📄 Wettekst
20 DECEMBER 2001. - Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten) (1)
De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : EERSTE DEEL. - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL 1. - Toepassingsgebied Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op de instellingen voor hoger kunstonderwijs bedoeld bij het
decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
17/05/1999
pub.
29/10/1999
numac
1999029643
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs
sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs.
TITEL 2. - Definities Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° Decreet : het
decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
17/05/1999
pub.
29/10/1999
numac
1999029643
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs
sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs.2° Hogere kunstschool : instelling voor hoger kunstonderwijs bedoeld in het decreet.3° Inrichtende macht : a) de Franse Gemeenschap;b) een gemeente, een provincie, voor het gesubsidieerd officieel net;c) een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor het gesubsidieerd vrij net; die de verantwoordelijkheid waarneemt voor het onderwijs verstrekt in één of meer hogere kunstscholen. 4° Gebied : elk van de vijf sectoren van het hoger kunstonderwijs - namelijk de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimte-kunsten;de muziek; de toneelkunst en de woordkunsten; de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie; de danskunst - zoals bepaald bij artikel 1, § 2 van het decreet. 5° Optie : optie bedoeld in de artikelen 10, § 4;14, § 4; 19, § 4 en 22 van het decreet of doelstelling in de zin van artikel 10, § 3 van het decreet. 6° Organieke betrekking : betrekking georganiseerd of gesubsidieerd met inachtneming van de decreet- en verordeningsbepalingen.7° Vacante betrekking : organieke betrekking die niet toegekend is aan een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid of aan een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld of aangeworven is.8° Mandaat : betrekking toegekend aan een personeelslid die niet mag leiden tot een tijdelijke aanstelling of aanwerving voor bepaalde tijd, een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd of tot een benoeming of aanwerving in vast verband.9° Betrekkingseenheid : volume van de omkadering van studenten dat overeenstemt met een opdracht met volledige dienstprestaties.10° Hoge Kunstraad : de Hoge Raad voor het Hoger Kunstonderwijs bedoeld in artikel 26 van het decreet.11° Pedagogische Beheersraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16 tot 22 van dit decreet.12° Optieraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 23 tot 26 van dit decreet.13° Studentenraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 27 tot 31 van dit decreet.14° Sociale Raad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 32 tot 34 van dit decreet.15° Wervingscommissie : de commissie die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet.16° Pedagogisch en artistiek project : het project waarmee een hogere kunstschool zich voorneemt de algemene doelstellingen van artikel 3 van het decreet te bereiken zoals bepaald bij artikel 5 van dit decreet.17° Representatieve studentenorganisatie erkend door de Franse Gemeenschap : de organisatie(s) bedoeld in artikel 78 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen.18° Regelmatig ingeschreven student : de student die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden bedoeld bij de bepalingen van artikel 49 van dit decreet.19° Financierbare student : de student die in aanmerking komt voor de financiering overeenkomstig artikel 51 van dit decreet.20° Academiejaar : de tijd die noodzakelijk is voor de verrichting van een studiejaar, bestaande uit twee semesters, dat op 15 september begint en op 14 september van het volgende jaar eindigt.21° Graden : de graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 18, 19, § 4, 22 en 23 van het decreet.22° Onderwijsactiviteiten : de activiteiten zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet.23° Doelstellingen : de doelstellingen zoals bepaald in artikel 3 van het decreet. § 2. Voor de toepassing van dit decreet, worden de termijnen berekend als volgt : 1° De dag die er het beginpunt van uitmaakt, is niet inbegrepen.2° De dag waarop de termijn verstrijkt, wordt in de termijn meegerekend.3° Wanneer de dag waarop de termijn verstrijkt, samenvalt met een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een feestdag in de Franse Gemeenschap, wordt die naar de eerstvolgende werkdag overgedragen. TWEEDE DEEL. - ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJS TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Samenwerkingsovereenkomsten voor de organisatie van gemeenschappelijke studies Art. 3.De samenwerkingsovereenkomst die, met toepassing van artikel 6, lid 2, van het decreet, wordt gesloten door verschillende hogere kunstscholen of tussen een hogere kunstschool en één of meer andere onderwijsinstellingen voor de organisatie van gemeenschappelijke studies, bepaalt, naast de respectieve bijdragen van de partners, de instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies, voor de gegroepeerde onderwijsactiviteiten en voor de werving van de personeelsleden die ermee belast zijn. Zij stelt ook de bepalingen vast die zullen moeten worden opgenomen in de bijzondere studieregeling overeenkomstig artikel 39, lid 2, 8°, van dit decreet.
De instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies schrijft de student in. Die wordt als financierbare student alleen in de instelling waarin hij ingeschreven is, meegerekend.
De hogere kunstschool die een samenwerkingsovereenkomst sluit, kan betrekkingseenheden of delen van betrekkingseenheden aan een andere onderwijsinstelling afstaan of ontvangen.
De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomsten vast. HOOFDSTUK II. - Rationalisatie Art. 4.§ 1. Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 54 van dit decreet, wanneer het aantal financierbare studenten gedurende twee opeenvolgende academiejaren lager blijft liggen dan 50 % van de referentiebevolking zoals bepaald in artikel 54 van dit decreet, verliest de hogere kunstschool haar autonomie op de eerste dag van het volgende academiejaar.
Haar inrichtende macht kan haar met een andere hogere kunstschool van hetzelfde net of van een ander net samenvoegen.
Als er geen fusie met een andere instelling is, sluit de inrichtende macht de school jaar per jaar. § 2. Als de hogere kunstscholen tussen welke de fusie plaatsvindt, elk het tekort in verband met het aantal financierbare studenten bepaald in § 1, lid 1, vertonen, leidt de samenvoeging tot de oprichting van een nieuwe hogere kunstschool op grond van een op gelijke voet steunende fusie.
Wanneer alleen één hogere kunstschool dat tekort vertoont, leidt de fusie tot de sluiting van die school als autonome instelling. Zij kan een vestiging worden van de hogere kunstschool waarmee ze wordt samengevoegd op grond van een fusie door overneming. § 3. De fusie tussen hogere kunstscholen wordt aan de Regering ter goedkeuring voorgelegd.
De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de fusie tussen hogere kunstscholen vast.
HOOFDSTK III. - Pedagogisch en artistiek project van de hogere kunstschool Afdeling 1. - Bepaling van het pedagogisch en artistiek project
Art. 5.Het pedagogisch en artistiek project moet alle middelen bepalen die worden aangewend en alle keuzen die worden gedaan om de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs te kunnen vervullen. Het wordt door de Pedagogische Beheersraad van de hogere kunstschool opgemaakt. Afdeling 2. - Goedkeuring en bekendmaking van het pedagogisch en
artistiek project Art. 6.Uiterlijk 31 december 2001 legt de directeur, na het advies van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool te hebben ingewonnen, aan de inrichtende macht het voorstel van pedagogisch en artistiek project ter goedkeuring voor.
Elke aanvraag om wijziging moet aan de inrichtende macht ter goedkeuring worden voorgelegd door de directeur op voorstel van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. De aanvraag om wijziging moet uiterlijk 31 december worden ingediend om reeds vanaf het begin van het volgende academiejaar te kunnen worden toegepast. Art. 7.Het pedagogisch en artistiek project is een openbaar document, dat door de directeur of diens vertegenwoordiger aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving, wordt bezorgd. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere pedagogische en artistieke projecten Afdeling 1. - Definitie van de bijzondere pedagogische en artistieke
projecten Art. 8.De bijzondere pedagogische en artistieke projecten zijn schriftelijke documenten die door de kandidaten voor een werving worden opgesteld en die de wijze vaststellen waarop de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs zullen worden vervuld en waarop de bepalingen van het in artikel 5 van dit decreet bedoelde pedagogische en artistiek project zullen worden nageleefd. Afdeling 2. - Het pedagogisch en artistiek project van de directeur of
de adjunct-directeur Art. 9.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor het mandaat van directeur of adjunct-directeur wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij zijn opdracht in verband met de leiding van de hogere kunstschool bedoelt.
Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 3. - Het pedagogisch en artistiek project van de (hoog)leraar
Art. 10.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van (hoog)leraar wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij - voor elke onderwijsactiviteit of elke cursus waarvoor hij zich kandidaat stelt - zijn onderwijsopdracht binnen de hogere kunstschool bedoelt.
Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 4. - Het pedagogisch en artistiek project van de assistent
Art. 11.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van assistent wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn assistentopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van assistent wordt aangeboden.
Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 5. - Het pedagogisch en artistiek project van de begeleider
Art. 12.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van begeleider wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn begeleidersopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van begeleider wordt aangeboden.
Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet.
TITEL II. - Beheer van de hogere kunstschool HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 13.De hogere kunstschool wordt door een inrichtende macht beheerd en heeft een pedagogische beheersraad, één of meer optieraden, een studentenraad en een sociale raad.
Het beheer van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen wordt door de Regering waargenomen.
De door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen zijn diensten met afzonderlijk beheer in de zin van artikel 140 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Art. 14.De leden van de pedagogische beheersraad, van de optieraad(raden), van de studentenraad en van de sociale raad hebben toegang tot alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun mandaat, zonder dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de persoonlijke levenssfeer van de personen op wie de gegevens betrekking hebben. Die verschillende inlichtingen moeten toegankelijk zijn binnen de hogere kunstschool.
Elke raad stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Art. 15.Er worden wervingscommissies door de inrichtende macht samengesteld op initiatief van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. HOOFDSTUK II. - De pedagogische beheersraad Art. 16.De pedagogische beheersraad wordt belast met het vaststellen van de nadere regels voor het vervullen van de opdrachten van de hogere kunstschool bedoeld in artikel 3 van het decreet, door zijn pedagogisch en artistiek project alsook de bijzondere regeling van de studie op te stellen.
Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke pedagogische vraag en over elke vraag in verband met het gebruik van de pedagogische middelen en met de dienstaanwijzing van de personeelsleden.
Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke in artikel 3 bedoelde samenwerkingsovereenkomst die met een andere instelling gesloten wordt.
De pedagogische beheersraad kan eveneens, op eigen initiatief, aan de inrichtende macht een advies geven over elke vraag in verband met de aangelegenheden bedoeld in dit artikel. Art. 17.De pedagogische beheersraad is samengesteld uit : 1° de directeur of de adjunct-directeur, wanneer dit ambt toegekend is;2° 5 vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen;3° 3 vertegenwoordigers van de vakbonden;4° 2 vertegenwoordigers van de assistenten, wanneer dit ambt toegekend is;5° een vertegenwoordiger van de andere categorieën van het personeel dan de categorie van het onderwijzend personeel;6° vijf afgevaardigden van de studenten die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen. De leden bedoeld in 6° hebben een plaatsvervanger. Deze vervangt het werkend lid bij diens afwezigheid, overlijden, ontslag of verlies van de hoedanigheid van student. Art. 18.De vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders worden voor een vernieuwbaar mandaat van vier jaar gekozen door de gezamenlijke (hoog)leraars en begeleiders van de hogere kunstschool.
Geen vertegenwoordiger van de (hoog)leraars en begeleiders kan meer dan twee mandaten opeenvolgend bekleden.
De vertegenwoordigers van het assistentenpersoneel worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar gekozen door de gezamenlijke assistenten van de hogere kunstschool.
De vertegenwoordigers van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel wordt voor een vernieuwbaar mandaat van 4 jaar gekozen door de gezamenlijke personeelsleden van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel.
De vertegenwoordigers van de studenten worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar door de studentenraad gekozen.
De vertegenwoordigers van de vakbonden zijn personeelsleden van de hogere kunstschool. Zij worden aangewezen door de vakorganisaties die de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben, vertegenwoordigen. Art. 19.De pedagogische beheersraad wordt door de directeur van de hogere kunstschool voorgezeten. Art. 20.Alle leden van de pedagogische beheersraad zijn stemgerechtigd. Art. 21.De adviezen van de pedagogische beheersraad worden pas geldig uitgebracht wanneer de helft van de leden aanwezig is.
Over elk advies moet worden gestemd; elk advies wordt met redenen omkleed.
Aan de stemming mogen de personeelsleden niet deelnemen die er een persoonlijk en rechtstreeks belang bij hebben of wier bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de aangelegenheden waarover gestemd wordt. Art. 22.De adviezen worden met volstrekte meerderheid gegeven; de onthoudingen worden niet meegerekend in het beslissingsquorum. HOOFDSTUK III. - De optieraden Art. 23.De optieraden doen voorstellen in verband met de optie(s) voor de verwezenlijking van het pedagogisch project van de hogere kunstschool. Die voorstellen worden aan de pedagogische beheersraad voorgelegd. Art. 24.Een optieraad is samengesteld uit : 1° alle leerkrachten die deelnemen aan de opleiding in verband met een optie;2° vier vertegenwoordigers van de studenten van de optie; Wanneer de school verschillende opties organiseert, kan zij een raad samenstellen die verschillende opties groepeert. Die optieraad bestaat uit alle leerkrachten van dat geheel van opties en twee studenten per optie. Art. 25.Een optieraad kiest één van zijn leden om er het voorzitterschap van waar te nemen. Art. 26.Alle leden van een optieraad zijn stemgerechtigd. HOOFDSTUK IV. - De Studentenraad Art. 27.De opdrachten van de studentenraad zijn de volgende : 1° de studenten van de hogere kunstschool vertegenwoordigen;2° hun belangen behartigen inzake onderwijs, pedagogie en beheer van de instelling;3° het actieve deelnemen van de studenten aanmoedigen en die inleiden in de uitoefening van hun burgerschap binnen hun school en binnen de globale samenleving;4° de informatie mededelen aan de studenten, de inrichtende macht en de directie van de school;5° de vertegenwoordigers van de studenten aanwijzen voor de pedagogische beheersraad, de optieraad, in voorkomend geval, en aan de sociale raad. Art. 28.De studentenraad bestaat uit de vertegenwoordigers van de studenten die elk jaar door alle studenten van de hogere kunstschool worden gekozen. De raad bestaat uit minstens 7 leden.
Voor zover mogelijk moet elke optie binnen de studentenraad worden vertegenwoordigd. Art. 29.§ 1. De verkiezingen voor de studentenraad en voor de aanwijzing van de vertegenwoordigers van de studenten in de optieraden worden tussen 1 maart en 30 april per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet de stemming op ten minste 30 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten.
Is het in lid 1 bedoelde quorum niet bereikt, dan wordt een tweede stemmingsronde per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet die tweede stemmingsronde op ten minste 15 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten. In dat geval is er geen vertegenwoordiging op gemeenschapsniveau.
Is het in lid 2 bedoelde quorum niet bereikt, dan worden de batig gerangschikte studenten benoemd tot beheerders van de studentenraad voor een periode van één jaar, zonder vertegenwoordiging in de pedagogische beheersraad. § 2. De studentenraad wijst voor 31 mei naar keuze zijn vertegenwoordigers aan voor de pedagogische beheersraad en voor de sociale raad alsook zijn vertegenwoordigers in de representatieve organisatie van de studenten erkend door de Franse Gemeenschap.
De studentenraad kiest de voorzitter uit zijn leden.
Alle leden van de studentenraad zijn stemgerechtigd. Art. 30.De inrichtende macht moet de studentenraad eigen infrastructuren en materiële middelen ter beschikking stellen voor de uitoefening van zijn opdrachten. Een deel van de sociale subsidies, dat tien per cent van hun totale bedrag uitmaakt, wordt bestemd voor de werking van de studentenraad. Dat bedrag mag echter niet lager zijn dan 1.000 euro. Art. 31.De vertegenwoordigers van de studenten in de verschillende organen van elke hogere kunstschool mogen geen sanctie ondergaan voor daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat of wegens de uitoefening ervan. HOOFDSTUK V. - De sociale raad Art. 32.De sociale raad heeft de volgende opdrachten : 1° de sociale begroting opmaken en die aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorleggen;2° met inachtneming van de sociale begroting, zoals die werd goedgekeurd, sociale kredieten toekennen;3° adviezen geven over elke vraag met betrekking tot materiële en sociale voorwaarden van studenten, op eigen initiatief of op aanvraag van de pedagogische beheersraad of van de inrichtende macht. Art. 33.De sociale raad bestaat, met een gelijk aantal, uit vertegenwoordigers van de studenten aangewezen door de studentenraad en de vertegenwoordigers van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel. De leerkrachten worden gekozen door de leerkrachten van de hogere kunstschool. Art. 34.De directeur van de hogere kunstschool is van rechtswege lid van de sociale raad. Hij is er de voorzitter van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit van de hogere kunstschool, aangewezen door de inrichtende macht, neemt deel aan de werkzaamheden.
Alle leden van de sociale raad, met uitzondering van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit, zijn stemgerechtigd.
TITEL III. - Studiereglement Art. 35.De studieregeling wordt bepaald door een algemeen studiereglement en een bijzonder studiereglement. Art. 36.Het algemeen studiereglement wordt door de Regering vastgesteld. Art. 37.Het bepaalt onder meer : 1° de regels in verband met de vrijstelling van sommige delen van het programma;2° de examenzittijden;3° de voorwaarden om te slagen;4° de wijze waarop de examencommissies worden samengesteld;5° de wijzen waarop de examencommissies werken;6° de wegingscoëfficiënten voor de verschillende evaluatiewijzen;7° de wijzen van indiening, onderzoek en beslechting van de klachten van studenten in verband met onregelmatigheden in het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;8° de aanwijzing van de overheid die bevoegd is om te beslissen over de weigering van de inschrijving voor de examens en de examencommissies en de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep;9° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die gedurende de studie van hogere kunstschool veranderen, volgens het volgende principe : de student wordt vrijgesteld van het afleggen van de examens waarvoor hij voorheen geslaagd is indien de programma's dezelfde zijn als die van zijn nieuwe hogere kunstschool;10° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die hetzelfde studiejaar herbeginnen;11° de voorwaarden en de nadere regels voor de verandering van optie volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 12° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger kunstonderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs van een andere optie en/of van een ander type volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 13° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger onderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 14° de voorwaarden waaronder de inrichtende macht van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, tot door hem vast te stellen studies van de tweede cyclus studenten kan toelaten die niet de graad van kandidaat hebben maar die het bewijs kunnen leveren van een beroepservaring en die, op het einde van een door de pedagogische beheersraad georganiseerde evaluatieprocedure, het bewijs kunnen leveren van voldoende kennis en bekwaamheid om studies met succes te kunnen volgen. De bepaling van de in vorig lid bedoelde studies moet vooraf door de Regering worden goedgekeurd, volgens de door haar vast te stellen procedure. 15° de voorwaarden waaronder de studenten die houder zijn van een buitenlands diploma of studiegetuigschrift in verband met de hogere kunststudies dat als gelijkwaardig erkend is met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, worden toegelaten tot studies van de tweede cyclus met het oog op het behalen van de graden die deze bekrachtigen.16° de voorwaarden en nadere regels voor de verlenging van de tweede zittijd voor de studenten die in het laatste studiejaar ingeschreven zijn. Art. 38.§ 1. De student kiest de hogere kunstschool waarin hij zich wenst in te schrijven en legt het toelatingsexamen voor 15 september af.
De uiterste inschrijvingsdatum wordt op 30 september van het lopende academiejaar vastgesteld, onverminderd de uitoefening van de rechten van beroep bedoeld in § 4 van dit artikel.
In afwijking van lid 2, kan de Regering, op een met redenen omklede aanvraag van de pedagogische beheersraad, een student echter uitzonderlijk toelaten zich na 30 september te laten inschrijven, wanneer de omstandigheden dit verantwoorden en op voorwaarde dat de hogere kunstschool het toelatingsexamen in dezelfde voorwaarden organiseert als deze die in artikel 41 van dit decreet bedoeld zijn. § 2. De inrichtende macht kan echter, bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, de inschrijving van een student afwijzen : 1° wanneer die student, in dezelfde hogere kunstschool, tijdens het vorige academiejaar, definitief werd uitgesloten;2° wanneer die student zijn inschrijving aanvraagt voor een studieprogramma waarvoor geen financiering door de Franse Gemeenschap plaatsvindt;3° wanneer die student niet voldoet aan de voorwaarden bepaald door het studiereglement van de hogere kunstschool. § 3. Van de beslissing tot afwijzing van de inschrijving moet bij aangetekend schrijven aan de student kennis worden gegeven binnen een termijn van 15 dagen met ingang van de dag van ontvangst van de aanvraag om inschrijving. § 4. Bij de kennisgeving van de afwijzing van de inschrijving worden eveneens de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep gevoegd.
Wanneer de afwijzing van de inschrijving uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, beroep tegen die beslissing aantekenen bij de Regering, die, binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren.
Wanneer die afwijzing uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, tegen de beslissing beroep aantekenen bij de inrichtende macht, die binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren. Art. 39.Het bijzonder studiereglement wordt door de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd. Het bepaalt nadere regels voor de toepassing van het algemeen studiereglement met inachtneming ervan.
Het bepaalt onder meer : 1° de organisatie van het academiejaar met inachtneming van de door de Regering vastgestelde vakantie- en verlofregeling;2° de tuchtregeling en alle beroepsprocedures met inachtneming van de volgende principes : iedere student is ertoe gehouden het bijzonder studiereglement van de hogere kunstschool waarvoor hij zich laat inschrijven, na te leven.In geval van tekortkoming, kan een tuchtsanctie in verhouding tot de ernst van de feiten door de inrichtende macht van de school worden uitgesproken, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. De tuchtsancties die worden uitgesproken ten aanzien van een student kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de evaluatie van zijn bekwaamheid. In alle gevallen moet de student zijn rechten op verdediging kunnen doen gelden; 3° de doelstellingen die in het studieprogramma van elke optie bepaald zijn;4° de beschrijving van elk studieprogramma;5° de bepalingen die inherent zijn aan de pedagogische methodes;6° de nadere regels voor de organisatie en het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;7° de nadere regels voor de aanwending van de interdisciplinariteit binnen de school;8° de nadere regels voor de organisatie van onderwijsactiviteiten die onder een samenwerkingsovereenkomst ressorteren. Het vermeldt het bedrag van de door de Regering vast te stellen reglementaire inschrijvingsrechten. Art. 40.Het algemeen studiereglement en het bijzonder studiereglement zijn openbare documenten, bezorgd door de directeur of diens vertegenwoordiger, aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving..
TITEL IV. - Toelatingsvoorwaarden Art. 41.Onverminderd de verplichting te slagen voor het toelatingsexamen bedoeld in artikel 25 van het decreet, hebben toegang tot het eerste studiejaar van het hoger onderwijs, met het oog op het behalen van de graad die deze studie bekrachtigt, de studenten die het bewijs leveren : 1° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs met volledig leerplan of onderwijs voor sociale promotie voor de studenten die dat getuigschrift na het schooljaar 1992-1993 hebben behaald;2° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs voor de studenten die dit voor het jaar 1993-1994 hebben behaald, samen, voor de toegang tot het eerste jaar van het hoger onderwijs van het lange type, met het diploma van bekwaamheid voor toelating tot het hoger onderwijs;3° ofwel van een gehomologeerd getuigschrift van het technisch of artistiek algemeen onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs die georganiseerd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap die tot het uitreiken van dat getuigschrift wordt gemachtigd, en dat toelating verschaft tot het universitair onderwijs in die Gemeenschap;4° ofwel van een diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, of van een overeenstemmend bekwaamheidsbewijs uitgereikt door het onderwijs voor sociale promotie;5° ofwel van een diploma of studiegetuigschrift dat als gelijkwaardig erkend wordt met deze die in 1° en 3° vermeld zijn met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, van een decreet, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst;6° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de hogere kunstschool en waarvan de programma's door de Regering na advies van de Hoge Kunstraad worden vastgesteld;dat attest verschaft toelating tot de studies die het aanwijst; 7° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de universitaire instellingen, overeenkomstig artikel 10, § 1, e) , en § 2 van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden;8° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de door de hogescholen georganiseerde toelatingsexamens, overeenkomstig artikel 22, § 1, 6°, van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. TITEL V. - Organisatie van de examens en examencommissies Art. 42.Om tot de examens en tot de artistieke evaluaties georganiseerd door een hogere kunstschool te worden toegelaten, is iedere student ertoe gehouden de onderwijsactiviteiten van het programma van het studiejaar waarvoor hij ingeschreven is, regelmatig te volgen. Art. 43.Niemand kan tot meer dan twee examenzittijden gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten.
Niemand kan tot meer dan één zittijd voor artistieke evaluatie gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten. Art. 44.De examens zijn openbaar.
Iedere student mag inzage hebben in de verbeterde tekst van zijn schriftelijk examen.
Iedere student mag, op gewone aanvraag, de uitslagen voor elk examen en elke artistieke evaluatie verkrijgen. Art. 45.De inrichtende macht van de hogere kunstschool stelt beraadslagingscommissies voor elk studiejaar samen. De beraadslagingscommissies zijn samengesteld uit personeelsleden die verantwoordelijk waren voor de door de student gevolgde onderwijsactiviteiten, uit een voorzitter en een secretaris en, in voorkomend geval, uit externe deskundigen.
Op grond van criteria die door de inrichtende macht na advies van de pedagogische beheersraad vooraf worden bepaald, beraadslagen die commissies gezamenlijk en soeverein over de toelating, het uitstel of de afwijzing van de student en over de toekenning van de meldingen.
Die criteria worden bekendgemaakt door middel van aanplakborden. Art. 46.De Regering stelt de wijzen vast waarop de examens en de examencommissies worden georganiseerd alsook de normen volgens welke van rechtswege geslaagd wordt.
TITEL VI. - Uitreiking van de diploma's Art. 47.De graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 14, 18, 19, 22 en 23 van het decreet en de diploma's of getuigschriften die deze bekrachtigen, worden uitgereikt ofwel door de beraadslagingscommissies van de hogere kunstscholen, ofwel door de examencommissies voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap.
De diploma's uitgereikt door de examencommissies van de hogere kunstscholen worden door de directeur en door de leden van de beraadslagingscommissie ondertekend. Ze worden bovendien door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend.
De diploma's uitgereikt door een examencommissie voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, worden door de voorzitter en de leden van de commissie ondertekend en door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend.
Naar aanleiding van de medeondertekening bedoeld in de leden 2 en 3, kan een recht, waarvan het bedrag door de Regering wordt vastgesteld, worden geheven.
TITEL VII. - Controle van de kwaliteit Art. 48.Na het advies van de Hoge Kunstraad te hebben ingewonnen, zoals bepaald bij het decreet, stelt de Regering de nadere regels en de procedures vast voor de controle van de kwaliteit van het onderwijs verstrekt in de hogere kunstscholen.
TITEL VIII. - Regelmatig ingeschreven en financierbare studenten Art. 49.Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van dit decreet, is de student die regelmatig in een hogere kunstschool ingeschreven is, de student die voldoet aan de toegangsvoorwaarden bedoeld bij de wets- en verordeningsbepalingen terzake en die ingeschreven is op de wijze voorgeschreven voor het geheel van de voorgeschreven en goedgekeurde onderwijsactiviteiten van een bepaalde afdeling en die deze activiteiten regelmatig volgt om, in voorkomend geval, op het einde van het academiejaar, de rechtsgevolgen te kunnen genieten die verbonden zijn met het slagen voor de examens.
In het kader van een samenwerkingsovereenkomst, komt de regelmatig ingeschreven student bedoeld in lid 1 in aanmerking voor de financiering alleen wanneer die overeenkomst door de Regering wordt goedgekeurd. Art. 50.Er wordt met een enkele regelmatige inschrijving per student rekening gehouden op de datum van 1 februari van het vorige schooljaar of academiejaar. Art. 51.Onder de regelmatig ingeschreven studenten, worden voor de financiering niet in aanmerking genomen : 1° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in hetzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling in het hoger kunstonderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;2° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar in het hoger onderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;3° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling, of elke andere studieonderafdeling in hetzelfde vak, in een onderwijssysteem dat ressorteert onder het hoger onderwijs in België of in het buitenland, met uitzondering van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;4° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar of elke andere studieonderafdeling, ongeacht het vak, in een Belgisch of buitenlands hoger onderwijssysteem, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;5° de studenten die zich laten inschrijven voor studies die toegang verschaffen tot één van de graden bedoeld in de artikelen 7, 13, 18 en 22 van het decreet, terwijl ze binnen de vijf jaar die voorafgaan aan de aanvraag om inschrijving, dit zijn twee van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP, dit zijn twee academische graden bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, dit zijn twee graden bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, dit is één van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP en een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4 van het voormelde decreet van 5 september 1994 of een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995, dit is een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het voormelde decreet van 5 september 1994 en een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995. DERDE DEEL. - FINANCIERING VAN HET ONDERWIJS TITEL I. - Omkadering Art. 52.De omkadering van de studenten wordt in betrekkingseenheden uitgedrukt.
De omkadering wordt, per gebied en per type, berekend op grond van de optelling van een forfaitair deel toegekend voor een eerste schijf van financierbare studenten en van evenredige delen gelijk aan het product van het aantal financierbare studenten voor een tweede of een derde schijf en specifieke coëfficiënten bepaald in artikel 53.
Het aldus bepaalde betrekkingseenheden wordt toegekend aan de hogere kunstschool voor een jaar. Art. 53.Voor de berekening van de omkadering van de hogere kunstscholen, zijn de omkaderingsnormen, uitgedrukt in betrekkingseenheden, de volgende : Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 23 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,9. Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldig met 0,08;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,06. Gebied van de muziek : 1° Voor de eerste 150 studenten : 26 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,17.3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,15. Gebied van de toneelkunst en de woordkunsten en gebied van de danskunst : 1° Voor de eerste 75 studenten : 12 betrekkingseenheden;2° Van 76 tot 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 22 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,08. Per gebied, wanneer de uitkomst van de berekening de breuk van een eenheid omvat, wordt zij naar de hogere eenheid afgerond, wanneer zij gelijk is aan of hoger is dan vijf tienden, en naar de lagere eenheid, in de andere gevallen.
Op het gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten, stelt de Regering de bijzondere bepalingen vast die van toepassing zijn in het kader van de overgang van het korte type naar het lange type. Art. 54.§ 1. De omkadering toegekend aan de hogere kunstscholen is de uitkomst van de optelling van twee delen : een historisch deel en een variabel deel. § 2. De waarde van het historisch deel wordt om de 5 jaar vastgesteld.
Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voor elke instelling werd toegekend gedurende het academiejaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de omkadering wordt berekend. Ze wordt elk jaar gewogen met een degressieve coëfficiënt : 1 voor het eerste jaar, 0.75 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.25 voor het vierde jaar; 0 voor het vijfde jaar. § 3. De waarde van het variabel deel wordt om de vijf jaar vastgesteld. Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voortvloeien uit de in artikel 53 bepaalde berekening van de omkadering. Ze wordt elk jaar gewogen met een progressieve coëfficiënt : 0 voor het eerste jaar, 0.25 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.75 voor het vierde jaar; 1 voor het vijfde jaar. Het variabel deel wordt echter niet gewijzigd zolang het - positieve of negatieve - verschil tussen het gemiddelde bepaald in paragraaf 4 en het gemiddelde berekend voor de laatste toekenning van de omkadering lager is dan 5 %. § 4. Het aantal financierbare studenten die in aanmerking komen voor de berekening van het variabel deel is gelijk aan het gemiddelde van het aantal financierbare studenten van de vijf academiejaren die voorafgaan aan die waarvoor de omkadering wordt berekend. § 5. In afwijking van het tweede lid van de tweede paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is de waarde van het historisch deel gelijk aan het aantal omkaderingseenheden toegekend voor elke instelling gedurende het jaar 2000-2001.
In afwijking van de vierde paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is het aantal financierbare studenten van de academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, gelijk aan het gemiddelde van de financierbare studenten van de academiejaren 1995-1996, 1996-1997, 1997-1998, 1998-1999 en 1999-2000. Dat aantal wordt referentiebevolking genoemd.
In afwijking van de derde paragraaf, indien het gemiddelde aantal financierbare studenten van een gebied gedurende de laatste vijf jaren, in het vijfde toepassingsjaar van dit decreet, met meer dan 10 % afwijkt van het gemiddelde aantal financierbare studenten van datzelfde gebied gedurende de academiejaren 1995-1996 tot 1999-2000, dient de Regering een verslag aan de Raad van de Franse Gemeenschap in samen met een voorstel tot eventuele wijziging van de coëfficiënten bedoeld in artikel 53 voor dat gebied.
TITEL II. - Vaststelling van de personeelsformatie Art. 55.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het lange type rekening met de volgende regels in verband met het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraars en begeleiders zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 60 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 80 % van dit aantal;2° Het aantal betrekkingseenheden van assistent zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 5 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 40 % van dit aantal;3° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingen.Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars en begeleiders mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar en begeleider zoals bepaald in lid 1 van dit artikel.
Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar of begeleider, een tijdelijke aanstelling of een tijdelijke werving in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen. Art. 56.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het korte type rekening met de volgende regels voor het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet lager zijn dan 85 % van het totaal aantal betrekkingseenheden; 2 ° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingseenheden. Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in lid 1 van dit artikel.
Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen. Art. 57.Elke hogere kunstschool staat onder leiding van een directeur, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid wordt toegekend. Een hogere kunstschool die ten minste 500 financierbare studenten telt, krijgt een betrekking van adjunct-directeur toegewezen, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid voor vijf jaar wordt toegekend.
TITEL III. - Sociale subsidies Art. 58.De Franse Gemeenschap komt, door middel van jaarlijkse subsidies, sociale subsidies genoemd, tegemoet in de financiering van de sociale behoeften van de studenten. Art. 59.De sociale subsidies worden berekend op grond van het aantal financierbare studenten op 1 februari van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat. Er wordt een bedrag van 52,33 euro toegekend, per financierbare student, voor de financiering. Dat bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen. De sociale subsidies worden driemaandelijks uitbetaald.
De sociale subsidies worden aangewend voor de rechtstreekse of onrechtstreekse sociale hulpverlening aan de studenten, voor de steunverlening aan de sociale diensten en oriëntatiediensten voor studenten. Tien percent van de sociale subsidies wordt toegekend aan de werking van de studentenraad. Art. 60.Vóór 1 december, maakt de sociale raad een begroting op voor het volgende begrotingsjaar, na het advies van de studentenraad te hebben ingewonnen.
De begroting maakt een onderscheid tussen de verrichtingen die ten laste zijn van de allocaties van het lopende begrotingsjaar en de verrichtingen die ten laste zijn van de saldi van de vorige begrotingsjaren.
De sociale raad voert een volledige boekhouding. Hij legt jaarlijks zijn boekhouding en zijn rekeningen voor aan de verificateur van de Franse Gemeenschap.
VIERDE DEEL. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art. 61.Deze bepalingen zijn van toepassing op : 1° de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen en op de gesubsidieerde leden van de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde hogere kunstscholen.2° de inrichtende machten van die scholen. Ze zijn niet van toepassing op de (hoog)leraars godsdienst. Onder « godsdienst », dient te worden verstaan één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
Ze zijn niet van toepassing op het contractueel personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen, noch op het personeel dat, in de gesubsidieerde hogere kunstscholen, geen wedde-subsidie ten laste van de Franse Gemeenschap ontvangt. HOOFDSTUK II. - Definities die specifiek zijn voor de statutaire begrippen Art. 62.Voor de toepassing van dit decreet dient te worden onder : 1° werkelijk gepresteerde diensten : diensten gepresteerd door het personeelslid dat een hoofdambt uitoefent in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, terwijl het zich bevindt in de administratieve of dienststanden, in de standen dienstactiviteit of terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;2° mutatie : overdracht, binnen hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net;3° wijziging van affectatie : de reaffectatie, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net of een ander net;4° opdrachtuitbreiding : de procedure volgens welke de inrichtende macht de opdracht van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid, van een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven is, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen of in hetzelfde ambt en andere toe te kennen cursussen en in verhouding tot een maximale volledige opdracht in tijdelijk verband voor onbepaalde tijd;5° nuttige ervaring in het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in het onderwijs werden gepresteerd in een ambt van bestuurs- en onderwijzend personeel;6° nuttige ervaring buiten het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in de privé- of overheidssector werden gepresteerd, dit is de ervaring opgedaan door de uitoefening van een kunstberoep of een kunstpraktijk. De Regering richt een commissie voor de erkenning van die nuttige ervaring op en stelt er de samenstelling vast. De Regering bepaalt de regels volgens welke die nuttige ervaring wordt erkend; 7°
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten : de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;8° koninklijk besluit van 28 september 1984 : het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK III. - Wervingscommissies Art. 63.De wervingscommissies worden belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de toe te kennen betrekkingen en mandaten. Art. 64.Er kunnen zoveel wervingscommissies zijn als er toe te kennen posten zijn. Ze zijn niet vast. Art. 65.De wervingscommissies delen een met redenen omkleed advies over de kandidaturen mede aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. Art. 66.§ 1. De wervingscommissies zijn samengesteld als volgt : 1° een voorzitter : de directeur van de hogere kunstschool;2° minstens 4 leden die behoren tot het onderwijzend personeel van de hogere kunstschool. § 2. Deskundigen die niet behoren tot de hogere kunstschool kunnen daar zitting hebben. Hun aantal kan echter niet hoger zijn dan het aantal vertegenwoordigers van de interne personeelsleden van de hogere kunstschool.
De deskundigen worden door de Regering of de inrichtende macht aangesteld, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Art. 67.De adviezen worden met volstrekte meerderheid uitgebracht; de onthoudingen komen niet in aanmerking in het quorum.
TITEL II. - Ambten - opdrachten en betrekkingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. 68.Voor de toepassing van dit decreet, kunnen de bekwaamheidsbewijzen van de personeelsleden diploma's, getuigschriften en jaren nuttige ervaring zijn overeenkomstig de geldende wetgeving.
De Regering stelt de schalen van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel vast. HOOFDSTUK 2. - De ambten en opdrachten Afdeling 1. - De ambten en opdrachten van het onderwijzend en
bestuurspersoneel van het lange type Art. 69.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen kunnen uitoefenen in de opleiding van het lange type, worden hierna bepaald : 1° Assistent 2° Lector 3° Begeleider 4° (hoog)leraar 5° Adjunct-directeur 6° Directeur. Art. 70.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die altijd als hoofdambt worden uitgeoefend, worden de ambten vermeld in artikel 69 van dit decreet ofwel als hoofdambt ofwel als bijambt uitgeoefend met inachtneming van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Art. 71.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die ambten met volledige prestaties zijn, zijn de ambten vermeld in artikel 69 ambten met volledige of onvolledige prestaties met inachtneming van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958. Art. 72.§ 1. De prestaties van de assistenten omvatten de steunverlening aan en de begeleiding van de studenten alsook de onderzoeksactiviteiten. Ze zijn niet verantwoordelijk voor een cursus maar werken samen met één of verschillende (hoog)leraren aan de begeleiding van kunstonderwijsactiviteiten. Ze mogen zich voor een vorming inzake gespecialiseerde kunststudies bedoeld bij het decreet laten inschrijven en tegelijk hun ambt van assistent uitoefenen. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een assistent omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in tienden van een opdracht. § 2. De prestaties van de lectoren omvatten onderwijsactiviteiten van theoretische, technische of artistieke aard. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een lector omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. § 3. Het ambt van begeleider is een ambt dat specifiek is voor het muziek- en dansonderwijs. Naast de begeleiding aan de klavecimbel van studenten, neemt de begeleider een pedagogische opdracht bij dezelfde studenten waar.
De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een begeleider omvat 16 uren per week. Ze is deelbaar in zestienden van een opdracht. § 4. De (hoog)leraars zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en voor de evaluatie van de studenten. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een (hoog)leraar omvat 12 uren per week. Ze is deelbaar in twaalfden van een opdracht. § 5. De directeur van een hogere kunstschool is de afgevaardigde van de inrichtende macht of van de Regering en voert zijn beslissingen uit. Hij is, samen met de adjunct-directeur in voorkomend geval, belast met de verwezenlijking van het pedagogisch project en met het dagelijks beheer van de instelling. De adjunct-directeur vervangt de directeur bij diens afwezigheid.
De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een directeur en een adjunct-directeur omvat 36 uren per week. Ze is volledig en deelbaar. Art. 73.De directeur kan een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst. De duur van die afwezigheid mag niet langer zijn dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de tijdens zijn afwezigheidperiode niet gepresteerde uren in te halen. Na het met redenen omklede advies van de inrichtende macht te hebben ingewonnen, kan de Regering een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst voor een periode die langer is dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren goed te maken.
Gedurende de afwezigheid van het personeelslid bedoeld in de leden 1 en 2, wordt dat personeelslid geacht zich in dienstactiviteit te bevinden.
De leden van het onderwijzend personeel die een ambt uitoefenen dat overeenstemt met ten minste de helft van de volledige prestaties presteren gemiddeld in het academiejaar twee bijkomende wekelijkse uren om activiteiten in verband met het onderwijs, zoals bepaald in artikel 3 van het decreet, uit te oefenen. Voor de personeelsleden waarvan de opdracht lager is dan de helft van de volledige prestaties, worden die bijkomende prestaties tot één uur herleid.
Die bijkomende prestaties kunnen geen uitbreiding van de opdracht van de cursus betekenen. Art. 74.De prestaties van de personeelsleden worden in uren van 60 minuten uitgedrukt. Afdeling 2. - De ambten …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.