📄 Wettekst
24 JUNI 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
06/03/2019
numac
2018014287
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016 (2)(3)
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
10/01/2018
numac
2017031916
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
sluiten7 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het
besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
06/03/2019
numac
2018014287
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016 (2)(3)
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
10/01/2018
numac
2017031916
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
sluiten9 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, het
besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten4 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure, het
besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten7 tot uitvoering van het
decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
26/06/2014
numac
2014203085
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
11/06/2014
numac
2014203012
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
27/08/2014
numac
2014035559
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 200 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het aanwijzen van personen die namens het OCMW in rechte kunnen verschijnen
sluiten betreffende de omgevingsvergunning, het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw
DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene toelichting Dit besluit wijzigt de volgende besluiten: - titel II van het VLAREM en haar bijlagen; - het VLAREL; - het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
06/03/2019
numac
2018014287
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016 (2)(3)
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
10/01/2018
numac
2017031916
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
sluiten7 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; - het
besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten4 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure; - het
besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten7 tot uitvoering van het
decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
26/06/2014
numac
2014203085
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
11/06/2014
numac
2014203012
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
27/08/2014
numac
2014035559
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 200 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het aanwijzen van personen die namens het OCMW in rechte kunnen verschijnen
sluiten betreffende de omgevingsvergunning; - het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw.
Met dit besluit wordt de betreffende milieuregelgeving geactualiseerd op basis van onder meer beste beschikbare technieken. Verder bevat dit besluit nog voornamelijk enkele optimalisaties, kleinere aanpassingen en errata.
De volgende wijzigingen aan titel II van het VLAREM worden doorgevoerd: - Enkele wijzigingen aan de definities; - Een rechtzetting en letterlijke omzetting van hoofdstuk 6 (aanbevelingen) van de BBT-studie `Verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector' wordt doorgevoerd. Deze rechtzetting zorgt ervoor dat de betreffende bepalingen opnieuw in overeenstemming zijn met artikel 5.4.3, § 1 en § 2 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (hoge beschermingsgraad en voldoen aan BBT, rekening houdend met de geldende milieukwaliteitsnormen), artikel 5.4.7 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (strengste milieuvoorwaarde geldt) en ook met artikel 1.7.2.1.1, § 4 van het Decreet integraal Waterbeleid, artikel 1.2.1, § 2 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid en artikel 23, § 4 van de Grondwet (standstilbeginsel, zijnde geen achteruitgang van de bestaande toestand = omzetting van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water). - Voor recyclageparken wordt opgenomen dat in de vergunning een afwijking kan worden toegestaan op de algemene bepaling die stelt dat de afvoer van afvalstoffen alleen toegelaten is mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Deze afwijkingsmogelijkheid is alleen van toepassing buiten de reguliere openingsuren van het park; - Enkele wijzigingen en actualisaties van de voorwaarden en rubrieken voor inrichtingen m.b.t. elektriciteitsproductie, elektrische apparaten en de opslag van elektriciteit. De voorwaarden voor transformatoren worden uitgebreid naar shuntreactoren, die qua opbouw en hinder naar omgeving gelijkaardig zijn. Bepaalde klasse 3-inrichtingen worden geschrapt uit de indelingslijst (lijst van inrichtingen en activiteiten waarvan de exploitatie ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden, opgenomen als bijlage I bij VLAREM II) aangezien deze een beperkte milieu-impact hebben, die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk formuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen en aangezien bij de aktename van melding van deze inrichtingen zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in deel 6 van VLAREM II dat betrekking heeft op milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen; - Enkele wijzigingen en actualisaties van de voorwaarden en rubrieken voor grondwaterwinningen en bemalingen, onder meer i.k.v. een goed beheer van grondwatervoorraden m.b.t. de droogteproblematiek. De huidige voorafmeldingsplicht die reeds bestaat voor de vergunningsplichtige boringen- en grondwaterwinningen wordt uitgebreid naar alle boringen en grondwaterwinningen, dus ook deze die in klasse 3 zijn ingedeeld en de particuliere, niet ingedeelde inrichtingen, dit met het oog op een efficiënte en performante handhaving van de aanleg en buitengebruikstelling van boringen en grondwaterwinningen. Ook wordt het hergebruik van bemalingswater gefaciliteerd; het hergebruik tot maximaal 5.000 m3 per kalenderjaar wordt inbegrepen in de bemalingsrubriek. - Voor het opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten wordt verduidelijkt/rechtgezet dat de studie "ontvangende groeve en graverij" voor elke opvulling bij de aanvraag moet worden toegevoegd; - Enkele bijkomende aanpassingen aan de indelingslijst: - Enkele kleinere, niet-inhoudelijke aanpassingen, administratieve vereenvoudigingen en verduidelijkingen; - Enkele rechtzettingen van errata.
De wijzigingen aan het Milieuhandhavingsbesluit hebben enkel betrekking op een aanpassing van de lijst van milieu-inbreuken en dit conform de wijzigingen aan de regelgeving als gevolg van dit ontwerp van besluit.
De volgende wijzigingen aan het VLAREL worden doorgevoerd: - erkende boorbedrijven: - Enkele wijzigingen voor de erkende opleidingscentra en voor de technici en airco-energiedeskundigen met het oog op administratieve vereenvoudiging: - De mogelijkheid om het Europees certificaat van een koeltechnicus, technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, technicus voor elektrische schakelinrichtingen, technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, koeltechnisch bedrijf of bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur te schorsen of op te heffen. Het gaat hier enkel om de Europese certificaten die door het Vlaamse Gewest uitgereikt werden; - Er worden bepalingen opgenomen in verband met de verwerking van persoonsgegevens; - Een aanpassing van de erkenningspakketten waarvoor de laboratoria in de discipline water en in de discipline afvalstoffen en andere materialen kunnen erkend worden; - Enkele niet-inhoudelijke/taalkundige correcties.
De wijzigingen aan het Milieuschadebesluit hebben enkel betrekking op terminologische aanpassingen (omschrijving van afdelingen en contactgegevens) als gevolg de gewijzigde organisatiestructuur en taakverdeling van het departement Omgeving.
De wijzigingen aan het Omgevingsvergunningenbesluit hebben betrekking op het volgende: voor haar werkzaamheden is het van belang dat de VMM op de hoogte is van alle beslissingen over vergunningsaanvragen die de indelingsrubriek 3 omvatten, ook wanneer ze in het betrokken dossier niet als adviesinstantie optreedt. Het Omgevingsvergunningenbesluit wordt in die zin aangepast De wijziging aan het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw heeft louter betrekking op een rechtzetting van de overgangsbepaling in dit besluit voor erkende laboratoria.
Gehanteerde afkortingen: - DABM: decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. - Omgevingsvergunningenbesluit: het
besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten7 tot uitvoering van het
decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
26/06/2014
numac
2014203085
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
11/06/2014
numac
2014203012
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie
type
decreet
prom.
25/04/2014
pub.
27/08/2014
numac
2014035559
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van artikel 200 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat betreft het aanwijzen van personen die namens het OCMW in rechte kunnen verschijnen
sluiten betreffende de omgevingsvergunning - VLAREL: het
besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
06/03/2019
numac
2018014287
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016 (2)(3)
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
10/01/2018
numac
2017031916
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
sluiten9 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu - VLAREM: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling Artikel 1 Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van de volgende Europese verordeningen: - verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, - verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, - verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, - verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, - verordening (EU) nr. 592/2014 van de Commissie van 3 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 voor wat betreft het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als brandstof in stookinstallaties, - uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen, - uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat, - verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Voor een thematisch overzicht van de voorgestelde wijzigingen aan VLAREM wordt naar de algemene toelichting verwezen.
Artikel 2 Dit artikel wijzigt artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt vervangt de datum van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenning van dierentuinen. Het betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2 met betrekking tot een foutieve datum.
Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Punten 2° tot en met 8° Deze punten wijzigen een aantal definities met betrekking tot koelinstallaties.
In VLAREM II zijn, wat warmtepompen betreft, momenteel enkel exploitatievoorwaarden opgenomen voor ingedeelde en niet-ingedeelde warmtepompen met een koelfunctie (reversibele warmtepompen) zoals het uitvoeren van lekkagecontroles met een welbepaalde frequentie, het bijhouden van een installatiegebonden logboek en de verplichting dat bepaalde werkzaamheden waarbij er een risico op emissies van deze schadelijke koelmiddelen bestaat, moeten uitgevoerd worden door een erkend koeltechnicus, werkzaam in een erkend koeltechnisch bedrijf.
Deze verplichtingen geven uitvoering aan de Europese verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en de Europese verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.
Volgens verordening (EU) nr. 517/2014 en verordening (EG) nr. 1005/2009 moeten ook de warmtepompen die enkel verwarmen en dus geen koelfunctie hebben aan bepaalde exploitatievoorwaarden voldoen. VLAREM II is momenteel niet afgestemd met deze verordeningen voor dit type van warmtepompen.
Met de voorgestelde wijziging worden de definities met betrekking tot warmtepompen met en zonder koelfunctie op elkaar afgestemd waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/2009. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is.
Punt 9° Dit punt voegt een bijkomende uitzondering toe aan de definitie "opslagplaats" in de algemene definities voor gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, namelijk voor vaste houders (o.a. bladdertanks) voor de opslag van blus- of schuimmiddelen, aangesloten op een blus- of sprinklerinstallatie. De vaste houders (o.a. bladdertanks) voor de opslag van blus- of schuimmiddelen, aangesloten op een blus- of sprinklerinstallatie, zijn cruciaal voor de brandbestrijding. Aangezien het atypische vaste houders betreffen, waarbij zowel een vloeistoffase (in een zak of membraan) als een gasfase (lucht onder druk rondom de zak of het membraan) aanwezig kunnen zijn, is een keuring volgens de bepalingen van VLAREM niet mogelijk. Ook eist Codex boek III titel 3 (brandveiligheid) dat dergelijke installaties jaarlijks worden gecontroleerd in overeenstemming met de richtlijnen van de fabrikant of installateur.
Bijgevolg is een aanvullende keuring volgens VLAREM niet noodzakelijk.
Het risico op effecten voor het milieu en de mens is eveneens beperkt.
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten.
Punten 10° en 11° Punt 10° voegt vooreerst een definitie toe voor "verlaging van het grondwaterpeil bij een bemaling" aan de algemene definities onder de definities voor oppervlaktewater- en grondwaterbescherming (integraal waterbeleid).
Naast de ligging bepaalt de beoogde verlaging van het grondwaterpeil mee de verdere indeling onder rubriek 53.2 - een bemaling voor bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen. Als vuistregel wordt gehanteerd dat om het uitvoeren van werken mogelijk te maken, het grondwaterpeil minstens verlaagd moet worden tot 0,5m onder de uitgraving. Dit houdt in de praktijk in dat het peil op sommige plaatsen (zoals in de onttrekkingsputten) meer verlaagd wordt dan hetgeen doorgaans opgegeven wordt als "verlaging van het grondwaterpeil". Dus als men bijvoorbeeld een bouwput wil graven tot 4 m-mv, dan zal men voor wat betreft de indeling van de benodigde bemaling in rubriek 53.2.2° b) rekening moeten houden met een verlaging van het grondwaterpeil tot 4,5 m-v, ongeacht de filterdiepte van de grondwateronttrekkingsputten. Uiteraard moet het bemalingsconcept op een deskundige manier uitgevoerd worden.
Het peil in de pompput in een filterbemaling met vacuümpompen, het meest gebruikte systeem, is daarenboven niet meetbaar omdat het vacuüm zou onderbroken worden bij een controlemeting van het grondwaterpeil.
Door deze definitie wordt de verlaging van het grondwaterpeil eenduidig vastgelegd en controleerbaar aan de hand van de bouwplannen.
Deze wijziging heeft geen impact op de milieueffecten, maar legt louter een uniforme vuistregel vast die gehanteerd dient te worden voor het bepalen van de verlaging van het grondwaterpeil bij een bemaling.
Daarnaast zijn de definities voor referentiemeetmethode, rapportagegrens, bepalingsgrens en aantoonbaarheidsgrens vandaag enkel van toepassing op afvalwater. Door deze integraal zonder wijzigingen te verplaatsen naar "Algemeen" onder de definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming worden deze ook van toepassing op grondwater.
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Deze artikelen wijzigen de artikelen 1.4.3.1.1, 1.4.5.2.1, § 2, 1.4.5.2.1, § 3 en 1.4.5.3.1, § 2 van titel II van het VLAREM. Deze wijzigingen betreffen geen inhoudelijke aanpassing, maar een administratieve vereenvoudiging voor de bevoegde omgevingsvergunningscommissie en de adviesverlenende instanties. Met deze wijzigingen wordt er vermeden dat er geen adviezen worden ingewonnen in het kader van de evaluaties die niet relevant zijn in dit kader.
Deze artikelen vormen geen kader voor de toekenning van vergunningen.
Artikel 6 Artikel 7 Deze artikelen wijzigen artikel 4.1.9.1.1 en 4.1.9.1.4 van titel II van het VLAREM. Het Vlaams Parlement heeft bij het
decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
06/03/2019
numac
2018014287
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door partners van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Pretoria op 14 januari 2016 (2)(3)
type
wet
prom.
03/12/2017
pub.
10/01/2018
numac
2017031916
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
sluiten3 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw de verplichting tot het ter kennis brengen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, van de aanstelling van de milieucoördinator opgeheven, gezien: - de zware administratieve last zowel voor de exploitanten als de administratie niet opweegt tegen het nut van een dergelijke administratie. - voor erkende milieucoördinatoren: het beschikken over de vereiste kwalificaties en eigenschappen reeds onderzocht werd in het kader van de erkenning. - voor niet-erkende milieucoördinatoren werknemers van de exploitant, die instemming moeten vragen voor een meervoudige aanstelling, de kennisgeving van hun aanstelling reeds vervat zit in de instemmingsprocedure. Het toezicht kan gebeuren in het kader van titel XVI. Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen van het DABM. - de milieucoördinator-werknemer overeenkomstig artikel 4.1.9.1.4, § 3 van titel II van het VLAREM reeds de mogelijkheid heeft om het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking te houden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving.
Met voorgestelde wijzigingen worden de VLAREM-bepalingen afgestemd op de voormelde decretale aanpassing. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 8 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.2.3 van titel II van het VLAREM. Naar aanleiding van de wijzigingen van de EMAS verordening werd het Belgische samenwerkingsakkoord hernieuwd en gepubliceerd op 10 september 2018. Bijgevolg moet ook de verwijzing in titel II van het VLAREM worden geactualiseerd. Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen.
Artikel 9 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.2.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Deze wijziging heeft louter betrekking op een tekstuele verbetering.
Dit artikel vormt geen kader voor de toekenning van vergunningen.
Artikel 10 Dit artikel wijzigt artikel 4.5.1.1, § 2, van titel II van het VLAREM. Dit betreft een rechtzetting van een tekstuele fout die ingevoegd is bij
besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/08/2021
pub.
20/08/2021
numac
2021021663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie
sluiten9 tot wijziging van diverse besluiten naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.
Art. 20 van voormeld wijzigingsbesluit wijzigde art. 4.5.1.1, § 2 VLAREM II als volgt: " § 2. Tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit besluit andere bepalingen zijn opgenomen, zijn de bepalingen, vermeld in afdeling 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit van toepassing, uitgezonderd tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken.".
Het verslag aan de Vlaamse Regering bepaalt duidelijk dat deze wijziging tot doel had om de bouwfase van een project vrij te stellen van de geluidsnormen van VLAREM II, gezien werd gesteld dat bouw-, sloop- of wegenwerken niet of moeilijk aan deze sectorale normen kunnen voldoen. Hierbij werd geen onderscheid gemaakt tussen indeling van bouw-, sloop- of wegenwerken onder klasse 2 of 3. Voorts vermeldt het verslag aan de Vlaamse Regering van het voormeld besluit dat de vergunningverlenende overheid zo nodig aan de individuele situatie aangepaste bijzondere milieuvoorwaarden opleggen.
Door een vergetelheid werd er bij deze uitzonderingsbepaling enkel verwezen naar de (geluids)voorwaarden voor inrichtingen van klasse 1 en 2 (art. 4.5.3 en 4.5.4 VLAREM II) en niet naar de (geluids)voorwaarden voor inrichtingen van klasse 3 (art. 4.5.5 VLAREM II).
Momenteel heeft dit artikel als gevolg dat onder andere de grondbemalingen tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken die zijn ingedeeld als klasse 3 zouden moeten voldoen aan de geluidsnormen van artikel 4.5.5, terwijl grondbemalingen tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken die zijn ingedeeld als klasse 2 niet moeten voldoen aan de overeenstemmende geluidsnormen, wat onlogisch is, gezien klasse 3 inrichtingen als minder hinderlijk worden beschouwd ten opzichte van klasse 2 inrichtingen.
Met dit artikel wordt dit rechtgezet.
Voor geluids- en trillingshinder van bouw- en sloopactiviteiten is er een BBT-studie in opmaak (finale draft, december 2020) die de basis zal vormen voor een code van goede praktijk voor de betreffende sector. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten.
De exploitatie vindt immers slechts plaats gedurende de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken en deze rechtzetting heeft enkel betrekking op de geluidsvoorwaarden. De bevoegde overheid dient bij de aktename rekening te houden met de specifieke situatie en heeft de plicht, indien de specifieke situatie dit vereist, bijzondere voorwaarden op te leggen om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De voormelde code van goede praktijk zal ook bijdragen tot het beperken van de hinder.
Artikel 11 Artikel 12 Deze artikels wijzigen het opschrift van afdeling 4.5.7 en artikel 4.5.7.0.1, 2°, van titel II van het VLAREM. De afdeling 4.5.7. werd met het besluit van 16 maart 2016 ingeschreven in het VLAREM II en is van toepassing op ingedeelde supermarkten. Het toepassingsgebied werd o.a. gekoppeld aan de toenmalige rubriek 16.3.1 van de indelingslijst aangezien dit de rubriek was die aan de grond lag van de indeling van de supermarkten (koelinstallaties). In het verslag aan de Vlaamse Regering werd hierover het volgende opgenomen: "De scope van dit kader beperkt zich tot supermarkten gezien het doorgedreven akoestisch onderzoek en de bijhorende conclusies zich ook beperkten tot supermarkten en hun karakteristieke leveringen. Het nieuwe geluidskader is dus enkel van toepassing op inrichtingen die vallen onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008) en die ingedeeld zijn als een hinderlijke inrichting via rubriek 16.3.1 van bijlage I van titel I van het VLAREM omwille van de koelinstallaties." Met het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw van 3 mei 2019 (art. 187, 10° ) werd rubriek 16.3 echter helemaal aangepast. De installaties die onder rubriek 16.3.1 vielen werden overgeheveld naar rubriek 16.3.2.
Er werd hiervoor het volgende opgenomen in het verslag aan de Vlaamse Regering: "Dit punt vervangt rubriek 16.3. De indeling van koelinstallaties is momenteel enkel gebaseerd op de totale drijfkracht van de installatie.
Dit zegt echter niks over de milieu-impact van het gebruikte koelmiddel, en met name de koelmiddelen die vallen onder de verordening 517/2014 inzake F-gassen (Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006). In deze verordening spreekt men over ton CO2 equivalenten (TCE), zoals ook reeds gedefinieerd in VLAREM. TCE geeft de milieu-impact rechtsreeks weer. Met deze wijziging wordt enkel een klasse 1 inrichting ingevoerd voor koelinstallaties met een gezamenlijk TCE van meer dan 2000 ton (nieuwe rubriek 16.3.1).
Dergelijk koelinstallaties vormen potentieel een groot risico voor het milieu. Mits deze gewijzigde indeling wordt een "incentive" gegeven aan koelbedrijven om minder schadelijke koelgassen te gebruiken, waardoor hun indeling volgens VLAREM kan gereduceerd worden, zonder dat de hoeveelheid koelmiddel dient verminderd te worden. Verder wordt rubriek 16.3 vereenvoudigd, doordat de "oude" rubriek 16.3.1 wordt samengevoegd met rubriek 16.3.2, met als indelingscriterium geïnstalleerde totale drijfkracht, en zonder impact van de ligging van de inrichting in een bepaald bestemmingsgebied." Bij de aanpassing aan de rubriek werd echter de verwijzing in afdeling 4.5.7 van VLAREM II over het hoofd gezien. Deze werd dus niet aangepast en verwijst nu naar koelinstallaties met een TCE van meer dan 2000 ton. Dit was uiteraard niet de bedoeling aangezien hiermee de scope, zijnde de supermarkten, niet meer gevat wordt.
Met dit artikel wordt dit erratum rechtgezet.
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten aangezien het louter een rechtzetting betreft van een verwijzing naar een indelingsrubriek die hervormd werd.
Artikel 13 Dit artikel vervangt lid 3 en lid 4 van artikel 5.2.1.7, § 5 van titel II van het VLAREM en voegt een vijfde lid toe. Een rechtzetting en letterlijke omzetting van hoofdstuk 6 (aanbevelingen) van de BBT-studie `Verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector' (VITO, december 2015) wordt doorgevoerd.
Conform de BBT wordt een onderscheid gemaakt tussen "kleine" en "grote" bedrijven. De grens werd uiteindelijk op 4000 ton opslagcapaciteit gelegd voor de niet-overdekte buitenopslag, met uitzondering van de opslag van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt.
De grote bedrijven moeten, naast de toepassing van preventieve maatregelen een volledige doorgedreven zuivering voorzien om aan de sectorale en bijzondere lozingsnormen te kunnen voldoen.
Voor kleine bedrijven is het, als aanvulling op de preventieve maatregelen, BBT om enkel een voorzuivering (slibvang en olie/waterafscheider) toe te passen. Daarnaast wordt er voor kleine bedrijven verwezen naar de richtlijnen die opgesteld zijn ter uitvoering van dit artikel. Deze richtlijnen voor kleine bedrijven bevatten onder meer de betreffende preventieve maatregelen en de toepasselijke richtlijnen voor lozing op oppervlaktewater of op openbare riolering.
De huidige sectorale voorwaarde bepaalt echter dat: - kleine bedrijven worden geacht van rechtswege aan de normen van bijlage 5.3.2, 48°, te voldoen. - Op 1 oktober 2019 vervielen de bijzondere lozingsnormen opgenomen in de vergunningen voor inrichtingen vermeld in het tweede lid (omgevingsvergunningen of milieuvergunningen). Dit geldt alleen voor de vergunningen van deze bedrijven die niet gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. - De bijzondere lozingsvoorwaarden afgeleverd voor 3 mei 2019, worden op dat moment geacht van rechtswege vervangen te zijn door de voorwaarden opgenomen in dit artikel.
De beoogde rechtzetting harmoniseert het betreffende artikel 5.2.1.7, § 5 VLAREM II met: - artikel 5.4.3, § 1 en § 2 van het DABM: de rechtzetting streeft een hoge beschermingsgraad na en voldoet aan BBT, rekening houdend met de geldende milieukwaliteitsnormen. Zoals reeds vermeld betreft dit een omzetting van een Vlaamse BBT-studie. In het DABM wordt bepaald dat de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden op de beste beschikbare technieken (BBT) worden gebaseerd. Hiertoe worden onder meer Vlaamse BBT-studies opgemaakt. Deze technieken (en dus ook de eventueel daaraan gekoppelde emissiegrenswaarden) worden in deze studies onderworpen aan een multicriteria-analyse. Deze criteria hebben zowel betrekking op de milieucompartimenten (bv. water, energie, geur, geluid en grondstoffen), als op de technische haalbaarheid en de economische aspecten (kostenhaalbaarheid en effectiviteit). De mogelijke milieueffecten werden dus reeds in kaart gebracht in deze BBT-studie. - artikel 5.4.7 van het DABM (strengste milieuvoorwaarde geldt) - artikel 1.7.2.1.1, § 4 van het Decreet integraal Waterbeleid, artikel 1.2.1, § 2 van het Decreet algemene bepalingen milieubeleid en artikel 23, § 4 van de Grondwet (standstilbeginsel, zijnde geen achteruitgang van de bestaande toestand wat een omzetting is van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water). De huidige bepaling in VLAREM II laat niet toe om de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te halen.
Het tijdig remediëren van de huidige bepalingen zal net aanzienlijke negatieve milieueffecten voorkomen. Dit artikel heeft een positieve impact op milieueffecten. Dit artikel veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve effecten.
Artikel 14 Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf toe aan artikel 5.2.2.1.1 van titel II van het VLAREM met betrekking tot recyclageparken.
Er wordt opgenomen dat in de vergunning een afwijking kan worden toegestaan voor recyclageparken op het algemeen artikel dat stelt dat de afvoer van afvalstoffen enkel toegelaten is mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Deze afwijkingsmogelijkheid is enkel van toepassing buiten de reguliere openingsuren van het park.
De afvoer van afvalstoffen gebeurt vaak buiten de openingsuren van het park omwille van veiligheidsredenen (er zijn dan geen particulieren aanwezig) en omwille van de logistieke organisatie van de inzamelaar, makelaar of handelaar van afvalstoffen. Hiertoe moet het recyclagepark wel de nodige maatregelen nemen om de hinder naar de omgeving toe te beperken, zoals het overmaken van richtlijnen aan de inzamelaars, makelaars of handelaars die verantwoordelijk zijn voor de afvoer met betrekking tot het beperken van lawaaihinder bij de manipulatie van de containers en met betrekking tot het ontoegankelijk maken van het recyclagepark voor particulieren op het moment dat de inzamelaars, makelaars of handelaars aanwezig zijn op het terrein. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten vermits de nodige maatregelen dienen genomen te worden indien een afwijking wordt toegestaan.
Artikel 15 Dit artikel wijzigt artikel 5.3.2.4, § 3 van titel II van het VLAREM. Dit artikel stelt dat indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, bedrijven in het kader van waterbesparing hogere emissiegrenswaarden kunnen aanvragen. Bedrijven kunnen reeds op basis van dit artikel actief aangespoord worden om waterbesparende projecten en investeringen uit te voeren in ruil voor lozingsvrachten en hogere concentratienormen in de vergunning. Maar voor de duidelijkheid wordt er nu expliciet in de wettekst vermeld dat naast concentratienormen ook lozingsvrachten kunnen aangevraagd worden via de vergunning.
Volgende aandachtspunten blijven noodzakelijk: - De controleerbaarheid van deze lozingsvrachten is uiterst belangrijk. Dagvrachten kunnen indien er een mengmonster kan genomen worden. Voor jaarvrachten zullen bedrijven zelf moeten instaan voor de noodzakelijke metingen die dan ook in de vergunning zullen moeten opgenomen worden. Andere soorten vrachten (week, maand...) zijn niet aangewezen en niet werkbaar. - Aanvullende normen ovv concentraties zullen noodzakelijk blijven om impact van pieklozingen te kunnen opvangen, en om onmiddellijke controlemeting vanuit handhaving mogelijk te maken.
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten.
Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 5.9.1.1, § 1 van titel II van het VLAREM. Het betreft enerzijds een louter wetgevingstechnische aanpassing met betrekking tot de indeling van een artikel en het betreft anderzijds een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2. Met voormeld besluit werden de rubrieken 9.1 en 9.2, opnieuw ingevoegd en herschreven. Deze rubrieken hebben betrekking op dieren in een publiek toegankelijke inrichting (rubriek 9.1) en inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden (insecten, spinachtigen en duizendpootachtigen) andere dan ingedeeld in rubriek 9.1 gefokt of gehouden worden (rubriek 9.2).
Met voormeld besluit werden ook nieuwe sectorale voorwaarden opgenomen voor deze inrichtingen (afdelingen 5.9.13 en 5.9.14). De rubrieken 9.1 en 9.2 werden in voormeld besluit nog niet toegevoegd aan afdeling 5.9.1 dat betrekking heeft op het toepassingsgebied van hoofdstuk 5.9.
Dit wordt met deze wijziging rechtgezet.
Deze rechtzetting heeft geen inhoudelijke gevolgen. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 17 Dit artikel voegt een zin toe aan artikel 5.9.11.3 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar de EU-Verordening nr. 592/2014 werd recent opgenomen in titel II van het VLAREM. Hiermee is bepaald dat het gebruik van bedrijfseigen kippenmest als brandstof is toegestaan als aan de bepalingen uit de EU-Verordening nr. 592/2014 is voldaan en de vrijkomende energie steeds nuttig kan worden toegepast. Door de verwijzing in artikel 5.9.11.2 naar artikel 5.28.3.5.1, bleven de voorwaarden voor afvalverbranding voor deze installaties van toepassing. De bepalingen uit de Verordening garanderen dat aan de relevante voorschriften inzake de bescherming van het milieu en de gezondheid wordt voldaan en garanderen dat het specifieke gebruik geen nadelige effecten zal hebben op het milieu en de gezondheid van de mens. Bijgevolg is het niet noodzakelijk dat deze installaties bijkomend voldoen aan de voorwaarden van subafdeling 5.2.3bis.1 inzake afvalverbranding en worden deze installaties hiervan vrijgesteld. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is.
Artikel 18 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.1 van titel II van het VLAREM. Er wordt, naast het Algemeen Reglement op Elektrische Installaties, ook de aandacht gevestigd op de Codex voor het Welzijn op het Werk.
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. De Codex voor het Welzijn op het Werk was immers voordien ook al van toepassing en zou zelfs zonder verwijzing in deze wijzigingsbepaling van toepassing zijn.
Artikel 19 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.2 van titel II van het VLAREM. Dit artikel wordt uitgebreid naar shuntreactoren, die qua opbouw en milieueffect naar de omgeving sterk te vergelijken zijn met transformatoren.
De bestaande voorwaarde is verouderd en wordt aangepast aan de federale wetgeving. Bovendien worden strengere eisen gesteld door het Synergrid, de federatie van de netbeheerders elektriciteit en aardgas in België.
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke negatieve milieueffecten.
Shuntreactoren worden immers voortaan vervat in art. 5.12.0.2 VLAREM II en bestaande verouderde voorwaarden worden aangepast n.a.v. federale wetgeving en strengere eisen vanuit de federatie van de netbeheerders.
Artikel 20 Dit artikel heft artikel 5.12.0.3 van titel II van het VLAREM op.
Vast opgestelde batterijen worden immers geschrapt uit de indelingslijst aangezien deze een beperkte milieu-impact hebben, die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Bij de aktename van melding van deze inrichtingen werden zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden nodig geacht. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten.
Artikel 21 Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.4 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar vast opgestelde batterijen en vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren wordt geschrapt, gezien deze inrichtingen geschrapt worden uit de indelingslijst. Deze hebben een beperkte milieu-impact die bovendien volledig beheerst kan worden door het nemen van enkele duidelijk geformuleerde preventieve en/of mitigerende maatregelen. Bij de aktename van melding van deze inrichtingen werden zelden of nooit bijzondere milieuvoorwaarden nodig geacht. De voorwaarden voor deze inrichtingen worden opgenomen in hoofdstuk 6.13 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging veroorzaakt bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten.
Verder is de bestaande voorwaarde verouderd en wordt aangepast. De voorwaarde m.b.t. met droog zand gevulde emmers wordt vervangen door een voorwaarde omtrent blustoestellen, die gemeengoed zijn. Het concept van een vuurvergunning is wijdverspreid en gestandaardiseerd, waardoor het aangewezen is dit toe te passen. Brandklasse A1, vermeld in de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/364 van de Commissie van 1 juli 2015 betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad, staat in de EU-normering gelijk aan onbrandbaar. Ook deze wijziging met betrekking tot aanpassing van verouderde voorschriften naar hedendaagse standaarden zoals bijvoorbeeld de vuurvergunning en blustoestellen veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten.
Artikel 22 Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM. In VLAREM II zijn, wat warmtepompen betreft, momenteel enkel exploitatievoorwaarden opgenomen voor ingedeelde en niet-ingedeelde warmtepompen met een koelfunctie (reversibele warmtepompen) zoals het uitvoeren van lekkagecontroles met een welbepaalde frequentie, het bijhouden van een installatiegebonden logboek en de verplichting dat bepaalde werkzaamheden waarbij er een risico op emissies van deze schadelijke koelmiddelen bestaat, moeten uitgevoerd worden door een erkend koeltechnicus, werkzaam in een erkend koeltechnisch bedrijf.
Deze verplichtingen geven uitvoering aan de Europese verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en de Europese verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.
Volgens verordening (EU) nr. 517/2014 en verordening (EG) nr. 1005/2009 moeten ook de warmtepompen die enkel verwarmen en dus geen koelfunctie hebben aan bepaalde exploitatievoorwaarden voldoen. VLAREM II is momenteel niet afgestemd met deze verordeningen voor dit type van warmtepompen.
Met de voorgestelde wijziging worden de uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot ingedeelde warmtepompen met en zonder koelfunctie op elkaar afgestemd waarbij uitvoering gegeven wordt aan de verordeningen (EU) nr. 517/2014 en (EG) nr. 1005/2009.
Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is.
Artikel 23 Dit artikel wijzigt het opschrift van artikel 5.16.3.4 van titel II van het VLAREM naar aanleiding van de afstemming van de uitbatingsvoorwaarden voor ingedeelde warmtepompen met en zonder koelfunctie. Dit betreft louter een afstemming van de interne regelgeving met een Europese verordening. Dit veroorzaakt dus geen milieueffecten aangezien de verordening reeds in voege is.
Artikel 24 Artikel 25 Deze artikelen wijzigen enerzijds het artikel 5.17.1.2, § 1 en heft anderzijds het artikel 5.17.4.1.10 van titel II van het VLAREM op.
De registerplicht voor gevaarlijke producten (GP) is beschreven in 2 bovenvermelde artikels van VLAREM II, met een lichte nuance tussen beide. Wat onder "groep" in de context van art. 5.17.1.2 moet begrepen worden, is niet éénduidig gedefinieerd. De meest logische interpretatie is dat "groep" moet begrepen worden als CLP-gevarenklasse en -categorie. Bovendien is er een ander toepassingsgebied voor beide artikels. Art. 5.17.1.2 is door zijn plaats in afdeling 5.17.1 geldig voor alle opslagplaatsen GP (van klasse 1), met als implicatie dat sinds 1 mei 2015 ook de opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in het register voor GP moeten opgenomen worden, want die zijn sinds 1 mei 2015 gerubriceerd in rubriek 17. Het toepassingsgebied van art. 5.17.4.1.10 daarentegen is beperkt tot de gevaarlijke vloeistoffen en gevaarlijke vaste stoffen (cfr. art. 5.17.4.1.1). Als er gevaarlijke gassen aanwezig zijn, moeten op basis van art. 5.17.1.2 de gevaarlijke gassen wel in het register opgenomen worden, terwijl ze volgens art. 5.17.4.1.10 niet in het register moet komen. Een derde onduidelijkheid is volgende zinsnede in art. 5.17.1.2, § 1: "Met behoud van de verplichtingen met betrekking tot inrichtingen waarop rubriek 17.2 van de indelingslijst van toepassing is, ....".
Deze bewuste zinsnede lijkt geen enkel nut te hebben, in tegendeel, het schept verwarring. Om deze redenen wordt het artikel 5.17.1.2, § 1 aangepast en wordt het artikel 5.17.4.1.10 opgeheven.
Deze wijzigingen betreffen dus louter het verduidelijken van de bestaande vereisten voor het register voor gevaarlijke producten enerzijds en het wegwerken van dubbele bepalingen anderzijds. Deze wijzigingen hebben in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 26 Dit artikel wijzigt artikel 5.28.4.1 van titel II van het VLAREM. Het betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2. De zinsnede "met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst" kan geschrapt worden uit dit artikel waarin het toepassingsgebied wordt bepaald van afdeling 5.28.4.
De afdeling 5.28.4 is namelijk van toepassing op andere meststoffen dan dierlijke mest en kunstmest. Het betreft hier dus een overbodige bepaling die kan geschrapt worden. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 27 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.7.1.1 van titel II van het VLAREM. In artikel 5.32.7.1.1 worden de schietstanden in een lokaal opgedeeld in zes categorieën. De categorieën A1 tot en met C omvatten de schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt in steeds afnemende kinetische energie. De grenzen zijn bepaald op basis van de kinetische energie van vaak gebruikte munitiesoorten en de technische vereisten aan de schietstand. Verder is er ook een categorie D voor de zwaardere luchtdrukwapens en een categorie E voor het uitsluitend gebruik van hagelpatronen.
Het voorliggende wijzigingsartikel betreft louter een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/11/2019
pub.
03/12/2019
numac
2019042404
bron
federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 tot uitvoering van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik
sluiten2 met betrekking tot een verwijzing naar foutieve, overigens niet-bestaande, rubrieken uit de indelingslijst.
De wijziging heeft geen inhoudelijke verandering tot gevolg ten aanzien van de oorspronkelijke zienswijze bij de hervorming van de rubriek 32.7 van de indelingslijst.
Er vallen dan ook geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.
Artikel 28 Dit artikel wijzigt artikel 5.38.0.2, § 2 van titel II van het VLAREM. Vanaf 1 februari 2002 is voor de Europese Unie een globaal classificatiesysteem (NBN EN 13501-1) voor brandreactie van bouwproducten ingevoerd. Na een co-existentieperiode van de Belgische (NBN S 21-203) en Europese brandclassificatiesystemen is sinds 1 december 2016 de Europese classificatie verplicht. In de basisnormen brandveiligheid (KB van 07 juli 1994) werd door het KB van 12/07/2012 een tabel opgenomen die wordt gehanteerd om de overeenstemming tussen de Belgische en Europese brandklassen te bepalen. Op basis van deze tabel kan gesteld worden dat de Belgische brandklasse A0 vergelijkbaar is met de Europese brandklassen A0 en/of A1. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 29 Dit artikel heft paragraaf 2 op in artikel 5.53.1.1 van titel II van het VLAREM. Vanaf 1 januari 2019 zijn alle vergunningen voor grondwaterwinningen vergund met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones van rechtswege vervallen.
Dit is ingeschreven in artikel 388 van het Omgevingsvergunningendecreet, dat op zijn beurt verwijst naar de overgangsbepalingen van het vroegere Milieuvergunningsdecreet, meer bepaald artikel 44: "Art. 44.Vergunningen verleend voor de inwerkingtreding van dit decreet blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.
Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999." Dus d.w.z. dat een vergunning verleend volgens het besluit van 27 maart 1985 (en dus met toepassing van het decreet van 24 januari 1984) maximaal geldig is tot 1 januari 2019. Een nieuwe vergunning conform het Omgevingsvergunningendecreet en het VLAREM dient voor verdere exploitatie te worden aangevraagd.
De huidige verwijzingen naar deze oude wetgevingen in de op te heffen paragraaf zijn aldus zonder voorwerp geworden en de bepalingen van het Omgevingsvergunningendecreet en VLAREM zijn ook op deze oudere winningen van toepassing.
Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Vervallen vergunningen dienen immers opnieuw aangevraagd te worden en getoetst te worden aan de hedendaags geldende normering.
Artikel 30 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.3.1 van titel II van het VLAREM. De huidige verwijzing naar de debietmeting in het
decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/07/2003
pub.
14/11/2003
numac
2003201696
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het integraal waterbeleid
sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, maakt dat er geen handhaving mogelijk is op de aanwezigheid van debietmeters bij niet-heffingsplichtige ingedeelde grondwaterwinningen. Deze voorwaarde is immers ingeschreven in het hoofdstuk van de heffingsregeling, waarop enkel de toezichthouders van de VMM toezichtrecht hebben.
Dit toezicht en deze meting (voor belastingsdoeleinden) hebben echter een andere finaliteit dan de noodzaak voor een correcte debietregistratie voor milieutechnische doeleinden (kwantitatief grondwaterbeheer en -beleid). Deze verplichting wordt door deze wijziging specifiek in VLAREM ingeschreven. Zodoende kan de afwezigheid van een debietmeter en eventuele illegale grondwaterwinning milieutechnisch terdege worden opgelegd en gehandhaafd conform de bepalingen in het DABM. Gelet op het beperkte debiet dat via hand-, voet en neuspompen kan gewonnen worden, wordt hiervoor geen verplichting tot installatie van een debietmeter voorzien.
De bepaling uit het
decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/07/2003
pub.
14/11/2003
numac
2003201696
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het integraal waterbeleid
sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, waarnaar in VLAREM werd verwezen, bevat ook een uitzondering voor debietmeters op drainages.
Door het schrappen van de verwijzing naar dit decreet in VLAREM wordt de betreffende uitzondering voor debietmeters op drainages best ook expliciet opgenomen in VLAREM (zie verder).
Deze wijziging veroorzaakt geen aanzienlijke milieueffecten. De wijziging draagt bij aan het kwantitatief grondwaterbeheer en -beleid aangezien het toezichtrecht niet louter meer beperkt wordt tot de toezichthouders van de VMM. Artikel 31 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.3.3, § 6 van titel II van het VLAREM. Deze bepaling stelt onder andere dat elke verwijdering en terugplaatsing van een debietmeter onmiddellijk moet worden meegedeeld (schriftelijk, per fax of e-mail) aan de toezichthouders. Er zijn inmiddels geen faxtoestellen meer in gebruik bij de afdeling Handhaving. Gelet op de modernere communicatiemogelijkheden kan het gebruik van een fax voor dergelijke meldingen worden geschrapt. Deze wijziging heeft in de praktijk geen milieueffecten als gevolg.
Artikel 32 Dit artikel wijzigt artikel 5.53.5.2 van titel II van het VLAREM. Voor een efficiënte en performante handhaving van de aanleg en buitengebruikstelling van boringen en grondwaterwinningen is het noodzakelijk dat deze onaangekondigd kunnen worden gecontroleerd tijdens de werkzaamheden zelf. Na het aanleggen of opvullen kan geen efficiënte controle worden uitgevoerd op de correcte ondergrondse installatie van filters, verbuizing, kleistoppen, cementering of opvulling. Het potentiële risico voor de doorboorde watervoerende lagen bij gebrekkige aanleg is onafhankelijk van de klasse-indeling (die voornamelijk door het debiet bepaald wordt). Daarnaast dient het achterliggende dieptecriterium voor de vergunningsplicht te kunnen worden gecontroleerd. Daarom is het aangewezen om de huidige voorafmeldingsplicht die reeds bestaat voor de vergunningsplichtige boringen- en grondwaterwinningen uit te breiden naar alle ingedeelde boringen en grondwaterwinningen, dus ook deze die in klasse 3 zijn ingedeeld.
Voor peilputten die dienen te worden aangelegd voor de correcte monitoring van grondwaterwinningen, conform de bepalingen in artikels 5.53.4.1 en 5.53.4.2 van VLAREM II, geldt eenzelfde noodzaak op efficiënte controlemogelijkheid. De voorafmelding dient dus ook te worden uitgebreid naar de peilputten, dewelke apart niet ingedeeld zijn.
Deze voorafmelding dient voor zover de activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf conform artikel 53/6 7° van het VLAREL te worden uitgevoerd door het erkende boorbedrijf, dat verplicht dient te worden gebruikt voor deze werkzaamheden. Hiervoor is een e-DOV loket beschikbaar. De gegevens van de voorafmelding kunnen worden …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.