← België

Koninklijk besluit betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voor

Kort samengevat

Dit Koninklijk besluit regelt de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen op de zee- en oceaanbodem buiten nationale grenzen, en stelt regels vast voor het aanvragen en verkrijgen van een borgstellingscertificaat. Het zorgt ervoor dat Belgische entiteiten die deze activiteiten uitvoeren, voldoen aan internationale voorschriften en Belgische wetgeving.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
4 OKTOBER 2013. - Koninklijk besluit betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 17 augustus 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/08/2013 pub. 16/09/2013 numac 2013011384 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtmacht sluiten betreffende het onderzoek, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, artikel 4, §§ 1 en 2; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 11 maart 2013; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 12 maart 2013; Gelet op akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 8 april 2013; Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectenbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, waarbij besloten is dat een effectenbeoordeling niet vereist is; Gelet op advies nr. 53.678/1/V van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Economie en Noordzee en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "de wet" : de wet van 17 augustus 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/08/2013 pub. 16/09/2013 numac 2013011384 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtmacht sluiten betreffende het onderzoek, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht; 2° "de dienst Continentaal Plat" : de dienst Continentaal Plat van de Federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie; 3° "de dienst Marien Milieu" : de Dienst Marien Milieu behorende tot het Directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;4° "Minister" : de Minister bevoegd voor Economie;5° "dag" : werkdag;6° "betekenen" : het verzenden bij ter post aangetekende brief, met bericht van ontvangst. HOOFDSTUK 2. - Regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit Art. 2.Volgende regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit zullen volkomen uitwerking hebben : 1° zoals opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit, het voorschrift met betrekking tot de prospectie en exploratie van de polymetallische knollen in het Gebied, goedgekeurd te Kingston (Jamaica) op 13 juli 2000;2° zoals opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit, het voorschrift met betrekking tot de prospectie en exploratie van de polymetallische sulfiden in het Gebied, goedgekeurd te Kingston (Jamaica) op 7 mei 2010;3° zoals opgenomen als bijlage 3 bij dit besluit, het voorschrift met betrekking tot de prospectie en de exploratie van kobalt-rijke ferromangaan korsten in het Gebied, goedgekeurd te Kingston (Jamaica) op 27 juli 2012. HOOFDSTUK 3. - Het borgstellingscertificaat Art. 3.§ 1. De aanvraag voor een borgstellingscertificaat, die vereist is voor het sluiten van een contract met de Autoriteit voor werkzaamheden in het Gebied, wordt aan de dienst Continentaal Plat betekend. De aanvraag voor een borgstellingscertificaat wordt ingediend door middel van een verzoekschrift in één van de landstalen. Het verzoekschrift en zijn bijlagen worden ingediend in twee papieren en één elektronisch exemplaar. § 2. De aanvraag bevat : 1° naam, voornaam, beroep, woonplaats en nationaliteit van de aanvrager;2° indien het gaat om een vennootschap, de firmanaam of handelsnaam en het ondernemingsnummer ervan, alsook, voor zover deze niet gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad, de documenten ter staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag;3° een algemene nota met het voorwerp en de beschrijving van het project;4° de aanvraag tot goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie en/of exploitatie met het oog op het verkrijgen van een contract;5° de bijlagen bij de aanvraag vermeld onder 4°, waaronder in het bijzonder de documenten met betrekking tot het financiële en technische vermogen van de aanvrager, een gedegen milieu-impactstudie met betrekking tot de werkzaamheden voorzien in het werkplan en de verbintenissen vereist in het artikel 8, § 4 van de wet. De aanvraag tot goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie en/of exploitatie met het oog op het verkrijgen van een contract en zijn bijlagen, wordt opgesteld in het Frans of het Engels en in overeenstemming met de bepalingen van de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2 en houdt rekening met de aanbevelingen van de juridische en technische Commissie van de Autoriteit. Art. 4.§ 1. De dienst Continentaal Plat gaat, binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag, na of deze alle documenten bevat zoals bedoeld in artikel 3. § 2. Indien het dossier onvolledig is, wordt de aanvrager daarvan betekend binnen vijftien dagen na ontvangst van dit dossier door de dienst, met vermelding van de vastgestelde ontbrekende elementen, waarna de aanvrager zijn aanvraag dient aan te vullen binnen vijftien dagen na ontvangst van die informatie. Art. 5.De dienst Continentaal Plat gaat na of de aanvraag ontvankelijk is. Hij maakt een exemplaar van de aanvraag voor advies over aan de dienst Marien Milieu. De dienst Marien Milieu gaat na of de milieu-impactstudie administratief volledig is en maakt zijn opmerkingen hierover binnen de 15 dagen na de ontvangst van de aanvraag over aan de dienst Continentaal Plat. De aanvraag is onontvankelijk wanneer : 1° de aanvrager niet voldoet aan de vereiste om de Belgische nationaliteit bezitten of onder toezicht te staan van de Belgische Staat;2° een contract reeds is gesloten tussen de Autoriteit en een derde partij voor het gebied voorzien in de aanvraag voor de goedkeuring van het werkplan;3° de aanvraag voor de goedkeuring van het werkplan en bijlagen niet voldoet aan de bepalingen in de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2;4° de aanvrager niet beschikt over de benodigde financiële en technische capaciteiten, zoals bepaald in de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2;5° de milieu-impactstudie niet volledig is. Wanneer de aanvraag onontvankelijk is, betekent de Minister zijn beslissing ter zake, binnen een termijn van hoogstens dertig dagen te rekenen vanaf de betekening bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, aan de aanvrager. De beslissing vermeldt de reden van onontvankelijkheid. Art. 6.§ 1. Wanneer de aanvraag ontvankelijk is, kent de Minister, namens de Belgische Staat, de aanvrager het borgstellingscertificaat toe. Het borgstellingscertificaat wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen in de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2. § 2. Wanneer de aanvrager een lid is van een deelgenootschap of consortium van entiteiten of personen uit verscheidene Staten die Partij zijn van het Verdrag, en nog niet beschikt over de borgstellingscertificaten van alle betrokken Staten die Partij zijn van het Verdrag, betekent de Minister, binnen een termijn van hoogstens dertig dagen te rekenen vanaf de betekening bedoeld in artikel 3, § 1, 1ste lid, het certificaat aan de aanvrager. § 3. In de gevallen ander dan deze onder § 2, maakt de Minister, binnen een termijn van hoogstens dertig dagen te rekenen vanaf de betekening bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, via de FOD Buitenlandse Zaken, het borgstellingscertificaat, de aanvraag om de goedkeuring van de werkplannen betreffende de exploratie en/of exploitatie, en zijn bijlagen, over aan de Autoriteit. De Minister informeert de aanvrager over de toekenning van het borgstellingscertificaat. Art. 7.Het borgstellingscertificaat is niet overdraagbaar. HOOFDSTUK 4. - Toezicht Art. 8.§ 1. De Minister maakt de documenten bedoeld in artikel 10 van de Wet over aan de dienst Continentaal Plat. § 2. De dienst Continentaal Plat maakt onverwijld een kopie van de documenten met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu over aan de dienst Marien Milieu. § 3. De dienst Continentaal Plat en de dienst Marien Milieu gaan, binnen de vijftien dagen na de ontvangst van de documenten, na of de contractant nog steeds voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een borgstelling door de Belgische Staat. De dienst Marien Milieu maakt zijn opmerkingen hierover binnen de 20 dagen na de ontvangst van documenten bedoeld in § 2 over aan de dienst Continentaal Plat. § 4. Indien de contractant niet meer voldoet aan de voorwaarden, informeert de Dienst Continentaal Plat de Minister hierover binnen de 30 dagen na de ontvangst van documenten bedoeld in § 1. De Minister neemt de beslissing tot beëindiging van de borgstelling pas nadat de contractant werd gehoord. Hiertoe wordt de contractant bij aangetekend schrijven door de Minister uitgenodigd. Deze brief vermeldt de vastgestelde gebreken. De beslissing van de Minister wordt binnen de dertig dagen na datum van de hoorzitting aan de contractant betekend. Indien de Minister beslist de borgstelling te beëindigen, gebeurt dit in overeenstemming met de bepalingen inzake de beëindiging van de borgstelling in de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2. HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepalingen Art. 9.§ 1. De aanvrager die reeds een overeenkomst met de autoriteit heeft gesloten vóór de inwerkingtreding van dit besluit, betekent, binnen twee maanden na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, een aanvraag in overeenstemming met de bepalingen in artikel 3 van dit besluit. Deze aanvraag wordt geacht te voldoen aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals voorzien in artikel 5. Het borgstellingscertificaat wordt toegekend in overeenstemming met de bepalingen in artikel 6 § 1 van dit besluit. In dat geval, maakt de Minister binnen een termijn van hoogstens dertig dagen te rekenen vanaf de betekening bedoeld in artikel 9 § 1, eerste lid, via de FOD Buitenlandse Zaken, het borgstellingscertificaat over aan de Autoriteit. De Minister informeert de aanvrager over de toekenning van het borgstellingscertificaat. § 2. Indien geen aanvraag tijdig wordt ingediend, informeert de dienst Continentaal Plat de Minister hierover binnen de 30 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1. In dat geval wordt de contractant bij aangetekend schrijven door de Minister aangeschreven. De Minister brengt de contractant op de hoogte van de beslissing tot onmogelijkheid van de uitvoering van de overeenkomst. Deze beslissing gebeurt in overeenstemming met de bepalingen inzake de beëindiging van de borgstelling in de voorschriften van de Autoriteit met betrekking tot de exploratie of exploitatie van de rijkdommen in het Gebied, vermeld in artikel 2. HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen Art. 10.De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor het Marien Milieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 4 oktober 2013. FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee, J. VANDE LANOTTE BIJLAGE 1 Voorschrift met betrekking tot de prospectie en exploratie van polymetallische knollen in het Gebied Woord vooraf Krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee (« het Verdrag »), zijn het gebied van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht alsmede de rijkdommen ervan, het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid, waarvan de exploratie en exploitatie zullen worden uitgevoerd ten bate van de gehele mensheid, in wiens naam de Internationale Zeebodemautoriteit handelt. Als eerste uit de reeks, beoogt dit Voorschrift de prospectie en exploratie van de polymetallische knollen te organiseren. Deel I - Inleiding Artikel 1 Gebruik van de termen en reikwijdte 1. De termen die in dit Voorschrift gebruikt worden, worden geïnterpreteerd volgens de betekenis die er in het Verdrag aan gegeven is.2. Overeenkomstig de Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982 (« de Overeenkomst »), moeten de bepalingen van de Overeenkomst en deel XI van het Verdrag samen als eenzelfde instrument worden geïnterpreteerd en toegepast;dit Voorschrift en de verwijzingen naar het Verdrag die erin gedaan worden, moeten navenant worden geïnterpreteerd en toegepast. 3. In dit Voorschrift verstaat men onder: a) « exploitatie »: de inzameling voor handelsdoeleinden van polymetallische knollen in het Gebied en de extractie van de delfstoffen die ze bevatten, met name de bouw en exploitatie van mijnontginnings-, verwerkings- en transportsystemen voor de productie en verkoop van delfstoffen;b) « exploratie »: het onderzoek, dat onderworpen is aan exclusieve rechten inzake afzettingen van polymetallische knollen in het Gebied, de analyse van deze afzettingen, de conceptie, de vervaardiging en het testen van de procedés en van het inzamelmateriaal, van de verwerkingsinstallaties en de transportsystemen, en de opstelling van studies over de milieu gerelateerde, technische, economische, commerciële en andere factoren die bij de exploitatie in aanmerking genomen dienen te worden;c) « mariene milieu »: onder andere de fysische, chemische, geologische en biologische elementen en factoren die op elkaar inwerken en de productiviteit, de staat, de toestand en de kwaliteit van het marien ecosysteem, de zee- en oceaanwateren, het bovenliggende luchtruim alsook de zeebodem en de ondergrond ervan bepalen;d) « polymetallische knollen »: één van de rijkdommen van het Gebied die door elke afzetting of elk agglomeraat van knollen gevormd wordt, zich aan het oppervlak van de diepzeebodem,of net eronder, bevindt en die mangaan, nikkel, kobalt evenals koper bevat;e) « prospectie »: het onderzoek, zonder exclusieve rechten, naar afzettingen van polymetallische knollen in het Gebied, met name de evaluatie van de samenstelling, grootte en spreiding van de polymetallische knollen alsook van hun economische waarde;f) « ernstige schade die het mariene milieu aantast »: elk effect op het mariene milieu van werkzaamheden in het Gebied, dat geconcretiseerd wordt door een aanzienlijke ongunstige wijziging van het mariene milieu die bepaald wordt overeenkomstig de regels, voorschriften, procedures en richtlijnen die door de Autoriteit goedgekeurd zijn op basis van de internationaal erkende normen en praktijken.4. Dit Voorschrift heeft geen enkele invloed op de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek, krachtens artikel 87 van het Verdrag, noch op het recht om in het Gebied aan wetenschappelijk zeeonderzoek te doen krachtens artikelen 143 en 256 van het Verdrag.Geen enkele bepaling van dit Voorschrift mag worden geïnterpreteerd als een beperking door de Staten van de vrijheid van de open zee, in de zin van artikel 87 van het Verdrag. 5. Dit Voorschrift mag met andere regels, voorschriften en procedures worden aangevuld, met name wat de bescherming en het behoud van het mariene milieu betreft.Het is onderworpen aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee, aan de Overeenkomst met betrekking tot de toepassing van deel XI van dit Verdrag en aan elke andere norm van het internationaal recht die niet onverenigbaar met het Verdrag is. Deel II - Prospectie Artikel 2 Prospectie 1. De prospectie wordt verwezenlijkt overeenkomstig het Verdrag en dit voorschrift.Ze mag pas starten nadat de prospector door de Secretaris-generaal over de registratie van zijn kennisgeving geïnformeerd werd overeenkomstig lid 2 van artikel 4. 2. Men mag geen prospectie uitvoeren als men gegronde redenen heeft om ernstige schade aan het mariene milieu te vrezen.3. Men mag geen prospectie uitvoeren in een gebied die gedekt is door een goedgekeurd werkplan met betrekking tot de exploratie van de polymetallische knollen, noch in een voorbehouden gebied, noch in een gebied waarvoor de Raad de exploitatie uitgesloten heeft wegens een risico op ernstige schade aan het mariene milieu.4. De prospector verkrijgt uit hoofde van de prospectie geen rechten ten aanzien van de rijkdommen.De prospector kan evenwel een redelijke hoeveelheid delfstoffen winnen, namelijk de hoeveelheid die nodig is om experimenten te voeren; hij mag geen delfstoffen winnen voor handelsdoeleinden. 5. De prospectie is niet aan een tijdslimiet onderworpen;ze wordt echter beëindigd wanneer de Secretaris-generaal de prospector er schriftelijk van op de hoogte brengt dat een werkplan met betrekking tot de exploratie aangaande het geprospecteerde gebied goedgekeurd werd. 6. De prospectie kan tegelijkertijd door meer dan een prospector in hetzelfde gebied of dezelfde gebieden worden verricht. Artikel 3 Kennisgeving van de prospectie 1. De toekomstige prospector moet de Autoriteit verwittigen dat hij van plan is om prospectieactiviteiten uit te voeren.2. Elke kennisgeving inzake prospectie moet worden voorgelegd onder de vormen die in bijlage 1 van dit Voorschrift voorgeschreven zijn, aan de Secretaris-generaal worden gericht en voldoen aan de voorwaarden die in dit Voorschrift vermeld zijn.3. Elke kennisgeving wordt voorgelegd: a) in geval van een Staat, door de Autoriteit die deze Staat hiertoe aangeduid heeft;b) in geval van een entiteit, door haar aangeduide vertegenwoordigers; en c) in geval van de Onderneming, door de Autoriteit die voor deze bevoegd is.4. Elke kennisgeving wordt voorgelegd in een van de talen van de Autoriteit en moet het volgende vermelden: a) De naam, de nationaliteit en het adres van de toekomstige prospector en van de vertegenwoordiger die hij aangeduid heeft;b) De gegevens van de grote gebied(en) die geprospecteerd moet(en) worden overeenkomstig de algemeen aanvaarde en meest recente internationale normen die de Autoriteit toepast;c) Een algemene beschrijving van het prospectieprogramma, met name de datum waarop het zou moeten starten en de vermoedelijke duur ervan;d) De schriftelijke verbintenis vanwege de toekomstige prospector dat hij: i) het Verdrag alsook de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit zal naleven betreffende: a.de medewerking aan de opleidingsprogramma's inzake wetenschappelijk zeeonderzoek en overdracht van de technieken beoogd in artikelen 143 en 144 van het Verdrag; b. de bescherming en het behoud van het mariene milieu;en ii) dat hij zal aanvaarden dat de Autoriteit controleert of deze verbintenis nageleefd wordt. Artikel 4 Nazicht van de kennisgevingen 1. De Secretaris-generaal bevestigt schriftelijk de ontvangst van elke kennisgeving die krachtens artikel 3 gegeven werd, waarbij hij de ontvangstdatum vermeldt.2. De Secretaris-generaal onderzoekt de kennisgeving binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst ervan.Als de kennisgeving aan de voorwaarden van het Verdrag en van dit Voorschrift voldoet, noteert hij de inlichtingen die ze bevat in het register dat hiertoe bijgehouden wordt en informeert hij de prospector schriftelijk dat de kennisgeving naar behoren geregistreerd werd. 3. De Secretaris-generaal informeert de toekomstige prospector schriftelijk, binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, als deze betrekking heeft op een deel van een gebied die gedekt is door een goedgekeurd werkplan met betrekking tot de exploratie of exploitatie van gelijk welke categorie van materiaal, of op gelijk welk deel van een voorbehouden gebied, of elk deel van een gebied waarvoor de Raad de exploitatie uitgesloten heeft wegens een risico op ernstige schade aan het mariene milieu, of als de schriftelijke verbintenis niet volstaat, en informeert de toekomstige prospector schriftelijk over de redenen hiervoor.Deze laatste mag dan zijn kennisgeving binnen een termijn van 90 dagen wijzigen. De Secretaris-generaal onderzoekt de kennisgeving opnieuw en spreekt er zich binnen een termijn van 45 dagen over uit. 4. De prospector informeert de Secretaris-generaal schriftelijk over elke wijziging van de informatie die in de kennisgeving opgenomen is.5. De Secretaris-generaal zal de informatie die in de kennisgeving opgenomen is, niet verspreiden, tenzij met de schriftelijke toestemming van de prospector.Hij informeert echter regelmatig de leden van de Autoriteit over de identiteit van de prospectors en over de geprospecteerde gebieden. Artikel 5 Jaarverslag 1. Binnen de 90 dagen die op het einde van het burgerlijk jaar volgen, moet de prospector de Autoriteit een verslag over de vorderingsstaat van de prospectie voorleggen.Deze verslagen worden door de Secretaris-generaal aan de Juridische en Technische Commissie voorgelegd. Elk verslag moet het volgende inhouden: a) een algemene beschrijving van de vorderingsstaat van de prospectie en van de verkregen resultaten;en b) informatie over de manier waarop de prospector de verbintenis naleeft die beoogd wordt in lid 4 d) van artikel 3.3. Als hij kosten wenst in te brengen als ontginningskosten die voor de opstart van de handelsproductie gemaakt werden, moet de prospector een jaaroverzicht voorleggen dat opgesteld is overeenkomstig de internationaal erkende boekhoudprincipes en gecertificeerd is door een naar behoren erkend accountantskantoor, van de rechtstreekse en effectieve uitgaven met het oog op de exploratie die hij in het kader van de prospectie gedaan heeft. Artikel 6 Vertrouwelijk karakter van de gegevens en inlichtingen die in het jaarverslag opgenomen zijn 1. Overeenkomstig de bepalingen van artikelen 35 en 36 garandeert de Secretaris-generaal het vertrouwelijk karakter van alle gegevens en inlichtingen die voorgelegd worden in de verslagen die krachtens artikel 5 ingediend werden.2. De Secretaris-generaal mag, gelijk wanneer en met de toestemming van de betrokken prospector, de gegevens en inlichtingen verspreiden over de prospectie in het gebied waarvoor hij een kennisgeving ontvangen heeft.Als de Secretaris-generaal vaststelt dat een prospector niet meer bestaat of niet meer gelokaliseerd kan worden, mag hij dergelijke gegevens en inlichtingen verspreiden. Artikel 7 Kennisgeving van de incidenten die ernstige schade veroorzaken aan het mariene milieu De prospector stelt de Secretaris-generaal onmiddellijk, schriftelijk en zo efficiënt mogelijk in kennis van elk incident dat tijdens de prospectie plaatsgevonden heeft en ernstige schade aan het mariene milieu veroorzaakt. Zodra de Secretaris-generaal een dergelijke kennisgeving ontvangt, zal hij de maatregelen nemen die in artikel 32 voorzien zijn. Artikel 8 Voorwerpen van archeologische of historische aard De prospector stelt de Secretaris-generaal onmiddellijk en schriftelijk in kennis van elke ontdekking, in het Gebied, van voorwerpen van archeologische of historische aard en van de plaats waar deze zich bevinden. De Secretaris-generaal brengt de Directeur-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur hiervan op de hoogte. Deel III - Aanvragen tot goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie met het oog op het verkrijgen van een contract Afdeling 1. - Algemene bepalingen Artikel 9 Algemene bepalingen Onverminderd de bepalingen van het Verdrag kunnen de onderstaande entiteiten de Autoriteit aanvragen tot goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie voorleggen: a) de Onderneming, in eigen naam of in het kader van een overeenkomst tot joint venture;b) de Verdragsluitende Staten, de Staatsondernemingen of de natuurlijke personen en rechtspersonen die de nationaliteit van de Verdragsluitende Staten hebben of effectief door deze Staten of hun onderdanen gecontroleerd worden, wanneer voor ze borg gestaan wordt door deze Staten, of elke groep uit de voornoemde categorieën die voldoet aan de voorwaarden die in dit Voorschrift bepaald zijn (1). Afdeling 2. - Inhoud van de aanvraag Artikel 10 Vorm van de aanvragen 1. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie moet worden voorgelegd in de vormen die in bijlage 2 van dit Voorschrift voorgeschreven zijn, aan de Secretaris-generaal worden gericht en voldoen aan de voorwaarden die in dit Voorschrift opgenomen zijn (2).2. Elke aanvraag wordt voorgelegd: a) Wanneer ze van een Verdragsluitende Staat uitgaat, door de Autoriteit die deze Staat hiertoe aangeduid heeft;b) Wanneer ze van een entiteit uitgaat, door de vertegenwoordiger die ze aangeduid heeft of door de autoriteit die de Staat of Staten die borg staat/staan voor de aanvraag, hiertoe aangeduid heeft/hebben;en c) Wanneer ze van de Onderneming uitgaan, door de bevoegde autoriteit ervan.3. Elke aanvraag die uitgaat van een Staatsonderneming of van een van de entiteiten die beoogd worden in lid b) van artikel 9 moet eveneens het volgende inhouden: a) inlichtingen waarmee men de nationaliteit van de aanvrager of de identiteit van de Staat/Staten of van hun onderdanen die de aanvrager effectief controleren, kan bepalen;en b) De handelsvestiging of domicilie en, in voorkomend geval, de plaats van inschrijving van de aanvrager.4. Elke aanvraag die van een vereniging of een consortium van entiteiten uitgaat, moet de inlichtingen bevatten die vereist zijn betreffende elke entiteit die deel uitmaakt van de vereniging of het consortium. Artikel 11 Borgstellingscertificaat 1. Elke aanvraag die uitgaat van een Staatsonderneming of van een van de entiteiten die beoogd worden in lid b) van artikel 9 moet worden vergezeld van een borgstellingscertificaat dat uitgereikt wordt door de Staat waarvan de aanvrager onderdaan is of waardoor hij effectief gecontroleerd wordt.De aanvrager kan ook door de onderdanen van deze Staat gecontroleerd worden (3). Als de aanvrager meer dan één nationaliteit heeft, wat het geval is voor een vereniging die of een consortium dat samengesteld is uit entiteiten van verscheidene Staten, dienen al deze Staten een borgstellingscertificaat uit te reiken. 2. Als de aanvrager de nationaliteit van een Staat heeft, maar effectief gecontroleerd wordt door een andere Staat of door de onderdanen ervan, dienen al deze Staten een borgstellingscertificaat uit te reiken.3. Elk borgstellingscertificaat moet naar behoren worden ondertekend op naam van de Staat die het voorlegt en moet onderstaande elementen bevatten: a) de naam van de aanvrager;b) de naam van de Staat die borg staat voor de aanvraag;c) een verklaring waarin staat dat de aanvrager: i) onderdaan is van de Staat die borg staat voor de aanvraag;of ii) effectief gecontroleerd wordt door de Staat die borg staat voor de aanvraag of door de onderdanen ervan; d) een verklaring waarin staat dat de Staat borg staat voor de aanvrager;e) de datum waarop de Staat die borg staat voor de aanvraag, zijn tool voor de bekrachtiging van, toetreding tot of opvolging van het Verdrag ingediend heeft;f) Een verklaring waarin staat dat de Staat die borg staat voor de aanvraag, zorgt voor de verantwoordelijkheden die voorzien zijn in artikel 139, lid 4 van artikel 153 en in lid 4 van artikel 4 van bijlage III bij het Verdrag.4. De Staten of entiteiten die een overeenkomst tot joint venture met de Onderneming afgesloten hebben, dienen zich eveneens naar de bepalingen van dit artikel te schikken. Artikel 12 Financiële en technische capaciteit 1. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie moet voldoende nauwkeurige informatie bevatten om de Raad ervan te overtuigen dat de aanvrager zowel financieel als technisch in staat is om het voorgestelde werkplan uit te voeren en zijn financiële verplichtingen jegens de Autoriteit na te komen (4).2. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie die ingediend wordt in naam van een Staat, van een entiteit of van een samenstellend deel van een entiteit zoals beoogd in lid 1 a) ii) of iii) van resolutie II, die geen geregistreerde pionierinvesteerder betreft die reeds aanzienlijke activiteiten in het Gebied ondernomen heeft vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, of zijn rechtverkrijgenden, wordt geacht te voldoen aan de financiële en technische voorwaarden waaraan de goedkeuring van het voorgestelde werkplan onderworpen is als de Staat/Staten die borg staat/staan voor de aanvraag, bevestigt/bevestigen dat de aanvrager het equivalent van minstens 30 miljoen Amerikaanse dollar in onderzoeks- en exploratieactiviteiten geïnvesteerd heeft alsook minstens 10 % van dat bedrag besteed heeft aan de lokalisering, topografische studie en evaluatie van het gebied die in het voorgestelde werkplan beoogd wordt.3. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie die van de Onderneming uitgaat, moet worden vergezeld van een verklaring door de bevoegde Autoriteit ervan waarin bevestigd wordt dat de Onderneming over de nodige financiële middelen beschikt om de geraamde kostprijs van het voorgestelde werkplan te dekken.4. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie die uitgaat van een Staat of van een Staatsonderneming die geen geregistreerde pionierinvesteerder is, of van een entiteit zoals beoogd in lid 1 a) ii) of iii) van resolutie II, moet worden vergezeld van een verklaring waarin deze Staat of de Staat die borg staat voor de aanvraag, bevestigt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen om de geraamde kostprijs van het voorgestelde werkplan te dekken.5. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie die uitgaat van een entiteit, die geen geregistreerde pionierinvesteerder of entiteit is zoals beoogd in lid 1 a) ii) of iii) van resolutie II, moet worden vergezeld van kopieën van de nagekeken financiële staten ervan, met inbegrip van de balansen alsook de verlies- en winstrekeningen van de drie voorgaande jaren, die opgesteld werden overeenkomstig de internationaal erkende boekhoudprincipes en gecertificeerd zijn door een naar behoren erkend accountantskantoor;en a) Als de aanvrager een onlangs opgerichte entiteit is en er geen nagekeken balans beschikbaar is, een pro forma balans die door een bevoegde vertegenwoordiger van de aanvrager gecertificeerd is;b) Als de aanvrager een filiaal van een andere entiteit is, kopieën van diezelfde financiële staten betreffende deze entiteit en een verklaring van deze entiteit, opgesteld overeenkomstig de internationaal erkende boekhoudprincipes en gecertificeerd door een naar behoren erkend accountantskantoor, waarin bevestigd wordt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen om het werkplan met betrekking tot de exploratie uit te voeren;c) Als de aanvrager gecontroleerd wordt door een Staat of een Staatsonderneming, een verklaring van de Staat of van de Staatsonderneming waarin bevestigd wordt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen om het voorgestelde werkplan uit te voeren.6. Als een aanvrager die beoogd wordt in lid 5 het voorgestelde werkplan met behulp van leningen wil financieren, moet zijn aanvraag het bedrag, het tijdschema en de rentevoet van deze leningen vermelden.7. Behoudens de bepalingen voorzien in lid 2, moet elke aanvraag het volgende bevatten: a) een algemene beschrijving van de technische ervaring, kennis, vaardigheden en knowhow die nuttig zijn voor de uitvoering van het voorgestelde werkplan dat eerder door de aanvrager verworven werd;b) een algemene beschrijving van het materiaal en de methodes die men wil gebruiken om het voorgestelde werkplan uit te voeren alsook van de andere nuttige informatie, die geen industriële eigendom is, betreffende de kenmerken van de beoogde technieken;en c) een algemene beschrijving van de financiële en technische capaciteit waarover de aanvrager beschikt om het hoofd te bieden aan gelijk welk incident dat of gelijk welke activiteit die ernstige schade aan het mariene milieu veroorzaakt.8. Als de aanvrager een vereniging is of een consortium van entiteiten die onderling gebonden zijn door een overeenkomst tot joint venture, moet elke entiteit van de vereniging of van het consortium de inlichtingen verschaffen die in dit artikel vereist worden. Artikel 13 Contracten die eerder met de Autoriteit afgesloten werden Als de aanvrager of - wanneer de aanvraag uitgaat van een vereniging of van een consortium van entiteiten die onderling gebonden zijn door een Akkoord tot joint venture - elke entiteit die deel uitmaakt van de vereniging of van het consortium, voordien een contract met de Autoriteit afgesloten heeft, moet hij/zij het volgende in zijn/haar aanvraag aanduiden: a) de datum van het contract of van de vorige contracten;b) de datum, het registratienummer en de titel van elk verslag met betrekking tot het (de) contract(en);en c) de datum waarop het contract/de contracten ontbonden werd/werden, in voorkomend geval. Artikel 14 Verbintenissen In het kader van zijn aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie verbindt elke aanvrager, met inbegrip van de Onderneming, zich er schriftelijk jegens de Autoriteit toe: a) de verplichtingen die hem opgelegd worden krachtens het Verdrag en de regels, voorschriften, procedures van de Autoriteit, de beslissingen van de bevoegde organen van de Autoriteit en de clausules van de contracten die hij met deze afgesloten heeft, als uitvoerbaar te aanvaarden en na te leven;b) te aanvaarden dat de Autoriteit op de activiteiten die in het Gebied uitgevoerd worden, de controle uitoefent die door het Verdrag toegelaten is;en c) de Autoriteit schriftelijk te verzekeren dat hij de verplichtingen die hem krachtens het contract opgelegd worden, in eer en geweten zal nakomen (5). Artikel 15 Gebied beoogd door de aanvraag Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie moet, overeenkomstig de meest recente algemeen aanvaarde internationale normen die de Autoriteit toepast, het gebied afbakenen die ze beoogt door er de lijst van de geografische gegevens van weer te geven. De andere aanvragen dan die welke krachtens artikel 17 voorgelegd worden, moeten een zone beslaan, niet noodzakelijkerwijs van een enkele houder, met een totaaloppervlakte en een geraamde handelswaarde die volstaat om twee mijnontginningsoperaties uit te voeren. De aanvrager moet de gegevens vermelden waarmee men het gebied in twee delen met eenzelfde geraamde handelswaarde kan opsplitsen. De toekenning van zones is onderworpen aan de bepalingen van artikel 25. Artikel 16 Gegevens en inlichtingen die verschaft moeten worden vóór de aanduiding van een voorbehouden gebied 1. Elke aanvraag moet voldoende gegevens en inlichtingen bevatten, zoals voorgeschreven in afdeling II van bijlage 2 bij dit voorschrift, over het gebied die ze beoogt, opdat de Raad, op aanbeveling van de Juridische en Technische Commissie, een voorbehouden gebied kan aanduiden door zich op de geraamde handelswaarde van elk deel te baseren.De informatie die verschaft moet worden, omvat de gegevens waarover de aanvrager beschikt op de twee delen van het gebied die door de aanvraag beoogd wordt, met name de gegevens die gebruikt worden om hun handelswaarde te bepalen. 2. De Raad, die zich op de gegevens en inlichtingen baseert die verschaft zijn door de aanvrager overeenkomstig afdeling II van bijlage 2 bij dit Voorschrift - welke gegevens en inlichtingen hij voldoende moet achten - alsook op de aanbeveling van de Juridische en Technische Commissie, duidt het deel aan van het gebied die door de aanvraag beoogd wordt, dat voorbehouden zal worden.Het gebied dat aldus aangeduid wordt, wordt voorbehouden zodra het exploratieplan met betrekking tot de niet-voorbehouden gebied goedgekeurd is en het contract ondertekend is. Als de Raad oordeelt dat hij, in toepassing van dit Voorschrift en van bijlage 2, over bijkomende informatie moet beschikken om het voorbehouden gebied aan te duiden, verwijst hij de vraag naar de Commissie door met het oog op een aanvullend onderzoek en duidt hij hierbij aan welke bijkomende informatie vereist is. 3. Zodra het werkplan met betrekking tot de exploratie goedgekeurd is en er een contract opgesteld is, kan de informatie die de aanvrager in verband met het voorbehouden gebied aan de Autoriteit verschaft heeft, door deze laatste worden meegedeeld overeenkomstig lid 3 van artikel 14 van bijlage III bij het Verdrag. Artikel 17 Aanvragen tot goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie die verband houden met een voorbehouden gebied 1. Elke ontwikkelingsstaat of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die erdoor ondersteund wordt en er effectief door gecontroleerd wordt of door een andere ontwikkelingsstaat gecontroleerd wordt, of elke groep uit voornoemde categorieën, kan de Autoriteit in kennis brengen van het feit dat hij/ze een werkplan met betrekking tot de exploratie voor een voorbehouden gebied wil indienen.De Secretaris-generaal bezorgt deze kennisgeving aan de Onderneming die, binnen de zes maanden, schriftelijk laat weten aan de Secretaris-generaal of ze al dan niet activiteiten in dit gebied wenst uit te voeren; als ze activiteiten in het gebied wenst uit te voeren, laat ze dit ook schriftelijk weten, in toepassing van lid 4., aan de contractant waarvan de aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie oorspronkelijk deze zone betrof. 2. Elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie met betrekking tot een voorbehouden gebied mag gelijk wanneer worden voorgelegd nadat een dergelijke gebied beschikbaar wordt ten gevolge van de beslissing van de Onderneming om er geen activiteiten uit te voeren of als, binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de kennisgeving door de Secretaris-generaal, de Onderneming niet beslist heeft of ze in dit gebied activiteiten wenst uit te voeren, of de Secretaris-generaal schriftelijk inlicht dat ze overeen mogelijke joint venture aan het onderhandelen is.In dit laatste geval beschikt ze over één jaar tijd, te rekenen vanaf de datum van deze kennisgeving, om te beslissen of ze activiteiten in het gebied wenst uit te voeren. 3. Als de Onderneming of een ontwikkelingsstaat of één van de entiteiten beoogd in lid 1 geen aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie voorlegt met het oog op activiteiten in een voorbehouden gebied, binnen een termijn van 15 jaar nadat de Onderneming haar functies is beginnen uit te oefenen, los van het Secretariaat van de Autoriteit of binnen een termijn van 15 jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit gebied bij de Autoriteit voorbehouden werd, als deze later valt, mag de contractant waarvan de aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie oorspronkelijk dit gebied betrof, een aanvraag voor dit gebied indienen op voorwaarde dat ze in eer en geweten voorstelt om van de Onderneming een vennoot te maken in het kader van een joint venture.4. De contractant heeft een voorrangsrecht om met de Onderneming een akkoord tot joint venture af te sluiten met het oog de exploratie van het gebied die in zijn aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie opgenomen is en door de Raad als een voorbehouden gebied aangeduid is. Artikel 18 Gegevens en inlichtingen die verschaft moeten worden voor de goedkeuring van het werkplan met betrekking tot de exploratie (6) Zodra de Raad het voorbehouden gebied aangeduid heeft, moet de aanvrager, voor zover hij dit nog niet gedaan heeft, de volgende informatie verschaffen met het oog op het verkrijgen van de goedkeuring van het werkplan met betrekking tot de exploratie onder de vorm van een contract: a) de algemene beschrijving en de kalender van het overwogen exploratieprogramma, met inbegrip van het programma van de activiteiten die ondernomen moeten worden tijdens de komende vijf jaren zoals de studies betreffende de diverse factoren, met name de ecologische, technische, economische en commerciële factoren, die voor de exploratie in aanmerking genomen dienen te worden;b) De beschrijving van het programma voor oceanografische en ecologische studies, overeenkomstig dit Voorschrift en de regels, voorschriften en procedures die de Autoriteit inzake leefmilieu goedgekeurd heeft, welk programma toelaat om de mogelijke impact op het leefmilieu van de overwogen exploratieactiviteiten te evalueren, rekening houdend met alle aanbevelingen die de Juridische en Technische Commissie geformuleerd heeft;c) Een voorafgaande evaluatie van de mogelijke impact op het mariene milieu van de overwogen exploratieactiviteiten;d) Een beschrijving van de maatregelen die overwogen worden om de vervuiling en andere risico's evenals de mogelijke impact op het mariene milieu te voorkomen, te beperken en te beheersen;e) Gegevens die nodig zijn opdat de Raad de beslissing zou kunnen nemen die hij moet nemen krachtens lid 1 van artikel 12;en f) de kalender van de uitgaven die voor elk jaar voorzien zijn wat betreft het programma van de activiteiten van de komende vijf jaren. Afdeling 3. - Vergoedingen Artikel 19 Vergoedingen aangaande de aanvragen 1. Het bedrag van de vergoeding dat betaald moet worden voor de bestudering van de aanvragen tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie bedraagt 250.000 Amerikaanse dollar, of het equivalent ervan in vrij converteerbare valuta. De aanvrager betaalt deze vergoeding aan de Autoriteit wanneer hij zijn aanvraag indient (7). 2. De Raad herbekijkt regelmatig het bedrag van de vergoeding om erop toe te zien dat het de administratieve uitgaven dekt die de Autoriteit gedaan heeft om de aanvraag te verwerken.3. Als de administratieve uitgaven die de Autoriteit doet om de aanvraag te verwerken, lager zijn dan het vastgestelde bedrag, zal de Autoriteit de aanvrager het verschil terugbetalen. Afdeling 4. - Verwerking van de aanvragen Artikel 20 Ontvangst, ontvangstbewijs en bewaring van de aanvragen De Secretaris-generaal: a) bevestigt schriftelijk de ontvangst van elke aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie, dat ingediend wordt overeenkomstig dit deel, waarbij de datum van ontvangst vermeld wordt;b) dient de aanvraag met de bijhorende stukken en bijlagen in op een veilige plaats en ziet erop toe dat het vertrouwelijk karakter van alle vertrouwelijke gegevens en inlichtingen die in de aanvraag verschaft zijn, beschermd zijn;en c) verwittigt de leden van de Autoriteit in verband met de ontvangst van de aanvraag en deelt hen de desbetreffende niet-vertrouwelijke inlichtingen van algemene aard mee. Artikel 21 Nazicht van de aanvragen door de Juridische en Technische Commissie (8) 1. Zodra de Secretaris-generaal een aanvraag tot goedkeuring van een werkplan met betrekking tot de exploratie ontvangt, dient hij de leden van de Juridische en Technische Commissie te verwittigen en het nazicht ervan op de dagorde van de volgende vergadering van de Commissie in te schrijven.2. De Commissie onderzoekt de aanvragen in de volgorde waarin ze deze ontvangt.3. De Commissie beoordeelt of de aanvrager: a) zich geschikt heeft naar de bepalingen van dit voorschrift;b) de verbintenissen aangegaan is en de waarborgen verschaft heeft die in artikel 14 beoogd worden;c) beschikt over de financiële en technische capaciteit die vereist is om het overwogen werkplan met betrekking tot de exploratie uit te voeren;en d) de verplichtingen die hem opgelegd worden krachtens elk contract dat eerder met de Autoriteit afgesloten werd, naar behoren vervuld heeft.4. Overeenkomstig de voorwaarden die in dit Voorschrift opgenomen zijn en alle procedures die de Autoriteit goedgekeurd heeft, beoordeelt de Commissie of het overwogen werkplan met betrekking tot de exploratie: a) voorziet in de efficiënte bescherming van de gezondheid en veiligheid van de mens;b) voorziet in het efficiënte behoud en de efficiënte bescherming van het mariene milieu;c) garandeert dat de installaties niet geplaatst zullen worden waar ze het gebruik van de erkende vaarstroken die essentieel zijn voor de internationale scheepvaart, dreigen te belemmeren, noch in zones waarin er intensief gevist wordt.5. Als de Commissie besluit dat de voorschriften van lid 3 vervuld zijn en dat het overwogen werkplan met betrekking tot de exploratie aan de voorschriften van lid 4 voldoet, beveelt ze de Raad aan het werkplan met betrekking tot de exploratie goed te keuren.6. De Commissie zal de goedkeuring van het werkplan met betrekking tot de exploratie niet aanbevelen als het gebied die door het voorgestelde plan beoogd wordt, geheel of gedeeltelijk inbegrepen is in: a) een werkplan met betrekking tot de exploratie van de polymetallische knollen dat reeds goedgekeurd is door de Raad;of b) een goedgekeurd werkplan met betrekking tot de exploratie of de exploitatie van andere rijkdommen als het werkplan met betrekking tot de exploratie van de polymetallische knollen de activiteiten die in het kader van een dergelijk goedgekeurd plan uitgevoerd worden, dreigt te belemmeren;of c) in een gebied waarvan de exploitatie door de Raad uitgesloten is wanneer er ernstige redenen zijn om te denken dat er een risico op ernstige schade aan het mariene milieu uit zou voortvloeien;of als d) het voorgestelde exploratieplan onderworpen is aan of ondersteund wordt door een Staat die reeds het volgende heeft laten goedkeuren: i) Werkplannen met betrekking tot de exploratie en de exploitatie, of enkel tot de exploitatie, in niet-voorbehouden gebieden waarvan de oppervlakte, als deze opgeteld wordt bij een of ander deel van het gebied die door het voorgestelde plan beoogd wordt, meer zou bedragen dan 30 % van de oppervlakte van een circulaire zone van 400 000 vierkante kilometer, die bepaald wordt vanaf het centrum van een of ander deel van het gebied die door het voorgestelde plan beoogd wordt; ii) Werkplannen met betrekking tot de exploratie en de exploitatie, of enkel tot de exploitatie, in niet-voorbehouden gebieden die samen 2 % vertegenwoordigen van de totaaloppervlakte van het gebied die niet voorbehouden werd en waarvan de exploitatie niet uitgesloten werd in toepassing van artikel 162, lid 2, letter x) van het Verdrag. 7. Behoudens in geval van de aanvragen die van de Onderneming uitgaan, in haar naam gedaan worden of die van een joint venture uitgaan, en van de aanvragen die onder artikel 17 vallen, zal de Commissie de goedkeuring van het voorgestelde werkplan met betrekking tot de exploratie niet aanbevelen als het gebied waarop dit plan betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk inbegrepen is in een voorbehouden gebied of een gebied die de Raad aangeduid heeft als een gebied die voorbehouden moet worden.8. Als de Commissie oordeelt dat een aanvraag niet met dit Voorschrift overeenstemt, zal ze de aanvrager er schriftelijk van op de hoogte brengen, via de Secretaris-generaal, en de redenen opgeven waarom de aanvraag niet conform is.De aanvrager mag zijn aanvraag wijzigen binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf deze kennisgeving. Als de Commissie, na de aanvraag onderzocht te hebben, oordeelt dat ze de goedkeuring van het voorgestelde plan niet zou mogen aanbevelen, informeert ze de aanvrager, die dan over een termijn van 30 dagen beschikt om zijn opmerkingen voor te leggen. De Commissie houdt rekening met deze opmerkingen in haar verslag en haar aanbeveling aan de Raad. 9. Wanneer ze een werkplan met betrekking tot de exploratie onderzoekt, houdt de Commissie rekening met de principes, beleidslijnen en doelstellingen met betrekking tot de activiteiten die uitgevoerd worden in het Gebied die opgenomen is in deel XI en bijlage III bij het Verdrag en in de Overeenkomst.10. De Commissie onderzoekt de aanvragen spoedig en bezorgt de Raad zo snel mogelijk, rekening houdend met de kalender van de vergaderingen van de Autoriteit, haar verslag en haar aanbeveling inzake de aanduiding van het gebieden en het werkplan met betrekking tot de exploratie.11. De Commissie vervult haar functies door dit Voorschrift alsook de regels, voorschriften en procedures die door de Autoriteit goedgekeurd zijn, op een eenvormige en niet-discriminerende manier toe te passen. Artikel 22 Onderzoek en goedkeuring door de Raad (9) De Raad onderzoekt de verslagen en aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot de goedkeuring van werkplannen met betrekking tot de exploratie overeenkomstig de procedure voorzien in paragrafen 11 en 12 van afdeling 3 van de bijlage bij de Overeenkomst. Deel IV - Contracten met betrekking tot de exploratie Artikel 23 Het contract 1. Zodra het door de Raad goedgekeurd is, wordt het werkplan met betrekking tot de exploratie opgenomen in een contract dat afgesloten wordt tussen de Autoriteit en de aanvrager overeenkomstig bijlage 3. Elk contract moet uitdrukkelijk de typeclausules bevatten die vermeld zijn in bijlage 4 en van kracht zijn wanneer het contract in werking treedt. 2. Het contract wordt ondertekend door de aanvrager en door de Secretaris-generaal die in naam van de Autoriteit handelt.De Secretaris-generaal licht de leden van de Autoriteit schriftelijk in over de afsluiting van elk contract. 3. Overeenkomstig het beginsel van non-discriminatie moeten de contracten die afgesloten worden met de Staten, entiteiten of samenstellende delen van de entiteiten, beoogd in sublid i) lid a) van lid 6 van afdeling 1 van de bijlage bij de Overeenkomst, bepalingen bevatten die gelijkaardig zijn aan die welke met de geregistreerde pionierinvesteerders overeengekomen werden en niet ongunstiger zijn dan deze laatste.Als een Staat of een entiteit, of gelijk welk samenstellend deel van deze Staat of entiteit, beoogd in sublid i) lid a) van lid 6 van afdeling 1 van de bijlage bij de Overeenkomst gunstigere bepalingen toegewezen krijgt, moet de Raad bepalingen treffen die gelijkaardig en niet minder gunstig zijn ten opzichte van de rechten en verplichtingen van de geregistreerde pionierinvesteerders op voorwaarde dat dergelijke bepalingen onder voorbehoud van de belangen van de Autoriteit getroffen worden. Artikel 24 Rechten van de contractant 1. De contractant geniet het exclusieve recht om het gebied die door het werkplan beoogd wordt, te exploreren wat de polymetallische knollen betreft.De Autoriteit garandeert dat geen enkele andere entiteit in hetzelfde gebied activiteiten uitoefent die betrekking hebben op andere rijkdommen dan de polymetallische knollen, op een manier die de activiteiten van de contractant zou kunnen hinderen. 2. Een contractant die een werkplan heeft laten goedkeuren dat enkel betrekking heeft op de exploratie, geniet de voorkeur en krijgt voorrang op de aanvragers die een werkplan indienen dat betrekking heeft op de exploitatie van hetzelfde gebied en dezelfde rijkdommen. Deze voorkeur en voorrang kunnen echter door de Raad worden ingetrokken als ze zich niet schikt naar de bepalingen van het goedgekeurde werkplan met betrekking tot de exploratie binnen de termijn die vastgesteld is door het schriftelijk advies dat of de schriftelijke adviezen die de Raad hem bezorgt om haar te melden naar welke bepalingen ze zich niet geschikt heeft. De termijn die in het advies voorgeschreven is, moet redelijk zijn. De contractant moet de kans krijgen om gehoord te worden voordat de beslissing om zijn voorkeur of voorrang in te trekken, definitief wordt. De Raad motiveert zijn beslissing tot intrekking en onderzoekt, in voorkomend geval, het antwoord van de contractant. De beslissing van de Raad dient met een dergelijk antwoord rekening te houden en op ernstige redenen te steunen. 3. De intrekking van een voorkeur of voorrang wordt pas effectief wanneer de contractant de kans gekregen heeft om alle rechtsmiddelen te gebruiken die voorzien zijn in afdeling 5 van deel XI van het Verdrag. Artikel 25 Oppervlakte van het gebied en teruggave 1. De oppervlakte van het gebied die krachtens het contract aan de contractant toegekend wordt, mag niet meer dan 150.000 vierkante kilometer bedragen. In opeenvolgende fracties, geeft de contractant een portie van het toegekende gebied terug, die opnieuw integraal deel van het Gebied gaat uitmaken op basis van de volgende kalender: a) maximum drie jaar na de datum waarop het contract afgesloten wordt, een fractie van het toegekende gebied die met 20 % van zijn oppervlakte overeenstemt;b) maximum vijf jaar na de datum waarop het contract afgesloten wordt, een bijkomende fractie van het toegekende gebied die met 10 % van zijn oppervlakte overeenstemt;en c) acht jaar na de datum waarop het contract afgesloten wordt, een bijkomende fractie van het toegekende gebied die met 20 % van zijn oppervlakte overeenstemt of een grotere fractie, zodat de oppervlakte van de exploitatiegebied niet groter is dan die welke de Autoriteit vastgesteld heeft, aangezien de contractant niet gevraagd zal worden gelijk welke portie van het gebied die hem toegekend werd, terug te geven als de oppervlakte van het gebied niet groter is dan 75.000 vierkante kilometer. 2. In geval van een geregistreerde pionierinvesteerder houdt het contract rekening met de kalender voor de teruggave, desgevallend overeenkomstig de voorwaarden van zijn registratie als pionierinvesteerder.3. Op verzoek van de contractant en op aanbeveling van de Commissie kan de Raad uitzonderlijk de uitvoering van de kalender voor de teruggave uitstellen.De uitzonderlijke omstandigheden worden bepaald door de Raad en omvatten, met name, de economische situatie van de contractant of andere onvoorspelbare situaties die zich tijdens zijn operationele activiteiten voordoen. Artikel 26 Duur van de contracten 1. De werkplannen met betrekking tot de exploratie worden goedgekeurd voor 15 jaar.Wanneer een werkplan met betrekking tot de exploratie verstrijkt, moet de contractant, als hij dit nog niet gedaan heeft of als het plan niet verlengd werd, een aanvraag tot goedkeuring van een exploitatieplan indienen, tenzij hij beslist heeft om geen afstand te doen van zijn rechten in het gebied die door het werkplan met betrekking tot de exploratie beoogd wordt. 2. Binnen de zes maanden na het verstrijken van een werkplan met betrekking tot de exploratie mag de contractant er de verlenging van aanvragen voor periodes van telkens maximum vijf jaar.Deze verlengingen worden toegekend door de Raad, op aanbeveling van de Commissie, als de contractant in eer en geweten zijn best gedaan heeft om zich te schikken naar de bepalingen van het werkplan met betrekking tot de exploratie maar om redenen buiten zijn wil, de voorbereidende werken die nodig zijn om tot de exploitatiefase over te gaan, niet tot een goed einde heeft kunnen brengen of als de economische omstandigheden van het moment de overgang tot de exploitatiefase niet rechtvaardigen. Artikel 27 Opleiding 1. In toepassing van artikel 15 van bijlage III bij het Verdrag bevat elk contract als bijlage een programma voor de praktische opleiding van het personeel van de Autoriteit en van de Ontwikkelingsstaten, welk programma opgesteld is door de contractant in samenwerking met de Autoriteit en de Staat/Staten die borg staat/staan voor de aanvraag. Deze opleiding heeft betrekking op de exploratie en laat betrokkenen toe ten volle deel te nemen aan alle activiteiten waarop het contract betrekking heeft. Het opleidingsprogramma mag regelmatig met wederzijdse toestemming worden gewijzigd, naargelang de behoefte. 2. In geval van een geregistreerde pionierinvesteerder houdt het contract rekening met de opleiding die gegeven wordt overeenkomstig de voorwaarden van zijn registratie als pionierinvesteerder. Artikel 28 Periodiek nazicht van de uitvoering van het werkplan met betrekking tot de exploratie 1. De contractant en de Secretaris-generaal controleren samen om de vijf jaar de uitvoering van het werkplan met betrekking tot de exploratie.De Secretaris-generaal mag de contractant vragen hem alle bijkomende gegevens en inlichtingen mee te delen die met het oog op het nazicht vereist kunnen zijn. 2. Met het oog op het nazicht deelt de contractant zijn activiteitenprogramma voor de komende vijf jaren mee en brengt ze hierbij de wijzigingen aan die nodig blijken.3. De Secretaris-generaal brengt verslag uit over dit nazicht aan de Commissie en de Raad.In zijn verslag geeft hij aan of er, met het oog op het nazicht, rekening gehouden werd met opmerkingen die de Verdragsluitende Staten hem meegedeeld zouden hebben over de manier waarop de contractant zich gehouden heeft aan de verplichtingen die ze aangegaan is krachtens dit Voorschrift betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Artikel 29 Beëindiging van de borgstelling 1. Elke contractant moet tijdens de volledige duur van het contract naar behoren worden ondersteund.2. Als een Staat een einde stelt aan zijn borgstelling, dient hij onverwijld de Secretaris-generaal schriftelijk te informeren en deze beslissing te motiveren.De beëindiging van de borgstelling vangt aan zes maanden nadat de Secretaris-generaal de kennisgeving ontvangen heeft, tenzij er in deze kennisgeving een latere datum vermeld is. 3. Als de contractant een einde stelt aan de borgstelling, moet ze, binnen de termijn voorzien in lid 2, een nieuwe Staat vinden die voor hem borg staat.Deze laatste moet een borgstellingscertificaat voorleggen overeenkomstig artikel 11. Als de contractant binnen de voorgeschreven termijn geen borgstelling verkrijgt, wordt haar contract beëindigd. 4. Een Staat die voor een aanvraag borg staat, wordt na de beëindiging van zijn borgstelling, niet vrijgesteld van de verplichtingen die hem opgelegd zijn in zijn hoedanigheid van Staat die borg staat voor de aanvraag.De beëindiging heeft ook geen invloed op de rechten en verplichtingen die tijdens de borgstelling tot stand kwamen. 5. De Secretaris-generaal brengt de leden van de Autoriteit in kennis van elke beëindiging of wijziging van de borgstelling. Artikel 30 Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid die de contractant en de Autoriteit dragen in geval van schade, wordt door het Verdrag geregeld. De contractant wordt verantwoordelijk gesteld voor elk schadegeval dat voortvloeit uit een ongeoorloofde handeling tijdens de uitvoering van haar operaties, in het bijzonder voor de schade die aan het mariene milieu toegebracht wordt na de afronding van de exploratiefase. Deel V - Bescherming en behoud van het mariene milieu Artikel 31 Bescherming en behoud van het mariene milieu 1. Overeenkomstig het Verdrag en de Overeenkomst stelt de Autoriteit regels, voorschriften en procedures inzake leefmilieu op die ze op regelmatige tijdstippen herziet om het mariene milieu op efficiënte wijze te beschermen tegen de schadelijke effecten die zouden kunnen voortvloeien uit de activiteiten die in het Gebied uitgevoerd worden.2. Om het mariene milieu op efficiënte wijze te beschermen tegen de schadelijke effecten die kunnen voortvloeien uit activiteiten die in het Gebied uitgevoerd worden, passen de Autoriteit en de Staten die borg staan voor deze activiteiten, vo …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.