← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering actualiseert en optimaliseert diverse milieuwetgevingen, waaronder algemene milieuhygiëne, milieubeleid, erkenningen, milieuschade en omgevingsvergunningen. Het doel is om de regelgeving in overeenstemming te brengen met de beste beschikbare technieken en om administratieve vereenvoudigingen en correcties door te voeren.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

24 JUNI 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de

§ 2

van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (hoge beschermingsgraad en voldoen aan BBT, rekening houdend met de geldende milieukwaliteitsnormen), artikel 5.4.7 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (strengste milieuvoorwaarde geldt) en ook met artikel 1.7.2.1.1, § 4 van het Decreet integraal Waterbeleid, artikel 1.2.1, § 2 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid en artikel 23, § 4 van de Grondwet (standstilbeginsel, zijnde geen achteruitgang van de bestaande toestand = omzetting van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water). - Voor recyclageparken wordt opgenomen dat in de vergunning een afwijking kan worden toegestaan op de algemene bepaling die stelt dat de afvoer van afvalstoffen alleen toegelaten is mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Deze afwijkingsmogelijkheid is alleen van toepassing buiten de reguliere openingsuren van het park; - Enkele wijzigingen en actualisaties van de voorwaarden en rubrieken voor inrichtingen m.b.t. elektriciteitsproductie, elektrische apparaten en de opslag van elektriciteit. De voorwaarden voor transformatoren worden uitgebreid naar shuntreactoren, die qua opbouw en hinder naar omgeving gelijkaardig zijn. Bepaalde klasse 3-inrichtingen worden geschrapt uit de indelingslijst (lijst van inrichtingen en activiteiten waarvan de exploitatie ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden, opgenomen als bijlage I bij VLAREM II) aangezien deze een beperkte milieu-impact hebben, die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk formuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen en aangezien bij de aktename van melding van deze inrichtingen zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in deel 6 van VLAREM II dat betrekking heeft op milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen; - Enkele wijzigingen en actualisaties van de voorwaarden en rubrieken voor grondwaterwinningen en bemalingen, onder meer i.k.v. een goed beheer van grondwatervoorraden m.b.t. de droogteproblematiek. De huidige voorafmeldingsplicht die reeds bestaat voor de vergunningsplichtige boringen- en grondwaterwinningen wordt uitgebreid naar alle boringen en grondwaterwinningen, dus ook deze die in klasse 3 zijn ingedeeld en de particuliere, niet ingedeelde inrichtingen, dit met het oog op een efficiënte en performante handhaving van de aanleg en buitengebruikstelling van boringen en grondwaterwinningen. Ook wordt het hergebruik van bemalingswater gefaciliteerd; het hergebruik tot maximaal 5.000 m3 per kalenderjaar wordt inbegrepen in de bemalingsrubriek. - Voor het opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten wordt verduidelijkt/rechtgezet dat de studie "ontvangende groeve en graverij" voor elke opvulling bij de aanvraag moet worden toegevoegd; - Enkele bijkomende aanpassingen aan de indelingslijst: - Enkele kleinere, niet-inhoudelijke aanpassingen, administratieve vereenvoudigingen en verduidelijkingen; - Enkele rechtzettingen van errata. De wijzigingen aan het Milieuhandhavingsbesluit hebben enkel betrekking op een aanpassing van de lijst van milieu-inbreuken en dit conform de wijzigingen aan de regelgeving als gevolg van dit ontwerp van besluit. De volgende wijzigingen aan het VLAREL worden doorgevoerd: - erkende boorbedrijven: - Enkele wijzigingen voor de erkende opleidingscentra en voor de technici en airco-energiedeskundigen met het oog op administratieve vereenvoudiging: - De mogelijkheid om het Europees certificaat van een koeltechnicus, technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, technicus voor elektrische schakelinrichtingen, technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, koeltechnisch bedrijf of bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur te schorsen of op te heffen. Het gaat hier enkel om de Europese certificaten die door het Vlaamse Gewest uitgereikt werden; - Er worden bepalingen opgenomen in verband met de verwerking van persoonsgegevens; - Een aanpassing van de erkenningspakketten waarvoor de laboratoria in de discipline water en in de discipline afvalstoffen en andere materialen kunnen erkend worden; - Enkele niet-inhoudelijke/taalkundige correcties. De wijzigingen aan het Milieuschadebesluit hebben enkel betrekking op terminologische aanpassingen (omschrijving van afdelingen en contactgegevens) als gevolg de gewijzigde organisatiestructuur en taakverdeling van het departement Omgeving. De wijzigingen aan het Omgevingsvergunningenbesluit hebben betrekking op het volgende: voor haar werkzaamheden is het van belang dat de VMM op de hoogte is van alle beslissingen over vergunningsaanvragen die de indelingsrubriek 3 omvatten, ook wanneer ze in het betrokken dossier niet als adviesinstantie optreedt. Het Omgevingsvergunningenbesluit wordt in die zin aangepast De wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw heeft louter betrekking op een rechtzetting van de overgangsbepaling in dit besluit voor erkende laboratoria. Gehanteerde afkortingen: - DABM: decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. - Omgevingsvergunningenbesluit: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten7 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 26/06/2014 numac 2014203085 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009 type decreet prom. 25/04/2014 pub. 11/06/2014 numac 2014203012 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035559 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 200 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het aanwijzen van personen die namens het OCMW in rechte kunnen verschijnen sluiten betreffende de omgevingsvergunning - VLAREL: het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 06/03/2019 numac 2018014287 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016

(2)
(3)type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit sluiten9 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu - VLAREM: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK
  1. - Inleidende bepaling Artikel 1 Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van de volgende Europese verordeningen: - verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, - verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, - verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, - verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, - verordening (EU) nr. 592/2014 van de Commissie van 3 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 voor wat betreft het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als brandstof in stookinstallaties, - uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen, - uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat, - verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. HOOFDSTUK
  2. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Voor een thematisch overzicht van de voorgestelde wijzigingen aan VLAREM wordt naar de algemene toelichting verwezen. Artikel 2 Dit artikel wijzigt artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt vervangt de datum van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenning van dierentuinen. Het betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2 met betrekking tot een foutieve datum. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Punten 2° tot en met 8° Deze punten wijzigen een aantal definities met betrekking tot koelinstallaties. In VLAREM II zijn, wat warmtepompen betreft, momenteel enkel exploitatievoorwaarden opgenomen voor ingedeelde en niet-ingedeelde warmtepompen met een koelfunctie (reversibele warmtepompen) zoals het uitvoeren van lekkagecontroles met een welbepaalde frequentie, het bijhouden van een installatiegebonden logboek en de verplichting dat bepaalde werkzaamheden waarbij er een risico op emissies van deze schadelijke koelmiddelen bestaat, moeten uitgevoerd worden door een erkend koeltechnicus, werkzaam in een erkend koeltechnisch bedrijf. Deze verplichtingen geven uitvoering aan de Europese verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en de Europese verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Volgens verordening (EU) nr. 517/2014 en verordening (EG) nr. 1005/2009 moeten ook de warmtepompen die enkel verwarmen en dus geen koelfunctie hebben aan bepaalde exploitatievoorwaarden voldoen. VLAREM II is momenteel niet afgestemd met deze verordeningen voor dit type van warmtepompen. Met de voorgestelde wijziging worden de definities met betrekking tot warmtepompen met en zonder koelfunctie op elkaar afgestemd waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/
  3. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is. Punt 9° Dit punt voegt een bijkomende uitzondering toe aan de definitie "opslagplaats" in de algemene definities voor gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, namelijk voor vaste houders (o.a. bladdertanks) voor de opslag van blus- of schuimmiddelen, aangesloten op een blus- of sprinklerinstallatie. De vaste houders (o.a. bladdertanks) voor de opslag van blus- of schuimmiddelen, aangesloten op een blus- of sprinklerinstallatie, zijn cruciaal voor de brandbestrijding. Aangezien het atypische vaste houders betreffen, waarbij zowel een vloeistoffase (in een zak of membraan) als een gasfase (lucht onder druk rondom de zak of het membraan) aanwezig kunnen zijn, is een keuring volgens de bepalingen van VLAREM niet mogelijk. Ook eist Codex boek III titel 3 (brandveiligheid) dat dergelijke installaties jaarlijks worden gecontroleerd in overeenstemming met de richtlijnen van de fabrikant of installateur. Bijgevolg is een aanvullende keuring volgens VLAREM niet noodzakelijk. Het risico op effecten voor het milieu en de mens is eveneens beperkt. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punten 10° en 11° Punt 10° voegt vooreerst een definitie toe voor "verlaging van het grondwaterpeil bij een bemaling" aan de algemene definities onder de definities voor oppervlaktewater- en grondwaterbescherming (integraal waterbeleid). Naast de ligging bepaalt de beoogde verlaging van het grondwaterpeil mee de verdere indeling onder rubriek 53.2 - een bemaling voor bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen. Als vuistregel wordt gehanteerd dat om het uitvoeren van werken mogelijk te maken, het grondwaterpeil minstens verlaagd moet worden tot 0,5m onder de uitgraving. Dit houdt in de praktijk in dat het peil op sommige plaatsen (zoals in de onttrekkingsputten) meer verlaagd wordt dan hetgeen doorgaans opgegeven wordt als "verlaging van het grondwaterpeil". Dus als men bijvoorbeeld een bouwput wil graven tot 4 m-mv, dan zal men voor wat betreft de indeling van de benodigde bemaling in rubriek 53.2.2° b) rekening moeten houden met een verlaging van het grondwaterpeil tot 4,5 m-v, ongeacht de filterdiepte van de grondwateronttrekkingsputten. Uiteraard moet het bemalingsconcept op een deskundige manier uitgevoerd worden. Het peil in de pompput in een filterbemaling met vacuümpompen, het meest gebruikte systeem, is daarenboven niet meetbaar omdat het vacuüm zou onderbroken worden bij een controlemeting van het grondwaterpeil. Door deze definitie wordt de verlaging van het grondwaterpeil eenduidig vastgelegd en controleerbaar aan de hand van de bouwplannen. Deze wijziging heeft geen impact op de milieueffecten, maar legt louter een uniforme vuistregel vast die gehanteerd dient te worden voor het bepalen van de verlaging van het grondwaterpeil bij een bemaling. Daarnaast zijn de definities voor referentiemeetmethode, rapportagegrens, bepalingsgrens en aantoonbaarheidsgrens vandaag enkel van toepassing op afvalwater. Door deze integraal zonder wijzigingen te verplaatsen naar "Algemeen" onder de definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming worden deze ook van toepassing op grondwater. Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Deze artikelen wijzigen de artikelen 1.4.3.1.1, 1.4.5.2.1, § 2, 1.4.5.2.1, § 3 en 1.4.5.3.1, § 2 van titel II van het VLAREM. Deze wijzigingen betreffen geen inhoudelijke aanpassing, maar een administratieve vereenvoudiging voor de bevoegde omgevingsvergunningscommissie en de adviesverlenende instanties. Met deze wijzigingen wordt er vermeden dat er geen adviezen worden ingewonnen in het kader van de evaluaties die niet relevant zijn in dit kader. Deze artikelen vormen geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 6 Artikel 7 Deze artikelen wijzigen artikel 4.1.9.1.

4.1.9.1.4 van titel II van het VLAREM. Het Vlaams Parlement heeft bij het decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 06/03/2019 numac 2018014287 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016

(2)
(3)type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit sluiten3 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw de verplichting tot het ter kennis brengen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, van de aanstelling van de milieucoördinator opgeheven, gezien: - de zware administratieve last zowel voor de exploitanten als de administratie niet opweegt tegen het nut van een dergelijke administratie. - voor erkende milieucoördinatoren: het beschikken over de vereiste kwalificaties en eigenschappen reeds onderzocht werd in het kader van de erkenning. - voor niet-erkende milieucoördinatoren werknemers van de exploitant, die instemming moeten vragen voor een meervoudige aanstelling, de kennisgeving van hun aanstelling reeds vervat zit in de instemmingsprocedure. Het toezicht kan gebeuren in het kader van titel XVI. Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen van het DABM. - de milieucoördinator-werknemer overeenkomstig artikel 4.1.9.1.4, § 3 van titel II van het VLAREM reeds de mogelijkheid heeft om het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking te houden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving. Met voorgestelde wijzigingen worden de VLAREM-bepalingen afgestemd op de voormelde decretale aanpassing. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 8 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.2.3 van titel II van het VLAREM. Naar aanleiding van de wijzigingen van de EMAS verordening werd het Belgische samenwerkingsakkoord hernieuwd en gepubliceerd op 10 september
  1. Bijgevolg moet ook de verwijzing in titel II van het VLAREM worden geactualiseerd. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 9 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.2.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Deze wijziging heeft louter betrekking op een tekstuele verbetering. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 10 Dit artikel wijzigt artikel 4.5.1.1, § 2, van titel II van het VLAREM. Dit betreft een rechtzetting van een tekstuele fout die ingevoegd is bij besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten9 tot wijziging van diverse besluiten naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning. Art. 20 van voormeld wijzigingsbesluit wijzigde art. 4.5.1.1, § 2 VLAREM II als volgt: " §
  2. Tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit besluit andere bepalingen zijn opgenomen, zijn de bepalingen, vermeld in afdeling 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit van toepassing, uitgezonderd tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken.". Het verslag aan de Vlaamse Regering bepaalt duidelijk dat deze wijziging tot doel had om de bouwfase van een project vrij te stellen van de geluidsnormen van VLAREM II, gezien werd gesteld dat bouw-, sloop- of wegenwerken niet of moeilijk aan deze sectorale normen kunnen voldoen. Hierbij werd geen onderscheid gemaakt tussen indeling van bouw-, sloop- of wegenwerken onder klasse 2 of
  3. Voorts vermeldt het verslag aan de Vlaamse Regering van het voormeld besluit dat de vergunningverlenende overheid zo nodig aan de individuele situatie aangepaste bijzondere milieuvoorwaarden opleggen. Door een vergetelheid werd er bij deze uitzonderingsbepaling enkel verwezen naar de (geluids)voorwaarden voor inrichtingen van klasse

2 (art. 4.5.3 en 4.5.4 VLAREM II) en niet naar de (geluids)voorwaarden voor inrichtingen van klasse 3 (art. 4.5.5 VLAREM II). Momenteel heeft dit artikel als gevolg dat onder andere de grondbemalingen tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken die zijn ingedeeld als klasse 3 zouden moeten voldoen aan de geluidsnormen van artikel 4.5.5, terwijl grondbemalingen tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken die zijn ingedeeld als klasse 2 niet moeten voldoen aan de overeenstemmende geluidsnormen, wat onlogisch is, gezien klasse 3 inrichtingen als minder hinderlijk worden beschouwd ten opzichte van klasse 2 inrichtingen. Met dit artikel wordt dit rechtgezet. Voor geluids- en trillingshinder van bouw- en sloopactiviteiten is er een BBT-studie in opmaak (finale draft, december 2020) die de basis zal vormen voor een code van goede praktijk voor de betreffende sector. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. De exploitatie vindt immers slechts plaats gedurende de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken en deze rechtzetting heeft enkel betrekking op de geluidsvoorwaarden. De bevoegde overheid dient bij de aktename rekening te houden met de specifieke situatie en heeft de plicht, indien de specifieke situatie dit vereist, bijzondere voorwaarden op te leggen om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De voormelde code van goede praktijk zal ook bijdragen tot het beperken van de hinder. Artikel 11 Artikel 12 Deze artikels wijzigen het opschrift van afdeling 4.5.7 en artikel 4.5.7.0.1, 2°, van titel II van het VLAREM. De afdeling 4.5.

  1. werd met het besluit van 16 maart 2016 ingeschreven in het VLAREM II en is van toepassing op ingedeelde supermarkten. Het toepassingsgebied werd o.a. gekoppeld aan de toenmalige rubriek 16.3.1 van de indelingslijst aangezien dit de rubriek was die aan de grond lag van de indeling van de supermarkten (koelinstallaties). In het verslag aan de Vlaamse Regering werd hierover het volgende opgenomen: "De scope van dit kader beperkt zich tot supermarkten gezien het doorgedreven akoestisch onderzoek en de bijhorende conclusies zich ook beperkten tot supermarkten en hun karakteristieke leveringen. Het nieuwe geluidskader is dus enkel van toepassing op inrichtingen die vallen onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008) en die ingedeeld zijn als een hinderlijke inrichting via rubriek 16.3.1 van bijlage I van titel I van het VLAREM omwille van de koelinstallaties." Met het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw van 3 mei 2019 (art. 187, 10° ) werd rubriek 16.3 echter helemaal aangepast. De installaties die onder rubriek 16.3.1 vielen werden overgeheveld naar rubriek 16.3.
  2. Er werd hiervoor het volgende opgenomen in het verslag aan de Vlaamse Regering: "Dit punt vervangt rubriek 16.
  3. De indeling van koelinstallaties is momenteel enkel gebaseerd op de totale drijfkracht van de installatie. Dit zegt echter niks over de milieu-impact van het gebruikte koelmiddel, en met name de koelmiddelen die vallen onder de verordening 517/2014 inzake F-gassen (Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006). In deze verordening spreekt men over ton CO2 equivalenten (TCE), zoals ook reeds gedefinieerd in VLAREM. TCE geeft de milieu-impact rechtsreeks weer. Met deze wijziging wordt enkel een klasse 1 inrichting ingevoerd voor koelinstallaties met een gezamenlijk TCE van meer dan 2000 ton (nieuwe rubriek 16.3.1). Dergelijk koelinstallaties vormen potentieel een groot risico voor het milieu. Mits deze gewijzigde indeling wordt een "incentive" gegeven aan koelbedrijven om minder schadelijke koelgassen te gebruiken, waardoor hun indeling volgens VLAREM kan gereduceerd worden, zonder dat de hoeveelheid koelmiddel dient verminderd te worden. Verder wordt rubriek 16.3 vereenvoudigd, doordat de "oude" rubriek 16.3.1 wordt samengevoegd met rubriek 16.3.2, met als indelingscriterium geïnstalleerde totale drijfkracht, en zonder impact van de ligging van de inrichting in een bepaald bestemmingsgebied." Bij de aanpassing aan de rubriek werd echter de verwijzing in afdeling 4.5.7 van VLAREM II over het hoofd gezien. Deze werd dus niet aangepast en verwijst nu naar koelinstallaties met een TCE van meer dan 2000 ton. Dit was uiteraard niet de bedoeling aangezien hiermee de scope, zijnde de supermarkten, niet meer gevat wordt. Met dit artikel wordt dit erratum rechtgezet. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten aangezien het louter een rechtzetting betreft van een verwijzing naar een indelingsrubriek die hervormd werd. Artikel 13 Dit artikel vervangt lid 3 en lid 4 van artikel 5.2.1.7, § 5 van titel II van het VLAREM en voegt een vijfde lid toe. Een rechtzetting en letterlijke omzetting van hoofdstuk 6 (aanbevelingen) van de BBT-studie `Verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector' (VITO, december 2015) wordt doorgevoerd. Conform de BBT wordt een onderscheid gemaakt tussen "kleine" en "grote" bedrijven. De grens werd uiteindelijk op 4000 ton opslagcapaciteit gelegd voor de niet-overdekte buitenopslag, met uitzondering van de opslag van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt. De grote bedrijven moeten, naast de toepassing van preventieve maatregelen een volledige doorgedreven zuivering voorzien om aan de sectorale en bijzondere lozingsnormen te kunnen voldoen. Voor kleine bedrijven is het, als aanvulling op de preventieve maatregelen, BBT om enkel een voorzuivering (slibvang en olie/waterafscheider) toe te passen. Daarnaast wordt er voor kleine bedrijven verwezen naar de richtlijnen die opgesteld zijn ter uitvoering van dit artikel. Deze richtlijnen voor kleine bedrijven bevatten onder meer de betreffende preventieve maatregelen en de toepasselijke richtlijnen voor lozing op oppervlaktewater of op openbare riolering. De huidige sectorale voorwaarde bepaalt echter dat: - kleine bedrijven worden geacht van rechtswege aan de normen van bijlage 5.3.2, 48°, te voldoen. - Op 1 oktober 2019 vervielen de bijzondere lozingsnormen opgenomen in de vergunningen voor inrichtingen vermeld in het tweede lid (omgevingsvergunningen of milieuvergunningen). Dit geldt alleen voor de vergunningen van deze bedrijven die niet gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. - De bijzondere lozingsvoorwaarden afgeleverd voor 3 mei 2019, worden op dat moment geacht van rechtswege vervangen te zijn door de voorwaarden opgenomen in dit artikel. De beoogde rechtzetting harmoniseert het betreffende artikel 5.2.1.7, § 5 VLAREM II met: - artikel 5.4.3, §

§ 2

van het DABM: de rechtzetting streeft een hoge beschermingsgraad na en voldoet aan BBT, rekening houdend met de geldende milieukwaliteitsnormen. Zoals reeds vermeld betreft dit een omzetting van een Vlaamse BBT-studie. In het DABM wordt bepaald dat de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden op de beste beschikbare technieken (BBT) worden gebaseerd. Hiertoe worden onder meer Vlaamse BBT-studies opgemaakt. Deze technieken (en dus ook de eventueel daaraan gekoppelde emissiegrenswaarden) worden in deze studies onderworpen aan een multicriteria-analyse. Deze criteria hebben zowel betrekking op de milieucompartimenten (bv. water, energie, geur, geluid en grondstoffen), als op de technische haalbaarheid en de economische aspecten (kostenhaalbaarheid en effectiviteit). De mogelijke milieueffecten werden dus reeds in kaart gebracht in deze BBT-studie. - artikel 5.4.7 van het DABM (strengste milieuvoorwaarde geldt) - artikel 1.7.2.1.1, § 4 van het Decreet integraal Waterbeleid, artikel 1.2.1, § 2 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid en artikel 23, § 4 van de Grondwet (standstilbeginsel, zijnde geen achteruitgang van de bestaande toestand wat een omzetting is van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water). De huidige bepaling in VLAREM II laat niet toe om de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te halen. Het tijdig remediëren van de huidige bepalingen zal net aanzienlijke negatieve milieueffecten voorkomen. Dit artikel heeft een positieve impact op milieueffecten. Dit artikel veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve effecten. Artikel 14 Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf toe aan artikel 5.2.2.1.1 van titel II van het VLAREM met betrekking tot recyclageparken. Er wordt opgenomen dat in de vergunning een afwijking kan worden toegestaan voor recyclageparken op het algemeen artikel dat stelt dat de afvoer van afvalstoffen enkel toegelaten is mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Deze afwijkingsmogelijkheid is enkel van toepassing buiten de reguliere openingsuren van het park. De afvoer van afvalstoffen gebeurt vaak buiten de openingsuren van het park omwille van veiligheidsredenen (er zijn dan geen particulieren aanwezig) en omwille van de logistieke organisatie van de inzamelaar, makelaar of handelaar van afvalstoffen. Hiertoe moet het recyclagepark wel de nodige maatregelen nemen om de hinder naar de omgeving toe te beperken, zoals het overmaken van richtlijnen aan de inzamelaars, makelaars of handelaars die verantwoordelijk zijn voor de afvoer met betrekking tot het beperken van lawaaihinder bij de manipulatie van de containers en met betrekking tot het ontoegankelijk maken van het recyclagepark voor particulieren op het moment dat de inzamelaars, makelaars of handelaars aanwezig zijn op het terrein. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten vermits de nodige maatregelen dienen genomen te worden indien een afwijking wordt toegestaan. Artikel 15 Dit artikel wijzigt artikel 5.3.2.4, § 3 van titel II van het VLAREM. Dit artikel stelt dat indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, bedrijven in het kader van waterbesparing hogere emissiegrenswaarden kunnen aanvragen. Bedrijven kunnen reeds op basis van dit artikel actief aangespoord worden om waterbesparende projecten en investeringen uit te voeren in ruil voor lozingsvrachten en hogere concentratienormen in de vergunning. Maar voor de duidelijkheid wordt er nu expliciet in de wettekst vermeld dat naast concentratienormen ook lozingsvrachten kunnen aangevraagd worden via de vergunning. Volgende aandachtspunten blijven noodzakelijk: - De controleerbaarheid van deze lozingsvrachten is uiterst belangrijk. Dagvrachten kunnen indien er een mengmonster kan genomen worden. Voor jaarvrachten zullen bedrijven zelf moeten instaan voor de noodzakelijke metingen die dan ook in de vergunning zullen moeten opgenomen worden. Andere soorten vrachten (week, maand...) zijn niet aangewezen en niet werkbaar. - Aanvullende normen ovv concentraties zullen noodzakelijk blijven om impact van pieklozingen te kunnen opvangen, en om onmiddellijke controlemeting vanuit handhaving mogelijk te maken. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 5.9.1.1, § 1 van titel II van het VLAREM. Het betreft enerzijds een louter wetgevingstechnische aanpassing met betrekking tot de indeling van een artikel en het betreft anderzijds een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2. Met voormeld besluit werden de rubrieken 9.

9.2, opnieuw ingevoegd en herschreven. Deze rubrieken hebben betrekking op dieren in een publiek toegankelijke inrichting (rubriek 9.1) en inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden (rubriek 9.2). Met voormeld besluit werden ook nieuwe sectorale voorwaarden opgenomen voor deze inrichtingen (afdelingen 5.9.13 en 5.9.14). De rubrieken 9.

9.2 werden in voormeld besluit nog niet toegevoegd aan afdeling 5.9.1 dat betrekking heeft op het toepassingsgebied van hoofdstuk 5.

  1. Dit wordt met deze wijziging rechtgezet. Deze rechtzetting heeft geen inhoudelijke gevolgen. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 17 Dit artikel voegt een zin toe aan artikel 5.9.11.3 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar de EU-Verordening nr. 592/2014 werd recent opgenomen in titel II van het VLAREM. Hiermee is bepaald dat het gebruik van bedrijfseigen kippenmest als brandstof is toegestaan als aan de bepalingen uit de EU-Verordening nr. 592/2014 is voldaan en de vrijkomende energie steeds nuttig kan worden toegepast. Door de verwijzing in artikel 5.9.11.2 naar artikel 5.28.3.5.1, bleven de voorwaarden voor afvalverbranding voor deze installaties van toepassing. De bepalingen uit de Verordening garanderen dat aan de relevante voorschriften inzake de bescherming van het milieu en de gezondheid wordt voldaan en garanderen dat het specifieke gebruik geen nadelige effecten zal hebben op het milieu en de gezondheid van de mens. Bijgevolg is het niet noodzakelijk dat deze installaties bijkomend voldoen aan de voorwaarden van subafdeling 5.2.3bis.1 inzake afvalverbranding en worden deze installaties hiervan vrijgesteld. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is. Artikel 18 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.1 van titel II van het VLAREM. Er wordt, naast het Algemeen Reglement op Elektrische Installaties, ook de aandacht gevestigd op de Codex voor het Welzijn op het Werk. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. De Codex voor het Welzijn op het Werk was immers voordien ook al van toepassing en zou zelfs zonder verwijzing in deze wijzigingsbepaling van toepassing zijn. Artikel 19 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.2 van titel II van het VLAREM. Dit artikel wordt uitgebreid naar shuntreactoren, die qua opbouw en milieueffect naar de omgeving sterk te vergelijken zijn met transformatoren. De bestaande voorwaarde is verouderd en wordt aangepast aan de federale wetgeving. Bovendien worden strengere eisen gesteld door het Synergrid, de federatie van de netbeheerders elektriciteit en aardgas in België. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve milieueffecten. Shuntreactoren worden immers voortaan vervat in art. 5.12.0.2 VLAREM II en bestaande verouderde voorwaarden worden aangepast n.a.v. federale wetgeving en strengere eisen vanuit de federatie van de netbeheerders. Artikel 20 Dit artikel heft artikel 5.12.0.3 van titel II van het VLAREM op. Vast opgestelde batterijen worden immers geschrapt uit de indelingslijst aangezien deze een beperkte milieu-impact hebben, die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Bij de aktename van melding van deze inrichtingen werden zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden nodig geacht. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 21 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.4 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar vast opgestelde batterijen en vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren wordt geschrapt, gezien deze inrichtingen geschrapt worden uit de indelingslijst. Deze hebben een beperkte milieu-impact die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Bij de aktename van melding van deze inrichtingen werden zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden nodig geacht. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten. Verder is de bestaande voorwaarde verouderd en wordt aangepast. De voorwaarde m.b.t. met droog zand gevulde emmers wordt vervangen door een voorwaarde omtrent blustoestellen, die gemeengoed zijn. Het concept van een vuurvergunning is wijdverspreid en gestandaardiseerd, waardoor het aangewezen is dit toe te passen. Brandklasse A1, vermeld in de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/364 van de Commissie van 1 juli 2015 betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad, staat in de EU-normering gelijk aan onbrandbaar. Ook deze wijziging met betrekking tot aanpassing van verouderde voorschriften naar hedendaagse standaarden zoals bijvoorbeeld de vuurvergunning en blustoestellen veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 22 Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM. In VLAREM II zijn, wat warmtepompen betreft, momenteel enkel exploitatievoorwaarden opgenomen voor ingedeelde en niet-ingedeelde warmtepompen met een koelfunctie (reversibele warmtepompen) zoals het uitvoeren van lekkagecontroles met een welbepaalde frequentie, het bijhouden van een installatiegebonden logboek en de verplichting dat bepaalde werkzaamheden waarbij er een risico op emissies van deze schadelijke koelmiddelen bestaat, moeten uitgevoerd worden door een erkend koeltechnicus, werkzaam in een erkend koeltechnisch bedrijf. Deze verplichtingen geven uitvoering aan de Europese verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en de Europese verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Volgens verordening (EU) nr. 517/2014 en verordening (EG) nr. 1005/2009 moeten ook de warmtepompen die enkel verwarmen en dus geen koelfunctie hebben aan bepaalde exploitatievoorwaarden voldoen. VLAREM II is momenteel niet afgestemd met deze verordeningen voor dit type van warmtepompen. Met de voorgestelde wijziging worden de uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot ingedeelde warmtepompen met en zonder koelfunctie op elkaar afgestemd waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/
  2. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is. Artikel 23 Dit artikel wijzigt het opschrift van artikel 5.16.3.4 van titel II van het VLAREM naar aanleiding van de afstemming van de uitbatingsvoorwaarden voor ingedeelde warmtepompen met en zonder koelfunctie. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is. Artikel 24 Artikel 25 Deze artikelen wijzigen enerzijds het artikel 5.17.1.2, §

heft anderzijds het artikel 5.17.4.1.10 van titel II van het VLAREM op. De registerplicht voor gevaarlijke producten (GP) is beschreven in 2 bovenvermelde artikels van VLAREM II, met een lichte nuance tussen beide. Wat onder "groep" in de context van art. 5.17.1.2 moet begrepen worden, is niet éénduidig gedefinieerd. De meest logische interpretatie is dat "groep" moet begrepen worden als CLP-gevarenklasse en -categorie. Bovendien is er een ander toepassingsgebied voor beide artikels. Art. 5.17.1.2 is door zijn plaats in afdeling 5.17.1 geldig voor alle opslagplaatsen GP (van klasse 1), met als implicatie dat sinds 1 mei 2015 ook de opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in het register voor GP moeten opgenomen worden, want die zijn sinds 1 mei 2015 gerubriceerd in rubriek

  1. Het toepassingsgebied van art. 5.17.4.1.10 daarentegen is beperkt tot de gevaarlijke vloeistoffen en gevaarlijke vaste stoffen (cfr. art. 5.17.4.1.1). Als er gevaarlijke gassen aanwezig zijn, moeten op basis van art. 5.17.1.2 de gevaarlijke gassen wel in het register opgenomen worden, terwijl ze volgens art. 5.17.4.1.10 niet in het register moet komen. Een derde onduidelijkheid is volgende zinsnede in art. 5.17.1.2, § 1: "Met behoud van de verplichtingen met betrekking tot inrichtingen waarop rubriek 17.2 van de indelingslijst van toepassing is, ....". Deze bewuste zinsnede lijkt geen enkel nut te hebben, in tegendeel, het schept verwarring. Om deze redenen wordt het artikel 5.17.1.2, § 1 aangepast en wordt het artikel 5.17.4.1.10 opgeheven. Deze wijzigingen betreffen dus louter het verduidelijken van de bestaande vereisten voor het register voor gevaarlijke producten enerzijds en het wegwerken van dubbele bepalingen anderzijds. Deze wijzigingen hebben in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 26 Dit artikel wijzigt artikel 5.28.4.1 van titel II van het VLAREM. Het betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten
  2. De zinsnede "met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst" kan geschrapt worden uit dit artikel waarin het toepassingsgebied wordt bepaald van afdeling 5.28.
  3. De afdeling 5.28.4 is namelijk van toepassing op andere meststoffen dan dierlijke mest en kunstmest. Het betreft hier dus een overbodige bepaling die kan geschrapt worden. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 27 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.7.1.1 van titel II van het VLAREM. In artikel 5.32.7.1.1 worden de schietstanden in een lokaal opgedeeld in zes categorieën. De categorieën A1 tot en met C omvatten de schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt in steeds afnemende kinetische energie. De grenzen zijn bepaald op basis van de kinetische energie van vaak gebruikte munitiesoorten en de technische vereisten aan de schietstand. Verder is er ook een categorie D voor de zwaardere luchtdrukwapens en een categorie E voor het uitsluitend gebruik van hagelpatronen. Het voorliggende wijzigingsartikel betreft louter een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2 met betrekking tot een verwijzing naar foutieve, overigens niet-bestaande, rubrieken uit de indelingslijst. De wijziging heeft geen inhoudelijke verandering tot gevolg ten aanzien van de oorspronkelijke zienswijze bij de hervorming van de rubriek 32.7 van de indelingslijst. Er vallen dan ook geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Artikel 28 Dit artikel wijzigt artikel 5.38.0.2, § 2 van titel II van het VLAREM. Vanaf 1 februari 2002 is voor de Europese Unie een globaal classificatiesysteem (NBN EN 13501-1) voor brandreactie van bouwproducten ingevoerd. Na een co-existentieperiode van de Belgische (NBN S 21-203) en Europese brandclassificatiesystemen is sinds 1 december 2016 de Europese classificatie verplicht. In de basisnormen brandveiligheid (KB van 07 juli 1994) werd door het KB van 12/07/2012 een tabel opgenomen die wordt gehanteerd om de overeenstemming tussen de Belgische en Europese brandklassen te bepalen. Op basis van deze tabel kan gesteld worden dat de Belgische brandklasse A0 vergelijkbaar is met de Europese brandklassen A0 en/of A
  4. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 29 Dit artikel heft paragraaf 2 op in artikel 5.53.1.1 van titel II van het VLAREM. Vanaf 1 januari 2019 zijn alle vergunningen voor grondwaterwinningen vergund met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones van rechtswege vervallen. Dit is ingeschreven in artikel 388 van het Omgevingsvergunningendecreet, dat op zijn beurt verwijst naar de overgangsbepalingen van het vroegere Milieuvergunningsdecreet, meer bepaald artikel 44: "Art. 44.Vergunningen verleend voor de inwerkingtreding van dit decreet blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit decreet. Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999." Dus d.w.z. dat een vergunning verleend volgens het besluit van 27 maart 1985 (en dus met toepassing van het decreet van 24 januari 1984) maximaal geldig is tot 1 januari
  5. Een nieuwe vergunning conform het Omgevingsvergunningendecreet en het VLAREM dient voor verdere exploitatie te worden aangevraagd. De huidige verwijzingen naar deze oude wetgevingen in de op te heffen paragraaf zijn aldus zonder voorwerp geworden en de bepalingen van het Omgevingsvergunningendecreet en VLAREM zijn ook op deze oudere winningen van toepassing. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Vervallen vergunningen dienen immers opnieuw aangevraagd te worden en getoetst te worden aan de hedendaags geldende normering. Artikel 30 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.3.1 van titel II van het VLAREM. De huidige verwijzing naar de debietmeting in het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, maakt dat er geen handhaving mogelijk is op de aanwezigheid van debietmeters bij niet-heffingsplichtige ingedeelde grondwaterwinningen. Deze voorwaarde is immers ingeschreven in het hoofdstuk van de heffingsregeling, waarop enkel de toezichthouders van de VMM toezichtrecht hebben. Dit toezicht en deze meting (voor belastingsdoeleinden) hebben echter een andere finaliteit dan de noodzaak voor een correcte debietregistratie voor milieutechnische doeleinden (kwantitatief grondwaterbeheer en -beleid). Deze verplichting wordt door deze wijziging specifiek in VLAREM ingeschreven. Zodoende kan de afwezigheid van een debietmeter en eventuele illegale grondwaterwinning milieutechnisch terdege worden opgelegd en gehandhaafd conform de bepalingen in het DABM. Gelet op het beperkte debiet dat via hand-, voet en neuspompen kan gewonnen worden, wordt hiervoor geen verplichting tot installatie van een debietmeter voorzien. De bepaling uit het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, waarnaar in VLAREM werd verwezen, bevat ook een uitzondering voor debietmeters op drainages. Door het schrappen van de verwijzing naar dit decreet in VLAREM wordt de betreffende uitzondering voor debietmeters op drainages best ook expliciet opgenomen in VLAREM (zie verder). Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. De wijziging draagt bij aan het kwantitatief grondwaterbeheer en -beleid aangezien het toezichtrecht niet louter meer beperkt wordt tot de toezichthouders van de VMM. Artikel 31 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.3.3, § 6 van titel II van het VLAREM. Deze bepaling stelt onder andere dat elke verwijdering en terugplaatsing van een debietmeter onmiddellijk moet worden meegedeeld (schriftelijk, per fax of e-mail) aan de toezichthouders. Er zijn inmiddels geen faxtoestellen meer in gebruik bij de afdeling Handhaving. Gelet op de modernere communicatiemogelijkheden kan het gebruik van een fax voor dergelijke meldingen worden geschrapt. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 32 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.5.2 van titel II van het VLAREM. Voor een efficiënte en performante handhaving van de aanleg en buitengebruikstelling van boringen en grondwaterwinningen is het noodzakelijk dat deze onaangekondigd kunnen worden gecontroleerd tijdens de werkzaamheden zelf. Na het aanleggen of opvullen kan geen efficiënte controle worden uitgevoerd op de correcte ondergrondse installatie van filters, verbuizing, kleistoppen, cementering of opvulling. Het potentiële risico voor de doorboorde watervoerende lagen bij gebrekkige aanleg is onafhankelijk van de klasse-indeling (die voornamelijk door het debiet bepaald wordt). Daarnaast dient het achterliggende dieptecriterium voor de vergunningsplicht te kunnen worden gecontroleerd. Daarom is het aangewezen om de huidige voorafmeldingsplicht die reeds bestaat voor de vergunningsplichtige boringen- en grondwaterwinningen uit te breiden naar alle ingedeelde boringen en grondwaterwinningen, dus ook deze die in klasse 3 zijn ingedeeld. Voor peilputten die dienen te worden aangelegd voor de correcte monitoring van grondwaterwinningen, conform de bepalingen in artikels 5.53.4.

5.53.4.2 van VLAREM II, geldt eenzelfde noodzaak op efficiënte controlemogelijkheid. De voorafmelding dient dus ook te worden uitgebreid naar de peilputten, dewelke apart niet ingedeeld zijn. Deze voorafmelding dient voor zover de activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf conform artikel 53/6 7° van het VLAREL te worden uitgevoerd door het erkende boorbedrijf, dat verplicht dient te worden gebruikt voor deze werkzaamheden. Hiervoor is een e-DOV loket beschikbaar. De gegevens van de voorafmelding kunnen worden herbruikt voor de 2-maandelijkse melding van alle afgewerkte boorwerkzaamheden die boorbedrijven tevens dienen te rapporteren conform artikel 53/6 9° van het VLAREL. Dit artikel tracht een efficiënte en performante handhaving te realiseren en breidt tevens de vermelde plichten uit naar de meldingsplichtige inrichtingen. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 33 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.6.1.1 van titel II van het VLAREM. Wijzigingen paragraaf 2 (bemalingscascade en hergebruik): Een bemaling moet steeds gedimensioneerd en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk. Een code van goede praktijk wordt gedefinieerd als "Geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de bouw, het transport, het plaatsen, het uitbaten, het onderhouden en het eventueel ontmantelen van een inrichting of een onderdeel ervan, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap". Een goed beheer van onze grondwatervoorraden is belangrijk. De voorbije jaren was er vooral door de droogte en de droogtemaatregelen veel aandacht voor het lozen van bemalingswater. Daarom wordt de bemalingscascade nog verder aangescherpt in dit artikel en hergebruik van dit water gefaciliteerd. Als een bemaling tijdelijk noodzakelijk is om werken te kunnen uitvoeren of nutsvoorzieningen aan te leggen, verdient het de voorkeur om het onttrokken volume bemalingswater maximaal te beperken en het onttrokken volume bemalingswater maximaal terug in de grond te brengen zodat er netto minder grondwater opgepompt wordt. In het ideale geval gebeurt dit door het water terug in de grond te brengen via retourputten, infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Helaas is dit met de huidige best beschikbare technieken niet op elke locatie mogelijk. Om de kwantitatieve toestand van onze grondwatervoorraden te beschermen en te vrijwaren is het logisch dat het nuttig gebruik van niet verontreinigd bemalingswater te verkiezen is boven lozen in een niet-infiltrerende waterloop of riolering. In dit geval voorkomt het nuttig gebruik van het bemalingswater dat andere waterbronnen moeten aangesproken worden. De bemalingscascade wordt uitgebreid met hergebruik van dit bemalingswater. In Vlaanderen is dit nog niet ingeburgerd en daar willen we met deze wijziging verandering in brengen. Hergebruik tot maximaal 5.000m3 per kalenderjaar wordt inbegrepen in de bemalingsrubriek voor zover er geen indicaties zijn dat het bemalingswater potentieel verontreinigd is. Bij hogere volumes is een vergunning nog steeds vereist voor rubriek 53.

  1. De debietsgrens is dezelfde als voor rubriek 53.8.1 a), de rubriek die hiervoor vandaag in de meeste gevallen moet aangevraagd worden. Een indicatie voor een verhoogd risico op verontreiniging is, dat er een risicoactiviteit uitgeoefend wordt of werd op het perceel met de bemaling (raadpleegbaar via https://www.degrotegrondvraag.be/) of dat er reeds een decretaal bodemonderzoek uitgevoerd werd (raadpleegbaar via https://services.ovam.be/ovam-geoloketten/#/bodemdossier). In deze gevallen kan de wenselijkheid van het gebruik van het bemalingswater geëvalueerd worden door de vergunning verlenende overheid en een bijstelling van de voorwaarde vergund worden. In alle gevallen waarbij er niet aangetoond is dat het water voldoet voor menselijke consumptie wordt gevraagd om dit duidelijk aan te geven. De hinder voor de omgeving door het afhalen van bemalingswater (bv. door de transporten) moet beperkt zijn. Daarom wordt, indien gebruik gemaakt wordt van een motorvoertuig voor het transport van het bemalingswater, deze activiteit standaard beperkt tot de uren overdag. Hiervan kan afgeweken worden, bv. in een omgeving waar door het exploiteren buiten deze uren geen hinder verwacht wordt. Het beperken van het hergebruik tot maximaal 5.000m3 per kalenderjaar draagt hier ook aan bij. Als voorgaande stappen niet mogelijk zijn, moet het bemalingswater in eerste instantie afgeleid worden naar de dichtstbijzijnde waterloop of, in het geval er een gescheiden riolering aanwezig is, naar de regenweerafvoer. Enkel als voorgaande oplossingen niet haalbaar zijn, bijvoorbeeld door het veroorzaken van wateroverlast voor derden, mag er geloosd worden op de openbare riolering. Dit niet haalbaar zijn van voorgaande oplossingen is verder gekwantificeerd als een afstandsregel. Indien er zich binnen een afstand van 200 m van de locatie waar de bemalingspomp opgesteld kan worden een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een gescheiden riolering met een gedeelte bestemd voor de afvoer van hemelwater bevindt, moet de aanvrager via een aanvraag tot afwijking motiveren waarom de lozing hierop niet mogelijk is. Voor aanvulling paragraaf 4 (normen): De huidige wetgeving stelt dat voor de kwaliteit van het bemalingswater dat terug in de grond gebracht mag worden, er getoetst moet worden aan de milieukwaliteitsnorm voor grondwater. Voor sommige typische antropogene verontreinigingsparameters is er geen milieukwaliteitsnorm voor grondwater bepaald. Daarom wordt het normenkader uitgebreid met de richtwaarden voor grondwater zoals vastgesteld in bijlage II van het VLAREBO. Er worden ook aangepaste kwaliteitsnormen voor verzilt bemalingswater opgenomen. Verzilt water wordt gekenmerkt door een hogere concentratie aan chloriden en door een hogere geleidbaarheid. Het principe dat hier gehanteerd wordt, is dat brak of zout bemalingswater niet mag geretourneerd worden in zoeter water. Het mag wel geretourneerd worden in grondwater met een vergelijkbare of hogere geleidbaarheid of chlorideconcentratie. Voor microbiologische parameters moet het normenkader niet gevolgd worden bij het terug in de ondergrond brengen. Het betreft hier organismen die algemeen voorkomen in het freatische grondwater en als dusdanig niet als sturend kader voor retour benut moeten worden. Tenslotte wordt de onduidelijkheid weggewerkt i.v.m. het toetsingskader voor in voorgaande niet genormeerde stoffen. Indien er voor toxische, persistente of bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, of andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid (i.e. de "gevaarlijke stoffen" volgens de Kaderrichtlijn Water) geen milieukwaliteitsnorm voor grondwater vastgesteld is en er ook in het VLAREBO geen richtwaarde voor is vastgesteld, geldt dat de rapportagegrens in grondwater zoals vastgesteld in de wateranalysecompendia, opgesteld door VITO, als richtwaarde geldt. Ook wordt de mogelijkheid voorzien dat mits motivatie kan afgeweken worden van dit generieke toetsingskader. Deze afwijkingsmogelijkheid is wenselijk zodat bij projecten vanuit een integrale benadering over de verschillende milieucompartementen heen kan worden gewerkt. Het alsnog retourneren van bemalingswater dat niet voldoet aan het vooropgestelde toetsingskader voor de bescherming van het grondwater, kan in specifieke omstandigheden de voorkeur krijgen wanneer de alternatieven meer milieu-impact hebben. Het aangepaste normenkader betreft stoffen die al op de werflocatie aanwezig zijn en die na oppompen terug in de oorspronkelijk watervoerende laag ingebracht worden. De impact van een dergelijke werkwijze leidt niet tot een verslechtering van de kwalitatieve toestand. Deze aanpassing maakt daarentegen het maximaal terug aanvullen van de grondwatervoorraden breder mogelijk zonder in te boeten op het huidige milieubeschermingsniveau. Wijzigingen paragraaf 5 (debietmeters): Elke waterstroom moet meetbaar zijn om toezicht mogelijk te maken op de naleving van de vergunning. Daarom is het plaatsen van een debietmeter verplicht. Gelet op het bovenstaande vallen er geen aanzienlijke negatieve milieueffecten te verwachten. Volledigheidshalve valt nog indachtig te brengen dat de bevoegde overheid elke individuele vergunningsaanvraag dient te toetsen aan de lokale omstandigheden, waarbij zij de plicht hebben om de milieuhinder verder te beperken indien de algemene en sectorale voorwaarden deze hinder niet tot een aanvaardbaar niveau zouden beperken. Artikel 34 Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf toe aan artikel 5.53.6.1.2 van titel II van het VLAREM. De bepaling uit het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, waarnaar in VLAREM werd verwezen, bevat ook een uitzondering voor debietmeters op drainages. Door het schrappen van de verwijzing naar het voormelde decreet in VLAREM wordt de betreffende uitzondering voor debietmeters op drainages best ook expliciet opgenomen in VLAREM. Deze wijziging betreft louter het conformeren van VLAREM aan het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni
  2. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Artikel 35 Dit artikel heft paragraaf 2 op in artikel 5.54.1 van titel II van het VLAREM. Vanaf 1 januari 2019 zijn alle vergunningen voor grondwaterwinningen vergund met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones van rechtswege vervallen. Dit is ingeschreven in artikel 388 van het Omgevingsvergunningendecreet, dat op zijn beurt verwijst naar de overgangsbepalingen van het vroegere Milieuvergunningendecreet, meer bepaald artikel 44: "Art. 44.Vergunningen verleend voor de inwerkingtreding van dit decreet blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit decreet. Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999." Dus d.w.z. dat een vergunning verleend volgens het besluit van 27 maart 1985 (en dus met toepassing van het decreet van 24 januari 1984) maximaal geldig is tot 1 januari
  3. Een nieuwe vergunning conform het Omgevingsvergunningendecreet en het VLAREM dient voor verdere exploitatie te worden aangevraagd. De huidige verwijzingen naar deze oude wetgevingen in de op te heffen paragrafen zijn aldus zonder voorwerp geworden en de bepalingen van het Omgevingsvergunningendecreet en het VLAREM zijn ook op deze oudere winningen van toepassing. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg. Vervallen vergunningen dienen immers opnieuw aangevraagd te worden en getoetst te worden aan de hedendaags geldende normering. Artikel 36 Dit artikel wijzigt 5.55.1.3, § 3, van titel II van het VLAREM. Voor een efficiënte en performante handhaving van de aanleg en buitengebruikstelling van boringen en grondwaterwinningen is het noodzakelijk dat deze onaangekondigd kunnen worden gecontroleerd tijdens de werkzaamheden zelf. Na het aanleggen of opvullen kan geen efficiënte controle worden uitgevoerd op de correcte ondergrondse installatie van filters, verbuizing, kleistoppen, cementering of opvulling. Het potentiële risico voor de doorboorde watervoerende lagen bij gebrekkige aanleg is onafhankelijk van de klasse-indeling (die voornamelijk door het debiet bepaald wordt). Daarnaast dient het achterliggende dieptecriterium voor de vergunningsplicht te kunnen worden gecontroleerd. Daarom is het aangewezen om de huidige voorafmeldingsplicht die reeds bestaat voor de vergunningsplichtige boringen- en grondwaterwinningen uit te breiden naar alle ingedeelde boringen en grondwaterwinningen, dus ook deze die in klasse 3 zijn ingedeeld. Dit artikel tracht een efficiënte en performante handhaving te realiseren en breidt tevens de vermelde plichten uit naar de meldingsplichtige inrichtingen. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 37 Dit artikel wijzigt het vierde lid van artikel 5.60.2 van titel II van het VLAREM. Het betreft een rechtzetting. Vóór 23 februari 2017 was het verplicht om bij een milieuvergunningsaanvraag voor rubriek 60 een hydrogeologische studie toe te voegen. Deze verplichting volgde uit het aanvraagformulier, en de bijhorende toelichtingsbijlage. Bij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning op 23 februari 2017 is deze verplichting onbedoeld weggevallen. In het addendum R60 (bijlage in te vullen via het loket voor de omgevingsvergunningaanvraag) wordt de hydrogeologische studie niet langer gevraagd, enkel een studie ontvangende groeve en graverij, als dat verplicht is volgens artikel 5.60.2 van VLAREM II. Deze wijziging kaderde in een vereenvoudiging van de aanvraag voor de exploitant. De studie "ontvangende groeve en graverij" dekte immers de inhoud van de hydrogeologische studie. Daarbij is over het hoofd gezien dat niet elke groeve dergelijke studie bij de aanvraag moet steken, enkel bij diegenen die een afwijking van de waarden voor vrij hergebruik vragen is het verplicht. Nochtans moet ook bij gebruik van bodematerialen die aan de waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen voldoen, de effecten op het watersysteem en de onderliggende bodemlagen onderzocht worden. Door het uitvoeren van de studie kan ook nagegaan worden of een afwijking van de waarden voor vrij gebruik aan de orde is. Door de studie "ontvangende groeve en graverij" voor elke groeve bij de aanvraag te voegen, wordt dit rechtgezet. Voor het opvullen met bodem met waarden voor vrij gebruik kan het volstaan om deel 1 van de studie ontvangende groeve (bepalen van de kenmerken van de groeve en de omgeving) op te stellen. Met deze rechtzetting wordt de noodzakelijk aan te leveren informatie bij een aanvraag verduidelijkt. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 38 Dit artikel wijzigt artikel 6.5.5.3, § 1 van titel II van het VLAREM. Het betreft de rechtzetting van een typfout. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 39 Artikel 40 Artikel 41 Deze artikels wijzigen het opschrift van afdeling 6.8.

de artikels 6.8.1.

6.8.1.2 van titel II van het VLAREM. In VLAREM II zijn, wat warmtepompen betreft, momenteel enkel exploitatievoorwaarden opgenomen voor ingedeelde en niet-ingedeelde warmtepompen met een koelfunctie (reversibele warmtepompen) zoals het uitvoeren van lekkagecontroles met een welbepaalde frequentie, het bijhouden van een installatiegebonden logboek en de verplichting dat bepaalde werkzaamheden waarbij er een risico op emissies van deze schadelijke koelmiddelen bestaat, moeten uitgevoerd worden door een erkend koeltechnicus, werkzaam in een erkend koeltechnisch bedrijf. Deze verplichtingen geven uitvoering aan de Europese verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en de Europese verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Volgens verordening (EU) nr. 517/2014 en verordening (EG) nr. 1005/2009 moeten ook de warmtepompen die enkel verwarmen en dus geen koelfunctie hebben aan bepaalde exploitatievoorwaarden voldoen. VLAREM II is momenteel niet afgestemd met deze verordeningen voor dit type van warmtepompen. Met de voorgestelde wijziging worden de uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot de niet-ingedeelde warmtepompen met en zonder koelfunctie op elkaar afgestemd waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/

  1. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is. Artikel 42 Dit artikel voegt een nieuw lid toe aan artikel 6.9.1.1 van titel II van het VLAREM. De correcte aanleg van grondwaterwinningen dient ook bij niet-ingedeelde grondwaterwinningen voor particulier gebruik (vermeld als uitzondering b. onder rubriek 53) te kunnen worden gecontroleerd. Hiertoe wordt de voorafmelding van de werkzaamheden uitgebreid naar deze niet-ingedeelde grondwaterwinningen. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Het betreft namelijk een wijziging van de milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen. Daarnaast maakt het een efficiënt en performant toezicht mogelijk, wat de milieurisico's beperkt. Artikel 43 Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf toe aan artikel 6.9.1.3 van titel II van het VLAREM. De boringen in het kader van thermische energieopslag werden bij een vorige aanpassing van VLAREM II grotendeels niet langer ingedeeld. De intussen uitgebouwde erkenningsregeling voor boorbedrijven en de specifieke voorschriften in de code van goede praktijk in bijlage 5.53.
  2. van VLAREM II maakten dit mogelijk voor het merendeel van deze inrichtingen. Het hieraan verbonden dieptecriterium dient echter te worden gecontroleerd, hetgeen enkel efficiënt kan tijdens onaangekondigde controles gedurende de aanleg van deze boringen. Dit gebeurt door het VLAREL-erkende boorbedrijf via een voorafmelding in het DOV-loket, dat kan geraadpleegd worden door de verschillende toezichthouders. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Het betreft namelijk een wijziging van de milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen. Daarnaast maakt het een efficiënt en performant toezicht mogelijk, wat de milieurisico's beperkt. Artikel 44 Dit artikel heft het artikel 6.9.1.4 van titel II van het VLAREM op. Het betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten
  3. Onder rubriek 53.2.2 was oorspronkelijk in de ontwerpteksten van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2 een uitzondering voorzien voor kortlopende bemalingen. Deze uitzondering werd geschrapt in de definitieve teksten van voormeld besluit. De bijhorende voorwaarden in artikel 6.9.1.4 werden echter niet opgeheven. Aangezien er geen niet-ingedeelde bemalingen bestaan, zijn deze voorwaarden zonder voorwerp. Dit wordt met deze wijziging rechtgezet door het opheffen van artikel 6.9.1.
  4. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Het betreft namelijk een wijziging van de milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen. Artikel 45 Dit artikel vervangt volledig hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. In dit hoofdstuk worden de voorwaarden voor niet-ingedeelde elektrische apparaten en niet-ingedeelde inrichtingen voor de opslag van elektriciteit gebundeld. In afdeling 6.13.1 wordt het toepassingsgebied vastgelegd en worden gemeenschappelijke bepalingen omtrent toepassing van de Codex voor het Welzijn op het Werk, het AREI, een code van goede praktijk en voorwaarden omtrent geluidsemissies opgenomen. De bepalingen van afdeling 6.13.2 zijn van toepassing op transformatoren, vast opgestelde batterijen en vaste inrichtingen voor het laden van batterijen die voorheen opgenomen waren in de indelingslijst (klasse 3-inrichtingen), maar die met dit wijzigingsbesluit geschrapt worden uit de indelingslijst, door opheffing van rubriek 12.2.

rubriek 12.3. De reden hiervoor is dat deze inrichtingen een beperkte milieu-impact hebben, die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen en aangezien bij de aktename van melding van deze inrichtingen zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd. De relevante voorwaarden uit hoofdstuk 5.12 van titel II van het VLAREM worden hernomen in of verplaatst naar dit hoofdstuk 6.13. Naar analogie met de bepalingen in hoofdstuk 5.12 worden in dit hoofdstuk opgenomen verouderde voorwaarden geactualiseerd. Deze voorwaarden worden samengevoegd met de (reeds bestaande) voorwaarden voor vaste inrichtingen voor het laden van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen, personenwagens en bestelwagens die reeds ondergebracht waren in hoofdstuk 6.13. Voor transformatoren in afgesloten elektriciteitscabines die voldoen aan de technische voorschriften voor de aansluiting van een elektriciteitscabine, zoals vermeld in de voorschriften van C2/112 van Synergrid, wordt vrijstelling verleend voor het plaatsen van blustoestellen. Deze voorschriften zijn online raadpleegbaar op http://www.synergrid.be/index.cfm?pageID=16832&language_code=NED. Aanvullend zijn de bepalingen van deze afdeling ook van toepassing op transformatoren tijdelijk ingezet bij bouw-, sloop, of wegeniswerken. Voor deze installaties geldt een drempelwaarde vanaf 100 kVA (naar analogie met de overige transformatoren). Het betreft inrichtingen die ook voor dit wijzigingsbesluit niet-ingedeeld waren, maar waarvoor het aangewezen is om enkele preventieve en/of mitigerende maatregelen te nemen ter beperking van de milieu-impact. Aangezien het hier louter niet-ingedeelde inrichtingen betreft, wordt geen bovengrens voor het toepassingsgebied opgelegd. Voor transformatoren tijdelijk ingezet bij bouw, sloop- of wegeniswerken gelden dezelfde voorwaarden als voor de overige niet-ingedeelde transformatoren. Dit artikel heeft betrekking op een wijziging van de milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen. Dit artikel is onlosmakelijk verbonden met andere wijzigingen in dit besluit die betrekking hebben op voorheen ingedeelde inrichtingen en die voortaan niet langer ingedeeld zijn. In die zin verandert het kader voor de toekenning van vergunningen. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 46 Dit artikel wijzigt de indelingslijst bij het VLAREM. Punt 1° Dit punt voegt een uitzondering toe in de rubriek 9.2 voor schildpadden. In de versie van 23 februari 2017 van rubriek 9.2, zijnde `Diergaarden en dergelijke' waren in de hoofding van de rubriek een aantal uitzonderingen opgenomen. Eén van de opgesomde uitzonderingen waren schildpadden. Schildpadden zijn reptielen en zijn tot op heden nooit indelingsplichtig geweest. In de nieuwe versie van rubriek 9.2 (Reptielen, amfibieën en ongewervelden) (conform Vlaremtrein 2017, definitief goedgekeurd op 2 mei 2019) zijn de schildpadden niet uitgezonderd. De uitzondering voor schilpadden wordt met deze wijziging opnieuw ingevoerd. In het advies van de Minaraad van 7 juni 2021 betreffende de kwestie inrichtingen met schildpadden wordt het volgende gesteld: "De huidige toestand Voor een goed begrip start dit briefadvies met een korte beschrijving van de huidige toestand. Er zijn vier verschillende regelgevingen van toepassing op het houden van reptielen. Vooreerst is er de positieflijst, opgemaakt vanuit de bevoegdheid dierenwelzijn. Om soorten te mogen houden die hier niet op staan, is een erkenning door de dienst Dierenwelzijn noodzakelijk. Daarnaast zijn inrichtingen waar schildpadden gehouden worden, in VLAREM onderworpen aan een meldingsplicht (vanaf 1 dier) of vergunningsplicht (in het geval van gevaarlijke schildpaddensoorten en/of meer dan 30 dieren. Om die notie "gevaarlijk" te duiden, het volgende: - Alle dieren die op de vernoemde positieflijst staan, worden als niet-gevaarlijk beschouwd. - Daarnaast is er een lijst van welke soorten wél als gevaarlijk voor de mens worden beschouwd. De lijst is opgesteld door de administratie na advies van de UGent en bevat onder meer 30 soorten(groepen) schildpadden, die gevaarlijk zijn omwille van het risico op bijtletsels. Inrichtingen met deze "gevaarlijke" reptielen zijn dus steeds vergunningsplichtig. De inrichtingen die reptielen houden, moeten voldoen aan de sectorale voorwaarde van art. 5.9.14. van VLAREM II. Deze voorwaarden zijn relatief bescheiden: de dieren moeten met name worden gehouden in afgesloten, geschikte terraria in een afgesloten ruimte. Indien de inrichting bovendien ook vergunningsplichtig is, is een sas met twee doorzichtige deuren aan die ruimte bijkomend verplicht. Voor de inrichtingen die vóór 1 oktober 2019 vergund zijn, gelden de verplichtingen vanaf 1 oktober 2022 (art. 5.9.14.4.). De minister verwijst terecht naar de Unielijst, in Vlaanderen geïmplementeerd via het Soortenbesluit. Soorten van de Unielijst mogen niet worden gehouden, gekweekt, vervoerd, gebruikt, uitgewisseld, of worden toegestaan om zich voort te planten. Hierbij zijn overgangsbepalingen van kracht. Op deze lijst staat momenteel één schildpaddensoort, de Lettersierschildpad (Trachemys scripta), waarvan vooral de ondersoorten roodwang-, geelwang- en geelbuikschildpad gekend zijn. Een bijkomende Vlaamse lijst, zoals gevraagd door Minaraad en SALV, is nog niet opgemaakt. Tenslotte is er, als vierde regelgeving, ook de CITES wetgeving van kracht voor een reeks soorten waarvoor het federale niveau bevoegd is. Die wetgeving resulteert in verplichtingen inzake registratie en beperkingen in de kweek en handel. Om deze samenhang te verduidelijken, werd door de administratie een flowchart gepubliceerd, waarin echter de bepalingen uit het Soortenbesluit ontbreken: https://www.huisdierinfo.be/welke-reptielen-mag-je-houden. Het wijzigingsvoorstel Het bewuste wijzigingsartikel stelt nu voor om elke vergunningsplicht of meldingsplicht voor houders van schildpadden te schrappen, ongeacht de aantallen of de karakteristieken van de gehouden soorten (gevaarlijk voor de mens, invasief karakter, ...). Als argumentatie vermeldt het verslag aan de Vlaamse Regering dat "het houden van schildpadden geen gevaar vormt voor de omgeving, zijnde de mens en het leefmilieu". Het verslag besluit dan ook dat deze wijziging geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt. Door deze wijziging zouden niet enkel de administratieve verplichtingen voor de houders van schildpadden verdwijnen, maar zouden, voor die houders van schildpadden, ook de verplichtingen vervallen uit de sectorale voorwaarde van art. 5.9.14. van VLAREM II (zie eerder). Beoordeling De Minaraad is het niet eens met de inschatting dat het houden van schildpadden per definitie geen gevaar vormt voor de omgeving (mens en leefmilieu). Aangaande het risico voor de mens wijst de Raad vooreerst op het gevaar voor bijtletsels, waarop gewezen wordt in de eerder vernoemde lijst van reptielen die als gevaarlijk voor de mens worden beschouwd. In de literatuur wordt ook melding gemaakt van de overdracht van Salmonella, voornamelijk via fysiek contact tussen thuis gehouden schildpadden en de mens. Aangaande het risico voor de omgeving wijst de minister terecht op de bezorgdheid omtrent invasieve exoten. Schildpadden worden vlot als huisdier aangeboden en aangeschaft - maar de kopers houden het niet altijd vol: de (private) opvangcapaciteit bleek recent (over)vol te zitten. Er is dan ook reden om aan te nemen dat schildpadden nog steeds ontsnappen of worden vrijgelaten in de natuur, met navenante risico's voor de biodiversiteit. De Raad merkt op dat verschillende soorten regelmatig worden waargenomen in België, mede op grond van een project voor de inventarisatie. Het is niet te bepalen of de waargenomen exemplaren het gevolg zijn van (ongewilde) ontsnappingen en/of (bewuste) uitzettingen. Hoewel voortplanting nog niet werd waargenomen, is er wel reeds ei-leg geconstateerd. Voortplanting is wel vastgesteld in de buurlanden Frankrijk en Duitsland, en wordt verwacht in Nederland, mede door de klimaatopwarming. De in het wild voorkomende en potentieel invasieve schildpadden blijken daarnaast niet gemakkelijk weg te vangen1. De Raad wijst op eerdere voorbeelden die leren dat te laat ingrijpen kan leiden tot hoge kosten (zie de inspanningen die gedaan worden voor bestrijding van de Canadese gans, stierkikker, Chinese wolhandkrab, muskusrat, ..) Het is daarom opvallend dat het invasief karakter van een soort, ondanks de door de minister gehanteerde verwijzing, geen afweging vormt in VLAREM of in de nu voorliggende bijstelling ervan. De Minaraad erkent echter ook de beperkingen van VLAREM om deze problematiek aan te pakken. VLAREM bepalingen hebben immers op zich geen impact op opzettelijke uitzettingen. Ze kunnen wel het risico op ontsnappingen uit inrichtingen inperken, waarbij weliswaar de handhavingscapaciteit bij de lokale besturen een factor is. Het lijkt dan ook belangrijk om de inspanningen aan te houden in verband met de inrichtingen waar dieren worden gehouden die of risico's inhouden voor de mens (bijtgevaar), of risico's inhouden voor het leefmilieu (invasief karakter). Voorstel Een mogelijke oplossingsrichting kan volgens de Raad bestaan uit twee delen: Om de bezorgdheid over de risico's door invasieve soorten op te vangen, zou de lijst van "gevaarlijke" dieren kunnen uitgebreid worden op basis van een criterium i.v.m. de risicobeoordeling van het invasief karakter van de soorten. De Raad suggereert om het INBO te verzoeken hierover advies uit te brengen, in afwachting van de door de Raad eerder gevraagde Vlaamse lijst. De Raad meent dat het advies niet beperkt kan blijven tot de dieren die niet op de positieflijst, omdat deze meerdere soorten bevat met een gedocumenteerde invasiehistoriek. De administratieve last zou beperkt kunnen worden door de meldingsplicht voor het houden van minder dan 30 "ongevaarlijke" (en dus ook niet-invasieve) schildpadden af te schaffen. Samen genomen levert dit op voor de concrete VLAREM-rubriek: rubriek omschrijving klasse opmer- kingen coördinator audit jaar- verslag VLAREBO 9.2. Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen uitgezonderd schildpadden of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden 1.inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) gefokt of gehouden worden die door hun agressiviteit, giftigheid, invasief karakter of anderszins een gevaar inhouden, zoals schorpioenen, zwarte weduwe, enz. vanaf 1 volwassen dier 2 2.inrichtingen waarin volwassen amfibieën of reptielen andere dan ingedeeld in rubriek 9.2.1. gefokt of gehouden worden 1. tot en met 30 dieren, uitgezonderd schildpadden 3 2.meer dan 30 dieren 2 ". Het advies van de Minaraad wordt als volgt geëvalueerd, waarbij insteek werd gevraagd aan de Universiteit Gent: Het is op heden onduidelijk welke definitie er gehanteerd wordt om een soort als invasief te bestempelen. Rekening houdende met de impact die het opstellen van een lijst met `invasieve' soorten kan hebben is het belangrijk dat er een officiële definitie gehanteerd wordt. Waarbij er moet benadrukt worden dat er een verschil is tussen een soort die in onze contreien weet te overleven versus een soort die zich eveneens succesvol kan voortplanten, zich kan handhaven en finaal een negatieve impact heeft op ons ecosysteem. Uiteraard dient er rekening gehouden te worden met de Europese richtlijnen (cfr. Unielijst - Soortenbesluit; Trachemys scripta), maar voor geen enkele schildpaddensoort die bv. op de positieve lijst reptielen vermeld wordt kan er wetenschappelijk bewijs van invasiviteit geleverd worden of zijn er rapporten van negatieve invloeden op ons milieu/ecosysteem beschikbaar. De vergelijking met de Canadese gans, stierkikker, Chinese wolhandkrab en muskusrat die in het advies gemaakt wordt, gaat in dit opzicht niet op. De overdracht van Salmonella van reptiel naar de mens wordt eveneens aangehaald in het advies. Hierbij moet vermeld worden dat alle diersoorten een potentieel risico vormen naar volksgezondheid toe, maar dit risico is voor (niet gevaarlijke) reptielen niet groter (zelfs kleiner) dan voor een hond. Wanneer het kunnen overleven in onze natuur als definitie van invasiviteit wordt gebruikt, dan komen er nog een hele reeks andere reptielen in aanmerking die opgenomen zijn in de positieve lijst reptielen. Zo zou ook de veel gehouden Griekse landschildpad als een potentieel invasieve soort kunnen bestempeld worden om maar een voorbeeld te geven. Wanneer er geen officiële definitie gehanteerd wordt om schildpaddensoorten als invasief te bestempelen, kan dit bovendien ook consequenties hebben naar verschillende slangen- en hagedissensoorten die op de positieve lijst vermeld worden. Een bijkomende lijst met `invasieve soorten' zal de reeds erg complexe regelgeving omtrent de handel en het houden van reptielen nog complexer maken en algemeen tot een hogere administratieve belasting leiden. De implementatie van dergelijke lijst en controle op de naleving ervan zal waarschijnlijk een grote uitdaging vormen. Daarom wordt er voorgesteld om voor het invasief karakter te verwijzen naar de Unielijst, zoals opgenomen in de EU-verordening betreffende, invasieve, uitheemse soorten. Om tegemoet te komen aan de bezorgdheden mbt het invasief karakter en het feit dat er in de lijst van gevaarlijke reptielen ook diverse schildpaddensoorten zijn opgenomen die een bijtletsel kunnen veroorzaken, is het aangewezen om de rubriek 9.2 te wijzigen als volgt: 9.2 Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden 1° Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) gefokt of gehouden worden die door hun agressiviteit, giftigheid, invasief karakter (conform de `Unielijst' zoals opgenomen in de EU-verordening 1143/2014 van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten) of die door hun gedrag een gevaar inhouden, zoals schorpioenen, zwarte weduwe, enz.vanaf 1 volwassen dier. 2 2° inrichtingen waarin volwassen amfibieën of reptielen andere dan ingedeeld in rubriek 9.2.1. gefokt of gehouden worden

  1. a)tot en met 30 dieren, uitgezonderd schildpadden 3
  2. b)meer dan 30 dieren 2 Gezien het voorgaande kan er geoordeeld worden dat de wijziging geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt. Punt 2° Dit punt voegt een uitzondering toe aan de rubriek 12.1 voor noodstroomgroepen met een elektrisch schijnbaar vermogen van minder dan 400 kVA die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn. Dit zijn inrichtingen met een beperkte milieu-impact, die volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Deze inrichtingen worden geschrapt uit de indelingslijst en de te nemen preventieve en/of mitigerende maatregelen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van dit besluit. Een gelijkaardige aanpassing wordt doorgevoerd in de rubriek 31.1. Hierbij wordt rekening gehouden met het elektrisch rendement van een typisch stationaire motor. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punt 3° Dit punt schrapt de rubriek 12.2.1. Deze transformatoren hebben een beperkte milieu-impact, die volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Deze transformatoren worden geschrapt uit de indelingslijst en de te nemen preventieve en/of mitigerende maatregelen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van dit besluit. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punten 4° en 5° Deze punten heffen enerzijds de rubriek 12.3 op en voegen anderzijds de rubriek 12.5 toe. Vast opgestelde baterijen en vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren zijn inrichtingen met een beperkte milieu-impact, die volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Deze inrichtingen worden geschrapt uit de indelingslijst en de te nemen preventieve en/of mitigerende maatregelen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Shuntreactoren worden nieuw opgenomen in de rubriek 12.5. Shuntreactoren worden nog maar enkel jaren op het net geïnstalleerd en hebben het vermogen en de omvang van de grote vermogenstransformatoren, met grote volumes aan olie en een significant geluidsvermogen. Het is daarom aangewezen om deze op een gelijkaardige manier als de transformatoren met een vermogen van meer dan 1.000 kVA te behandelen. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve milieueffecten. Punt 6° Dit punt voegt een uitzondering toe in de rubriek 31.1 voor vast opgestelde motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn en die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven. Dit zijn inrichtingen met een beperkte milieu-impact, die volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Deze inrichtingen worden geschrapt uit de indelingslijst en de te nemen preventieve en/of mitigerende maatregelen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Een gelijkaardige aanpassing wordt doorgevoerd in de rubriek 12.1. Hierbij wordt rekening gehouden met het elektrisch rendement van een typisch stationaire motor. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punt 7° Dit punt wijzigt rubriek 53. Grondwaterwinningen die vandaag onder de uitzonderingen vallen van rubriek 53, maar gelegen zijn in een beschermingszone type III zijn toch vergunningsplichtig onder rubriek 52.1.2 (klasse 2). Dit is bij weinigen bekend aangezien rubriek 52 als omschrijving "lozing in grondwater" heeft. Er is tot op heden geen vergunning als rubriek 52.1.2 bekend voor een niet-ingedeelde grondwaterwinning. Het is logischer om deze te vatten onder de rubriek 53 "winning van grondwater". Het aanvraagformulier en de algemene en sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53 van VLAREM II zijn voor dit type van activiteit geschikter voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico's en hinder afkomstig van de exploitatie. Een dubbele rubricering met rubriek 52.1.2 is niet van toepassing aangezien rubriek 52.1.2 beperkt is tot "niet elders ingedeelde handelingen". Bij een grondwaterwinning van max. 500m3/j voor huishoudelijke doeleinden in beschermingszone type III, met een diepte van meer dan 2,5 m-mv, zal een vergunningsaanvraag vereist worden voor de rubriek 53.8.1°
  3. b)- klasse 2 aangezien het dieptecriterium in elke beschermingszone nooit meer dan 2,5m is. Door de voorgestelde aanpassingen worden deze winningen in dezelfde klasse ingedeeld, aangezien rubriek 52.1.2 ook een klasse 2 betreft. Bij een grondwaterwinning van max. 500m3/j voor huishoudelijke doeleinden in beschermingszone type III, met een diepte tot 2,5 m-mv, dient een aktename te gebeuren voor de rubriek 53.8.1° a), voor zover deze niet gelegen is in een speciale beschermingszone. In een speciale beschermingszone is een ingedeelde grondwaterwinning immers minstens steeds een klasse 2-activiteit, aangezien het dieptecriterium hier 0m bedraagt. Hiervoor gelden de generieke overgangsbepalingen van artikel 51 of artikel 110 van het omgevingsvergunningendecreet. Omdat de via hand-, voet- of neuspompen gewonnen debieten zeer beperkt zijn, is de indeling in klasse 3 een betere weerspiegeling van de mate van hinderlijkheid van deze activiteit. Er wordt daarom een nieuwe rubriek 53.8.1°
  4. c)gemaakt, specifiek voor dergelijke winningen (zie wijzigingsartikel 46, 10° ), om te vermijden dat deze anders in klasse 2 ingedeeld zijn. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen winningen met hand-, voet- of neuspomp op een diepte van minder of meer dan 2,5 m-mv. Deze wijziging heeft betrekking op een verduidelijking van de geschikte rubriek en bijhorende voorwaarden voor grondwaterwinningen die gelegen zijn in een beschermingszone type III. De wijziging in klasse voor de hand-, voet- of neuspompen, ingedeeld in de nieuwe rubriek 53.8.1°
  5. c)heeft geen impact op de algemene en sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53 van VLAREM II die zowel van toepassing zijn op de in de tweede als derde klasse ingedeelde activiteiten. De huishoudelijke winningen in beschermingszone type III, en de hand-, voet- of neuspompen, beiden met een diepte van max. 2,5 m-mv, die door deze wijziging ingedeeld worden, zullen zeer beperkt in aantal zijn. Bovendien geldt voor de huishoudelijke winningen nog steeds dat deze in klasse 3 zijn ingedeeld, als deze voorzien zijn van een handpomp. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punt 8° Dit punt wijzigt rubriek 53. Er wordt verduidelijkt dat de uitzondering niet enkel geldt voor handpompen, maar ook voor voet- en neuspompen (zoals weidepompen voor het drenken van vee). Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punt 9° Dit punt wijzigt rubriek 53.2. Om de kwantitatieve toestand van onze grondwatervoorraden te beschermen en te vrijwaren is het logisch dat het nuttig gebruik van niet verontreinigd bemalingswater te verkiezen is boven lozen in een niet-infiltrerende waterloop of riolering. In dit geval voorkomt het nuttig gebruik van het bemalingswater dat andere waterbronnen moeten aangesproken worden. De bemalingscascade wordt uitgebreid met hergebruik van dit bemalingswater. In Vlaanderen is dit nog niet ingeburgerd en daar willen we met deze wijziging verandering in brengen. Hergebruik tot maximaal 5.000 m3 per kalenderjaar wordt inbegrepen in de bemalingsrubriek voor zover er geen indicaties zijn dat het bemalingswater potentieel verontreinigd is. Bij hogere volumes is een vergunning nog steeds vereist. De debietsgrens is dezelfde als voor rubriek 53.8.1 a), de rubriek die hiervoor vandaag in de meeste gevallen moet aangevraagd worden. In de rubrieksomschrijving wordt geschrapt dat het terug in de grond gebrachte bemalingswater "niet verontreinigd" moet zijn. De kwaliteitsvereisten van dit water zijn vastgelegd in art. 5.53.6.1.1. van titel II van VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve milieueffecten (zie ook wijzigingsartikel 33 van dit besluit). Punt 10° Dit punt wijzigt rubriek 53.8. Er wordt een punt
  6. c)toegevoegd aan rubriek 53.8.1°, met name het toevoegen van een klasse 3-activiteit voor hand-, voet- en neuspompen, gelegen binnen beschermingszone type III. Om dubbele rubricering met rubriek 53.8.1°
  7. a)of 53.8.1°
  8. b)te vermijden, wordt hier telkens bij deze rubrieken toegevoegd dat deze rubrieken niet gelden als er reeds een indeling in rubriek 53.8.1°
  9. c)van toepassing is. Zie ook toelichting bij wijzigingsartikel 46, 7°. Deze wijziging heeft betrekking op een verduidelijking van de geschikte rubriek en bijhorende voorwaarden voor grondwaterwinningen die gelegen zijn in een beschermingszone type III. De wijziging in klasse voor de hand-, voet- of neuspompen, ingedeeld in de nieuwe rubriek 53.8.1°
  10. c)heeft geen impact op de algemene en sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53 van VLAREM II die zowel van toepassing zijn op de in de tweede als derde klasse ingedeelde activiteiten. De huishoudelijke winningen in beschermingszone type III, en de hand-, voet- of neuspompen, beiden met een diepte van max. 2,5 m-mv, die door deze wijziging ingedeeld worden, zullen zeer beperkt in aantal zijn. Bovendien geldt voor de huishoudelijke winningen nog steeds dat deze in klasse 3 zijn ingedeeld, als deze voorzien zijn van een handpomp. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. Punt 11° Dit punt vervangt rubriek 63. In rubriek 63 voor de opslag en ontwateren van bagger- en ruimingsspecie wordt voor de volledigheid opgenomen dat beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bagger- of ruimingsspecie begrepen zijn in deze rubriek, en niet vergunningsplichtig zijn volgens rubriek 30, cfr. eenzelfde formulering als bij de rubrieken 60 en 61. Ook wordt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij opgenomen als adviesverlenende instantie bij rubriek 63. Alle opslag van bagger- en ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodem decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming type decreet prom. 27/10/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006204028 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de beroepsprocedure in het onderwijs voor sociale promotie sluiten en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zit vervat in deze rubriek 63, dus ook als deze opslag niet gebeurt in afwachting van ontwatering en ook de loutere opslag van ontwaterde specie. Deze wijziging heeft enerzijds tot doel het voorkomen van dubbele rubricering van beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bodemmaterialen en voegt anderzijds de OVAM als adviesverlenende instantie toe. Deze wijziging veroorzaakt dus geen aanzienlijke milieueffecten. Artikel 47 Dit artikel wijzigt de bijlage 3.3 van VLAREM II. Het betreft een rechtzetting van een verkeerde verwijzing. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 48 Dit artikel vervangt punt 48 van bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM. Een rechtzetting en letterlijke omzetting van hoofdstuk 6 (aanbevelingen) van de BBT-studie `Verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector' (VITO, december 2015) wordt doorgevoerd. Conform de BBT wordt een onderscheid gemaakt tussen "kleine" en "grote" bedrijven. De grens werd uiteindelijk op 4000 ton opslagcapaciteit gelegd voor de niet-overdekte buitenopslag, met uitzondering van de opslag van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt. De grote bedrijven moeten, naast de toepassing van preventieve maatregelen een volledige doorgedreven zuivering voorzien om aan de sectorale en bijzondere lozingsnormen te kunnen voldoen. Voor kleine bedrijven is het, als aanvulling op de preventieve maatregelen, BBT om enkel een voorzuivering (slibvang en olie/waterafscheider) toe te passen. Daarnaast wordt er voor kleine bedrijven verwezen naar de richtlijnen die opgesteld zijn ter uitvoering van dit artikel. Deze richtlijnen voor kleine bedrijven bevatten onder meer de betreffende preventieve maatregelen en de toepasselijke richtlijnen voor lozing op oppervlaktewater of op openbare riolering. De huidige sectorale voorwaarde bepaalt echter dat: - kleine bedrijven worden geacht van rechtswege aan de normen van bijlage 5.3.2, 48°, te voldoen. - Op 1 oktober 2019 vervielen de bijzondere lozingsnormen opgenomen in de vergunningen voor inrichtingen vermeld in het tweede lid (omgevingsvergunningen of milieuvergunningen). Dit geldt alleen voor de vergunningen van deze bedrijven die niet gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. - De bijzondere lozingsvoorwaarden afgeleverd voor 3 mei 2019, worden op dat moment geacht van rechtswege vervangen te zijn door de voorwaarden opgenomen in dit artikel. De beoogde rechtzetting harmoniseert het betreffende artikel 5.2.1.7, § 5, VLAREM II met: - artikel 5.4.3, §

§ 2

van het DABM: de rechtzetting streeft een hoge beschermingsgraad na en voldoet aan BBT, rekening houdend met de geldende milieukwaliteitsnormen. Zoals reeds vermeld betreft dit een omzetting van een Vlaamse BBT-studie. In het DABM wordt bepaald dat de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden op de beste beschikbare technieken (BBT) worden gebaseerd. Hiertoe worden onder meer Vlaamse BBT-studies opgemaakt. Deze technieken (en dus ook de eventueel daaraan gekoppelde emissiegrenswaarden) worden in deze studies onderworpen aan een multicriteria-analyse. Deze criteria hebben zowel betrekking op de milieucompartimenten (bv. water, energie, geur, geluid en grondstoffen), als op de technische haalbaarheid en de economische aspecten (kostenhaalbaarheid en effectiviteit). De mogelijke milieueffecten werden dus reeds in kaart gebracht in deze BBT-studie. - artikel 5.4.7 van het DABM (strengste milieuvoorwaarde geldt) - artikel 1.7.2.1.1, § 4 van het Decreet integraal Waterbeleid, artikel 1.2.1, § 2 van het DABM en artikel 23, § 4 van de Grondwet (standstilbeginsel, zijnde geen achteruitgang van de bestaande toestand wat een omzetting is van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water). De huidige bepaling in VLAREM II laat niet toe om de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te halen. Het tijdig remediëren van de huidige bepalingen zal net aanzienlijke negatieve milieueffecten voorkomen. Dit artikel heeft een positieve impact op milieueffecten. Dit artikel veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve effecten. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 06/03/2019 numac 2018014287 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016

(2)
(3)type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit sluiten7 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Milieuhandhavingsbesluit) De artikelen onder dit hoofdstuk vormen geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 49 Dit artikel wijzigt bijlage I bij het Milieuhandhavingsbesluit. In dit artikel wordt de lijst van milieu-inbreuken letterlijk aangepast conform het DABM. Artikel 50 Dit artikel wijzigt artikel 1 van bijlage VII bij het Milieuhandhavingsbesluit. In dit artikel wordt de lijst van milieu-inbreuken letterlijk aangepast conform de wijzigingen aan het VLAREM zoals opgenomen in dit besluit. Artikel 51 Dit artikel vervangt bijlage XXIII van het Milieuhandhavingsbesluit. Met de wijzigingen aan het VLAREL moet ook de lijst met milieu-inbreuken in bijlage XXIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 06/03/2019 numac 2018014287 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016
(2)
(3)type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit sluiten7 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid aangepast worden. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 06/03/2019 numac 2018014287 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016
(2)
(3)type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit sluiten9 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL) De artikelen onder dit hoofdstuk vormen geen kader voor de toekenning van vergunningen. Artikel 52 Artikel 53 Artikel 54 Artikel 55 Deze artikels wijzigen artikel 13/1, 14, 15, 16 en 17 van het VLAREL. De wijzigingen betreffen een rechtzetting naar aanleiding van de verandering van de betaling van de jaarlijkse retributie voor de uitoefening van het toezicht, dat ingevoerd werd met het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/11/2019 pub. 03/12/2019 numac 2019042404 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik sluiten2 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw. De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing is niet meer afhankelijk van de datum van betaling van de retributie om de erkenning te bekomen. Artikel 56 Dit artikel wijzigt artikel 17/1 van het VLAREL. Het is mogelijk dat een koeltechnicus slaagt voor het examen over koeltechniek in een erkend opleidingscentrum en het certificaat van bekwaamheid ontvangt maar nog geen erkenning wenst (bijvoorbeeld een scholier die nog niet onmiddellijk als erkend koeltechnicus aan de slag gaat). De koeltechnicus kan op een later moment zijn erkenning in orde brengen. Als dan blijkt dat het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet een koeltechnicus eerst slagen voor een actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum of voor een gelijkwaardig examen vooraleer de erkenning als koeltechnicus te kunnen bekomen. Deze voorwaarde is in overeenstemming met eenzelfde erkenningsvoorwaarde die opgelegd is aan de airco-energiedeskundige (art. 13/1, 3° ) en de andere technici die vijfjaarlijks een bijscholing moeten volgen (art. 14, 2°, 15, 2°, 16, 3°, 17, 2° ), en de verplichting om als erkend koeltechnicus vijfjaarlijks te slagen voor een actualisatie-examen om de erkenning te behouden (art. 40/1, 4° ). Artikel 57 Dit artikel wijzigt artikel 32 van het VLAREL. Personen kunnen van rechtswege erkend worden als ze aan welbepaalde erkenningsvoorwaarden voldoen en zonder dat de Vlaamse overheid rechtstreeks bij de beoordeling van de erkenningsvoorwaarden tussenkomt. Met de wijziging zijn alle personen die van rechtswege erkend worden, verplicht om aan de Vlaamse overheid het gebruik van de erkenning te melden zodat de overheid over de minimale noodzakelijke gegevens van alle erkende personen beschikt (bv. identificatiegegevens van de persoon en startdatum erkenning). De Vlaamse overheid heeft deze gegevens nodig voor onder andere de organisatie van het toezicht om personen uniek te kunnen identificeren en voor het publiceren van de lijsten met erkende personen. Artikel 58 Dit artikel wijzigt artikel 34 van het VLAREL. Een persoon moet voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten over een specifieke erkenning beschikken (bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een periodiek onderhoud van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof). De lijst met erkende personen kan online geraadpleegd worden. Met de voorgestelde wijziging kan de klant aan de erkende natuurlijke persoon vragen om een geldig identiteitsbewijs te tonen. Op die manier is het voor de klant mogelijk om na te gaan of de persoon die hij wil inschakelen daadwerkelijk de persoon is die over de vereiste erkenning en bijgevolg de kennis en vaardigheden beschikt om de erkenningsplichtige werkzaamheden op een correcte manier uit te voeren. Artikel 59 Dit artikel wijzigt artikel 40/1 van het VLAREL naar aanleiding van de afstemming van de uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot warmtepompen met en zonder koelfunctie en met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen. Met de voorgestelde wijziging gebeurt er een afstemming voor de betreffende verplichtingen voor een erkend koeltechnicus voor warmtepompen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen met en zonder koelfunctie (zoals het invullen van het installatiegebonden logboek) waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/2009. Met de voorgestelde wijziging kan de overheid het werk van een erkend technicus aan beide types van warmtepompen (met en zonder koelfunctie) aan een controle onderwerpen. Artikel 60 Artikel 61 Artikel 62 Artikel 63 Artikel 64 Artikel 65 Artikel 66 Artikel 67 Artikel 68 Deze artikels wijzigen artikels 42, 43, 43/1, 43/2, 43/3, 43/4, 43/5, 43/6, 43/7, 43/8, 43/9 en 43/10 van het VLAREL. Momenteel moet een milieucoördinator, technicus, airco-energiedeskundige of bodemsaneringsdeskundige zich bij het afleggen van zijn examen niet legitimeren. Op die manier is het mogelijk dat een certificaat van bekwaamheid of getuigschrift en bijgevolg een erkenning onterecht uitgereikt wordt aan een persoon die iemand anders ingeschakeld heeft om het examen in zijn plaats af te leggen. Met de voorgestelde wijziging moet het opleidingscentrum bij het examen de identiteit van een deelnemer verifiëren aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Zo bestaat de garantie dat het certificaat van bekwaamheid of getuigschrift aan de juiste persoon uitgereikt wordt en dat de erkenningshouder daadwerkelijk over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt. Hieronder volgen nog enkele wijzigingen voor de opleidingscentra voor de technici en airco-energiedeskundigen: - De Vlaamse overheid heeft sjablonen voor de verschillende certificaten opgesteld die moeten gebruikt worden door een erkend opleidingscentrum. Daardoor is het niet meer nodig dat het certificaat door het erkende opleidingscentrum nog eens ter goedkeuring voorgelegd wordt aan de overheid. - Het erkende opleidingscentrum moest tot nu toe aan de overheid de gegevens van de geslaagde kandidaten doorgeven waarna de overheid de gegevens moest verwerken en opladen in een databank. Dit gaat om honderden examenzittingen per jaar wat voor heel wat administratief werk zorgt, zowel voor de opleidingsinstellingen als de overheid (bv. als er gegevens ontbreken of niet correct zijn). Met de voorgestelde wijziging zal het erkende opleidingscentrum de gegevens van de geslaagde kandidaten zelf in een databank van de Vlaamse overheid registreren waarbij de overheid niet meer tussenkomt voor de administratieve verwerking. Enkel de personen die een specifiek certificaat van bekwaamheid behalen en aldus in de databank geregistreerd worden, komen in aanmerking om de erkenning als technicus of airco-energiedeskundige te behalen of te behouden. Een persoon zal zich via een webapplicatie bij de overheid kunnen registreren om de Vlaamse erkenning te bekomen. Van zodra een persoon te kennen heeft gegeven dat hij de Vlaamse erkenning wenst te bekomen én de opleidingsinstelling het certificaat van bekwaamheid dat deze persoon behaald heeft, in een databank geregistreerd heeft, zal de persoon via een geautomatiseerd digitaal systeem op de hoogte gebracht worden dat hij over de Vlaamse erkenning beschikt. Met het nieuwe systeem zal het erkende opleidingscentrum het Vlaamse erkenningsbewijs bijgevolg niet langer meer moeten uitreiken. In het verleden werd regelmati

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.