📄 Wettekst
4 AUGUSTUS 2004. - Koninklijk besluit betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, sluit aan bij de wens van de huidige Regering om België op federaal niveau te begiftigen met een moderne en efficiënte administratie. Een middel om die doelstelling te realiseren, bestaat erin de meeste zorg aan het beheer van de human resources te besteden. De personeelsleden moeten tijdens hun ganse loopbaan een functie kunnen uitoefenen, die hen kan valoriseren en waarbij de overheidsdienst zeer veel baat zou kunnen vinden. Het komt erop aan hun ervaring, hun competenties en hun verwachtingen te valoriseren : zo kunnen hun motivering en hun prestaties verhogen wat de kwaliteit van de dienstverlening aan de burgers ten goede zal komen.
Het is in die optiek dat de voorgaande Regering een diepgaande hervorming van de loopbaan voor de personeelsleden van de niveaus B, C en D had bewerkstelligd, die werd geconcretiseerd door het
koninklijk besluit van 5 september 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten8. Het komt er nu op aan zich toe te leggen op de loopbaan en de bezoldiging van de personeelsleden van het huidige niveau 1. Ook zij moeten kunnen aanspraak maken op duidelijke en interessante loopbaanvooruitzichten die aan hun verwachtingen beantwoorden. Het is de bedoeling een loopbaan te creëren die de personeelsleden mogelijkheden aanreikt om in hun beroep te evolueren, waarbij de objectiviteit en de doorzichtigheid bij de toegang tot de betrekkingen en de bevorderingen wordt gegarandeerd.
De noden van de federale overheid en de verwachtingen van de personeelsleden monden beide uit in een meer gedifferentieerd en gediversifieerd loopbaanstelsel. De differentiatie beantwoordt aan de noodzaak voor de overheid om enerzijds over ambtenaren te beschikken die bekwaam zijn om teams leiding te geven, en anderzijds over ambtenaren die gespecialiseerd zijn in materies die ze op technisch vlak steeds beter gaan beheersen. De diversificatie moet op haar beurt de personeelsleden in staat stellen hun loopbaan te verrijken door een ander vak of een ander departement te kiezen.
De nieuwe loopbaan van niveau 1, dat niveau A wordt, zal dynamischer zijn in vergelijking met vroeger. Ze zal stoelen op de idee van vakken, de definitie van vakrichtingen en georganiseerd worden rondom gediversifieerde vaktrajecten.
Het belang van een aanpak per vak is van tweeërlei aard : ze staat garant voor een betere overeenstemming tussen de noden van de overheid en de competenties van haar personeelsleden en ze valoriseert die laatsten door hun competenties en hun specialisatiegraad te onderkennen. Wat dit laatste voordeel betreft, moet immers worden onderstreept dat een duidelijke tekortkoming in de huidige loopbaan van niveau 1 terug te voeren is op de afwezigheid van een loopbaanperspectief buiten de managementloopbaan. Tot nu toe worden in niveau 1 de in een bepaald domein verworven technische competenties en specialisatie onvoldoende belicht, terwijl ze zich middenin de overheidsdiensten zelf bevinden. De expertiseloopbanen moeten dus worden ontwikkeld om een professionele erkenning van die hoge competentiegraad mogelijk te maken.
De centrale idee van het beheer van de loopbanen per vakrichting bestaat erin, binnen de richtingen, het verwerven van competenties te valoriseren.
De nieuwe loopbaan van niveau A draait rond de volgende assen : -een gewaarborgde baremaloopbaan : deze moet de personeelsleden die om persoonlijke redenen niet de intentie hebben om een loopbaan uit te bouwen, de kans bieden om niettemin minimaal vooruitgang te boeken; - loopplanken naar een expertiseniveau dat over verschillende niveaus verspreid is op basis van competenties en opleidingen.
Om in te staan voor de continuïteit van de modernisering is het van belang een nieuwe loopbaan voor niveau 1 in te voeren. Dat is de doelstelling van dit koninklijk besluit.
Het nieuwe beleid inzake loopbaan en beloning van niveau A is van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten, het burgerlijk personeel van het ministerie van Landsverdediging, het niet-wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen, het personeel van de openbare instellingen van sociale zekerheid en het personeel van de instellingen van openbaar nut dat is onderworpen aan het statuut van het Rijkspersoneel, bij toepassing van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut.
De nieuwe loopbaan van niveau A draait rond vakrichtingen die in verschillende klassen zijn ingedeeld.
De vakrichting is een functiegroep waarvoor een bepaald kennisdomein voor de uitoefening van een activiteit is vereist. Bij wijze van voorbeeld kunnen we bijvoorbeeld de vakrichting Personeel en Organisatie en de vakrichting fiscaliteit vernoemen...
De structuur in vakrichtingen biedt de personeelsleden het voordeel van een duidelijke voorstelling van de loopbaanperspectieven.
De vakrichtingen zullen worden vastgelegd vanaf expertisedomeinen en bepaald door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie in overleg met de andere federale overheidsdiensten, de openbare instellingen van sociale zekerheid, het ministerie van Landsverdediging, de wetenschappelijke instellingen en de andere instellingen van openbaar nut.
De vakrichting wordt onderverdeeld in vakklassen : een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden. De laagste klasse omvat de lichtste functies en de hoogste klasse de zwaarste functies.
De nieuwe loopbaan van niveau A omvat dus vijf klassen : A1, A2, A3, A4 en A5, waarvan de laatste de hoogste klasse is. Elke ambtenaar zal op basis van een wegings- en classificatiesysteem van de functies in een klasse ingedeeld worden.
De weging en de classificatie van functies bestaan uit de vergelijkende analyse en beoordeling van de toegevoegde waarde van een functie op basis van objectieve, argumenteerde en begrijpelijke criteria.
De structuur in vakrichtingen impliceert een lijst van alle bestaande functies binnen het federaal administratief openbaar ambt. Het is dus aangewezen om op voorhand een inventaris van de verschillende functietypes op te stellen die binnen de departementen bestaan.
Teneinde de homogeniteit van de klassen in de verschillende vakrichtingen te verzekeren, wordt gewerkt met matrices van de vakklassen : deze worden bekomen door typefuncties te wegen.
De typefuncties zijn de functies die de meest representatieve zijn in het federaal openbaar ambt. Zij moeten een zo betrouwbaar mogelijk beeld geven van alle functies. Naast de meest voorkomende functies zal men er ook de minder voorkomende functies in terugvinden die echter evenzeer nodig zijn voor de samenstelling van de matrices. Dus, ook al zijn de zeer hoge functies waaraan de expertise en impact van klasse A5 verbonden zijn, zeker niet de meest voorkomende functies in de administratie, zal men er toch voorbeelden van terugvinden in de typefuncties, precies om de basis te bekomen voor de matrices van die vakklasse.
Een matrix van een vakklasse zal het geheel van de competenties bepalen, die gemeenschappelijk zijn voor de typefuncties van een vakklasse.
Het wegingssysteem dat voor de typefuncties wordt gebruikt is op drie soorten criteria gebaseerd : 1° Het eerste criterium heeft betrekking op de generieke competenties die vereist zijn om de functie op een correcte manier uit te oefenen. De bewuste generieke competenties zijn informatiebeheer, omgaan met taken, leidinggeven en interpersoonlijke relaties; de generieke competenties inzake het persoonlijk functioneren van de ambtenaar zijn dus uitgesloten : het gaat er immers om een functie te wegen en niet de houder van de functie; 2° Het tweede criterium heeft betrekking op de technische expertise die vereist is om een bepaalde functie uit te oefenen;er zal een onderscheid worden gemaakt tussen de diepgang van de technische expertise en de complexiteit ervan; 3° Het derde criterium heeft betrekking op de impact van de functie op de administratie inzake procedures en resultaten, op het verantwoordelijkheidsbereik van de functie en op de omvang inzake het aantal medewerkers, middelen en begroting. De generieke competenties zijn competenties die nodig zijn voor de goede uitoefening van gelijk welke functie. Ze zijn in vier groepen onderverdeeld : - informatie beheren : het gaat erom vast te leggen in welke mate een ambtenaar informatie, kennis moet kunnen verwerken; - omgaan met taken : het gaat erom vast te leggen in welke mate een ambtenaar zijn werk, met het oog op een optimale ontwikkeling van zijn taken en activiteiten, moet kunnen organiseren en structureren; - leidinggeven : het gaat erom de wijze waarop een ambtenaar personen moet leiden in een functionele of hiërarchische context vast te leggen; - interpersoonlijke relaties : het gaat erom de wijze waarop een ambtenaar zich met collega's moet gedragen vast te leggen.
De technische competenties zijn, wat hen betreft, de specifieke kennis en de technische vaardigheden die nodig zijn voor een adequate uitvoering van een functie : bijvoorbeeld het beheersen van een bepaald kennisdomein, kennis van procedures, het beheersen van bepaald materiaal, enz. De technische competenties hangen uiteraard af van de vakrichting waarin de functie zich situeert.
Het wegingssysteem is dus op vijf matrices gebaseerd, namelijk : - matrix 1 : technische expertise - matrix 2 : informatiebeheer - matrix 3 : omgaan met taken - matrix 4 : leidinggeven - matrix 5 : interpersoonlijke relaties.
Elke matrix geeft op de verticale as het competentieniveau en op de horizontale as de niveaus van de impact, het verantwoordelijkheidsbereik en de omvang weer.
De combinatie van die twee elementen geeft een resultaat per matrix; dat resultaat wordt in gewicht of percentage uitgedrukt en situeert zich ergens tussen een minimum en een maximum waarde : - matrix 1 : technische expertise : minimumgewicht = 25 maximumgewicht = 1468 - matrix 2 : informatiebeheer : minimumgewicht = 15 maximumgewicht = 881 - matrix 3 : omgaan met taken : minimumgewicht = 15 maximumgewicht = 1488 - matrix 4 : leidinggeven : minimumpercentage = 2 % maximumpercentage = 49 % - matrix 5 : interpersoonlijke relaties : minimumgewicht = 5 maximumgewicht = 294 In de praktijk wordt vertrokken van de functiebeschrijving. Op basis van die beschrijving wordt matrix per matrix het punt bepaald waarop die functie zich bevindt.
Afhankelijk van de functie en dus de functiebeschrijving wordt op de ene matrix meer in de diepte gescoord en minder in de breedte, terwijl diezelfde functie in een andere matrix meer in de breedte en minder in de diepte scoort.
In het verder verloop van de classificatiewerkzaamheden wordt de functie niet meer gewogen maar geclassificeerd op basis van de matrix van de overeenkomstige vakklasse.
De resultaten van de classificatie van de functies zullen vastgelegd worden in een navolgend koninklijk besluit zoals bepaald in artikel 5 van dit besluit.
Wanneer merkbare wijzigingen in de functies zullen gebeuren, zullen de matrix van de vakklasse aangepast moeten worden.
Een andere belangrijke wijziging ingevolge de nieuwe loopbaan heeft betrekking op de aanwerving en op de bevordering. De ambtenaren krijgen ook meer mogelijkheden aangereikt op het vlak van mobiliteit.
Op die manier zullen voor de benoeming in de vakklasse A3 of A4 de vacante betrekkingen ingevuld worden eerst door intern beroep op de federale overheidsdienst, en nadien door beroep, door mobiliteit, op de kandidaten binnen het federaal administratief openbaar ambt, in de zin van artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
In dit geval, zullen de verscheidene diensten van het federaal administratief openbaar ambt uitgenodigd worden de lijst met de vacante betrekkingen over te zenden aan de federale overheidsdienst personeel en organisatie en deze laatste zal het nodige doen, via het netwerk van communicatie dat nog verder zal uitgewerkt worden, om de informatie te vergaren bij de verscheidene stafdiensten personeel en organisatie of personeelsdiensten. Dat zal er uiteraard de diensten niet van ontslaan de vacante betrekkingen mede te delen via Selor en het Belgisch Staatsblad.
Er zijn dan aanwervingen mogelijk in de eerste vakklasse, op basis van de resultaten van de weging van de typefuncties van de betrokken vakrichting, mogelijk klasse A1 of klasse A2, maar mogelijk ook in de klassen A3 of A4. Aanwervingen zijn uitgesloten in klasse A2 (behalve indien deze de facto de eerste vakklasse uitmaakt) evenals in klasse A5 die slechts toegankelijk is via bevordering. In dezelfde omstandigheden zullen er evenmin contractuele ambtenaren aangeworven worden in deze twee klassen.
Indien het niet mogelijk was om via bevordering ambtenaren uit het federaal administratief openbaar ambt toegang te geven tot de klassen A3 of A4, kunnen, doordat deze klassen rechtstreeks toegankelijk zijn, op de externe arbeidsmarkt personen aangeworven worden die over de nodige ervaring beschikken. Deze ervaring kan op die manier worden gevaloriseerd.
Om deze fundamentele hervorming te kunnen doorvoeren, moesten 27 verschillende koninklijke besluiten aangepast worden.
De wijzigingen met betrekking tot de invoering van de vakrichtingen en vakklassen worden ondergebracht in het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
Terwijl het begrip graad behouden bleef voor de niveaus B, C en D, gebruikt men voor niveau A voortaan het begrip vakklasse. Een ambtenaar van niveau A zal benoemd worden in een vakklasse.
Om evenwel tegemoet te komen aan de terechte wens van de ambtenaren om een transparante titel te behouden, wordt voorgesteld om de ambtenaren een titel toe te kennen die verband houdt met hun klasse : de begrippen attaché, adviseur en adviseur-generaal worden zodoende opnieuw ingevoerd of blijven behouden.
Bovendien zal aan deze basistitel een tweede aanvullende titel gevoegd kunnen worden. Denken we hierbij meer bepaald, maar niet alleen, aan de ambtenaren die aangeworven zijn op basis van een titel die vereist is in het kader van de uitoefening van een beschermd beroep : in die context zal men bijvoorbeeld spreken van adviseur-geneesheer, a adviseur-generaal-architect, enz.
Een groot aantal artikelen moest aangepast worden, in dit besluit en in andere, om rekening te houden met de vervanging van niveau 1 door niveau A en met de schrapping van het begrip rang.
Met klasseanciënniteit is een nieuw begrip ingevoerd. Er dient evenwel opgemerkt te worden dat er niet zoiets bestaat als vakklasseanciënniteit : daardoor zou immers schade toegebracht worden aan de interne mobiliteit, die men via het ontwerpbesluit juist dynamischer wil maken.
Artikel 34 staat toe een anciënniteit te erkennen in een analoge vakklasse. Dit zal toelaten alle verkregen anciënniteiten in andere openbare instellingen, zowel Belgische als vreemde, en in de federale administratie zelf vóór de oprichting van de vakrichtingen, in éénmaal in aanmerking te nemen.
Via artikel 37 wordt in ontwerpartikel 70 het begrip gecertificeerde opleiding ingevoerd. Het is de bedoeling om via deze opleiding de kwalificaties en bekwaamheden van de ambtenaren te actualiseren en te ontwikkelen. De opleiding wordt afgerond met een valideringsproef van de verworven vaardigheden. Voor niveau A wordt deze ingericht per vakklasse.
De procedure voor de gecertificeerde opleiding wordt net als de hierboven uitvoerig geïllustreerde functieclassificatie, uitgewerkt in een sterk gewijzigde versie van titel II van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel.
De artikelen 67 tot 73 maken deel uit van een nieuwe afdeling met als titel « De gecertificeerde opleidingen ».
De lijst met gecertificeerde opleidingen zal samengesteld worden per vakrichting, door de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken op voorstel van vakrichtingscommissies. Er wordt voorgesteld dat een overkoepelende commissie instaat voor de samenhang van het systeem.
Aangezien het in de eerste plaats de ambtenaren zijn die de meest aangewezen gecertificeerde opleiding moeten kiezen, wordt hen volledige keuzevrijheid geboden. Zij hebben echter wel het akkoord nodig van hun hiërarchische overste. Dit om te vermijden dat de keuze niet zou overeenstemmen met de reële behoeften van de dienst. Er is voorzien in een arbitrageprocedure indien er blijvende onenigheid zou bestaan.
Om de ambtenaren meer te betrekken bij het gehele proces, wat noodzakelijk is voor het welslagen van de hervorming, wordt voorgesteld om op paritaire basis met de representatieve vakbondsorganisaties rond de gecertificeerde opleidingen een adviserende Commissie samen te stellen. Deze zal constant op de hoogte gehouden worden en adviezen verschaffen, met of zonder eenparigheid van stemmen, over elke kwestie die betrekking heeft op de voorstellen inzake de gecertificeerde opleidingen en de inrichting ervan.
In artikel 71, § 2, eerste lid, slaat het verbod om zich opnieuw in te schrijven voor een reeds gevolgde opleiding op de inhoud van de opleiding en niet op het bekomen van het getuigschrift waartoe deze leidt.
Ook het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut moest grondig aangepast worden aan de nieuwe bepalingen. De artikelen 85 tot 114 zijn eraan gewijd.
In 10 andere afdelingen zijn de noodzakelijke en vaak vanzelfsprekende aanpassingen doorgevoerd van de reglementaire bepalingen met betrekking tot de loopbaan van niveau 1, voortaan de loopbaan van niveau A. In hoofdstuk II komen de bepalingen inzake de bezoldigingsregeling aan bod.
De bedoeling is voornamelijk om de verschillende reglementaire teksten inzake de bezoldigingsregeling zodanig aan te passen dat de terminologie die verband houdt met niveau 1 vervangen wordt door die van het nieuwe niveau A. Zodoende wordt « niveau 1 » vervangen door « niveau A », vervangt het begrip klasse van niveau A de oude hiërarchische rangen en worden de benamingen van de graden vervangen door de begrippen klasse en/of titel.
Via artikel 181 wordt in het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten voor de nieuwe ambtenaren die vanaf 1 december 2004 in dienst treden, voorzien in de mogelijkheid om, bij het vaststellen van hun geldelijke anciënniteit, de diensten in rekening te brengen die ze verricht hebben in de privé-sector, voor zover de verworven ervaring relevant is voor de functie die ze willen bekleden in het Federaal administratief openbaar ambt. De erkenning van deze expertise zal gebeuren door de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken.
Artikel 188 bepaalt dat de ambtenaar die bevorderd wordt door overgang naar niveau A, een loonsverhoging krijgt van minstens 1.092,43 euro (100 %). Deze loonsverhoging stemt eigenlijk letterlijk overeen met de bepaling die tot de huidige hervorming van toepassing was, namelijk een loonsverhoging die overeenstemt met een tweejaarlijkse loonsverhoging in weddenschaal 10 D. In afdeling IX van dat hoofdstuk worden bepaalde regels vastgelegd die gelden voor de personeelsleden die bij arbeidsovereenkomst aangeworven worden.
Artikel 198 bepaalt dat contractuele personeelsleden voortaan aangeworven kunnen worden in de eerste weddenschaal van de betrokken vakklasse, zoals die vastgelegd zal worden in de matrix van de vakklasse, evenals in de klassen 3 en 4, op voorwaarde dat de in artikel 6bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel beschreven procedure nageleefd wordt, waarbij vastgesteld is dat de statutaire ambtenaren als eersten in aanmerking komen voor de invulling van de functies van deze klassen.
Artikel 199 regelt de toekenning van de competentietoelage aan contractuele personeelsleden die bezoldigd worden in de eerste weddenschaal van de eerste klasse van de vakrichting of in de eerste weddenschaal van klassen A2 en A3, en die geslaagd zijn in een gecertificeerde opleiding.
In afleiding X, en meer bepaald in de artikelen 200 tot 204 worden per klasse meer bijzonderheden gegeven over het verloop van de geldelijke loopbaan voor ambtenaren.
Artikel 202 regelt de automatische overgang naar de tweede weddenschaal van de klasse A1. Overeenkomstig artikel 42 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, wordt de competentietoelage, waarvan de ambtenaar eventueel zou genieten in de weddenschaal A11, beëindigt bij de overgang naar de weddenschaal A12.
In artikel 206 worden de competentietoelagen vastgelegd waarop men recht heeft bij het slagen in een gecertificeerde opleiding : 2 000 euro in klasse A1, 3 000 in de klassen A2 en A3. In klasse A4 is alleen de baremaverhoging onderworpen aan de gecertificeerde opleiding.
Er is tevens voorzien in bijzondere vrijwaringsmaatregelen inzake de competentietoelagen voor de ambtenaren die bevorderd worden door overgang naar niveau A of die in dat niveau aangeworven worden na gewerkt te hebben als contractueel of zelfs als statutair.
In hoofdstuk III wordt de integratie behandeld van de ambtenaren van niveau 1 in de nieuwe loopbaan van niveau A. Vanaf 1 december 2004 komen alle ambtenaren van niveau 1 dus terecht in een van de 5 klassen van niveau A, en aan elke klasse is een weddenschaal en een titel verbonden. In de tabel van artikel 216 wordt een overzicht gegeven van deze operatie.
Een aantal bepalingen waarborgen dat de graadanciënniteit in niveau 1 omgezet wordt in de klasseanciënniteit, waarin de ambtenaren geïntegreerd worden.
De niveauanciënniteit en de geldelijke anciënniteit worden eveneens integraal getransfereerd naar niveau A. In een andere bepaling wordt tevens voorzien dat de ambtenaren die in dienst zijn op datum van 1 december 2004, het voordeel van de 2e weddenschaal behouden, zodra zowel in de oude graad van niveau 1 als in de nieuwe klasse A1 een anciënniteit van 4 jaar geteld wordt.
In artikelen 219 et 220, omvat de uitdrukking « gunstiger regeling » tegelijkertijd de bezoldiging en de eventuele competentietoelage.
Daarentegen is de uitdrukking « voor zover deze gunstiger is », bij voorbeeld gebruikt in artikel 216, § 4, enkel van toepassing op de weddenschaal, zonder de eventuele competentietoelage mee te rekenen, die dus als toevoeging wordt gestort.
Alhoewel de bepalingen tot inrichting van de vlakke loopbaan opgeheven zijn, kunnen de ambtenaren die tijdens hun loopbaan van niveau 1 genieten van een vlakke loopbaan (vertaler-revisor vlakke loopbaan in uitdoving) of van een geldelijke vlakke loopbaan (informaticus van rang 10), krachtens de artikelen 221 en 222 de voordelen die voortvloeien uit deze oude bepalingen behouden, voor zover de betrokken ambtenaren in de tussentijd niet een gunstigere weddenschaal genieten. Deze waarborg wordt behouden ook wanneer de ambtenaar op een bepaald ogenblik bezoldigd wordt in een andere weddenschaal dan 10C, daarna 10F, vervolgens 10G, omdat deze voordeliger zou geweest zijn.
De overgang naar 10G wordt immers gewaarborgd, ook voor dezen die thans in 10C zijn, na een eerste overgang in 10F. Artikel 223 somt de geschrapte en de afgeschafte graden van niveau 1 op.
In hoofdstuk IV wordt dieper ingegaan op de overgang-, opheffings- en slotbepalingen.
Op die manier zijn een aantal maatregelen genomen om de overgang te regelen van de procedures inzake benoeming, bevordering, opruststelling, hogere functies en stage met betrekking tot de nieuwe loopbanen.
Andere bepalingen waarborgen het behoud van het slagen in lopende loopbaanexamens, maar ook, als gevolg van de opheffing van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de Rijksbesturen, het behoud van het slagen in loopbaanexamens voor een graad die geschrapt is, hetzij door de hervorming van de niveaus 4 tot 2+, hetzij door de huidige hervorming van niveau 1.
In artikel 242 wordt de inwerkingtreding geregeld.
Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar.
De Minister van Ambtenarenzaken, C. DUPONT
ADVIES 37.348/1 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 8 juni 2004 door de Minister van Ambtenarenzaken verzocht haar, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel », heeft op 24 juni 2004 het volgende advies gegeven : Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten.
Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft kunnen verrichten.
Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Met het om advies voorgelegde ontwerpbesluit wordt de invoering beoogd van een regeling voor de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel, dat in de plaats komt van het huidige niveau 1. Daartoe worden wijzigingen aangebracht aan verschillende koninklijke besluiten. 1.1. Een eerste reeks bepalingen hebben wijzigingen tot voorwerp van, respectievelijk, het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel (artikelen 1 tot 83 van het ontwerp).
Die wijzigingen betreffen in de eerste plaats de vervanging van het bestaande niveau 1 door het nieuwe niveau A. Dat laatste niveau bevat vijf klassen en wordt onderverdeeld in vakrichtingen. De klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden, terwijl de vakrichting verwijst naar een groep van functies die tot een gelijkaardig expertisedomein behoren.
Elke vakrichting kan vijf « vakklassen » bevatten, waaronder wordt verstaan klassen binnen een vakrichting (ontworpen artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 - artikel 1 van het ontwerp). De classificatie van functies in niveau A gebeurt op basis van gewogen typefuncties en een vakklassematrix (ontworpen artikelen 20bis tot 20nonies van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 - artikel 50 van het ontwerp).
Voorts worden ook de regelingen inzake aanwerving, mobiliteit en bevordering gewijzigd. De bevordering, die op verschillende wijzen kan gebeuren, kan afhankelijk worden gemaakt van het slagen in een selectie, een competentiemeting of een gecertificeerde opleiding (zie de ontworpen bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 onder artikel 37 van het ontwerp). Dat laatste begrip refereert aan een opleiding die erop is gericht de bekwaamheden en de competenties van de ambtenaren te actualiseren en ontwikkelen (ontworpen artikel 70, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 - artikel 37, 3°, van het ontwerp). 1.2. Bij de artikelen 84 tot 210 van het ontwerp worden in hoofdzaak bestaande regelingen in het licht van de ervoor opgenomen bepalingen gewijzigd. Die artikelen bevatten voorts een aantal vernieuwingen voor wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid en het in aanmerking nemen van diensten. 1.3. De artikelen 211 tot 219 van het ontwerp bevatten een regeling inzake de integratie van de geschrapte en afgeschafte graden van niveau 1 in het niveau A. 1.4. De artikelen 220 tot 237 van het ontwerp betreffen opheffingen, uiteenlopende administratieve overgangsbepalingen en regelingen betreffende de inwerkingtreding. 2. In de mate dat het ontworpen besluit aspecten van het statuut van het Rijkspersoneel regelt, vindt het rechtsgrond in de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet. Daarnaast dient rechtsgrond te worden gezocht in artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en in artikel 21, § 1, van het
koninklijk besluit van 3 april 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
11/06/1997
numac
1997011154
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit houdende bekrachtiging van Belgische normen uitgewerkt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
04/07/1997
numac
1997000198
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van vijf koninklijke besluiten betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997002238
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot toekenning van een toelage aan het « Belgisch Centrum voor Farmakoterapeutische informatie » voor het jaar 1997
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
08/08/1997
numac
1997021144
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de beheerraad van het Nationaal Orkest van België
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
19/06/1997
numac
1997000179
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde
sluiten houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997.
Die artikelen bieden immers rechtsgrond aan afdeling IV van hoofdstuk I, alsook aan, onder meer, de artikelen 219, vierde lid, en 233 van het ontworpen besluit.
Algemene opmerkingen 1. Gelet op, enerzijds, de korte termijn die de Raad van State, afdeling wetgeving, is toegemeten voor het uitbrengen van zijn advies over een omvangrijk en complex ontwerp als het voorliggende en, anderzijds, het grote aantal ontwerpen waarover binnen een korte of zeer korte periode advies moet worden verleend met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is het niet mogelijk geweest na te gaan of de ontworpen wijzigingen wel volledig zijn.Toch kan op grond van een eerste onderzoek worden afgeleid dat zulks niet het geval is.
Zo dienen bij voorbeeld ook de artikelen 106, 108 en 142 van het
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, die telkens verwijzen naar het begrip « graad », te worden aangepast.
Voorts moet in het ontwerp na artikel 144 een afdeling worden opgenomen met wijzigingen aan artikel 3, § 2, van het
koninklijk besluit van 19 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest, en na artikel 192 een afdeling bevattende een wijziging van het inleidende zinsdeel van artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt.
De gemachtigde is het eens met de zo-even gesuggereerde aanvullingen. 2. Het ontwerp voert tal van nieuwe verschillen in behandeling in die, gelet op de omstandigheden aangehaald sub 1, niet alle konden worden getoetst aan het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie. Het verdient evenwel aanbeveling om zo veel mogelijk de verantwoording van die verschillen in het verslag aan de Koning weer te geven. 3. Met betrekking tot de leden van de aanhef waarin wordt gerefereerd aan de koninklijke besluiten die door het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt, worden gewijzigd, en met betrekking tot de inleidende zinnen van wijzigende, vervangende of opheffende artikelen, moet er worden op gewezen dat de wetshistoriek van de te wijzigen, te vervangen of op te heffen bepalingen correct dient te worden weergegeven.Dit impliceert onder meer dat enkel moet worden gerefereerd aan de nog geldende wijzigingen aan het te wijzigen, te vervangen of op te heffen artikel, en dat wanneer een artikel of een bepaling voorheen integraal werd vervangen, er dient te worden geschreven « vervangen bij » in plaats van « gewijzigd bij ».
In het ontwerp worden deze regels niet altijd gerespecteerd, wat dient te worden verholpen.
Onderzoek van de tekst Aanhef 1. Gelet op hetgeen is opgemerkt sub 2 van de bespreking van de strekking en de rechtsgrond van het ontwerp, dienen aan de aanhef twee leden te worden toegevoegd, waarin respectievelijk wordt verwezen naar artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en naar artikel 21, § 1, van het
koninklijk besluit van 3 april 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
11/06/1997
numac
1997011154
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit houdende bekrachtiging van Belgische normen uitgewerkt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
04/07/1997
numac
1997000198
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van vijf koninklijke besluiten betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997002238
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot toekenning van een toelage aan het « Belgisch Centrum voor Farmakoterapeutische informatie » voor het jaar 1997
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
08/08/1997
numac
1997021144
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de beheerraad van het Nationaal Orkest van België
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
19/06/1997
numac
1997000179
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde
sluiten houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997. Hoofdstuk I - Afdeling I In de Franse tekst van het ontwerp schrijve men « Chapitre premier » en « Section première » in plaats van « Chapitre Ier » en « Section Ire ».
Artikel 5 In het ontworpen artikel 5ter schrijve men in de Nederlandse tekst « bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad » in plaats van « bij een in Ministerraad overlegd besluit ».
Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van het ontworpen artikel 20bis, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 (artikel 50 van het ontwerp).
Artikel 6 1. In het inleidende zinsdeel van artikel 6 wordt beter geschreven « wordt vervangen als volgt » in plaats van « wordt vervangen door de volgende bepaling ». Eenzelfde of een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van tal van andere artikelen van het ontwerp (zie de artikelen 16, 17, 22, 34, 36, 4°, 51, 59, 2°, 60, 77, 95, 1°, 3° en 6°, 96, 7°, 99, 1° en 2°, 135, 139, 157, 160, 164, 178, 182, 183 en 184, 6°). 2. In het ontworpen artikel 6bis, § 2, derde en vierde lid, schrijve men telkens « negen » in plaats van « 9 » (Nederlandse tekst) en « six » in plaats van « 6 » en « neuf » in plaats van « 9 » (Franse tekst). Eenzelfde of een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van een aantal andere bepalingen uit het ontwerp.
In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 6bis, § 2, derde en vierde lid, wordt beter gewag gemaakt van « het toekennen » van een betrekking in plaats van « het voorzien in » een betrekking.
Artikel 7 Het bij artikel 7, 2°, van het ontwerp te vervangen artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 werd vervangen bij artikel 3, 2°, van het
koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002109
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002111
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002110
bron
ministerie van ambtenarenzaken ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
18/06/1999
numac
1999000450
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende aanduiding in het Rijk van een plaats die gelijkgesteld wordt met de plaats zoals bedoeld in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
12/10/1999
numac
1999014165
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit houdende machtiging tot de afschaffing van overweg 66 op de spoorlijn 122 Zottegem-Geraardsbergen te Zottegem mits het aankopen van een perceel en het omleggen van het verkeer langs bestaande wegenis waartoe toestemming wordt verleend
sluiten, maar die vervanging is nog niet in werking getreden (1). De gemachtigde verklaarde dat het niet langer in de bedoeling ligt die vervanging in werking te laten treden. Gelet hierop verdient het aanbeveling artikel 3, 2°, van het
koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002109
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002111
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
14/07/1999
numac
1999002110
bron
ministerie van ambtenarenzaken ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
18/06/1999
numac
1999000450
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende aanduiding in het Rijk van een plaats die gelijkgesteld wordt met de plaats zoals bedoeld in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
type
koninklijk besluit
prom.
13/05/1999
pub.
12/10/1999
numac
1999014165
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit houdende machtiging tot de afschaffing van overweg 66 op de spoorlijn 122 Zottegem-Geraardsbergen te Zottegem mits het aankopen van een perceel en het omleggen van het verkeer langs bestaande wegenis waartoe toestemming wordt verleend
sluiten in te trekken.
Artikel 17 In de Franse tekst van zowel het inleidende zinsdeel van artikel 17 als van het onder dat artikel ontworpen opschrift, schrijve men « sous-section première » in plaats van « sous-section 1ère ».
Artikel 24 In de eerste volzin van het ontworpen artikel 33quinquies, tweede lid, dient in de Nederlandse tekst telkens duidelijkheidshalve vóór de woorden « zijn afgevaardigde » en « de interdepartementale stagecommissie » het woord « door » te worden toegevoegd. In de Franse tekst voege men het woord « , par » toe vóór de woorden « son délégué ».
Artikel 34 De stellers van het ontwerp dienen te onderzoeken of de inachtneming van het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie er niet toe noopt om contractuele prestaties ook wat betreft de niveaus B, C en D, voor de berekening van de graadanciënniteit in aanmerking te laten komen.
Artikel 37 Aan het ontworpen artikel 70, § 1, 1°, b), voege men de woorden « wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau » toe.
Artikel 39 Wanneer een betrekking in vakklasse A3 of A4 niet kan worden toegekend aan een ambtenaar van de betrokken federale overheidsdienst, moet in de eerste plaats bij wege van mobiliteit een beroep worden gedaan op de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt in de zin van artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken (ontworpen artikel 6bis, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 - artikel 6 van het ontwerp). In dat geval lijkt het niet doenbaar de bekendmaking van de vacante betrekking aan elke gegadigde te bezorgen tegen ontvangstbewijs of bij ter post aangetekend schrijven.
Vraag is of het ontworpen artikel 72, § 2, niet moet worden aangevuld met een bepaling op grond waarvan de vacature in dat geval wordt ter kennis gebracht door een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (2).
Artikel 48 Gelet op het verschil tussen de Nederlandse en de Franse tekst van de bij artikel 48, 1° en 4°, te wijzigen bepalingen, dienen de Nederlandse en de Franse teksten door verschillende wijzigingsbepalingen te worden gewijzigd, wat in elk van de twee taalversies van artikel 48 tot uiting dient te komen.
Artikel 50 1. De onderscheiden functies in niveau A kunnen onderhevig zijn aan maatschappelijke of technische evoluties.Vraag is of niet in een periodieke herweging van de functies zou moeten worden voorzien. 2. Een indeling in paragrafen is niet raadzaam wanneer elke paragraaf slechts uit één lid bestaat en die indeling niet kan bijdragen tot een meer duidelijke voorstelling van het ingedeelde artikel. De indeling van het ontworpen artikel 20bis in twee paragrafen die elk slechts uit één lid bestaan, kan derhalve vervallen.
Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van het ontworpen artikel 67 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 (artikel 79 van het ontwerp). 3. De Nederlandse tekst van het inleidende zinsdeel van artikel 20ter, § 2, redigere men als volgt : « De weging van elke type-functie resulteert in een totaaluitslag, die als volgt tot stand komt op grond van de uitslag van elke matrix met toepassing van § 1 : ».4. In de ontworpen artikelen 20quinquies, eerste lid, 3°, en 20sexies, schrijve men « openbare instelling(en) » in plaats van « instelling(en) van openbaar nut » (3). Ook op andere plaatsen van het ontwerp dienen gelijkaardige verbeteringen te worden aangebracht (4). 5. In fine van de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 20quinquies, eerste lid, 3°, schrijve men »het ministerie » in plaats van »de ministerie ». Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van het ontworpen artikel 43, § 2 (artikel 69 van het ontwerp). 6. De volgende redactie wordt gesuggereerd voor het ontworpen artikel 20octies, § 1 : « Gedurende het gehele wegingsproces wordt de representatieve vakorganisaties inzicht verschaft in het gehanteerde wegingssysteem en transparantie gewaarborgd bij de classificatie van de type-functies ».7. In het ontworpen artikel 20nonies, eerste lid, wordt het begrip »andere functies » beter nader omschreven teneinde duidelijkheid te verschaffen over het verschil met de in artikel 20bis bedoelde functies.8. Op vraag van de auditeur-verslaggever gaf de gemachtigde de volgende toelichting over de situatie van de huidige ambtenaren na hun integratie in de nieuwe loopbaan (zie de artikelen 211 tot 219 van het ontwerp) : « Dans la phase d'intégration, vous avez raison de constater que celle-ci se faisant de manière automatique, sur base du grade actuel et, dans certains cas, de l'échelle barémique, il n'est pas tenu compte de la classification de la fonction réellement exercée.Il n'est cependant pas illégitime de penser que l'on a confié dans le passé des tâches plus complexes et plus lourdes en termes de responsabilité aux titulaires des grades plus élevés. Pour reprendre une des données qui justifient le classement dans une fonction supérieure, le coaching, on n'a jamais vu un conseiller-adjoint coacher un conseiller général; par contre le contraire était fréquent.
Hors cette observation de bon sens, il est vrai que la classification des fonctions se fera après l'intégration.
Que se passera-t-il après l'exécution de l'article 5ter (du 2 octobre 37) en projet (article 5 du projet) [classification des fonctions] et de l'article 219 du projet [attribution d'une filière de métier] ? Dans la majorité des cas, on constatera que les agents exercent une fonction de la classe de métiers dans laquelle ils ont intégré. Pour d'autres, on constatera peut-être qu'ils exercent dans les faits une fonction d'une classe supérieure. Dans ce cas, le plan de personnel devra prévoir des emplois [que l'on déclarera vacants] dans cette classe. Une procédure de promotion sera ouverte, conformément à l'article 6bis en projet (2 octobre 37; article 6 du projet). Soit l'agent qui exerce de fait cette fonction sera promu, soit, ce n'est pas exclu parce qu'il pouvait y avoir d'autres agents qui auraient aussi souhaité et pu exercer cette fonction plus « lourde », un autre sera promu. Dans le premier cas, tout est résolu. Dans le second, l'agent retrouve une fonction de la classe dans laquelle il a été intégré.
Pour un troisième groupe, espérons qu'il soit le plus restreint possible, il apparaîtra que des agents se sont vus confier des tâches trop légères par rapport à la classe de métiers dans laquelle ils sont intégrés. A plus ou moins long terme, en tenant compte de chaque cas particulier, il conviendra évidemment de leur confier des tâches adéquates à leur classe, c'est-à-dire aussi à leurs rémunérations. Le cycle d'évaluation (créé par le KB du 2 août 2002) prévoit comme base une description de fonction. Il prévoit aussi des cycles de développement. L'agent « sur-classé » devra regagner sa classe. Il n'y a là au fond rien que de très normal. C'est plutôt le contraire qui serait anormal mais qui, je crois a été extrêmement rare si cela a existé : confier des fonctions sans responsabilité à des grades supérieurs de la hiérarchie.
Pour en revenir au rapport au Roi et « aux perspectives de carrière », je pense que pour l'avenir, elles se trouvent concrétisées. Cet avenir sera très proche là où des fonctions vont apparaître dans des classes de métiers supérieurs dès la classification. Les plans de personnel ne pourront qu'être adaptés. Là où cela n'apparaîtra pas immédiatement, l'évolution de le fonction publique qui évoluera immanquablement vers des tâches plus complexes, exigeant plus d'expertise, s'en chargera ».
Vraag is evenwel of het ontworpen besluit dienaangaande een sluitende regeling tot stand brengt.
Zo rijst de vraag of de rechtspositie van de ambtenaar die in de tweede door de gemachtigde ambtenaar vermelde hypothese niet kan worden bevorderd in de vakklasse waarin zijn functie voortaan is ingedeeld, afdoende is geregeld.
Ook kan de vraag worden gesteld of de enkele toepassing van het
koninklijk besluit van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten9 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, voldoende is om tegemoet te komen aan de situatie van de ambtenaar die in de derde door de gemachtigde vermelde groep is terechtgekomen.
In ieder geval lijkt het om rechtszekerheidsoverwegingen aangewezen de rechtssituatie van de betrokken ambtenaren op een meer expliciete wijze te regelen.
Artikel 52 Aangezien de bevordering door verhoging naar de hogere klasse gebeurt binnen het niveau A, schrijve men in het ontworpen artikel 22, eerste lid, « De bevordering tot of in niveau A... » in plaats van « De bevordering tot niveau A... » .
Artikel 57 In het ontworpen artikel 27bis, eerste lid, wordt beter verwezen naar « artikel 26, eerste lid, » van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 in plaats van naar artikel 26 in zijn geheel.
Artikel 59 In het ontworpen artikel 29, § 1, tweede lid (5), wordt beter geschreven « De bevoegde minister kan, met het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, beslissen dat... » .
Een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van de ontworpen artikelen 35, § 1 (artikel 65 van het ontwerp), en 66, eerste lid (artikel 78 van het ontwerp).
Artikel 66 De gemachtigde bevestigt dat de in het ontworpen artikel 41, § 2, bedoelde bevordering automatisch - en bijgevolg zonder dat er een vacature is van een functie in de klasse A2 - plaatsvindt bij het einde van de erin bedoelde periode wanneer de betrokken ambtenaar slaagt in de gecertificeerde opleiding.
Artikel 67 In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 67 vervange men het woord « hoofding » door het woord « opschrift ».
Artikel 70 De zinsnede « , hetzij eenparig, hetzij in verscheidenheid » in het ontworpen artikel 44, § 2, kan vervallen.
Artikel 71 In het ontworpen artikel 45, §§ 1, derde lid, en 3, wordt voorgeschreven dat de daarin bedoelde beslissingen gemotiveerd dienen te zijn. Zulks vloeit evenwel reeds voort uit de
wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
29/07/1991
pub.
18/12/2007
numac
2007001008
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling
sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
Bepalen dat die beslissing gemotiveerd moet zijn, is dan ook overbodig. Bovendien is zulke bepaling misleidend, omdat erdoor ten onrechte de indruk zou kunnen ontstaan dat andere administratieve beslissingen niet formeel gemotiveerd hoeven te zijn.
In de genoemde bepalingen worden de woorden « en motiveert deze », « die hij motiveert » en « , en zoniet bij gemotiveerde beslissing » dan ook beter weggelaten.
Een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van de ontworpen lezingsbepaling sub artikel 112 van het ontwerp.
Artikel 79 Het is onduidelijk waaraan het in het ontworpen artikel 67, § 1, bedoeldevoorstel van de minister refereert (vergelijk de ontworpen artikelen onder de artikelen 52 en 53 van het ontwerp, waar geen gewag wordt gemaakt van enig voorstel van de (minister).
Subsidiair kan worden verwezen naar de opmerking bij artikel 71.
Artikel 86 In fine van de ontworpen lezingsbepaling schrijve men « wordt verleend » in plaats van « moet worden verleend ».
Artikel 89 Artikel 89, 2°, redigere men als volgt : « 2° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3. Artikel 30, § 3, moet als volgt worden gelezen : « § 3. (verder zoals in het ontwerp)... ».
Artikel 95 De gemachtigde bevestigt dat in fine van het ontworpen artikel 15ter, § 6, tweede lid (artikel 95, 6°, van het ontwerp), ook melding moet worden gemaakt van de openbare instellingen van categorie D bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
Artikel 104 1. In het ontworpen artikel 84, § 1, dienen de vermeldingen « a) », « b) », « c) », en « d) » te worden vervangen door de vermeldingen « 1° », « 2° », « 3° » en « 4° ».2. In het ontworpen artikel 84, § 3, derde lid, moet worden verwezen naar artikel 8, § 1, van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, en niet naar artikel 7 van die wet. Artikel 105 1. Het inleidende zinsdeel van het ontworpen artikel 84bis, § 2, eerste lid, wordt beter als volgt geredigeerd : « Als voorzitter kunnen worden aangewezen, de kandidaten die aan de volgende voorwaarden voldoen : ».2. Het ontworpen artikel 84bis, § 2, eerste lid, 2°, dient te worden aangevuld gelet op de nieuwe titulatuur van de academische graden.3. Het laatste zinsdeel van het ontworpen artikel 84bis, § 3, tweede lid, loopt in de Nederlandstalige tekst geheel mank en dient derhalve te worden herschreven. Artikel 111 Het artikel « 37, §§ 2 en 3 », waaraan in het ontworpen artikel 30bis wordt gerefereerd, bestaat niet. Volgens de gemachtigde dient in dat laatste artikel te worden verwezen naar de artikelen « 20quinquies, 3°, 20sexies en 43, §§ 2 en 3 ».
Artikel 112 Er moet in het inleidende zinsdeel van artikel 112 worden gespecificeerd dat het ontworpen artikel 30ter nog deel uitmaakt van hoofdstuk V van titel III van het koninklijk besluit van 8 januari 1973.
Hoofdstuk I. - Afdeling V en artikel 115 Het opschrift van het koninklijk besluit van 2 april 1975 dat in het opschrift van hoofdstuk I, afdeling V, van het ontwerp is vermeld, is niet correct, wat zal dienen te worden verholpen.
Hetzelfde geldt ten aanzien van het inleidende zinsdeel van artikel 115.
Artikel 116 Men redigere het inleidende zinsdeel van het sub artikel 116 ontworpen artikel 1 als volgt : « Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt onder hoger ambt verstaan elk ambt waarin in het personeelsplan is voorzien en dat overeenstemt met : ».
Artikel 122 De stellers van het ontwerp dienen te onderzoeken of de inachtneming van het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie er niet toe noopt een gelijkaardige regeling als die opgenomen in het ontworpen artikel 14bis uit te werken voor de ambtenaren van de andere niveaus.
Artikel 141 De tweede volzin van het ontworpen artikel 17 wordt beter als volgt geredigeerd : « De bevoegde minister stelt, met het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, de voorwaarden voor deelneming aan de selectie vast. » Artikelen 156 tot 160 1. De bij de artikelen 156 en 159 van het ontwerp aan te brengen wijzigingen aan het
koninklijk besluit van 29 oktober 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten4 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten, hebben betrekking op dat koninklijk besluit zoals het zal zijn gewijzigd bij het koninklijk besluit over de ontwerpvorm waarvan de Raad van State, afdeling wetgeving, op 11 maart 2004 het advies 36.650/1 uitbracht.
Het spreekt voor zich dat de voorgenomen wijzigingen in hun huidige vorm slechts doorgang kunnen vinden indien dat laatste besluit effectief tot stand is gebracht op het ogenblik van het aannemen van het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt. 2. Er dienen gelijkaardige wijzigingen als deze bedoeld in de artikelen 156 tot 160 te worden aangebracht in andere besluiten betreffende de management- en staffuncties (6).3. Aan de Nederlandse tekst van het opschrift van afdeling XIV moet de datum van het erin vermelde koninklijk besluit (2 oktober 2002) worden toegevoegd. Artikel 164 De onderdelen van de opsomming in het ontworpen artikel 13 moetenworden voorafgegaan door de vermeldingen « 1° », « 2° » en « 3° ».
Artikel 167 In artikel 167 moet worden gepreciseerd dat de erdoor aangebrachte wijziging betrekking heeft op het eerste lid van artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965.
Artikel 169 Artikel 169 moet worden omgewerkt tot een artikel waarin het gehele artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 wordt vervangen.
Het is immers niet aangewezen elk van de twee leden van dat artikel afzonderlijk te vervangen.
Artikel 177 Met betrekking tot het begrip « nuttige ervaring » in het ontworpen artikel 14, § 3, vierde (en niet : derde (7)) lid, verschafte de gemachtigde de volgende toelichting : « Seront pris en compte les services qui ont un rapport étroit avec la fonction dans laquelle on recrute. Cette notion existe dans la réglementation de l'enseignement depuis 1969 et n'a jamais posé de problème insoluble : j'ai travaillé comme photographe (indépendant ou dans un journal), je peux le prouver, j'ai l'expérience utile requise pour être professeur de pratique « photographie »...
On l'a également introduite dans l'arrêté du 29 juin 1973 (article 14, § 3) en 2001. » Het verdient aanbeveling in het verslag aan de Koning de draagwijdte van het in te voegen lid nog nader te verduidelijken. Daarenboven wordt in dat verslag best verantwoord waarom de in het ontworpen artikel 14, § 3, vervatte regel beperkt blijft tot de erin vermelde ambtenaren.
Artikel 184 Men schrijve in artikel 184, 3°, « euro » in plaats van « EUR ».
Eenzelfde opmerking geldt ten aanzien van de ontworpen artikelen sub de artikelen 190 en 201 van het ontwerp.
Artikel 194 1. In het advies 37.283/1 van 17 juni 2004 over een ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de niveaus B, C en D, heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, aanbevolen het gehele artikel 2 van het
koninklijk besluit van 11 februari 1991Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
…
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.