(2004); Overwegende dat de potentiële afzetting die door Professor Poty geïdentificeerd werd een veel grotere oppervlakte heeft dan de omtrek waarop deze herziening van het gewestplan betrekking heeft en dat ze hem inhoudt; Overwegende dat het niet uitgesloten is dat de Regering voor een grondige analyse van de toestand alle andere informatie in aanmerking neemt die ze nuttig acht, zoals de onderzoeken waar zij de universitaire instellingen om verzocht heeft; Dat niets de Waalse Regering ertoe verplicht die rapporten op eigen initiatief ter beschikking te stellen, met dien verstande dat het publiek er inzage van mag nemen overeenkomstig regels betreffende de toegang tot administratieve informatie; Overwegende dat het effectonderzoek (EIP, Fase I, pp. 32 en 33) de kaart van de afzetting weergeeft zoals ontleend aan het onderzoek van Professor Poty van 1997; Overwegende dat het huidige ecosysteem omschreven wordt in Fase II, op pp. 15 tot 18 en de potentialiteiten van bedoeld gebied op p. 56; dat de vermoedelijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ontwerp op het ecosysteem omschreven worden op pp. 69 tot 72; Overwegende dat de dienst Archeologie van het Operationeel directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie, Buitendirectie van Waals Brabant, waarop de auteur van het effectonderzoek een beroep heeft gedaan, erop gewezen heeft dat langs bedoeld gebied « een romeinse weg loopt » en dat het gebied rijk is « aan getuigenissen van de Romeinse bezetting » waarbij benadrukt wordt dat « aan de exploitatie [...] onvermijdelijk prospectie-, proefborings- en opgravingswerken zouden voorafgaan « ; Overwegende dat de activiteit waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft de voortzetting van de huidige activiteit zal zijn; dat de effecten van de geluids- en stofhinder dezelfde zijn als degene die nu worden vastgesteld; dat het effectonderzoek dat aan de toekenning van de eenmalige vergunning voorafgaat die effecten zal moeten onderzoeken en desgevallend ook verzachtingsmaatregelen zal moeten voorstellen; Dat, anderzijds, het luik betreffende stofemissies aangesneden wordt in Fase II (p. 12) waarbij de resultaten van een simulatie gevoegd worden (pp. 67-68); Dat de geluidshinder eigen aan de zandexploitatie, in tegenstelling tot die veroorzaakt door het verkeer, beperkt is; dat de auteur er de effecten van onderzocht heeft en erop wijst dat hij sterk zal afnemen dankzij de oordeelkundige keuze van een geschikt traject (Phase II, p. 40); dat het ontwerp immers geen toename van de emissies voorziet; Overwegende dat het akoestisch onderzoek van de « CEDIA » in extenso bekendgemaakt is in bijlage IV.4.
- bij het effectonderzoek en dat het de methodologie en het onderzoeksveld zeer precies identificeert; dat daarenboven de geluidshinderproblemen nauwkeurig beoordeeld zullen worden bij de vergunningsaanvraag betreffende de exploitatie van de afzetting en de aanhorigheden ervan; Overwegende dat zowel de « SWDE » als de VMW door de auteur van het effectonderzoek geraaadpleegd werden; dat geen van beide het nuttig geacht heeft om advies uit te brengen in het kader van het onderzoek (EIP, Fase II, p. 63);
- Alternatieve compensatie Overwegende dat, wat de alternatieve compensatie betreft, het gemeentecollege van Walhain in zijn advies van 17 februari 2010, dat bij het openbaar onderzoek gaat, erop wijst dat het opmerkelijk en interpellerend is te constateren dat het ontwerp van herziening betrekking heeft op een project dat de aanleg van een autowegknooppunt en van een nog niet bepaald traject inhoudt;dat het effectonderzoek volgens het College naar gelang van de plaatsbepaling van het knooppunt en van het traject uitgevoerd had moeten worden; dat de gemeente vaststelt dat ook de alternatieve compensatie hinder voor de omwonenden zal teweegbrengen en dus ook het voorwerp van een effectonderzoek zou moeten uitmaken; die hinder wordt echter niet in aanmerking genomen door het uitgevoerde effectonderzoek; dat dit betekent dat de negatieve milieueffecten van het project niet behoorlijk beoordeeld konden worden; Overwegende dat de omwonenden achten dat het onderzoek niet genoeg rekening houdt met de oppervlakten die nodig zijn voor de inrichting van een nieuwe toegang tot de autosnelweg en de verplaatsing van de wegen (bijv. : die van de « Pont de la Chasse »); Overwegende dat de auteur van het onderzoek benadrukt dat de aanleg van een nieuw traject om het centrum van Chaumont-Gistoux op de N243 te ontwijken voor de omwonenden alsmede voor de mobiliteitsstroom en de veiligheid op die openbare weg een wijziging met positieve en belangrijke effecten zou zijn (EIP, Fase II, p. 82); Dat hij de vermoedelijke effecten van de tenuitvoerlegging van het project op de pagina's 155 en vlg. van Fase II van zijn onderzoek heeft geanalyseerd; Overwegende dat de gemeenten alternatieve trajecten hebben voorgesteld waarvoor geen knooppunt aangelegd moet worden; Overwegende dat de Regering de auteur van het onderzoek verzocht heeft om de opstelling van een onderzoeksnota betreffende de door de gemeenten voorgestelde alternatieve tracés; dat de auteur van het onderzoek in die nota elk van beide varianten volgens nauwkeurige criteria heeft geanalyseerd en verbeteringsmaatregelen heeft voorgelegd op grond waarvan een traject Abis is bepaald; Overwegende dat de Regering, zoals infra te lezen staat, uiteindelijk niet voor de aanleg van een knooppunt gekozen heeft; dat bijgevolg de kritieken geen zin meer hebben; dat de geformuleerde kritieken hoe dan ook een antwoord gevonden zouden hebben in de fase van de effectbeoordeling waaraan de aanleg van het knooppunt onderworpen zou worden in geval van verwezenlijking;
- Andere luiken Overwegende dat, wat de overige luiken betreft, het onderzoek volgens sommige bezwaarindieners de gezondheidseffecten niet in aanmerking genomen zou hebben; Overwegende dat het effectonderzoek volgens sommige bezwaarindieners de weerslag op de landbouweconomie minimaliseert en de problematiek van de insluiting van sommige perceelsgedeelten als gevolg van het geplande tracé niet aansnijdt; Overwegende dat sommigen benadrukken dat geen onderscheid is gemaakt volgens de activiteiten van de aanvrager; Overwegende dat het onderzoek volgens sommigen de aanbevelingen betreffende de eenmalige vergunning in overweging had moeten nemen; Overwegende dat volgens sommige bezwaarindieners een diepgaander onderzoek inzake werkgelegenheid nodig is; dat ze zich immers afvragen hoeveel banen rechtstreeks betrokken zijn bij de groeveactiviteit (voorbeeld : de banen i.v.m. het vervoer zijn niet altijd rechtstreekse banen); dat volgens hen de gegevens weinig doorzichtig zijn; Overwegende dat de « CWEDD » geacht heeft dat de auteur van het effectonderzoek een onderzoek van goede kwaliteit heeft afgeleverd en dat de bevoegde overheid er de elementen in zal vinden om haar beslissing te nemen; Dat de « CRAT « in haar advies van 25 augustus 2011 erop wijst dat ze acht « dat het effectonderzoek van goede kwaliteit is. Ze stelt de uitvoerige analyse van de verschillende milieudomeinen alsmede de duidelijkheid en de leesbaarheid van het overgelegde document op prijs. Ze wijst er ook op dat de opmerkingen die ze in de loop van de procedure geformuleerd heeft in aanmerking genomen werden door de auteur van het onderzoek « ; Overwegende dat, zoals benadrukt, de meeste bezwaren betreffende het onvolledige karakter van het effectonderzoek eerder betrekking hebben op vraagstukken die onder de eenmalige vergunning i.v.m. de ontginningsactiviteit vallen; dat het hier gaat om een beslissing te nemen over de herziening van het gewestplan met het oog op de opneming van een nieuw ontginningsgebied; dat de meeste vragen betreffende het onvolledige karakter van het effectonderzoek een antwoord zullen vinden in het kader van de aanvraag tot eenmalige vergunning die zal zorgen voor de concrete tenuitvoerlegging van het ontwerp dat het voorwerp is van deze herziening van het gewestplan, van de effectbeoordeling waaraan ze onderworpen zal worden en de vergunning die afgegeven zou kunnen worden; Overwegende dat het effectonderzoek in fase II de gezondheidseffecten van het project aansnijdt in verschillende paragrafen : Luchtkwaliteit (p. 9), Klimaat (p.15) en Levenskwaliteit (p. 57); Overwegende dat de auteur van het onderzoek in zijn analysenota betreffende de voorstellen van de gemeenten i.v.m. de mogelijke verkeerstrajecten erop wijst dat de variante Abis aan het perceelsgewijze tracé van de exploitaties aangepast is en dat de weerslag inzake versnippering van de landbouwgronden dus sterk afgenomen is (p. 17); Overwegende dat de auteur geen onderscheid tussen de activiteiten van de aanvrager heeft moeten maken om het project te analyseren; dat het project, ongeacht de activiteiten van de aanvrager, hetzelfde blijft omdat het de herziening van het gewestplan betreft; Overwegende dat de auteur een hele reeks algemene en bijzondere maatregelen heeft geformuleerd en de doeltreffendheid ervan onderzocht heeft (EIP, Fase II, p. 103 en vlg.); dat het merendeel van die maatregelen onder de eenmalige vergunning vallen; Overwegende dat het effectonderzoek dat voorafgaat aan de toekenning van de eenmalige vergunning de nauwkeurige aanbevelingen zal moeten formuleren op basis van het exploitatieproject dat pas na afloop van deze procedure op geldige wijze overgelegd kan worden; Overwegende dat slechts op basis van een definitief project geschat kan worden hoeveel landbouwgrond precies verbruikt wordt voor de aanleg van een aaansluiting op een autoweg; dat het effectonderzoek zich in dit geval enkel over de reserveringsomtrek moest uitspreken, daar in deze fase geen gedetailleerd tracé voorzien is; dat de auteur alleen maar bepaalde veronderstellingen kon formuleren; dat het knooppuntproject in ieder geval verworpen wordt door de Regering; Overwegende dat de sociaal-economische rechtvaardiging van het project en de weerslag ervan zowel inzake rechtstreekse banen als op de bouwsector geanalyseerd werd in fase 1 van het effectonderzoek; dat, bovendien, de Regering in dat opzicht over precieze informatie beschikt o.a. via het onderzoek gedaan door het « Center for Operations Research and Economics « van de « Université catholique de Louvain « in augustus 2011, dat de analyse van de Regering bevestigt en de positieve effecten van de ontginningsactiviteit in Waals Brabant, zowel op de rechtstreekse als op de onrechtstreekse werkgelegenheid, nauwkeurig identificeert; B. PROCEDURE Overwegende dat, wat de procedure tot herziening van het gewestplan betreft, de gemeente Walhain in haar advies van 17 februari 2010, dat ze in het kader van het openbaar onderzoek heeft uitgebracht, erop wijst dat het verbazingwekkend is dat het onderzoek dat door de Minister van Ruimtelijk Ordening zou zijn besteld m.b.t. de uitbreiding van de N243 en dat tijdens de informatievergadering ter sprake zou zijn gebracht door de vertegenwoordiger van het Operationeel directoraat-generaal Wegen en Gebouwen, niet opgenomen werd in het project dat aan een openbaar onderzoek is onderworpen; Overwegende dat het openbaar onderzoek hier betrekking had op de herziening van het gewestplan; dat die herziening inhoudt dat het vraagstuk van het verkeer i.v.m. de overwogen ontginningsactiviteit onderzocht wordt; dat het effectonderzoek daar wel degelijk voor gezorgd heeft; dat het onderzoek waar de gemeente Walhain naar verwijst betrekking heeft op de uitbreiding van de N243; dat dit geen echt verband heeft met het doel van deze herziening van het gewestplan; C. PROJECT
- Gebrek aan algemeen belang en economische aspecten Overwegende dat meerdere bezwaren betrekking hebben op het gebrek aan algemeen belang en op de economische aspecten van het project; Overwegende dat verschillende bezwaarindieners beweren dat de zandexploitatie op geen enkele dwingende behoefte inspeelt; dat ze niet meer noodzakelijk is vanuit een economisch oogpunt rekening houdend met de afnemende behoeften en de vervangingsmaterialen; dat onderzoek gedaan zou moeten worden naar de rendabiliteit van de opoffering van 110 ha landbouwgrond; dat overleving van de zandexploitatie en overleving van de onderneming niet door elkaar gehaald moeten worden; dat ze erop wijzen dat de exploitatie van de zandgroeven van Mont-Saint-Guibert en Eigenbrakel nog decennia lang garant staan voor zandbevoorrading; Overwegende dat sommige bezwaarindieners zich afvragen waarom een eeuwenoude economische activiteit (landbouw, voortdurende werkgelegenheid) opgeofferd moet worden ten gunste van een one shot (zand is niet hernieuwbaar en de werkgelegenheid is van bepaalde duur); dat ze wensen dat een vergelijking van de hinder wordt gemaakt; dat de omwonenden doen opmerken dat het landbouwrendement essentieel is voor de gezondheid en de economie; dat meerdere bezwaarindieners erop wijzen dat zand minder vervuilend is dan de hedendaagse niet biologische landbouw; Overwegende dat verschillende omwonenden wensen dat de aangevraagde oppervlakte verminderd wordt; Dat verschillende bezwaarindieners vinden dat het exploitatieritme beperkt moet worden; Dat bezwaarindieners benadrukken dat het niet redelijk is te denken dat de steenhouwer de prijs van zijn zand zal verminderen; Overwegende dat verschillende omwonenden benadrukken dat er alternatieven voor zandgebruik bestaan (afvalrecycling); dat volgens sommige bezwaarindieners in dat opzicht een deel van de inkomsten uit de zandexploitatie bestemd zou moet worden voor de ontwikkeling van de recyclage van inerte afvalstoffen (om zand te kunnen vervangen); dat volgens hen ook het zandgebruik op een andere wijze bedacht moet worden (eerder vergruiste producten gebruiken); dat een omwonende erop wijst dat zand noodzakelijk is in de bouwsector en in de sector van de gieterijen alsook voor de wegen in geval van zoutschaarste; dat het gaat om een moeilijk te vervangen grondstof, waarbij elk zandsoort een andere granulometrie heeft; Overwegende dat sommige bezwaarindieners oordelen dat het algemeen belang onderschat wordt; dat bewaarindieners wijzen op de noodzaak van duurzame projecten die de gezamenlijke bevolking ten goede komen; dat verschillende bezwaarindieners doen opmerken dat het algemeen belang opgeofferd zou worden ten gunste van een ontwikkeling voor privé gebruik; dat sommigen onder hen zich afvragen wat de voordelen voor de bevolking zijn; Overwegende dat de zandexploitatie volgens sommige bezwaarindieners de gemeente niets zou opbrengen (geen belasting mogelijk); dat die exploitatie geen toegevoegde waarde voor de gemeente zou hebben (bevestigd door het onderzoek); dat, volgens sommigen onder hen, een financiële compensatie voor de gemeente onderzocht zou moeten worden; dat sommige omwonenden daarentegen doen opmerken dat het project de overheid opbrengsten zal verschaffen via belastingen, sociale wetten, persoonsinkomens; Overwegende dat enkele bezwaarindieners wijzen op de economische gegrondheid van het project; dat sommige omwonenden menen dat de activiteit banen zal creëren en, bijgevolg, menselijke en duurzame ontwikkeling; dat bezwaarindieners vinden dat het project inspeelt op een belangrijke economische behoefte; Overwegende dat de « CCATM » van Chaumont-Gistoux een advies heeft uitgebracht waarin ze het feit veroordeelt dat de economische activiteit van de zandexploitatie, die in de tijd beperkt is (maximum 30 jaar), bevoorrecht wordt t.o.v. de exploitatie van landbouwgrond; dat de zandontginning alsmede de aangevoerde ophogingen geen waarde inhouden voor de gemeenschappen; dat die activiteiten volgens haar integendeel aanleiding moeten geven tot een compensatie ten gunste van die gemeenschappen; Overwegende dat, wat de rechtvaardiging van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan betreft, de gemeente Chaumont-Gistoux in haar advies van 29 maart 2010 benadrukt dat « indien bepaalde soorten mortel daadwerkelijk kwaliteitszand vereisen, er voor het merendeel van de zandaanwendingen vervangingsmaterialen bestaan die tegenwoordig ondergebruikt worden « ; dat « indien de Waalse Regering in 2007gewezen heeft op de noodzaak voor het Vlaamse Gewest om over zand van goede kwaliteit te beschikken, het past te doen opmerken dat Vlaanderen wel degelijk beschikt over talrijke zandgroeven en afzettingen, afgezien van overwegingen inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en grond die de exploitatie ervan al dan niet rechtvaardigen « ; Overwegende dat de gemeente Walhain, in haar advies van 17 februari 2010, dat ze in het kader van het openbaar onderzoek heeft uitgebracht, erop wijst dat het herzieningsontwerp gemotiveerd is door sociaal-economische overwegingen en meer bepaald door de noodzaak te beschikken over zandreserves op plaatselijk niveau; dat in het Waalse Gewest verschillende ontwerpen van gewestplanherziening onderzocht worden die door dezelfde sociaal-economische motieven gerechtvaardigd worden; dat die rechtvaardigingen slechts zin hebben als het geheel van de lopende ontwerpen van gewestplanherziening onderzocht wordt; dat, bij gebreke daarvan, de aangehaalde sociaal-economische rechtvaardigingen beschouwd moeten als overwegingen van algemene orde zonder duidelijk verband met bedoeld ontwerp van gewestherziening; Overwegende dat artikel 1 van het « CWATUPE » bepaalt dat het Gewest tegemoet moet komen aan de sociale, economische, patrimoniale, energetische, mobiliteits- en milieubehoeften van de gemeenschap door een kwalitatief beheer van het levenskader, een spaarzaam beheer van de grond en de hulpbronnen, een energetisch beheer van de bebouwing en de gebouwen en door de bescherming en de ontwikkeling van het culturele, natuurlijke en landschappelijke erfgoed; Dat daaruit blijkt dat het Gewest moet streven naar een juist evenwicht tussen de verschillende doelstellingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het « CWATUPE « en dat de economische activiteit zich moet ontwikkelen in samenhang met andere bezorgdheden, waaronder de landbouw; Overwegende dat het besluit van de Waalse Regering van 4 december 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/12/2003 pub. 22/01/2004 numac 2004200092 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de sociale begeleiding inzake energie type besluit van de waalse regering prom. 04/12/2003 pub. 04/02/2004 numac 2004200175 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 15 mei 2003 betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten type besluit van de waalse regering prom. 04/12/2003 pub. 15/03/2004 numac 2004200693 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de openbare dienstverplichtingen op de gasmarkt en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 10 april 2003 betreffende de openbare dienstverplichtingen op de elektriciteitsmarkt sluiten tot aanneming van het voorontwerp van gedeeltelijke herziening van het gewestplan het volgende inhoudt : « Overwegende dat de S.A.De Kock Wavre, via een geologische en hydrogeologische erkenningscampagne die door de vennootschap Géobel Consei gevoerd werd en de granulometrische en mineralogische analyses die door het « Laboratoire de Génie Civil de l'Université de Louvain » uitgevoerd werden, zich ervan vergewist heeft dat de aangevraagde uitbreiding in de zuidwestelijke verlenging van het ontginningsgebied dat door de S.A. Conard & Orléans geëxploiteerd wordt de dikte, de continuïteit en de kwaliteit van de geëxploiteerde niveaus garandeert; Overwegende dat die gegevens bevestigd werden in het kader van de inventarisering van de hulpbronnen van de ondergrond die in 1996 door de Universiteit van Luik uitgevoerd werd wat de provincie Waals Brabant betreft; (...) Overwegende dat uit het geheel van die ontwikkelingen, die voortvloeien uit de evaluatie van de behoeften en de analyse van de bestaande feitelijke en rechtelijke toestand, blijkt dat dit voorontwerp geschikt is om, met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 1r van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en erfgoed, voor de duur van dertig jaar te voldoen aan de behoeften aan ruimte bestemd voor de voortzetting van de ontginningsactiviteit van de S.A. Conard & Orléans en Hoslet; [...] Overwegende dat de S.A. Conard & Orléans en Hoslet jaarlijks ongeveer 550 000 ton zand produceren die voornamelijk in de bouwsector gebruikt worden; Overwegende dat de exploitatie van die afzetting bijgevolg zal bijdragen tot de instandhouding van een productief potentieel m.b.t. een materiaal dat als productiemiddel dient in een belangrijke economische sector in Wallonië; Overwegende dat daaruit ook volgt dat de afzetting het voorwerp is van een optimale opwaardering inzake gebruik van delvingsproducten en dat de voortzetting ervan overwogen wordt; Overwegende dat het voornaamste afzetgebied voor zand zich in Waals Brabant bevindt; dat de vraag er immers bijzonder groot is vanwege de forse bebouwing in die regio; Overwegende dat, alhoewel Waals Brabant het voornaamste zandafzettingsgebied in het Waalse Gewest is, het huidige aanbod in die regio niet kan voldoen aan de vraag die zich daar manifesteert omdat het aantal zandgroeven in bedrijf er de laatste twintig jaar sterk afgenomen is; Overwegende dat een einde gemaakt moet worden aan dat onevenwicht dat een onaanvaardbare stijging van de zandprijs tot gevolg heeft; Overwegende dat het zand vanwege de vervoerskosten dwingend geproduceerd moet worden in de nabijheid van het gebied waar het gebruikt wordt : de rendabiliteitsstraal van de zandgroeven bedraagt immers 60 km t.o.v. het ontginningsgebied; Overwegende dat de zanddelving dan ook binnen Waals Brabant ontwikkeld moet worden; Overwegende dat die optie, waarbij het zandvervoer over lange afstanden beperkt wordt, duurzame mobiliteit bevordert; Gelet op de sociaal-economische weerslag van het project, met name het vermoedelijke behoud van 65 rechtstreekse banen op de locatie; Overwegende derhalve dat de aanvraag van de S.A. De Kock Wavre beantwoordt aan een strategisch bedrijfsontwikkelingsplan op economisch vlak, inzake werkgelegenheid en duurzame mobiliteit, zoals vereist door de Waalse Regering in haar beslissing van 27 maart 2002 « ; Overwegende dat het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 08/09/2009 numac 2009203981 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering waarbij de herziening van het gewestplan Zuid-Luxemburg definitief aangenomen wordt met het oog op de opneming van een ontginningsgebied als uitbreiding van de steengroeve van Sampont, van een natuurgebied en een groengebied en op de schrapping van een landschappelijk waardevolle omtrek op het grondgebied van de gemeenten Aarlen en Etalle type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 17/07/2009 numac 2009203081 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering tot aanneming van de lijst van de ontwerpen van gemeentelijke plannen van aanleg overeenkomstig artikel 49bis van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 20/08/2009 numac 2009027156 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale en integrale voorwaarden voor de installaties voor het beheer van winningsafval en betreffende de monitoring na sluiting en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 10/08/2009 numac 2009203647 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de gewestelijke zendingen voor arbeidsbemiddeling type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 03/07/2009 numac 2009202804 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering tot aanneming van de lijst der recreatiegebieden bedoeld in artikel 103 van het decreet tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid type besluit van de waalse regering prom. 27/05/2009 pub. 20/08/2009 numac 2009027153 bron waalse overheidsdienst Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en van het besluit van 3 juli 2008 houdende organisatie van het "Agence wallonne de l'Air et du Climat" sluiten tot tijdelijke aanneming van de herziening van het gewestplan ook in die zin, zoals reeds benadrukt, de noodzaak van de zanddelving bekrachtigt, met name t.o.v. de evolutie van de prijzen en de weerslag van die exploitatie op de bouwsector; Overwegende dat in november 2009 een zandgroeve voor een maximumduur van 10 jaar vergund werd; dat die zandgroeve aan de andere kant van Waals Brabant, in Eigenbrakel, gelegen is; Overwegende dat het zand dat in Eigenbrakel geproduceerd wordt niet dezelfde eigenschappen heeft als het zand uit het westen van Waals Brabant; dat de aanwendingen ervan verschillen; Overwegende immers dat de zandeigenschappen de granulometrische curve, de ronde vorm van de korrel, het chloridegehalte en het klei- en gritgehalte zijn; dat op die basis doorgaans drie soorten zand onderscheiden worden : bouwzand, kiezelhoudend zand (of industrieel zand) en opvullingszand; Overwegende dat het zand dat in Eigenbrakel geproduceerd wordt voornamelijk opvullingszand is en dat in Chaumont-Gistoux hoofdzakelijk bouwzand en kiezelhoudend zand geproduceerd wordt voor de productie van beton, mortel, metselwerk alsmede voor de glasnijverheid, enz ...; Overwegende dat er geen compleet vervangingsmiddel voor zand bestaat; dat er per recyclagekanaal wel enkele vervangingsmiddelen bestaan, zoals gerecycleerd beton of gerecupereerd zand; dat die materialen lang niet de vereiste technische kwaliteiten hebben om zand in al de aanwendingen ervan te vervangen; Overwegende dat bij gebrek aan vervangingsmiddelen invoer vanuit o.a. Nederland en Duitsland het alternatief zou zijn, doch met als gevolg bijkomende kosten en een logische stijging van de bouw- en vervoersprijzen, de toename van luchtemissies vanwege het vervoer, het verlies van rechtstreekse en onrechtstreekse banen (vervoer, betoncentrales, onderaannemers, ...); Overwegende dat het nationale zandverbruik ongeveer 20 miljoen ton per jaar bedraagt, waarvan 7 tot 8 miljoen ton per jaar in België gedolven worden; dat de hoeveelheid zand die in Waals Brabant gedolven wordt 1,5 tot 2 miljoen ton bedraagt en voor meer dan 80 % in het Waalse Gewest verbruikt wordt; Overwegende dat de afzettingen hulpbronnen zijn die uitbreidbaar noch verplaatsbaar zijn; dat de keuze van een locatie afhankelijk is van objectieve criteria zoals de eigenschappen van de afzetting (inzake kwaliteit en kwantiteit, die bepaald kunnen worden d.m.v. de geologische kaart, boringen, ...), de exploiteerbaarheid van de afzetting (de omvang van de reserves, de lithologische voorspelbaarheid, de rationele exploitatie van het grondwater,...); Dat de exploitatieplaats zich dus aan de exploitanten opdringt daar ze afhankelijk is van de lokalisering van de afzetting; Overwegende dat de ervaring van de aanvrager, die al op de naburige locatie gevestigd is, een garantie is voor de optimale opwaardering van de hulpbronnen (RNT, p. 39); Overwegende dat, wat werkgelegenheid betreft, 65 rechtstreekse banen behouden zouden kunnen worden door de opneming van een nieuw ontginningsgebied; dat zulks inhoudt dat, indien geen nieuw ontginningsgebied opgenomen wordt, 65 rechtstreekse banen en zelfs meer, zoals hierboven aangegeven, verloren zouden gaan (EIP, Fase I, p. 34);dat zulks bevestigd is door de analysenota van het DGO4 ( § 6, p. 1);dat volgens die analysenota « de ontwikkeling van de zandactiviteit in Chaumont-Gistoux en Walhain derhalve helpt bijdragen tot het behoud van het productieve potentieel betreffende een materiaal dat als productiemiddel dient in een belangrijke economische sector in Wallonië « ; dat de auteur van het effectonderzoek daaruit afleidt dat « de activiteit van de zandgroeven banen genereert stroomafwaarts een globaal en geïntegreerd productieproces en dat het behoud van de zandproducte een factor is inzake de instandhouding o.a. van het geïntegreerde karakter van dat proces, maar ook van de betrokken banen « (EIP, Fase I, p. 34); dat het aantal banen sinds de indiening van het dossier van de aanvraag tot herziening van het gewestplan gestegen is van 65 tot 98, waaronder 76 plaatselijke banen (EIP, Fase I, p. 34); Overwegende tot slot dat de belastingen, voorheffingen, rechtstreekse en onrechtstreekse taksen die door de groeve gegenereerd worden tot voordeel zullen zijn van de gemeenten, de provincies en het Gewest; dat die fiscale hulpbronnen bestaan uit : - de fiscaliteit van de rechtstreekse banen, - de belasting op de toegevoegde waarde, - de belasting van de vennootschappen, - allerlei taksen, heffingen en voorheffingen; Dat het gemeentecollege van Walhain in zijn advies van 29 maart 2010 bevestigt dat het de economische gegrondheid van de uitbreiding van de zandgroeve niet in twijfel trekt (p. 3); Overwegende dat de Regering acht dat het evenwicht waar het Gewest overeenkomstig artikel 1 van het « CWATUPE » naartoe moet streven, inhoudt dat deze herziening van het gewestplan aangenomen wordt; Overwegende dat het niet juist is te beweren dat deze herziening van louter privé belang is; dat het hier gaat om de toelating van de verdere exploitatie van een materiaal dat als een belangrijk productiemiddel in de Waalse economie dient; dat, al wordt die exploitatie op materieel vlak door een privé exploitant verricht, het huidige tekort aan zand desalniettemin een onevenwicht veroorzaakt, met o.a. een forse stijging van de zandprijs als gevolg, een toestand die Wallonië niet langer kan dulden; Overwegende hoe dan ook dat de Regering binnen de perken van de mogelijkheden (art. 22 tot 25 van het besluit van het besluit van de Waalse Regering van 17 j