📄 Wettekst
11 APRIL 2014. - Decreet tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs (1)
Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op het basis- en secundair onderwijs, zoals bepaald in de artikelen 2 tot 4 van het
decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.
Het is ook van toepassing op het secundair onderwijs voor sociale promotie, zoals bepaald in titel II, hoofdstuk IV, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie.
In de voorzieningen en inrichtingen die worden georganiseerd of gesubsidieerd in het kader van één van de in de vorige leden bedoelde onderwijsniveaus, met inbegrip van de internaten en opvangtehuizen, komen alleen de wervingsambten van de volgende personeelscategorieën in aanmerking : 1° het bestuurs- en onderwijzend personeel, met uitzondering van de leermeesters en leraars godsdienst;2° het paramedisch personeel;3° het sociaal personeel;4° het psychologisch personeel;5° het opvoedend hulppersoneel. Art. 2.§ 1. In het kader van dit decreet wordt verstaan onder : 1° ambt : generieke benaming die minstens het item 2°, in voorkomend geval aangevuld met de in 3° tot 6° bedoelde items, beslaat;2° basisambt : één van de in artikel 3 bedoelde benamingen;3° onderwijzend ambt : benaming voortvloeiend uit het basisambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, door aan dat basisambt een geheel van cursussen en/of activiteiten, alsook, in voorkomend geval, een rangschikking, een onderwijsniveau en een specificiteit toe te voegen;4° rangschikking : kwalificering van elk onderwijzend ambt van het secundair onderwijs met volledig leerplan, alternerend onderwijs of onderwijs voor sociale promotie, door dat ambt ofwel in de algemene vorming, ofwel in de technische of technologische vorming ofwel in de beroepspraktijk op te nemen;5° onderwijsniveau : onderscheid tussen het kleuteronderwijs, het lager onderwijs, het secundair onderwijs van de lagere graad en het secundair onderwijs van de hogere graad. Tot het secundair onderwijs van de lagere graad behoren : a) de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;b) het eerste jaar van de 2e graad van de doorstromingsafdeling bedoeld in artikel 1, § 2, 2°, a, van dezelfde wet;c) de 2e graad van de kwalificatieafdeling bedoeld in artikel 1, § 2, 2°, b, van dezelfde wet;d) het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1, 2 en 3, georganiseerd overeenkomstig het
decreet van 3 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
03/03/2004
pub.
03/06/2004
numac
2004029137
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs
sluiten houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;e) het alternerend secundair onderwijs van de 2e graad van het beroepsonderwijs overeenkomstig artikel 2, §§ 1, 2 en 3, van het decreet van 3 juli 1991 tot regeling van het alternerend secundair onderwijs;f) de afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie die in de lagere graad worden georganiseerd overeenkomstig artikel 10, § 1, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie. Tot het secundair onderwijs van de hogere graad behoren : a) de 1e graad van het gewoon secundair onderwijs bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;b) het tweede jaar van de 2e graad en de 3e graad van de doorstromingsafdeling bedoeld in artikel 1, § 2, 2°, a, van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;c) de 3e graad en de 4e graad van de doorstromingsafdeling, respectief bedoeld in artikel 1, § 2, 2°, b, en in artikel 2, § 4, van dezelfde wet;d) het alternerend secundair onderwijs, in de 3e graad georganiseerd overeenkomstig artikel 2 ter, §§ 1 en 2, van het decreet van 3 juli 1991 tot regeling van het alternerend secundair onderwijs;e) de afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie, in de hogere graad georganiseerd overeenkomstig artikel 10, § 1, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;6° specificiteit : specifieke benaming van een onderwijzend ambt dat zorgt voor de verbinding tussen de gedoceerde stof en het(de) bekwaamheidsbewijs(zen) waarvan de leerkracht die het uitoefent houder moet zijn;7° cursus : niet deelbare subdivisie van een studierooster of van een onderwijseenheid die overeenstemt met één of meer lestijden die worden opgenomen in het kapitaal-lestijden, de lestijdendotatie of het totale aantal lestijden/leerkracht dat toegekend wordt aan een onderwijsinrichting bedoeld in artikel 1;8° verbinding cursus/ambt : de verbinding, volgens in dit decreet nader bepaalde regels, tussen één of meer cursussen en één of meer onderwijzende ambten;9° bekwaamheidsbewijs : generieke benaming die tegelijk het vereiste bekwaamheidsbewijs, het voldoende bekwaamheidsbewijs of het schaarstebekwaamheidsbewijs bedoeld in 10°, 11° en 12° dekt;10° vereist bekwaamheidsbewijs : reglementaire bekrachtiging van de geschikte competentie die vereist is om een ambt uit te oefenen;11° voldoend bekwaamheidsbewijs : reglementaire bekrachtiging van de voldoende competentie die vereist is om een ambt uit te oefenen;12° schaarstebekwaamheidsbewijs : reglementaire bekrachtiging van de minimale competentie die vereist is om een ambt uit te oefenen;13° vakpersoon : die kwalificatie stemt overeen met het disciplinaire bestanddeel van een bekwaamheidsbewijs, wanneer dat bestanddeel uitsluitend bestaat in de nuttige ervaring bedoeld in artikel 20 van dit decreet, met of zonder het getuigschrift van hoger secundair onderwijs;14° ander bekwaamheidsbewijs : elke andere, al dan niet bekrachtigde, basiscompetentie, die door de in 15° bedoelde Commissie wordt erkend als een competentie die bij gebrek aan bekwaamheidsbewijzen bedoeld in 10°, 11° en 12° kan voldoen om een basisambt of een onderwijzend ambt tijdelijk uit te oefenen;15° Commissie : netoverschrijdende commissie voor de bekwaamheidsbewijzen, bepaald in hoofdstuk 5 van dit decreet;16° onderwijsnet : één van de groepen van inrichtende machten die een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan geniet zoals bedoeld in artikel 5bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;17° schoolwerkdag : maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, met uitzondering van deze die samenvallen met de schoolvakanties of elke andere schoolverlofdag;18° werkdag : maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen. § 2. Het gebruik in de Franse tekst van dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. HOOFDSTUK II. - Wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel, het sociaal personeel en het psychologisch personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen en van de ermee verbonden internaten Art. 3.§ 1. In het basisonderwijs, zijn de basisambten van de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel : 1° onderwijzer kleuteronderwijs;2° onderwijzer lager onderwijs;3° leermeester. In het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs met volledig leerplan, alsook in het alternerend onderwijs, zijn de basisambten van de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel : 1° leraar;2° begeleider in een centrum voor alternerend onderwijs en vorming. § 2. De basisambten van de categorie opvoedend hulppersoneel in het basis- en secundair onderwijs met volledig leerplan zijn : 1° opvoeder;2° opvoeder internaat voor meisjes;3° opvoeder internaat voor jongens;4° secretaris-bibliothecaris. § 3. De basisambten van de categorie paramedisch personeel in het basis- en secundair onderwijs zijn : 1° ergotherapeut;2° verpleger;3° kinesitherapeut;4° logopedist;5° kinderverzorgster. § 4. Het basisambt van de categorie sociaal personeel in het basis- en secundair onderwijs is : 1° maatschappelijk assistent. § 5. Het basisambt van de categorie psychologisch personeel in het basis- en secundair onderwijs is : 1° psycholoog. § 6. In het secundair onderwijs voor sociale promotie, zijn de basisambten van de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel : 1° leraar;2° coördinator kwaliteit;3° adviseur vorming. § 7. Het basisambt van de categorie opvoedend hulppersoneel in het secundair onderwijs en onderwijs voor sociale promotie is : 1° opvoeder-secretaris. Art. 4.Elke wijziging, oprichting, afschaffing of ver andering betreffende de categorie van een basisambt bedoeld in artikel 3 wordt vooraf voor advies aan de Commissie voorgelegd. Art. 5.De basisambten die in de §§ 1 en 6 van artikel 3 opgenomen zijn, brengen de onderwijzende ambten voort.
Het onderwijzend ambt van onderwijzer kleuteronderwijs wordt uitgeoefend op het niveau van het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, alsook in het gespecialiseerd lager onderwijs van maturiteit I en maturiteit II van type 2.
Het onderwijzend ambt van onderwijzer lager onderwijs wordt uitgeoefend op het niveau van het gewoon en gespecialiseerd lager onderwijs.
Het onderwijzend ambt van leermeester kan op de twee niveaus van het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs worden uitgeoefend, volgens de specificiteiten die worden opgenomen naast elk onderwijzend ambt zoals die overeenkomstig artikel 7 bepaald zijn.
Het onderwijzend ambt van leraar wordt uitgeoefend ofwel op het niveau van het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs van de lagere graad, ofwel op het niveau van het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs van de hogere graad, ofwel in het kader van een enig onderwijzend ambt dat tegelijk in de lagere en hogere graad van het gewoon secundair onderwijs wordt uitgeoefend.
Het onderwijzend ambt van begeleider in een centrum voor alternerend onderwijs en vorming wordt uitgeoefend in het alternerend secundair onderwijs bedoeld bij het decreet van 3 juli 1991 tot regeling van het alternerend secundair onderwijs.
Het onderwijzend ambt van leraar wordt ook uitgeoefend in het secundair onderwijs voor sociale promotie ofwel in de lagere graad ofwel in de hogere graad. Art. 6.§ 1. Elk onderwijzend ambt van leraar dat volgens de in artikel 5 bepaalde niveaus wordt uitgeoefend, wordt gerangschikt, ofwel als ambt algemene vakken (AV), ofwel als ambt niet confessionele zedenleer (NCZ), ofwel als ambt kunstvakken (KV), ofwel als ambt technische vakken (TV), ofwel als ambt beroepspraktijk (BP), ofwel als ambt psychologie-pedagogie-methodologie (PPM). § 2. De ambten van leraar die vroeger als bijzondere vakken (BV) werden uitgeoefend, worden nieuw gerangschikt als ambt algemene vakken (AV) of als ambt technische vakken (TV). § 3. De ambten van leraar die vroeger als technische vakken en vakken beroepspraktijk (TVBP) werden uitgeoefend, worden nieuw gerangschikt, deels als ambt technische vakken (TV) en deels als ambt vakken beroepspraktijk (BP). § 4. De ambten van leraar die vroeger als vakken oude talen (OT) werden uitgeoefend, worden nieuw gerangschikt als algemene vakken (AV). Art. 7.De Regering bepaalt, op advies van de Commissie, de specificiteit van elk ander onderwijzend ambt dan de begeleider centrum alternerend onderwijs en vorming, de coördinator kwaliteit en de adviseur vorming, en vermeldt daarbij : 1° alle onderwijsactiviteiten, alle cursussen die worden verstrekt in het kader van het onderwijs bedoeld in artikel 1, eerste lid en tweede lid, buiten het kleuter- en lager onderwijs, en het/de ambt(en) waarmee ze kunnen worden verbonden;2° de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de schaarstebekwaamheidsbewijzen. De besluiten die overeenkomstig dit artikel goedgekeurd zijn, worden het Parlement ter bevestiging voorgelegd binnen een termijn van twaalf maanden volgend op de goedkeuring ervan. Als die bevestiging niet wordt verleend, houden ze op uitwerking te hebben bij het verstrijken van die termijn. HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende het proces verbinding cursus/ambt Afdeling I. - Doel van het proces
Art. 8.Het proces heeft als doel : 1° voor het geheel van de onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, de bekwaamheidsbewijzen te bepalen waarvan de titularissen van onderwijzende ambten houder moeten zijn, waarbij een geheel van onderwijsactiviteiten en cursussen worden verbonden die aan één zelfde specificiteit beantwoorden;2° de toekenning en het beheer van de bevoegdheden veilig te stellen, door het vaststellen, voor elk onderwijsnet, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en elke inrichtende macht die niet bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan wordt aangesloten, bij een besluit van de Regering, van de onderwijsactiviteiten en de cursussen die een inrichtende macht met een onderwijzend ambt verbindt;3° de naleving door elke inrichtende macht van het geheel van de statutaire acties waaraan ze onderworpen is, te vergemakkelijken;4° elke sollicitant voor een betrekking in een onderwijzend ambt bij een inrichtende macht de mogelijkheid te geven om het geheel van de onderwijsactiviteiten en cursussen die deze betrekking dekt, nauwkeurig te kennen. Afdeling II. - Onderwijzende ambten waarvoor het proces verbinding
cursus/ambt wordt uitgeoefend Art. 9.Het proces verbinding cursus/ambt wordt uitgeoefend in alle onderwijzende ambten, met uitsluiting van die van het kleuter- en lager onderwijs, het ambt begeleider alternerend onderwijs en vorming en de ambten coördinator kwaliteit en adviseur vorming van het onderwijs voor sociale promotie. Afdeling III. - Administratieve procedures voor de vaststelling van de
verbinding cursus/ambt Art. 10.§ 1. De in artikel 11 bedoelde verbindingen cursus/ambt worden door de Regering vastgesteld overeenkomstig de in deze afdeling bepaalde beginselen. Die besluiten worden aan het Parlement voor bevestiging voorgelegd binnen een termijn van twaalf maanden volgend op hun goedkeuring. Als die bevestiging niet wordt verleend, houden ze op uitwerking te hebben bij het verstrijken van die termijn. § 2. Voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, worden de verbindingen cursus/ambt door de Diensten van de Regering voorafgaand voor advies voorgelegd aan de Commissie, die ze aan de Regering meedeelt.
Voor het gesubsidieerd onderwijs, worden de verbindingen cursus/ambt door de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen voorafgaand voor advies voorgelegd aan de Commissie, die ze aan de Regering meedeelt.
Voor de inrichtende machten die niet bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan aangesloten zijn, worden de werkelijke verbindingen cursus/ambt voorafgaand voor advies voorgelegd aan de Commissie en door elke inrichtende macht aan de Regering voorgelegd.
In afwijking van de vorige leden, voor de besluiten van de Regering die de verbindingen cursus/ambt, die vóór 1 september 2014 werden goedgekeurd, vaststellen, geldt het voorafgaande advies van een werkgroep waarvan de samenstelling en de werkingsregels in overeenstemming zijn met die van de Commissie, zoals bedoeld in de artikelen 42 en 47 van dit decreet, als voorafgaand advies van de Commissie. Die werkgroep wordt voorgezeten door de Minister bevoegd voor het leerplichtonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie of diens afgevaardigde.
De verbindingen die overeenkomstig het vorige lid door de Regering worden vastgesteld, worden, naarmate ze worden opgesteld, vervangen door deze die overeenkomstig artikel 39, tweede lid, 2° werden vastgesteld.
Die voorstellen moeten beantwoorden aan de voorschriften van artikel 11. Art. 11.§ 1. De verbindingen cursus/ambt zijn uniek voor alle cursussen die een rechtstreeks verband hebben met de specificiteit van een ambt zoals bepaald in artikel 2, 6° van dit decreet.
Dat rechtstreekse verband wordt gelegd op grond van de verplichte leerinhoud en de te bereiken competenties per discipline.
Die uniciteit komt, in het in artikel 10 bedoelde besluit van de Regering, tot uiting door middel van een eenduidige verbinding tussen een cursus en een onderwijzend ambt. § 2. Wanneer, op grond van de verplichte leerinhoud en van de te bereiken competenties per discipline, het rechtstreekse verband niet op eenduidige wijze kan worden gelegd tussen de cursus en het ambt, kan een multipele verbinding cursus/ambt worden voorgesteld.
Elk verbonden ambt moet een wezenlijk verband aantonen tussen de verplichte leerinhoud, de te bereiken competenties per discipline en het profiel van de bekwaamheidsbewijzen die voor elk van die ambten worden vastgesteld.
Dat wezenlijke verband kan ook worden gelegd tussen het profiel van de bekwaamheidsbewijzen van een ambt en de finaliteit van de gegroepeerde optie of de afdeling waarvan de cursus deel uitmaakt.
Die multipele verbinding cursus/ambt komt, in het in artikel 10 bedoelde besluit van de Regering, tot uiting door middel van de verbinding van één zelfde cursus met verschillende ambten. Art. 12.§ 1. Uiterlijk op 31 januari van elk schooljaar leggen de Diensten van de Regering, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, en elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan of elke in artikel 10, § 2, derde lid, bedoelde inrichtende macht de Commissie de aanvragen om wijziging van hun verbindingen cursus/ambt voor.
Elke aanvraag om overname door een net, de Franse Gemeenschap, of een inrichtende macht die niet aangesloten is bij een vertegenwoordigings- of coördinatieorgaan, van een unieke of multipele verbinding cursus/ambt die reeds wordt gebruikt door een ander onderwijsnet, de Franse Gemeenschap of een inrichtende macht die niet aangesloten is bij een vertegenwoordigings- of coördinatieorgaan, moet niet worden gemotiveerd bij de Commissie.
Naast de in het vorige lid bedoelde hypothese, moet elke aanvraag om wijziging van een bestaande unieke of multiple verbinding, aantonen dat ze de bepalingen van artikel 11 naleeft, door middel van argumenten die bij de aanvraag worden gevoegd.
De Commissie spreekt zich uit voor 15 maart van het jaar dat voorafgaat aan de inwerkingtreding die wordt aangevraagd door het onderwijsnet, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de inrichtende macht die niet aangesloten is bij een vertegenwoordigings- of coördinatieorgaan.
De bij dit artikel bepaalde procedure is alleen van toepassing op de verbindingen cursus/ambt waarvoor de verbindingen cursus/ambt die gemeenschappelijk zijn voor het geheel van de onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij het vertegenwoordigings- of coördinatieorgaan, bedoeld in artikel 39, tweede lid, 2°, van dit decreet, nog niet in werking zijn getreden. § 2. In afwijking van de vorige paragraaf, voor het onderwijs voor sociale promotie, kunnen de aanvragen om wijziging van de verbindingen cursus/ambt te allen tijde gedurende het schooljaar worden ingediend.
In dat geval beschikt de Commissie over dertig dagen om zich over het dossier uit te spreken. § 3. De datum van uitwerking van de wijziging van de in de §§ 1 en 2 bedoelde verbindingen cursus/ambt wordt vastgesteld op de eerste organisatie van het betrokken onderwijs volgend op de goedkeuring door de Regering na het door de Commissie uitgebrachte advies te hebben ingewonnen. § 4. De in § 1 vastgestelde procedure en termijnen zijn ook van toepassing bij elke invoering van een nieuwe cursus in een uurrooster of een bestaande onderwijseenheid, of bij de vaststelling van een nieuw uurrooster of een nieuwe onderwijseenheid. Art. 13.§ 1. Elke inrichtende macht moet haar verbindingen cursus/ambt opnemen in deze die in aanmerking worden genomen door het onderwijsnet waartoe ze behoort. § 2. Vanaf het schooljaar 2016-2017, met het oog op de organisatie van elk schooljaar, voor elke multipele verbinding cursus/ambt van het referentiesysteem dat op haar schoolstructuren betrekking heeft, moet elke inrichtende macht, uiterlijk op 30 juni van het voorafgaande schooljaar, haar effectieve activeringen aan het bestuur laten kennen.
De in het vorige lid bedoelde effectieve activeringen kunnen niet leiden tot de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of tot het gedeeltelijk opdrachtverlies van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid. § 3. Ongeacht de activering die door een inrichtende macht wordt uitgevoerd in het kader van een multipele verbinding cursus/ambt, moet die de aan de terbeschikkingstelling voorafgaande maatregelen en de reaffectatieregels waaraan ze onderworpen is, toepassen op het geheel van de ambten die voor die cursussen worden verbonden door het onderwijsnet waartoe het behoort. Art. 14.Op 15 januari stelt de Commissie zijn jaarlijks verslag betreffende het proces verbinding cursus/ambt op.
Dat verslag stelt inzonderheid een analyse van de multipele verbindingen cursus/ambt voor.
De Commissie stelt de Regering, met uitwerking op 1 september van het volgende schooljaar, de afschaffing voor, binnen het referentiesysteem dat eigen is aan het onderwijsnet, aan het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de inrichtende macht die niet aangesloten is bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, van elke niet geactiveerde verbinding van een multiple verbinding cursus/ambt gedurende de drie voorafgaande jaren. Het betrokken onderwijsnet, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de inrichtende macht die niet aangesloten is bij een betrokken vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, dat/die, ondanks dit voorstel, de verbinding wenst te behouden, zal voor 15 april de aanvraag van één van de inrichtende machten om die op 30 juni te activeren, moeten voorstellen. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de bekwaamheidsbewijzen waarvan de titularissen van een ambt houder moeten zijn Afdeling I. - Algemeen
Art. 15.Aan elk ambt dat wordt uitgeoefend binnen de inrichtingen en de personeelscategorieën die onder artikel 1 vallen, worden bekwaamheidsbewijzen verbonden waardoor dat ambt in voorkomend geval volgens de specificiteit die eigen is aan dat ambt kan worden uitgeoefend.
Die bekwaamheidsbewijzen worden, behoudens uitzondering, in vier categorieën onderverdeeld : de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen, de schaarstebekwaamheidsbewijzen en de andere bekwaamheidsbewijzen.
In het secundair onderwijs voor sociale promotie, kan de uitoefening van sommige cursusopdrachten worden toevertrouwd aan deskundigen waarvan het competentieprofiel wordt bepaald door het pedagogische dossier van de onderwijseenheid waarin ze worden uitgeoefend. Art. 16.§ 1. De vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de schaarstebekwaamheidsbewijzen worden voor elk ambt door de Regering vastgesteld, na advies van de Commissie. De besluiten die overeenkomstig dit artikel worden goedgekeurd, worden het Parlement ter bevestiging voorgelegd binnen de twaalf maanden volgend op de goedkeuring ervan. Als die bevestiging niet wordt verleend, houden ze op uitwerking te hebben bij het verstrijken van die termijn.
In afwijking van het vorige lid, voor het besluit van de Regering tot vaststelling van de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de schaarstebekwaamheidsbewijzen die vóór 1 september 2014 werden goedgekeurd, geldt het voorafgaande advies van een werkgroep waarvan de samenstelling en de werkingsregels in overeenstemming zijn met die van de Commissie, zoals bedoeld in de artikelen 42, 46 en 47 van dit decreet, als voorafgaand advies van de Commissie. Die werkgroep wordt voorgezeten door de Minister bevoegd voor het leerplichtonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie of diens afgevaardigde.
Onverminderd de bepalingen betreffende de beheersing van de immersietaal bepaald bij het
decreet van 17 juli 2003Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
17/07/2003
pub.
28/08/2003
numac
2003029468
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het onderricht in een taal via onderdompeling en verschillende maatregelen inzake onderwijs
sluiten houdende algemene bepalingen betreffende het onderricht in een taal via onderdompeling en verschillende maatregelen inzake onderwijs, zijn de bekwaamheidsbewijzen voor de taalbadambten deze die bepaald zijn voor de overeenstemmende ambten die buiten het taalbadkader worden uitgeoefend. § 2. Alleen de diploma's, brevetten, getuigschriften of specialisaties die door de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, of die gelijkwaardig zijn, die door de Franse Gemeenschap worden erkend of gelijkgesteld, kunnen worden toegelaten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs. § 3. Voor de categorie vereiste bekwaamheidsbewijzen, rust de vereiste geschikte competentie op de volgende bestanddelen : 1° een competentie betreffende een discipline, verworven en bekrachtigd door een bekwaamheidsbewijs;2° een pedagogische competentie die eigen is aan het hierboven vermelde bekwaamheidsbewijs of die afzonderlijk in een bekwaamheidsbewijs werd verworven;3° in voorkomend geval, wanneer de verplichte leerinhouden en de competenties betreffende de disciplines dit rechtvaardigen, een nuttige ervaring zoals bepaald in artikel 20. § 4. Voor de categorie voldoende bekwaamheidsbewijzen, rust de vereiste voldoende competentie altijd op een competentie betreffende een discipline, die als voldoend wordt beschouwd, en een pedagogische competentie, vastgesteld volgens dezelfde procedures als het vereiste bekwaamheidsbewijs, alsook, als de verplichte leerinhouden en de competenties betreffende een discipline dit rechtvaardigen, een nuttige ervaring.
In afwijking van het vorige lid, na advies van de Commissie, wordt als voldoend beschouwd, het diploma van master zonder pedagogisch bestanddeel, wanneer dat diploma van master met een pedagogisch bestanddeel als vereist wordt beschouwd.
Bij de inwerkingtreding van dit decreet, wordt de vermelding van dat diploma van master als voldoend bekwaamheidsbewijs in het in artikel 7 bedoelde besluit van de Regering geacht een gunstig advies van de Commissie te hebben gekregen. § 5. Voor de categorie schaarstebekwaamheidsbewijzen, rust de vereiste minimale competentie ofwel op een verbinding met het vereiste of voldoende bekwaamheidsbewijs die de toegang tot deze mogelijk maakt, ofwel op een mogelijke gelijkstelling met een voldoend bekwaamheidsbewijs volgens de in artikel 37 nader bepaalde regels. § 6. In geval van schaarste van elke houder van door de Regering vastgestelde bekwaamheidsbewijzen, wordt de Commissie ertoe gemachtigd momenteel andere bekwaamheidsbewijzen toe te laten volgens door de Regering nader te bepalen regels.
Die andere bekwaamheidsbewijzen openen voor de houders ervan geen statutair recht behalve als dat bekwaamheidsbewijs in de bekwaamheidsbewijzen wordt opgenomen gelet op de actie van de Commissie bij de uitoefening van haar opdrachten zoals bepaald in artikel 39, 3°. Afdeling II. - Bepalingen betreffende de pedagogische
bekwaamheidsbewijzen die een bestanddeel van een bekwaamheidsbewijs zijn Art. 17.§ 1. Voldoet aan de voorwaarde inzake bezit van het pedagogische bestanddeel van een bekwaamheidsbewijs : 1° op het niveau van het kleuteronderwijs : a) de onderwijzer kleuteronderwijs en b) voor sommige door de Regering te bepalen ambten, de aggregatie voor het hoger secundair onderwijs (GHSO of master met didactische finaliteit) alsook sommige afdelingen die ressorteren onder de aggregatie voor het lager secundair onderwijs (GLSO) alsook het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB);2° op het niveau van het lager onderwijs : a) de onderwijzer lager onderwijs en b) voor sommige door de Regering te bepalen regels, de aggregatie voor het hoger secundair onderwijs (GHSO of master met didactische finaliteit);3° op het niveau van het lager secundair onderwijs : a) de aggregatie voor het lager secundair onderwijs (GLSO);b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB) en het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen (GMTN) voor de bekwaamheidsbewijzen waarvan het bestanddeel "competentie betreffende een discipline" geen toegang verleent tot de GLSO of de GHSO;4° op het niveau van het hoger secundair onderwijs : a) de aggregatie voor het hoger secundair onderwijs (GHSO of master met didactische finaliteit);b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB) en het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen (GMTN) voor de bekwaamheidsbewijzen waarvan het bestanddeel "competentie betreffende een discipline" geen toegang verleent tot de GHSO. Voor het onderwijzend ambt van begeleider in een centrum voor alternerend onderwijs en vorming, vermeld in artikel 5, zesde lid, levert het geheel van de in 3° en 4° pedagogische bekwaamheidsbewijzen het bewijs van het bezit van het geschikte pedagogische bestanddeel. § 2. Het pedagogische bestanddeel dat geschikt is voor een bepaald niveau geldt ook voor het onmiddellijk lagere niveau, wanneer dit bestaat, en voor het onmiddellijk hogere niveau, wanneer dit bestaat.
Voor de toepassing van het vorige lid, worden de in § 1 bedoelde niveaus beschouwd als gerangschikt in 1° tot 4° in stijgende volgorde van de niveaus.
In afwijking van het eerste lid, wordt het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het hoger onderwijs alleen voor het hoger secundair onderwijs voor sociale promotie als aangepast geacht. § 3. Op gezamenlijk advies van de Academie Onderzoek en Hoger Onderwijs (ARES) en van de Hoge Raad van het onderwijs voor sociale promotie, stelt de Regering de voorwaarden vast waaronder de houders van een master die toegang verleent tot de aggregatie voor het hoger secundair onderwijs, om te voldoen aan de voorwaarde inzake bezit van het pedagogische bestanddeel, zich zullen kunnen inschrijven in de afdeling van een inrichting voor onderwijs voor sociale promotie die door een GPB wordt bekrachtigd. In dat geval alleen, moet het GPB worden uitgereikt door een inrichting voor onderwijs voor sociale promotie in co-diplomering met een Universiteit, volgens de regels die inzonderheid bepaald zijn in de artikelen 81 en 82 van het
decreet van 7 november 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten4 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies.
Onder die voorwaarden komen minstens de twee volgende voorwaarden voor : 1° de master moet uitgereikt zijn sedert ten minste vijf jaar op het ogenblik van de inschrijving voor de geïntegreerde proef van de afdeling die door het GPB wordt bekrachtigd.Die termijn moet een totaal van minstens 5 jaar omvatten gedurende welke de houder van de master geen leraar was; 2° bij het dossier van de student moet een dossier worden gevoegd dat aantoont dat de praktische organisatie van de afdeling die door het GPB wordt bekrachtigd die blijkbaar toegankelijker maakt dan de aggregatie. Art. 18.§ 1. Iedere houder van een in artikel 17, § 1, 1°, a) bedoeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs, die, voor de uitoefening van een ambt op hetzelfde niveau of op het onmiddellijk hoger niveau, een andere competentie betreffende een discipline in de zin van artikel 16 bezit of verwerft, zal voldoen aan de voorwaarde inzake bezit van het bestanddeel "pedagogische competentie". § 2. Iedere houder van een in artikel 17, § 1, 2°, a) bedoeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs, die, voor de uitoefening van een ambt op hetzelfde niveau of op het onmiddellijk lager of hoger niveau, een andere competentie betreffende een discipline in de zin van artikel 16 bezit of verwerft, zal voldoen aan de voorwaarde inzake bezit van het bestanddeel "pedagogische competentie". § 3. Iedere houder van een in artikel 17, § 1, 3° bedoeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs, die, voor de uitoefening van een ambt op hetzelfde niveau of op het onmiddellijk lager of hoger niveau, een andere competentie betreffende een discipline in de zin van artikel 16 bezit of verwerft, zal voldoen aan de voorwaarde inzake bezit van het bestanddeel "pedagogische competentie". § 4. Iedere houder van een in artikel 17, § 1, 4° bedoeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs, die, voor de uitoefening van een ambt op hetzelfde niveau of op het onmiddellijk lager of hoger niveau, een andere competentie betreffende een discipline in de zin van artikel 16 bezit of verwerft, zal voldoen aan de voorwaarde inzake bezit van het bestanddeel "pedagogische competentie". Art. 19.§ 1. Wanneer de module voor de opleiding tot de pedagogie van het lager secundair onderwijs bedoeld in artikel 23, 1°, van het
decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten2 houdende uitvoering van het Protocol van akkoord van 20 juni 2008 gesloten voor de periode 2009-2010 met de representatieve vakverenigingen van de onderwijssector een element uitmaakt van het bestanddeel "pedagogische competentie" van een bekwaamheidsbewijs dat vereist is voor een ambt op dat niveau, moet hij altijd gepaard gaan met een anciënniteit in het ambt van 300 dagen, gepresteerd als hoofdambt bij een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting, berekend volgens de in § 2 nader bepaalde regels. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de werkelijke en gesubsidieerde diensten, alsook de verlofperioden die worden gelijkgesteld met de dienstactiviteit en de perioden van terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid.
Het aantal dagen die als tijdelijk personeelslid werden gepresteerd in een ambt met volledige prestaties, wordt gevormd door alle dagen vanaf het begin tot het einde van de dienstactiviteit, met inbegrip van, als ze in die periode worden opgenomen, de ontspanningsverloven en de winter- en voorjaarsvakantie.
De dagen die werden verworven als vastbenoemd personeelslid in een ambt met volledige prestaties worden opgeteld vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, zomervakantie inbegrepen.
De diensten die werden gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat minstens de helft van het aantal uren die vereist zijn voor het ambt met volledige prestaties tellen, worden in aanmerking genomen op dezelfde wijze als de diensten die in een ambt met volledige prestaties werden gepresteerd.
Het aantal dagen die werden gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal dat vereist is voor het ambt met volledige prestaties telt, wordt met de helft verminderd.
Het aantal dagen die werden gepresteerd in twee of meer ambten met onvolledige prestaties, die gelijktijdig werden uitgeoefend, kan nooit hoger zijn dan het aantal dagen die werden gepresteerd in een ambt met volledige prestaties die tijdens dezelfde periode werden uitgeoefend. § 3. Wanneer de in aanmerking genomen 300 dagen werden gepresteerd bij één zelfde inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, of binnen één zelfde inrichting, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, neemt de inrichtende macht of de inrichting zelf die anciënniteit in aanmerking. Wanneer ze wordt verworven bij één of meer andere inrichtende machten van hetzelfde vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan of van verschillende organen, reikt de beslissingsraad bedoeld in artikel 48, die wordt belast met de uitoefening van de in artikel 39, 7° bedoelde opdracht, een attest uit dat de in § 2 vermelde berekening bekrachtigt op grond van een dienststaat die wordt ingediend door de persoon die deze bepaling geniet. § 4. In afwijking van § 1, worden de geldelijke gevolgen in verband met de module voor de opleiding tot de pedagogie van het lager secundair onderwijs verworven zodra die module gevolgd is. Afdeling III. - Bepalingen betreffende de nuttige ervaring die een
bestanddeel is van het bekwaamheidsbewijs Art. 20.In het kader van de toepassing van deze afdeling, wordt de nuttige ervaring bedoeld in artikel 16, § 3, 3°, en § 4, eerste lid, als die vereist is, gevormd door de tijd die werd doorgebracht ofwel in een openbare of private dienst of inrichting, ofwel voor eigen rekening, ofwel gedeeltelijk in het onderwijs. De duur van die nuttige ervaring is, wanneer die vereist is, vastgesteld overeenkomstig artikel 21. Art. 21.§ 1. De nuttige ervaring is 12 maanden voor een geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, wanneer hij zijn ambt in de hogere graad van het secundair onderwijs presteert. § 2. Wanneer het brevet van het hoger onderwijs, het diploma van bachelor of het diploma van master worden opgenomen als bekwaamheidsbewijzen die vereist zijn voor een ambt, is de nuttige ervaring van het beroep 12 maanden.
Als die bekwaamheidsbewijzen als voldoende bekwaamheidsbewijzen worden gerangschikt, wordt die nuttige ervaring op 24 maanden gebracht. § 3. De nuttige ervaring is 18 maanden voor het kwalificatiegetuigschrift van het hoger secundair onderwijs, het brevet hoger onderwijs, het diploma van bachelor of master, wanneer die bekwaamheidsbewijzen als schaarstebekwaamheidsbewijs worden gerangschikt. § 4. De nuttige ervaring is 36 maanden voor een kwalificatiegetuigschrift hoger secundair onderwijs, samen met een getuigschrift secundair onderwijs, wanneer het als een vereist bekwaamheidsbewijs wordt gerangschikt.
Wanneer datzelfde kwalificatiegetuigschrift, samen met een getuigschrift hoger secundair onderwijs, als voldoend bekwaamheidsbewijs wordt gerangschikt, is zijn nuttige ervaring 24 maanden. § 5.De nuttige ervaring is 36 maanden voor een kwalificatiegetuigschrift hoger secundair onderwijs, zonder getuigschrift hoger secundair onderwijs, wanneer het als een voldoend bekwaamheidsbewijs wordt gerangschikt. § 6. Deze bepaling betreft de bekwaamheidsbewijzen waarvoor de nuttige ervaring zelf erkend wordt als het vereiste bestanddeel "competentie betreffende een discipline". In dat geval wordt het aantal maanden nuttige ervaring van de vakpersoon vastgesteld in de volgende leden.
Het aantal maanden nuttige ervaring is 48, wanneer het, mits het bezit van een getuigschrift secundair onderwijs en een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, als schaarstebekwaamheidsbewijs wordt erkend.
Die nuttige ervaring is 72 maanden, wanneer het, mits het bezit van een getuigschrift hoger secundair onderwijs, als voldoend bekwaamheidsbewijs wordt gerangschikt.
Die nuttige ervaring wordt op 108 maanden gebracht, wanneer de vakpersoon niet in het bezit is van het getuigschrift hoger secundair onderwijs. Art. 22.Wanneer de nuttige ervaring, overeenkomstig artikel 21, gelijk is aan 12, 18 of 48 maanden, rust ze uitsluitend op de nuttige ervaring betreffende het vak.
In alle in artikel 21 vermelde andere toestanden, kan de nuttige ervaring gedeeltelijk rusten op een nuttige ervaring in het onderwijs volgens de regels die hierna bepaald worden : 1° wanneer de vereiste nuttige ervaring 24 maanden bedraagt, kunnen hoogstens 6 maanden bestaan in een nuttige ervaring in het onderwijs;2° wanneer de vereiste nuttige ervaring 36 maanden bedraagt, kunnen hoogstens 18 maanden bestaan in een nuttige ervaring in het onderwijs;3° wanneer de vereiste nuttige ervaring 72 of 108 maanden bedraagt, kan hoogstens één derde bestaan in een ervaring in het onderwijs. De nuttige ervaring in het onderwijs moet verworven zijn in het(de) ambt(en) waarvoor de inaanmerkingneming van de nuttige ervaring wordt aangevraagd. Art. 23.§ 1. De nuttige ervaring die noodzakelijk is voor de uitoefening van een ander ambt dan een ambt kunstvakken, wordt door de Commissie erkend volgens de in hoofdstuk 5 van dit decreet nader bepaalde regels, inzonderheid artikel 48.
Voor de uitoefening van een ambt kunstvak, beschikt de Commissie opgericht in artikel 100bis van het
decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
02/06/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998029331
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
sluiten houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap over dezelfde bevoegdheden als de in artikel 48 bepaalde beslissingsraad.
In haar beslissing bepaalt de Commissie alle ambten waarvoor die ervaring in aanmerking kan worden genomen;
De erkenning van de ervaring kan vóór elke aanwerving worden verworven.
Binnen hoogstens vier maanden volgend op de datum van ontvangst van de aanvraag, ofwel spreekt de kamer van de in artikel 48 bedoelde Commissie, of, als het gaat om een ambt kunstvakken, de Commissie bedoeld in artikel 100bis van het voormelde
decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
02/06/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998029331
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
sluiten, 1° haar beslissing uit;2° ofwel verwittigt ze de aanvrager dat ze niet beschikt over voldoende gegevens die haar in de mogelijkheid stellen om haar beslissing te nemen.De aanvrager beschikt dan over een termijn van dertig werkdagen te rekenen vanaf de bekendmaking om bijkomende gegevens aan de Commissie mee te delen. In dat geval is de Commissie ertoe gehouden haar beslissing te nemen binnen de zes maanden volgend op de datum van ontvangst van de oorspronkelijke aanvraag.
Binnen de twee maanden volgend op de beslissing van de Commissie, wordt de administratieve akte waarbij de procedure wordt bekrachtigd, door de Voorzitter van de Commissie meegedeeld. § 2. Voor de uitoefening van een ambt kunstvak, wordt de nuttige ervaring die door de Commissie wordt erkend, in aanmerking genomen in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Voor de uitoefening van een ambt kunstvak, wordt de nuttige ervaring die erkend wordt door de Commissie opgericht in artikel 100 bis van het
decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
02/06/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998029331
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
sluiten houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap in aanmerking genomen in het onderwijs met volledig leerplan. § 3. De geldelijke valorisatie van de nuttige ervaring in een vak beantwoordt aan de voorschriften bepaald in artikel 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Art. 24.§ 1. Wanneer de nuttige ervaring rust op een beroepservaring die werd verworven bij een openbare of private werkgever, en wanneer ze rust op diensten die werden gepresteerd in een familiale onderneming of wanneer ze voortvloeit uit activiteiten die als zelfstandige werden uitgeoefend, wordt ze aangetoond door attesten of verklaringen betreffende diensten die worden opgesteld overeenkomstig de door de Regering vast te stellen modellen.
In afwachting van de uitvoering van deze bepaling, blijven de modellen gevoegd bij het ministerieel besluit van 12 april 1969 houdende de regelen tot staving van de nuttige ervaring bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, van toepassing. § 2. Wanneer de nuttige ervaring betrekking heeft op kunst- of sportactiviteiten, moet de aanvraag alle gegevens bevatten die het de bevoegde overheid mogelijk maken om haar beslissing met kennis van zake te nemen alsook de stukken tot staving van die gegevens, namelijk : 1° een afschrift van de bekwaamheidsbewijzen (diploma, gelijkwaardigheid, bekendheid...) waarvan de verzoeker houder is; 2° zijn curriculum vitae;3° elk document dat het bewijs levert van de ervaring op het gebied van de specialiteit betreffende de kunst- of sportloopbaan van de kandidaat, zijn verdiensten, zijn beroepservaring en zijn kunst- of sportpraktijk waarvoor de aanvraag wordt ingediend, zoals : motivatiebrief, aanbevelingsbrief, publicaties, artikelen of gedateerde perskritieken, tewerkstellingsattest, arbeidsovereenkomst, programma's van opvoeringen of sportevenementen, CD, CDRom, Internetsite, reproducties van werken, attesten van stages, stagemeesters, verantwoording en verklaringen betreffende verschillende ervaringen. Afdeling IV. - Voorrangverlening aan nieuwaanwervingen
Art. 25.Onder nieuwaanwervingen worden verstaan, alle wervingen van kandidaten in betrekkingen die toe te kennen zijn in bepaalde ambten die niet kunnen worden toevertrouwd door de overheid, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of door de inrichtende macht, voor het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, aan personeelsleden met inachtneming van de volgorde van toekenning van de door elk administratief statuut vastgestelde betrekkingen.
Elke aanwerving van een niet prioritair tijdelijk personeelslid is een nieuwaanwerving. Art. 26.De nieuwaanwervingen worden uitgevoerd door voorrang te verlenen aan de categorie van de houders van vereiste bekwaamheidsbewijzen boven die van de houders van voldoende bekwaamheidsbewijzen, aan de categorie van de houders van de voldoende bekwaamheidsbewijzen boven die van de houders van schaarstebekwaamheidsbewijzen, en aan de categorie van de houders van schaarstebekwaamheisbewijzen boven die van houders van elk ander bekwaamheidsbewijs.
Onder de houders van bekwaamheidsbewijzen van één zelfde categorie, geschiedt de keuze overeenkomstig de toepasselijke statutaire regels.
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen betreffende de voorrangverlening aan nieuwaanwervingen Art. 27.De diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap stellen de schoolvoorzieningen en de overheden die bevoegd zijn voor de werving, een software ter beschikking die zich baseert op een databank die een repertoire van de kandidaten voor de verschillende ambten opmaakt met vermelding van de bekwaamheidsbewijzen waarvan ze houder zijn. Art. 28.De databank waarvan sprake in artikel 27 vermeldt inzonderheid : 1° de netoverschrijdende lijst van de ambten, met inbegrip van de ermee gepaard gaande specificiteiten voor wat de onderwijzende ambten betreft;2° voor elk onderwijsnet, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of voor elke inrichtende macht die niet aangesloten is bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, de verbindingen cursus/ambt;3° de bekwaamheidsbewijzen die naast elk ambt worden vermeld;4° de weddeschalen in verband met de bekwaamheidsbewijzen. Art. 29.§ 1. Elke inrichtende macht die geen gekwalificeerde nieuwaanwerving-betrekking kan toekennen in de zin van artikel 25, volgens de in artikel 26 vermelde voorrangsregels of met inachtneming van de bijzondere regels of afwijkingsregels bedoeld in de artikelen 30 tot 35, moet, vóór elke aanstelling of aanwerving van een houder van bekwaamheidsbewijzen van een lagere voorrangscategorie, de databank raadplegen die haar door de Regering ter beschikking wordt gesteld. § 2. Voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacante betrekkingen, die worden uitgevoerd met het oog op het begin van het schooljaar, moet de raadpleging plaatsvinden na : 1° 30 april van het voorafgaande schooljaar, voor het leerplichtonderwijs en voor de afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie die in september van start gaan;2° 31 oktober, voor de afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie die in januari van start gaan. Voor de toepassing van het vorige lid, gaat het om elke aanwerving waarvoor het ambt wordt uitgeoefend vanaf de maand september in de situaties in verband met het eerste lid, 1°, en gedurende de maand januari, voor die in verband met het eerste lid, 2°.
In het onderwijs voor sociale promotie, zal de raadpleging, voor het geheel van de onderwijseenheden waaruit een georganiseerde afdeling bestaat, kunnen geschieden van september tot augustus in het geval van het eerste lid, 1°, of van januari tot december in het geval van het eerste lid, 2°. § 3. Voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, met een duur van minstens 5 dagen tot hoogstens 105 kalenderdagen, die in de loop van het schooljaar begint, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 15 schoolwerkdagen voorafgaande aan de inambtstreding, geschieden.
In afwijking daarvan, in het onderwijs voor sociale promotie : 1° vanaf 1 oktober, voor de in § 1, eerste lid, 1° bedoelde afdelingen, voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, in de loop van het schooljaar, voor het geheel van de onderwijseenheden waaruit een afdeling bestaat, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 60 werkdagen voorafgaande aan de opening van de eerste betrokken onderwijseenheid, geschieden;2° vanaf 1 februari, voor de in § 1, eerste lid, 2° bedoelde afdelingen, voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, in de loop van het burgerlijk jaar, voor het geheel van de onderwijseenheden waaruit een afdeling bestaat, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 60 werkdagen voorafgaande aan de opening van de eerste betrokken onderwijseenheid, geschieden. In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, in het onderwijs voor sociale promotie, voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, voor de onderwijseenheden die geen bestanddeel van een afdeling zijn, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 30 werkdagen voorafgaande aan de opening van de eerste betrokken onderwijseenheid, geschieden. § 4. Voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, met een duur van meer dan 105 kalenderdagen, die in de loop van het schooljaar begint, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 30 schoolwerkdagen voorafgaande aan de inambtstreding, geschieden.
In afwijking van het vorige lid, in het onderwijs voor sociale promotie, voor de nieuwaanwervingen in de tijdelijk of definitief vacant geworden betrekkingen, voor het geheel van de onderwijseenheden die bedoeld zijn bij een overeenkomst in de zin van artikel 115 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, moet de raadpleging, voor alle onderwijsnetten, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de inrichtende machten die niet aangesloten zijn bij een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan, ten vroegste binnen de 30 werkdagen voorafgaande aan de opening van de eerste betrokken onderwijseenheid, geschieden. § 5. Op basis van die raadpleging, legt de gesubsidieerde inrichtende macht de diensten van de Regering het bewijsstuk voor dat vereist is zowel voor de inachtneming van de in de §§ 2 tot 4 bepaalde regels als om het bewijs te leveren van het gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de werkelijk uitgevoerde raadplegingsakten.
Het in het vorige lid bedoelde bewijsstuk moet het geheel van de kandidaten vermelden die beschikbaar zijn op de raadplegingsdatum en die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs van de categorie(ëen) die hoger is(zijn) dan de categorie waartoe de aangeworven persoon behoort. Om te bewijzen dat een kandidaat niet beschikbaar is, moet men aantonen dat hij niet antwoordt op een werkelijk aanbod of moet men verwijzen naar één van de in de artikelen 30 tot 35 van dit decreet bedoelde situaties.
Onderafdeling II. - Bijzondere bepalingen betreffende de voorrangregels Art. 30.De tot aanwerven bevoegde overheid kan ten aanzien van een kandidaat de afwijking van artikel 26 laten gelden om de volgende redenen : 1° tegen de kandidaat, als tijdelijk personeelslid, wordt of werd, binnen de inrichtende macht, de volgende sanctie genomen : afdanking met opzeggingstermijn of wegens een zware tekortkoming;2° tegen de kandidaat, als vast benoemd personeelslid, wordt of werd één van de volgende sancties genomen : afdanking wegens een zware tekortkoming, afzetting, schorsing bij tuchtmaatregel, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel, terugzetting in graad bij tuchtmaatregel of ontslag bij tuchtmaatregel;3° tegen de kandidaat worden de volgende sancties genomen : preventieve schorsing, verantwoord door een tenlastelegging, een betichting in het kader van strafvervolgingen, een niet definitieve strafveroordeling waartegen het personeelslid gebruik heeft gemaakt van zijn gewone beroepsrechten;4° over de kandidaat wordt of werd een ongunstig schriftelijk verslag uitgebracht, door het personeelslid geviseerd.Die rechtvaardiging kan als verwijderingsreden alleen worden aangevoerd door één zelfde inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, of voor één zelfde aanstelling, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs; 5° de kandidaat heeft geen onberispelijk gedrag;6° de kandidaat stemt niet in met de specificiteiten van het pedagogisch en/of educatief project van de inrichtende macht en/of stemt niet in met het arbeidsreglement;7° de kandidaat heeft niet geantwoord op het betrekkingsaanbod, dat hem door de inrichtende macht werd voorgelegd, binnen de 24 uur, begrepen in de schoolwerkdagen, ingeval van aanstelling voor een periode van 5 tot 10 dagen, of binnen de drie werkdagen, waarvan minstens één schoolwerkdag, in geval van aanstelling voor een periode van meer dan 10 dagen. De kandidaat bevestigt op erewoord dat hij zich niet bevindt in één van de in de punten 1° tot 3° vermelde beperkingen. Art. 31.De tot aanwerven bevoegde overheid kan het niet in acht nemen van de regels inzake voorrang ten aanzien van een kandidaat rechtvaardigen, wanneer ze de volgende situaties aanvoert : 1° het bestaan van een onverenigbaarheid inzake uurrooster na 15 oktober van het schooljaar of gedurende het gehele schooljaar voor het onderwijs voor sociale promotie, vastgesteld door het orgaan voor plaatselijke democratie.Voor de toepassing van die uitzondering, kan rekening worden gehouden met de uurblokken van het uurrooster; 2° de verwijdering van de kandidaat die blijkbaar niet past bij het wervingsgesprek.De rechtvaardiging waarvan de kandidaat een exemplaar moet krijgen, moet door de kandidaat worden geviseerd. Die verplichting wordt als vervuld geacht zodra de inrichtende macht het bewijs levert dat de aanvraag om visum aan de kandidaat werd gericht.
Onderafdeling III. - Bepalingen tot afwijking van de voorrangsregels Art. 32.§ 1. Bij wijze van afwijking, op het gebied van de voorrangverlening aan de houders van vereiste bekwaamheidsbewijzen boven de houders van voldoende bekwaamheidsbewijzen, kan een tijdelijke niet prioritaire houder van een voldoend bekwaamheidsbewijs opnieuw worden aangesteld of aangeworven, gedurende het lopende schooljaar of het volgende schooljaar, in hetzelfde ambt, onder dezelfde voorwaarde : dat ambt hebben uitgeoefend, in verhouding tot een ambt met volledige of onvolledige prestaties, dat minstens de helft van de uren telt die vereist zijn voor de uitoefening van een ambt met volledige prestaties voor het onderwijs met volledig leerplan en alternerend onderwijs, in de loop van het voorafgaande schooljaar gedurende 150 dagen voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en het officieel gesubsidieerde onderwijs, 180 dagen, voor het vrij gesubsidieerde onderwijs, berekend volgens de statutaire regels.
Betreffende het secundair onderwijs voor sociale promotie, wordt de benedengrens voor de hierboven vermelde prestaties vastgesteld op 240 lestijden. § 2. De uitoefening van die afwijking kan geen nadeel veroorzaken ten aanzien van een personeelslid dat houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat zelfde ambt, dat kandidaat is voor dat ambt, dat dit ambt uitoefent of heeft uitgeoefend binnen de inrichtende macht in verhouding tot minstens een halve opdracht en dezelfde anciënniteitsvoorwaarden, die echter werden verworven gedurende de laatste drie schooljaren. Art. 33.§ 1. In afwijking daarvan, kan de opdracht van een personeelslid dat houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs en dat in vast verband benoemd of aangeworven is, dat één of meer onderwijzende ambten met onvolledige prestaties heeft uitgeoefend die in totaal minstens de helft van het aantal uren die vereist zijn voor de uitoefening van een ambt met volledige prestaties gedurende het voorafgaande of lopende schooljaar uitmaken, worden uitgebreid tot een ambt waarvoor het een voldoend bekwaamheidsbewijs bezit.
Die afwijking is eveneens van toepassing ten voordele van een personeelslid dat houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs en dat in vast verband benoemd of aangeworven is, dat één of meer onderwijzende ambten met onvolledige prestaties in het secundair onderwijs voor sociale promotie uitoefent, voor een totaal van minstens 240 lestijden. § 2. De in § 1 …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.