📄 Wettekst
19 DECEMBER 2014. - Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (1)
Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.Artikel 1.1.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt vervangen door wat volgt : "Art. 1.1.0.0.2. In deze codex wordt verstaan onder : 1° belastingen en toebehoren : de belastingen in hoofdsom waarop deze codex van toepassing is, in voorkomend geval met inbegrip van de opcentiemen of de opdeciem, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten;2° belasting op de inverkeerstelling : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 3, van deze codex;3° belastingplichtige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens hoofde een belasting wordt geheven;4° belastingschuldige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toepassing van deze codex of het gemeen recht gehouden is tot de betaling van een belasting;5° bevoegd personeelslid : het personeelslid van de Vlaamse administratie dat wordt aangewezen conform de besluiten van de Vlaamse Regering, en dat belast is met de uitvoering van de bepalingen van deze codex;6° decreet van 19 april 1995 : het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;7° decreet van 22 december 1995 : het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;8° entiteit van de Vlaamse administratie : een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement als vermeld in het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 en in de ter uitvoering van dat decreet goedgekeurde oprichtingsbesluiten;9° erfbelasting : verzamelterm voor het successierecht en het recht van overgang;10° eurovignet : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;11° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92 en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het federale WIB 92;12° kinderen : de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot of van de wettelijk samenwonende, alsook de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;13° leegstandsheffing bedrijfsruimten : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex;14° onroerende voorheffing : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, van deze codex;15° recht op hypotheekvestiging : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 11, van deze codex;16° recht van overgang : de belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;17° registratiebelasting : verzamelterm voor de schenkbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging;18° rijksinwoner : de natuurlijke persoon die naargelang het geval op het ogenblik van zijn overlijden of op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd of de rechtspersoon die op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn zetel van werkelijke leiding heeft gevestigd;19° schenkbelasting : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8, van deze codex;20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt; 22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex;23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex;24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex;25° verkrottingsheffing woningen en gebouwen : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex;26° WIB 92 : het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;27° Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten;28° Wetboek van Successierechten : het wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten. In titel 2, hoofdstuk 1, wordt verstaan onder : 1° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;2° gehandicapt kind : het kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen;3° grensarbeider : de persoon die in de grensstreek van een buurland werkt en die volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft in de grensstreek van België, waarnaar hij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert. In titel 2, hoofdstuk 2, wordt verstaan onder : 1° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;2° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die : a) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;b) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis.De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk; d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis.De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
Als het voertuig, aangewezen als lichte vrachtauto in de reglementering, vermeld in punt 1°, niet beantwoordt aan een van de voertuigtypes, vermeld in punt a) tot en met d), wordt het, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus; 3° beroepsmatig gebruik : het gebruik van een voertuig voor de rechtstreekse uitoefening van werkzaamheden tegen betaling of met winstoogmerk;4° persoonlijk gebruik : elk ander gebruik dan beroepsmatig gebruik;5° gewone verblijfplaats : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont. De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder : 1° wegvoertuigen : de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2° van het vorige lid, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;2° luchtvaartuigen : de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, als ze ingeschreven zijn of moeten zijn;3° boten : de jachten en pleziervaartuigen die langer zijn dan 7,5 meter, als daarvoor een vlaggenbrief afgeleverd is of afgeleverd moet zijn. In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder voertuigen : de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen.
In titel 2, hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8, wordt verstaan onder : 1° beurswaarde : de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen;2° gehandicapt kind : het kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen;3° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;4° partner : a) de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker gehuwd is;b) de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker wettelijk samenwoont, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren.Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding; 5° verkrijging in rechte lijn : a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig artikel 736 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben;b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner.Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden; c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan.Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder; d) een verkrijging die voortkomt uit een verwantschapsband ingevolge gewone adoptie, maar uitsluitend als daarvoor de nodige bewijsstukken worden aangebracht en als : 1) het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;2) het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;3) het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn;e) een verkrijging tussen ex-partners als er gemeenschappelijke afstammelingen zijn. De definitie van kinderen, vermeld in het eerste lid, 12°, en de definitie van vennootschappen, vermeld in het eerste lid, 21°, gelden niet voor de toepassing van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 van titel 2.
In titel 2, hoofdstuk 7, wordt verstaan onder : 1° aanvullende rechten : de erfbelasting, geheven omdat de voorwaarden voor een verlaagd tarief, een vermindering of een vrijstelling niet vervuld zijn, of wegens de toepassing van artikel 3.3.1.0.6, artikel 3.17.0.0.2, of van artikel 2.7.7.0.1 in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte of een aangifte die niet binnen de termijn is ingediend; 2° gezinswoning : de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner.Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning. Als aan de samenwoning een einde is gekomen door een feitelijke scheiding van de partners, door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, of door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de partners of van beide partners naar een rust- en verzorgingsinstelling of een assistentiewoning, wordt de laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner als gezinswoning aangemerkt.
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, wordt verstaan onder : 1° registratie : de formaliteit, bepaald overeenkomstig artikel 1 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten; 2° aanvullende rechten : de registratiebelasting, berekend en geheven ter aanvulling van de registratiebelasting die is berekend en geheven op zicht van de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift of wegens de toepassing van artikel 3.17.0.0.2.
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, worden lichamelijke roerende voorwerpen, aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, niet beschouwd als onroerende goederen.
In titel 2, hoofdstuk 8, wordt de schenkbelasting, vermeld in het eerste lid, 19°, ook voor de volgende schenkingen geacht gelokaliseerd te zijn in het Vlaamse Gewest : 1° de schenking van roerende of onroerende goederen gedaan door een rijksinwoner-rechtspersoon als de schenker-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de zetel van werkelijke leiding van de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;2° de schenking door een niet-rijksinwoner-rechtspersoon van een in het in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed;3° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een rijksinwoner als de begiftigde-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding van de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;4° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon als de schenking ter registratie wordt aangeboden in het Vlaamse Gewest. In titel 2, hoofdstuk 9, wordt in afwijking van het eerste lid verstaan onder : 1° gehandicapt kind : het kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen;2° aanhorigheid : elk gebouwd of ongebouwd onroerend goed dat volgens de aard, de ligging, de oppervlakte en de waarde ervan een normale bijhorigheid vormt, al naargelang het geval, hetzij van het huis of de verdieping of het gedeelte van verdieping, hetzij van een op te richten woning;3° kinderen ten laste : de kinderen die deel uitmaken van het feitelijke gezin van de verkrijger op de datum van de akte van verkrijging en die, gedurende het kalenderjaar dat aan die datum voorafgaat, persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben genoten waarvan het nettobedrag hoger is dan de nettobedragen, vermeld in artikel 136 en artikel 141 van het federale WIB 92;4° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92;5° landgoed : het onroerend goed dat hetzij uit voor landbouwbedrijf gebruikte of bestemde gebouwen en gronden, hetzij uit dergelijke gronden alleen bestaat; 6° woning : het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken dient of zal dienen tot huisvesting van een gezin of één persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen.". Art. 3.Aan titel 2 van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 7 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk 7. - Erfbelasting". Art. 4.Aan titel 2 van hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 7, toegevoegd bij artikel 3, een afdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt : "Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp". Art. 5.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 1, toegevoegd bij artikel 4, een artikel 2.7.1.0.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.1. Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.". Art. 6.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.2 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.2. De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.". Art. 7.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.3 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.3. Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd : 1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen; 3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.". Art. 8.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.4 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.4. De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, op voorwaarde van overleving meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.". Art. 9.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.5 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.5. § 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen. § 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.". Art. 10.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.6 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.6. § 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen, hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, hetzij na het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste en het tweede lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een contract dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten. § 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs.
Dit artikel is niet van toepassing op : 1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming; 4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.". Art. 11.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.7 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.7. De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing : 1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is; 2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.". Art. 12.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.8 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.8. Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.
Het eerste lid is niet van toepassing als : 1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid; 2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.". Art. 13.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.9 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.9. Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als : 1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer; 2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.". Art. 14.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.7.1.0.10 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.1.0.10. De in een testament of andere beschikking die uitwerking heeft bij het overlijden van de beschikker, door de erflater aan zijn erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om aan een met naam aangeduide derde een kapitaal of een rente te geven die in natura in de nalatenschap niet bestaat en in geld of in vervangbare zaken betaalbaar is, wordt voor de heffing van het successierecht als legaat beschouwd.
De aan een erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om ten bate van een ander iets te doen en in het bijzonder de last, opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, om de rechten en kosten die verbonden zijn aan een aan een andere persoon gedaan legaat, te dragen, worden niet beschouwd als legaat.". Art. 15.In hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 7, toegevoegd bij artikel 3, een afdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt : "Afdeling 2. - Belastingplichtigen". Art. 16.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 2, toegevoegd bij artikel 15, een artikel 2.7.2.0.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.2.0.1. De belastingplichtige is degene die erfgenaam, legataris of begiftigde is.". Art. 17.In hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 7, toegevoegd bij artikel 3, een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt : "Afdeling 3. - Belastbare grondslag". Art. 18.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 17, een onderafdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt : "Onderafdeling 1. - Algemeen". Art. 19.In hetzelfde decreet wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 18, een artikel 2.7.3.1.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.1.1 Het successierecht wordt gevestigd op de waarde van alles wat uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen.
Het recht van overgang gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen worden uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.". Art. 20.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 17, een onderafdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt : "Onderafdeling 2. - Actief van de nalatenschap". Art. 21.In hetzelfde decreet wordt aan onderafdeling 2, toegevoegd bij artikel 20, een artikel 2.7.3.2.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.1. Het successierecht wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle goederen die toebehoren aan de erflater, waar ze zich ook bevinden, na aftrek van de schulden, vermeld in onderafdeling 4, en met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.7 en artikel 2.7.5.0.4.". Art. 22.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.2 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.2. Het recht van overgang wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, en die aan de erflater toebehoren, na aftrek van de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.3.1, tweede lid.". Art. 23.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.3 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.3. Als een erfgenaam, legataris of begiftigde het vruchtgebruik of de blote eigendom verkrijgt van een goed waarvan de volle eigendom van de nalatenschap afhangt, of als hij een door de erflater gevestigde periodieke rente of pensioen ontvangt, wordt de belastbare grondslag bepaald overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 2.7.3.3.2 en artikel 2.7.3.3.3.
Als de erflater de rente of prestatie voor een onbepaalde tijd ten voordele van een rechtspersoon vestigt, bedraagt de belastbare grondslag twintig keer het jaarlijkse bedrag.
Als die rente of prestatie voor een bepaalde tijd is gevestigd, is de belastbare grondslag gelijk aan de gekapitaliseerde waarde op de dag van het overlijden van de jaarlijkse rente of prestatie tegen een rentevoet van 4%, waarbij die waarde niet meer mag bedragen dan twintig keer het jaarlijkse bedrag van de rente of prestatie.
Dezelfde regels zijn van toepassing als het gaat om een vruchtgebruik, gevestigd ten voordele van een rechtspersoon, met dien verstande dat voor de grondslag van de raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen bepaald wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 6°.
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik gezamenlijk of achtereenvolgens ten voordele van twee of meer natuurlijke personen wordt gevestigd met een beding van aanwas, wordt de belastbare grondslag voor de heffing van de opvorderbare belasting op het ogenblik van de aanwas bepaald volgens de leeftijd die de genieter op dat ogenblik heeft.". Art. 24.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.4 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.4. Met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.1 bestaat er voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhogingen, tot bewijs van het tegendeel, een wettelijk vermoeden van eigendom in de volgende gevallen : 1° voor onroerende goederen : als ze voor de onroerende voorheffing zijn ingekohierd op naam van de erflater en die daarvoor een betaling heeft gedaan;2° voor hypothecaire renten en schuldvorderingen : als ze op naam van de erflater in de registers van de hypotheekbewaarders zijn ingeschreven;3° voor de schuldvorderingen op de Belgische Staat : als ze op naam van de erflater in het Grootboek van de Staatsschuld zijn opgenomen; 4° voor obligaties, aandelen of andere schuldvorderingen op provincies, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk : als ze op naam van de erflater in hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.". Art. 25.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.5 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.5. Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden.
Voor de roerende goederen, vermeld in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1.". Art. 26.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.6 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.6. Voor de heffing van het successierecht wordt het volgende, behoudens tegenbewijs, geacht aan de erflater voor een gelijk deel per hoofd toe te behoren : 1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast die door de erflater en door een of meer andere personen samen of solidair wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7; 2° de gehouden zaken en de verschuldigde sommen, vermeld in artikel 99 van het federale Wetboek van Successierechten. Het volgende wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in het geheel toe te behoren aan de erflater : 1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die zich bevinden in een brandkast die door de erflater alleen wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7; 2° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de erflater alleen gedeponeerd zijn bij de natuurlijke personen of rechtspersonen.". Art. 27.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.7 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.7. Voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen worden de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn hetzij aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de erflater en een echtgenoot, met wie de erflater bij het overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft, hetzij aan de gemeenschap die tussen de verwanten in de opgaande lijn van de erflater heeft bestaan, niet in aanmerking genomen.
De vergoeding, verschuldigd aan de gemeenschap uit hoofde van een op derden onoverdraagbaar maatschappelijk aandeel waarop door een van de echtgenoten is ingeschreven en die door hem of door zijn erfgenamen bij de ontbinding van de gemeenschap is teruggenomen, wordt niet beschouwd als terugneming of vergoeding die onder de toepassing van dit artikel valt.". Art. 28.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.8 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.8. Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt de aard van bevoordeling niet daaraan.
De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.". Art. 29.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.9 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.9. Als er schenkingen onder de levenden als vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 12°, bestaan, wordt de basis waarop de schenkbelasting is geheven of zou moeten worden geheven, gevoegd bij de erfgoederen van de belanghebbenden om de progressieve erfbelasting die op die erfgoederen van toepassing is, te bepalen.
Het eerste lid is niet van toepassing op : 1° schenkingen onder de levenden van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, tabel I, is geheven; 2° schenkingen onder de levenden van roerende goederen waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 2, is geheven; 3° schenkingen onder de levenden van ondernemingen waarop voor 1 januari 2012 het recht, vermeld in artikel 140bis van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, is geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast.". Art. 30.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.10 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.10. Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen.". Art. 31.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.11 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.11. Als in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8 en 2.7.1.0.9, niet bewezen wordt dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is, maar kan worden bewezen dat de erflater werkelijk het levenslange recht genoten heeft, wordt op de belastbare grondslag op de dag van het openvallen van de nalatenschap een evenredige vermindering toegepast, conform artikel 2.7.3.3.4 en artikel 2.7.3.3.5. Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van het bedoelde levenslange recht dat wordt gekapitaliseerd tegen 4%, volgens het werkelijke aantal volle jaren dat de erflater het recht genoten heeft. Als het gaat om een vruchtgebruik of een ander zakelijk levenslang recht, wordt de waarde van het in aanmerking te nemen jaarlijkse inkomen forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van het goed op de dag van het contract.". Art. 32.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.12 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.12. § 1. Op hetgeen een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind verkrijgt, wordt een abattement toegepast voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule : 1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1; 2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1. § 2. Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op zijn netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn netto roerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.
Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.". Art. 33.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.2.13 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.2.13. In geval van legaat van een geldsom of van legaat van een periodieke rente of pensioen wordt het bedrag van de gelegateerde geldsom of het kapitaal waarop het successierecht naar rato van de bedoelde rente of het pensioen wordt geheven, voor de berekening van de rechten afgetrokken van de nettoverkrijging van de erfgenaam, legataris of begiftigde die het legaat van de geldsom, de rente of het pensioen moet uitbetalen.". Art. 34.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 17, een onderafdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt : "Onderafdeling 3. - Waardering van het actief". Art. 35.In hetzelfde decreet wordt aan onderafdeling 3, toegevoegd bij artikel 34, een artikel 2.7.3.3.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.1. De belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, is de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de waardering van de goederen waarvan de erflater schijnbaar eigenaar was, geen rekening gehouden met de waardevermindering die zou kunnen voortspruiten uit de wederroepelijkheid van de titel van verkrijging van de erflater.". Art. 36.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.2 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.2. In afwijking van artikel 2.7.3.3.1 wordt de belastbare waarde van de goederen die tot de nalatenschap behoren, als volgt vastgesteld : 1° voor de onroerende goederen die in het buitenland liggen, waarvan de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden : twintig of dertig keer de jaarlijkse opbrengst van de goederen of de prijs van de lopende huurcelen, zonder aftrek van de aan de huurder of aan de pachter opgelegde lasten, naargelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen.De belastbare waarde mag in geen geval lager zijn dan de waarde die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland; 2° voor het kapitaal en de interesten die vervallen zijn of die verkregen zijn van de schuldvorderingen : het nominale bedrag van dat kapitaal en van die interesten.In geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van elke andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde schatten; 3° voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de
wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003391
bron
ministerie van financien
Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
04/09/2002
numac
2002003392
bron
ministerie van financien
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
14/06/2018
numac
2018012337
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I
type
wet
prom.
02/08/2002
pub.
12/12/2019
numac
2019015296
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel II
sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet : volgens de beurswaarden ervan;4° voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestaties, alsook voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten : twintig keer de rente of de jaarlijkse prestatie.In geval van onvermogen van de schuldenaar of bij een andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde schatten; 5° voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen : door de vermenigvuldiging van het jaarlijkse bedrag van de uitkering met de leeftijdscoëfficiënt uit de onderstaande tabel :
Leeftijdscoëfficiënt
leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar
18
? 20
17
> 20-30
16
> 30-40
14
> 40-50
13
> 50-55
11
> 55-60
9,5
> 60-65
8
> 65-70
6
> 70-75
4
> 75-80
2
> 80
6° voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik : de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4% van de waarde van de volle eigendom, te vermenigvuldigen met het cijfer, vermeld in punt 5° ;7° voor de voor een beperkte tijd gevestigde renten of prestaties : de som die door de kapitalisatie van de renten of prestaties tegen 4% op de datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naargelang het geval, de belastbare waarde, zoals die in punt 4° en punt 5° wordt bepaald, niet te boven gaat.Dezelfde regel is van toepassing als het gaat over een voor een beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, waarbij de opbrengst van de goederen, vermeld in punt 6°, als grondslag van de kapitalisatie wordt genomen; 8° voor de blote eigendom : de waarde van de volle eigendom, onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend conform dit artikel en artikel 2.7.3.3.3. Er vindt geen aftrek plaats als het vruchtgebruik met toepassing van artikel 2.7.3.2.10 vrij is van erfbelasting.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, kunnen de aangevers kiezen uit de beurswaarde op de datum van het overlijden, de beurswaarde op de datum van één maand na het overlijden of de beurswaarde op de datum van twee maanden na het overlijden. Als er op een van die data geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de gekozen datum voor bepaalde van de aan te geven waarden wel en voor andere geen notering is, moeten laatstbedoelde waarden worden aangegeven volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is.
De aangevers mogen slechts een van de voormelde data kiezen, die zal gelden voor al de nagelaten waarden. De aangevers geven hun keuze aan in de aangifte, waarin ze ook de door hen geraadpleegde bron voor de opgegeven beurswaarden vermelden.". Art. 37.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.3 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.3. Het recht van gebruik en het recht van bewoning, alsook het recht op vruchten, inkomsten of opbrengsten worden voor de toepassing van artikel 2.7.3.3.2 en van artikel 2.7.3.2.3 met vruchtgebruik gelijkgesteld.
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is gevestigd, is de in aanmerking te nemen leeftijd die van de jongste persoon.". Art. 38.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.4 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.4. De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van de verrichting, vermeld in artikel 2.7.1.0.8, wordt als volgt bepaald : X = a x b c De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd : 1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verrichting;2° b = de waarde van de goederen die op de dag van het overlijden in eigendom toebedeeld zijn aan de deelgenoten; 3° c = de waarde van de goederen die op de dag van de verrichting in eigendom toebedeeld zijn.". Art. 39.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.5 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.5. De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van een verkoop of afstand als vermeld in artikel 2.7.1.0.9, wordt, als de erflater daarenboven de overlating van een goed in eigendom in zijn voordeel heeft bedongen, als volgt bepaald : X = a x b c De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd : 1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verkoop of de afstand;2° b = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van het overlijden; 3° c = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van de verkoop of de afstand.". Art. 40.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.6 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.6. De zekere schuldvorderingen waarvan het bedrag op het ogenblik van het overlijden onbepaald is, worden in de aangifte voor de waarde ervan opgenomen, behoudens regularisatie bij de definitieve bepaling van het bedrag ervan.". Art. 41.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.3.7 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.3.7. In de gevallen, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, moet de waarde van de goederen op de dag van het vonnis, van de dading of van de gebeurtenis die het uitgangspunt vormt van de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, vierde lid, als belastbare waarde worden aangegeven.". Art. 42.In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 17, een onderafdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt : "Onderafdeling 4. - Passief van de nalatenschap". Art. 43.In hetzelfde decreet wordt aan onderafdeling 4, toegevoegd bij artikel 42, een artikel 2.7.3.4.1 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 2.7.3.4.1. Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard : 1° de schulden van de erflater, die op de dag van zijn overlijden bestaan;2° de begrafeniskosten. Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.
De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.". Art. 44.In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde onderafdeling een artikel 2.7.3.4.2 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.