← België

Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

In het kort

Dit decreet regelt de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW's) in Vlaanderen, met als doel het welzijn van burgers op lokaal niveau te bevorderen. Het beschrijft de samenstelling en verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn, die deze centra bestuurt.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
19 DECEMBER 2008. - Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 2.De openbare centra voor maatschappelijk welzijn beogen om op het lokale niveau duurzaam bij te dragen tot het welzijn van de burgers, met behoud van de opdracht, vermeld in artikelen 1 en 57 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en de andere aangelegenheden die hen door of krachtens een wet of een decreet worden opgelegd. Art. 3.De openbare centra voor maatschappelijk welzijn verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige uitoefening van hun bevoegdheden. Ze betrekken de inwoners zo veel mogelijk bij het beleid en zorgen voor openheid van bestuur. Art. 4.Dit decreet is van toepassing op alle openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied onder voorbehoud van de toepassing van de regelingen, vermeld in artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. TITEL II. - Het bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn HOOFDSTUK I. - De raad voor maatschappelijk welzijn Afdeling I. - De organisatie van de raad voor maatschappelijk welzijn Art. 5.§ 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn die bestaat uit : 1° negen leden in de gemeenten met niet meer dan 15 000 inwoners;2° elf leden in de gemeenten met 15 001 tot en met 50 000 inwoners;3° dertien leden in de gemeenten met 50 001 tot en met 150 000 inwoners;4° vijftien leden in de gemeenten met meer dan 150 000 inwoners. Als het aantal leden van de gemeenteraad van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, minder bedraagt dan het aantal leden, vermeld in het eerste lid, wordt het aantal leden van de raad voor maatschappelijk welzijn teruggebracht tot het aantal leden van de gemeenteraad. § 2. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen zullen plaatsvinden, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten die, overeenkomstig artikel 5, laatste lid, van de Nieuwe Gemeentewet door de Minister van Binnenlandse Zaken worden vastgesteld en in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, en wordt opdracht gegeven tot bekendmaking van de lijst in het Belgisch Staatsblad. Het in aanmerking te nemen inwonertal is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente hadden. Het bevolkingsaantal op 1 januari, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt, met behoud van de toepassing van het eerste lid, vanaf 1 januari volgend op de bekendmaking ervan, in aanmerking genomen als bevolkingscijfer in dit decreet. Art. 6.§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn wordt om de zes jaar volledig vernieuwd. Met behoud van de toepassing van artikel 17bis van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn verkozen door de gemeenteraadsleden. Zij zijn herverkiesbaar. § 2. Naar aanleiding van een algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn blijven de uittredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in functie tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn onderzocht zijn en tot de installatie van de meerderheid van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaatsgehad. Art. 7.Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden verkozen, moet iemand op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn : 1° Belg zijn;2° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;3° ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;4° zich niet bevinden in een van de gevallen van onverkiesbaarheid, vermeld in artikel 65 van de Gemeentekieswet. Artikel 65, tweede lid, van de Gemeentekieswet is van toepassing als de inbreuken, vermeld in deze bepaling, werden gepleegd tijdens de uitoefening van een ambt binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een gemeenteambt. Art. 8.De raad voor maatschappelijk welzijn mag ten hoogste voor een derde bestaan uit gemeenteraadsleden die hun mandaat uitoefenen binnen de gebiedsomschrijving van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De raad voor maatschappelijk welzijn mag tevens ten hoogste voor een derde bestaan uit personeelsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder personeelsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, de personeelsleden met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden, de leden van de vrijwillige ambulancediensten en het gemeentelijk onderwijzend personeel. Als op de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn meer gemeenteraadsleden of personeelsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, verkozen werden voor de raad voor maatschappelijk welzijn dan het aantal toegelaten gemeenteraadsleden of personeelsleden, vermeld in het eerste en het tweede lid, geldt de voorrangsregeling, vermeld in artikel 12. Het eerste lid heeft geen uitwerking tussen de datum van de installatie van de gemeenteraad, verkozen na een algehele vernieuwing, en de installatie van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 16. Het eerste en het tweede lid hebben geen uitwerking als de raad voor maatschappelijk welzijn rechtstreeks verkozen wordt door de vergadering van de gemeenteraadskiezers. De procedure, vermeld in artikel 14, tweede lid, is met behoud van de toepassing van artikel 13 van toepassing als ingevolge onvoldoende ontvankelijke voordrachten er bij de algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn geen volledige raad voor maatschappelijk welzijn verkozen kon worden. Art. 9.Met behoud van de toepassing van artikel 17bis van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bestaat de raad voor maatschappelijk welzijn uit personen van verschillend geslacht. Art. 10.§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 17bis van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, worden de kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers, vermeld in het vijfde lid, schriftelijk voorgedragen door de verkozenen voor de gemeenteraad. De kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de gedagtekende voordrachtsakte. Om ontvankelijk te zijn, moet de voordrachtsakte ondertekend zijn door ten minste de meerderheid van de verkozenen van eenzelfde lijst die aan de verkiezingen hebben deelgenomen. Als de lijst maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen. Alleen de handtekeningen van de leden van de gemeenteraad die de eed hebben afgelegd, worden daartoe in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de voordrachtsakte hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Niemand van de personen die deelgenomen hebben aan de gemeenteraadsverkiezingen en voorgedragen worden, kan kandidaat zijn op een voordrachtsakte die niet ondertekend is door de meerderheid van de verkozenen van dezelfde lijst die aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen. Als de lijst maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen. Alleen de handtekeningen van de leden van de gemeenteraad die de eed hebben afgelegd, worden daartoe in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de voordrachtsakte hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Niemand kan meer dan één voordrachtsakte ondertekenen. De overtreding van dat verbod heeft in alle voordrachtsakten de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen die in strijd met dat voorschrift werden geplaatst. Een verkozene die meer dan één voordrachtsakte ondertekent, kan voor de duur van de zittingsperiode van de gemeenteraad niet worden benoemd of verkozen als burgemeester, schepen, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van een gemeenteraadscommissie of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, kan de gemeente niet vertegenwoordigen of namens de gemeente een mandaat bekleden in gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen, en kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet vertegenwoordigen of namens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een mandaat bekleden in de ziekenhuizen, vermeld in titel VII, hoofdstuk II, of de verenigingen of vennootschappen, vermeld in titel VIII, of in andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Als de betrokkene al een dergelijk mandaat bekleedt, vervalt dat van rechtswege. De voordrachtsakte is alleen ontvankelijk als de voordracht betrekking heeft op kandidaat-werkende leden van verschillend geslacht en als voor elk kandidaat-werkend lid een of meer kandidaat-opvolgers worden vermeld. De voordrachtsakte vermeldt voor elk kandidaat-werkend lid een of meer kandidaat-opvolgers in de precieze volgorde waarin die zijn voorbestemd om het lid op te volgen. Dezelfde persoon kan opvolger zijn van twee of meer werkende leden die op dezelfde akte werden voorgedragen. Dezelfde persoon kan tevens kandidaat-werkend lid en kandidaat-opvolger zijn. De voordrachtsakte kan tevens de einddatum van het mandaat van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vermelden, samen met de naam van de persoon die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de voordrachtsakte als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte, neemt de opvolger vervroegd het mandaat op. De voordrachtsakten worden uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad in tweevoud aan de gemeentesecretaris overhandigd. Voordrachtsakten die na die datum zijn ingediend, zijn niet ontvankelijk. De indiener van de voordrachtsakte krijgt het tweede exemplaar terug nadat daarop voor ontvangst getekend werd. § 2. Voor de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verkozen, gaat de gemeenteraad na of de voordrachtsakte ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in § 1. § 3. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vormt. De voorzitter van de gemeenteraad kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en de procedure die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de voordrachtsakten en bij de verkiezingen. Art. 11.§ 1. De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad in openbare zitting. Voor de verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft elk gemeenteraadslid : 1° één stem als er minder dan vier leden te verkiezen zijn;2° drie stemmen als er vier of vijf leden te verkiezen zijn;3° vier stemmen als er zes of zeven leden te verkiezen zijn;4° vijf stemmen als er acht of negen leden te verkiezen zijn;5° zes stemmen als er tien of elf leden te verkiezen zijn;6° acht stemmen als er twaalf of meer leden te verkiezen zijn. Elk gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft. Op elk stembiljet brengt hij een stem uit voor een werkend lid. § 2. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verkozen bij geheime stemming en in één enkele stemronde. De gemeenteraadsleden kunnen hun stem geldig uitbrengen ten gunste van een bloed- of aanverwant. Art. 12.Met behoud van de toepassing van artikel 13 zijn de kandidaten die de meeste stemmen hebben verkregen, verkozen tot werkende leden. Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde : 1° aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt.Als er twee of meer kandidaten in dat geval zijn, dan wordt voorrang verleend aan de kandidaat die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend; 2° aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend.Als er twee of meer kandidaten in dat geval zijn, dan wordt voorrang verleend aan de kandidaat die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur, aan de kandidaat die het laatst is afgetreden; 3° aan de jongste kandidaat in jaren. Als de verkiezing van de verkozene vernietigd wordt wegens onverkiesbaarheid, wordt hij met behoud van de toepassing van artikel 9 vervangen door zijn opvolger. De kandidaten die als opvolgers van een verkozen werkend lid werden voorgedragen, zijn met behoud van de toepassing van artikel 9 de opvolgers van het voormelde lid. Art. 13.Als de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk na zijn algehele verkiezing niet rechtsgeldig is samengesteld overeenkomstig artikel 9, wordt de, in voorkomend geval met toepassing van artikel 12, tweede lid, laatst verkozen persoon die voorkomt op de voordrachtsakte waarvan het hoogste aantal leden is verkozen, van rechtswege vervangen door de persoon van het andere geslacht die voorkomt op diezelfde voordrachtsakte en die het meeste stemmen heeft behaald en bij gelijk aantal of geen stemmen de eerste persoon van het andere geslacht op die voordrachtsakte. Onder laatst verkozen persoon wordt verstaan de persoon die het minst aantal stemmen heeft gehaald. Als er meerdere voordrachtsakten zijn in de zin van het vorige lid, wordt de, in voorkomend geval met toepassing van artikel 12, tweede lid, laatst verkozen persoon die voorkomt op een van die voordrachtsakten, van rechtswege vervangen door de persoon van het andere geslacht van dezelfde voordrachtsakte als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat vervangen wordt, die het meeste stemmen heeft behaald en bij gelijk aantal of geen stemmen de eerste persoon van het andere geslacht op die voordrachtsakte. Onder laatst verkozen persoon wordt verstaan de persoon die het minst aantal stemmen heeft gehaald. Als die persoon van het andere geslacht met een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn een band heeft als vermeld in artikel 20 wordt het oorspronkelijk verkozen lid van de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel van rechtswege vervangen door de eerstvolgende persoon van het andere geslacht die op dezelfde voordrachtsakte voorkomt. Als overeenkomstig de vorige leden niet tot vervanging kan worden overgegaan, wordt met toepassing van artikelen 9 en 14, in de vervanging voorzien. Art. 14.Als een werkend lid voor zijn mandaat verstreken is, ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of verhinderd is en als hij, met behoud van de toepassing van artikel 9, geen opvolger of opvolgers meer heeft, kunnen alle gemeenteraadsleden die nog in functie zijn en die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend, met behoud van de toepassing van artikel 9, gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een of meer kandidaat-opvolgers voordragen. Die voordrachtsakte moet uiterlijk vijf dagen vóór de gemeenteraadszitting waarop de geloofsbrieven van het nieuwe lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de opvolger of opvolgers zullen worden onderzocht aan de gemeentesecretaris worden overhandigd. In dat geval is de kandidaat verkozen verklaard en worden de kandidaat-opvolgers aangesteld in de orde van hun voordracht. Een opvolger die ingevolge zijn geslacht het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat ontslag genomen heeft, niet kon opvolgen, wordt geacht opvolger te zijn van het nieuw verkozen lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en neemt rang in vóór de opvolgers, vermeld op de voordrachtsakte. Als er binnen de zestig dagen nadat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of de datum van zijn verhindering ingaat geen vervanger wordt voorgedragen of als er geen vervanger kan worden voorgedragen, dan wordt met behoud van de toepassing van artikel 9 in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over zoveel stemmen beschikt als vermeld in artikel 11 en waarbij de kandidaat of de kandidaten die de meeste stemmen behalen als verkozen worden verklaard. Bij staking van stemmen is artikel 12 van toepassing. De kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers worden met toepassing van artikel 10 voorgedragen, met dien verstande dat de voordrachtsakten op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk vijf dagen voor de gemeenteraadszitting waarop het nieuwe lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de opvolger of opvolgers zullen worden verkozen, aan de gemeentesecretaris worden overhandigd. Art. 15.§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 18bis van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt het dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers onverwijld bezorgd aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Dat rechtscollege is bevoegd om bezwaren te behandelen die tegen de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn worden ingebracht. § 2. Alleen de gemeenteraadsleden en de personen die voorkomen op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 10, § 1, en in artikel 14, zijn gerechtigd om bezwaar in te dienen. Het bezwaarschrift moet, op straffe van onontvankelijkheid, bij het secretariaat van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen worden ingediend, hetzij met een aangetekende brief, hetzij met een brief, afgegeven tegen ontvangstbewijs, uiterlijk de vijfde dag die volgt op de afkondiging van de verkiezingsuitslag. Bij indiening met een aangetekende brief is de datum van het postmerk bepalend. Het is verboden, op straffe van gevangenisstraffen van een maand tot twee jaar, dat ontvangstbewijs te antidateren. § 3. Het bezwaar wordt ingesteld met een verzoekschrift, waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen argumenten. Het bezwaarschrift wordt gedagtekend en, op straffe van onontvankelijkheid, ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman. Het vermeldt : 1° de naam en de woonplaats van de verzoeker.Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de verzoeker, wordt dat in het verzoekschrift aangegeven; 2° het voorwerp van het bezwaar. § 4. De verzoeker kan bij zijn verzoekschrift de overtuigingsstukken voegen die hij nodig acht. De verzoeker kan achteraf alleen aanvullende overtuigingsstukken aan het dossier laten toevoegen, als die hem bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet bekend waren. De verzoeker bezorgt in dat geval onverwijld een kopie van de aanvullende overtuigingsstukken aan de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De overtuigingsstukken worden door de verzoeker gebundeld en geïnventariseerd. Een onontvankelijk verzoekschrift kan gedurende de bezwaartermijn worden vervangen door een nieuw verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt. Het secretariaat van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen schrijft elk bezwaar en het aantal overtuigingsstukken en aanvullende overtuigingsstukken in een register. Het bezwaar is niet opschortend ten aanzien van de verkiezingen. Het bezwaarschrift wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 85ter, § 6, van de Gemeentekieswet. § 5. De dag na de ontvangst van het bezwaarschrift bezorgt het secretariaat van de Raad voor Verkie-zingsbetwistingen dat bezwaarschrift en de overtuigingsstukken aan de gemeente, aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de kandidaten van wie de verkiezing of verkiezingsrang wordt betwist. § 6. Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro. § 7. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak, als er bezwaar wordt ingediend, of kan ambtshalve uitspraak doen in de overige gevallen, binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier, over de geldigheid van de verkiezingen. Hij herstelt, in voorkomend geval, de vergissingen die begaan zijn bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd. § 8. Een lid van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zet de zaak uiteen en de beslissing wordt uitgesproken in openbare vergadering. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de naam van de verslaggever en de namen van de aanwezige leden, alles op straffe van nietigheid. De beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of het feit dat de termijn van dertig dagen is verstreken, wordt door het secretariaat van dat rechtscollege meegedeeld aan de gemeente en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opvolgers van wie de verkiezing werd vernietigd en de opvolgers van wie de verkiezingsrang werd gewijzigd, alsook de personen die bezwaren hebben ingediend, worden daarvan op de hoogte gebracht met een aangetekende brief of met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs. De beslissing van het rechtscollege heeft op zijn vroegst uitwerking na het verstrijken van de termijnen, vermeld in § 9, om beroep in te stellen bij de Raad van State. § 9. De natuurlijke personen en de rechtspersonen, vermeld in § 8, kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de mededeling of de kennisgeving, vermeld in § 8. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tot vernietiging of tot wijziging van de verkiezingsuitslag of van de zetelverdeling. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de provinciegouverneur, aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan de gemeente en aan de verkozenen van wie de verkiezing of verkiezingsrang wordt betwist. De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de verzoeker, de provinciegouverneur, het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de gemeente en de verkozenen van wie de verkiezing wordt vernietigd of van wie de verkiezingsrang wordt gewijzigd. Als een vernietiging definitief geworden is, wordt binnen twintig dagen, vanaf de dag na de kennisgeving van de vernietiging aan de betrokken gemeente, tot een nieuwe verkiezing overgegaan op basis van de overeenkomstig artikelen 10 en 14 ingediende ontvankelijke voordrachtsakte voor de vernietigde verkiezing. Nieuw ingediende voordrachtsakten zijn niet ontvankelijk. Ingeval van onvoldoende voordrachten, is artikel 8, zevende lid, van toepassing, met dien verstande dat de termijn van twintig dagen geldt. Tot de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen enkel dringende zaken worden behandeld. Een vernietiging of een herstel van de verkiezingsuitslag tast de geldigheid niet aan van de beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn die genomen zijn voor de kennisgeving van de definitieve uitspraak. Art. 16.§ 1. De voorgedragen kandidaat-werkende leden en hun opvolgers worden, voor de goede orde, door de gemeentesecretaris ten minste acht dagen vóór de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering. § 2. De installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn vindt van rechtswege plaats op de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om 20 uur, op de derde werkdag na de installatievergadering van de gemeenteraad. Als overeenkomstig artikel 15, § 9, tot een nieuwe verkiezing werd overgegaan, vindt de installatievergadering plaats op de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om 20 uur, de derde werkdag die volgt op de dag van de verkiezing. Als de meerderheid van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn niet verkozen kon worden, heeft de installatievergadering plaats om 20 uur, de derde werkdag die volgt op de dag van de aanvullende verkiezing. Elke dag van de week, behalve zaterdag, zondag en wettelijke en decretale feestdagen, is een werkdag. § 3. In afwachting van de verkiezing van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt de installatievergadering voorgezeten door de voorzitter van de gemeenteraad, of in voorkomend geval, door de persoon die overeenkomstig artikel 17, ter zitting de eed afneemt van de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Uiterlijk op de installatievergadering worden de voorgedragen kandidaat-leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ervan op de hoogte gebracht of zij verkozen werden en of hun geloofsbrieven werden goedgekeurd. § 4. De gemeenteraad onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers. De geloofsbrieven van de opvolgers worden opnieuw onderzocht door de voorzitter van de gemeenteraad wanneer zij na de algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn geroepen worden om een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn te vervangen. De verkozen leden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van wie de geloofsbrieven werden goedgekeurd, leggen, voor ze hun mandaat aanvaarden, de volgende eed af in handen van de voorzitter van de gemeenteraad : « Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. ». In geval van algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering, vermeld in § 1. Elke andere eedaflegging gebeurt enkel ten overstaan van de voorzitter van de gemeenteraad en in aanwezigheid van de gemeentesecretaris. Daarvan wordt een door de voorzitter van de gemeenteraad en de gemeentesecretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat naar de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gestuurd. De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen van de eedaflegging op de hoogte gebracht. § 5. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die aanwezig zijn op de installatievergadering en die de eed niet afleggen, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat. § 6. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die niet aanwezig zijn op de installatie-vergadering en die, nadat ze daartoe uitdrukkelijk zijn opgeroepen, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat. Art. 17.Als de voorzitter van de gemeenteraad nalaat de eed af te nemen van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn op de installatievergadering of, bij vervanging van een lid, na de installatievergadering uiterlijk vóór de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de eed afgenomen door een lid van het college van burgemeester en schepenen volgens de rangorde, waarbij de burgemeester wordt geacht een hogere rang in te nemen dan een schepen. Als de voorzitter van de gemeenteraad nalaat de eed af te nemen op de installatievergadering, noteert de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de vervanging van de voorzitter van de gemeenteraad in de notulen van de vergadering. In geval van een latere eedaflegging ondertekent de optredende gemeentemandataris samen met de gemeentesecretaris het proces-verbaal dat naar de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt gestuurd. Art. 18.Een verkozen lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, brengt de voorzitter van de gemeenteraad daarvan schriftelijk op de hoogte. De afstand wordt definitief zodra de voorzitter van de gemeenteraad daarvan kennis heeft genomen. Art. 19.§ 1. Het mandaat van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat tijdens zijn mandaat niet meer voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden of zich in een toestand van onverenigbaarheid bevindt, wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn voor vervallen verklaard nadat het betrokken lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is gehoord. Als het om een onverenigbaarheid van ambten of mandaten gaat, verzoekt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vooraf om binnen vijftien dagen een einde te maken aan die situatie. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, evenals de betrokkene, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de raad voor maatschappelijk welzijn niet optreedt binnen twee maanden nadat hij heeft kennisgenomen van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het openbaar ministerie. De raad voor maatschappelijk welzijn wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het openbaar ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van de uitspraak van het verval door de raad voor maatschappelijk welzijn of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Ze tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn niet aan. § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen, vermeld in artikel 262 van het Strafwetboek. § 4. Als een geïnstalleerd lid van de raad voor maatschappelijk welzijn lid wordt van de gemeenteraad, wordt hij geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn als hij zich bevindt in het geval, vermeld in artikel 8, eerste lid. Als een gemeenteraadslid een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn opvolgt en als daardoor afbreuk gedaan wordt aan artikel 8, eerste lid, kan hij niet worden geïnstalleerd. Als een geïnstalleerd lid van de raad voor maatschappelijk welzijn personeelslid wordt van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, wordt hij geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn, als hij zich bevindt in het geval, vermeld in artikel 8, tweede lid. Als een persoon die ook personeelslid is van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn opvolgt en als daardoor afbreuk gedaan wordt aan artikel 8, tweede lid, kan hij niet worden geïnstalleerd. Art. 20.De volgende personen kunnen geen deel uitmaken van een raad voor maatschappelijk welzijn : 1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voor zover het ambtsgebied van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in kwestie deel uitmaakt van hun ambtsgebied;2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Grondwettelijk Hof;3° met behoud van de toepassing van artikel 24, 3°, de burgemeesters en de schepenen, met uitzondering van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, alsmede de leden van de colleges van federaties van gemeenten en agglomeraties;4° de gemeentesecretaris van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;5° de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bezoldigde personeelsleden, alsmede alle overige personen die er werken, vermeld in artikel 109, § 2;6° de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of echtgenoten in de raad voor maatschappelijk welzijn van hetzelfde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Als bloed- of aanverwanten in een van die graden of twee echtgenoten worden gekozen bij dezelfde verkiezing, dan wordt de voorkeur bepaald door de met toepassing van artikel 12 bepaalde verkiezingsrang. Als twee bloed- of aanverwanten in een verboden graad of twee echtgenoten worden gekozen, de ene tot lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de andere tot opvolger, dan geldt het verbod om zitting te nemen alleen voor de opvolger. Tussen opvolgers die voor opengevallen plaatsen in aanmerking komen, wordt de voorrang allereerst bepaald door de tijdsorde van de vacatures. Tussen personen die gelijktijdig door opvolging lid van de raad voor maatschappelijk welzijn worden, wordt de voorrang bepaald door de verkiezingsrang van de werkende leden die ze opvolgen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld. Aanverwantschap die later tot stand komt tussen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, brengt geen verval van hun mandaat mee. Dat geldt niet bij een huwelijk tussen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en als er een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek werd afgelegd. De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door het beëindigen van de wettelijke samenwoning. Het eerste lid, 3°, heeft geen uitwerking tussen de installatievergadering van de gemeenteraad en de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn voor een maximale duur van drie werkdagen. Art. 21.Het verkozen lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat zich op het ogenblik van zijn installatie als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de raad voor maatschappelijk welzijn, kan de eed niet afleggen en wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het aan hem toegekende mandaat. Art. 22.Met behoud van de toepassing van artikelen 21 en 21bis van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak over geschillen die rijzen in verband met de afstand, het verval, het ontslag of de verhindering van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of ondervoorzitter, lid van het vast bureau of van een bijzonder comité, geschillen die rijzen in verband met het goedkeuren van de geloofsbrieven, de eedaflegging, de kennis van de bestuurstaal, vermeld in artikel 57, de verkiezing, benoeming, vervanging en opvolging van de leden van het vast bureau en een bijzonder comité en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of ondervoorzitter, en over de beroepen, ingesteld overeenkomstig artikelen 170, 171 en 176. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet eveneens uitspraak over geschillen die rijzen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een vertrouwenspersoon als vermeld in artikelen 28 en 69 moet voldoen, alsmede of het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, de ondervoorzitter of het lid van het vast bureau of een bijzonder comité voldoet aan de voorwaarden om beroep te kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Tegen de uitspraken van het rechtscollege, vermeld in het eerste lid, is binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene, aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeente. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de provinciegouverneur, het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente. Art. 23.Artikelen 19, 21 en 22 doen geen afbreuk aan het volgende : 1° de regeling vermeld in artikelen 21 en 23 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de randgemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;2° de regeling, vermeld in artikelen 21bis en 23 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de gemeente Voeren. Art. 24.De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van de verhindering van de volgende personen : 1° het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland gedurende een minimale termijn van twaalf weken niet aanwezig kan zijn op de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en vervangen wil worden.Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Bij het verzoek tot vervanging voor verhindering wegens medische redenen wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot vervanging voor verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest gevoegd van de onderwijsinstelling of opdrachtgever; 2° het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind. Dat lid van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, vervangen, op zijn vroegst vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de negende week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de negende week verlengd met een duur die gelijk is aan die gedurende welke het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zes weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan. In geval van de geboorte of de adoptie van een meerling, kan op verzoek van het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn het verlof verlengd worden met een periode van maximaal twee weken; 3° het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat met toepassing van artikel 63, eerste lid, van het Gemeentedecreet tot burgemeester wordt benoemd ter vervanging van een verhinderde of geschorste burgemeester of met toepassing van artikel 50, § 1, van het Gemeentedecreet tot schepen wordt verkozen ter vervanging van een verhinderde of geschorste schepen.4° het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat omwille van palliatief verlof of verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek familielid tot en met de tweede graad of van een zwaar ziek gezinslid gedurende minimaal twaalf weken niet aanwezig wenst te zijn op de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en vervangen wil worden.Hij richt daartoe aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn een schriftelijk verzoek, vergezeld van een verklaring op erewoord waarin het raadslid zich bereid verklaart om bijstand of verzorging te verlenen. De naam van de patiënt hoeft niet te worden vermeld. Art. 25.Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de gemeenteraad. Het ontslag is definitief na de ontvangst van die kennisgeving door de voorzitter van de gemeenteraad. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behoudens als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid. Art. 26.Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft, of dat overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 10 of in voorkomend geval artikel 14. De geloofsbrieven van de opvolgers worden onderzocht overeenkomstig artikel 16, § 4. Behoudens in het geval van een afstand van mandaat vóór of op de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn en met behoud van de toepassing van artikel 17 gebeurt de eedaflegging enkel ten overstaan van de voorzitter van de gemeenteraad en in aanwezigheid van de gemeentesecretaris. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering. De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen van de eedaflegging of van de beëindiging van de periode van verhindering op de hoogte gebracht. Art. 27.§ 1. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn ontvangen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn presentiegeld voor hun aanwezigheid op vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de leden voor wie de raad voor maatschappelijk welzijn bij reglement kan bepalen dat presentiegeld wordt verleend. § 2. Het presentiegeld bedraagt voor de aanwezigheid op de raad voor maatschappelijk welzijn evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad. Het presentiegeld bedraagt voor het bijwonen van de vergaderingen van het vast bureau en voor het bijwonen van de vergaderingen van een bijzonder comité en voor de overige vergaderingen van de lijst, vermeld in § 1, maximaal evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn geen beslissing over het presentiegeld genomen heeft, bedraagt het presentiegeld evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad. De raad voor maatschappelijk welzijn vermindert op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, de presentiegelden van het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vult die vergoeding aan op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stelt vast of aan de vereiste voorwaarden is voldaan. De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50 000 inwoners. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de raad voor maatschappelijk welzijn kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat, voor terugbetaling in aanmerking komen. § 4. De raad voor maatschappelijk welzijn kent de eretitels toe aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. § 5. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de normale uitoefening van hun mandaat. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit tevens een verzekering af voor ongevallen van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, overkomen in het kader van de normale uitoefening van hun mandaat. § 6. Behalve in geval van herhaling is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn mandaat, met uitzondering van de persoonlijke inbreuk begaan op de verkeersreglementering. De regresvordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van de veroordeelde leden van de raad voor maatschappelijk welzijn is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen. Art. 28.§ 1. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit de personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat deze aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet en zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikel 20, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap ten aanzien van het lid met een handicap en een situatie als vermeld in artikel 24. § 2. Voor de toepassing van § 1 bepaalt de Vlaamse Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn met een handicap. § 3. Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft eveneens recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Afdeling II. - De werking van de raad voor maatschappelijk welzijn Art. 29.De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren, het vereisen en ten minste tienmaal per jaar. Art. 30.De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn beslist tot bijeenroeping van de raad voor maatschappelijk welzijn en stelt de agenda van de vergadering op. Hij staat in voor het voorafgaande onderzoek van de zaken die aan de raad voor maatschappelijk welzijn worden voorgelegd. Op verzoek van de burgemeester of van een derde van de zittinghebbende leden is de voorzitter verplicht de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen op de aangewezen dag en het aangewezen uur en met de voorgestelde agenda. Daartoe bezorgen ze voor elk punt op die agenda hun toegelicht voorstel van beslissing aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Art. 31.Behalve in spoedeisende gevallen en behalve in geval van de toepassing van artikel 16 wordt de oproeping ten minste acht dagen voor de dag van de vergadering aan het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd. In spoedeisende gevallen kan die termijn ingekort worden. De oproeping vermeldt in elk geval de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergadering en bevat een toegelicht voorstel van beslissing. De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn. Voor elk agendapunt wordt het dossier dat erop betrekking heeft, ter beschikking van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gesteld vanaf de verzending van de agenda. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de oproeping van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt bezorgd en de wijze waarop het dossier dat op de agenda betrekking heeft, ter beschikking wordt gesteld. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de door hem aangewezen ambtenaren verstrekken aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die erom verzoeken, technische inlichtingen over stukken die in het dossier voorkomen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. Art. 32.Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen uiterlijk vijf dagen voor de vergadering punten aan de agenda toevoegen. Daartoe bezorgen ze hun toegelicht voorstel van beslissing aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter. Van die mogelijkheid kan geen gebruik worden gemaakt door de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelt de aanvullende agendapunten, zoals vastgesteld door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, samen met de bijbehorende toegelichte voorstellen onverwijld mee aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Art. 33.§ 1. Behalve in spoedeisende gevallen worden plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn uiterlijk acht dagen voor de vergadering openbaar gemaakt op de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zodat het publiek ervan kan kennisnemen op elk moment. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels over de wijze van openbaarmaking. Als agendapunten aan de agenda worden toegevoegd overeenkomstig artikel 32, wordt de aangepaste agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid. In spoedeisende gevallen wordt de agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld en uiterlijk vóór de aanvang van de vergadering openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid. § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verplicht aan iedere natuurlijke persoon en aan iedere rechtspersoon of groepering ervan die erom verzoekt, de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn en de stukken die erop betrekking hebben, openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen of er een afschrift van te overhandigen overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 betreffende de openbaarheid van bestuur. Art. 34.De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn zit de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn voor en opent en sluit de vergaderingen. Art. 35.De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is belast met de handhaving van de orde in de vergadering. Hij kan, na een voorafgaande waarschuwing, elke toehoorder die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of die op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt, uit de zaal laten verwijderen. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn kan bovendien een proces-verbaal opmaken tegen die persoon en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot een geldboete van één tot vijftien euro of tot een gevangenisstraf van één dag tot drie dagen, behoudens andere vervolgingen, als het feit daartoe grond oplevert. Art. 36.De raad voor maatschappelijk welzijn kan enkel beraadslagen of beslissen als de meerderheid van de zittinghebbende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn aanwezig is. De raad voor maatschappelijk welzijn kan echter, als hij eenmaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden aanwezig is, na een tweede oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze beraadslagen of beslissen over de onderwerpen die voor de tweede maal op de agenda voorkomen. In die oproeping wordt vermeld dat het om een tweede oproeping gaat. In de tweede oproeping worden de bepalingen van dit artikel overgenomen. Art. 37.§ 1. Het is voor een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over : 1° aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, ontslagen, afzettingen en schorsingen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld; 2° de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening van een instantie waaraan hij rekenschap verschuldigd is of waarvan hij tot het uitvoerend orgaan behoort. Deze bepaling is niet van toepassing op het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat zich in de bovenvermelde omstandigheden bevindt louter op grond van het feit dat hij als vertegenwoordiger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is aangewezen in andere rechtspersonen. § 2. Het is voor een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn verboden : 1° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling te werken in geschillen ten behoeve van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.Dat verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn werken; 2° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris te werken in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of ten behoeve van een personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.Dat verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn werken; 3° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst te sluiten, behoudens in geval van een schenking aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de verenigingen of vennootschappen, vermeld in titel VIII, of deel te nemen aan een opdracht voor aanneming van werken, levering of diensten, verkoop of aankoop ten behoeve van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de verenigingen of vennootschappen, vermeld in titel VIII, behoudens in de gevallen waarbij het lid van de raad voor maatschapp …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.