorgvuldige aanbesteder niet kon voorzien. Het betreft de omzetting van de artikelen 72.1.
- c)van richtlijn 2014/24/EU en 89.1.
- c)van richtlijn 2014/25/EU. Aanbesteders kunnen inderdaad worden geconfronteerd met externe omstandigheden die zij niet konden voorzien bij het plaatsen van de opdracht, met name wanneer de uitvoering van de opdracht zich over een langere termijn uitstrekt. In dat geval is enige flexibiliteit vereist om de opdracht zonder nieuwe plaatsingsprocedure aan deze omstandigheden aan te passen. Toch is het wijzigingsrecht ook in dit geval geenszins onbeperkt en aan strikte voorwaarden onderworpen. Ook hier geldt dat de wijziging geen verandering in de algemene aard van de opdracht mag teweeg brengen. Deze voorwaarde werd al besproken hierboven. Ook de voorwaarde dat de prijsverhogingen niet hoger mogen zijn dan vijftig procent van de waarde van de oorspronkelijke opdracht, werd hierboven al besproken. Ook hier geldt dat, indien er verscheidende opeenvolgende wijzigingen worden doorgevoerd, de beperking geldt voor de waarde van elke individuele wijziging. Ook hier wordt overigens verduidelijkt dat voor de berekening van de waarde van de oorspronkelijke opdracht, voor zover de opdracht een indexeringsclausule bevat, de geactualiseerde waarde als referentiewaarde moet worden gehanteerd. Kenmerkend voor het hier besproken geval waarbij wijziging is toegelaten is dat de wijziging het noodzakelijk gevolg moet zijn van omstandigheden die een zorgvuldige aanbesteder niet kon voorzien. Het begrip onvoorzienbare omstandigheden betreft omstandigheden die niet konden worden voorzien ondanks een normaal zorgvuldige voorbereiding van de aanvankelijke plaatsing, rekening houdend met de beschikbare middelen, de aard en de kenmerken van het specifieke project, de goede praktijk op het betrokken gebied en het feit dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen de voor de voorbereiding van de plaatsing uitgetrokken middelen en de verwachte waarde ervan. Uit hetgeen voorafgaat blijkt reeds dat louter onvoorziene omstandigheden niet volstaan om de voorwaarde als vervuld te beschouwen. Het gebrek aan vooruitziendheid mag niet aan de aanbesteder te wijten zijn. Om concreet een antwoord te vinden op de vraag of dit al dan niet het geval is dient zowel rekening te worden gehouden met elementen die volledig los staan van de aanbesteder (de aard en de kenmerken van het specifieke project, de goede praktijk op het betrokken gebied), als met elementen die verband houden met de betreffende aanbesteder (de beschikbare middelen van de aanbesteder). Benadrukt moet worden dat in dat kader gewaakt moet worden over een redelijke verhouding moet bestaan tussen de voor de voorbereiding van de plaatsing uitgetrokken middelen en de verwachte waarde ervan. Tot slot geldt ook voor dit toepassingsgeval dat een aanbesteder die een wijziging doorvoert op grond van onvoorzienbare omstandigheden aan een opdracht waarvan de geraamde waarde de drempel voor Europese bekendmaking bereikt, hiervan een aankondiging moet bekend maken in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen (zie artikel 38/19). Art 38/3. De bepaling heeft betrekking op de mogelijkheden om de vervanging van de opdrachtnemer door te voeren. Ten opzichte van de bepaling die op heden vervat is in artikel 38 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 werden een aantal wijzigingen ingevoerd. De bewoordingen werden immers volledig afgestemd op de nieuwe artikelen 72.1.
- d)van richtlijn 2014/24/EU en 89.1.
- d)van richtlijn 2014/25/EU. Om terminologische redenen wordt alleen nog de hypothese behandeld waarbij de opdrachtnemer wordt vervangen. Nochtans moet hieruit niet worden afgeleid dat een opdracht in geen enkele hypothese zou overgedragen kunnen worden van de ene aanbesteder op een andere. Uitzonderlijk kan een noodzaak zich hiertoe voordoen, meer bepaald in het geval waarbij de aanbestedende overheid wordt geherstructureerd, in het geval van een staatshervorming, ... Alleen is het zo dat de bewoordingen van de (meer frequent) voorkomende hypothese van vervanging van de opdrachtnemer (overname, fusie, acquisitie of insolventie) enigszins ongepast zijn om deze hypothesen te omschrijven. Deze gevallen waarbij er een "overname" is langs de kant van de aanbesteder zullen zodoende getoetst moeten worden aan artikel 38/5. Ook hier geldt dus dat de wijziging geen (andere) wezenlijke wijzigingen met zich zal mogen meebrengen. Ook hier zal de aanbesteder er zich van moeten onthouden om het toepassingsgebied van de wetgeving te omzeilen (artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet). Er kan dan ook besloten worden dat beide hypothesen op analoge wijze worden benaderd. Voortaan bestaan de volgende mogelijkheden waarbij tot vervanging mag worden overgegaan van de opdrachtnemer : door middel van de toepassing van een ondubbelzinnige herzieningsclausule zoals bepaald in artikel 38 (zie supra) en door middel van rechtsopvolging onder algemene of gedeeltelijke titel in de positie van de aanvankelijke opdrachtnemer of ten gevolge van herstructurering van de onderneming. Waar op heden algemeen wordt gesteld dat de overnemer aan de "passende" selectievoorwaarden moet voldoen, wordt deze voorwaarde nu alleen hernomen in de hypothese van de rechtsopvolging onder algemene of gedeeltelijke titel in de positie van de aanvankelijke opdrachtnemer. Het woord "passend" wordt daarbij echter achterwege gelaten, aangezien niet geheel duidelijk is wat hiermee concreet wordt bedoeld. De overnemer zal moeten voldoen aan de (alle) aanvankelijk voor de selectie vastgestelde criteria. Waar in de thans van toepassing zijnde versie wordt gesteld dat de "essentiële voorwaarden" van de opdracht behouden moeten blijven, wordt in het ontwerp gesteld dat de wijziging "geen andere wezenlijke wijzigingen" in de opdracht met zich mag meebrengen. Het begrip "wezenlijke wijziging" wordt hierna nader toegelicht. Nog steeds geldt dat de instemming van de aanbesteder vereist zal zijn. Dit blijkt uit het feit dat de wijziging van opdrachtnemer (al dan niet) mag worden "toegekend". Dit zal de aanbesteder overigens toelaten na te gaan of alle voorwaarden voor wijziging zijn vervuld (bijvoorbeeld of aan de kwalitatieve selectiecriteria is voldaan). Overeenkomstig artikel 72.1.d).iii) van richtlijn 2014/24/EU en artikel 89.1.d).iii) van richtlijn 2014/25/EU kunnen de lidstaten ervoor kiezen om een bepaling op te nemen die de aanbesteder toelaat zelf de verplichtingen van de opdrachtnemer ten aanzien van zijn onderaannemers op te nemen, waarbij een dergelijke vervanging van de ondernemer aan wie aanvankelijk werd gegund niet problematisch wordt geacht. Het werd wenselijk geacht deze bepaling niet expliciet om te zetten in het ontwerp. Naar Belgisch recht bestaat immers geen enkele hypothese waarbij de aanbesteder zelf de verplichtingen van de opdrachtnemer ten aanzien van zijn onderaannemers opneemt en er daarbij een vervanging optreedt van de opdrachtnemer. Het is wel zo dat er verschillende stelsels bestaan waarbij de aanbesteder hoofdelijke aansprakelijkheid wordt gesteld voor bepaalde schulden van de opdrachtnemer. Er valt niet alleen te denken aan artikel 1798 Burgerlijk Wetboek, waarnaar de aanbesteder overigens moet verwijzen in zijn opdrachtdocumenten (zie artikel 11, § 4), maar ook aan de diverse vormen van hoofdelijke aansprakelijkheid of aanverwante stelsels voor loonschulden vervat in de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale schulden, de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden en ook artikel 88 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 tot bepaling van algemene uitvoeringsregels. Al deze stelsels kennen echter een ander toepassingsgebied dan het bepaalde in voormelde bepalingen van de richtlijnen. Art. 38/4.Wijzigingen van de opdracht die een geringe wijziging van de waarde van de opdracht tot gevolg hebben, moeten tot op zekere hoogte altijd mogelijk zijn zonder dat een nieuwe plaatsingsprocedure nodig is. Hiertoe en met het oog op de rechtszekerheid werd in dit ontwerp voorzien in de-minimis drempels waaronder een nieuwe plaatsingsprocedure niet nodig is. Wijzigingen van de opdracht boven die drempels moeten mogelijk zijn zonder dat een nieuwe plaatsingsprocedure nodig is, mits zij voldoen aan de relevante voorwaarden die zijn vastgelegd in andere (hiervoor of hierna besproken) bepalingen van deze afdeling. Met andere woorden wordt afgestapt van de aanpak van het huidig artikel 37 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3 waarbij cumulatief voldaan moest zijn aan een aantal voorwaarden zodat (tenzij in een aantal uitzonderingen) de wijziging in waarde steeds beperkt moest zijn tot vijftien procent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag. Zodoende ontstaat een meer flexibel kader omtrent wijzigingen aan de opdracht. Waar op heden in het huidig artikel 37 alleen sprake is van één plafond van vijftien procent, is de aanpak is artikel 38/4 iets ingewikkelder. Een wijziging mag zonder nieuwe plaatsingsprocedure worden doorgevoerd, indien het bedrag waarmee de wijziging gepaard gaat lager is dan zowel de toepasselijke drempel voor de Europese bekendmaking, als tien procent van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor leveringen en diensten en vijftien procent van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor werken. De bewoordingen werden ook op dit punt volledig afgestemd op de artikelen 72.2 van richtlijn 2014/24/EU en 89.2 van richtlijn 2014/25/EU. Zodoende is ook bepaald dat voor de berekening van de waarde van de aanvankelijke opdracht, voor zover de opdracht een indexeringsclausule bevat, de geactualiseerde waarde als referentiewaarde moet worden gehanteerd. Wanneer opeenvolgende wijzigingen plaatsvinden, moet de waarde beoordeeld worden op basis van de netto-cumulatieve waarde van de opeenvolgende wijzigingen. De aanbesteder zal dan ook de waarde van alle wijzigingen moeten bijhouden. Kent hij de netto-cumulatieve waarde niet van de verschillende wijzigingen, dan kan hij immers niet langer deze "safe-harbour" bepaling toepassen om aan te tonen dat de wijziging toelaatbaar is. Tot slot geldt ook hier als voorwaarde dat de wijziging er niet toe mag leiden dat de algemene aard van de opdracht zou worden gewijzigd. Er zijn geen bijkomende voorwaarden. Artikel 38/4 kan ook worden toegepast wanneer het toepassingsgebied van de opdracht wordt ingeperkt (bvb : bij een op te richten gebouw moeten twee parkeerplaatsen minder voorzien worden dat hetgeen initieel in de opdrachtdocumenten was voorzien, aangezien er finaal minder personen zullen worden tewerkgesteld), voor zover aan alle hierboven aangehaalde voorwaarden is voldaan. Artikelen 38/5 en 38/6. In deze bepaling worden de criteria zoals deze blijken uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en met name het arrest-Pressetext, overgenomen (Zaak C-454/06). De bewoordingen leunen zeer dicht aan bij de overwegingen van het Hof van Justitie in de hierboven aangehaalde rechtspraak. Wel wordt opgemerkt dat in artikel 38/6, tweede lid, 1° wordt verduidelijkt, ten opzichte van de voormelde rechtspraak, dat niet alleen wordt vereist dat de wijziging niet mag voorzien in voorwaarden die, als zij deel van de aanvankelijke plaatsingsprocedure hadden uitgemaakt, de toelating van andere dan de aanvankelijk geselecteerde kandidaten of de gunning van de opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zouden hebben gemaakt, maar ook dat die voorwaarden de toelating van bijkomende deelnemers aan de plaatsingsprocedure zouden hebben aangetrokken. In artikel 38/6, tweede lid, 4°, wordt de link gemaakt met artikel 38/3. Als een nieuwe opdrachtnemer in de plaats is gekomen van de opdrachtnemer aan wie de aanbesteder de opdracht aanvankelijk had gegund in andere dan onder artikel 38/3 bedoelde gevallen, dan wordt dit geacht een wezenlijke wijziging te zijn. De bedoeling is ervoor te zorgen dat het leerstuk van de vervanging van de opdrachtnemer uitsluitend wordt beheerst door artikel 38/3. De andere gevallen waarbij een wijziging wordt geacht wezenlijk te zijn behoeven geen nadere toelichting en vloeien reeds voort uit de rechtspraak. Art. 38/7.Deze bepaling vervangt de bepaling die op heden vervat is in artikel 20 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 enerzijds en in artikel 20 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren van 16 juli 2012, weliswaar mits een aantal wijzigingen. Aangezien prijsherzieningen aanzien moeten worden als een wijziging van de opdracht, worden ze voortaan in dit ontwerp behandeld. Er werd gekozen voor een meer gedifferentieerde benadering. De verplichting om een prijsherzieningsclausule op te nemen werd alleen behouden voor de opdrachten voor werken en de opdrachten voor diensten die in bijlage 1 bij dit ontwerp worden opgelijst. In deze bijlage worden de diensten opgelijst die gekenmerkt worden door manuele prestaties en zodoende gelijkgesteld kunnen worden met opdrachten voor werken. Er is geen prijsherziening vereist voor de opdrachten beneden een geraamd bedrag van 120.000 euro en wanneer de initiële uitvoeringstermijn minder dan honderdtwintig werkdagen of honderdtachtig kalenderdagen beslaat. Op te merken valt dat de voormelde uitzondering, anders dan het geval is in de voormelde plaatsingsbesluiten, voortaan slechts van toepassing is indien cumulatief voldaan is aan beide voorwaarden (de "of" werd ter zake vervangen door een "en"). De toepassingsvoorwaarden van de uitzondering werden dus gevoelig verstrengd wat betreft de werken en de diensten die onder bijlage 1 vallen. Er wordt in een duidelijke verwijzing voorzien naar artikel 38. Zodoende zullen de betreffende prijsherzieningsclausules in de oorspronkelijke opdrachtdocumenten moeten worden opgesteld in duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige bewoordingen. Ook artikel 38, tweede lid, is van toepassing. De toepassingsmodaliteiten blijven grotendeels ongewijzigd en worden dan ook niet nader toegelicht. Wel is niet langer in de mogelijkheid voorzien (voor de werken en diensten die in bijlage 1 zijn opgesomd) om, in geval van moeilijkheden om een prijsherzieningsformule samen te stellen, de gezondheidsindex, de index van consumptieprijzen of een andere passende index te hanteren. Wat de leveringen en diensten die niet in bijlage 1 bij dit besluit werden opgenomen betreft, is niet langer sprake van een verplichte prijsherziening. Niettemin kan de aanbesteder ervoor kiezen om ook voor deze opdrachten een prijsherzieningsclausule te voorzien in de opdrachtdocumenten. De modaliteiten zijn identiek als bij de werken en diensten die in bijlage 1 bij dit besluit zijn opgesomd, met dit verschil dat het wel mogelijk blijft, in geval van moeilijkheden om een prijsherzieningsformule samen te stellen, om te koppelen aan de gezondheidsindex, de index van consumptieprijzen of een andere passende index. Tot slot wordt er nog op gewezen dat de hier besproken bepaling ook van toepassing is, net zoals de andere bepalingen die worden vervangen of ingevoegd door de artikelen 19 en 20 van dit ontwerp, op de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied. Zodoende dient artikel 21 van het koninklijk besluit defensie en veiligheid te worden opgeheven, hetgeen zal gebeuren door middel van artikel 47 van het onderhavige ontwerp. Art. 38/8.Deze bepaling heeft betrekking op de heffingen die een weerslag hebben op het opdrachtbedrag. Het betreft de overname, mits wijziging, van artikel 56/1 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 februari 2014. Vooreerst wordt ook hier de link gemaakt met artikel 38. Anders dan nu het geval is, worden de aanbesteders verplicht, voor alle opdrachten, om in de opdrachtdocumenten een clausule op te nemen omtrent prijsherziening ten gevolge van een wijziging (in België) van de heffingen die een weerslag hebben op het opdrachtbedrag waarvan de modaliteiten bepaald zijn in het onderhavige artikel. De voorwaarden van artikel 38 zijn van toepassing en moeten beantwoorden aan: - toepassingsgebied: prijsherziening ten gevolge van wijzigingen van heffingen in België; - inhoudelijke voorwaarde: de heffingen hebben een weerslag op het opdrachtbedrag; - formele voorwaarden: de formaliteiten van artikel 38/16 (die op hun beurt een overname zijn van artikel 53 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1990 pub. 08/04/2000 numac 2000000153 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten . - Duitse vertaling sluiten3). Waar op heden de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad als ijkpunt wordt genomen, waarbij wijzigingen van heffingen die worden bekendgemaakt op de tiende dag voorafgaand aan de uiterste datum voor ontvangst van de offertes of vroeger, niet in aanmerking worden genomen voor een prijsverhoging of verlaging, zal voortaan als ijkpunt het tijdstip van inwerkingtreding van de belastingwijziging gelden. Een prijsherziening is slechts mogelijk wanneer de wijziging in werking is getreden na de tiende dag die het uiterste tijdstip voor ontvangst van de offertes voorafgaat. De bijzondere regeling bij onderhandelingsprocedure (waarbij de datum waarop de opdrachtnemer zijn akkoord gaf in aanmerking werd genomen), werd niet overgenomen. De overige voorwaarden blijven onaangepast en worden dan ook niet nader toegelicht. Wel is het zo dat de indieningsvoorwaarde vervat in artikel 56/1, vierde lid, niet werd overgenomen vermits dit voortaan is voorzien in artikel 38/16. Indien de opdrachtdocumenten, in weerwil van de verplichting, toch geen herzieningsclausule zouden bevatten inzake de heffingen die een weerslag hebben op het opdrachtbedrag, dan worden de hier beschreven regels geacht van rechtswege van toepassing te zijn. M.a.w. is in een terugvaloptie voorzien. Natuurlijk geldt ook dan dat de opdracht slechts gewijzigd kan worden voo