📄 Wettekst
22 DECEMBER 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Raad van State, afdeling Wetgeving Advies 74.551/1 van 25 oktober 2023 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' Op 25 september 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 19 oktober 2023. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Brecht STEEN en Tim CORTHAUT, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Greet VERBERCKMOES, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine BAMS, eerste auditeur-afdelingshoofd.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 25 oktober 2023. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.(1) STREKKING VAN HET ONTWERP 2. Het om advies voorgelegde ontwerp komt neer op een verzamelbesluit waarin diverse wijzigingen worden aangebracht in een vijftal besluiten van de Vlaamse Regering op het vlak van milieubeleid, afvalverwerking en bodemsanering.Daarbij wordt voorzien in de omzetting in het interne recht van bepaalde Europese richtlijnen, zoals richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 `betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu'.
RECHTSGROND 3.1. De ontworpen regeling vindt in beginsel rechtsgrond in de decretale bepalingen die worden opgesomd in de rubriek "Rechtsgronden", in de aanhef van het ontwerp.(2) Wel dient die opsomming te worden vervolledigd met de vermelding van de artikelen 6, § 2, 9, § 3, 12 en 33/11, van het
decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
28/02/2012
numac
2012035118
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
27/01/2012
numac
2012035076
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
20/07/2012
numac
2012035647
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012
sluiten `betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' (Materialendecreet).
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, e), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 `betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)' strekt het ontwerp, of bepaalde onderdelen ervan, niet tot rechtsgrond. Van deze laatste bepaling wordt derhalve het best geen melding gemaakt in de rubriek "Rechtsgronden". Indien dergelijke vermelding nuttig worden geacht wordt deze beter opgenomen in de rubriek "Juridisch kader" in de aanhef van het ontwerp.
Voor sommige van de hierna genoemde bepalingen van het ontwerp is de aangehaalde rechtsgrond evenwel problematisch. 3.2.1. De wijzigingen die de artikelen 115 tot 120 van het ontwerp beogen aan te brengen in het
besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten2 `tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' (VLAREMA), hebben betrekking op respectievelijk de registers van afvalstoffen en de registers van materialen die geen afvalstoffen zijn. De betrokken bepalingen van het ontwerp impliceren een verwerking van persoonsgegevens.(3) Krachtens artikel 22 van de Grondwet geldt voor elke verwerking van persoonsgegevens en, meer in het algemeen, voor elke inmenging in het recht op het privéleven, dat het formeel legaliteitsbeginsel dient te worden nageleefd. Doordat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om vast te stellen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven, waarborgt het aan elke burger dat geen enkele inmenging in dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettelijkheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de "essentiële elementen" voorafgaandelijk door de bevoegde wetgever vastgesteld zijn.(4) Bijgevolg moeten de "essentiële elementen" van de verwerking van persoonsgegevens in het decreet zelf worden vastgelegd. In dat verband is de afdeling Wetgeving van oordeel dat ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, de volgende elementen in beginsel "essentiële elementen" uitmaken: 1° ) de categorie van verwerkte gegevens;2° ) de categorie van betrokken personen;3° ) de met de verwerking nagestreefde doelstelling;4° ) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens;en 5° ) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens.(5) Het staat niet aan de Vlaamse Regering om, zonder voldoende decretale basis, door middel van een besluit essentiële regels inzake het verwerken van persoonsgegevens te regelen, zoals te dezen de categorie van verwerkte gegevens. Het door de gemachtigde aangehaalde artikel 6 van het reeds genoemde Materialen
decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
28/02/2012
numac
2012035118
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
27/01/2012
numac
2012035076
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
20/07/2012
numac
2012035647
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012
sluiten, dat betrekking heeft op de opmaak en het beheer van het afvalstoffen- en materialenregister, en op het materialeninformatiesysteem, regelt onvoldoende de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens opdat het voor de Vlaamse Regering mogelijk zou zijn om zelf dergelijke regeling op te nemen in de artikelen 115 tot 120 van het ontwerp. Er zou derhalve op dat punt vooraf een voldoende uitgewerkt decretaal kader moeten worden tot stand gebracht waarop de Vlaamse Regering zich vervolgens kan steunen bij het vaststellen van de voorschriften inzake verwerking van persoonsgegevens die zijn vervat in de voornoemde bepalingen van het ontwerp. 3.2.2. Ook artikel 138 van het ontwerp, dat in VLAREMA een hoofdstuk 9/1 beoogt in te voegen, heeft betrekking op een verwerking van persoonsgegevens en, meer bepaald, op verwerkingen die worden verricht door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). De essentiële elementen van de betrokken gegevensverwerking zijn opgenomen in artikel 4/2 van het Materialen
decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
28/02/2012
numac
2012035118
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
27/01/2012
numac
2012035076
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
23/12/2011
pub.
20/07/2012
numac
2012035647
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012
sluiten.
Het in artikel 4/2 van het Materialendecreet tot stand gebrachte decretale kader inzake gegevensverwerking volstaat evenwel niet opdat sommige andere bepalingen van het ontwerp er een voldoende rechtsgrond in zouden kunnen vinden voor de erin opgenomen regeling inzake gegevensverwerking.
Artikel 100 van het ontwerp beoogt een wijziging aan te brengen in de persoonsgegevens die moeten worden vermeld op het identificatieformulier dat aanwezig moet zijn tijdens het vervoer.
Deze gegevens worden niet verwerkt door OVAM. Voor dergelijke verwerking zou een meer duidelijke decretale rechtsgrond moeten worden tot stand gebracht.
De vervanging van artikel 6.1.5.4, vijfde lid, van VLAREMA, door artikel 107, 2°, van het ontwerp, in verband met digitale identificatieformulieren, betreft eveneens een regeling van de uitwisseling van persoonsgegevens. Daarbij kan niet worden afgeweken van de regeling die is opgenomen in artikel 4/2 van het Materialendecreet in die zin dat er in deze laatste bepaling niet wordt gerefereerd aan de toegankelijkheid van de betrokken gegevens in hoofde van "andere bevoegde inspectiediensten", noch aan het na te streven doeleinde inzake handhaving. Tenzij een andere afdoende rechtsgrond voor de gegevensverwerking zou bestaan, zouden de voornoemde twee elementen vooraf decretaal moeten worden vastgelegd, wat in voorkomend geval kan door middel van een aanvulling van artikel 4/2 van het Materialendecreet.
ALGEMENE OPMERKINGEN 4. Wat de omzetting in het interne recht betreft van de onder de "Strekking van het ontwerp" vermelde richtlijn (EU) 2019/904 is bij het verslag aan de Vlaamse Regering een concordantietabel gevoegd.Met het ontwerp lijken evenwel ook bepalingen van andere EU-richtlijnen te worden geïmplementeerd, ook al wordt daarvan geen melding gemaakt in artikel 1 van het ontwerp, waarin enkel wordt gerefereerd aan richtlijn (EU) 2019/904. Zo moet bijvoorbeeld artikel 31 van het ontwerp worden gesitueerd tegen de achtergrond van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 `betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen'.(6) Het verdient aanbeveling om, waar nodig, de bij het verslag aan de Vlaamse Regering gevoegde concordantietabel nader uit te werken en uit te breiden tot andere (EU) richtlijnen en om bij die gelegenheid tevens de verhouding te verduidelijken van de betrokken bepalingen van het ontwerp tot de desbetreffende richtlijnen. 5. Diverse bepalingen van het ontwerp bevatten wijzigingen van bestaande erkenningsregelingen of certificatieregelingen.Dergelijke regelingen dienen in overeenstemming te zijn met de vrijheid van vestiging en met het vrije verkeer van diensten, zoals vervat in respectievelijk de artikelen 49 en 56 van het Verdrag `betreffende de werking van de Europese Unie' en met richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 `betreffende diensten op de interne markt' (dienstenrichtlijn). Zo zal bijvoorbeeld moeten worden verantwoord waarom de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in minstens de artikelen 82, 4°, en 83, 2°, van het ontwerp, afhankelijk worden gemaakt van, onder andere, "vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden" (artikel 15, lid 2, g), van de dienstenrichtlijn) en zal er moeten worden op toegezien dat wordt voldaan aan de kennisgevingsverplichting naar de Europese Commissie toe op grond van artikel 15, lid 7, van dezelfde dienstenrichtlijn.
Het verdient aanbeveling om in het verslag aan de Vlaamse Regering te verduidelijken op welke wijze de ontworpen regeling zich verhoudt tot de voornoemde Europeesrechtelijke regelgeving en hoe daaraan wordt tegemoetgekomen.(7) 6.1. Het ontwerp bevat tal van delegaties van verordenende bevoegdheid aan de minister. Zoals de Raad van State in het verleden al meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan een van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. De hiernavolgende bepalingen roepen wat dat betreft vragen op. 6.2. In het ontworpen artikel 2.3.2.1, § 1/1, vierde en vijfde lid, van VLAREMA (artikel 24, 6°, van het ontwerp), wordt de minister opgedragen om de lijst van beoogde grondstoffen waarvoor geen onderzoek naar reinigbaarheid nodig is te bepalen, en wordt hem de bevoegdheid verleend om "nadere regels" vast te stellen betreffende het bepalen van de reinigbaarheid van een beoogde grondstof.
Het bepalen van een lijst van grondstoffen die worden vrijgesteld van de algemene regeling inzake het onderzoek naar reinigbaarheid, kan niet worden beschouwd als een aangelegenheid van bijkomstige aard of van beperkt belang. Dergelijke regeling komt aan de Vlaamse Regering zelf toe. De machtiging aan de minister om "nadere regels" vast te stellen betreffende de reinigbaarheid is te onbepaald: ofwel is het de bedoeling dat de minister uitsluitend nadere invulling geeft aan de door de Vlaamse Regering op dat vlak bepaalde regels, ofwel kan de minister bijkomende regels vaststellen inzake reinigbaarheid. De draagwijdte van de betrokken delegatiebepaling zou duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de tekst van het ontwerp, waarbij het uitgangspunt evenwel dient te blijven dat aan de minister enkel verordenende bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd met betrekking tot aangelegenheden van bijkomstige aard of van beperkt belang. 6.3. In het ontworpen artikel 5.2.7.2, vijfde lid, van VLAREMA (artikel 58 van het ontwerp), wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om "nadere regels" te bepalen voor de opslag en verwerking van afgedankte batterijen en accu's.(8) De door de gemachtigde verstrekte voorbeelden van de beoogde "nadere regels" zijn vooral gericht op het voorkomen en de bestrijding van de gevolgen van verhitting en brand (zoals het opvangen van bluswater). De ontworpen bevoegdheidsdelegatie ten behoeve van de minister zou nader moeten worden afgebakend mits naleving van hetgeen onder de randnummers 6.1 en 6.2 werd opgemerkt. 6.4. In het ontworpen artikel 5.2.16.6, § 1, derde lid, van VLAREMA (artikel 60 van het ontwerp), wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om de bepalingen waaraan de verwerker voor tussenopslag moet voldoen inzake de acceptatie en de terugkoppeling van non-conformiteiten overeenkomstig artikel 5.2.16.5, het opslagbeheer en de opvolging van de correcte afvoer van de verschillende fracties en van de massabalans en een onafhankelijke opvolging van deze bepalingen "verder [uit te] werken". Dergelijke bevoegdheidsdelegatie is tegelijk ruim, gediversifieerd en ten dele onbepaald (9). Het verdient aanbeveling om de draagwijdte van de delegatiebepaling in het verslag aan de Vlaamse Regering toe te lichten en om deze zo nodig nader af te bakenen in de tekst van het ontwerp, rekening houdend met de onder randnummer 6.1 vermelde principes. 6.5. In het ontworpen artikel 5.4.8, tweede lid, van VLAREMA (artikel 82, 4°, van het ontwerp), wordt de minister bevoegd gemaakt om de taken die worden vermeld in het eerste lid van die bepaling en de daarvoor gevraagde tarieven verder uit te werken in een certificatiereglement. Ook met betrekking tot deze bevoegdheidsdelegatie ten behoeve van de minister kan worden betwijfeld of ze beperkt blijft tot het vaststellen van regels van bijkomstige aard of van beperkt belang. Het betreft hier veeleer aangelegenheden waarvan de regeling aan de Vlaamse Regering zelf toekomt. 7. In de ontworpen bepaling onder artikel 20, 2°, van het ontwerp, wordt bepaald dat OVAM de nodige leidraden kan opstellen en publiceren op haar website ingeval een materiaal niet voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria en het materiaal toch toegelaten kan worden als er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en daarvoor een grondstofverklaring kan worden verkregen (zie het bestaande artikel 2.3.1.3, vijfde lid, van VLAREMA).
Om toelichting verzocht met betrekking tot de aldus door OVAM op te stellen en te publiceren leidraden deelde de gemachtigde het volgende mee: "De leidraden zijn momenteel in een ontwerpfase en geven een inzicht in hoe de toetsing aan artikelen 36 en 37 van het materialendecreet moet gebeuren voor specifieke stromen in deze specifieke omstandigheden: `Als een materiaal niet voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3, kan ze alleen toegelaten worden als er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en daarvoor een grondstofverklaring wordt verkregen'.
Die leidraden zijn op zich niet juridisch bindend. Ze zijn bedoeld om aan de aanvrager een inzicht te geven in welke aspecten de OVAM kan meenemen in haar beoordeling, welke informatie en analyses best aanwezig kunnen zijn in het dossier over de afvalstof en mogelijke toepassing, ... . Gezien echter het uitzonderlijk karakter van deze dossiers, is het onmogelijk om dit generiek in de wetgeving te verankeren." De gemachtigde wijst op het gegeven dat de door OVAM op te stellen leidraden juridisch niet-bindend zijn. Vraag is nochtans of uit te sluiten valt dat in dergelijke leidraden mogelijk toch elementen kunnen opgenomen worden die zich richten tot de aanvragers en die voor deze laatsten niet vrijblijvend zijn. Bovendien bepaalt de Vlaamse Regering in afdeling 2.3 van VLAREMA specifieke criteria om een grondstofverklaring te kunnen afgeven, met als voorwaarde dat "de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid heeft" (zie het reeds bestaande artikel 2.3.1.3, vierde lid). Hiermee spoort niet dat OVAM in een leidraad zelf bijkomende criteria zou kunnen bepalen op grond waarvan zij zelf een grondstofverklaring zou kunnen afgeven, noch dat zij regels zou vaststellen om op een algemene wijze in een afwijking te voorzien waardoor op het domein zou worden getreden van de Vlaamse Regering om op grond van artikel 2.3.1.3, vierde lid, van VLAREMA, "specifieke criteria" vast te stellen.
ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 8. Rekening houdend met wat in dit advies wordt opgemerkt in verband met de rechtsgrond voor de ontworpen bepalingen dient in de rubriek "Rechtsgronden", na het derde streepje, ook nog te worden melding gemaakt van de artikelen 6, § 2, 9, § 3, 12 en 33/11, van het Materialendecreet. Artikel 1 9. In zover met de ontworpen regeling nog andere EU-richtlijnen worden omgezet dan richtlijn (EU) 2019/904 (zie de algemene opmerking onder randnummer 4), zal ook van deze andere richtlijnen melding moeten worden gemaakt in artikel 1 van het ontwerp. Artikel 18 10. Aan de gemachtigde werd gevraagd waar de afkorting "SVHC", die voorkomt in het ontworpen artikel 2.3.1.1, § 2, van VLAREMA, wordt gedefinieerd. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "SVHC of Substances of Very High Concern wordt niet afzonderlijk gedefinieerd in het Materialendecreet of Vlarema. Het begrip wordt wel meermaals gebruikt binnen de REACH verordening (nr. 1907/2006) en is als dusdanig voldoende gekend. Het is echter niet nodig dit begrip expliciet te vermelden in Vlarema. Met behoud van betekenis kunnen we de paragraaf ook als volgt formuleren: ` § 2. De producent brengt de OVAM op de hoogte als hij beschikt over aanwijzingen of informatie dat het gebruik wel ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid heeft. Hij beperkt zich hierbij tot de aanwezigheid van stoffen vermeld in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen, of stoffen vermeld in bijlage I van de Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen.' Het is voldoende om te verwijzen naar de stoffen die vermeld staan in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van REACH. De informatie dat sommige van deze stoffen SVHC (substances of very high concern) stoffen zijn en kandidaat zijn om op de autorisatielijst te komen is overbodige informatie in dit artikel." Met dit voorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd.
Artikel 22 11. Aan het einde van het ontworpen artikel 2.3.1.3/2, § 3, eerste lid, van VLAREMA (artikel 22, 4°, van het ontwerp), wordt het volgende bepaald: "Voor de materialen die beschouwd worden als grondstoffen, waarbij meer dan één erkend laboratorium analyses uitvoert in het kader van dezelfde analyse, bepaalt het erkende laboratorium welke laboratoria de resultaten rapporteren aan de OVAM." Aan de gemachtigde werd gevraagd welk erkend laboratorium bepaalt welke laboratoria de resultaten rapporteren aan OVAM, ermee rekening houdend dat er verschillende erkende laboratoria betrokken kunnen zijn bij de analyse.
De gemachtigde antwoordde: "Dit is een terechte opmerking. Bedoeling is dat de houder van de grondstofverklaring kan kiezen met welk laboratoria hij/zij wenst samen te werken. Dit laboratorium is dan de opdrachtnemer voor de zelfanalyse en eindverantwoordelijke dat alle gevraagde analyses worden uitgevoerd en opgeladen in digilab.
Het MB Zelfanalyse bepaalt hierover het volgende: `... 4) Elk erkend laboratorium voor analyse kan parameters uitbesteden aan andere erkende laboratoria met vermelding van de unieke OVAM-opdrachtreferentie. 5) Elk analyselaboratorium is inhoudelijk verantwoordelijk voor zijn analyses en kan de resultaten zelf in XML opladen bij de OVAM. Dat kan manueel of via API - beide systemen worden aangeboden - gekoppeld aan de unieke OVAMopdrachtreferentie.
Als de analyses uitbesteed worden aan een ander erkend labo, kunnen de analyseresultaten eventueel ook doorgegeven worden aan het erkende labo dat de analyse uitbesteed heeft. Dat laatste labo kan de analyseresultaten die in onderaanneming zijn uitgevoerd, in zijn eigen XML-bestand invoegen, of kan ervoor opteren om het door de onderaannemer opgemaakte XML-bestand integraal bij de OVAM op te laden. Bemerk wel dat bij de analyseresultaten eenduidig het labo vermeld moet worden dat de analyse effectief heeft uitgevoerd. ...' We stellen voor om de Vlarema bepaling in lijn te brengen met deze bepaling." Met dat voorstel kan worden ingestemd.
Artikel 23 12. In het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, wordt bepaald dat het betrokken artikel niet van toepassing is op hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan. Aan de gemachtigde werd gevraagd of steeds op een voldoende rechtszekere wijze zal kunnen worden vastgesteld dat "hoeveelheden grondstoffen eenmalig ontstaan".
De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "Eenmalig hoeveelheden ontstaan bijv. [bij] saneringswerken. Dit is een éénmalig proces, beperkt in de tijd, waarbij men tijdelijk een grondstof produceert om te gebruiken in een specifieke handeling, bijv. ter plaatse inzetten van uitgegraven funderingsmaterialen bestaande uit metaalslakken." Het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, heeft tot gevolg dat de producent van "hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan" althans wat die grondstoffen betreft, wordt vrijgesteld van de bewijslast die wordt omschreven in het ontworpen artikel 2.3.1.4, eerste lid, van VLAREMA. Ter wille van de rechtszekerheid zou derhalve duidelijker moeten blijken wat precies wordt verstaan onder "hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan". Het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, zou daartoe op dat punt moeten worden verduidelijkt en aangevuld. In voorkomend geval zal, in het licht van het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel, ook het verschil in behandeling op het vlak van de bewijslast tussen verschillende categorieën producenten, al naargelang de ene categorie grondstoffen heeft die "eenmalig" ontstaan en de andere niet, moeten kunnen worden verantwoord.
Artikel 31 13. In de ontworpen artikelen 2.3.7.1 tot 2.3.7.4 van VLAREMA worden de criteria vastgesteld voor grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als blendcomponent in scheepsbrandstof. In de mate dat in die bepalingen meer dan louter het opwerkingsproces wordt geregeld en erin eisen worden gesteld aan de desbetreffende eindproducten om in de handel te worden gebracht, lijken die bepalingen neer te komen op het vaststellen van productnormen in de zin van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten `tot hervorming der instellingen' waarvoor de federale overheid bevoegd is.(10) Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "Het is geen productnormering maar het zijn milieueisen die noodzakelijk zijn in het kader van de opwerking van afval tot een grondstof. Indien dit niet zou gebeuren, wordt het risico gelopen dat er stoffen worden gebruikt die een negatievere impact hebben dan de primaire grondstof. Het blijf binnen de bevoegdheden van het afvalbeleid conform artikel 36 materialendecreet.
Die criteria zijn erop gericht om de milieu-impact te verlagen. In de scheepvaart is het blenden van brandstoffen en diverse inputstromen een algemeen gebruik. De brandstofproducenten zorgen pas na het blendproces dat hun finale brandstof voldoet aan de internationale brandstofnormen. Er zijn geen normen voor de inputstromen of blendmiddelen. De sector hanteert daarvoor eigen mengregels. Dit VLAREMA 9 voorstel geeft net duidelijke milieunormen waaraan de opgewerkte afvalolie en brandstofresten moeten voldoen als deze worden ingezet als blendmiddel in scheepsbrandstof. Op die manier kan een producent van scheepsbrandstoffen geen stromen afvalolie weg mengen met te hoge verontreiniging. Dit voorstel verlaagt de milieu-impact van scheepsbrandstoffen door de lat voor blendcomponenten op basis van afvalolie, hoog te leggen. Er bestaan geen EU EOW-criteria voor afvalolie. De Vlaamse EOW-normen komen steeds bovenop andere brandstofnormen die al van kracht zijn. Deze normen (uit de VITO studie) zijn gebaseerd op de algemene EU regels voor het bepalen van EOW criteria.
Ja, er is nog steeds een grondstofverklaring nodig. Dit artikel geeft verdere invulling voor de beoordeling hiervan. In de vorige VLAREMA-wijziging (art. 2.6.5.) werd reeds opgelegd dat voor het gebruik van een afvalstof/materiaal als brandstof, steeds een grondstofverklaring verplicht is." De aangehaalde verduidelijking door de gemachtigde ten spijt doet de redactie van sommige van de ontworpen bepalingen er niettemin ernstig aan twijfelen of de stellers van het ontwerp, naar aanleiding van de uitoefening van de gewestbevoegdheid inzake afvalstoffen, niet tevens bepaalde aspecten regelen waarmee zij het federale bevoegdheidsdomein inzake het vaststellen van productnormen betreden.(11) De stellers van het ontwerp doen er dan ook goed aan om ofwel de redactie van sommige van de ontworpen bepalingen aan te passen teneinde de mogelijke weerslag of beïnvloeding van het voornoemde federale bevoegdheidsdomein weg te werken, ofwel in het verslag aan de Vlaamse Regering te verduidelijken hoe de ontworpen bepalingen zich verhouden tot de federale bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen.
Artikel 36 14. In het ontworpen artikel 2.4.2.6, vierde lid, van VLAREMA, wordt bepaald dat in de grondstofverklaring kan afgeweken worden van de verplichting bedoeld in het ontworpen artikel 2.4.2.6, derde lid, van hetzelfde besluit. Het is evenwel niet duidelijk door wie over de betrokken afwijking zal worden beslist, noch om welke reden of in welke gevallen dergelijke afwijking mogelijk is. Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "De OVAM aangezien zij de grondstofverklaring opstelt en aflevert.
Voor bepaalde grondstofverklaringen zijn er weinig risico's voor het milieu bv. kalkkorrels uit drinkwaterwinning en ferroslakken die voldoen aan alle milieucriteria. Deze kunnen onvermengd toegepast worden. In dergelijke gevallen is het overbodig om de gebruiksvoorwaarden in de overeenkomst nog eens op te nemen." In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt artikel 36 van het ontwerp als volgt becommentarieerd: "Deze aanvulling heeft als doel dat elke gebruiker ten allen tijde op de hoogte is van de voorwaarden voor het gebruik van de grondstof, waarbij dit ook schriftelijk kan worden aangetoond. Op deze manier wordt foutief gebruik van de grondstof en betwisting hierover maximaal vermeden." Vastgesteld moet worden dat de bedoeling die blijkens het verslag aan de Vlaamse Regering blijkbaar ten grondslag ligt aan de ontworpen aanvulling van artikel 2.4.2.6 van VLAREMA, ruimer is verwoord in de tekst van het ontwerp. Deze discordantie tussen de tekst van het ontwerp en de commentaar in het verslag aan de Vlaamse Regering zal moeten worden weggewerkt. Tevens zal in de tekst van het ontwerp moeten worden geëxpliciteerd door wie en onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van de verplichting bedoeld in het ontworpen artikel 2.4.2.6, derde lid, van VLAREMA. Op die wijze zal dan de discretionaire bevoegdheid van OVAM op het vlak van het nemen van de beslissing tot afwijking beter kunnen worden afgebakend.
Artikelen 40 en 41 15. Het ontworpen artikel 3.1.1, § 1, eerste lid, van VLAREMA (artikel 40 van het ontwerp), en het ontworpen artikel 3.2.1.6, van VLAREMA (artikel 41 van het ontwerp), voorzien in een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die niet eenzijdig zonder enige vorm van overleg met de andere gewesten kan worden aangenomen.(12) Hierover om nadere duiding verzocht, deelde de gemachtigde met betrekking tot artikel 40 van het ontwerp het volgende mee: "Het verslag aan de Vlaamse Regering is inderdaad verwarrend.
Gebruikte vezelcementen bouwmaterialen worden opgenomen in de lijst omdat het de bedoeling is hiervoor een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in te stellen. Het tweede lid van artikel 3.1.1 bepaalt dat `De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, wordt bepaald in afdeling 3.4.'. Momenteel is er in deze afdeling nog geen afvalstofspecifieke uitwerking van de UPV opgenomen voor gebruikte vezelcementen bouwmaterialen, maar het is wel de bedoeling om dit in de toekomst uit te werken.
Voorstel aanpassing Verslag Vlaamse Regering: "Gebruikte vezelcementen bouwmaterialen wordt toegevoegd aan de lijst van afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producenten-verantwoordelijkheid geldt. De UPV voor voormelde materialen zal verder uitgewerkt worden in afdeling 3.4 op een later tijdstip, ter uitvoering van de opname van dit materiaal in de lijst van afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt." Met betrekking tot artikel 41 van het ontwerp deelde de gemachtigde het volgende mee: "Over de invoering van dit artikel in Vlarema werd geen rechtstreeks overleg gepleegd met de andere gewesten. Het is evenwel zo dat een soortgelijke bepaling is ingeschreven in het Interregionaal Samenwerkingsakkoord betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil (artikel 11). Dit Interregionaal Samenwerkingsakkoord is op 5 oktober 2023 voor advies overgemaakt aan de Raad Van State. Dit wijst duidelijk op het gegeven dat de Gewesten naar een gemeenschappelijk beleid streven." Het procedé waarbij wordt vooruitgelopen op een nog met de andere gewesten te plegen overleg door alvast al in de regelgeving te voorzien in het principe van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die weliswaar nog nader moet worden uitgewerkt (artikel 40 van het ontwerp), of waarbij al soortgelijke bepalingen worden aangenomen als die welke zijn opgenomen in een nog tot stand te brengen interregionaal samenwerkingsakkoord (artikel 41 van het ontwerp), verdient geen aanbeveling. Er wordt immers rechtsonzekerheid mee geschapen omtrent de onmiddellijke toepasbaarheid van de betrokken bepalingen die nog het voorwerp dienen uit te maken van een overleg of samenwerking met de andere gewesten.
Dergelijk procedé kan bovendien vragen doen rijzen in verband met de overeenstemming ervan met beginselen zoals die inzake de federale loyauteit en de exclusieve verdeling van de bevoegdheden. Het laten voorafgaan van de regelgeving door een effectief overleg met de andere gewesten of een tot stand gekomen samenwerking door middel van een samenwerkingsakkoord zou dergelijke vragen kunnen vermijden.
Het staat aan de stellers van het ontwerp om, gelet op het voorgaande, na te gaan of de artikelen 40 en 41 ongewijzigd in het ontwerp moeten worden gehandhaafd.
Artikel 44 16. Het begrip "uitbater van een inrichting", in het ontworpen artikel 4.3.1/1 van VLAREMA, kan de indruk wekken dat het in casu dient te gaan om ingedeelde of vergunde inrichtingen. Daarenboven kan de vraag rijzen of bijvoorbeeld ook foodtrucks op festivals onder de toepassing van de betrokken bepaling vallen. Het personeel toepassingsgebied van deze laatste is immers niet duidelijk afgebakend. Ter wille van de rechtszekerheid wordt deze bepaling het best aan een bijkomend onderzoek onderworpen en zo nodig aangepast.
Artikel 48 17. Aan het einde van het ontworpen artikel 4.3.3/1, § 2, eerste lid, van VLAREMA, worden ook "renovatiewerken" vermeld. Hetzelfde lid vangt evenwel aan met een vermelding van uitsluitend sloopwerken en nieuwbouwwerken. De gemachtigde werd om uitleg gevraagd met betrekking tot dit verschil. Hij antwoordde: "Dat moet inderdaad hetzelfde zijn. Art. 4.3.3 vermeldt `sloop-, renovatie- of ontmantelings-werken'. Het is juridisch dus inderdaad beter om altijd deze volledige benaming te gebruiken ipv `sloopwerken' of `sloop- en renovatiewerken'. Die opmerking is dus terecht." Met deze tekstaanpassing kan worden ingestemd.
Artikel 51 18. Aan de gemachtigde werd gevraagd waarom in het ontworpen artikel 4.4.6 van VLAREMA niet wordt vermeld dat de houder op bevredigende wijze moet aantonen dat zuivering van het afval niet haalbaar is en dat vernietiging of onomkeerbare omzetting van de POP's (persistent organic pollutants) in overeenstemming met de beste milieutechnische prakijken of de beste beschikbare technieken niet de uit milieuoogpunt wenselijke optie is. De gemachtigde antwoordde: "De houder zal dit wel degelijk moeten aantonen. Dit maakt deel uit van § 2 4° `motivering voor afwijkingsaanvraag'. Een case by case beoordeling is hier noodzakelijk. Eventueel stellen we voor om een verwijzing op te nemen naar artikel 7..4.b) i) van de POP-verordening." Met dit voorstel kan worden ingestemd.
Artikel 53 19. Zoals door de gemachtigde werd bevestigd, moet in artikel 53 van het ontwerp, de zinsnede "wordt aan paragraaf 2" worden vervangen door de zinsnede "wordt aan het tweede lid". Artikel 59 20. Aan de gemachtigde werd gevraagd wat in het ontworpen artikel 5.2.15.2, tweede lid, van VLAREMA, moet worden verstaan onder het begrip "voorlopige opslag" en of het ter zake gaat om een verplichting die ook wordt opgelegd aan de kinderdagverblijven, groepsopvangen, woonzorgcentra en huishoudens, vermeld in het ontworpen artikel 5.2.15.1 van VLAREMA. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "Met `voorlopige opslag' wordt de inzameling en bijhorende verschillende stappen van opslag bedoeld, bv een luieremmer in kinderdagverblijf of container in vrachtwagen.
Voorstel van aanpassing: We kunnen de term `voorlopige opslag' vervangen door de term `inzameling'. Deze is gedefinieerd in het MD (Artikel 3, § 1, 18° ) als `het verzamelen van afvalstoffen, inclusief de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie'." Hiermee kan worden ingestemd. 21. In onder meer het ontworpen artikel 5.2.15.4, § 3, van VLAREMA, wordt melding gemaakt van "de verantwoordelijke van het recyclageproces". Naar het zeggen van de gemachtigde wordt daarmee gedoeld op het terugwinningsbedrijf dat het recyclageproces uitvoert en wordt het begrip "verantwoordelijke van het recyclageproces" beter vervangen door het begrip "het bedrijf dat de recyclage uitvoert". Met dit voorstel kan worden ingestemd.
Artikel 60 22. De gemachtigde verstrekte in verband met het begrip "bevoegde autoriteiten", in het ontworpen artikel 5.2.16.1, derde lid, van VLAREMA,(13) de volgende toelichting: "Deze uitzondering is voorzien omwille van heel specifieke omstandigheden waarin het beheer van de afvalstoffen zoals voorzien in de volgende artikels een gevaar kan opleveren voor de veiligheid, volksgezondheid, hygiëne, ... Het kan bijvoorbeeld gaan om gemengd bouw- en sloopafval dat vrijkomt bij natuurrampen, terroristische aanslagen, explosies, ... In dergelijke situaties is het soms belangrijk dat het afval zo snel mogelijk wordt opgeruimd en is maximale materiaalrecyclage ondergeschikt. In dergelijke situaties is het zinvol dat de politie, maar ook andere "bevoegde autoriteiten" daarover een beslissing kunnen nemen.
Naast de politie kan het bijvoorbeeld ook gaan om de brandweer, defensie (bv. DOVO), FOD volksgezondheid, ... Net omdat het om moeilijk te voorziene situaties gaat, is het niet evident een limitatieve lijst van instanties te bepalen. In het verslag aan de Vlaamse Regering kan wel meer duiding gegeven worden bij deze uitzondering en gewezen worden op het zeer beperkte aantal situaties waarover het gaat." Zoals de gemachtigde voorstelt, wordt het verslag aan de Vlaamse Regering op dit punt het best aangevuld.
Artikel 61 23. In het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 2, van VLAREMA, wordt bepaald dat het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof moet gebeuren volgens de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik, vermeld in artikel 171 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, "tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring"(14). Overeenkomstig het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, tweede lid, van VLAREMA, moeten bouwstoffen die gebruikt worden in tijdelijke werfconstructies voor het toegankelijk maken of het inrichten van de werf worden verwijderd voor de oplevering van de werken als ze hun functie hebben vervuld, tenzij ze binnen de werf als bouwstoffen kunnen gebruikt worden.
Uit de laatst aangehaalde bepaling zou kunnen worden afgeleid dat bodemmaterialen in aanmerking zouden komen om door een grondstofverklaring het einde van de afvalfase te bereiken.
Artikel 138, § 1, van het Bodem
decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/10/2006
pub.
22/01/2007
numac
2006037062
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
type
decreet
prom.
27/10/2006
pub.
19/12/2006
numac
2006204028
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de beroepsprocedure in het onderwijs voor sociale promotie
sluiten draagt de Vlaamse Regering op nadere regelen vast te stellen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van dat decreet hierbij vervult. De Vlaamse Regering heeft de uitvoeringsbepalingen hiervoor opgenomen in VLAREBO als Titel III, "Bodemsanering", Hoofdstuk XIII, "Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen". De regeling is van toepassing op het gebruik van bodemmaterialen als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product (artikel 159 van VLAREBO).
Nu artikel 38 van het Materialendecreet in een specifieke regeling voorziet voor het bereiken van het einde van de afvalfase, die verwijst naar het Bodemdecreet waarin artikel 138, § 1, de Vlaamse Regering opdraagt om de voorwaarden vast te stellen waaronder bodemmaterialen het einde van de afvalfase kunnen bereiken, kan dit niet gebeuren door een grondstofverklaring, laat staan dat OVAM in een grondstofverklaring andere voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen zou kunnen bepalen dan de voorwaarden die zijn vastgesteld in VLAREBO. 24. Afgezien van de problematische verhouding van het ontworpen artikel 5.3.3.5 van VLAREMA tot het Bodemdecreet, moet specifiek wat het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, eerste lid, van VLAREMA, betreft, nog het volgende worden opgemerkt. Volgens de laatstgenoemde bepaling komen bouwstoffen niet in aanmerking voor het ophogen van terreinen en het aanvullen van bouwputten, tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt deze bepaling van de volgende commentaar voorzien: "Het ophogen van terreinen en aanvullen van bouwputten moet met bodemmaterialen gebeuren. Deze toepassingen vallen onder het gebruik als bodem. Een bouwstof komt volgens paragraaf 3 voor deze toepassingen niet in aanmerking. Het aanvullen van bouwputten van rioleringen, gebouwen en kunstwerken zijn toepassingen die toegelaten zijn in het SB 250. Bij deze toepassingen is het gebruik van gestabiliseerd zand dat zeefzand bevat mogelijk." Deze toelichting ten spijt blijft onduidelijk op welke wijze de regeling in het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 2.3.1.3, derde lid, van VLAREMA, waarin als principe wordt vooropgesteld dat het gebruik van een grondstof als bodem niet is toegelaten. Het verslag aan de Vlaamse Regering zou op dat punt met de nodige duiding kunnen worden aangevuld. Tevens valt op te merken dat het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, eerste lid, van VLAREMA, blijkbaar betrekking heeft op alle bouwputten, terwijl het in de commentaar in het verslag aan de Vlaamse Regering uitsluitend lijkt te gaan om bouwputten van rioleringen, gebouwen en kunstwerken. Het aanvullen van bouwputten komt bovendien niet voor in de lijst vermeld in artikel 171 van het VLAREBO.(15) Uit wat voorafgaat blijkt dat artikel 61 van het ontwerp niet enkel op gespannen voet staat met het Bodemdecreet, maar dat er tevens een aantal onduidelijkheden uit voortvloeien. Om die reden zal artikel 61 van het ontwerp nog aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen en zullen in voorkomend geval bepaalde onderdelen ervan moeten worden aangepast of weggelaten.
Artikel 67 25. Het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA luidt: "Het is verboden om stickers rechtstreeks aan te brengen op groenten en fruit, tenzij de stickers industrieel composteerbaar of thuiscomposteerbaar zijn".
In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt in dat verband het volgende vermeld: "Om de conformiteit van de gebruikte stickers met de vereiste inzake composteerbaarheid te bewijzen, worden enkel stickers aanvaard die voldoen aan de vereisten van de volgende normeringen: - EN 13432 voor industrieel composteerbare stickers. - AS 5810, NF T 51-800 of OK Compost Home voor thuiscomposteerbare stickers." De vraag rijst waarom ervoor wordt geopteerd om de betrokken normen enkel in het verslag aan de Vlaamse Regering en niet in de ontworpen bepaling zelf op te nemen. De gemachtigde deelde wat dat betreft het volgende mee: "Wij begrijpen de aangehaalde bezorgdheid om deze normen mee op te nemen in het artikel zelf. Om een onafgebroken continuïteit te voorzien lijkt ons dit evenwel niet de meest aangewezen piste. Wij onderzoeken nog welke andere pistes mogelijk zijn." Er zou kunnen worden overwogen om aan de minister de bevoegdheid te delegeren om de desbetreffende normen vast te leggen en om deze zo nodig telkens ook te actualiseren. 26. In de mate dat het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, een marktuitsluitend effect zou hebben ten aanzien van producten die niet beantwoorden aan de opgelegde eisen inzake het gebruik van stickers en bijvoorbeeld tot gevolg zou kunnen hebben dat erdoor geïmporteerde groenten en fruit die al in het buitenland werden gelabeld met de verboden stickers op de interne markt worden verboden, zou hierdoor de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake productnormering ernstig kunnen worden bemoeilijkt, hetgeen niet bestaanbaar zou zijn met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet, gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit. Het uit het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, voortvloeiende verbod mag evenmin afbreuk doen aan het Europeesrechtelijke beginsel inzake het vrij verkeer van goederen. Zo nodig kan in het verslag aan de Vlaamse Regering enige commentaar worden gewijd aan de overeenstemming van het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, met de voornoemde beginselen.
Artikel 68 27. In het ontworpen artikel 5.3.15.1, van VLAREMA, worden de voorwaarden vastgesteld voor het gebruik van houtsnippers als bodembedekker. Aan de gemachtigde werd gevraagd of die bepaling geen marktuitsluitend effect kan hebben voor houtsnippers die niet beantwoorden aan de opgelegde voorwaarden. De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: "Deze regeling stelt niet dat houtsnippers niet op de markt gebracht mogen worden en legt geen directe productnormeringen op, maar regelt wel het gebruik ervan. Er is dus geen direct marktuitsluitend effect en de regeling valt binnen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. Er bestaan reeds vergelijkbare gebruiksverboden in het VLAREMA, zoals voor het gebruik van gratis plastic draagtassen, het gebruik van eenmalig cateringmateriaal, het gebruik van stickers op groenten en fruit en het gebruik van kunststoffen afvalzakken zonder gerecycleerd materiaal. Het ontwerp van VLAREMA is ook Europees aangemeld en er zijn hierover geen opmerkingen gekomen van andere Europese lidstaten.
Het voorliggende voorstel is gebaseerd op onderzoeksresultaten inzake het gebruik van houtsnippers op landbouwgronden en is daarom qua toepassingsgebied beperkt tot landbouwgronden. Het rechtstreeks gebruik van houtsnippers als bodemverbeteraar op gronden die andere gebruiken kennen, is niet onderzocht en vindt in de praktijk ook niet plaats. Ook in die zin heeft het artikel geen marktuitsluitend effect voor deze toepassing.
Het toedienen van houtsnippers met een hoge C/N verhouding legt stikstof tijdelijk vast en zal zo bijdragen aan het beperken van de uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater, een problematiek die zich quasi uitsluitend manifesteert op landbouwgronden. Dit is ook de reden waarom artikel 28 duidelijke samenstellingsvereisten inzake C/N verhouding, C/P verhouding en organische stof bevat.
Artikel 68 laat wel toe dat houtsnippers op andere gronden mogen worden gebruikt als bodembedekker. Tijdens hun functie als bodembedekker zullen deze houtsnippers door biologische en fysische processen gradueel in de bodem worden omgevormd tot effectieve organische stof, en dus op termijn hetzelfde bodemverbeterende effect genereren als het rechtstreeks onderwerken van de houtsnippers." Er moet worden vastgesteld dat in het ontworpen artikel 5.3.15.1, § 1, van VLAREMA, niet enkel melding wordt gemaakt van het "gebruik" van de houtsnippers, maar dat erin ook melding wordt gemaakt van het "aanbieden" van houtsnippers. In de mate dat effectief het "aanbieden" op de markt zou worden beoogd, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de ontworpen bepaling geen marktuitsluitend effect zou kunnen hebben en dat erdoor de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake productnormering ernstig zou kunnen worden bemoeilijkt, hetgeen niet bestaanbaar zou zijn met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet, gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit. 28. Aan de gemachtigde werd gevraagd hoe het ontworpen artikel 5.3.15.1 (artikel 68 van het ontwerp), zich verhoudt tot het ontworpen artikel 2.3.3.5 van VLAREMA (artikel 28 van het ontwerp), temeer daar de eerstgenoemde bepaling betrekking heeft op het "[het] aanbieden en het gebruiken van houtsnippers buiten landbouwgebieden" en het in het ontworpen artikel 2.3.3.5 van VLAREMA gaat om de gebruik van houtsnippers als bodembedekker op "landbouwgrond". De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: "Artikel 28, § 1 voorziet dat houtsnippers, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, als bodembedekker kunnen worden gebruikt in landbouwgebieden. De koppeling tussen het gebruik als bodembedekker en de voorwaarden van artikel 28 is noodzakelijk omdat in de praktijk bodembedekkers op landbouwgronden bij het eerstvolgende teeltseizoen zullen worden ondergeploegd in de bodem en bijgevolg dan een functie als bodemverbeteraar zullen hebben. Deze koppeling maakt het ook mogelijk om alle voordelen van beide toepassingen van houtsnippers (i.c. bodembedekker en bodemverbeteraar) maximaal te exploiteren (...).
Artikel 68 geldt inderdaad buiten landbouwgronden. De term landbouwgrond moet worden gelezen als een grondperceel dat in gebruik is voor de teelt van gewassen. In gebieden die overeenkomstig de ruimtelijke uitvoeringsplannen als agrarisch gebied zijn aangeduid, mogen houtsnippers overeenkomstig de voorwaarden van artikel 68 als bodembedekker worden toegepast op percelen die niet in gebruik zijn voor de teelt van gewassen." Ter wille van de transparantie van de regelgeving zou in het verslag aan de Vlaamse Regering de onderlinge verhouding tussen de artikelen 28 en 68 van het ontwerp nader moeten worden toegelicht.
Artikelen 69 tot 72 29. De artikelen 69 tot 72 van het ontwerp beogen een aantal nieuwe onderafdelingen toe te voegen aan VLAREMA met daarin voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen compostvaten en compostbakken (artikel 69), kunststoffen rolcontainers voor afval (artikel 70), kunststoffen kweekpotten, kweektrays en plantentrays (artikel 71) en meubilair met kunststoffen onderdelen in de openbare buitenruimte (artikel 72). Het gebruik van deze goederen die niet beantwoorden aan de opgelegde voorwaarden is verboden vanaf 1 januari 2024. Er wordt in een overgangsregeling voorzien voor elk van de ontworpen maatregelen.
Het ontworpen gebruiksverbod in de artikelen 69 tot 71 van het ontwerp lijkt neer te komen op een algemeen gebruiksverbod in het Vlaamse Gewest voor goederen die niet aan de gestelde voorwaarden beantwoorden. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel geoordeeld dat een algemeen gebruiksverbod voor, in casu, bepaalde pesticiden op het ganse grondgebied van een gewest, voor de betrokken pesticiden een marktuitsluitend effect zou sorteren, hetgeen de uitoefening van de bevoegdheid inzake productnormen door de federale wetgever in de praktijk onmogelijk zou maken.(16) Op grond van die redenering heeft het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 165/2020 een bepaling vernietigd die onder meer in een verbod voorzag om wensballonnen op te laten. Het Hof oordeelde betreffende dat verbod het volgende: "Zonder dat het te dezen nodig is te onderzoeken of een algemeen verbod op het gebruik van wensballonnen op het ganse grondgebied van het Vlaamse Gewest ingepast kan worden in een of meer aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de gewesten, volstaat het vast te stellen dat een dergelijk verbod een marktuitsluitend effect sorteert, hetgeen de uitoefening van de bevoegdheid inzake productnormen door de federale wetgever, in de praktijk, onmogelijk maakt.
In zoverre het betrekking heeft op het oplaten van wensballonnen schendt het bestreden decreet het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit."(17) Op basis van het voorgaande kan worden besloten dat de regeling onder de artikelen 69 tot 71 van het ontwerp niet bestaanbaar is met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit en in het licht daarvan aan een grondige herziening toe is.
Het ontworpen gebruiksverbod in artikel 72 van het ontwerp geldt daarentegen enkel voor de "openbare buitenruimte" wat inhoudt dat geen algemeen gebruiksverbod geldt voor meubilair met kunststoffen onderdelen dat niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De regeling in artikel 72 van het ontwerp kan derhalve wel verenigbaar worden geacht met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit.
Wat het in artikel 72 van het ontwerp, vermelde begrip "openbare buitenruimte" betreft, verstrekte de gemachtigde bovendien de volgende toelichting: "[H]et toepassingsgebied [blijft] beperkt tot meubilair in openbare parken, in natuurgebieden, op straten, pleinen, openbare speelpleinen, openbare parkeerplaatsen en openbare sportterreinen overeenkomstig de nieuwe definitie in het wijzingsartikel 17, 21°.
Verder zijn de voorziene artikels enkel van toepassing op vast meubilair en hebben deze geen betrekking op meubilair van een tijdelijke of seizoensgebonden aard." Het verdient aanbeveling om deze toelichting in het verslag aan de Vlaamse Regering te integreren.
Artikelen 73 tot 76 30. In deze artikelen worden de gebruiksvoorwaarden geregeld bij aanbestedingen door de "overheid".Naar het zeggen van de gemachtigde omvat dat begrip "de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheden" en kan dit in voorkomend geval worden verduidelijkt in de tekst van het ontwerp. Met dergelijke verduidelijking kan worden ingestemd.
Artikel 82 31. In het ontworpen artikel 5.4.8, eerste lid, 5°, van VLAREMA (artikel 82, 3°, van het ontwerp), wordt in geen sanctieregeling voorzien ten aanzien van de procesgecertificeerde asbestdeskundigen die worden vermeld in de ontworpen bepaling onder artikel 85, 1°, van het ontwerp. Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "De verwijzing naar artikel 5.4.12 is hier verkeerdelijk niet opgenomen. De tekst zelf spreekt immers over `De sanctieregeling voor de bij haar aangesloten persoons- en procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10,...'. Het meenemen van de procesgecertificeerde asbestdeskundigen in de sanctieregeling is dus steeds de bedoeling geweest. Voorstel om de tekst aan te passen naar: `De sanctieregeling voor de bij haar aangesloten persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10 en de procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12,...'." Met dit voorstel kan worden ingestemd. 32. In het ontworpen artikel 5.4.8, tweede lid, van VLAREMA (artikel 82, 4°, van het ontwerp) en in de ontworpen aanvulling van artikel 5.4.10, derde lid, van VLAREMA (artikel 83, 2°, van het ontwerp), wordt melding gemaakt of wordt verwezen naar een tarief van "minimaal vijftien euro". De gemachtigde lichtte dit toe als volgt: "Voormeld minimumtarief bestaat reeds sinds de invoering van de bepaling. Dit zorgt ervoor dat CI's onderling niet `oneerlijk' kunnen concurreren door het vragen van een te laag jaarlijks tarief. Dit tarief dekt de vaste kosten van de CI omtrent: - het schorsen en opheffen van een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10; - het schorsen en opheffen van een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie vermeld in artikel 5.4.12; - het aanbieden van een eerstelijns telefonisch en digitale helpdesk voor de bij haar aangesloten procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie en de daartoe behorende persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, en het beheren en opvolgen van klachten over hun werking; - het waarborgen van het kwaliteitsvolle gebruik van de certificaten van de bij haar aangesloten procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie en de daartoe behorende persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, in het bijzonder informatieverstrekking aan de certificaathouders.
Voor alle andere taken die de CI uitoefent, kan ze …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.