Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1)

Kort samengevat

Dit decreet stelt specifieke regels vast voor het hoger kunstonderwijs dat georganiseerd wordt in hogere kunstscholen, met betrekking tot hun organisatie, financiering, personeel en de rechten en plichten van studenten. Het is een aanvulling op een eerder decreet betreffende het hoger kunstonderwijs.

Wat het reguleert

  • De organisatie van het hoger kunstonderwijs in kunstscholen.
  • De financiering en omkadering van deze instellingen.
  • Het statuut van het personeel dat werkzaam is in de kunstscholen.
  • De rechten en plichten van de studenten van deze scholen.

Wie het aangaat

  • Instellingen voor hoger kunstonderwijs, specifiek de hogere kunstscholen.
  • Personeelsleden en studenten van deze hogere kunstscholen.

Kernpunten

  • Hogere kunstscholen kunnen samenwerkingsovereenkomsten sluiten met andere onderwijsinstellingen voor gemeenschappelijke studies.
  • Een hogere kunstschool verliest haar autonomie als het aantal financierbare studenten twee opeenvolgende academiejaren onder de 50% van de referentiebevolking blijft.
  • Elke hogere kunstschool moet een pedagogisch en artistiek project opstellen, dat openbaar is en uiterlijk 31 december 2001 ter goedkeuring moet worden voorgelegd.
  • Hogere kunstscholen worden beheerd door een inrichtende macht en hebben diverse raden, waaronder een pedagogische beheersraad, optieraden, een studentenraad en een sociale raad.
Wettekst
Wettekst
Obsah (5)Art. 13Art. 68Art. 98Art. 106Art. 143

20 DECEMBER 2001. - Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van

TITEL 1. - Toepassingsgebied Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op de instellingen voor hoger kunstonderwijs bedoeld bij het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 29/10/1999 numac 1999029643 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs. TITEL 2. - Definities Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° Decreet : het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 29/10/1999 numac 1999029643 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs.2° Hogere kunstschool : instelling voor hoger kunstonderwijs bedoeld in het decreet.3° Inrichtende macht :

  1. a)de Franse Gemeenschap;
  2. b)een gemeente, een provincie, voor het gesubsidieerd officieel net;
  3. c)een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor het gesubsidieerd vrij net; die de verantwoordelijkheid waarneemt voor het onderwijs verstrekt in één of meer hogere kunstscholen. 4° Gebied : elk van de vijf sectoren van het hoger kunstonderwijs - namelijk de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimte-kunsten;de muziek; de toneelkunst en de woordkunsten; de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie; de danskunst - zoals bepaald bij artikel 1, § 2 van het decreet. 5° Optie : optie bedoeld in de artikelen 10, § 4;14, § 4; 19, § 4 en 22 van het decreet of doelstelling in de zin van artikel 10, § 3 van het decreet. 6° Organieke betrekking : betrekking georganiseerd of gesubsidieerd met inachtneming van de decreet- en verordeningsbepalingen.7° Vacante betrekking : organieke betrekking die niet toegekend is aan een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid of aan een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld of aangeworven is.8° Mandaat : betrekking toegekend aan een personeelslid die niet mag leiden tot een tijdelijke aanstelling of aanwerving voor bepaalde tijd, een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd of tot een benoeming of aanwerving in vast verband.9° Betrekkingseenheid : volume van de omkadering van studenten dat overeenstemt met een opdracht met volledige dienstprestaties.10° Hoge Kunstraad : de Hoge Raad voor het Hoger Kunstonderwijs bedoeld in artikel 26 van het decreet.11° Pedagogische Beheersraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16 tot 22 van dit decreet.12° Optieraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 23 tot 26 van dit decreet.13° Studentenraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 27 tot 31 van dit decreet.14° Sociale Raad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 32 tot 34 van dit decreet.15° Wervingscommissie : de commissie die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet.16° Pedagogisch en artistiek project : het project waarmee een hogere kunstschool zich voorneemt de algemene doelstellingen van artikel 3 van het decreet te bereiken zoals bepaald bij artikel 5 van dit decreet.17° Representatieve studentenorganisatie erkend door de Franse Gemeenschap : de organisatie(
  4. s)bedoeld in artikel 78 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen.18° Regelmatig ingeschreven student : de student die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden bedoeld bij de bepalingen van artikel 49 van dit decreet.19° Financierbare student : de student die in aanmerking komt voor de financiering overeenkomstig artikel 51 van dit decreet.20° Academiejaar : de tijd die noodzakelijk is voor de verrichting van een studiejaar, bestaande uit twee semesters, dat op 15 september begint en op 14 september van het volgende jaar eindigt.21° Graden : de graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 18, 19, § 4, 22 en 23 van het decreet.22° Onderwijsactiviteiten : de activiteiten zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet.23° Doelstellingen : de doelstellingen zoals bepaald in artikel 3 van het decreet. § 2. Voor de toepassing van dit decreet, worden de termijnen berekend als volgt : 1° De dag die er het beginpunt van uitmaakt, is niet inbegrepen.2° De dag waarop de termijn verstrijkt, wordt in de termijn meegerekend.3° Wanneer de dag waarop de termijn verstrijkt, samenvalt met een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een feestdag in de Franse Gemeenschap, wordt die naar de eerstvolgende werkdag overgedragen. TWEEDE DEEL. - ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJS TITEL I. -

HOOFDSTUK I. - Samenwerkingsovereenkomsten voor de organisatie van gemeenschappelijke studies Art. 3.De samenwerkingsovereenkomst die, met toepassing van artikel 6, lid 2, van het decreet, wordt gesloten door verschillende hogere kunstscholen of tussen een hogere kunstschool en één of meer andere onderwijsinstellingen voor de organisatie van gemeenschappelijke studies, bepaalt, naast de respectieve bijdragen van de partners, de instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies, voor de gegroepeerde onderwijsactiviteiten en voor de werving van de personeelsleden die ermee belast zijn. Zij stelt ook de bepalingen vast die zullen moeten worden opgenomen in de bijzondere studieregeling overeenkomstig artikel 39, lid 2, 8°, van dit decreet. De instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies schrijft de student in. Die wordt als financierbare student alleen in de instelling waarin hij ingeschreven is, meegerekend. De hogere kunstschool die een samenwerkingsovereenkomst sluit, kan betrekkingseenheden of delen van betrekkingseenheden aan een andere onderwijsinstelling afstaan of ontvangen. De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomsten vast. HOOFDSTUK II. - Rationalisatie Art. 4.§

  1. Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 54 van dit decreet, wanneer het aantal financierbare studenten gedurende twee opeenvolgende academiejaren lager blijft liggen dan 50 % van de referentiebevolking zoals bepaald in artikel 54 van dit decreet, verliest de hogere kunstschool haar autonomie op de eerste dag van het volgende academiejaar. Haar inrichtende macht kan haar met een andere hogere kunstschool van hetzelfde net of van een ander net samenvoegen. Als er geen fusie met een andere instelling is, sluit de inrichtende macht de school jaar per jaar. §
  2. Als de hogere kunstscholen tussen welke de fusie plaatsvindt, elk het tekort in verband met het aantal financierbare studenten bepaald in § 1, lid 1, vertonen, leidt de samenvoeging tot de oprichting van een nieuwe hogere kunstschool op grond van een op gelijke voet steunende fusie. Wanneer alleen één hogere kunstschool dat tekort vertoont, leidt de fusie tot de sluiting van die school als autonome instelling. Zij kan een vestiging worden van de hogere kunstschool waarmee ze wordt samengevoegd op grond van een fusie door overneming. §
  3. De fusie tussen hogere kunstscholen wordt aan de Regering ter goedkeuring voorgelegd. De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de fusie tussen hogere kunstscholen vast. HOOFDSTK III. - Pedagogisch en artistiek project van de hogere kunstschool Afdeling
  4. - Bepaling van het pedagogisch en artistiek project Art. 5.Het pedagogisch en artistiek project moet alle middelen bepalen die worden aangewend en alle keuzen die worden gedaan om de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs te kunnen vervullen. Het wordt door de Pedagogische Beheersraad van de hogere kunstschool opgemaakt. Afdeling
  5. - Goedkeuring en bekendmaking van het pedagogisch en artistiek project Art. 6.Uiterlijk 31 december 2001 legt de directeur, na het advies van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool te hebben ingewonnen, aan de inrichtende macht het voorstel van pedagogisch en artistiek project ter goedkeuring voor. Elke aanvraag om wijziging moet aan de inrichtende macht ter goedkeuring worden voorgelegd door de directeur op voorstel van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. De aanvraag om wijziging moet uiterlijk 31 december worden ingediend om reeds vanaf het begin van het volgende academiejaar te kunnen worden toegepast. Art. 7.Het pedagogisch en artistiek project is een openbaar document, dat door de directeur of diens vertegenwoordiger aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving, wordt bezorgd. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere pedagogische en artistieke projecten Afdeling
  6. - Definitie van de bijzondere pedagogische en artistieke projecten Art. 8.De bijzondere pedagogische en artistieke projecten zijn schriftelijke documenten die door de kandidaten voor een werving worden opgesteld en die de wijze vaststellen waarop de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs zullen worden vervuld en waarop de bepalingen van het in artikel 5 van dit decreet bedoelde pedagogische en artistiek project zullen worden nageleefd. Afdeling
  7. - Het pedagogisch en artistiek project van de directeur of de adjunct-directeur Art. 9.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor het mandaat van directeur of adjunct-directeur wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij zijn opdracht in verband met de leiding van de hogere kunstschool bedoelt. Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling
  8. - Het pedagogisch en artistiek project van de (hoog)leraar Art. 10.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van (hoog)leraar wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij - voor elke onderwijsactiviteit of elke cursus waarvoor hij zich kandidaat stelt - zijn onderwijsopdracht binnen de hogere kunstschool bedoelt. Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling
  9. - Het pedagogisch en artistiek project van de assistent Art. 11.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van assistent wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn assistentopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van assistent wordt aangeboden. Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling
  10. - Het pedagogisch en artistiek project van de begeleider Art. 12.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van begeleider wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn begeleidersopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van begeleider wordt aangeboden. Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. TITEL II. - Beheer van de hogere kunstschool HOOFDSTUK I. -

Art. 13

.De hogere kunstschool wordt door een inrichtende macht beheerd en heeft een pedagogische beheersraad, één of meer optieraden, een studentenraad en een sociale raad. Het beheer van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen wordt door de Regering waargenomen. De door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen zijn diensten met afzonderlijk beheer in de zin van artikel 140 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Art. 14.De leden van de pedagogische beheersraad, van de optieraad(raden), van de studentenraad en van de sociale raad hebben toegang tot alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun mandaat, zonder dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de persoonlijke levenssfeer van de personen op wie de gegevens betrekking hebben. Die verschillende inlichtingen moeten toegankelijk zijn binnen de hogere kunstschool. Elke raad stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Art. 15.Er worden wervingscommissies door de inrichtende macht samengesteld op initiatief van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. HOOFDSTUK II. - De pedagogische beheersraad Art. 16.De pedagogische beheersraad wordt belast met het vaststellen van de nadere regels voor het vervullen van de opdrachten van de hogere kunstschool bedoeld in artikel 3 van het decreet, door zijn pedagogisch en artistiek project alsook de bijzondere regeling van de studie op te stellen. Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke pedagogische vraag en over elke vraag in verband met het gebruik van de pedagogische middelen en met de dienstaanwijzing van de personeelsleden. Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke in artikel 3 bedoelde samenwerkingsovereenkomst die met een andere instelling gesloten wordt. De pedagogische beheersraad kan eveneens, op eigen initiatief, aan de inrichtende macht een advies geven over elke vraag in verband met de aangelegenheden bedoeld in dit artikel. Art. 17.De pedagogische beheersraad is samengesteld uit : 1° de directeur of de adjunct-directeur, wanneer dit ambt toegekend is;2° 5 vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen;3° 3 vertegenwoordigers van de vakbonden;4° 2 vertegenwoordigers van de assistenten, wanneer dit ambt toegekend is;5° een vertegenwoordiger van de andere categorieën van het personeel dan de categorie van het onderwijzend personeel;6° vijf afgevaardigden van de studenten die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen. De leden bedoeld in 6° hebben een plaatsvervanger. Deze vervangt het werkend lid bij diens afwezigheid, overlijden, ontslag of verlies van de hoedanigheid van student. Art. 18.De vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders worden voor een vernieuwbaar mandaat van vier jaar gekozen door de gezamenlijke (hoog)leraars en begeleiders van de hogere kunstschool. Geen vertegenwoordiger van de (hoog)leraars en begeleiders kan meer dan twee mandaten opeenvolgend bekleden. De vertegenwoordigers van het assistentenpersoneel worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar gekozen door de gezamenlijke assistenten van de hogere kunstschool. De vertegenwoordigers van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel wordt voor een vernieuwbaar mandaat van 4 jaar gekozen door de gezamenlijke personeelsleden van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel. De vertegenwoordigers van de studenten worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar door de studentenraad gekozen. De vertegenwoordigers van de vakbonden zijn personeelsleden van de hogere kunstschool. Zij worden aangewezen door de vakorganisaties die de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben, vertegenwoordigen. Art. 19.De pedagogische beheersraad wordt door de directeur van de hogere kunstschool voorgezeten. Art. 20.Alle leden van de pedagogische beheersraad zijn stemgerechtigd. Art. 21.De adviezen van de pedagogische beheersraad worden pas geldig uitgebracht wanneer de helft van de leden aanwezig is. Over elk advies moet worden gestemd; elk advies wordt met redenen omkleed. Aan de stemming mogen de personeelsleden niet deelnemen die er een persoonlijk en rechtstreeks belang bij hebben of wier bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de aangelegenheden waarover gestemd wordt. Art. 22.De adviezen worden met volstrekte meerderheid gegeven; de onthoudingen worden niet meegerekend in het beslissingsquorum. HOOFDSTUK III. - De optieraden Art. 23.De optieraden doen voorstellen in verband met de optie(

  1. s)voor de verwezenlijking van het pedagogisch project van de hogere kunstschool. Die voorstellen worden aan de pedagogische beheersraad voorgelegd. Art. 24.Een optieraad is samengesteld uit : 1° alle leerkrachten die deelnemen aan de opleiding in verband met een optie;2° vier vertegenwoordigers van de studenten van de optie; Wanneer de school verschillende opties organiseert, kan zij een raad samenstellen die verschillende opties groepeert. Die optieraad bestaat uit alle leerkrachten van dat geheel van opties en twee studenten per optie. Art. 25.Een optieraad kiest één van zijn leden om er het voorzitterschap van waar te nemen. Art. 26.Alle leden van een optieraad zijn stemgerechtigd. HOOFDSTUK IV. - De Studentenraad Art. 27.De opdrachten van de studentenraad zijn de volgende : 1° de studenten van de hogere kunstschool vertegenwoordigen;2° hun belangen behartigen inzake onderwijs, pedagogie en beheer van de instelling;3° het actieve deelnemen van de studenten aanmoedigen en die inleiden in de uitoefening van hun burgerschap binnen hun school en binnen de globale samenleving;4° de informatie mededelen aan de studenten, de inrichtende macht en de directie van de school;5° de vertegenwoordigers van de studenten aanwijzen voor de pedagogische beheersraad, de optieraad, in voorkomend geval, en aan de sociale raad. Art. 28.De studentenraad bestaat uit de vertegenwoordigers van de studenten die elk jaar door alle studenten van de hogere kunstschool worden gekozen. De raad bestaat uit minstens 7 leden. Voor zover mogelijk moet elke optie binnen de studentenraad worden vertegenwoordigd. Art. 29.§ 1. De verkiezingen voor de studentenraad en voor de aanwijzing van de vertegenwoordigers van de studenten in de optieraden worden tussen 1 maart en 30 april per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet de stemming op ten minste 30 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten. Is het in lid 1 bedoelde quorum niet bereikt, dan wordt een tweede stemmingsronde per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet die tweede stemmingsronde op ten minste 15 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten. In dat geval is er geen vertegenwoordiging op gemeenschapsniveau. Is het in lid 2 bedoelde quorum niet bereikt, dan worden de batig gerangschikte studenten benoemd tot beheerders van de studentenraad voor een periode van één jaar, zonder vertegenwoordiging in de pedagogische beheersraad. § 2. De studentenraad wijst voor 31 mei naar keuze zijn vertegenwoordigers aan voor de pedagogische beheersraad en voor de sociale raad alsook zijn vertegenwoordigers in de representatieve organisatie van de studenten erkend door de Franse Gemeenschap. De studentenraad kiest de voorzitter uit zijn leden. Alle leden van de studentenraad zijn stemgerechtigd. Art. 30.De inrichtende macht moet de studentenraad eigen infrastructuren en materiële middelen ter beschikking stellen voor de uitoefening van zijn opdrachten. Een deel van de sociale subsidies, dat tien per cent van hun totale bedrag uitmaakt, wordt bestemd voor de werking van de studentenraad. Dat bedrag mag echter niet lager zijn dan 1.000 euro. Art. 31.De vertegenwoordigers van de studenten in de verschillende organen van elke hogere kunstschool mogen geen sanctie ondergaan voor daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat of wegens de uitoefening ervan. HOOFDSTUK V. - De sociale raad Art. 32.De sociale raad heeft de volgende opdrachten : 1° de sociale begroting opmaken en die aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorleggen;2° met inachtneming van de sociale begroting, zoals die werd goedgekeurd, sociale kredieten toekennen;3° adviezen geven over elke vraag met betrekking tot materiële en sociale voorwaarden van studenten, op eigen initiatief of op aanvraag van de pedagogische beheersraad of van de inrichtende macht. Art. 33.De sociale raad bestaat, met een gelijk aantal, uit vertegenwoordigers van de studenten aangewezen door de studentenraad en de vertegenwoordigers van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel. De leerkrachten worden gekozen door de leerkrachten van de hogere kunstschool. Art. 34.De directeur van de hogere kunstschool is van rechtswege lid van de sociale raad. Hij is er de voorzitter van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit van de hogere kunstschool, aangewezen door de inrichtende macht, neemt deel aan de werkzaamheden. Alle leden van de sociale raad, met uitzondering van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit, zijn stemgerechtigd. TITEL III. - Studiereglement Art. 35.De studieregeling wordt bepaald door een algemeen studiereglement en een bijzonder studiereglement. Art. 36.Het algemeen studiereglement wordt door de Regering vastgesteld. Art. 37.Het bepaalt onder meer : 1° de regels in verband met de vrijstelling van sommige delen van het programma;2° de examenzittijden;3° de voorwaarden om te slagen;4° de wijze waarop de examencommissies worden samengesteld;5° de wijzen waarop de examencommissies werken;6° de wegingscoëfficiënten voor de verschillende evaluatiewijzen;7° de wijzen van indiening, onderzoek en beslechting van de klachten van studenten in verband met onregelmatigheden in het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;8° de aanwijzing van de overheid die bevoegd is om te beslissen over de weigering van de inschrijving voor de examens en de examencommissies en de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep;9° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die gedurende de studie van hogere kunstschool veranderen, volgens het volgende principe : de student wordt vrijgesteld van het afleggen van de examens waarvoor hij voorheen geslaagd is indien de programma's dezelfde zijn als die van zijn nieuwe hogere kunstschool;10° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die hetzelfde studiejaar herbeginnen;11° de voorwaarden en de nadere regels voor de verandering van optie volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 12° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger kunstonderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs van een andere optie en/of van een ander type volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 13° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger onderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 14° de voorwaarden waaronder de inrichtende macht van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, tot door hem vast te stellen studies van de tweede cyclus studenten kan toelaten die niet de graad van kandidaat hebben maar die het bewijs kunnen leveren van een beroepservaring en die, op het einde van een door de pedagogische beheersraad georganiseerde evaluatieprocedure, het bewijs kunnen leveren van voldoende kennis en bekwaamheid om studies met succes te kunnen volgen. De bepaling van de in vorig lid bedoelde studies moet vooraf door de Regering worden goedgekeurd, volgens de door haar vast te stellen procedure. 15° de voorwaarden waaronder de studenten die houder zijn van een buitenlands diploma of studiegetuigschrift in verband met de hogere kunststudies dat als gelijkwaardig erkend is met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, worden toegelaten tot studies van de tweede cyclus met het oog op het behalen van de graden die deze bekrachtigen.16° de voorwaarden en nadere regels voor de verlenging van de tweede zittijd voor de studenten die in het laatste studiejaar ingeschreven zijn. Art. 38.§ 1. De student kiest de hogere kunstschool waarin hij zich wenst in te schrijven en legt het toelatingsexamen voor 15 september af. De uiterste inschrijvingsdatum wordt op 30 september van het lopende academiejaar vastgesteld, onverminderd de uitoefening van de rechten van beroep bedoeld in § 4 van dit artikel. In afwijking van lid 2, kan de Regering, op een met redenen omklede aanvraag van de pedagogische beheersraad, een student echter uitzonderlijk toelaten zich na 30 september te laten inschrijven, wanneer de omstandigheden dit verantwoorden en op voorwaarde dat de hogere kunstschool het toelatingsexamen in dezelfde voorwaarden organiseert als deze die in artikel 41 van dit decreet bedoeld zijn. § 2. De inrichtende macht kan echter, bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, de inschrijving van een student afwijzen : 1° wanneer die student, in dezelfde hogere kunstschool, tijdens het vorige academiejaar, definitief werd uitgesloten;2° wanneer die student zijn inschrijving aanvraagt voor een studieprogramma waarvoor geen financiering door de Franse Gemeenschap plaatsvindt;3° wanneer die student niet voldoet aan de voorwaarden bepaald door het studiereglement van de hogere kunstschool. § 3. Van de beslissing tot afwijzing van de inschrijving moet bij aangetekend schrijven aan de student kennis worden gegeven binnen een termijn van 15 dagen met ingang van de dag van ontvangst van de aanvraag om inschrijving. § 4. Bij de kennisgeving van de afwijzing van de inschrijving worden eveneens de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep gevoegd. Wanneer de afwijzing van de inschrijving uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, beroep tegen die beslissing aantekenen bij de Regering, die, binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren. Wanneer die afwijzing uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, tegen de beslissing beroep aantekenen bij de inrichtende macht, die binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren. Art. 39.Het bijzonder studiereglement wordt door de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd. Het bepaalt nadere regels voor de toepassing van het algemeen studiereglement met inachtneming ervan. Het bepaalt onder meer : 1° de organisatie van het academiejaar met inachtneming van de door de Regering vastgestelde vakantie- en verlofregeling;2° de tuchtregeling en alle beroepsprocedures met inachtneming van de volgende principes : iedere student is ertoe gehouden het bijzonder studiereglement van de hogere kunstschool waarvoor hij zich laat inschrijven, na te leven.In geval van tekortkoming, kan een tuchtsanctie in verhouding tot de ernst van de feiten door de inrichtende macht van de school worden uitgesproken, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. De tuchtsancties die worden uitgesproken ten aanzien van een student kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de evaluatie van zijn bekwaamheid. In alle gevallen moet de student zijn rechten op verdediging kunnen doen gelden; 3° de doelstellingen die in het studieprogramma van elke optie bepaald zijn;4° de beschrijving van elk studieprogramma;5° de bepalingen die inherent zijn aan de pedagogische methodes;6° de nadere regels voor de organisatie en het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;7° de nadere regels voor de aanwending van de interdisciplinariteit binnen de school;8° de nadere regels voor de organisatie van onderwijsactiviteiten die onder een samenwerkingsovereenkomst ressorteren. Het vermeldt het bedrag van de door de Regering vast te stellen reglementaire inschrijvingsrechten. Art. 40.Het algemeen studiereglement en het bijzonder studiereglement zijn openbare documenten, bezorgd door de directeur of diens vertegenwoordiger, aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving.. TITEL IV. - Toelatingsvoorwaarden Art. 41.Onverminderd de verplichting te slagen voor het toelatingsexamen bedoeld in artikel 25 van het decreet, hebben toegang tot het eerste studiejaar van het hoger onderwijs, met het oog op het behalen van de graad die deze studie bekrachtigt, de studenten die het bewijs leveren : 1° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs met volledig leerplan of onderwijs voor sociale promotie voor de studenten die dat getuigschrift na het schooljaar 1992-1993 hebben behaald;2° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs voor de studenten die dit voor het jaar 1993-1994 hebben behaald, samen, voor de toegang tot het eerste jaar van het hoger onderwijs van het lange type, met het diploma van bekwaamheid voor toelating tot het hoger onderwijs;3° ofwel van een gehomologeerd getuigschrift van het technisch of artistiek algemeen onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs die georganiseerd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap die tot het uitreiken van dat getuigschrift wordt gemachtigd, en dat toelating verschaft tot het universitair onderwijs in die Gemeenschap;4° ofwel van een diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, of van een overeenstemmend bekwaamheidsbewijs uitgereikt door het onderwijs voor sociale promotie;5° ofwel van een diploma of studiegetuigschrift dat als gelijkwaardig erkend wordt met deze die in 1° en 3° vermeld zijn met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, van een decreet, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst;6° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de hogere kunstschool en waarvan de programma's door de Regering na advies van de Hoge Kunstraad worden vastgesteld;dat attest verschaft toelating tot de studies die het aanwijst; 7° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de universitaire instellingen, overeenkomstig artikel 10, § 1,
  2. e), en § 2 van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden;8° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de door de hogescholen georganiseerde toelatingsexamens, overeenkomstig artikel 22, § 1, 6°, van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. TITEL V. - Organisatie van de examens en examencommissies Art. 42.Om tot de examens en tot de artistieke evaluaties georganiseerd door een hogere kunstschool te worden toegelaten, is iedere student ertoe gehouden de onderwijsactiviteiten van het programma van het studiejaar waarvoor hij ingeschreven is, regelmatig te volgen. Art. 43.Niemand kan tot meer dan twee examenzittijden gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten. Niemand kan tot meer dan één zittijd voor artistieke evaluatie gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten. Art. 44.De examens zijn openbaar. Iedere student mag inzage hebben in de verbeterde tekst van zijn schriftelijk examen. Iedere student mag, op gewone aanvraag, de uitslagen voor elk examen en elke artistieke evaluatie verkrijgen. Art. 45.De inrichtende macht van de hogere kunstschool stelt beraadslagingscommissies voor elk studiejaar samen. De beraadslagingscommissies zijn samengesteld uit personeelsleden die verantwoordelijk waren voor de door de student gevolgde onderwijsactiviteiten, uit een voorzitter en een secretaris en, in voorkomend geval, uit externe deskundigen. Op grond van criteria die door de inrichtende macht na advies van de pedagogische beheersraad vooraf worden bepaald, beraadslagen die commissies gezamenlijk en soeverein over de toelating, het uitstel of de afwijzing van de student en over de toekenning van de meldingen. Die criteria worden bekendgemaakt door middel van aanplakborden. Art. 46.De Regering stelt de wijzen vast waarop de examens en de examencommissies worden georganiseerd alsook de normen volgens welke van rechtswege geslaagd wordt. TITEL VI. - Uitreiking van de diploma's Art. 47.De graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 14, 18, 19, 22 en 23 van het decreet en de diploma's of getuigschriften die deze bekrachtigen, worden uitgereikt ofwel door de beraadslagingscommissies van de hogere kunstscholen, ofwel door de examencommissies voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap. De diploma's uitgereikt door de examencommissies van de hogere kunstscholen worden door de directeur en door de leden van de beraadslagingscommissie ondertekend. Ze worden bovendien door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend. De diploma's uitgereikt door een examencommissie voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, worden door de voorzitter en de leden van de commissie ondertekend en door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend. Naar aanleiding van de medeondertekening bedoeld in de leden 2 en 3, kan een recht, waarvan het bedrag door de Regering wordt vastgesteld, worden geheven. TITEL VII. - Controle van de kwaliteit Art. 48.Na het advies van de Hoge Kunstraad te hebben ingewonnen, zoals bepaald bij het decreet, stelt de Regering de nadere regels en de procedures vast voor de controle van de kwaliteit van het onderwijs verstrekt in de hogere kunstscholen. TITEL VIII. - Regelmatig ingeschreven en financierbare studenten Art. 49.Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van dit decreet, is de student die regelmatig in een hogere kunstschool ingeschreven is, de student die voldoet aan de toegangsvoorwaarden bedoeld bij de wets- en verordeningsbepalingen terzake en die ingeschreven is op de wijze voorgeschreven voor het geheel van de voorgeschreven en goedgekeurde onderwijsactiviteiten van een bepaalde afdeling en die deze activiteiten regelmatig volgt om, in voorkomend geval, op het einde van het academiejaar, de rechtsgevolgen te kunnen genieten die verbonden zijn met het slagen voor de examens. In het kader van een samenwerkingsovereenkomst, komt de regelmatig ingeschreven student bedoeld in lid 1 in aanmerking voor de financiering alleen wanneer die overeenkomst door de Regering wordt goedgekeurd. Art. 50.Er wordt met een enkele regelmatige inschrijving per student rekening gehouden op de datum van 1 februari van het vorige schooljaar of academiejaar. Art. 51.Onder de regelmatig ingeschreven studenten, worden voor de financiering niet in aanmerking genomen : 1° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in hetzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling in het hoger kunstonderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;2° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar in het hoger onderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;3° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling, of elke andere studieonderafdeling in hetzelfde vak, in een onderwijssysteem dat ressorteert onder het hoger onderwijs in België of in het buitenland, met uitzondering van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;4° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar of elke andere studieonderafdeling, ongeacht het vak, in een Belgisch of buitenlands hoger onderwijssysteem, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;5° de studenten die zich laten inschrijven voor studies die toegang verschaffen tot één van de graden bedoeld in de artikelen 7, 13, 18 en 22 van het decreet, terwijl ze binnen de vijf jaar die voorafgaan aan de aanvraag om inschrijving, dit zijn twee van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP, dit zijn twee academische graden bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, dit zijn twee graden bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, dit is één van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP en een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4 van het voormelde decreet van 5 september 1994 of een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995, dit is een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het voormelde decreet van 5 september 1994 en een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995. DERDE DEEL. - FINANCIERING VAN HET ONDERWIJS TITEL I. - Omkadering Art. 52.De omkadering van de studenten wordt in betrekkingseenheden uitgedrukt. De omkadering wordt, per gebied en per type, berekend op grond van de optelling van een forfaitair deel toegekend voor een eerste schijf van financierbare studenten en van evenredige delen gelijk aan het product van het aantal financierbare studenten voor een tweede of een derde schijf en specifieke coëfficiënten bepaald in artikel 53. Het aldus bepaalde betrekkingseenheden wordt toegekend aan de hogere kunstschool voor een jaar. Art. 53.Voor de berekening van de omkadering van de hogere kunstscholen, zijn de omkaderingsnormen, uitgedrukt in betrekkingseenheden, de volgende : Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 23 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,9. Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldig met 0,08;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,06. Gebied van de muziek : 1° Voor de eerste 150 studenten : 26 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,17.3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,15. Gebied van de toneelkunst en de woordkunsten en gebied van de danskunst : 1° Voor de eerste 75 studenten : 12 betrekkingseenheden;2° Van 76 tot 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 22 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,08. Per gebied, wanneer de uitkomst van de berekening de breuk van een eenheid omvat, wordt zij naar de hogere eenheid afgerond, wanneer zij gelijk is aan of hoger is dan vijf tienden, en naar de lagere eenheid, in de andere gevallen. Op het gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten, stelt de Regering de bijzondere bepalingen vast die van toepassing zijn in het kader van de overgang van het korte type naar het lange type. Art. 54.§ 1. De omkadering toegekend aan de hogere kunstscholen is de uitkomst van de optelling van twee delen : een historisch deel en een variabel deel. § 2. De waarde van het historisch deel wordt om de 5 jaar vastgesteld. Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voor elke instelling werd toegekend gedurende het academiejaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de omkadering wordt berekend. Ze wordt elk jaar gewogen met een degressieve coëfficiënt : 1 voor het eerste jaar, 0.75 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.25 voor het vierde jaar; 0 voor het vijfde jaar. § 3. De waarde van het variabel deel wordt om de vijf jaar vastgesteld. Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voortvloeien uit de in artikel 53 bepaalde berekening van de omkadering. Ze wordt elk jaar gewogen met een progressieve coëfficiënt : 0 voor het eerste jaar, 0.25 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.75 voor het vierde jaar; 1 voor het vijfde jaar. Het variabel deel wordt echter niet gewijzigd zolang het - positieve of negatieve - verschil tussen het gemiddelde bepaald in paragraaf 4 en het gemiddelde berekend voor de laatste toekenning van de omkadering lager is dan 5 %. § 4. Het aantal financierbare studenten die in aanmerking komen voor de berekening van het variabel deel is gelijk aan het gemiddelde van het aantal financierbare studenten van de vijf academiejaren die voorafgaan aan die waarvoor de omkadering wordt berekend. § 5. In afwijking van het tweede lid van de tweede paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is de waarde van het historisch deel gelijk aan het aantal omkaderingseenheden toegekend voor elke instelling gedurende het jaar 2000-2001. In afwijking van de vierde paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is het aantal financierbare studenten van de academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, gelijk aan het gemiddelde van de financierbare studenten van de academiejaren 1995-1996, 1996-1997, 1997-1998, 1998-1999 en 1999-2000. Dat aantal wordt referentiebevolking genoemd. In afwijking van de derde paragraaf, indien het gemiddelde aantal financierbare studenten van een gebied gedurende de laatste vijf jaren, in het vijfde toepassingsjaar van dit decreet, met meer dan 10 % afwijkt van het gemiddelde aantal financierbare studenten van datzelfde gebied gedurende de academiejaren 1995-1996 tot 1999-2000, dient de Regering een verslag aan de Raad van de Franse Gemeenschap in samen met een voorstel tot eventuele wijziging van de coëfficiënten bedoeld in artikel 53 voor dat gebied. TITEL II. - Vaststelling van de personeelsformatie Art. 55.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het lange type rekening met de volgende regels in verband met het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraars en begeleiders zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 60 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 80 % van dit aantal;2° Het aantal betrekkingseenheden van assistent zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 5 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 40 % van dit aantal;3° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingen.Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars en begeleiders mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar en begeleider zoals bepaald in lid 1 van dit artikel. Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar of begeleider, een tijdelijke aanstelling of een tijdelijke werving in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen. Art. 56.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het korte type rekening met de volgende regels voor het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet lager zijn dan 85 % van het totaal aantal betrekkingseenheden; 2 ° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingseenheden. Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in lid 1 van dit artikel. Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen. Art. 57.Elke hogere kunstschool staat onder leiding van een directeur, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid wordt toegekend. Een hogere kunstschool die ten minste 500 financierbare studenten telt, krijgt een betrekking van adjunct-directeur toegewezen, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid voor vijf jaar wordt toegekend. TITEL III. - Sociale subsidies Art. 58.De Franse Gemeenschap komt, door middel van jaarlijkse subsidies, sociale subsidies genoemd, tegemoet in de financiering van de sociale behoeften van de studenten. Art. 59.De sociale subsidies worden berekend op grond van het aantal financierbare studenten op 1 februari van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat. Er wordt een bedrag van 52,33 euro toegekend, per financierbare student, voor de financiering. Dat bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen. De sociale subsidies worden driemaandelijks uitbetaald. De sociale subsidies worden aangewend voor de rechtstreekse of onrechtstreekse sociale hulpverlening aan de studenten, voor de steunverlening aan de sociale diensten en oriëntatiediensten voor studenten. Tien percent van de sociale subsidies wordt toegekend aan de werking van de studentenraad. Art. 60.Vóór 1 december, maakt de sociale raad een begroting op voor het volgende begrotingsjaar, na het advies van de studentenraad te hebben ingewonnen. De begroting maakt een onderscheid tussen de verrichtingen die ten laste zijn van de allocaties van het lopende begrotingsjaar en de verrichtingen die ten laste zijn van de saldi van de vorige begrotingsjaren. De sociale raad voert een volledige boekhouding. Hij legt jaarlijks zijn boekhouding en zijn rekeningen voor aan de verificateur van de Franse Gemeenschap. VIERDE DEEL. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. -

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art. 61.Deze bepalingen zijn van toepassing op : 1° de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen en op de gesubsidieerde leden van de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde hogere kunstscholen.2° de inrichtende machten van die scholen. Ze zijn niet van toepassing op de (hoog)leraars godsdienst. Onder « godsdienst », dient te worden verstaan één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ze zijn niet van toepassing op het contractueel personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen, noch op het personeel dat, in de gesubsidieerde hogere kunstscholen, geen wedde-subsidie ten laste van de Franse Gemeenschap ontvangt. HOOFDSTUK II. - Definities die specifiek zijn voor de statutaire begrippen Art. 62.Voor de toepassing van dit decreet dient te worden onder : 1° werkelijk gepresteerde diensten : diensten gepresteerd door het personeelslid dat een hoofdambt uitoefent in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, terwijl het zich bevindt in de administratieve of dienststanden, in de standen dienstactiviteit of terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;2° mutatie : overdracht, binnen hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net;3° wijziging van affectatie : de reaffectatie, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net of een ander net;4° opdrachtuitbreiding : de procedure volgens welke de inrichtende macht de opdracht van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid, van een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven is, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen of in hetzelfde ambt en andere toe te kennen cursussen en in verhouding tot een maximale volledige opdracht in tijdelijk verband voor onbepaalde tijd;5° nuttige ervaring in het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in het onderwijs werden gepresteerd in een ambt van bestuurs- en onderwijzend personeel;6° nuttige ervaring buiten het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in de privé- of overheidssector werden gepresteerd, dit is de ervaring opgedaan door de uitoefening van een kunstberoep of een kunstpraktijk. De Regering richt een commissie voor de erkenning van die nuttige ervaring op en stelt er de samenstelling vast. De Regering bepaalt de regels volgens welke die nuttige ervaring wordt erkend; 7° wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten : de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;8° koninklijk besluit van 28 september 1984 : het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK III. - Wervingscommissies Art. 63.De wervingscommissies worden belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de toe te kennen betrekkingen en mandaten. Art. 64.Er kunnen zoveel wervingscommissies zijn als er toe te kennen posten zijn. Ze zijn niet vast. Art. 65.De wervingscommissies delen een met redenen omkleed advies over de kandidaturen mede aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. Art. 66.§ 1. De wervingscommissies zijn samengesteld als volgt : 1° een voorzitter : de directeur van de hogere kunstschool;2° minstens 4 leden die behoren tot het onderwijzend personeel van de hogere kunstschool. § 2. Deskundigen die niet behoren tot de hogere kunstschool kunnen daar zitting hebben. Hun aantal kan echter niet hoger zijn dan het aantal vertegenwoordigers van de interne personeelsleden van de hogere kunstschool. De deskundigen worden door de Regering of de inrichtende macht aangesteld, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Art. 67.De adviezen worden met volstrekte meerderheid uitgebracht; de onthoudingen komen niet in aanmerking in het quorum. TITEL II. - Ambten - opdrachten en betrekkingen HOOFDSTUK 1. -

Art. 68

.Voor de toepassing van dit decreet, kunnen de bekwaamheidsbewijzen van de personeelsleden diploma's, getuigschriften en jaren nuttige ervaring zijn overeenkomstig de geldende wetgeving. De Regering stelt de schalen van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel vast. HOOFDSTUK

  1. - De ambten en opdrachten Afdeling
  2. - De ambten en opdrachten van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het lange type Art. 69.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen kunnen uitoefenen in de opleiding van het lange type, worden hierna bepaald : 1° Assistent 2° Lector 3° Begeleider 4° (hoog)leraar 5° Adjunct-directeur 6° Directeur. Art. 70.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die altijd als hoofdambt worden uitgeoefend, worden de ambten vermeld in artikel 69 van dit decreet ofwel als hoofdambt ofwel als bijambt uitgeoefend met inachtneming van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Art. 71.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die ambten met volledige prestaties zijn, zijn de ambten vermeld in artikel 69 ambten met volledige of onvolledige prestaties met inachtneming van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april
  3. Art. 72.§
  4. De prestaties van de assistenten omvatten de steunverlening aan en de begeleiding van de studenten alsook de onderzoeksactiviteiten. Ze zijn niet verantwoordelijk voor een cursus maar werken samen met één of verschillende (hoog)leraren aan de begeleiding van kunstonderwijsactiviteiten. Ze mogen zich voor een vorming inzake gespecialiseerde kunststudies bedoeld bij het decreet laten inschrijven en tegelijk hun ambt van assistent uitoefenen. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een assistent omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in tienden van een opdracht. §
  5. De prestaties van de lectoren omvatten onderwijsactiviteiten van theoretische, technische of artistieke aard. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een lector omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. §
  6. Het ambt van begeleider is een ambt dat specifiek is voor het muziek- en dansonderwijs. Naast de begeleiding aan de klavecimbel van studenten, neemt de begeleider een pedagogische opdracht bij dezelfde studenten waar. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een begeleider omvat 16 uren per week. Ze is deelbaar in zestienden van een opdracht. §
  7. De (hoog)leraars zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en voor de evaluatie van de studenten. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een (hoog)leraar omvat 12 uren per week. Ze is deelbaar in twaalfden van een opdracht. §
  8. De directeur van een hogere kunstschool is de afgevaardigde van de inrichtende macht of van de Regering en voert zijn beslissingen uit. Hij is, samen met de adjunct-directeur in voorkomend geval, belast met de verwezenlijking van het pedagogisch project en met het dagelijks beheer van de instelling. De adjunct-directeur vervangt de directeur bij diens afwezigheid. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een directeur en een adjunct-directeur omvat 36 uren per week. Ze is volledig en deelbaar. Art. 73.De directeur kan een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst. De duur van die afwezigheid mag niet langer zijn dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de tijdens zijn afwezigheidperiode niet gepresteerde uren in te halen. Na het met redenen omklede advies van de inrichtende macht te hebben ingewonnen, kan de Regering een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst voor een periode die langer is dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren goed te maken. Gedurende de afwezigheid van het personeelslid bedoeld in de leden 1 en 2, wordt dat personeelslid geacht zich in dienstactiviteit te bevinden. De leden van het onderwijzend personeel die een ambt uitoefenen dat overeenstemt met ten minste de helft van de volledige prestaties presteren gemiddeld in het academiejaar twee bijkomende wekelijkse uren om activiteiten in verband met het onderwijs, zoals bepaald in artikel 3 van het decreet, uit te oefenen. Voor de personeelsleden waarvan de opdracht lager is dan de helft van de volledige prestaties, worden die bijkomende prestaties tot één uur herleid. Die bijkomende prestaties kunnen geen uitbreiding van de opdracht van de cursus betekenen. Art. 74.De prestaties van de personeelsleden worden in uren van 60 minuten uitgedrukt. Afdeling
  9. - De ambten en opdrachten van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het korte type Art. 75.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen kunnen uitoefenen, in de opleiding van het korte type, worden hierna bepaald : 1° Lector 2° (hoog)leraar 3° Adjunct-directeur 4° Directeur Art.
  10. Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die altijd als hoofdambten worden uitgeoefend, worden de ambten vermeld in artikel 75 ofwel als hoofdambt ofwel als bijambt uitgeoefend, met inachtneming van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Art. 77.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die ambten met volledige prestaties zijn, zijn de prestaties vermeld in artikel 75 ambten met volledige prestaties of met onvolledige prestaties, met inachtneming van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april
  11. Art. 78.§
  12. De prestaties van de lectoren omvatten onderwijsactiviteiten van theoretische, technische of artistieke aard. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een lector omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. §
  13. De (hoog)leraars zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en de evaluatie van de studenten. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een (hoog)leraar omvat 16 uren per week. Ze is deelbaar in zestienden van een opdracht.. §
  14. De directeur van een hogere kunstschool is de afgevaardigde van de inrichtende macht of van de Regering en voert zijn beslissingen uit. Hij is, samen met de adjunct-directeur in voorkomend geval, belast met de verwezenlijking van het pedagogisch project en voor het dagelijks beheer van de instelling. De adjunct-directeur vervangt de directeur bij diens afwezigheid. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een directeur en een adjunct-directeur omvat 36 uren per week. Ze is volledig en ondeelbaar. Art. 79.De directeur kan een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst. De duur van die afwezigheid kan niet langer zijn dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren in te halen. Na het met redenen omkleed advies van de inrichtende macht te hebben ingewonnen, kan de Regering een onderwijzend personeelslid ertoe machtigen, om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst, afwezig te zijn voor een periode die langer is dan twee weken. Het onderwijzend personeelslid moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren in te halen. Gedurende de afwezigheid van het personeel bedoeld in de leden 1 en 2, wordt het geacht zich in dienstactiviteit te bevinden. De leden van het onderwijzend personeel die een ambt uitoefenen dat overeenstemt met ten minste de helft van de volledige prestaties, presteren in het academiejaar gemiddeld twee bijkomende wekelijkse uren prestaties om activiteiten in verband met het onderwijs bedoeld in artikel 3 van het decreet uit te oefenen. Voor deze waarvan de opdracht lager is dan de helft van de volledige prestaties, worden die bijkomende prestaties tot één uur herleid. Die bijkomende prestaties kunnen geen uitbreiding van de lessenopdracht uitmaken. Art. 80.De prestaties van de personeelsleden worden in uren van 60 minuten uitgedrukt. HOOFDSTUK
  15. - De taken Art. 81.De (hoog)leraars, in het onderwijs van het lange of het korte type, kunnen ontheven worden van een deel van hun onderwijsactiviteiten, in verhouding tot hoogstens een halve opdracht met volledige prestaties, om een specifieke taak tot verwezenlijking van een aspect van het pedagogisch en artistiek project binnen de hogere kunstschool te vervullen. In dat geval, blijft de (hoog)leraar meegerekend in het aantal betrekkingseenheden dat aan de hogere kunstschool toegekend is zoals bepaald in artikel 52 van dit decreet. HOOFDSTUK
  16. - De bekwaamheidsbewijzen Art. 82.§
  17. Voor het onderwijs betreffende de algemene vakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar uitoefenen indien hij geen houder is van een diploma van doctor, licentiaat toegekend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, of industrieel ingenieur of architect, of van een bekwaamheidsbewijs van universitair niveau uitgereikt door een georganiseerde of gesubsidieerde hogeschool of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald. Voor het onderwijs betreffende de kunstvakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent uitoefenen, indien hij geen houder is van een diploma uitgereikt door een instelling voor hoger kunstonderwijs of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald. Voor het onderwijs betreffende de technische vakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar of assistent uitoefenen indien hij geen houder is van een diploma uitgereikt door een instelling voor hoger onderwijs of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald. §
  18. Na het gunstig advies van een door haar op te richten Commissie te hebben ingewonnen, kan de Regering aanvaarden dat een professionele, wetenschappelijke of artistieke beroemdheid in verband met het toe te kennen ambt en de toe te kennen cursussen, zou gelden als een bekwaamheidsbewijs vereist in §
  19. De Commissie geeft haar advies op grond van een dossier dat de kandidaat indient. Dat dossier omvat inzonderheid de documenten betreffende de artistieke loopbaan, de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten, de nuttige ervaring in het beroep en in het kunstonderwijs en de kunstpraktijk, de vermelding van de wetenschappelijke of kunstpublicaties en pedagogische werken alsook het bewijs van diverse ervaringen. Er wordt een Commissie « beroemdheid » opgericht voor elk gebied, die inzonderheid bestaat uit deskundigen die door de Regering aan te stellen zijn, waarvan de helft op de voordracht van de Hoge Kunstraad. §
  20. De bekwaamheidsbewijzen bedoeld in § 1 kunnen ook buitenlandse bekwaamheidsbewijzen zijn die als gelijkwaardig erkend zijn met toepassing van de wet van 19 maart 1971 of van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 of ermee gelijkgesteld met toepassing van artikel 4 quater van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april
  21. Art. 83.Onder vereist bekwaamheidsbewijs wordt het bekwaamheidsbewijs verstaan, zoals bepaald in artikel
  22. Bij gebrek aan kandidaten die houder zijn van de vereiste bekwaamheidsbewijzen, kan voor individuele gevallen afwijking worden verleend door de Regering, na het met redenen omkleed advies van de Hoge Kunstraad te hebben ingewonnen. TITEL III. - De leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen HOOFDSTUK I. - Plichten en onverenigbaarheden Afdeling
  23. - Plichten Art. 84.De personeelsleden moeten in alles steeds de belangen van de Franse Gemeenschap en van het onderwijs van de Franse Gemeenschap behartigen. Art. 85.Zij komen persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten en verordeningen. Zij voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid. Art. 86.Zij moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met het publiek en met de studenten. Zij moeten elkaar bijstaan in de mate waarin het belang van de hogere kunstschool zulks vereist. Zij moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt vermijden. Art. 87.Zij moeten in de uitoefening van hun ambt de principes in acht nemen betreffende de neutraliteit van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. Zij mogen de studenten niet gebruiken voor doeleinden inzake propaganda of commerciële reclame. Art. 88.Zij moeten, binnen de perken gesteld door de reglementen, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de hogere kunstschool. Zij mogen zonder voorafgaande toelating de uitoefening van hun ambt niet onderbreken. Art. 89.Het is hun verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn. Art. 90.Het is hun verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel te vragen, te eisen of aan te nemen. Art. 91.Zij mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid. De uitoefening van de rechten van het Belgische en Europese staatsburgerschap, die de personeelsleden bezitten, wordt steeds geëerbiedigd. Art. 92.Onverminderd de toepassing van de strafwetten, wordt iedere overtreding van deze bepalingen, naar vereisten van het geval, gestraft met een van de bij artikel 171 gestelde tuchtstraffen. Art. 93.Artikel 92 is niet van toepassing op de tijdelijk aangestelde personeelsleden. Afdeling
  24. - Onverenigbaarheden Art. 94.Elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van hun ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. Art. 95.Met de hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar, elke activiteit die door de echtgenoot of door een tussenpersoon wordt verricht en die in strijd is met de waardigheid van het ambt. Art. 96.De Regering stelt de onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 94 en 95 vast. Hij brengt er het betrokken personeelslid op de hoogte van door middel van een aangetekend schrijven binnen een termijn van vijf dagen met ingang van de dag waarop zij de onverenigbarheid vaststelt. Art. 97.De bij artikel 183 ingestelde raad van beroep neemt kennis van de beroepen inzake onverenigbaarheid ingediend door de personeelsleden. HOOFDSTUK II. - Werving Afdeling
  25. -

Art. 98.§ 1.

De personeelsleden worden tijdelijk aangesteld, in vast verband benoemd of krijgen een mandaat door de Regering toegewezen. §

  1. De personeelsleden worden door de Regering aangeworven na advies van de daartoe opgerichte wervingscommissie, overeenkomstig de artikelen 15 en 63 tot
  2. De kandidaten voor het mandaat van lector zijn niet bedoeld bij §
  3. Art. 99.De personeelsformatie wordt aan de Regering ter goedkeuring voorgelegd door de directeur van de hogere kunstschool, na advies van de pedagogische beheersraad. Die personeelsformatie wordt jaarlijks vastgesteld. De werving, de benoeming en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking worden door de directeur van de hogere kunstschool aan de Regering voorgedragen, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Uiterlijk voor 15 februari van elk jaar zendt de directeur van de hogere kunstschool aan de Regering de lijst over van de vacante betrekkingen en van de mandaten die hij gedurende het volgende academiejaar wenst toe te kennen. De Regering maakt uiterlijk voor 30 juni het aantal betrekkingseenheden bekend die toegekend zijn aan de hogere kunstschool voor het volgende academiejaar. Art. 100.In de loop van de maand maart, maakt de Regering een oproep tot de kandidaten voor elke toe te kennen vacante betrekking in het Belgisch Staatsblad bekend. Die betrekkingen zijn toegankelijk voor de personeelsleden die door mutatie of opdrachtuitbreiding vastbenoemd zijn, de personeelsleden die voor onbepaalde tijd door opdrachtuitbreiding tijdelijk aangesteld zijn en voor de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling. Art. 101.In de loop van de maand maart, maakt de Regering een oproep tot de kandidaten voor elk toe te kennen mandaat in het Belgisch Staatsblad bekend. De mandaten van directeur en adjunct-directeur zijn toegankelijk voor de in vast verband benoemde personeelsleden, de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden, de voor bepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden en iedere kandidaat die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 121 en
  4. Art. 102.Voor de werving van de (hoog)leraars, begeleiders en assistenten, bepaalt de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep : 1° het toe te kennen ambt en de toe te kennen cursussen;2° het volume van de opdracht;3° de in te dienen dossiers, die inzonderheid de documenten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld in artikel 68, de vermelding van de wetenschappelijke publicaties en het bewijs van verschillende beroepservaringen omvatten;4° het in te dienen pedagogisch en artistiek project betreffende de toe te kennen cursus;5° de vorm en de termijn vereist voor de indiening van de in 3° en 4° bedoelde dossiers en projecten;6° de vorm en de termijn vereist voor de eventuele voordracht van de kandidaat voor de wervingscommissie. Voor de werving van de directeurs en adjunct-directeurs, bepaalt de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep : 1° de aard van het mandaat en, in voorkomend geval, de toe te kennen onderwijsactiviteiten;2° het volume van de opdracht;3° de in te dienen dossiers, die inzonderheid de documenten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld in artikel 68, de vermelding van de wetenschappelijke publicaties en het bewijs van verschillende beroepservaringen omvat;4° het in te dienen pedagogisch en artistiek project betreffende het toe te kennen mandaat;5° de vorm en de termijn vereist voor de indiening van de in 3° en 4° bedoelde dossiers en projecten;6° de vorm en de termijn vereist voor de eventuele voordracht van de kandidaat voor de wervingscommissie. Art. 103.De kandidaat die naar verschillende betrekkingen solliciteert, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elk van die in. Op straffe van nietigheid worden de kandidaturen bij de Regering door middel van een ter post aangetekend schrijven ingediend. Voor de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling, verdeelt de Regering de ontvangen kandidaturen over twee lijsten : de ene bestaat uit de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 102, de andere uit de kandidaten die niet voldoen aan die bepalingen, en zendt zij de kandidaturen aan de betrokken directeurs van de hogere kunstscholen. Art. 104.§
  5. De kandidaturen voor de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 102 worden door de wervingscommissie onderzocht. Die commissie onderzoekt de pedagogische en artistieke projecten van de kandidaten. Nadat de projecten zijn onderzocht, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel gesprek. De wervingscommissie deelt een met redenen omkleed advies voor iedere kandidaat aan de pedagogische beheersraad mede. De directeur zendt het verslag, samen met het advies van de pedagogische raad, aan de Regering over. Voor de betrekkingen van (hoog)leraar en begeleider, is de wervingscommissie er echter toe gehouden bij voorrang de aanvragen om verandering van dienstaanwijzing van de personeelsleden van de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap te onderzoeken. §
  6. Wanneer de pedagogische beheersraad vaststelt dat geen kandidaat voor de betrokken betrekking in aanmerking kan komen, kan de directeur aan de Regering voorstellen een afzonderlijke oproep in het Belgisch Staatsblad , te allen tijde gedurende het academiejaar, bekend te maken. Die oproep vermeldt de elementen van de oproep bedoeld in artikel 102, waarbij de karakteristieken die vereist zijn voor de toe te kennen betrekking worden opgenomen. Art. 105.§
  7. Wanneer een hogere kunstschool de vervanging wenst uit te voeren van een onderwijzend personeelslid, stelt haar directeur, na advies van de wervingscommissie, dan na advies van de pedagogische beheersraad, aan de Regering voor, een persoon aan te stellen in afwijking van de procedure bedoeld in de artikelen 100 en
  8. Die aanstelling eindigt bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en ieder geval op het einde van het academiejaar waarin de aanstelling plaatsvond. Die aanstelling kan geenszins aanleiding geven tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. §
  9. Wanneer de hogere kunstschool een betrekking wenst toe te kennen die vacant wordt na de bekendmaking van de oproep bedoeld in de artikelen 100 en 101, is de procedure bedoeld in lid 1 van § 1 van toepassing. Die aanstelling kan geenszins leiden tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. Afdeling
  10. - Tijdelijke aanstelling Onderafdeling
  11. -

Art. 106

.Elke aanstelling is schriftelijk en vermeldt tenminste : 1° de identiteit van het personeelslid;2° het uit te oefenen ambt alsook de karakteristieken en het volume van de opdracht;3° de datum van indiensttreding;4° de datum waarop de aanstelling eindigt voor de aanstelling voor bepaalde tijd;5° of de betrekking vacant is verklaard overeenkomstig de oproep bedoeld in de artikelen 100 en 101;6° indien de betrekking niet vacant is, de identiteit van de titularis. Aan het tijdelijk personeelslid wordt een schriftelijke akte uitgereikt waarin de meldingen bedoeld in lid 1 worden opgenomen. Bij gebrek aan schriftelijke documenten, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn in het ambt, de opdracht en de betrekking die hij werkelijk bekleedt. Hij wordt, naargelang van het geval, geacht, aangesteld te zijn voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd. Art. 107.Op het einde van elke activiteitsperiode, zendt het personeelslid aan het tijdelijk personeelslid een attest over met vermelding van de gepresteerde diensten per uitgeoefend ambt, met de datums van het begin en het einde, alsook het volume van de opdracht en de sociale documenten. Art. 108.§ 1. Voor elke betrekking in het ambt van (hoog)leraar of begeleider die vacant verklaard werd volgens de procedure bedoeld in artikel 100, worden de tijdelijke aanstellingen door de Regering uitgevoerd. Ze geschieden eerst voor een bepaalde tijd, hoogstens één academiejaar. Die aanstelling voor bepaalde tijd kan worden verlengd voor hoogstens één academiejaar. Op het einde van de aanstelling(

  1. en)bedoeld in lid 1, wordt het personeelslid dat opnieuw wordt aangesteld, voor een onbepaalde tijd aangesteld, voor zover het personeelslid een hoofdambt bekleedt. De aanstelling voor onbepaalde tijd kan echter alleen plaatsvinden als de gecumuleerde duur van de aanstellingen voor bepaalde tijd ten minste één academiejaar bedraagt. § 2. Voor elke betrekking in het ambt van assistent die vacant wordt verklaard volgens de procedure bedoeld in artikel 101 worden de tijdelijke aanstellingen door de Regering uitgevoerd. Ze geschieden voor een termijn van één academiejaar, die op het gebied van muziek vijf keer kan worden vernieuwd, en voor een termijn van twee academiejaren die op de andere gebieden twee keer kan worden vernieuwd. Art. 109.Niemand kan tijdelijk worden aangesteld indien hij op het ogenblik van die aanstelling de volgende voorwaarden niet vervult : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens een door de Regering toe te kennen afwijking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt, zoals bepaald in artikel 82;4°
  2. a)als het gaat om een aanstelling voor bepaalde tijd, bij de indiensttreding, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;
  3. b)als het gaat om een aanstelling voor onbepaalde tijd, een medisch onderzoek hebben ondergaan waaruit blijkt dat de door de Regering vastgestelde voorwaarden inzake lichamelijke geschiktheid vervuld zijn;5° de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling naleven;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten. Bij zijn eerste aanstelling in het onderwijs, legt het personeelslid de eed af met de woorden bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Onderafdeling 2. - Aanstelling voor bepaalde tijd van (hoog)leraars en begeleiders Art. 110.Niemand kan tijdelijk aangesteld worden in een ambt van (hoog)leraar of begeleider, indien hij bij die aanstelling, naast de voorwaarden bepaald in artikel 109, niet voldoet aan de volgende bepalingen : 1° een pedagogisch en artistiek project indienen en voorstellen aan de wervingscommissie;2° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van vijf jaar in een kunstpraktijk voor de betrekkingen van (hoog)leraar kunstvakken en begeleider;3° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van twee jaar voor de betrekkingen van (hoog)leraar technische vakken. De nuttige ervaring buiten het onderwijs, bedoeld in lid 1, 2° en 3°, moet verband houden met de toe te kennen cursus. Art. 111.§ 1. Uiterlijk op het einde van de examenzittijd van juni, maakt de directeur van de hogere kunstschool een rapport op over de manier waarop het personeelslid zijn taak heeft vervuld. Dat rapport, door betrokkene geviseerd en gedateerd, wordt aan de Regering overgezonden. Het personeelslid ontvangt er een afschrift van. Het rapport draagt, naargelang van het geval, één van de volgende vermeldingen : « heeft voldaan », « heeft gedeeltelijk voldaan », « heeft niet voldaan ». Indien het door de directeur opgemaakte rapport de vermelding « heeft voldaan » draagt en het personeelslid dat een vacante betrekking bezette, de verlenging van zijn aanstelling krijgt, dan is dit voor onbepaalde tijd. Die verlenging heeft de voorrang boven elke verandering van dienstaanwijzing, elke mutatie of opdrachtuitbreiding. Wanneer de directeur van de hogere kunstschool geen rapport met de vermelding « heeft voldaan » heeft opgemaakt, moet de pedagogische beheersraad het personeelslid horen voordat de directeur het rapport aan de Regering overzendt. Gedurende dat verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in dienstactiviteit zijn of in ruste gesteld van het onderwijs van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 15 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren of niet bij het verhoor verschijnt. Indien het door de directeur opgemaakte rapport de vermelding « heeft gedeeltelijk voldaan » draagt, en het personeelslid dat een vacante betrekking bezette, de verlenging van zijn aanstelling krijgt, is dit verplicht tijdelijk voor bepaalde tijd. Wanneer de betrekking op het begin van het academiejaar vacant blijft, heeft de verlenging voor hoogstens een academiejaar de voorrang boven elke verandering van dienstaanwijzing, elke mutatie of opdrachtuitbreiding. Indien het door de directeur van de hogere kunstschool opgemaakte rapport de vermelding « heeft niet voldaan » draagt, kan de Regering geenszins de aanstelling verlengen. Bij gebrek aan een rapport, wordt het personeelslid geacht een rapport met de vermelding « heeft voldaan » te hebben gekregen. § 2. Wanneer het personeelslid een rapport met de vermelding « heeft gedeeltelijk voldaan » heeft gekregen en zijn aanstelling met hoogstens één academiejaar wordt verlengd, bestaan er voor de directeur van de hogere kunstschool alleen twee beoordelingsprocedures : een rapport met de vermelding « heeft voldaan » of een rapport met de vermelding « heeft niet voldaan ». Onderafdeling 3. - Aanstelling voor bepaalde tijd van assistenten Art. 112.Niemand kan tijdelijk worden aangesteld in een ambt van assistent, indien hij, bij die aanstelling, de voorwaarden bepaald in artikel 109 niet vervult, en indien hij geen pedagogisch en artistiek project heeft ingediend en voorgesteld aan de wervingscommissie. Onderafdeling 4. - Aanstelling voor onbepaalde tijd van (hoog)leraars en begeleiders Art. 113.De Regering stelt de personeelsleden tijdelijk, voor onbepaalde tijd, op het begin van het academiejaar aan, op de voordracht van de directeur van de hogere kunstschool na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Onderafdeling 5. - Afdanking Art. 114.§ 1. De Regering kan ieder voor bepaalde tijd tijdelijk aangeworven personeelslid zonder opzeggingstermijn afdanken wegens zware tekortkoming. Als zware tekortkoming wordt beschouwd, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking tussen het personeelslid en de hogere kunstschool onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Zodra de Regering kennis heeft genomen van elementen die een zware tekortkoming kunnen uitmaken, roept de Regering bij een ter post aangetekend schrijven het personeelslid op tot een verhoor, dat ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet bij het verhoor verschijnt. § 3. Als de Regering oordeelt dat er voldoende elementen zijn die een zware tekortkoming uitmaken, kan zij de afdanking uitvoeren binnen drie dagen die volgen op de datum van het verhoor. De afdanking wordt gestaafd door het bewijs van de aangeklaagde feiten. Ze wordt aan het personeelslid meegedeeld ofwel door middel van een exploot van een deurwaarder, ofwel door middel van een ter post aangetekend schrijven, dat ingaat op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. § 4. Gedurende het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in dienstactiviteit of in ruste gesteld zijn, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en van het koninklijk besluit van 28 september 1984. Art. 115.Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen, kan de Regering de opdracht van een tijdelijk aangesteld personeelslid voor bepaalde tijd beëindigen, op een met redenen omkleed voorstel van de directeur van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Het personeelslid wordt vooraf door de directeur van de school gehoord binnen een termijn van vijf werkdagen die ingaan vanaf de dag waarop hij bij een ter post aangetekend schrijven wordt opgeroepen. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet voor het verhoor verschijnt. De directeur deelt het afdankingsvoorstel aan het personeelslid onmiddellijk nadat dit opgesteld is, mede. Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid, dat het op dezelfde dag terugzendt. Is hij van mening dat het voorstel niet verantwoord is, meldt hij dit in zijn visum, dateert het voorstel en zendt hij het binnen dezelfde termijn terug. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het afdankingsvoorstel te viseren. Is het personeelslid afwezig, dan wordt het afdankingsvoorstel hem toegestuurd bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat geldt als visum en datum. De betrokkene kan een beroep indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende. Art. 116.§ 1. De Regering kan ieder voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven personeelslid zonder opzeggingstermijn afdanken wegens zware tekortkoming. Als zware tekortkoming wordt beschouwd, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking tussen het personeelslid en de hogere kunstschool onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Zodra de Regering kennis heeft genomen van elementen die een zware tekortkoming kunnen uitmaken, roept de Regering bij een ter post aangetekend schrijven het personeelslid op tot een verhoor, dat ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet bij het verhoor verschijnt. § 3. Als de Regering oordeelt dat er voldoende elementen zijn die een zware tekortkoming uitmaken, kan zij de afdanking uitvoeren binnen drie dagen die volgen op de datum van het verhoor. De afdanking wordt gestaafd door het bewijs van de aangeklaagde feiten. Ze wordt aan het personeelslid meegedeeld ofwel door middel van een exploot van een deurwaarder, ofwel door middel van een ter post aangetekend schrijven, dat ingaat op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. § 4. Gedurende het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in dienstactiviteit of in ruste gesteld zijn, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en van het koninklijk besluit van 28 september 1984. Art. 117.Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen, kan de Regering de opdracht van een tijdelijk voor onbepaalde tijd sedert minder dan vijf jaar aangesteld personeelslid beëindigen, op een met redenen omkleed voorstel van de directeur van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. De opzeggingstermijn wordt met ten minste drie maanden verlengd vanaf het begin van elke nieuwe aanstellingsperiode van vijf jaar. Het personeelslid wordt vooraf door de directeur van de school gehoord binnen een termijn van vijf werkdagen die ingaat vanaf de dag waarop het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven wordt opgeroepen. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet voor het verhoor verschijnt. De directeur deelt het afdankingsvoorstel aan het personeelslid onmiddellijk nadat dit opgesteld is, mede. Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid, dat het op dezelfde dag terugzendt. Is hij van mening dat het voorstel niet verantwoord is, meldt hij dit in zijn visum, dateert het voorstel en zendt hij het binnen dezelfde termijn terug. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het afdankingsvoorstel te viseren. Is het personeelslid afwezig, dan wordt het afdankingsvoorstel hem toegestuurd bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat geldt als visum en datum. De betrokkene kan een beroep indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende. Afdeling 3. - Mandaten Onderafdeling 1. - Mandaten van de lectoren Art. 118.Het mandaat van de lectoren wordt hun door de Regering, op de voordracht van de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, toegewezen voor bepaalde tijd. Art. 119.Wanneer het mandaat betrekking heeft op een opdracht die gelijk is aan of hoger is dan een volledige halve opdracht, is de duur ervan beperkt tot zes maanden. In de andere gevallen is die tot negen maanden beperkt. Onderafdeling 2. - Mandaten van de adjunct-directeurs Art. 120.Het mandaat van de adjunct-directeurs wordt hun door de Regering voor een vernieuwbare periode van vijf jaar toegekend. Art. 121.Niemand kan een mandaat toegewezen krijgen om een ambt van adjunct-directeur uit te oefenen, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° bij de eerste indiensttreding in het onderwijs, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldoen aan de dienstplichtwetten;6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en aan de wervingscommissie voorleggen. Onderafdeling 3. - Mandaten van de directeurs Art. 122.Het mandaat van de directeurs wordt hun door de Regering voor een periode van vijf jaar toegekend. Dat mandaat wordt vernieuwd op grond van een evaluatie door de pedagogische beheersraad bepaald in artikel 16. Art. 123.Niemand kan een mandaat toegewezen krijgen om een ambt van directeur uit te oefenen, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° bij de eerste indiensttreding in het onderwijs, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldoen aan de dienstplichtwetten;6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en aan de wervingscommissie voorleggen. Art. 124.De kandidaturen voor en mandaat in een ambt van directeur worden onderzocht door de wervingscommissie bedoeld in artikel 15 en 63 tot 67 van dit decreet. In afwijking van artikel 66 van dit decreet, wordt die commissie voorgezeten door de directeur-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid het niet verplicht onderwijs behoort, of diens gemachtigde. De wervingscommissie beoordeelt de curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch en artistiek project. Na de projecten te hebben onderzocht, selecteert zij de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel onderhoud. De wervingscommissie dient een met redenen omkleed verslag voor iedere kandidaat aan de pedagogische beheersraad in. In afwijking van de artikelen 17 en 19 van dit decreet, wordt die pedagogische beheersraad voorgezeten door de directeur-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid het niet verplicht onderwijs behoort, of diens gemachtigde. De directeur-generaal zendt het verslag samen met het advies van de pedagogische beheersraad aan de Regering over. Onderafdeling 4. - Vervroegd einde van de mandaten van directeur en adjunct-directeur Art. 125.De Regering kan vervroegd een einde maken aan elk mandaat van een directeur of adjunct-directeur die niet behoort tot het in vast verband benoemd onderwijzend personeel overeenkomstig de afdankingsbepalingen bedoeld in de artikelen 114 tot 117 van dit decreet. Het in vast verband benoemd onderwijzend personeelslid kan bij een beslissing van de Regering van zijn mandaat van directeur of adjunct-directeur worden ontheven. Afdeling 4. - Benoeming in vast verband in een ambt van (hoog)leraar of begeleider Art. 126.Het personeelslid wordt door de Regering in vast verband benoemd in het ambt waarvoor het zich kandidaat had gesteld, in de vorm en binnen de termijn vastgesteld door de Regering, indien hij het voorwerp uitmaakte van een met redenen omklede voordracht van benoeming in vast verband die door de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, geformuleerd was. Art. 127.Niemand kan in vast verband worden benoemd, indien hij bij de benoeming in vast verband nier voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt, zoals voorgeschreven in artikel 82;4° de vereiste lichamelijke geschiktheid, zoals gecontroleerd door de administratieve gezondheidsdienst, bezitten;5° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen inzake taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° aan de dienstplichtwetten voldoen;8° tijdelijk, voor onbepaalde tijd, aangesteld of aangeworven zijn;9° die betrekking als hoofdambt bekleden;10° voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden vastgesteld door artikel 10, § 7, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en, voor de (hoog)leraars kunstvakken of technische vakken, aan de voorwaarde inzake nuttige ervaring in een kunstpraktijk of technische praktijk bedoeld in artikel 110 van dit decreet. Art. 128.De Regering benoemt in vast verband het voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelslid, dat, voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen, de grootste dienstanciënniteit, zoals bepaald in artikel 163, telt. Het personeelslid kan drie jaar dienstanciënniteit, in vast verband verkregen in een ander niveau van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, laten gelden voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in lid 1. Afdeling 5. - Opdrachtuitbreiding Art. 129.Wanneer de in artikel 100 bedoelde betrekking, bij opdrachtuitbreiding, toegekend wordt aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is in hetzelfde toe te kennen ambt en dezelfde toe te kennen cursussen, dan geschiedt die opdrachtuitbreiding onmiddellijk als tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd. Wanneer de in artikel 100 bedoelde betrekking, bij opdrachtuitbreiding, op advies van de wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet, wordt toegekend aan een onderwijzend personeelslid dat in vast verband benoemd is binnen dezelfde instelling in hetzelfde toe te kennen ambt en andere toe te kennen cursussen waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs bezit, dan geschiedt die opdrachtuitbreiding als tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd. Afdeling 6. - Mutatie Art. 130.De kandidaten voor de mutatie, die op de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep antwoorden, dienen hun aanvraag bij de Regering in. De aanvragen om mutatie worden bij ter post aangetekend schrijven toegestuurd. In aanmerking komen, de aanvragen om mutatie die in de vorm en binnen de termijn bepaald in de oproep tot de kandidaten bedoeld in lid 1 worden ingediend. De voorlopige mutatie kan echter enkel geschieden met de instemming van de directeurs van beide betrokken scholen. Art. 131.De aanvraag om mutatie in een ambt van (hoog)leraar of begeleider wordt onderzocht door de wervingscommissie, die een advies mededeelt aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool die over de betrekking waarnaar gesolliciteerd wordt, beschikt. De directeur van de hogere kunstschool zendt aan de Regering het met redenen omklede verslag van de pedagogische beheersraad door. Art. 132.Op het einde van een academiejaar in de nieuwe hogere kunstschool, kan de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, aan de Regering voorstellen het personeelslid dat een voorlopige mutatie verkregen had, definitief aan te stellen. Zo niet, dan komt het betrokken personeelslid terug in de school waarvoor hij was aangesteld voordat hij zijn mutatie aanvroeg. Afdeling 7. - Beoordeling Art. 133.Dit hoofdstuk is toepasselijk op de in vast verband benoemde personeelsleden, met uitsluiting van de directeurs en de adjunct-directeurs. Art. 134.Voor ieder personeelslid wordt bij het hoofdbestuur van het ministerie een beoordelingsdossier bijgehouden, dat uitsluitend de volgende stukken bevat : 1° de verslagen over de wijze van dienen als tijdelijke personeelsleden;2° de eventuele beoordelingsstaten;3° de bestuursnota's waarin de in verband met het ambt gunstige of ongunstige gegevens worden vermeld;4° een staat van de tuchtstraffen. Art. 135.Met uitzondering van de staat van de tuchtstraffen, wordt ieder van de stukken die worden gevoegd bij het beoordelingsdossier vooraf geviseerd door het personeelslid. Al de genoemde stukken worden genummerd en vermeld in een inventaris. Art. 136.Ieder personeelslid krijgt één van de volgende beoordelingsvermeldingen : « Goed », « Onvoldoende ». Bij gebrek aan een beoordelingsstaat wordt ieder personeelslid geacht de vermelding « goed » te hebben gekregen. Elke wijziging van een beoordelingsvermelding moet omstandig gemotiveerd worden door een speciaal verslag dat nauwkeurige, gunstige of ongunstige feiten vermeldt. Dat verslag moet worden gevoegd bij de beoordelingsstaat. Art. 137.Elke beoordelingsvermelding heeft betrekking op het academiejaar op het einde waarvan zij toegekend of behouden werd. De beoordelingsstaat wordt, in voorkomend geval, door de directeur van de hogere kunstschool ieder jaar opgesteld tussen 1 en 15 juni van elk jaar. De beoordeling wordt jaarlijks verlengd, indien, sinds het toekennen van de laatste beoordeling, geen enkel gunstig of ongunstig nieuw feit op de persoonlijke fiche werd opgetekend. De toekenning van de beoordelingsvermelding « Onvoldoende » geeft aanleiding tot een nieuwe beoordeling na een academiejaar. Er wordt ook een beoordelingsstaat opgemaakt voor ieder personeelslid dat dit aanvraagt. In dit geval, kan de beoordeling te allen tijde in het academiejaar worden opgemaakt, waarbij nooit meer dan één beoordeling kan worden opgemaakt gedurende een zelfde academiejaar. Art. 138.Met het oog op de eventuele wijziging van de beoordeling, moet een persoonlijke fiche in verband met het betrokken personeelslid de gunstige of ongunstige nauwkeurige feiten vermelden die als beoordelingsbasis kunnen dienen en die betrekking hebben op de uitoefening van het ambt of op de persoonlijke levenssfeer in haar verband met het ambt. Die persoonlijke fiche wordt, in voorkomend geval, door de directeur van de hogere kunstschool opgemaakt. Art. 139.De beoordelingsstaat wordt door de directeur voorgelegd aan het personeelslid, dat het stuk viseert en binnen tien dagen terug bezorgt, indien hij geen bezwaren heeft. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het stuk te viseren of het niet terug bezorgt na het binnen de vastgestelde termijn te hebben geviseerd. Oordeelt het personeelslid dat de hem toegekende vermelding niet gerechtvaardigd is, dan viseert hij dienovereenkomstig de beoordelingsstaat en bezorgt hem, samen met een bezwaarschrift, binnen tien dagen terug aan de directeur. Bedoeld bezwaarschrift wordt bij de beoordelingsstaat gevoegd. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het stuk te viseren of het niet terug bezorgt na het binnen de vastgestelde termijn te hebben geviseerd. Binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het bezwaarschrift geeft de directeur het betrokken personeelslid kennis van zijn beslissing. Bedoeld personeelslid viseert de beoordelingsstaat en heeft het recht, langs hiërarchische weg, een klacht neer te leggen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert de beoordelingsstaat te viseren. Art. 140.Geen enkele aanbeveling, van welke aard ook, mag in het beoordelingsdossier worden opgenomen. Ieder personeelslid mag, op welk ogenblik ook, kennis nemen van zijn beoordelingsdossier en, in voorkomend geval, er een afschrift van bekomen, mits tegemoetkoming in de kosten. Art. 141.Het model van de beoordelingsstaat en het model van de persoonlijke fiche worden door de Regering vastgelegd. Afdeling 8. - Overneming van een hogere kunstschool door een andere inrichtende macht Art. 142.§ 1. Bij overneming door de Franse Gemeenschap van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool of van een deel van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de personeelsleden die in vast verband benoemd zijn en die in dienstactiviteit zijn op het ogenblik van de overneming, krijgen van ambtswege de hoedanigheid van vast benoemd personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen een school van de Franse Gemeenschap;2° de in een hogere kunstschool benoemde hogere kunstschool, die, op het ogenblik van de overneming, een mandaat van directeur of adjunct-directeur uitoefenen, worden overgenomen in het ambt waarin zij in vast verband benoemd waren voor de uitoefening van hun mandaat;3° de diensten die, tot de datum van de overneming, werkelijk werden gepresteerd door de personeelsleden, in het onderwijs georganiseerd door de inrichtende macht die de leiding had van de door de Franse Gemeenschap overgenomen hogere kunstschool, alsook de diensten die werkelijk werden gepresteerd in een onderwijsinrichting tot de overneming ervan door boven vermelde inrichtende macht, voor zover zij in dienstactiviteit waren op het ogenblik van die overneming, worden gelijkgesteld met diensten die werkelijk werden gepresteerd als personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. De overnemingsovereenkomst die te sluiten is tussen de betrokken inrichtende macht en de Franse Gemeenschap kan aanvullende regels bij de hierboven vermelde bepalingen en, in voorkomend geval, de overnemingsvoorwaarden voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden, vaststellen. § 2. De voorwaarden voor de overneming van een hogere kunstschool of van een deel van een gesubsidieerde vrije hogere kunstschool worden vastgesteld in een overeenkomst die tussen de betrokken inrichtende machten te sluiten is. Afdeling 9. - Fusies van de hogere kunstscholen Onderafdeling 1. -

Art. 143

.De keuze tussen de betrokken personeelsleden wordt bepaald door de dienstanciënniteit en, bij gelijke dienstanciënniteit, door de ambtsanciënniteit. Bij gelijke dienst- en ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Onderafdeling 2. - Bepalingen toepasselijk op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie op gelijke voet ondergaat Art. 144.§ 1. De personeelsleden van de scholen die een fusie hebben ondergaan, worden aangesteld in de school die voortvloeit uit de fusie op gelijke voet binnen de perken van de beschikbare betrekkingen en in de volgende volgorde : 1° de leden van het onderwijzend personeel die in vast verband benoemd zijn in het ambt die zij in deze hoedanigheid uitoefenen;2° de leden van het onderwijzend personeel die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;3° de leden van het onderwijzend personeel die een voorlopige aanstelling afwachten. § 2. De in § 1, 1° bedoelde personeelsleden die kunnen worden aangesteld, worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. De in § 1, 3° bedoelde personeelsleden die geen wijziging van voorlopige aanstelling kunnen genieten, worden opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Onderafdeling 3. Bepalingen toepasselijk op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie door overneming ondergaat Art. 145.Voor de toepassing van deze onderafdeling, dient te worden verstaan onder : 1° School A : de hogere kunstschool die één of meer andere hogere kunstscholen overneemt;2° School B : de hogere kunstschool(-scholen) die wordt(

  1. en)overgenomen. Art. 146.De leden van het onderwijzend personeel van de school B die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen en de leden van het onderwijzend personeel van de school B die een wijziging van voorlopige aanstelling genieten, worden respectievelijk ter beschikking gesteld en opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de fusie. Uiterlijk de dag voor de fusie door overneming wordt een einde gemaakt aan de prestaties die de leden van het onderwijzend personeel die niet bedoeld zijn in het vorig lid in de school B uitoefenen. Art. 147.§ 1. De in de school A beschikbare betrekkingen worden, op de datum van de fusie, toegekend in de volgende volgorde : 1° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school A die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenen;2° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school A die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenen;3° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van voorlopige aanstelling genieten in de school A in het ambt waarin zij benoemd zijn;4° door verandering van voorlopige aanstelling, aan de leden van het onderwijzend personeel van de school B die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenden;5° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school B die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in hun ambt;6° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van voorlopige aanstelling genieten in de school B in het ambt waarin zij benoemd zijn. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1, 4°, die geen betrekking toegewezen kunnen krijgen, blijven ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking. De personeelsleden bedoeld in § 1, 6°, die niet voorlopig gereaffecteerd kunnen worden, worden opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Art. 148.Voor zover een vacante betrekking hun kan worden toegewezen in de school A, worden de personeelsleden bedoeld in artikel 147, § 1, 3° en 4°, in die school op de datum van de fusie gereaffecteerd. HOOFDSTUK III. - Administratieve standen van de (hoog)leraars en begeleiders Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 149.Het personeelslid bevindt zich in een van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Afdeling 2. - Dienstactiviteit Art. 150.Het personeelslid wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve stand of dienststand wordt ingedeeld. Art. 151.Behoudens uitdrukkelijke strijdige bepaling heeft het personeelslid in actieve dienst recht op wedde, en op bevordering tot een hogere wedde. Hij kan zijn aanspraken op benoeming in vast verband of op uitoefening van een mandaat van directeur of adjunct-directeur doen gelden. Hij krijgt verlof : 1) voor persoonlijke omstandigheden of aangelegenheden;2) voor verminderde dienstprestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid;3) voor verminderde dienstprestaties gemotiveerd door sociale of gezinsredenen;4) voor het vervullen van sommige militaire prestaties in vredestijd, van prestaties voor de civiele bescherming of van taken ten algemenen nutte bij toepassing van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;5) voor vakbondsopdrachten;6) voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;7) voor een politiek opdracht;8) voor onderbreking van de beroepsloopbaan;9) wegens ziekte of gebrekkigheid;10) wegens opdracht. Art. 152.De Regering stelt de vakantieregeling voor het personeel van de hogere kunstscholen vast. De personeelsleden hebben recht op minstens twaalf weken vakantie per academiejaar. Afdeling 3. - Non-activiteit Art. 153.Het personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit :
  2. a)wanneer hij onder de door de Regering te bepalen voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd verricht, of bij de civiele bescherming is ingedeeld, of met taken ten algemenen nutte belast is bij toepassing van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;
  3. b)wanneer schorsing bij tuchtmaatregel of non-activiteitsstelling bij tuchtmaatregel op hem wordt toegepast;
  4. c)wanneer hij om gezinsredenen toelating heeft gekregen tijdens een langdurige periode afwezig te blijven. Art. 154.Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling, heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op wedde. Indien hij zich in de stand non-activiteit bevindt ingevolge de bepalingen van artikel 153,
  5. b), kan hij geen aanspraken op een mandaat van directeur of adjunct-directeur doen gelden. Art. 155.Niemand kan op non-activiteit gesteld of gehouden worden op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt indien hij dertig jaar diensten telt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op pensioen. Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling Art. 156.Het personeelslid kan ter beschikking worden gesteld :
  6. a)wegens ontstentenis van betrekking;
  7. b)wegens persoonlijke aangelegenheden;
  8. c)wegens persoonlijke aangelegenheden vóór de inrustestelling;
  9. d)wegens bijzondere opdracht;
  10. e)wegens ziekte of gebrekkigheid. Art. 157.Niemand kan op non-activiteit gesteld of gehouden worden op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt indien hij dertig jaar diensten telt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op pensioen. De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op de personeelsleden die ter beschikking werden gesteld wegens bijzondere opdracht. Art. 158.Een wachtgeld kan worden verleend aan ter beschikking gestelde personeelsleden. Het wachtgeld, de uitkeringen en vergoedingen, die eventueel aan deze personeelsleden worden toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in actieve dienst. HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en gedeeltelijk opdrachtverlies Afdeling 1. - Voorafgaande bepalingen Art. 159.§ 1. Wanneer een cursus, na advies van de Hoge Kunstraad zoals bepaald door het decreet, door de Regering, op eigen initiatief of op aanvraag van de directeur van de hogere kunstschool, wordt gewijzigd, dan wordt het personeelslid dat in die cursus in vast verband benoemd is, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies indien hij geen houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor die cursus vereist is. § 2. Wanneer een onderwijsactiviteit, geheel of gedeeltelijk, niet meer wordt georganiseerd omdat geen student daar ingeschreven is of omdat het aantal studenten die daar ingeschreven zijn, verminderd is, dan wordt het met de betrokken activiteit belaste personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies. In het in lid 1 bedoelde geval, kan de Regering geen ander personeelslid aanstellen om dezelfde onderwijsactiviteit uit te oefenen. Art. 160.§ 1. Een personeelslid dat in een hoofdambt in vast verband benoemd is, wordt pas door de Regering ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies nadat, in de hierna bepaalde volgorde, een einde is gemaakt aan de diensten van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen en dezelfde cursussen verstrekken : 1° als bijambt in de hogere kunstschool;2° tijdelijk voor bepaalde tijd in de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit;3° tijdelijk voor onbepaalde tijd in de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit. § 2. Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies en uren van hetzelfde toe te kennen ambt en dezelfde toe te kennen cursussen vacant worden, moet de directeur van de hogere kunstschool die prioritair aan dat personeelslid toekennen, voordat de vacature wordt verklaard zoals bepaald in artikel 100. Wanneer een personeelslid dat een gedeeltelijk opdrachtverlies ondergaat, zich kandidaat stelt voor een vacante betrekking van het ambt waarin hij in vast verband benoemd is, maar voor andere toe te kennen cursussen waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit of waarvoor hij een artistieke, professionele of wetenschappelijke beroemdheid heeft verworven en de in artikel 100 bedoelde betrekking hem wordt toegekend met inachtneming van de in artikel 104 van dit decreet bepaalde procedure, dan wordt het personeelslid onmiddellijk definitief titularis van die cursussen. Art. 161.Nadat de in artikel 160, § 1, bedoelde bepalingen toegepast zijn, verliest het in vast verband benoemd personeelslid die de kleinste dienstanciënniteit telt zijn betrekking of een deel van zijn opdracht in het betrokken ambt of in de toe te kennen cursussen. In geval van ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies, kan het personeelslid, voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in lid 1, maximaal tien jaar dienstanciënniteit doen gelden die in vast verband in een ander niveau van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs werd verkregen. Art. 162.Bij gelijke dienstanciënniteit, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een deel van zijn opdracht. Art. 163.De dienstanciënniteit bedoeld in de artikelen 128, lid 2, 143, 160, § 1, 161, lid 1 en 162 wordt berekend op de volgende wijze : 1° alle diensten die tijdelijk in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap werden gepresteerd, komen in aanmerking voor een anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen geteld van het begin tot het einde van de gepresteerde diensten;2° de diensten die in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap in vast verband werkelijk werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties, worden per kalendermaand berekend, waarbij deze die niet de gehele maand dekken, niet in aanmerking worden genomen.3° de diensten die werkelijk werden gepresteerd in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat ten minste de helft van het in het ambt met volledige dienstprestaties vereiste aantal uren telt, worden in aanmerking genomen op dezelfde wijze als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties;4° het aantal dagen verkregen in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat dit aantal uren niet omvat, wordt met de helft verminderd;5° dertig dagen vormen één maand;6° de duur van de diensten die in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties werkelijk werden gepresteerd mag nooit langer zijn dan de duur van de diensten die werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties die gedurende dezelfde periode werden uitgeoefend;7° de duur van de door het personeelslid werkelijk gepresteerde diensten mag nooit langer zijn dan twaalf maanden voor een kalenderjaar;8° het bevallingsverlof en het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit.Voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden worden de verlofdagen alleen gedurende de aanstellingsperiode in aanmerking genomen. Afdeling 2. - Gedeeltelijk opdrachtverlies Art. 164.Wanneer een personeelslid dat een hoofdambt uitoefent, binnen de hogere kunstschoo

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.